• Een wereld van overkanters en eilanders

    Een wereld van overkanters en eilanders

    ‘Ik weet niet of ik weer thuiskom.’
    ‘Je bent een visser,’ zegt Geeske, ‘Geen enkele visser weet of hij ’s avonds thuiskomt.’
    (…)
    ‘Ik ben een molenaarszoon.’ 

    Deze drie citaten vormen de synopsis van de debuutroman van Rebekka Bremmer (1977) over het vissersgezin van Johannes Mulder, zijn vrouw Geeske, hun enige dochter Trijntje en hun kleindochter Geesje. In eenvoudige woorden geven zij het drama onder dit huwelijk aan. Deze citaten zijn tevens karakteristiek voor de schrijfstijl van de hele roman. Er wordt meer bedoeld dan er concreet staat. In woorden wordt er weinig gezegd. Men praat in simpele taal over alledaagse dingen, maar de lezer deelt ook de gedachten van de hoofdpersonen en deze zijn interessant, soms zelfs filosofisch en verrassend ‘modern’. Een slimme manier van Bremmer om de lezer nieuwsgierig te maken en vast te houden.

    Getrouwd met de andere kant

    Johannes is geen visser, hij is geen ‘eilander’, maar een ‘overkanter’. ‘Een molenaar, Geeske. Hij heeft het nog lang volgehouden, (…) maar uiteindelijk kan een molenaar de zee niet bedwingen. Je had er nooit aan moeten beginnen. Hij hoort hier niet.’
    En Geeske heeft zichzelf als ‘eilander’ door dit gemengde huwelijk ook buiten de gemeenschap geplaatst. ‘De vrouwen kijken haar niet aan. Alsof ze vals speelt. Alsof Johannes nooit de zee op had mogen gaan. Omdat hij altijd terugkomt.’ Gelukkig heeft Geeske een grote familie.

    Ze voelt zich daardoor schuldig. Was het een grote fout om een overkanter te trouwen? In gedachten hoort de diepgelovige Geeske de dreigende preken van de dominee die haar angst inboezemen. Ze kent de meeste Bijbelteksten uit het hoofd. Vooral het verhaal van de ongehoorzame vrouw van Lot die in een zoutpilaar verandert, obsedeert haar. Kan dit haar ook overkomen als zij omkijkt? Is zij misschien al bezig in een zoutpilaar te veranderen? Welk deel van je lichaam zou als eerste tot zout worden? (…) Ze kijkt naar haar vingers, de rimpeltjes als barsten in haar hand. (…)’

    Het verhaal van de kinderloze Sara is voor haar een troostrijke obsessie. Sara, de vrouw van Abraham die haar man toestaat om bij haar dienstmaagd Hagar kinderen te
    verwekken, maar die dan zelf toch nog op zeer hoge leeftijd een zoon
    baart! Het is immers, de grote wens van Geeske om nog één keer te baren. Niet alleen is Sara haar voorbeeld, maar ook haar eigen moeder. ‘Tien vingertjes, tien teentjes’, ze heeft dit beeld constant op haar netvlies.

    De leeftijd van Geeske kunnen we slechts schatten. Enkele jaren kinderloosheid, één kind, één kleinkind, het tweede op komst en ze is zelf nog vruchtbaar. Eind 40 ongeveer. Johannes was eerder weduwnaar en nu getrouwd met Geeske. Hij is ouder dan zij.

    Twee werelden

    De naam van het kleine eiland wordt niet genoemd, noch van het dorp aan de overkant waar Johannes geboren werd. Hij komt uit het hoogveenland, er zijn veenplassen, tarwevelden en rijen populieren. De vuurtoren van het eiland staat in Noordhoorn en Jakob de Oude, de vuurtorenwachter, kan aanwijzen waar het vasteland zich bevindt. De postbode peddelt op één dag heen en weer. De vissers die de overkant aan doen om hun vis te slijten, zijn ’s avonds weer thuis. De afstand is dus niet groot maar die tussen de geïsoleerde gemeenschappen daarentegen wel. Overkanters zijn vreemdelingen voor de eilanders. Dat geldt ook voor de roomsen die op het eiland bij elkaar in een nederzetting wonen. Ze horen er niet bij. Het zijn geen vissers. De eilanders kijken op hen neer. Ze zijn goed voor het oogsten van zeegras dat gebruikt wordt voor matrassen, kussens en de dijken!
    Weinig eilanders zijn ooit op het vasteland geweest en voor de meeste overkanters geldt dat zij nog nooit de zee hebben gezien. Via aanwijzingen, een vuurtoren met olielampen, zwavelstokjes in plaats van lucifers, weten we dat het ongeveer eind 19e eeuw is.

