• Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    De barokke volzin wordt in Vlaanderen meer gewaardeerd dan in Nederland. Met barok bedoel ik het gebruik van dansende krullen, overdrijvingen en effecten die schaamteloos theatraal zijn. De barokke volzin is een zin waarin zoveel mogelijk van dat alles in is gestopt. De barokke volzin is dan ook, gemiddeld gesproken, langer dan de niet barokke volzin.

    Barok ontleent zijn naam aan het Portugese ‘barocco’ wat onregelmatig gevormde parel betekent. Met barok is dan ook altijd wel iets mis, maar nooit alles. Barok is soms iets te veel van het goede. Vaak veel te veel.

    In Vlaanderen weten ze heel goed wat barok is want ze hebben er Rubens’ werken hangen. Wie naar Rubens kijkt, en de mollige vrouwen even vergeet, ziet de krullen, de draaiende, dansende bewegingen en het theater van het doek spatten. Dat is barok.

    In Vlaanderen is de dagelijkse taal uitbundiger, minder zakelijk. In Nederland zijn we direkter, botter ook, en gaat veel via de rechte lijn. Het is de kortste weg tussen twee afstanden. We zijn zuinig. In Vlaanderen is men beleefder en kiest men voor de indirecte weg, de omweg, de gebogen lijn.  De bijzin is een vorm van indirect taalgebruik. Het geeft een krul aan de taal en in Vlaanderen kunnen ze dat wel waarderen.

    De Vlaamse schrijver en kunstenaar Pjeroo Robjee, pseudoniem van Dirk De Vilder (1945), schrijft zinnen die ik wel postmodern barok zou willen noemen. Dat postmoderne slaat dan op het feit dat Robjee de barokke stijl  bewust kiest en er allerlei moderne stijlvormen en humoristische opmerkingen doorheen vlecht . Wie zijn nieuwste boek Een mismaakt gouvernement doorbladert en een willekeurige zin uitzoekt, ziet het onmiddellijk:

    ‘In de natste voormiddag van de meest smerige zomer sedert het begin van onze tijdrekening zou Miranda of Marijke, Fredo of Francis, of ook nog Lolita van Goethe, van wie de signatuur tussen de namen van de eerder gemelde torenbezoekers in de borstwering werd gekerfd door een of andere grappenmaker van de oude stempel, zou elkeen uit dit onderbevolkt peloton van globetrottende ballustradehoutbedervers in staat zijn geweest een automobiel op te merken, een eivormige sedan overtogen met de beurse, grijsgroene spijs van oxiderend en gekoekte dras’

    De stijl van Robjee is zo dominant dat het de beleving van dit boek totaal overheerst. Wie zich ergert of laat vermoeien door de stijl houdt het al snel voor gezien. In Het mismaakt gouvernement buitelen de woorden en bijzinnen meer dan 300 bladzijden lang over elkaar heen. Dat vraagt om doorzettingsvermogen van de lezer. Nu is doorzetten geen probleem en kunnen moeilijkheden wel overwonnen worden als het resultaat van alle inspanningen uiteindelijk de moeite waard blijkt te zijn. Dat valt in dit geval flink tegen.

     De taal van Robjee is een mengeling van archaïsche woorden en uitdrukkingen, leuk bedoelde vondsten, Vlaams vocabulair, en poëtisch aandoende vergelijkingen. Er wordt gespioend, gewispeld en geschamoteerd. Regelmatig kwam ik woorden tegen die ik zou moeten opzoeken om ze te begrijpen. Zo heb ik geen idee wat ‘een zerp, als hazengerf snerkend mensengerucht’ is. Het klinkt in elk geval leuk. Ook gebruikt Robjee nogal wat Vlaams. Zo gebruikt hij ‘binst’ in plaats van ‘terwijl’, ‘teljoor’ in plaats van ‘bord’ en ‘asem’ in plaats van ‘adem’.  Dat is op zich geen bezwaar maar het maakt het de Nederlandse lezer niet makkelijker. Niet zozeer Vlaams maar archaïsch zijn woorden als ‘sedert’, ‘weder’, ‘neder’, ‘ener’ etc. En postmodern zijn grapjes als Lolita van Goethe (een verwijzing naar de schrijvers Nabokov en Goethe) en het opnemen van moderne Engelse woorden als ‘loverboy’. Dat alles wordt gekneed, opgestapeld en vermengd met allerlei invallen, woordgrapjes en verhaspelde uitdrukkingen zoals bijvoorbeeld ‘manmachtig’ in plaats van ‘met man en macht’.  Het resultaat is een uiterst excentrieke, theatrale taal:

    ‘De koekenbakker toverde uit zijn mond een redevoering naar het lamplicht, een in waterlanders gedrenkt vertoog, waarin de parabel van het vetgemeste rund sterk en allesoverheersend naar het voorste plan van de avantscène werd geschoven.’

    Ook de vergelijkingen die Robjee maakt zijn vaak theatraal en grappig bedoeld. Als het regent, regent het stront. Als iemand huivert staan ‘meanderende aders kabeldik’ aan zijn slapen. Een vrouw van middelbare leeftijd wordt ‘een mokkel in de jaren des overgangs’ genoemd. Iemand die gek is is ‘van de mare bereden’.

    Het mismaakt gouvernement is, ontdaan van de schil van de stijl, in de kern niets meer dan een ouderwetse schelmenroman met af en toe licht absurdische trekjes. Het verhaal is mager en bestaat uit niet veel meer dan de niet eens zo dwaze belevenissen van de twee hoofdpersonen. Het verhaal wordt ons verteld door Odette die toevallig een oude uitgave van Toergenjevs Eerste Liefde tegenkomt en het herkent als  het exemplaar dat ze haar jeugdliefde zoete Winnie in 1967 eens cadeau deed. Ondanks 40 graden koorts is die vondst de aanleiding om hem weer te gaan zoeken. Zo gaat ze op pad en hoort van tal van meer en minder merkwaardige figuren verhalen over haar zoete Winnie. De hoofdstukken waarin de zoektocht wordt beschreven worden afgewisseld met herinneringen aan haar jeugd en de rol die zoete Winnie daarin speelde.

    Zoete Winnie is de schelm waar het allemaal om draait, maar we krijgen hem nooit echt goed te zien. Veel van wat we over hem te weten komen, wordt verteld in korte raamvertellingen en die volgen steeds hetzelfde patroon. Winnie is een charmeur, verleidt man en vrouw en gaat er vervolgens met hun geld vandoor. Ook Odette bedriegt hij, door haar eerst voor haar zus Chantal in te ruilen en later door haar geld te stelen.

