• Recensie door: Claudia Kerssemakers

    Recensie door: Claudia Kerssemakers

    Recensie door: Claudia Kerssemakers

    Anker (1946) is een taalvirtuoos, zijn meeslepende stijl en ongebruikelijke woordgebruik laten dit duidelijk zien. Zijn soms lange dan weer staccato zinnen zorgen voor een ritme, evenals zijn willekeurige gebruik van Engelse, Latijnse, Franse en soms Duitse woorden midden in een Nederlandse zin. Hij heeft een originele manier van vertellen; het boek begint bij de biograaf van de (fictieve) hoofdpersoon, hij volgt hem het hele boek door en een enkele keer wordt er een stukje boek vanuit het perspectief van de biograaf verteld. De echte naam van de hoofdpersoon wordt niet onthuld, maar op de vraag van de biograaf hoe hij hem moet noemen in zijn boek antwoordt de hoofdpersoon: ‘Michiel de Ruyter’, naar de beroemde zeeheld.

    (…)’De geschiedenis van Michiel de Ruyter begon toen hij een aanstelling kreeg als leraar klassieke talen aan het Heinsius College, een kleine scholengemeenschap in het westen van onze stad. Of moet je zeggen dat zij pas echt begon op de dag dat hij op legerkistjes en in een camouflagepak in de klas verscheen en eiste dat men hem met ‘doctor’ aansprak? Nee, al was dat ook een begin – van het einde, het einde van een episode.'(…p.17)

    Het boek is verdeeld in drie delen: Het Heinsius, Oorlogshond en Saumerland. Naarmate het boek vordert leren we Michiel beter kennen, maar van begin af aan is al duidelijk dat hij een harde kerel is. Hij blijft in het begin een wat mysterieus personage, aggressief, sterk en mannelijk. Michiel geeft in het eerste deel les in klassieke talen op een middelbare school, waar hij al gauw een clubje leerlingen om zich heen verzamelt die hem zien als hun voorbeeld. Hij is een vrije intellectueel (een niet-vrije intellectueel bestaat überhaupt niet, zegt hij), hij knokt, hij vloekt, hij neemt af en toe een snuif coke en heeft sex met de 6-vwo leerlingen uit zijn klas. Regelmatig blijven er een paar leerlingen slapen en hebben dan sex met hem, met elkaar of met z’n allen; het maakt niet uit. De activiteiten waar hij zich het meest mee bezig houdt (vechten en sex) lijken hem alleen niet gelukkig te maken.

    (…)’Toen hij zich de volgende morgen stond te scheren, verbaasde hij zich er weer eens over dat hij zich altijd zo leeg voelde na de liefdesdaad, eigenlijk meteen al, hij was nog niet klaargekomen of het was al abstract geworden, onbelangrijk, zijn gedachten richtten zich onmiddellijk op iets anders, iets triviaals, alsof na de opvlucht alleen de neerval in de alledaagsheid mogelijk was. Na een gevecht had hij dat trouwens ook (…p.59)’

    Hij houdt zijn leerlingen voor dat het slecht is verliefd te worden en dat je er niet eens over zou moeten denken kinderen te nemen.

    (…)”’Ja maar jezus!” roept Tulp, “hoe kun je je nu afsluiten voor de liefde, dat overkomt je toch gewoon? Wat kun je daar nou aan doen?”
    “Je niet openstellen, bijvoorbeeld,” zegt Michiel. “Je kunt je er gewoon voor afsluiten, dat doe ik al jaren.”
    “Maar dan mis je het belangrijkste in jet leven!”
    “Als je zo nodig verliefd wilt worden, mis je je vrijheid – wat is belangrijker?”‘ (…p. 95)

    De ironie is, dat hij een paar hoofdstukken na dit gesprek zelf stapelverliefd wordt op een van zijn leerlingen. Het overkomt hem dus ook gewoon. Als zij hem vervolgens afwijst en er overlijdt ook nog een ander meisje dat regelmatig bij hem sliep, is hij zichzelf volkomen kwijt. Vervolgens vlucht hij naar Afrika en vecht daar als contractsoldaat in deel twee van het boek.

    Het is  jammer dat er in deel twee en drie  zoveel gevochten wordt. Daardoor is het soms lastig om de draad niet kwijt te raken.

    Alle delen hebben overeenkomsten met elkaar. Elke keer vecht Michiel ‘voor de goede zaak’, hoewel het duidelijk wordt dat hij het meer doet om het vechten dan om de goede zaak. In het eerste deel verzet hij zich tegen de invoering van een nieuwe manier van lesgeven, in deel twee vecht hij ergens in Afrika als contractsoldaat, en in deel drie zorgt hij voor een enorme opstand in een fictieve Nederlandse regio (Saumerland) die onafhankelijkheid wil. Hij gaat daarbij zover dat hij de leider wordt van het guerillaleger van Saumerland. Er ontstaat een enorme opstand waarbij vele doden vallen. Hij geeft niets om de onafhankelijkheid van Saumerland, hij is er niet opgegroeid en was er voorheen nog nooit geweest. Hij wil alleen zijn vechtlust kwijt.

    Conclusie: Een goed geschreven boek, leuk en interessant voor de liefhebber van politiek en taal maar je moet ervan houden. Toch heeft het ook wel wat voor diegene die geïnteresseerd is in psychologie, de hoofdpersoon is moeilijk te doorgronden en heeft een complexe persoonlijkheid. Dit maakt het toch wel een boeiende ‘biografie’.

     

    Oorlogshond

    Auteur: Robert Anker
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 280
    Prijs: € 18,95

  • Recensie door: Albert HogeweijEenzaamheid voor dubbelgangers

    Recensie door: Albert HogeweijEenzaamheid voor dubbelgangers

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Eenzaamheid voor dubbelgangers

    Toon Tellegen zal wel nooit meer los komen van het predicaat ‘schrijver van filosofische dierenverhalen’, maar intussen heeft hij ook al heel wat diervrije poëzie op zijn naam gezet. Aan deze gedichten, hoewel gespeend van de dierverhalende context, ligt wel degelijk een zelfde soort speels filosofische inzet ten grondslag. Gedachtenrijke poëzie, die de grote woorden allerminst uit de weg gaat, maar waar de ernst geen vat op krijgt, en waarbij de lucide toon de abstract filosofische begrippen vaak voldoende concretiseert om het resultaat voor spielerei te kunnen behoeden. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2006 de Hendrik de Vriesprijs en het jaar daarop de Constantijn Huygensprijs. Zijn productiviteit is er niet minder om geworden.

    Onlangs verscheen zijn nieuwste dichtbundel Schrijver en lezer, met tekeningen van zijn zoon, beeldend kunstenaar Boris Tellegen. De tekeningen, die het midden houden tussen figuratief en abstract, doen in de verte denken aan getekende driedimensionale constructies van de Rubiks kubus, maar zonder kleuren. Deze tekeningen zijn gedrukt in witte inkt. In de tekeningen valt het onderscheid tussen schrijver en lezer niet te maken. Ze zijn wel figuratief genoeg om er een in zichzelf gekeerd wezen in te zien dat aan een tafel geketend lijkt, waarop meestal een leeg papier voor hem ligt. Of het lege vel hem kwelt dan wel verrukt, is de vraag. Waren de tekeningen slechts illustraties bij de gedichten geweest, dan hadden ze echter wel degelijk woorden moeten bevatten, want hét kenmerk van deze nieuwe gedichten van Tellegen is dat de woorden zelfstandige objecten zijn geworden, die hun eigen gang lijken te gaan. De problematische omgang van de schrijver met zijn woorden is dan ook een van terugkerende motieven. ‘De schrijver stuurt zijn woorden de wereld in’, is bijvoorbeeld een gedicht getiteld waarin de woorden als een soort geheim legertje voor de schrijver op pad zijn geweest:
    ’s avonds keren ze terug naar de schrijver –
    hij zit voor het raam,
    hij heeft de hele dag naar ze uitgekeken

    ze hebben het koud:
    ziekelijkheid, pijnlijkheid, dodelijkheid
    en nu

    en de schrijver begint te schrijven.’

    Stonden de woorden de schrijver hier nog ten dienst, elders lezen we:
    ‘De schrijver bedenkt woorden
    die hij niet kan schrijven –
    ze zijn te licht, ze lossen op, ze vliegen telkens weg’

    Ze te verzwaren of vast te binden, helpt niet.

    ‘en de woorden beginnen te scheuren,
    ze verspreiden een vreemde geur,
    ze kunnen hun betekenis niet aan

    de schrijver probeert ze te vergeten,
    maar de woorden vergeten hem niet,
    klampen zich aan hem vast,
    leiden hem in verzoeking

    waar de lezer op hem wacht.’

    Maar het kan nog dreigender:
    ‘De schrijver vecht met woorden
    en de woorden overmeesteren hem,
    sluiten hem op in zijn kamer,
    nemen de sleutel mee

    op gezette tijden schreeuwt de schrijver om hulp’

    Woorden als het monster van Frankenstein? Zo ver gaat het niet, bovendien ontspint zich ook geen echt verhaal in deze bundel, maar worden gedachten geconcretiseerd. En hoe concretiseer je de gedachte dat woorden objecten zijn beter dan door de woorden letterlijk te nemen?
    ‘De schrijver is hongerig
    eet jou en mij en de hele tegenwoordige tijd
    in één hap op

    wat nu? denkt hij
    en hij eet nu op en wat
    en alle vraagtekens die hij ooit heeft gedacht’

    Deze letterlijke inzet verhinderd dat de gedichten in abstracties blijven steken. Heeft de schrijver niet altijd de woorden in bedwang, niet minder heeft hij te stellen met de lezer. Soms ontpopt die laatste zich als een ware fan, die de schrijver niet alleen ‘zijn sloffen aan[reikt]’ maar zich ook over hem ontfermt. Als de schrijver verkondigt, ‘ik ben de enige hier die van geen enkel belang is’ en dreigt om te vallen, lezen we dat hij nog net:
    ‘door een lezer wordt opgevangen
    en in een verloren hoekje wordt weggezet

    het leven is een feest en moet verder
    en iedereen fluistert in het oor 
    van iemand in zijn armen

    ‘o waren wij ook maar van geen enkel belang, jij en ik…’

    Met dit soort naïeve logica, die vooral in de verhalen van Tellegen de toon zet, weet hij de ontroering binnen te halen. Want deze gedichten kenmerken zich ook door romantische passages:
    ‘de lezer is een jongen in een jongenskamer
    er komt een meisje binnen,
    zo onverwacht, zo mooi en zo lichtzinnig

    en daarna nooit meer.’

    Maar zo vermurwbaar betoont de lezer zich niet al de tijd:
    ‘ik ben een lezer, zegt zijn vijand
    en legt de schrijver het zwijgen op.’