    Vierentwintig uur
    Johannes is nu al drie dagen weg. EB beschrijft slechts één dag, vierentwintig uur van wachten, in vierentwintig korte hoofdstukken. Van zonsondergang de derde dag tot aan zonsondergang van de vierde dag. De hoofdstuktitels intrigeren. Accentueren zij de dubbele betekenis van de inhoud? In ‘Onderstroom’ lezen we de moeizame conversatie tussen Geeske en Gezientje. Ze vragen beiden niet wat ze eigenlijk willen weten. In ‘Drift’ volgen we Johannes.

    Geeske en Johannes

    Opvallend is dat Geeske haar verdriet niet uit. Over gevoelens praat men niet. Het lijkt dat ze zich schikt in het lot van een vissersvrouw. Het alledaagse leven gaat door en houdt haar bezig. Ze maakt vissoep, speet haringen, graaft pieren op, gaat naar het kerkhof om te wieden, past op haar kleindochter, enzovoorts. Maar ze heeft alle tijd om te denken. Haar leven komt als een film voorbij. In de bedstee denkt ze vooral aan Johannes. Ze voelt weer zijn liefde en ‘Geeske merkt dat ze haar eigen buik aait….. Ze zucht.’
    Geeske verlangt altijd naar haar man. En als de vissers weer aan wal stappen, ‘altijd snel in de bedstee glipt’ en ‘zich voorstelt hoe dat warme lijf zou voelen, hoe het haar zou omhelzen, en zich afvraagt of hij haar vannacht wakker zou maken of dat hij haar zou laten slapen.’ En wie is Jorrit? Bij een ontmoeting met hem op het kerkhof, lezen we ‘Geeske voelt hoe ze begint te gloeien onder haar onderrokken.’

    Overkanter op het eiland

    Dan verschijnt er plotseling een grote, struise vrouw, Gezientje Bogemaker is een overkanter. Biedt zij de oplossing voor het plotselinge verdwijnen van Johannes? Of komt zij deze juist zoeken…?  ‘Ik had gehoopt dat hij bij u zou zijn.’ lezen we pas op blz. 154 terwijl het eerste hoofdstuk begint met de eerste zeereis van Gezientje in het bootje van de postbode met daarna haar moeizame klim naar het huisje van Geeske, het laatste huisje van de baai. De lezer heeft de achterflap gelezen en is vanaf het begin nieuwsgierig. De eilanders bekijken deze onbekende vrouw met grote ogen en ook Geeske die haar ziet aankomen, vraagt zich af wat zij komt doen. Ze herinnert zich niet haar ooit te hebben gezien. Maar ook de lezer moet wachten, wachten tot het tij keert. Het is eb. Het zal vloed worden en weer eb.

    Bremmer beschrijft in hoofdzaak de vrouwelijke hoofdpersonen. Eb is daardoor een getrouwe kroniek van het leven van de achterblijvende vissersvrouwen in het Nederland van eind 19e eeuw. Wat houdt hen de hele dag bezig?

    Illustratief voor die bezigheden zijn bijvoorbeeld de twee gebreide truien van Johannes. De huwelijkstrui, cadeau van Geeske, met de motieven van het eiland (golven, visgraten en het Godsoog dat alles ziet) en de trui die de ‘moeder’ van Johannes gebreid heeft met de tarwehalmen, graankorrels, korenbloemen en de wieken van de molen. De blauwe sajet werd versterkt met de haren van de breister. Hun initialen ontbraken niet. Als een visser op zee bleef en aanspoelde kon men aan de hand van de motieven op de trui achterhalen waar hij vandaan kwam. Elk dorp, elke streek had zijn eigen motieven. Handig als ID!

    Het tempo van het verhaal is  traag en wordt op een ouderwetse toon verteld. Maar desondanks boeiend met prachtige, duidelijke beelden en metaforen. Van de natuur, het landschap, van de mensen, de vogels. Een prachtige roman, fraai geschreven. Zeker niet saai. Interessant om er met anderen over te praten. Er wordt uitgekeken naar de tweede roman van deze schrijfster.