    Beter dan Winnie leren we de vader van Odette kennen. Het is het type ruwe bolster zonder blanke pit en hij leidt het ‘mismaakt gouvernement’ zoals Robjee het gezin noemt. Hij is ontslagen, arm en gedwongen tot het verbouwen van zijn ‘koer’ (binnenplaats). Ook is hij niet te beroerd een vriendje van zijn dochter met zijn jachtgeweer de stuipen op het lijf te jagen. Van moeder komen we niet veel meer te weten dan dat zij de éne na de andere likeur achterover gooit.

    Alle personages spreken zoals Robjee schrijft.  Zo spreekt bijvoorbeeld de zus van Odette:

    ‘Wij worden er aha niet jonger op , haha, wel ouder. En onze vava en ons moe, zij zijn bejaard gelijk de stok, zij staan begot op krukken al met meer dan een pikkel onder de groene sargie op de deksteen van hun graf.’

    De roman krijgt door dat niet aflatende bombardement aan creatief bedoelde zinnen iets stars en éénvormigs. De personages bij Robjee zijn dan ook sterk aangezette karikaturen en hebben soms licht absurdistische trekjes, zoals een vrouw die te pas en te onpas ‘Is dat nuttig?’ zegt. Wat dat betreft doet Robjees werk wel wat denken aan dat van Charlotte Mutsaers. Freddy uit Koetsier Herfst zou zo een bijrol in Robjees roman kunnen spelen. Alleen zijn taalgebruik zou hij sterk moeten aanpassen.

     Het lezen van Een mismaakt gouvernement is een vermoeiende bezigheid. Al die heupwiegende zinnen gaan uiteindelijk vervelen en soms irriteren. De schelmenstreken van zoete Winnie en de in gekrulde zinnen gevatte spitsvondigheden weten maar matig te boeien. In plaats daarvan raak je verdoofd door al die pogingen tot virtuose taalbeheersing die vaak ook nog geestig bedoeld zijn.  

    Ik sluit niet uit dat sommige lezers Robjee als virtuoos zullen omarmen. De bewonderaars zullen in Vlaanderen waarschijnlijk talrijker zijn dan in Nederland. Robjee is in Vlaanderen geen onbekende terwijl hij in Nederland tot op heden weinig tot geen aandacht heeft gekregen. Ik vermoed dat Een mismaakt gouvernement in die situatie niet veel verandering zal brengen.

    Een mismaakt gouvernement

    Auteur: Pjeroo Robjee
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    De kredietcrisis lijkt over zijn hoogtepunt heen, zo lezen we dagelijks in de krant. Maar hoe zat het ook alweer? En wie is er nu echt verantwoordelijk voor het uitbreken van de mondiale financiële crisis? Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek geeft de antwoorden in De contracten van de koopman en trekt van leer tegen ieder die schuld heeft: de eigengereide bankier, enkel uit op zijn eigen gewin, maar ook jij en ik. Want alles begint en eindigt bij de hebzucht die in ons allen zit.

    Aan het woord is ons geld. Het geld dat er niet meer is. En eigenlijk ook nooit bestaan heeft.
    Het ene gat werd met het andere gedicht en het geld draaide rondjes tot de geldstromen tot stilstand kwamen. Nu viert het geld vakantie op Guernsey, het belastingparadijs, waar het is heen gesluisd door de bankiers. Want wie ook aan het kortste eind trekt, de topmensen zeker niet.

    ‘We hebben u iets beloofd dat we niet konden waarmaken, sorry, we hebben ons versproken.’
    Daarmee is de kous af volgens het koor der grijsaards. Als tweede verschijnen zij ten tonele en richten het woord tot ons. In de lange monoloog die volgt maken ze ons één ding, keer op keer duidelijk: zij treffen geen blaam. Moesten wij met zijn allen maar niet zo hebzuchtig zijn. Eigen schuld, dikke bult.

    Het geld, dat we aan hen toevertrouwde, is nu van hen. En terecht, vinden de grijsaards. Zij zijn immers de enigen die de financiële wereld kunnen doorzien, zij zijn de hoeders en hebben er alles aan gedaan om onze zorgen uit handen te nemen. Dat onze zorgen juist zijn toegenomen, maakt daarbij geen verschil. Zij hebben alleen gedaan waar zij goed in zijn: ons verlangen naar meer bevredigen.

    Dat zij hiervoor kapitalen hebben opgestreken is dan ook niet meer dan de normaalste zaak van de wereld. ‘En natuurlijk nemen we daarvoor servicevergoedingen in ontvangst, nietwaar, uw garagebedrijf doet dat tenslotte ook.’
    Ook wat betreft het falend toezicht wassen zij hun handen in onschuld. ‘Wij controleren onszelf en dat is voldoende. Bedenk maar eens hoe vaak u zich niet controleerde en wees dankbaar dat wij onszelf controleren en ons zelfs laten controleren, en onze eigen controle, onze zelfcontrole is de sterkste! ‘

    Bladzijde na bladzijde gaat het betoog verder. Niets gaan de grijsaards uit de weg. Want zij hebben niets te vrezen. Zij zijn de goden, de ‘Heraklessen’, van deze tijd. Tegen hun kracht en machtsvertoon is zelfs de politiek niet opgewassen. De politici zijn enkel marionetten die de omvallende banken nationaliseren zodat de grijsaards weer op de oude voet verder kunnen.

    Toch klinkt er ook een weerwoord. De engelen der gerechtigheid spreken, alsof het nieuwe Openbaringen betreffen, de grijsaards maar ook de gewone man streng toe. Helpen doet het alleen niet want de geschiedenis zal zich blijven herhalen, zo laten de grijsaards weten: ‘wij krijgen een crisis en daarna herstellen we het publieke vertrouwen en dan nemen we opnieuw, wij kunnen markten volledig dereguleren zoals rivieren, daarna reguleren we ze weer, helemaal naar onze wensen.’

    Rest de vraag: wat moeten wij, de lezers, aan met dit verhaal? Zoals bovenstaande samenvatting laat zien, maakt Jelinek het de lezer niet gemakkelijk. Wie De contracten van de koopman wil kunnen duiden, moet niet alleen een flinke dosis kennis van de mythologie en de bijbel in huis hebben maar ook raad weten met de vele symbolen en metaforen die in het verhaal zijn verwerkt.
    Daarnaast lijkt Jelinek er alles aan gelegen om met haar manier van schrijven de lezer te imponeren. Haar buitensporige lange zinnen zijn knappe taalkundige bouwwerkjes maar maken het vertelde nog ingewikkelder dan het al is en doen de leesbaarheid weinig goed. Ook de woordkeuze van Jelinek verraadt haar verlangen naar mooischrijverij. Tel daarbij op haar elitaire toon en het is duidelijk: de lezer moet van goeden huize komen wil hij of zij het werk kunnen begrijpen.