    Verderop ontplooit de lezer nog meer initiatieven:
    ‘De lezer ziet zijn kans schoon,
    kruipt onder de huid van de schrijver
    en denkt:
    nu weet hij nooit meer waar ik ben…’

    Dit dubbelgangerspel eindigt ermee dat het laatste gedicht zich aldus laat citeren:
    ‘De lezer wordt schrijver
    trekt de kleren van de schrijver aan,
    eet zijn brood,
    zit aan zijn bureau,
    buigt zich over zijn papier –
    verwondert zich over de immense, tot voorbij de horizon zich
    uitsytrekkende, oogverblindende wirheid ervan –

    neemt zijn pen in de hand
    denkt wat de schrijver denkt,

    voelt wat de schrijver voelt (onder andere: pijn)
    en wacht
    tot iemand hem stoort

    maar niemand stoort hem,
    hij wacht tevergeefs.’

    In deze bundel wordt niemand gelukkig en blijft iedereen eenzaam achter.
    De thematiek van schrijver en lezer die in hun nadering elkaar uitsluiten (‘de schrijver droomt van een wereld zonder woorden’ afgezet tegen de regel in hetzelfde gedicht ‘de lezer droomt van woorden zonder wereld’), terwijl ze elkaar nodig hebben en daarom voortdurend in een wisselend rollenspel tot elkaar veroordeeld blijven (‘de schrijver is een slang,/ verjaagd uit het paradijs’ en ‘de lezer is God’) zou de bundel een wrange ondertoon hebben moeten geven. Welke in de tekeningen adequaat getroffen is. De schrijver is een gevangene van zijn taal.
    ‘hij droomt van een lezer die met zijn sleutels rammelt,
    droog brood naar binnen schuift.’

    Maar de onmiskenbare speelsheid, het plezier ook om de woorden hun eigen logica te gunnen, beletten de gedichten een tragische landing in het hoofd van de lezer te maken. Het begrippenpaar- schrijver en lezer – lijkt eerder als sparring-partner te dienen voor Tellegens poëtische aandrift, die zich graag in de dialoogvorm uitleeft.

    Deze bundel verwonderde mij omdat ik niet wist waarom ik het goed vond, maar wel wist dat het niet slecht was. Misschien wringt het een beetje dat deze gedichten die over een soort beklemming gaan, de lezer toch niet met een beklemmend gevoel achterlaten. Net als een acteur die om z’n komische rollen bekend staat, in een tragedie z’n tragiek maar moeilijk voor het voetlicht weet te brengen, omdat het publiek in hem de komediant blijft zien. Aan de andere kant is Tellegen een meester van het gevoelige taalgebruik. De zinnen boren zich met hun bedrieglijke eenvoud en achteloze toon, die zo uit de mouw geschud lijkt, in de diepere lagen door, zonder dat ze aan helderheid inboeten. En de absurditeit zet maar al te graag de logica buitenspel:
    ‘aan het graf van de schrijver zegt de lezer,
    in zijn misplaatste jasje:
    ‘woorden schieten tekort’

    er ontstaat vechtpartijen,
    voor- en tegenstanders van onsterfelijkheid gooien met modder
    naar elkaar

    het regent
    en een verschrikkelijke begeerte maakt zich van iedereen meester

    en daar blijft het niet bij.’

    Een ander gedicht sluit af met:

    ‘de lezer maakt op grond van zijn radeloosheid een gebaar
    waarvan hij vermoedt dat het van berusting getuigt
    en denkt:
    weten schrijvers soms niet dat lezers ook wel eens niet hadden willen worden geboren? ‘

    De taal zelf lijkt er ondertussen weinig door aangeslagen dat in deze bundel behoorlijk zware begrippen als god – ontoereikendheid – liefde – vijandschap tegen elkaar worden uitgespeeld. Naar mijn smaak soms iets te weinig. Maar ja, als je dan leest:
    ‘De schrijver maakt een raam
    en kijkt nauwgezet naar buiten

    de lezer ziet hem staan
    en denkt:
    hij ziet met zijn scherpe oog voor onvolkomenheid
    de schepen die achter mij branden

    dan maakt de schrijver snel invallende duisternis en bloemetjesbehang

    en kijkt weer naar binnen, ‘

    dan weet je eigenlijk niet meer wat hiertegen in te brengen valt…

    Tellegens poëzie laat zich moeilijk met andere poëzie vergelijken. De bundel heeft een taliger
    stoffering dan zijn vorige bundels. En er komen veel mooie gedichten langs:
    ‘De schrijver schudt aan de boom van ontzetting
    en vraagt zich af hoe het met hem zal aflopen:
    zal ik doodgaan,
    zal ik écht doodgaan?
    of zal mij iets overkomen wat ik nog onder woorden moet brengen?

    hij schrijft en schrijft,
    daarna gaat hij slapen
    of een eindje fietsen

    kleine wormstekige voorbeeldfuncties liggen in het gras

    het is warm
    de schrijver woelt in zijn slaap
    of stapt van zijn fiets, wist het zweet van zijn voorhoofd

    of beide.’

    En:
    ‘De schrijver koestert schoonheid,
    oud zeer
    en al het ongenoegen van de wereld

    zijn zintuigen slingeren rond als ondergoed, kranten, Schöner Wohnen

    soms, als hij schrijft, staat zijn moeder achter hem,
    schudt haar hoofd over hem,
    zegt dat hij rechtop moet gaan zitten, nóg rechter, fierder

    bezorgdheid is alles wat er van haar rest

    zij neemt zijn pen uit zijn hand en opent zijn raam
    en de schrijver herinnert zich weer de schoonheid van genade
    en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,
    gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt
    in het grote, blauwe niets.’

    Prachtig gedicht, al had ‘de schoonheid van genade’ geen verdere toelichting nodig gehad.

    Wie zich over het vooroordeel, dat wat zwaar is niet mag drijven, weet heen te zetten, treft in Schrijver en lezer een verrassend sterke bundel, die van een grote lenigheid van taal en thematiek getuigt. Aan prachtige zinnen geen gebrek en je blijft je verbazen over dat unieke, geheimzinnige talent van Tellegen.


    Schrijver en lezer
    Auteur: Toon Tellegen
    Verschenen: Uitgeverij Querido (2011)
    Blz.: 96 
    Prijs: € 18,95

     

  • Op weg naar het onbekende

    Op weg naar het onbekende

    Recensie door Laura Schans

    De Zuid-Afrikaanse auteur Damon Galgut (1963) met een aardige staat van dienst (hij wordt vergeleken met Coetzee en regelmatig genomineerd voor literaire prijzen). In een vreemde kamer wordt bevolkt door corrupte douanebeambten en menselijk contact is in al zijn vormen gedoemd te mislukken. Afstand en eenzaamheid voeren de boventoon.
    De verteller, de Zuid-Afrikaan Damon (het lijkt aannemelijk dat het de schrijver is) doet niet echt zijn best om er het beste van te maken. Hij blikt terug op een drietal reizen dat hij eerder maakte, en doet af en toe een poging te doorgronden waarom de dingen zijn gelopen zoals ze zijn gelopen. Vanaf de eerste pagina is de mislukking van elke menselijke relatie al voelbaar. ‘Hij is intens gelukkig, iets wat mogelijk voor hem is als hij loopt en alleen is’.

    De eerste grote reis maakt Damon met Reiner, een Duitser van zijn eigen leeftijd, die hij tijdens een eerdere wandeling heeft ontmoet. De mannen besluiten een trektocht te maken met het doel zo veel mogelijk te lopen en zo weinig mogelijk mensen te ontmoeten. Reiner blijkt hier ontzettend vasthoudend in te zijn. Met Reiner lijkt het sowieso alsof alles een strijd om macht en het laatste woord is. De verhouding knapt, Damon keert alleen terug.
    Tijdens een volgende reis, een tocht door verschillende landen van Afrika, sluit Damon zich aan bij een groepje Europese reizigers dat hij ergens in een hotel tegen het lijf loopt. Hierbij bevindt zich de Zwitserse Jerome, met wie Damon een vreemd spel van aantrekking en afweer beleeft. Geen van beiden durft rond voor zijn verlangens uit te komen, er worden slechts een paar minieme pogingen gedaan. Damon zoekt Jerome later zelfs nog op bij zijn familie in Zwitserland, maar nooit wordt de afstand tussen hen werkelijk doorbroken. Ook deze verhouding mislukt.
    Tenslotte, in het derde deel van In een vreemde kamer, onderneemt Damon een reis naar India samen met de manisch-depressieve Anna, een reis die de bedoeling heeft ‘haar goed te doen’. Goh, hoe zou dat toch aflopen? Galgut lijkt zich niet erg te bekommeren om de voorspelbaarheid van zijn verhaallijnen.

    Wanneer er wordt nagedacht over het doel van de tweede reis, die aanvangt in Zimbabwe, gaat dat zo: ‘Wat hij er zoekt, weet hij zelf niet. Na zo’n lange tussentijd zijn zijn gedachten nu voor mij verloren geraakt en toch kan ik hem beter duiden dan mijn huidige ik, hij zit onder mijn huid begraven’. In de manier van terugkijken blijkt al de afstand, de vervreemding die het hele boek kenmerkt. Het gebruik van ‘hij’ en ‘ik’ in dezelfde passage om naar dezelfde persoon, de verteller in heden en verleden, te verwijzen, is een techniek waar Galgut zich in het hele boek van bedient. De vervreemding en afstand die zijn ontstaan door het verlopen van de tijd worden erdoor weergegeven.

    Een andere techniek die de schrijver graag gebruikt is het weglaten van handige interpunctie. In de hele roman zijn geen aanhalingstekens te bekennen, en ook vraagtekens ontbreken. Het vreemde effect van dit geëxperimenteer blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage: ‘Dan gaat hij in de zon zitten, luistert, leest. In een vreemde kamer moet je je legen voor het slapengaan. En voordat je leeg bent, wat ben je dan. En als je leeg bent voor de slaap, dan ben je niet. En als je vol bent met slaap, dan ben je nooit geweest. Deze woorden komen van heel ver op hem af.’ De situatie, gesprekken, gedachten, alles loopt zonder duidelijke grenzen in elkaar over. Het effect is dat de situatie die wordt beschreven vlak, verstild en kleurloos wordt, zoals in een herinnering die niet veel meer voor je betekent.

    Galgut kijkt als verteller terug op zijn reizen, de ontmoetingen en zijn herinneringen daaraan. Hij beleeft een afstand tot zijn vroegere ik, een afstand die de reiziger ook voelt bij ontmoetingen met mensen. Hij kijkt met bevreemding naar de mogelijkheden tot intimiteit die er zijn geweest en die niemand wist uit te buiten.
    De halve beloftes en vage doelen, lijken telkens vanaf het begin al gedoemd op niets uit de draaien of de situatie zelfs erger te maken. En, warempel: alle gestelde doelen en mogelijkheden worden niet gehaald, omdat men vertrekt of sterft of niet zegt wat hij zou moeten zeggen. Galgut houdt niet van verrassingen. Hij zoekt in zijn beschrijvingen slechts bevestiging van het pessimistische levensgevoel dat al vanaf de eerste pagina uitgeademd wordt.