     

  • Kinderliefde voor een meneer

    Kinderliefde voor een meneer

    Ted van Lieshout is een veelbekroond illustrator en schrijver van kinderboeken. Onlangs nog werd Driedelig paard bekroond met de Woutertje Pieterseprijs. Mijn meneer is zijn eerste roman voor volwassenen. Waar gebeurd, met een elfjarige hoofdpersoon die Ted heet en een meneer die seksuele gevoelens voor hem koestert. Het is even slikken, in deze tijd van handtastelijke pastoors, crèchemedewerkers en zwemleraren. Als het zedenalarm afgaat, zwijgt de literatuur. Of toch niet?

    Van Lieshout goot het boek in de vorm van een reeks brieven van de hoofdpersoon aan Maria (achternaam: Volvangenade). Daarmee creëert hij de nodige afstand tot zijn ik-van-toen en dwingt tegelijk de lezer om het verhaal te beleven vanuit het perspectief van de jonge Ted. Diens onschuldige blik en onbevangenheid voorkomen een al te makkelijk oordeel. Tweede wapen in de strijd is een kristalheldere directe stijl. De brieven van kleine Ted aan Maria staan bol van ijverig redeneerwerk: slim jongetje probeert aandoenlijk hardnekkig de ontredderende werkelijkheid binnen zijn denkraam te passen en de barsten in zijn wereldbeeld te dichten. Ted is een jongen zoals er meer te vinden zijn in de literatuur (van Jaapje en Kees de Jongen tot Anton Wachter): goede rapportcijfers, braaf, gevoelig, en liever alleen met tv of tekenpapier dan samen voetballen met andere jongens. Teds vader is overleden en zijn moeder is meer bezig met blonderen, bridge en de huurder van de voormalige echtelijke slaapkamer, dan met haar zoon. Die voelt zich onbegrepen in zijn fascinatie voor kunst, tekenen en kleien, en in zijn kinderlijke theologische bespiegelingen.

    Half zo erg
    Met een Mariabeeld in een kapelletje langs de weg voert Ted gespreken over zaken die hem kwellen: of zijn vader hem altijd kan zien vanaf zijn wolk (ook als hij binnen is), of hij het wel goed doet allemaal, wat moeder toch doet met haar bridgepartner met rode sokken (of is het toch de huurder?) en over alles wat hem overkomt met meneer. Die blijkt een gentleman-pedofiel: fris gewassen en chique gekleed bewoont hij met zijn meestal afwezige vrouw een villa, en verdient zijn geld als reclametekenaar. Hij wordt verliefd op Ted. Die komt hem tegen bij het kapelletje en als hij op zaterdagen de bakker helpt bij het bezorgen van brood. Stapsgewijs weet ‘meneer’ de jongen bij hem op bezoek te krijgen aan zich te laten wennen. Ze spelen met zijn modeltrein, bouwen aan een legokasteel, praten over geloof, vriendschap en liefde, en slaan aan het tekenen. Dat tekenen wordt al snel wederzijds portretteren ‘naar het naakt model’, en vanaf dat punt begint een reeks seksuele verkenningen waarbij ‘meneer’ stukje bij beetje Teds grenzen verlegt. Eén van de elementen in dat manipulatieproces is het douchen. Wat Ted ‘vies’ vindt – piemel aanraken, bijvoorbeeld – kan moeilijk vies zijn als het lichaamsdeel in kwestie net met veel zeep is gewassen. De klassieke oudheid (Ganymedes) en religie worden erbij gesleept om reflexmatige afwijzing om te buigen in twijfel en aanvaarding. Bijvoorbeeld zo:

    ‘Toen ik de garage binnen kwam trok meneer mij bijna meteen op de divan en begon kusjes in mijn nek te geven. Het liefst had ik er helemaal niets over gezegd, maar ik weet niet wat u ervan vindt, Maria. Daarom zei ik, toen hij zijn hand onder mijn hemd stak om te aaien: “het mag eigenlijk niet.” “Als je elkaar lief vindt mag alles,” zei meneer.

    “Volgens mij is het verboden.”
    “Van wie mag het niet? Van jou niet?”
    “Van niemand,” zei ik. “In ieder geval mag het niet van God.”
    “Onze god of andere goden?”
    Dat vond ik een vreselijk rare vraag.’