    En toch is De contracten van de koopman meer dan alleen een literair paradepaardje. Waar het werkelijk om gaat, is de boodschap die Jelinek wil uitdragen.  Hier slaagt zij wonderwel in. Op subtiele wijze houdt ze ons een spiegel voor. Opdat we niet vergeten.

    De contracten van de koopman

    Auteur: Elfride Jelinek
    Vertaald door: Inge Arteel
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Prijs: € 18,95

  • Verrassende terugblikken

    In deze boeiende mengeling verhalen die Kees ’t Hart in zijn nieuwe bundel samenbrengt, wisselen smeuïge belevenissen en meer persoonlijke indrukken elkaar af.
    Wat de eerste categorie betreft kan de lezer zich verkneukelen over de toestanden waar ’t Hart – Kees T. Hart, spelt hij tijdens een onderhoud voor de Groene Amsterdammer met de gouverneur van Minnesota, omdat het voorvoegsel te moeilijk is voor Amerikanen – vaak ondanks zichzelf in verzeild raakt. Een ander voorbeeld hiervan is een Carmiggelt-achtig verhaal waarin lieden aan een bar geschetst worden en een ervan Simon Vestdijk blijkt te zijn.

    In een aantal verhalen uit deze categorie is het onduidelijk of de schrijver de juiste persoon voor ogen heeft. Hij gaat terug in de tijd om zijn geheugen op te frissen en wendt zich vervolgens weer naar het heden om de loop van de gebeurtenissen te vervolgen, zoals in het verhaal over een rouwkaart van een oude hospita die in de tijd dat ’t Hart zijn dienstplicht vervulde wanhopig was. Of over een andere vrouw die op de voetbaltribune achter bondscoach Van Marwijk zit en die hij ergens van kent. Het is een prachtig procédé.

    In de tweede categorie, verhalen over meer persoonlijke zaken, blinkt vooral het verhaal uit over straten die de schrijver zich nog kan herinneren. Het is buitengewoon grappig proza, een soort dronkenmanstaal, maar dan opgetekend vanuit het perspectief van een jongetje dat zich alleen nog flarden herinnert van huizen, bestek en bedden, of juist het ontbreken daarvan.
    ‘Ik moet staande hebben geslapen omdat mijn bed in alle talen ontbreekt.’
    Verderop wordt het allemaal nog vreemder: ‘In mij woonden geen huizen.’ Intrigerend is het zeker.

    Een ander verhaal in deze categorie, Jack Scott, gaat over een jongetje dat niet weet wat de uitdrukking ‘van de verkeerde kant’ betekent en lang daarover in het ongewisse blijft.

    Niet alle verhalen zijn even sterk. Zo is er een flauw relaas, afgestoken door een boek (een eerste druk mét handtekening), dat op zoek is naar een uit het oog verloren Engelse novel en een dagboek van een taalgevoelige zoon van een regisseur, die niet geheel tevreden is met zijn rol in een toneelstuk. Die vallen echter weg bij de grote kwaliteit van de andere verhalen.

    Ook wat de taal betreft is het genieten: in Jack Scott vertelt de jeugdige hoofdpersoon over een meisje dat op een afgelegen plek langs het water bereid was iets met jongens te doen. Hij mocht er echter niet heen van zijn ouders en schrijft daarover: ‘De scheepvaart was er gevaarlijk, ik ben er nooit geweest.’ Over een dronken man schrijft hij: ‘Hij was dronken en schaamde zich daarvoor: zijn stem klonk alsof hij tevoren lang op een zin had geoefend.’

    Mooi van toon is het wat langere verhaal Koorzang over een man met dwangmatige neigingen. In een brief aan een toekomstig therapeut laat hij weten dat hij zelf al ijverig bezig is geweest om een verband te leggen tussen zijn vreemde erotische gevoelens en de wortels daarvan in zijn jeugd. Tijdens vrouwelijk koorzang voelde hij zich tot het heilige toegelaten. Het is grappig als hij verderop schrijft: ‘Bovendien zou het een vreemde indruk op mijn ouders maken wanneer ik tijdens het bezoek van mijn vriendin steeds platen van christelijke vrouwenkoren naar mijn kamer zou meenemen.’

    De gemeenschappelijke noemer in deze bundel vormt de herinnering; het laatste verhaal betreft gedichten die ’t Hart schreef over de huizen waarin hij woonde en die zelfs een biografie moeten vervangen. In dit opstel blijkt dat hij het moeilijk vindt om een rangorde aan te brengen in zijn herinneringen. Hij noemt het zelf een gebrek aan indelingsvermogen, maar misschien is die veelvormigheid juist ook een kracht, die steeds weer doet verrassen. Het titelverhaal Engelvisje, over een bezoek aan het graf van Mark Twain – die verzot was op hele jonge meisjes en hen engelvisjes noemde – spant wat dat laatste betreft de kroon.

     

     

  • K. Schippers en de invloed van Marcel Duchamp

    K. Schippers en de invloed van Marcel Duchamp

    Recensie door Machiel Jansen

    In 1913 schroeft Marcel Duchamp (1887 – 1968) een fietswiel op een krukje. Het is leuk om naar het draaiende wiel te kijken, net zoals je naar de vlammen in de open haard kunt staren. Een paar jaar later kiest hij voorwerpen uit, (een flessenrek, een sneeuwschep, een urinoir)  signeert ze en promoveert ze tot kunstvoorwerpen, Readymades. Vooral het urinoir, dat hij in 1917 Fontein noemt en signeert met het pseudoniem R. Mutt, onder meer een verwijzing naar een stripfiguur, houdt de gemoederen lang bezig. Het wordt geweigerd bij een tentoonstelling en verdwijnt, hoogstwaarschijnlijk op de vuilnisbelt. Later zijn er verschillende replica’s van gemaakt. In 2004 wordt Duchamp’s Fontein door kunstkenners uitgeroepen tot het meest invloedrijke, moderne kunstwerk.

    Duchamp kan zonder meer beschouwd worden als de voorloper van bijna elke grote kunststroming vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. Pop Art, Conceptuele kunst, Minimal Art, Performance Art, Postmodernisme, al die stromingen zijn schatplichtig aan Duchamp. De gedachte dat het bij moderne kunst niet zozeer gaat om het kunstwerk zelf als wel het idee dat er achter zit, het conceptuele, vind je als eerste bij de uitvinder van de Readymade.