    Toch is juist deze volledigheid van thematiek en schrijfstijl de kracht van In een vreemde kamer. ‘De wereld waar je doorheen trekt vloeit over in een andere, inwendige wereld, niets blijft nog langer opgedeeld, het een staat voor het ander, weersgesteldheid voor stemming, landschap voor gevoel, voor ieder voorwerp is er een corresponderend innerlijk gebaar, alles verandert in beeldspraak. De grens is een lijn op een kaart, maar wordt ook ergens in hemzelf getrokken.’ De stemming wordt verweven met de natuur, met de gebeurtenissen, met de ontmoetingen, en wordt opgetekend op een manier die dit alleen maar versterkt. Het is aan alle kanten onmogelijk om te ontsnappen aan het wereldbeeld van de roman. Wat kun je dan anders doen dan reizen? Op weg gaan naar het onbekende, met een diep van binnen weggestopt miniem sprankje hoop dat je uiteindelijk een klein beetje liefde zult vinden?
    In Galgut’s wereld zul je dat, evenals zijn alter ego Damon, stiekem blijven proberen, ondanks de wetenschap dat achter de volgende berg of over de volgende rivier toch de mislukking weer lonkt. Maar gelukkig weet je ook dat je na de laatste bladzijde weer terugkeert naar je eigen werkelijkheid. Wat een opluchting.

     

     

  • Recensie: Eiland berg gletsjer – Anne Vegter

    Recensie door: Albert Hogeweij

    ‘Met deze ontroerende, soms adembenemende poëzie overtreft Anne Vegter haar eerdere werk.’ Aldus begint de flaptekst, die mij niet door de auteur zelf geschreven lijkt, gezien het gehalte aan inwisselbare adjectieven als ‘tedere’ en ‘onpeilbare’ die zich tegen niets vermoedende substantieven staan op te geilen. Skip dus de flaptekst en treed binnen in de wereld van Anne Vegter, om te zien wat zij ons voorschotelt in wat na haar lovend besproken Spamfighter (VSB-poëzieprijs nominatie 2008) haar vierde bundel is.

    Meten & wegen

    ‘Of het tijd kost Anne Vegter te zijn.
    De schotels in de lucht houden, probeer ik.

    Ik doe natuurlijk maar wat.
    Gisteren zei iemand het past of fluit ernaar.

    Iemand zei genen van belangstelling
    woekeren/denkers willen verspillen!

    Het kost niet per se tijd maar het hoofd
    (denken aan de liggende jaren, een tegen-

    stelling noemen van verlangen) puilt uit.
    Lezers zoeken iemand om in uit te rusten.’

    Of lezers in deze bundel voldoende rust zullen vinden, valt te betwijfelen. De dichteres biedt haar fantasie weliswaar gestructureerder aan dan in haar voorgaande dichtwerk, maar het blijft toch eerder aanzetten tot denken dat tot rusten. Fladderden in haar vorige werk haar eigengereide, speelse taalconstructies en woordcombinaties onbekommerd naar de verste uithoeken van haar fantasie, in deze bundel is de toon verontrustender, grimmiger en vileiner. ‘mijn moeder zei dat de man die zijn vrouw verraadt een moordenaar wil baren’. Over de frivoliteit is een schaduw gevallen. Weinig gedichten uit Eiland berg gletsjer lijken niet aan een woelige onderstroom van (meest erotisch getint) verlangen ontsproten te zijn. Om contact met een ander moet worden gesmeekt: ‘Wil nu godverdomme iemand opstaan en me vasthouden.’ Maar de liefde lijkt er intussen niet vanzelfsprekender op te worden. ‘We maakten droeve vogels na, een doodsmak ontwierp je op papier / had je wat napret van je verveling.’ De eenzaamheid wordt gedeeld met een, eh…hulpstuk: ‘Ook als haar XXL-geluksmaatje boven de grond komt ‘als een dode kompel’ (eerst tel ik / mijn vrouwen, daarna mijn dagen) weet ze weer de kleine methoden van zijn handen.’

    Anne Vegter streek bij voorkeur toch al tegen de vacht in, maar dit keer zie je meer dan voorheen, hoe kwetsbaar de huid onder die vacht is. De tekeningen van de hand van de auteur zelf, die hier en daar tussen de gedichten opduiken, tonen ons, in onbeholpen stijl, hulpeloze figuren en niet zelden slechts de geslachtsdelen ervan, die meer met hun lusten verlegen zitten, dan ermee gezegend lijken. Ze lijken eerder gekleid dan bezield. Maar in hun kwetsbare lijnvoering kunnen ze zich spiegelen aan de personages in de gedichten die zich vergeefs naar genegenheid toeschreeuwen. ‘Luister je eigenlijk nog.’ En hoe moeten we de doorgekraste, handgeschreven regels interpreteren, voorafgaand aan de reeks die dezelfde titel draagt als de bundel?

    De bundel kent drie afdelingen. De eerste heet Tramps. De middelste Eiland berg gletsjer en de laatste Dochter van. De titelreeks onderscheidt zich niet alleen doordat iedere strofe van deze gedichten begint met ‘Ook als’. Ook is het zo dat alle acht gedichten uit deze afdeling in de lengte van de pagina zijn afgedrukt, daar de zinnen stuk voor stuk te lang waren voor de volle breedte van de bladspiegel.  De bundel dient dus een kwartslag gedraaid. De combinatie van hetzelfde begin van de tweeregelige strofen, en dezelfde langgerekte zinnen in de lengte afgedrukt, geven de door een eender ritme bijeengehouden regels een cadans die je met recht en enige hulp van de flaptekst, nu ja, ‘adembenemend en overrompelend’ zou kunnen noemen.

    ‘Ook als je wakker wordt boven een sterfgebied en je gespt kinderen vast als gordels: laat mij
    eens door een raam kijken of het daar erg is, zie je er niets van want het is een diepteoorlog.

    Ook als een doelwit vanaf de grond toch naar je zwaait en je verlangt naar bleke sterren
    op zo’n voorhoofdje, taxie je over het oefenveldje van je grimassen en je speelt elk karakter.

    Ook als je naakt naar de kinderen loopt en guilty zegt guilty dat woord kennen jullie toch dat je
    niets gedaan hebt maar bekent en je geeft je huid, reep na reep, want het is een diepteoorlog.’

    Dit gedicht mag dan misschien gespeend ogen van erotisch verlangen, maar het volgende zet reeds in met: ‘Ook als haar schacht krimpt’. In de laatste strofe van deze afdeling wordt de titel verklaard:

    ‘Ook als jij ’n laatste atoom van je lichaam schraapt, zou je oplevend dood willen zijn
    als laatste hart (eiland), als laatste berg (buik) of gewoon schitterend als kut (gletsjer)’

    tja…en dan moet de uitsmijter nog komen! Want in de laatste afdeling Dochter van gaat de bundel pas echt los. Het is een 18 pagina’s lang volgehouden monoloog in de mond gelegd van de dochter van een gezin (‘de Noachsen’) dat uitverkoren was als enige de zondvloed te overleven. In het taalvuurwerk van deze monoloog, vol grimmigheid en rebellie, toont Anne Vegter dat ze ook terdege ervaring met toneelteksten heeft. Krachtige, muzikale zinnen. Ondanks hoekigheid van de woorden, rolt het zich in gezwinde vaart naar het wrange slot. Nadat de ‘ik’ zich in een prozaregel in eigen stijl heeft gepresenteerd ‘ik ben van net na de schepping’, vangt de eigenlijke monoloog van de dochter als volgt aan:

    ‘we hadden allerlei woorden
    voor zand hadden we
    zandstorm
    zandsteen
    zanddieren
    zandberg
    voor rood
    roodachtig
    roestrood
    roodgeaderd
    roodblind
    voor aarde ook woorden:
    aardappel hadden we
    aardappelakker
    aardig hadden we
    dat je van je aard aardig was
    of boosaardig
    we hadden droog
    droogvallen
    we hadden opdrogen met de armen wijd
    water
    we hadden droog voor water
    droogwater
    voor rood hadden we nog
    rood water
    en toen alles achter de rug was
    hadden we dood
    doodwater

    ik, mijn broers, mijn moeder en mijn vader
    ziehier mijn familie noach:
    de heer en mevrouw noach, de brave zoontjes noach en ik
    de noachsen
    met zijn vijven
    in shock
    verongelukt
    allemaal noachsen
    de verongelukten
    hadden gewoon pech gehad
    ik haat pech
    al kan ik ongeluk dat op me af komt
    beter aan
    dan ongeluk van binnen uit’

    Blijkt natuurlijk dat als enige familie overleven allerminst een aangenaam soort uitverkoren betekent. De vader ontpopt zich als een tiran, laat anderen het werk doen: ‘hij zit op de luie kont / die hij van god heeft afgekeken’.  Het loopt dan ook niet goed af, want de dochter pleegt een incestueuze vadermoord. Naverteld zou het gedicht wellicht een feministisch getint, antipaternalistisch manifest ogen, maar dat zou buiten de eigenzinnigheid van Vegter gerekend zijn. Die lijkt geen echt program te hebben. Haar regels gaan het liefst nergens heen, ze willen er gewoon graag zijn! De zinnen lijken soms liever te knarsen dan te zingen, maar raken doen ze je niet minder. Vegter laat haar fantasie niet ringeloren door wat bon ton is.

    Niet met ieder gedicht uit Eiland berg gletsjer heeft zij zichzelf overtroffen, maar de lange slotmonoloog mag zonder meer gelden als een hoogtepunt in haar werk. En zeker ook in deze bundel is zij er in geslaagd het genoegen dat zij aan het omspitten van de ommuurde taaltuin van de poëzie heeft beleefd, op de lezer over te brengen. De laatste wordt ook hier getrakteerd op tal van zinnen die het verdienen om niet meer uit het geheugen te verdwijnen.