    Daarna vertelt ‘meneer’ uitgebreid over Mohammed en zijn 7-jaar oude bruidje Aisha. Ted is daar maar ten dele mee geholpen: ‘Ziet u wel, Maria? Als ik een meisje was geweest, was het maar half zo erg.’

    De verwikkelingen leiden bij Ted tot verwarring, maar ook tot trots – dat iemand hem zo belangrijk vindt. Eindelijk iemand die hem lief vindt, van hem houdt, en hem serieus neemt in zijn artistieke aspiraties en kinderlijke gedachtekronkels. Maar uiteindelijk wordt het Ted teveel. Hij ziet dat ook een klasgenootje bij meneer naar zijn modeltrein komt kijken. Er gaan geruchten over het lijk van een jongen in het bos, en een kinderlokker die dat gedaan zou hebben. En meneer gaat te ver door zich op Ted af te trekken. Die wordt daar heel boos over: ‘Echte vrienden doen zulke dingen niet. […] Dit had niets te maken met elkaar lief vinden, dit was gewoon ontzettend smerig gedoe.’ Ted gaat nog één keer terug naar meneer om te melden dat het nieuwe schooljaar begint en dat hij geen tijd meer heeft om langs te komen. En dat is het dan.

    Als liefde
    Wat in Mijn meneer zo helder wordt beschreven – een pedofiele relatie van één zomer lang – laat de lezer in verwarring achter. Hoe ging dat verder met die jongen, en met die man? Was het ineens voorbij, of was er een pijnlijke nasleep? Duidelijk wordt dat de ontvankelijkheid van Ted voor ‘meneer’ schuilt in dat wat hij mist bij zijn moeder, vrienden en familie: aandacht, begrip en bewondering. Duidelijk is dat ‘meneer’ geen vieze kinderlokker is, maar ook dat zelfs de pedante Ted geen verweer heeft tegen zijn manipulatietechnieken. En Maria laat het ook lelijk afweten als hij haar om een teken vraagt… Onduidelijk blijft wat de seksuele kant voor zielenknopen oplevert. Los van vragen naar de werkelijkheid achter het boek is er de vraag of de roman ‘als roman’ wel gediend is met dit abrupte einde. In een nawoord – waarin hij pedofiele relaties afwijst, overigens – licht Van Lieshout zijn auteurskeuze toe: ‘Het was een moeilijke beslissing om het verhaal te laten eindigen bij het afscheid. Ik heb dat gedaan omdat ik het zuiver wilde houden.’  Die zuiverheid, moet je concluderen, is geforceerd door een streep te trekken op een punt waarop de illusie van zuiverheid nog niet verstoord wordt. En er is wél een nawoord nodig om die keuze op buitenliteraire gronden te verantwoorden. Van Lieshout geeft twee redenen waarom hij  het zuiver wilde houden: ‘Het zou te makkelijk zijn om ongeluk dat ik later in mijn leven heb meegemaakt te wijten aan meneer; dan zou ik kiezen voor het lot van slachtoffer, en daar voel ik niets voor.’ En tot slot… ‘ik zag het zelf – ook al was dat misschien een misvatting van mij – als liefde.’ Het zou een goede ondertitel zijn voor dit bijzondere boek: verslag van een misvatting.

     

  • Droom van genade, trouw aan de klei

    Droom van genade, trouw aan de klei

    Slopers is een onvervalste neo-naturalistische, working class-roman waarin op plastische en niet zelden ook lyrische toon het verhaal wordt verteld hoe twee broers met hun sloopwerkzaamheden het hoofd boven water trachten te houden in het wederopbouwtijdperk van de jaren vijftig. ‘Gebroeders Pek in sloop en terrazzo’ zo heet hun scharrelbedrijfje dat een familiebedrijf moet gaan worden waar hun vader trots op had kunnen zijn. Ware het niet dat vader nooit is teruggekeerd van de Arbeitseinsatz. En moeder sterft vijf jaar na de oorlog. Beide zoons staan er dus al vroeg helemaal alleen voor in het leven. Of eigenlijk staat de jongste broer er alleen voor want zijn negen maanden oudere broer (slechts aangeduid als ‘Broer’) is een losbol die zich liever met de meisjes uit het dorp inlaat dan dat hij zich inzet voor de toekomst van het familiebedrijfje.