    Ook in de Nederlandse literatuur kom je Readymades tegen, met name in het werk van K. Schippers (1936, pseudoniem van Gerard Stigter).  Schippers richt in 1958 met zijn twee vrienden J. Bernlef en G. Brands het tijdschrift Barbarber op. Behalve nieuwe bijdragen van het drietal oprichters en schrijvers als Jan Hanlo en Dick Hillenius, staan er ook bestaande teksten in van schrijvers en kunstenaars, waaronder Francis Ponge, Daniil Charms, Kurt Schwitters en Marcel Duchamp.  De stemming bij Barbarber is die van vrolijkheid, vrijheid, het onverwachte. Loodzware ernst wordt met humor en ironie bestreden. Het zijn woorden die ook op het werk van Marcel Duchamp van toepassing zijn.

    Duchamp heeft  een aantal keren zijn aantekeningen verzameld en deze verschijnen in stukjes af en toe in Barbarber. Ze worden hier, misschien wel voor het eerst, gepresenteerd alsof het poëzie is. Wat opvalt is dat K. Schippers de vluchtige, pseudowetenschappelijk stijl van Duchamp, in zijn eigen teksten imiteert. De invloed is groot. De titel van Schippers’ tweede dichtbundel Een klok en profil (1965), verwijst naar een uitspraak van Duchamp (‘when a clock is seen from the side it no longer tells the time’).  In de bundel staat de éénregelige,  poetische Readymade getiteld Rijksmuseum, waarin het Nederlandse paleis van de kunsten teruggebracht wordt tot een adres: Stadhouderskade 42 te Amsterdam

    Bernlef en Schippers schrijven in 1967 een aantal essays over moderne kunst onder de titel Een cheque voor de tandarts. Ook die titel verwijst naar een werk van Duchamp; een zelf ontworpen cheque om zijn tandarts te kunnen betalen. En ook in Schippers’ latere werk is de geest van de Franse kunstenaar nooit ver weg.

    De invloed van Duchamp op Barbarber komt ook kort aan de orde in het nieuwe boek van K. Schippers De bruid van Marcel Duchamp. Het bestaat grotendeels uit beschrijvingen van de reizen die Schippers door de jaren heen ondernam om de plaatsen waar Duchamp woonde, werkte en verbleef te bezoeken. Het resultaat van die zoektocht is een plezierig en persoonlijk boek over een kunstenaar die zijn geheim niet prijs geeft en over een schrijver die zo graag eens bij zijn geestverwant en voorbeeld op bezoek zou gaan.

    Schippers reist Duchamp, die in 1968 overleed, na. Hij bezoekt Philadelpia waar het grootste gedeelte van het oevre te zien is, Parijs, Neuilly, Blainville-Crevon, München, New York. Waar Duchamp geweest is komt Schippers langs. Soms denkt hij hem elk moment te kunnen tegen komen.

    Wie helemaal niet bekend is met het werk van Duchamp of zijn tijdgenoten zal aan sommige delen van De bruid van Marcel Duchamp nog een hele kluif hebben. Schippers geeft geen systematische beschrijvingen van de kunstwerken, en ook aan interpretaties waagt hij zich niet. Daar zijn andere boeken voor. In plaats daarvan zijn het mijmeringen, herinneringen aan wat hij gelezen heeft, soms in de vorm van proza die flarden van Duchamps werk en leven vertellen. Daarbij gebruikt hij soms een overvloed van namen en titels, die de oningewijde wel eens kan afschrikken:

    ‘Wat weet hij nog van Rêlache, het ballet van Picabia en Satie, dat in 1912 in het Théâtre des Champs Elysées werd opgevoerd? Kwam Jacques Rigaut ook naar de première? Deze jonge dandy was immers bevriend met René Clair, de maker van de film Entre’acte, die in de pauze werd gedraaid. Les Deux Timides, waarin de twee geliefden elkaar achternazitten kwam pas zeven jaar later uit.’

    Achterin het boek staat een leeslijst, maar wie snel kennis wil maken met het werk van Duchamp kan het best www.understandingduchamp.com bezoeken. Een geweldige website waar met animaties de werken hier en daar verduidelijkt worden. Vooral voor een goed begrip van Duchamps meesterwerk De bruid, ontbloot door haar vrijgezellen,zelfs is dat geen overbodige luxe. Het werk heeft de naam ondoorgrondelijk te zijn en speelt een grote rol in Schippers’ verhaal.

    Het grote glas, zoals het werk ook wel wordt genoemd, verbeeldt een enorme machine, een pseudowetenschappelijke uitbeelding van de ongeziene krachten die de menselijke erotiek vorm geven. Een apparaat dat, zoals een criticus eens opmerkte, niet kan functioneren zonder de olie van de humor. Het werk is geen schilderij, geen beeldhouwwerk, maar wat Duchamp een ‘opschorting’ noemde. Een poging om een kunstwerk te maken waarbij het visuele ondergeschikt was aan de ideeën die er in tot uitdrukking komen. Iets totaal nieuws dus, een poging om los te komen van elke conventie, maar niet van de ironie en de lach.

    Centraal in Het grote glas, staat de bruid in de vorm van een apparaat dat niets menselijks heeft. Zij wordt bestookt door negen vrijgezellen die via vreemde mechanismen de bruid proberen te verleiden. Duchamp ontwierp voor het geheel een persoonlijke natuurkunde en de aantekeningen die het werk moeten verduidelijken zijn later uitgegeven in de zogenaamde Groene doos. Het zijn o.a. deze teksten die in Barbarber terecht kwamen.

    De titel van het boek verwijst naar de bruid in glas. In Het grote glas is zij een abstracte motor die draait op liefdesbrandstof. Schippers gaat op zoek naar haar menselijke gedaante, maar ook naar de raadsels die Duchamp en zijn werk omgeven. Daarbij gaat het hem niet eens zozeer om antwoorden maar meer om de nabijheid te ervaren van de kunstenaar met wie hij zich zo verwant voelt.

    De achterkant van het boek vermeldt dat hij op zoek is naar Duchamp’s bruid, de vrouw of vrouwen die de inspiratie geweest moeten zijn voor Duchamps Grote glas. Maar zo doelgericht zijn de reizen van Schippers niet en dat is nu ook net wat het boek zo leuk maakt. Zo beschrijft hij een hele dialoog tussen Mondriaan en Duchamp alsof hij er zelf bij was. In New York sluipt hij een oude studio van Duchamp in die inmiddels als kantoor dienst doet en beschrijft de ruimte alsof het nog vol met Duchamps spullen staat. In München gaat hij in een café zitten en alsof het 1917 is verwacht hij Duchamp  en zijn vriend elk moment te zien binnenkomen.