    Eiland berg gletsjer

    Auteur – Anne Vegter
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Prijs: € 17,95

     

  • Veel omhaal rond een aangrijpende moeder-dochter relatie

    Recensie door Rein Swart

    In de opvoeding kan veel mis gaan. Ondanks een batterij aan hulpverleners en andere instanties die opvoeders bijstaan, kunnen negatieve invloeden niet buitengesloten worden. Dat geldt voor werkloosheid, maar ook voor een ouder met psychische problemen, zoals Hanna in Zuiderzeeballade. Deze gestudeerde moeder wordt af en toe opgenomen. Als ze thuis is, ligt ze vaak op bed, maakt ruzie met echtgenoot Maarten en heeft moeite het huishouden draaiende te houden. Het kan haar dan niet schelen wat de kinderen op hun brood doen. Vooral nummer twee Mati, die uit de gratie van haar moeder ligt, gaat onder de slechte sfeer gebukt. Samen met haar oudere zusje Marina en jongere broertje Benny slaat ze zich door het leven, maar gemakkelijk gaat dat niet. Als Mati, om haar moeder te verrassen, met Hanna’s zwager en diens vrouw meegaat naar Den Dolder om Hanna te bezoeken, wil die haar dochter niet zien.
    ‘Haar zwager stuurde het kind weg, om naar de goudvissen te kijken in de vijver. De volwassenen gingen zitten. Toen pas keek Hanna op, met een flauw verwachtingsvol glimlachje. Maar ze hadden niets bij zich. De verrassing, dat was het kind.
    Ze wezen naar het meisje, dat met gebogen hoofd bij de vijver stond en waarschijnlijk zoute tranen drupte in het water. Nummer twee was altijd een huilebalk geweest.’

    Mati leest veel en komt na de scheiding in een loyaliteitsconflict over de ouder bij wie ze wil wonen. Samen met Marina oefent ze de Rohrschachtest die ze eerdaags bij een psycholoog krijgt voorgelegd met de bedoeling de deskundige op een dwaalspoor te brengen. Als Mati naderhand tegen Marina vertelt dat ze alleen olifanten heeft genoemd, zegt die dat ‘ze het dan juist weten’. Op een fuif voor Mati’s klas, later in de tijd, gedraagt moeder zich zonderling en tijdens een bezoek aan Londen, waar moeder een nieuwe vriend zal ontmoeten, vlucht ze en staan ze opeens zonder geld op straat.

    Karlijn Stoffels schetst een evenwichtig beeld van de moeder, die ooit in Santpoort werd opgenomen en zich daar niet prettig voelde temidden van andere gestoorde vrouwen.
    ‘Zij kwam voor de rust, en om de malende gedachten in haar hoofd tot een ordelijk geheel te denken. Ze zou de oplossing voor alle problemen vanzelf vinden, als het alleen maar een tijdje stil zou zijn om haar heen.’

    In het boek pendelen we heen en weer tussen Amsterdam, waar het gezin aanvankelijk woonde, Zwartsluis, waar Hanna naartoe verhuisde en Emmeloord, waar zij in een verpleegtehuis is opgenomen en liefdevol door een Iraanse wordt verzorgd. Het verhaal begint aan het eind van het leven, als de demente Hanna in het verpleegtehuis verblijft en Mati opdraagt de bovenwoning in Amsterdam te ontruimen. Ze krijgt daarbij hulp van de Marokkaanse buren.

    Hoewel de foto op de omslag een meisje toont met haar vader, handelt het vooral over de moeder-dochter relatie. Daarnaast gaat het nogal diep in op de familiegeschiedenis. Daardoor wordt de kar wat overladen. De korte hoofdstukken kondigen vaak nieuwe episoden aan, die moeilijk beklijven en tot versnippering leiden. Karlijn Stoffels grijpt terug naar het verleden door associaties, die soms geconstrueerd aandoen: ‘En zo was het ook gegaan met het allereerste verjaardagscadeau aan hun moeder van de kinderen samen.’ Of: ‘Maarten zocht in zijn oude vest naar een zakdoek en snoot zijn neus. Toen borg hij de doos met foto’s weer weg, ging op het bed liggen en deed zijn ogen dicht.’ Of: ‘Ze had niet voor niets jarenlang twee keer per zondag anderhalf uur in de kerk gezeten.’ Waarna jeugdherinneringen volgen.

    Naar het einde toe wordt de toon vlakker, dagboekachtiger en weet Stoffels minder overtuigend de tragiek over te brengen. Dat is jammer want er staan fraaie stukken in over de manier waarop de kinderen de ellende overleven. Bijvoorbeeld over de electroshocks die de moeder krijgt en die volgens de vader niet erg zijn, waarop Mati de proef op de som neemt door een vinger in het stopcontact te steken. De laatste zin ‘De oogst was rijk’ blijft bij en schrijnt. Mati, die nooit gezien is door haar moeder, is blij dat ze in het verpleeghuis de Zuiderzeeballade ten gehore kan brengen. Zo’n lot van een verwaarloosd meisje stemt droevig.

     

  • “Waarom ze ons vuilvoeten noemden”

    “Waarom ze ons vuilvoeten noemden”

    Illegalen hebben voordat ze Europa bereiken dikwijls een lange tocht afgelegd. In West-Afrika steken vluchtelingen vaak te voet de woestijn over, vandaar dat men zegt dat ze vuile voeten hebben. Die trek door de woestijn is niet alleen fysiek, maar ook psychisch zwaar. Je land, je cultuur verlaten, laat sporen na. Die figuurlijke vuile voeten raak je nooit meer kwijt, volgens Edem Awumey.

    Awumey schreef een roman met één van deze vele vluchtelingen als hoofdpersoon. Askia is een uit Afrika afkomstige vluchteling, die zich staande probeert te houden in Parijs. Hij komt na de dood van zijn moeder als 42-jarige naar Parijs en werkt met valse papieren als taxichauffeur. Hij probeert om in de Franse hoofdstad zijn verdwenen vader te vinden.

    Askia en zijn ouders zijn toen hij nog jong was, lopend en op een ezel, de droogte van de Sahel ontvlucht. De vader is om duistere redenen kort hierna verder gereisd naar Frankrijk, op zoek naar ongeschoold werk.
    Zijn vader had zijn moeder brieven en foto’s gestuurd uit Parijs. Maar Askia heeft deze brieven nooit gezien. Toch vertrekt hij op een dag in de voetsporen van de vermiste, de vader. Hij vertrekt niet alleen om zijn vader terug te vinden. Hij vertrekt ook omdat zijn moeder vóór haar dood heeft gezegd: ‘Heel lang, mijn zoon, waren we langs de weg. En overal werden we voor vuile voeten uitgemaakt. Als je vertrok, zou je dat begrijpen. Waarom ze ons vuilvoeten noemden.’

    Askia probeert ook zijn verleden te ontvluchten: om zijn studiebeurs aan te vullen was hij in 1986 vrijwillig gaan werken voor de Cel, een officieus inlichtingenorgaan, een militie gespecialiseerd in ontvoering, marteling en moord. Askia is uit deze criminele organisatie gestapt, maar de Cel achtervolgt hem tot in Parijs. Hij zal altijd in ‘beweging’ moeten blijven, altijd zijn best moeten doen om buiten de invloedssfeer van de Cel te blijven.

    Op een dag stapt er in Parijs een vrouwelijke klant in de taxi van Askia die zegt: u lijkt op iemand. Op een man met een tulband die een paar jaar geleden voor mij heeft geposeerd. Deze opmerking intrigeert Askia en hij zoekt de jonge fotografe op in haar appartement; hij vraagt haar naar de bewuste foto, maar Olia, de Bulgaarse fotografe, kan deze foto niet terug vinden.

    Askia, afgestudeerd in de antropologie en literatuur aan de Universiteit van de Golf van Guinee, woont in Parijs in een kraakpand op acht vierkante meter, in een ruimte ‘met vochtige muren vol scheuren en verder een smerig tapijt met de slijtsporen van duizenden voetstappen.’
    In Parijs heeft Askia vooral ? vluchtig – contact met andere migranten die leven aan de onderkant van de samenleving. In een interview met Emilie Deblock zegt Awumey dat hij zijn werk niet beschouwt als een politiek statement, maar dat hij door het gebruik van het thema van Afrikaanse vluchtelingen die Europa willen bereiken, probeert de discussie over deze problematiek te voeden. Awumey zegt dat hij niet schrijft om dingen te veranderen. Zijn roman is niet moraliserend.

    Naast een boek over ballingschap en het reizen is Vuile voeten een verhaal over de eenzaamheid van een vluchteling. De geschiedenis van Askia wordt niet lineair verteld, heden en verleden, herinnering en fantasie lopen door elkaar. Je vraagt je gaandeweg de roman af: wat is werkelijkheid en wat is fantasie?

    In de beknopte roman (151 pagina’s), blijft Askia voor de mensen die hij ontmoet, maar ook voor de lezer, een vreemde. De fotografe probeert het meerdere malen: ‘”Wie ben je, Askia?” Alsof het antwoord op die vraag iets zou veranderen aan hun relatie, enige opheldering die hem wat minder vreemd en onbereikbaar zou maken voor zijn vriendin. (…) Hij dacht dat “Wie ben je, Askia?” hem zo ver terugvoerde dat hij niet kon zeggen of het allemaal waar was. Terugvoerde naar weer dezelfde veldwegen en stadstraten, naar het lopen door de nevel, de verschroeiend hete dagen en de koude nachten van het kwartet dat hij vormde met zijn vader, zijn moeder en de ezel die uiteindelijk de geest had gegeven.’

    In Vuile voeten heeft Awumey op een indringende wijze een aantal illegale immigranten een stem gegeven; het zijn personages die na het sluiten van het boek in het hoofd van de lezer blijven hangen.

    Edem Awumy (1975) werd geboren in Togo; hij studeerde literatuur aan de Universiteit van Lomé. Met een beurs van de UNESCO studeerde hij verder in Frankrijk; hij promoveerde op een onderzoek naar ballingschap in literatuur. Hij heeft zich gevestigd in Quebec, Canada. Voor zijn debuutroman ontving hij de Grand Prix littéraire de l’ Afrique noire. Vuile voeten, zijn tweede roman, werd genomineerd voor de Prix Goncourt 2009.

     

  • Het is een Nederlandse ziekte om te stellen dat literatuur een morele boodschap moet uitdragen

    Het is een Nederlandse ziekte om te stellen dat literatuur een morele boodschap moet uitdragen

    Dit verhaal gaat over de succesvolle schrijfster Erica Hart en het begint in de periode na de Tweede Wereldoorlog. De ziekelijke Erica woont nog bij haar moeder en zus Corrie in hun pension waar ze gasten ontvangen. Erica verblijft het grootste deel van de tijd alleen op haar kamer waar ze vaak met gesloten gordijnen, bij het elektrische licht, haar boeken schrijft.

    Tijdens het schrijven van haar laatste boek De onvoltooide, overlijdt Erica plotseling. In een van haar werken komt een passage voor, die de personages in het boek het idee geven alsof ze haar einde had voorzien. ‘Ik ben gestorven zonder het te weten want anders had ik me toch wel verzet.’ (p. 54)
    Wat volgt is een verhaal waarin vanuit wisselende perspectieven over het leven van Erica, voor en na haar overlijden, wordt geschreven.