    De jongste is uit ander hout gesneden. Een couveusekindje nog wel en, zoals de roman suggereert, of liever hij zelf, daardoor een vechter. Hij voelt zich ten zeerste voor zijn oudere broer verantwoordelijk nadat hij zijn moeder op haar sterfbed heeft toegezegd voor hem te zullen zorgen. De jongste is ook de slimste en gevoeligste. En door hem wordt het verhaal verteld en bezien. Zijn beeldende taal schildert het decor: het fictieve Brabantse dorp Mortel, ingeklemd tussen twee rivieren en bevolkt door ‘katholieke windvanen’ die met al hun ranzigheid ongegeneerd los willen gaan op de jaarlijkse kermis. ‘De kermis, die jaarlijkse herdenking van onze bevrijding, wat zeg ik, die jaarlijkse bevrijding zelf, de bevrijding van wie we zijn, van wat het lot ons heeft toebedeeld, in welke ploegendienst we moeten rondsakkeren, op welke grauwe akker, voor ons handjevol centen’. De dorpsgemeenschap blijkt een ideale kraamkamer voor roddel en achterklap. Zo wordt van vader Pek beweerd dat hij zich vrijwillig bij de Duitsers had vervoegd, waarna de achterblijvende moeder en haar twee zonen door het hele dorp met de nek werden aangekeken en ze hun boerderijtje moesten opgeven voor een achteraf gelegen woninkje. En toen de twee zonen zich daarna als werkzoekenden  gingen roeren werden ze als ‘schooiers’ terechtgewezen. Die tegenwind is nog altijd niet geluwd anno 1954, het jaar waarin het verhaal speelt. De samenleving blijkt nog verre van geïnstitutionaliseerd. De kloof tussen de haves en have-nots scheidt dan ook met hetzelfde gemak diegenen die het gezag uitoefenen van die zich daaraan te onderwerpen hebben, met het Roomse geloof als de perfecte smeerolie van deze status quo.

    Met een handjevol mensen maakt de lezer nader kennis: zo is daar Perrer, een rijke, en volstrekt opportunistische herenboer onder wiens verantwoordelijkheid de verdeling van de Marshallgelden is gekomen en die vermoedelijk de verwekker is van de oudste der gebroeders Pek en om die reden hen wat sloopklusjes gunt, en verder zijn daar de weekloners van het slopersbedrijfje (want financiële zekerheid voor langer dan een week biedt het werk niet): Vollemondt, Volcker, Tinus en niet te vergeten Broer. De laatste alle rouwdouwers van het eerste uur. Er wordt wat afgeploeterd in de Brabantse klei tegen de voortdurende dreiging van faillissement ‘schrijnend als een huidziekte waarvoor nog geen remedie is gevonden’.

    De verhouding tussen de jongste Pek en zijn oudere broer is een opmerkelijke. Ze zijn elkaars spiegelbeeld. Vaderlijk versus flierefluiter. De jongste heeft eigenlijk de rol van de oudste. Tussen hen gaat het er soms hard aan toe: ze vechten echt als jongens. Maar tegelijkertijd ook het besef van elkaar afhankelijk te zijn, en wat de jongste betreft: verantwoordelijk te zijn voor zijn oudere broer. Daarvan kan hij zich niet losmaken. Ze zijn de enige in het boek die geen naam dragen. Het boek opent met de verontrustende zin: ‘Dat ik beter enig kind was geweest is wel duidelijk’. Aan het einde van het boek kan de lezer hem hierin moeilijk ongelijk geven. Waar het dubbelgangersmotief de kop opsteekt, moet de hoofdpersoon op z’n tellen passen.

    Het verhaal speelt zich in ongeveer anderhalf etmaal af. Maar ondanks dat het verhaal grotendeels de gedachtestroom van de ik-verteller behelst, wordt er zonder stijlbreuk en schijnbaar moeiteloos een en ander uit het verleden ingelast. Het ruwe verhaal mag zo nu en dan contrasteren met ronduit poëtische waarnemingen: ‘Het vreemde geluid van zacht scheurend gras.’ Maar het kan ook grimmiger: ‘Hij lalt, heeft flink gezopen. Zijn verongelijkte gezicht, waar we het normaal mee moeten doen, daar rijmen dat litteken en die scheefgetrokken spieren nog enigszins op. Maar als hij begint te grijnzen, grijnzen van geluk, dan word je echt bang van hem.’