    Misschien nog wel leuker dan de bezoeken aan Duchamps vroegere woon- en verblijfplaatsen zijn de ontmoetingen die Schippers door de jaren heen heeft gehad met Man Ray, John Cage, Nelly van Doesburg en de ex-vrouw van Picabia. Het zijn geen diepgravende gesprekken en er komen geen wereldschokkende, nieuwe feiten aan het licht. Maar de grote kunstenaars van weleer komen opeens  dichterbij. Ze worden tastbaarder en het voetstuk waar de kunstgeschiedenis ze op heeft gezet wordt even weggenomen.

    Wat dat betreft doet De bruid van Marcel Duchamp denken aan Holland Dada (1974, uitgebreid en herzien in 2000) waarin Schippers de activiteiten van Dada kunstenaars in Nederland beschreven heeft.  Maar De bruid… is speelser in toon en opzet dan het meer feitelijke Holland Dada. Schippers is er met De bruid van Marcel Duchamp in geslaagd een informatief eerbetoon te schrijven aan een kunstenaar die zoveel invloed heeft gehad maar die we desondanks niet goed kennen. Schippers laat ons een beetje kennis met hem maken. De raadsels die Duchamp en zijn werk omgeven lost hij niet op. Een tipje van de sluier licht hij ook niet op. Dat hoeft ook niet bij een bruid die al ontbloot is.

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Deze essaybundel laat zich op meerdere wijzen in tweeën delen. Er staan stukken in over het wezen van poëzie en de ontdekking daarvan door het kind Bernlef, en daarnaast staan er stukken in over vertalingen van buitenlandse poëzie. Maar je kunt ook de tweedeling maken tussen de kortere essaytjes, die tweederde van het boek bestrijken en de wat dieper gravende stukken die grotendeels het laatste stuk van de bundel volmaken. En evengoed kun je het onderscheid maken tussen eerder gepubliceerde stukken (vooral in het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift Raster) en werk dat in deze publikatie voor het eerst het levenslicht ziet. Maar geen van deze tweedelingen deelt de bundel in twee gelijke delen.

    Het eerste essay heet meteen ook De Tweede Ruimte en de verwachting van de lezer dat hij hier de verklaring van de titel zal vernemen wordt al gauw bewaarheid. Het begint met een anekdote waarin de jonge Bernlef door zijn vader wordt gefopt. Deze had gezegd dat de plaatselijke bakkerij in lichterlaaie stond. Dat was aanleiding genoeg voor de jongen zich er onmiddellijk heen te spoeden, om, eenmaal aangekomen, teleurgesteld te constateren dat er helemaal geen sprake van brand was. Vreemd, des te meer omdat zijn vader doorgaans goed geïnformeerd was. Thuisgekomen wordt hem dan door zijn eigen vader meegedeeld dat het, ha-ha, een 1-aprilgrap was! De zes, zevenjarige Bernlef kan er niet echt om lachen, maar dankzij deze grap doet hij wel de belangrijke ontdekking dat mensen met taal blijkbaar ook andere werkelijkheden kunnen oproepen dan de alledaagse. En dat de relatie tussen mededelingen en de werkelijkheid, tussen woorden en de verschijnselen er eentje was die enkel op een afspraak berustte, maar dat niemand je kon verbieden van die vanzelfsprekendheid af te wijken en je een eigen wereld te scheppen. Dat bood een scala aan mogelijkheden voor de fantasie! En deze speelruimte tussen werkelijkheid en taalgebruik zou hij voortaan de ’tweede ruimte’ noemen.

    Als hij later op school kennis maakt met de poëzie zal hij ontdekken dat de woorden in het gedicht, door middelen als rijm en metrum, een eigen werkelijkheid konden opeisen. De taal was een zelfstandige werkelijkheid op zich. Als een soort parallel universum. In een goed gedicht was alles mogelijk. ‘Die tweede ruimte was de geboortegrond van de poëzie en daar wilde ik wonen’. Het is Bernlef uiteindelijk gelukt zich er metterwoon te vestigen. En behalve dat hij zelf gedichten ging schrijven, legde hij zich ook toe op het vertalen van buitenlandse gedichten. En zeker in dat laatste heeft hij een alom gewaardeerde status bereikt. Zelf beschouwt hij zijn vertalingen ook als verlengstuk van zijn eigen poëzie. Van zo iemand mag men dan ook iets persoonlijks verwachten wanneer hij over poëzievertalingen komt te spreken. Maar dat persoonlijke aspect breekt pas door tegen het einde van de bundel, waar de essays gemiddeld ook wat langer zijn dan de oorspronkelijk als kronieken in Raster gepubliceerde mini essaytjes over poëzievertalingen; een fenomeen waarvoor Bernlef graag een lans wil breken omdat ze meestal niet de aandacht krijgen die ze verdienen.

    Deze kronieken ontstijgen niet altijd het niveau van het gelegenheidsstukje over recent verschenen poëzievertalingen. Er wordt ruimhartig geciteerd uit de vertalingen – waardoor je als lezer wel juweeltjes als ‘Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien’ van Pessoa meekrijgt – en behalve dat Bernlef in het kort een en ander over de dichter in kwestie meedeelt, blijkt hij ook niet te beroerd zijn mening te geven over de vertaalprestaties van zijn vakbroeders, zoals daar o.a. zijn Guus Luijters, Eva Gerlach, Paul Claes, Lloyd Haft en Peter Verstegen. Een enkele keer haalt hij er een vertaling van zichzelf bij om zijn visie te adstrueren. Zoals in het geval van het gedicht The Imaginary Iceberg van Elizabeth Bishop. Een dichteres die Bernlef al decennia lang vermag bezig te houden en waarbij het hem dan ook enigszins ontstemt als blijkt dat ook een andere vertaler, Guus Luijters, zich met haar heeft ingelaten. Hun beider vertalingen van dit gedicht worden aan een close-reading onderworpen, waarbij de slotsom dat zijn eigen vertaling het op beslissende punten wint van die van zijn tegenstander bepaald niet als een verrassing komt. Maar een betweterige toon ontbreekt ten enenmale, want Bernlef heeft met het aan het licht brengen van de verschillen in de vertalingen slechts een wezenlijk aspect van Bishops poëzie willen blootleggen, namelijk: dat zij met de precieze, uitgekiende keuze van haar glasheldere woorden de sublieme momenten die de werkelijkheid soms prijsgeeft, heeft willen evoceren in haar gedichten, waaraan ze overigens zelf jarenlang kon werken. Intussen is de boodschap bij de lezer wel doorgekomen: die Elizabeth Bishop is niet een dichteres die je zomaar even tussendoor neemt. Maar Bernlef gunt zeker ook ere aan wie ere toekomt en wanneer hij over Peter Verstegen schrijft dat die een virtuoos is wanneer het op rijmen aankomt, hoeft niemand te vrezen dat hier iemand het graf in wordt geprezen. Want daar is Bernlef gewoonweg de man niet naar. Hij is eerlijk en oprecht en er niet op uit om rekeningen te vereffenen.