    In een periode van ziekte wordt ze verpleegd door de vakkundige en enigszins koele, Alide Vos. Deze is er helemaal voor Erica maar over haar privéleven laat Alide niets los. De verpleegster wordt heel belangrijk voor Erica. Wanneer ze op een gegeven moment niet meer komt, zet Erica de gevoelens voor haar om in woorden op schrift. En zo is een schrijfster geboren.
    Erica bedeelt in haar boeken de mensen uit haar leven rollen toe, zoals haar geliefde Louise Riffeford en de bevriende schrijver Blanka. Ook laat ze deze laatste haar teksten lezen.
    Op een gegeven moment in het verhaal denkt Erica na over Blanka. Ze ziet hem als iemand zonder ballast ondanks het feit dat hij de oorlog heeft meegemaakt.
    ‘Dat hij een oorlog heeft doorstaan is niet aan hem af te lezen. Hij heeft het verleden verdrongen, is hij daarom zo licht en vrij? Met vrij bedoel ik hier: oningevuld, als onaf.’ Maar stelt Erica vervolgens: ‘Mijn blik op Blanka is gekleurd, doordat ik hem vooral ken zoals hij hier is, in mijn kamer.’ (p. 37).

    Terugkijkend op het verhaal lijkt het of Dijkstra, met alles wat ze beschrijft een diepere reden heeft. Het maakt dat je je als lezer een soort detective voelt. Sterk dringt zich het gevoel op dat de hoofdpersoon Erica, via haar werk wraak wilde nemen op de mensen die haar lief waren en haar bedrogen, deels waar ze bij was. Het wekt de indruk van een kat-en-muisspel. Deze geliefden hebben zich tijdens het lezen van Erica’s verhalen zo vereenzelvigd met hun fictieve zelf dat ze de scheidslijn tussen werkelijkheid en fictie nog maar nauwelijks van elkaar kunnen onderscheiden, met alle gevolgen van dien.

    De sfeer in het boek is soms benauwend en in bepaalde passages zelfs dreigend waardoor het minder makkelijk leest. De beschouwende, soms filosofische schrijfwijze, maakt het verhaal op bepaalde punten lastig te doorgronden. Maar dit is tevens de kracht van het boek. Dijkstra is een kei in het beschrijven van het innerlijke leven van haar personages. Ze speelt in dit verhaal met het tijdsverloop, en thema’s als eenzaamheid, licht, donker, sterfelijkheid en schuld staan centraal in het verhaal.

    Op een gegeven moment werpt de hoofdpersoon een kritische noot op over de aard van de Nederlandse literatuur. In deze passage geeft Dijkstra mijns inziens een heel duidelijke knipoog naar het werk van Anna Blaman. De hoofdpersoon, Erica vertelt over de kritische ontvangst van haar werk in de Nederlandse maatschappij.
    ‘Ik bedoel daarmee het schandaalsucces van mijn boeken, dat vooral voortkwam uit een stroom reacties uit christelijke hoek. De grootste aandacht voor mijn werk ging naar de vraag of het ethisch verantwoord is, wat het zeer zeker niet is, want we hebben het over literatuur. Het is een Nederlandse ziekte om te stellen dat literatuur een morele boodschap moet uitdragen. Ik schreef dit al eerder en het kan niet vaak genoeg gezegd. Heel lang heb ik geleefd met de gedachte dat ons land een vrijhaven is voor andersdenkenden, maar dat is valse romantiek.’ (p. 40)
    Deze knipoog van Dijkstra, naar het werk van Blaman is treffend daar 2010 uitgeroepen is tot het Anna Blamanjaar waarin een ‘ware revival’ van haar werk plaatsvindt. (Hans Sibarani (2010) ‘Anna Blaman tussen verguizing en bewondering’, In: Lover. Literatuur. Het boekentribunaal. p. 8-9.) Daarnaast is het het vijftigste sterfjaar van Blaman.
    Genoeg redenen dus om dit bijzondere werk te lezen en de ‘boodschap’ van deze diepzinnige schrijfster te doorgronden.

    Over de schrijfster:
    Florette Dijkstra is in 1963 in Den Haag geboren. Florette studeerde af aan de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving. Naast beeldende kunst houdt ze zich sinds 1990 ook bezig met het schrijven over beeldende kunst. De onvoltooide, is haar tweede roman. De vrouw van verf, was haar romandebuut in 2004. Haar woon- en werkplek is Den Bosch.

  • Een merkwaardig constructie

    Een merkwaardig constructie

    We gaan knutselen met papier, schaar, lijm of plakband. Als er kinderen in de buurt zijn, roep ze er dan maar bij, want dit willen ze straks ook kunnen. Voor het papier neem je formaat A3, of je plakt even twee A4-tjes in de lengte aan elkaar. Nu knippen we in de lengte een strook van zo’n 4 à 5 centimeter breed. Maak er maar twee, want we gaan er zo twee experimenten mee doen.
    Neem nu de uiteinden van de strook bij elkaar. Plak nog niets vast maar hou ze zo tegen elkaar dat ze een band vormen. Nu draai je één van de uiteindes om en zo plak je ze aan elkaar. Er zit nu een draai in de band. Het resultaat moet er ongeveer uit zien zoals hier. Zo’n figuur heet een Möbiusband en is veel vreemder dan je in eerste instantie denkt.

    Nu gaan we de band in de lengte doormidden knippen. Zet de schaar ergens in het midden van het papier en knip in de lengterichting totdat je weer bij het begin bent en de band in twee delen is geknipt. In twee delen? Nee hoor, het resultaat is één Möbiusband die twee keer zo groot is. Hoe kan dat nu?
    Als het goed is hebben we nog een band liggen daar gaan we een tweede knip experiment mee doen. Ook deze knippen we in de lengterichting. Alleen hier beginnen we niet in het midden. We knippen hier een smalle en een brede band, dus zet de schaar erin op ongeveer een derde van de breedte. Knip dan rustig in de lengte richting en je ziet na een tijdje iets vreemds gebeuren. Het knippen duurt twee keer zo lang. Het resultaat bestaat uit twee Möbiusbanden. Een kleine en een grote, en ze zitten ook nog eens in elkaar.

    Voor wie het allemaal wat onduidelijk is of niet van knutselen houdt, is er dit filmpje. Daarin is te zien dat een Möbiusband een merkwaardige constructie is. Stel je voor dat je in een achtbaan zit die zo’n vorm heeft. Vanuit je wagentje bekijk je de wereld en dan dan zie je opeens dat alles kantelt…
    Alles kantelt is de titel van de nieuwste roman van Tomas Lieske en de Möbiusband speelt er een niet onbelangrijke rol in. We hebben dus niet helemaal voor niets geknutseld. Lieske vertelt het verhaal van Anton Milot, of Saint Milo, zoals hij zich later is gaan noemen. Anton is 34 en vertelt zijn verhaal halverwege de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Hij lijdt aan een vorm van epilepsie die zijn geheugen beïnvloedt en hem zo in de war brengt dat hij gelooft personen en dingen te zien die er niet zijn. Na het innemen van nieuw medicijnen ontmoet hij op een dag zichzelf. Niet als spiegelbeeld of tweeling, maar als een jongetje van zo’n acht à tien jaar oud.

    Je zou kunnen zeggen dat de jonge Anton de verpersoonlijking is van de herinnering. De jonge komt met herinneringen die leven, ademen en nog warm nagloeien. Wat bij de volwassen Anton uitgedoofd en onder het stof ligt, komt in de woorden van het kind tot leven.
    Het moet gezegd worden: Lieske schrijft bij vlagen betoverend mooi proza. Alleen daarom al is het boek een aanrader. Als hij even zijn best doet komen levenloze voorwerpen tot leven, zweven melancholie en nostalgie boven de pagina’s en vergeet je even dat je met woorden te maken hebt. Ook bewonderenswaardig is de manier waarop hij zijn twee grote onderwerpen origineel weet te houden. Want jeugdherinneringen hebben we immers al zo vaak gelezen. Hoe maak je van het zoeken naar de verloren tijd nog een moderne, opwindende speurtocht? Toch lukt het Lieske. Dat komt door zijn taalgebruik en ook door de vondst van de ontmoeting tussen de jonge en volwassen Anton.

    Het kind en de volwassene zijn met een Möbiusband met elkaar verbonden. Of misschien moet je zeggen dat een grote en een kleine Möbiusband in elkaar vastzitten, zoals in ons tweede knip experiment. De volwassene kijkt terug en ziet zichzelf alleen door tijd, niet door ruimte gescheiden. Toch is het verschil zo groot dat de jonge Anton bijna een ander lijkt. Ergens tussen hen in kantelt de Möbiusband.
    ‘Zijn leeftijd valt het best te omschrijven als de leeftijd waarop alles nog onschuldig is, maar je ziet dat het gaat kantelen. Een kind, ontroerend lief, maar het gaat veranderen. Straks gaat het vrolijk lachen over in berekening; straks ontstaat de verliefdheid die verwart; straks wordt het lichaam ineens niet meer naakt getoond en begint de schaamte.‘

    De herinneringen die de twee Antons gemeen hebben zijn die van een Haags gezin, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Het gezin woont in het Bezuidenhout dat grotendeels in puin ligt. Het boek opent met het portret van de vader. Een man die in de herinnering van de jongen enorme afmetingen aanneemt en het niet nalaat indruk te maken. Een groot deel van het boek draait om hem, maar niet uitsluitend.
    Het andere deel van de herinneringen gaat over Rosemarie. Een Duits meisje dat in 1949 in het Haags gezin wordt opgenomen. Voor een jaartje wordt gezegd, maar het zal uiteindelijk zeven jaar duren voordat ze weer weg gaat. Rosemarie heeft in Duitsland het nodige meegemaakt, al wordt niet helemaal duidelijk wat precies. Ook blijft het een geheimzinnig waarom ze precies in het gezin is geplaatst. Haar moeder leeft nog, maar ze kan niet terug. Ze heeft nachtmerries, heimwee en in de loop van de jaren wordt ze steeds opstandiger.

    De aanwezigheid van Rosemarie groeit in het leven van de jonge Anton uit tot een prachtig bloeiende jeugdliefde. Het kind weet de blijdschap en de verwondering prachtig te doen herleven. Anton de volwassene kan weinig anders dan het hoofdschuddend aanhoren. Voor hem is die jeugdliefde voorbij, afgesloten, opgeborgen en half vergeten. Hij is veel meer bezig met het recente verlies van zijn vrouw met wie hij vier jaar dolgelukkig is geweest. Bovendien kan hij de jongen, die nog zo vol is van Rosemarie, niets over de toekomst vertellen. Hij kan hem zijn jeugd niet ontnemen.