    Waar de verteller over ‘slopen’ komt te spreken is de levensfilosofie nooit ver weg: ‘Het leven bepaalt je. Je verschijnt. Je hebt het niet voor het willen. Al dat willen, hooguit ben je daarmee iets eerder, een vroeggeboorte op zijn best, maar aan je afkomst is niets te doen. Je bent samengesteld. Daar valt niets aan te veranderen. Je bent een voldongen feit. Het enige wat je zelf wel kunt doen is slopen. Je kunt jezelf niet bouwen, wel slopen.’ Eerder is de lezer al getrakteerd op het volgende staaltje determinisme: ‘Geen mens hoeft zich door zijn verleden te laten bepalen, dat was vaders geloof, volgens moeder. We zitten niet vast aan onze afkomst. We kunnen zelf kiezen! Ha! Daar denk ik dan toch een tikkeltje anders over, met zijn welnemen…Wij kiezen niet, het leven kiest ons. We belanden. Meer niet. Ik hoef maar om me heen te kijken in dit stinkhok hier, geen hond die hiervoor zou kiezen.’

    De jongste Pek is met een groot besef van verantwoordelijkheid opgezadeld. Hij is altijd ‘ingehouden, gedienstig, vriendelijk, blik op de toekomst, verantwoordelijk voor geld voor Broer en Tinus, voor Vollemondt en Volcker, zorgen voor contracten en zorgen voor de kwaliteit van werk. Als je het zo op een rijtje zet is het al om bekaf van te worden.’ Geen wonder dat naar de jaarlijkse kermis wordt toegeleefd. En als die kermis zich gaande het boek eenmaal ontketent, komt er weldra een omslag in het verhaal. Perrer, van wie menig klusbedrijf wat betreft opdrachten afhankelijk is, lijkt zijn hand te hebben overspeeld. De roes van de kermis waar de hoop op Liefde versmelt met drankzucht en geweld, brengt het verhaal in een maalstroom waarin waan en werkelijkheid samen lijken te spannen. Perrer vindt zijn graf, het huisje van de gebroeders Pek wordt verwoest en Broer verongelukt. Wie dader is en wie slachtoffer moet nog nader worden onderzocht, maar de tekenen wijzen erop dat de kansen voor de jongste Pek zullen keren. De deur gaat eindelijk op een kier… Brigadier Schaminée heeft met de verteller te doen, zijn huis is immers weg, Broer ernstig verwond. Hij stelt hem zowaar voor Perrers plaats voorlopig in te nemen, en wel in diens riante stulp. En zo mag er worden weggedroomd op de dijk, met zicht op de rivier en een toekomst: ‘Broer en ik, schooiers, zoons van een overloper. Van een ziekelijke moeder. Met ons bedrijfje in vuilnis. En kijk nou eens. Heb ik me daar zowaar opgewerkt tot respect! Tot respectabele dorpsbewoner. Tot betrouwbare werker. Een adequate kerel, zegt-ie, de hoofdagent van politie! Hoe het komt? Geen idee. Misschien doordat ik altijd ben gebleven. Door niet te vluchten, de rivier op te gaan en hem te smeren. Door niet een ander leven te verlangen en daar achteraan te rennen. Maar juist door te blijven zitten waar ik zat en te blijven doen wat ik deed. Zonder schaamte. Zonder schuldgevoel. Kop in de wind!’ Er treedt een moment van loutering in, iets van een wonder lijkt zich te voltrekken: ‘Het moet een geheim van het leven zijn. (…) Ziehier het recept: een lafbek zijn, meeveren, ja zeggen, volgen. Niet zoeken, maar vinden. Niet grijpen, maar krijgen. Halleluja. Word wie je bent, en ontvang wie ge zijt.’ Maar het boek heeft dan nog ruim anderhalve bladzij te gaan. Is hier te vroeg gejuicht? Wint de Genade het van de Klei? De afloop hoort hier niet verklapt te worden.