    Wie het over vertalingen heeft ontkomt er natuurlijk niet aan zijn houding te bepalen tot Robert Frosts beroemde uitspraak dat het wezen van poëzie datgene betreft, ‘wat bij vertaling verloren gaat’. Maar Bernlef is wat dat aangaat minder pessimistisch: ‘Tegenover het verlies staat vaak ook de winst van vertaalvondsten. Het is de kunst om poëzie uit andere talen zo om te vormen dat er een goed Nederlands gedicht tevoorschijn komt’. Hij neigt ernaar vertalingen te zien als ‘reproducties van een origineel’, zoals Tomas Tranströmer meent. Onvermijdelijk is dan ook dat de tweede ruimte van het vertaalde gedicht er anders uitziet dan die van het origineel. Maar van die afwijking is de vertaler zich bewust. Een vertaling is dan ook nooit helemaal ‘af’ beweert Bernlef. De onlangs overleden Rudy Kousbroek, die overigens niet in de bundel ter sprake komt, had ook een mooie metafoor over deze materie: ‘Poëzie lezen in vertalingen is iets als liefkozen met handschoenen aan.’

    Hoewel de bundel voornamelijk over poëzievertalingen gaat, is het geen poëtica van het vertalen geworden in de trant van Vestdijks De Glanzende Kiemcel. Bernlef laat ons niet over zijn schouder meekijken hoe een vertaald gedicht woord voor woord tot stand komt. Wel noemt Bernlef een motief om gedichten van een ander, inzonderheid die van Tomas Tranströmer, te vertalen: Bernlef had ze maar al te graag zélf geschreven! Zo vormden Tranströmers gedichten voor hem een schok der herkenning en daarmee een erkenning van zijn verlies. ‘Natuurlijk had ik deze gedichten zelf moeten schrijven! Maar Tranströmer had dat al gedaan. Het enige wat ik aan deze deplorabele toestand kon doen was zijn gedichten in het Nederlands te vertalen.’

    Deze persoonlijke ontboezeming komt dan ook uit het laatste gedeelte van de bundel, waarin Bernlef over de dichters van zijn voorkeur van komt te spreken: de Zweden Gustafsson en Tranströmer en de Amerikaan Ashbery, nadat eerder al Bishop onder handen was genomen. Zo lezen we in een opstel over John Ashbery dat de eerste confrontatie met diens poëzie Bernlef zwaar bekomen was. Hij vergelijkt die ervaring met het voor de eerste keer blootgesteld worden aan de muziek van Karlheinz Stockhausen. Hij had er eigenlijk geen touw aan vast kunnen knopen, maar nieuwsgierigheid wint het bij Bernlef van koppigheid: ‘Ik moest ophouden met zoeken, dan zou ik het vanzelf vinden; niet wat ik zocht, maar wellicht wel iets anders.’ En blijkens het vervolg stelde dat ‘iets anders’ niet teleur. In het uitgebreide essay over Tranströmer toont Bernlef aan hoe hij tot de ontdekking kwam dat de haiku-methode de ‘kiemcel’ is voor al diens werk. Dit wordt hem pas duidelijk als hij erachter komt dat Tranströmer zich niet eerst met haiku’s is gaan bezighouden na zijn hersenbloeding in 1990, maar zich al ruim 30 jaar daarvoor van die versvorm had bediend. Veronderstelde Bernlef aanvankelijk dat de haiku vanwege zijn beperkte omvang nog zo’n beetje de enige versvorm was die de Zweed na 1990 nog zou kunnen behappen, door de ontdekking dat de haiku zich al blijkbaar veel eerder had aangediend, komt Bernlef ertoe het wezen van de haiku tegen het licht te houden, om de ontdekking te doen dat zowel in de haiku als in de Tranströmergedichten hetzelfde speelt: er vindt een confrontatie tussen twee werelden plaats waarbij, ‘als in een chemisch proces, uit twee bij elkaar gebrachte stoffen ten slotte een derde ontstaat: het onzichtbare maar wel degelijk aanwezige gedicht waarin de dichter zich manifesteert zonder zich een lyrisch ik aan te meten.’ Bernlef sluit dit essay af met vier recente, nog niet eerder in het Nederlands verschenen haiku’s van Tranströmer. Die bonus pik je als lezer dus ook mooi mee.

    Lezing van deze bundel maakt eens temeer duidelijk dat Bernlef niet zozeer houdt van dichters die zich inklemmen tussen vaste rijmschema’s en strofen, maar des temeer van hen die in hun onderzoekende versregels op de tast gaan naar de contouren van een antwoord. Poëzie die raakvlakken heeft met de wetenschap. ‘Want dichter en onderzoeker worden tenslotte allebei gedreven door hetzelfde: nieuwsgierigheid.’ Poëzie waarin de plaatsbepaling van het ‘ik’ ter discussie mag staan: ‘Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit, één van buitenaf / en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien.’ (uit: Prelude van Tomas Tranströmer) Of: ‘Je was niets dan / een vraag gericht tot een andere vraag / en geen van beide bezat andermans antwoord ‘ (uit: Elegie voor een dode labrador van Lars Gustafsson).
    Behalve dat er heel wat mooie citaten uit de vertaalde gedichten worden rondgestrooid in dit boekje, ligt de waarde ervan voor mij vooral in de persoonlijke verhouding van de schrijver tot ‘zijn’ buitenlandse dichters en hun werk. Een man van veel woorden is Bernlef niet, maar des te meer geschikt om een rake typering te geven. Als hij het over de wereld van Lars Gustafsson heeft, schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Niet de wereld is een illusie of een projectie, het zijn onze eigen hersens die bepalen wat wij wel en niet kunnen waarnemen. In het waargenomene schuilt de waarnemer. Als een weeffout.’

    De bundel kent een geweldige afsluiting, namelijk een gedicht van de Pool Herbert met de prachtige slotregels:

    ‘Na twee oorlogen waren alle mooie woorden nog mooier
    geworden. Meneer Cogito verzamelde ze allemaal, sloot ze op in
    een kast en gooide daarna de sleutel uit het raam. ‘En nu aan het
    werk’, mompelde hij. ‘

    zodat wanneer je als lezer het boek uiteindelijk dichtslaat, het gevoel overheerst dat ons taalgebied de afgelopen jaren verrijkt is met een aantal prachtige poëzievertalingen. Als Bernlef dat de lezer aan zijn verstand heeft willen brengen, heeft hij zijn doel ruimschoots gehaald.