    Dat de oudere Anton zijn vrouw is verloren, blijkt een thema dat het boek net iets te vol maakt. We lezen over Antons vader, dan de opbloeiende liefde voor Rosemarie en moeten daar tussendoor ook nog verwerken hoe de volwassen Anton zijn grote Liefde onder een bus ziet komen. Hoe indringend het ook geschreven is, het is een element dat de opbouw van de roman eerder verstoort dan aanvult.
    De compositie van deze roman is niet zo eenvoudig. Lieske heeft gekozen voor een Möbiusband en nu moet hij er dus in slagen het geheel rond te krijgen. Dat blijkt lastig. De twee Antons reizen samen door Duitsland en hebben zo de tijd om herinneringen op te halen. Maar waarom Duitsland? Waarom de jaren zeventig? We weten dat Rosemarie voorgoed weggaat, maar hoe? Welke rol speelt de vader? Al die lijntjes moeten uiteindelijk bij elkaar komen en daar vergaloppeert Lieske zich naar mijn idee.

    Veertig, vijftig bladzijden voor het eind kantelt de roman. In de eerste hoofdstukken heeft Lieske er nog voor gezorgd dat de ontmoeting tussen de twee Antons geloofwaardig is door epilepsie en medicijnen als verklaringen op te voeren. Ook de scheiding tussen de jongen en de volwassene wordt consistent gehouden doordat de jongen niets te weten krijgt over de toekomst. Maar nu gebeurt er iets vreemd. De jongen is acht, hooguit tien jaar oud maar heeft in het laatste deel herinneringen die horen bij de dertienjarige Anton. De truc met de jongen werkt zo goed omdat de herinneringen in hem nog zo vers zijn. Maar het laatste gedeelte hoort bij een jongen die ouder is en dat klopt niet helemaal.

    Vreemder is het dat de laatste hoofdstukken steeds intensere gebeurtenissen beschrijven die de volwassene zich niet of nauwelijks kan herinneren. Dat neemt zulke vormen aan dat je hier van verdringing kunt spreken. Heeft de volwassen Anton zijn liefde voor Rosemarie nu verdrongen? Helemaal duidelijk is dat niet. Lieske probeert niets te psychologiseren en van Freudiaanse trucs wil ik hem zeker niet beschuldigen. Maar de constructie overtuigt niet, en dat is jammer.

    De compositie van deze roman zit zo in elkaar dat hoe innig, intiem en waardevol de gebeurtenissen voor de jongen zijn, deze gespiegeld moeten worden in de gedachten van de volwassen Anton. Lieske laat dat op het laatste moment los, en dat verstoort de zo mooi opgebouwde magie.
    Diegenen die van prachtig gecomponeerde romans houden, hebben reden om deze roman mislukt te noemen. Maar er zit veel meer in deze roman dan alleen de compositie, de Möbiusband en een niet erg overtuigend plot. Lieske tovert soms met woorden, weet de intimiteit van jeugd en de blijdschap van verliefdheid prachtig op de bladzijden te krijgen en verdient het alleen daarom al om bewonderd te worden.

    Alles kantelt is een boek dat niet helemaal gelukt is, maar wat je desondanks toch niet had willen missen. Iets wat niet van waarde is, knip je in stukken en die gooi je vervolgens weg. Deze roman knip je in stukken en blijft wonderwel intact. Dat is geen knutselwerk meer.

  • Een indringende en gelaagde roman

    Een indringende en gelaagde roman

    Recensie door Rosalien Koster

    In 2002 verscheen Annie Dunne van de Ierse schrijver Sebastian Barry al in Engeland. Nu, pas acht jaar later, ligt dan ook eindelijk de Nederlandse vertaling in de boekhandel. Waarom dit zo lang heeft moeten duren? Geen idee. Aan de kwaliteiten van de schrijver heeft het in elk geval niet kunnen liggen. Want indringende en gelaagde romans als deze verschijnen maar zelden.

    Barry, tot tweemaal toe genomineerd voor de Man Booker Prize, begon zijn loopbaan als schrijver van toneelstukken. Een van zijn bekendste stukken, The Steward of Christendom, vertelt het verhaal van de loyalist en hoge politiefunctionaris Thomas Dunne die na de onafhankelijk van Ierland als een gebroken man zijn laatste dagen slijt in een inrichting.
    Via de hoofdpersoon Dunne, die min of meer dezelfde weg bewandelde als Barry’s overgrootvader James Dunne, wilde Barry een klein deel van de bewust vergeten Ierse geschiedenis opnieuw tot leven brengen en laten zien dat diezelfde geschiedenis niet zo zwart-wit is als men graag wil geloven.

    Waar het verhaal eindigt van Thomas Dunne, begint het verhaal van zijn dochter Annie, de oudtante van Barry. Deze Annie Dunne is aan het begin van de roman inmiddels een oude vrouw die terugkijkt op een weinig plezierig leven. Samen met haar nicht Sarah, eveneens een oude vrouw, woont ze in een oud en vervallen boerderijtje op het Ierse platteland. In een perfect op elkaar afgestemde harmonie doen de beide vrouwen wat ze moeten doen om de boerderij draaiende te houden. Het leven gaat zijn gangetje op de boerderij en Annie, moe en afgestompt door haar treurige verleden, verlangt niets anders meer dan haar laatste jaren door te brengen in de vertrouwdheid van dit bestaan.

    Maar de wereld buiten de boerderij is aan verandering onderhevig. De roerige jaren zestig staan voor de deur en de moderniteit doet ook langzaam zijn intrede op het platteland. Annie, opgegroeid in een andere tijd, ziet de veranderingen met lede ogen aan. De komst van haar achterneefje- en nichtje op de boerderij, twee stadskinderen, brengt het door Annie zorgvuldig in standgehouden evenwicht nog verder aan het wankelen.

    Uiteindelijk beseft ook Annie dat zij de voortschrijdende tijd niet kan tegenhouden.‘Het staat vast dat op een dag alles wat we kennen verdwenen zal zijn, net zoals mijn vaders wereld teloorging en nooit meer is herleefd. Dit erf in Kelsha, het kippenhok, de kalverenstal, de hooischuur, de paardenstal en de melkschuur, alles zal uiteindelijk met de grond gelijk worden gemaakt.’

    De vernietigende angst voor verandering die Annie in de greep houdt en haar met afgrijzen vervult, reflecteert niets anders dan haar vrees om in eenzaamheid te sterven. Alle kleine veranderingen doen haar beseffen dat haar leven ten einde loopt en de wereld zoals zij die kende aan het verdwijnen is. ‘De kinderen rennen de dorpswinkel in, de bel weerklinkt met een metalen klank over de ooit met steenslag verharde weg. Hierbinnen is tenminste niets veranderd. De potten met suikergoed hypnotiseren de kinderen nog steeds als ze uit school komen. Zelfs de nieuwkomers op de schappen, zoals het fabrieksbrood in zijn vetvrije verpakking, lijken inmiddels oude bekenden.’

    De vergankelijk neemt wat hij wil. Zoals ook de wereld die Barry beschrijft inmiddels niet meer bestaat. Toch weet hij deze wereld, waarin de boerenbevolking gebukt onder armoede en de onvoorspelbaarheid van de natuur het hoofd boven water probeert te houden, te laten herleven. Zonder een zweem van nostalgisch terugverlangen overigens, want Barry idealiseert nergens. Het leven is zoals het is. Ook voor Annie die steeds verder dreigt weg te glijden en de zorg voor de kinderen steeds minder goed aan kan.

    Een rampzalig einde lijkt dan ook onafwendbaar. De onderliggende spanning, die Barry zorgvuldig gedurende de gehele roman subtiel weet op te bouwen, is om te snijden. Want hoewel er ogenschijnlijk weinig gebeurt, broeit het onderhuids en hangt het naderend onheil als een zwaard van Damocles boven het verhaal.

    Behalve een intiem en gevoelig portret van een vrouw die worstelt met haar tekortkomingen en een zwaar verleden, is Annie Dunne net als The Steward of Christendom, ook een verhaal over de Ierse geschiedenis. Annie, als dochter van een loyalist en opgegroeid in Dublin in grotere rijkdom dan de gemiddelde Ier, ondervindt nog dagelijks de gevolgen van de keuzes die haar vader ooit maakte. De dorpsbewoners, allen van eenvoudige komaf, maken haar keer op keer op geraffineerde wijze duidelijk dat zij niet in hun midden thuishoort. Hoe hard Annie ook haar best doet.

    De lezer kan niet anders dan sympathie voelen voor deze oude vrouw die zichzelf staande probeert te houden in een vijandige wereld. Was het alleen maar omdat de emoties en gedachten die Annie heeft zo levensecht voorkomen. Maar Barry kan meer dan inleven in de personages alleen. Eveneens dwingt hij respect af door zijn dromerige en beeldende stijl waarin hij met veel oog voor detail het plattelandsleven en de omringende natuur weergeeft.
    Dat Annie Dunne niet eerder in het Nederlands is vertaald, is onbegrijpelijk.

    Annie Dunne

    Auteur: Sebastian Barry
    Vertaald door: Johannes Jonkers
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Prijs: € 18,95

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Jongens waren het de Titaantjes van Nescio. Aardige jongens ook nog eens. Aan het begin van de twintigste eeuw stonden ze aan de rand van het Amsterdamse Oosterpark te dromen van een leven dat ze ver verheven achtten boven het saaie burgerleven dat anderen leiden. Een eeuw later zijn ze er nog steeds, de mensen die hun leven liever wijden aan schoonheid, de literatuur of de kunst, in plaats van te kiezen voor een leven dat bepaald wordt door gezin, geld verdienen en de verplichtingen van de werkweek. Jongens zijn het niet meer uitsluitend, en aardig zijn ze vaak ook al niet.

    Neem Prosper Morèl, de hoofdpersoon uit de debuutroman De vernietiging van Prosper Morèl van Jamal Ouariachi. Hij is 38, psycholoog met een goed lopende praktijk in het rijke Amsterdam-Zuid, getrouwd en kinderloos. Vroeger, in de jaren negentig heeft hij een poging gedaan om kunstschilder te worden. Een jeugdzonde waar hij niet graag aan herinnerd wil worden, zo blijkt.  Toch is die periode allesbepalend voor de rest van zijn leven.

    Als beginnend kunstschilder woonde Morèl in een kraakpand in het centrum van Amsterdam, dat hij deelde met zijn vriend Remco Haak, die beeldhouwer zou worden, en het meisje Chris Altena. Haak is jaren later nog steeds bevriend met Morèl en is inmiddels een internationaal beroemd architect geworden. Zijn naam doet natuurlijk denken aan die van Rem Koolhaas. Het is overigens niet te hopen dat Koolhaas ook het karakter heeft van Haak want het romanpersonage is een groteske karikatuur die desondanks geloofwaardig is. Hij is grof, egoïstisch, belust op geld en seks en onmogelijk brutaal. Het meisje Chris Altena steekt bij de twee heren wat vreemd af. Zij doet een poging schrijfster te worden en is wars van compromissen waar het haar schrijversleven betreft.