    De tweede ruimte werd eerder voor Literair Nederland gerecenseerd door Rein Swart .

    De tweede ruimte
    Over poëzie

    Auteur: Bernlef
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido (jan. 2010)
    Prijs: € 18,95

  • Avondwandeling langs verlichte vensters

    Avondwandeling langs verlichte vensters

    Wat gebeurt er als je als gevierd soap-ster uit de serie geschreven wordt. Of wanneer je identiteit te verwaarlozen is en je een compleet nieuw leven krijgt voorgeschreven. Of dat er iemand naar je toe komt met een ongelofelijk voorstel waardoor je toekomstbeeld een wending neemt die te mooi is om waar te zijn. Dan is niets meer zoals het was en vliegt de eenzaamheid je aan. In deze bundel novellen schrijft Bernlef in de hem zo kenmerkende no-nonsense stijl, over de vergankelijkheid van roem, over de inwisselbaarheid van personen maar bovenal  over onthechting.

    In de eerste novelle, De rol van zijn leven, ontdekt Jos Kooystra, nadat hij middels een hartaanval uit de serie geschreven is, dat hij geen eigen leven heeft. Opeens staat hij met lege handen. Alles wat hij onderneemt, bevestigt dat hij zichzelf niet is, maar ook niet is wie men denkt dat hij is. Werd hij eerst op straat herkend als Nathan Ronselaer uit de serie ‘Het Familiekapitaal’, nu kijkt niemand naar hem om als hij over straat gaat. Hij ontdekt dat in de 20 jaar dat hij zijn rol speelde, zijn eigen leven heeft stilgestaan. Zijn ex-vriendin Nienke, die hem achttien jaar geleden verliet, zoekt hem weer op. Jos heeft haar al die jaren niet gezien, maar zij heeft hem dagelijks gevolgd via de serie. Even lijkt het alsof het leven samen weer opgepakt kan worden. Ze vrijen vanzelfsprekend, alsof al die jaren er niet tussen liggen. Wanneer hij ‘s morgens alleen wakker wordt, gaat hij op zoek naar haar leven. Hij gaat met de bus naar het stadje waar zij woont. Nienke is niet thuis en in afwachting neemt hij plaats in een café waar hij plotseling door paniek overvallen wordt. Hij vreest dat hij nooit meer in staat zal zijn lief te hebben.
    Later gaat hij nogmaals naar het huis van Nienke. In de verborgenheid van de avondschemering slaat hij haar gade in haar door lampen verlichte woonkamer. ‘Hij kneep zijn ogen tot spleetjes, keek nog intenser en besloot toen dat hij haar niet meer kende.’
    Jos verzinkt in een depressie. Na maanden neemt zijn toenmalige agent contact met hem op met het enthousiaste plan zijn geluk in New York te zoeken. In tegenstelling tot wat zijn agent hem verzekerde heeft Amerika geen interesse in hem. Hij doolt er rond zonder doel. Ontmoet een oud joods echtpaar. De vrouw herkent in hem haar in de oorlog omgekomen eerste liefde en wil hem verleiden wanneer haar man in een stoel in slaap is gezakt. Hij slaat op de vlucht waarna het niet goed met hem afloopt.

    In de tweede novelle, Geleend leven staat het leven centraal van Henk Kok, geboren in februari 1946, een bevrijdingsbaby. Henk komt uit een arbeidersgezin maar zijn vader heeft grote plannen met hem. Henk gaat studeren maar houdt dit niet vol. Hij vertrekt op stel en sprong naar Zweden ( waar ook de auteur in zijn jonge jaren heentrok), trouwt met een Zweedse en keert weer terug naar Nederland waar hij Zweeds vertaler wordt. (evenals de auteur). Tot 1990 is hij vertaler en literair agent. Een jaar later is hij spoorloos verdwenen.
    Als informant van de inlichtingendienst heeft Wim Draayer een nieuwe identiteit nodig. De biografie van Henk moet zijn verleden verbeelden. Met deze nieuwe identiteit duikt hij onder op het Franse platteland. Wanneer Wim zijn nieuwe biografie leest is hij zeer tevreden met zijn nieuwe ego. Alleen het einde bevalt hem niet.Waarom laat hij mij zomaar in het niets verdwijnen?’, vraagt hij zich af. Aan het einde van de novelle begrijp je als lezer waarom de schrijver van de biografie Henk Kok liet verdwijnen. Een stukje waarachtige suspense.

    Eeuwige roem de derde novelle, gaat over de plichtsgetrouwe Juliën Cocq, aangesteld als bewaker van overtollige standbeelden. Het gaat om standbeelden van de voormalige dictator, Igor Streifer. Tijdens de dictatuur was Juliën archiefmedewerker. Na de dictatuur kreeg hij deze nieuwe functie opgelegd. Zijn leven verloopt zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Zijn vrouw Nina verveelt zich duidelijk naast hem. Zij is dan ook (hoewel niet onverdeeld) blij met elke verandering. Die dient zich aan in de persoon van Grossman. Een wat duister figuur die het goed voor heeft met zijn medemensen. Juliën verdient bergen geld bij deze man zonder er in verhouding iets noemenswaardig voor terug te doen. Nadat Juliën en zijn vrouw een leven zijn ingestapt waaruit geen terug mogelijk schijnt, komt het tot een ontknoping en kiest Juliën zijn eigen weg die hem weer terugbrengt naar waar hij begon.
    Pas dan schijnt hij redelijk gelukkig te zijn. ‘Voor het eerst van mijn leven had ik geld. Geld schept afstand. Ik hoefde nergens meer aan mee te doen. Ik was nergens meer naar op weg.’  Heerlijk dat nihilisme.

    Opmerkelijk is dat het met de hoofdfiguren in de eerste twee novellen, die dachten alles te bezitten en met niets achterbleven, het slecht afloopt. Terwijl Juliën Cocq, uit de derde novelle, eindigt waar hij vandaan kwam, onderweg ergens zijn vrouw verloren heeft, maar er gelukkiger uitkomt. Eigenlijk voor het eerst gelukkig is, juist door het ‘niets’ te bezitten.
    Bernlef voert de lezer door een wereld waarin het leven verstild aan je voorbij schuift, en  omgekeerd begeef je je als lezer langs verstilde beelden. Hoe Bernlef als schrijver de samenleving observeert zit verborgen in het volgende beeld (p. 52) ‘[…] stopte de bus naar de stad bij de haltepaal. Nu zaten er mensen in. Zo gauw ze plaats hadden genomen bevroren ze. De bus en zijn passagiers leken op een verlichte huiskamer voortrijdend over de donkere dijk.’