    Als dit drietal een generatie representeert die niet zo lang geleden nog iets van idealisme in zich had en niet wenste te kiezen voor plat gewalste maatschappelijke paden dan zakt je de moed toch in de schoenen. Alle drie zitten deze net-niet kunstenaars vol cynisme (Morèl), woede op de buitenwereld (Chris) en grenzeloze zelfoverschatting (Remco Haak).

    Maar Ouariachi heeft geen realistisch portret geschreven van een generatie. Het is fantasierijke fictie wat hij schrijft en bijna voortdurend is er sprake van een avontuurlijke spanning. Het beeld van mislukte talenten en gefnuikte idealen ontstaat langzaam. Het verhaal begint, na een korte proloog, met Morèl als succesvol psycholoog die ongevraagd een erfenis krijgt van zijn vroegere huisgenote Chris Altena. Met tegenzin accepteert hij een doos waarin haar dagboeken zitten en met tegenzin begint hij te lezen. Chris is een schrijfster in wie uitgeverijen nooit iets gezien hebben en de fragmenten van haar hand die we onder ogen krijgen bevestigen dat oordeel. Het lezen van Chris haar dagboek deed mij even afvragen of de roman wel zo sterk zou blijven als hij begon.

    Morèl leest in die dagboekbladen over zijn eigen vroegere leven. Een leven vol hoop, weinig talent, veel hangen en dat alles vanuit een arrogante weigering om iets van een ander te willen leren. Zelf weten ze het beter en komen ze tot weinig. Behalve Chris die voortploetert op een wel heel eenzame weg. Uiteindelijk kiezen Morèl en Remco voor de makkelijke uitweg: studeren, een carrière en een burgerleven waarin de ironie de boventoon moet vieren.  Dit tot woede van Chris die postuum wraak neemt door Morèl haar dagboeken na te laten.

    Chris schrijft ook over haar oom Adri die na een totaal mislukte carrière als kunstschilder zelfmoord heeft gepleegd. Die mislukking, het totaal gebrek aan talent in een kunstenaarswereld die bestaat uit het bedenken van pogingen tot shockeren en tot het herhalen van wat al veel te vaak gedaan is, begint na een aantal bladzijden toch te schuren in positieve zin. De aanvankelijke, literaire onbenulligheid van Chris haar teksten neem je voor lief omdat zij is voorgesteld als ongetalenteerd en mislukt. Het is een merkwaardige kunstgreep die goed uitpakt.

    Morèl leest, leest en spit daarmee zijn eigen leven om. Hij trekt zich terug op zijn zolderkamer om in eenzaamheid verder te lezen, verwaarloost zijn huwelijk,  en begint zich te steeds meer te ergeren aan de luxe relatieproblemen van zijn Amsterdam-Zuid cliënten. Het dagboek drukt hem met de neus op de feiten: zijn huidige leven is bepaald geen kunstwerk en ook van de voorgenomen ironie is bitter weinig terecht gekomen. Hoe verder Morèl doordringt in de geschriften van de overleden Chris hoe slechter het met hem gaat.

    Chris haar geschriften worden gaandeweg verwarder. Zij lijkt de greep op haar eigen eenzame en armoedige leven langzaam kwijt te raken. Na een mislukte roman bijt ze zich vast in een werk over zelfmoord waarvan de conclusie zich langzaam openbaart. Zelfmoord is te beschouwen als een kunstwerk, de ultieme uitdrukking van de eigen wanhoop die een voortleven in de herinnering van anderen het best waarborgt. Het is een absurde stelling die uitgebreid wordt beargumenteerd met voorbeelden als de dood van Kurt Corbain en de aanslagen op de Twin Towers.

    Morèl leest het hoofdschuddend en is inmiddels stevig aan de drank geraakt. Zijn praktijk verliest cliënten, zijn vrouw verlaat hem en even denk je dat het boek zal aansturen op de zelfmoord van Morèl. Maar zo voorspelbaar is deze roman bij lange na niet.

    Steeds duidelijker wordt wel dat vernietiging de enige weg lijkt die Morèl uit zijn existentiële impasse kan halen. Hij is niet meer in staat in idealen op te gaan, creatief te zijn tot in het diepst van zijn ziel. Eerst moet er iets kapot gemaakt worden voordat met iets nieuws kan worden begonnen. Het is een even cynische als overtuigend gebrachte gedachte.

    De teksten van Chris hebben een ver strekkende invloed. Ze komen terecht bij een patiënt van Morèl, ook al een gefnuikt kunstenaar, die vervolgens een zelfmoordaanslag pleegt. Dit overigens tot ontzetting van Morèl. Vanaf dat moment verandert de roman van toon, wordt de spanning met meer fantasie opgevoerd en neemt de actie toe. De verwikkelingen die plaats vinden hebben alles te maken met een megalomaan project van Morèl’s vriend Remco Haak die naast het Amsterdamse Centraal Station een enorme toren, IJ-Morgana, heeft gebouwd.

    Interessant is dat op het moment dat Morèl zichzelf verliest en verandert, de roman fantasierijker wordt. De nummers van de hoofdstukken maken plaats voor titels die verwijzen naar bekende werken in de schilderkunst. Wie iets van kunstgeschiedenis weet, merkt ook dat elk hoofdstuk duidelijke verwijzingen bevat naar de schilders van deze werken. Zo ontmoet Morèl op de Zeedijk een figuur die in alles op Piet Mondriaan lijkt. Vriend Remco wordt vergeleken met beschrijvingen die op het werk van Caravaggio zijn geënt en de lezer die onlangs in het Gemeentemuseum in Den Haag de tentoonstelling Kandinsky en Der Blaue Reiter heeft gezien, kan ook een zin als de volgende plaatsen.

    Remco was hem ontschoten, van hem weggeschoten als een blauwe ruiter op een galopperend paard, naar een wereld waarin alles op z’n kop leek te staan, grenzen vervaagden, lijnen vervormden.’

    Het is speelse symboliek in een boek dat dan al niet meer kapot kan. De achterliggende gedachte is duidelijk. Morèl verliest zijn oude gepantserde huid en naar boven komt de schilder in hem die al die tijd heeft liggen wachten. De wereld wordt weer kunst en Morèl bekijkt alles met andere ogen. Zijn wedergeboorte komt langzaam voort uit de vernietiging van zijn oude bestaan. Die vernietiging is geen zelfmoordaanslag maar iets wat er gevoelsmatig dicht bij in de buurt ligt. Ook een zelfmoordaanslag kan levens redden, zou je cynisch kunnen concluderen.

    Die eindconclusie, hoe bizar die nu ook mag klinken, zet wel aan tot denken. In een kunstwereld waar kunstenaars zich nog steeds proberen te overtreffen in de mate waarin hun werk kan shockeren, is zelfmoord als kunstwerk geen idiote gedachte meer. Voor een generatie die nauwelijks idealen heeft of blijft hangen in een fuik van een gebrek aan ontwikkeling, er niet in slaagt talenten te ontplooien in plaats van ze aan coke of de werkweek te grabbel te gooien, is de eigen vernietiging misschien nog de enige oplossing. Je vraagt je af of net zoals Morèl uiteindelijk zichzelf hervindt in de schoonheid van de schilderkunst ook de huidige tijd zichzelf zou moeten hervinden. Daar is veel, misschien wel te veel, voor nodig lijkt de boodschap van de roman te zijn. Ouariachi is overigens slim genoeg om dergelijke beschouwingen impliciet te laten. Hoogdravend is de roman nergens al is het slot bijna onafwendbaar moralistisch, wat overigens geen literaire doodzonde is.

    Kritiek kun je hebben op de geloofwaardigheid van het fantasievolle tweede deel van de roman. Daar tegenover staat dat er geen saaie pagina in het boek is aan te wijzen. Je kunt je storen aan het cynisme van Morèl en de afkeer van alles wat aan iets zweverigs doet denken. De no-nonsens houding van zowel Morèl als Ouariachi is op zijn slechtst vermakelijk, op zijn best bewonderenswaardig. Morèl heeft duidelijk een broertje dood aan dieptepsychologie, alternatieve geneeswijzen en hoogdravend gezwets. Ouariachi doorspekt zijn roman niet met filosofische bespiegelingen. Het verhaal moet zichzelf vertellen en dat lukt wervelend. De vernietiging van Prosper Morèl is wat mij betreft een uitstekend gelukt, rijk debuut dat prikkelt, schuurt en aan het denken zet.

    Een interview met de auteur is te vinden op http://avonden.radio6.nl/tag/jamal-ouariachi/

    De vernietiging van Prosper Morèl

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij : Uitgeverij Querido
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door: Ella-Milou Quist

    Recensie door: Ella-Milou Quist

    Sophie Zijlstra debuteerde in 2007 met de lovend besproken roman Mevrouw Couperus. Een goed debuut maken is één ding, een goed tweede boek schrijven een ander. Maar hierin is Zijlstra bijzonder goed geslaagd. Met Potifars vrouw weet ze de lezer van begin tot eind te boeien met een verhaal over een man die je niet snel zult vergeten.

    Het verhaal gaat over de 66-jarige joodse Mendel Waterman die plaatsneemt in de trein van Assen naar Groningen. Het is 1977 en de trein wordt gekaapt door Molukse vrijheidsstrijders. Bij Mendel in de coupé zit het aantrekkelijke jonge meisje Sanne. Hij probeert haar gerust te stellen en ze brengen samen de nacht door. Ondertussen hebben de kapers een ultimatum gesteld en verlangen zij van de Nederlandse regering dat zij zich in zal zetten voor de totstandkoming van de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken. Bovendien eisen de kapers de vrijlating van 21 Zuid-Molukse gevangenen. De volgende dag zal een gijzelaar worden doodgeschoten als de regering Den Uyl niet op het ultimatum ingaat.

    Wanneer Sanne in slaap is gevallen, is dat voor Mendel het moment om terug te gaan naar het verleden. Hij overdenkt zijn leven. Een lange flashback volgt met daarin het levensverhaal van Mendel tot aan de kaping bij De Punt. In eerste instantie ervaart de lezer deze flashback als een vervelende onderbreking, maar dan gebeurt er weer iets waardoor het verhaal haar spanningsboog terugkrijgt. Hierdoor vergeet je de gebeurtenissen uit de eerste hoofdstukken even. De mooie schakeling naar de flashback van Mendels leven zorgt ervoor dat je helemaal in het verhaal zit. Het is zo levendig beschreven dat je het ziet gebeuren en bovendien met hem meevoelt.

    Tijdens deze flashback kom je erachter wat voor verschrikkelijke dingen Mendel meegemaakt heeft. In één oorlog raakt hij twee gezinnen kwijt. Zijn vrouw en dochter worden op transport gezet naar Auschwitz en daar vermoord. En dat terwijl zijn zogenaamde jeugdvriend Clemens Groot ervoor zou zorgen dat zij op de ‘Grootlijst’ zouden komen te staan. Groot had namelijk goede contacten met een in hoog aanzien staande Nazi en stelde een lijst op met joden die niet opgepakt mochten worden. De prijs die Mendel daarvoor betaalde was hoog: hij moest zijn geliefde schilderij ‘Potifars vrouw’ afstaan aan Groot. Zo dacht hij zijn vrouw en kind te kunnen redden. Pas later ontdekte hij dat de ‘Grootlijst’ nooit bestaan heeft.

    Een jaar nadat zijn vrouw en kind op de trein naar Auschwitz werden gezet, ontmoet hij zijn nieuwe vriendin en haar dochter. Hij leeft met hen in Theresiënstad, waar hij schilderijen restaureert voor het Führermuseum en het Hermann Goeringmuseum. Dit houdt hem in leven omdat het belangrijk werk is voor het Derde Rijk. Ook deze vrouw en haar kind worden op een dag op transport gezet naar Auschwitz en daar vermoord. Een jaar later is de oorlog voorbij en besluit Mendel te gaan zwerven. Hij trekt van land naar land, maar nergens voelt hij zich echt thuis. De leegte en wanhoop die hij voelt, komen bij de lezer al net zo hard aan als bij Mendel zelf. Het idee dat je je nergens thuis voelt en ook werkelijk geen huis hebt terwijl je daar juist zo naar verlangt, is gekmakend. De manier waarop Zijlstra die zwerftocht beschreven heeft, is meesterlijk. Je ziet jezelf door de steden en de verschrikkelijke hete woestijn sjokken. Wanneer Mendel dan jaren later terugkeert naar Rotterdam omdat hij zijn thuis mist, geeft dat je een opgelucht gevoel. Hij heeft weer rust! Althans bijna: hij gaat nog op zoek naar Groot om wraak te nemen.

    De pijn en het verraad die hij tijdens de gehele flashback tot aan de dag van de kaping met zich meedraagt kun je voelen. Diezelfde machteloosheid, woede, verdriet en schrijnende pijn ervaar jij ook. Je kunt niets anders doen dan jezelf verliezen in het leven van Mendel en voelen wat hij voelt. In een zeer hoog tempo beleef je wat hij beleefd heeft en beleeft. Het einde komt daardoor behoorlijk hard aan.

    Potifars vrouw

    Auteur:  Sophie Zijlstra
    Verschenen bij:  Uitgeverij Querido (2010)
    Prijs: € 16,95

  •  Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

     Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

    Zou het bescheidenheid zijn dat de debutant Martijn den Ouden (1983), die naar eigen zeggen nog nauwelijks poëzie had gelezen voor hij aan het schrijven van zijn debuut begon, koos voor de titel Melktanden? Melktanden zijn geen blijvertjes en minder sterk dan de tanden van een blijvend gebit. De brutaliteit en het lef die van de pagina’s spatten, onderschrijven zo’n hypothese van bescheidenheid allerminst. Iets anders dan: bij jonge dieren is het melkgebit scherper en jonge dieren zijn zich bij lange na nog niet bewust van de kracht van hun beet. Die daardoor vaak harder is. Uit speelsheid wel te verstaan. Dat zou al meer bij deze bundel passen.

    Het stadium van het melkgebit is ook dat van de onschuld, van het vrijblijvend vertoeven aan gene zijde van Goed en Kwaad. En als één ding na lezing van deze bundel wel duidelijk is, is dat de in deze gedichten verhaalde anekdotes zich niet gedragen naar de gangbare opvatting van goed en kwaad. Maar het stadium van onwetendheid lijkt al ruimschoots gepasseerd in deze gedichten. Er ligt dikwijls een nauwelijks verholen verlustiging in een wreed spektakel aan ten grondslag. De touwtjes lijken in handen van iemand die een sadistisch en kwaadaardig genoegen in de fatale afloop schept, in gruwelsprookjes.

    De bundel telt maar liefst 55 gedichten die ongelijk van lengte en over 4 afdelingen verdeeld zijn. Op twee wat liedjesachtige gedichten na, valt de afwezigheid van formele strofen en rijmschema’s op. Titels, hoofdletters en interpunctie zijn nagenoeg buiten de deur gehouden. Maar het poëtische middel van de herhaling op letter-, woord- en regelniveau wordt allerminst geschuwd. Opvallend is verder de hoeveelheid neologismen die dit debuut rijk is: er kan zomaar sprake zijn van ‘bloedgroeten’ ‘ketskoeien’ ‘zwiebeldijen’ of van ‘een bastbrekend bos’ dan wel van ‘een poepsterk wedstrijdpaard’. Een buitenbeentje in de bundel is het langste gedicht (twee en een half pagina) dat slechts uit 1 regel bestaat die maar liefst 85 maal herhaald wordt: ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’. Als een portie strafwerk van de bovenmeester. Ook jongetjes met melktanden moeten weten hoe het hoort.

    Er is bijna geen gedicht waarover niet de dreiging van geweld hangt, als een suspense. Er wordt al dan niet heimelijk gesmacht naar wreedheid, dan wel beschrijven de gedichten op quasi neutrale toon een macaber tafereel waarin, zoveel is zeker, geweld niet lang tevoren heeft plaatsgehad. Weerloze dieren of fabuleuze creaturen hebben het onderspit gedolven, door menselijk toedoen of door veronachtzaming. Soms ook is het slachtoffer een meisje of een kind. De huiveringwekkende, soms grotesk of absurdistisch aandoende verhalen worden op een montere, nonchalante toon opgedist, waardoor er niet alleen kwaadaardige onschuld doorheen sijpelt, maar ook de lach een kans krijgt.

    ‘het diertje is in de brandnetels gevonden

    is het een hoefdier?
    nee,
    hij pist over z’n schoentjes
    zwartgelakte balletschoentjes

    bij Harm deed ie een dansje
    verloor zijn hoed

    doe het hokje maar weer dicht
    straks is ie weg’

    Dit zou je enkel nog in Herenleed van Armando hebben kunnen vernemen.

    Elders is men toeschouwer van een niet nader geduid schouwspel waarbij overduidelijk lijdende voorwerpen betrokken zijn en leest men in het betreffende gedicht bij herhaling de zinnen: ‘wij lachen/ja wij lachen/wij hebben hier veel geld voor neergeteld’.

    De stijl is zelfverzekerd en trefzeker, ook in wat verzwegen wordt. Dat verhoogt de suggestieve lading. Maar deze poëzie is hiermee nog niet afdoende gekenschetst. Tussen droge, vaak niet mis te verstane, beschrijvende regels, kan opeens een onvervalste poëtische regel opduiken als: ‘de zee laat overdag haar honden los in mijn hoofd’ of regels als: ‘in de spiegelogen van het buitenzinnig vee/ schicht kanonvuur naar een traag tranende hemel // later in de lente / tranen zustersogen van netels in heldenhanden’. Het raadselachtig poëtische gedeelte kan soms ook bijkans het gehele gedicht behelzen. Laat ik hiervoor eens een misschien wat minder geslaagd gedicht citeren:

    ‘zonnegoud geschilderde handen
    begraven je tanden
    in braakliggende grond

    het stil gebaar van
    het heeft iets te betekenen
    melktandendokter

    wuift graanrijk over onze lieve aardemoeder

    op jouw leeftijd Laura
    – en je hebt je laten facefucken ?
    is het blijk en bloot dat je met bruidsnagels niet naar tanden graaft
    dertig centimeter kan diep zijn’

    De ongehoorde combinatie van hermetische dichtregels en platte rauwheid werkt verrassend goed. Ze overrompelt de lezer, pakt hem in. Ze maken de anekdote er misschien niet onschuldiger mee, maar benadrukken wel dat de angel van het gedicht in de taal en niet in het verhaal zit. Dat het eigenlijk niet meer is dan een spel met de woorden. Dat het plezier aan de taal het met gemak wint van de verhaalde gruwelijkheden, zegt veel over de poëtische kracht van deze gedichten. Martijn den Ouden draaft er niet mee over de gebaande wegen, maar zet op eigen kracht een zeer gewaagd spoor uit. En hij blijft daarbij verrassend genoeg overeind.

    Een typerend gedicht (maar ieder gedicht uit deze bundel lijkt wel een typerend gedicht, hoewel zeker niet ieder gedicht even sterk is in zijn geheel) is het gedicht op pagina 12.

    ‘bok hok bok
    met bekken dik mos keilgeiten melken
    ketskoeien
    buidelkatten

    bok hok bok
    vijf keer per dag
    gluren in ’t kippenlicht

    wit buigt de brug over het klein knikkerbad
    bok hok bok
    springt het van grafkuilen naar lentebloemen
    bekt in het zalig zuigen van de dingen

    een kom vol vissen draait mee in de pels
    radslag your ass
    sluierdier
    van grafkuil naar lentelicht’

    Wat hierin als regel misschien niet meteen te duiden valt, komt het verstaan van de wrange, suggestieve ondertoon als geheel haast ten goede. Terwijl je het gedicht leest, klopt het. Bij de versregel ‘radslag your ass’ was het me opeens volkomen duidelijk waarom juist Astrid Lampe op de achterflap deze bundel aanprijst.

    Van een lang elegisch getoonzet gedicht uit de laatste afdeling Straten die we overslaan (de afdeling waarin de minste slachtoffers vallen) citeer ik tot slot graag de eerste helft:

    ‘als de wind zo kalm als ze nu is, blijft liggen
    als ze niet meer, dan zo af en toe,
    heel zachtjes kucht, en de bloemen buigen.

    als alle dieren slapen of sluipen.
    als het water een spiegel is.
    als het vuur niets meer dan
    koude handen nog verwarmt.

    als de zon een wit laken is
    aan een boom in een weiland.

    als dit de waarheid is
    en de kinderen met hoofdtooien
    in het lange gras met vossen spelen
    tot het witte laken aan de boom verbleekt
    en het nacht is.

    als het zilver van de nacht
    in het slapend land
    naar de honden roept
    en de honden zich de wonden likken.
    en de regen langs de hemel glijdt,

    juist dan,
    breekt de rand van het dak van het huis waar ik ben grootgebracht.

    beneden veegt een man de stukken bij elkaar.
    met gesloten ogen en gevouwen handen
    prevelt hij voor zich uit:
    men zou het moeten bezweren en als stof zijn zij
    als stof zijn zij in de adem van het beest met de vuren ogen.
    (…)’

    Als het de jury van de C.Buddingh’-prijs, die jaarlijks aan een poëziedebuut wordt toegekend, er om te doen is de eer te gunnen aan de bundel die getuigt van de meeste lef, de sprankelendste en eigenzinnigste stijl, de minste navolging dan kan Martijn den Ouden alvast aan een dankwoord knutselen. Dit is een debuut waarvan je kunt gaan houden en waarvan het verleidelijk is er veel uit te citeren.