    Eenzaamheid is in Bernlefs verhalen geen verstikkende beleving. Het staat er zoals het er in het werkelijke leven aan toegaat, er is geen alternatief.
    Als lezer echter blijf je wel met lege handen en eenzaam achter. Je verbonden voelen met enig personage is uitgesloten: Als een avondwandeling langs verlichte huizen waar mensen zich ongezien wanen maar van wiens leven jij als voorbijganger voor een klein moment deel uitmaakt door te registreren wat je ziet en dat weer los te laten. Ik mag dat wel, die haast kille afstandelijkheid, de onthechting ten top.

     

     

  • Het verlangen naar hevigheid

    Het verlangen naar hevigheid

    Wie Pieter Boskma zegt, zegt Maximalen en wie Maximalen zegt, zegt Joost Zwagerman. Het is dan ook niet toevallig dat Zwagerman een bundel met gedichten van Boskma samenstelt en in een aanvullend essay als enthousiast pleitbezorger van diens poëzie optreedt. Boskma, dichter van lyriek uit het hart, van de vitale poëzie, wordt geïntroduceerd door Zwagerman als een dichter die de lezer de poëzie wil laten beleven. De keuze van Zwagerman is gedaan uit het arsenaal aan bundels dat Boskma inmiddels uitgegeven heeft; van de bundel Quest uit 1987 tot en met Puur uit 2006. De titel Altijd weer dit leven is afkomstig uit de bundel Simpel heelal waarin het voorkomt als titel van een uitgebreide cyclus van drie gedichten. Het motto bij deze cyclus is van Dylan Thomas:

    ‘Oh as I was young and easy in the mercy of his means,
    Time held me green and dying
    Though I sang in my chains like the sea.’

    In de titel klinkt de verzuchting door die we ook lezen in het gedicht ‘Fern Hill’ van Thomas, een gedicht over pril geluk, over het verlies van de kinderlijke onschuld en de bewustwording van de eigen sterfelijkheid. In de gebruikte strofe, de laatste in het gedicht, wordt deze onschuld gerelativeerd. Het zingen in ketens, als de zee: altijd weer dit leven. Het geeft tegelijkertijd iets weer over het verlangen naar hevigheid, het ‘ontketenen’ om het maar zo te zeggen. Hier dichtte Boskma al over in het vroege bundeltje Virus, virus, dat hij samenstelde met bevriend dichter Paul van der Steen:

    ‘Soms na een werkdag voor het huis
    verbeten naast elkaar gezeten
    wordt een schedel wel gespleten
    en verkoold in het fornuis:
    één verdomt het eeuwig amen.
    Maar het wordt steeds weer dag en blijft bij beramen.’

    En hier komt de laatste regel weer terug als de relativering zoals we die ook bij Thomas lazen. ‘Maar het wordt steeds weer dag…’ ofwel: altijd weer dit leven.

    Deze tegenstelling is typerend voor Boskma werk. De contrasten zijn groot, hij schrijft opzwepende, muzikale verzen in alledaagse taal over mythische zaken in een ordinaire wereld. Antropologische expedities brengen hem en zijn poëzie naar alle uithoeken van de wereld, maar de tegenstelling blijft, zoals tussen thee in Japan en Holland, tussen cafés in Granada en Lapland. Boskma’s poëzie is onvoorspelbaar, soms platvloers, origineel, verheven of alledaags maar… altijd onvoorspelbaar. Sommige gedichten lezen als een dagboek door het vele ik-gebruik, andere als een poëtica. Maatschappelijk geëngageerd willen ze niet zijn, maar herkenbaar en treffend wel. Desalniettemin overtuigt de poëzie niet altijd, bijvoorbeeld wanneer Boskma aanleunt tegen Herman Gorters poëzie, waar hij op z’n zachts gezegd door beïnvloed is.

    Je bent zo stil en zacht dat ik
    zo stil dat ik zo zacht en dat
    je bent zoals ik soms opeens
    en dan van kleuren heel de nacht
    en dat er stil een zachter ik
    dan jij opeens gesloten lacht

    Het bekende ‘Ik vin je zoo lief en zoo licht’ druipt van de woorden. Of het mooi is, jazeker, maar té herkenbaar, wellicht te gemakkelijk. Boskma speelt niet alleen met de stijl van Gorter, hij kopieert hem bijkans. In het aanvullende essay ziet Zwagerman dat anders, van hem mag het allemaal. Een heel duidelijk argument geeft hij er niet voor. Zwagerman: “de sensitieve verzen van Gorter worden in ere gehouden maar tegelijkertijd onherroepelijk vermengd met het overbewustzijn dat de dichter van de eenentwintigste eeuw aankleeft.” En jawel, hij geeft toe dat Gorter soms opzettelijk wordt verbasterd, maar zet dat aan de kant als een ‘plagerij’. Dat Boskma een goed imitator is, zo leert Zwagerman ons, bleek wel toen er plotseling twee gedichten van Achterberg in het blad Awater opdoken. Uiteindelijk werd duidelijk dat redactielid Boskma ze geschreven had; ze waren echter zo misleidend dat er door verschillende critici hevig enthousiast op werd gereageerd. Later mokte onder andere Marjoleine de Vos in de NRC over deze lichtzinnige grap; ze vond dat de redactie van Awater de poëzie tot kermisattractie maakte.

    Uitsluitend Maximaal is Boskma niet. Hij is authentiek en eigenzinnig. Hij neemt risico’s in zijn zoektocht naar hevigheid. Maar ook grijpt hij terug op voorgangers, op Nijhoff, Achterberg, Marsman en soms op Lucebert. De poëzie is expliciet, knarsend hard of teder zacht. Naast Maximaal is hij misschien vooral een romanticus. Maar ook dat gaat weer niet volledig op, want het mytische ‘Meisje’ stapt heel aards in de tram, engelen masturberen of hij hoort het geluid van de buurman:

    ‘De tijgers achter het behang
    trekken hun nagels al in.
    Gebrul? Welnee. Buurman. Wc.’

    Hij maakt wilde bewegingen, laat zich niet in keurslijf vangen maar schrijft gedichten, bundels die bestaan uit contrasten alsof zij steeds uit hun voegen wil breken. We lazen daarnet de woorden van Boskma in de stijl van Gorter. Het gedicht slaat na de zojuist geciteerde strofe om, even onvoorspelbaar als al zijn gedichten:

    ‘Je bent zo kil en hard dat ik
    zo kil en ook zo hard en dat
    je bent zoals ik ook opeens
    niet langer meer wil zijn.’

    Onvoorspelbaar dus, worstelend tussen schijn en werkelijkheid. Een bijzondere bundel, over het verlangen naar hevigheid. Omdat er zoveel is, maar altijd weer dit leven. Of: “Though I sang in my chains like the sea.”