    Maar wat men ook van de zinderende finale moge vinden, het is toch vooral de stijl die indruk maakt. Het verhaal wordt gedragen door de stijl en die is smeuïg, en omdat de personages typetjes blijven ook die van een klucht. De zware thematiek van determinisme wordt daardoor licht verteerbaar. Van der Loo is ook musicus en theatermaker. Men zou de opmerkelijke eenheid van toon in het hele boek kunnen toeschrijven aan eerstgenoemde kwaliteit, het vermogen om vanuit een beperkt vertelperspectief ook de nodige voorgeschiedenis mee te pikken aan de tweede. De ik-figuur ontkomt als enige aan het eendimensionale perspectief. Niettemin blijft hij te passief voor een hoofdrol die een boek lang weet te boeien, temeer daar de werkelijkheid om hem heen het niveau van een klucht niet ontstijgt. Die boertigheid is soms wat te veel van het goede. 236 pagina’s ondergedompeld te worden in de vette klei van de dorpse bekrompenheid vraagt het nodige van de lezer. Daarbij komt dat de omslag in het verhaal zich buiten de ik-verteller om voltrekt. Hij merkt de tegenstellingen in zichzelf (vechter van geboorte af, maar niet ontkomend aan zijn geboortegrond) terdege op, maar levert er geen worsteling mee. Het blijft bij passief inzicht. Niettemin word je als lezer van begin af aan in een denderende vaart meegezogen naar het einde. Dat mag een opmerkelijke prestatie heten.

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Over het belang van vorm in de literatuur bestaan veel misverstanden. Vorm wordt nogal eens aangezien voor verpakking, een versiering van de buitenkant die wijken moet wanneer de inhoud wordt aangebroken. En inhoud, daar zou het uiteindelijk allemaal om moeten gaan, althans zo luidt het misverstand.

    Maar vorm en inhoud zijn niet altijd zo goed van elkaar te scheiden als cadeauverpakking van een cadeau. Vorm in de literatuur heeft vaak meer met rangschikking dan met verpakking te maken. Een potloodpunt en een diamant bestaan allebei uit koolstof maar hun vorm, de rangschikking van de atomen levert totaal verschillende eigenschappen op. Het heeft weinig zin om in een potloodpunt de kwaliteiten van diamant aan te wijzen, ook al bestaan beide uit niets anders dan koolstof.

    In de nieuwe roman van Hedda Martens Op dit uur van de dag heerst vorm over inhoud als een ouderwets machtige koning over een anoniem volk. De inhoud, het verhaal, moet lange tijd wijken voor prachtige beschrijvingen van mijmeringen en kleine observaties. Het boek samenvatten of navertellen is dan ook een hachelijke onderneming, al zal ik straks een poging wagen.

    Op dit uur van de dag is een roman die concentratie vereist. Het is geschreven in proza dat in de verte doet denken aan Bordewijk, of (iets dichterbij) aan Kellendonk. Het is proza dat niet oppervlakkig gelezen wil worden. Tussen lezer en boek mag even niets in staan; geen geluid, afleiding of opdringende gedachten. Wie leest in bus of trein moet dit boek thuis laten. Deze roman wil de lezer voor zichzelf hebben. Wie bereid is in die intieme leeservaring mee te gaan, wordt daar al bijna onmiddellijk voor beloond. De openingszinnen zijn gewoonweg prachtig:

    ‘Hij zou er misschien wel wat meer van willen weten; van die levens in gelijkvormige huizen waar men ’s avonds om de tafel zit met de lamp erboven, waar de kinderen in pyjama op de grond spelen, waar de krant in de bus kleppert langs een rafelig touwtje dat aan het eind van de dag wordt binnengehaald. Hij zou wel willen weten hoe dat voelt, door de dagen heen – als een ingestopte deken, muziekles, vakantie. Of ook als de slinger van een klok, heen en weer zonder einde.’

    De roman beschrijft de wereld van Philip Boode, zijn omgang met de dingen om zich heen, zijn dagelijkse gang naar zijn kantoorbaan, waar hij de ‘Algemene dag’ vorm probeert te geven. Philip is een bijna existentiële romanfiguur, in die zin dat er een afstand lijkt te zijn tussen hem en de wereld. Zijn bestaan, zijn eigenschappen (of het gebrek daaraan) die hem vormen tot wie hij is, en de alledaagse dingen om heen, zetten hem aan tot mijmerende gedachten. Echt zwaar wordt het daarbij echter niet. Waar het bij existentialisten als Sarte en Camus uiteindelijk draait om vervreemding, angst en walging, is er bij Boode juist sprake van een stille tevredenheid. Philip Boode heeft het wel naar zijn zin in zijn kleine, zorgvuldig geordende wereld. Hij heeft een kantoorbaan, een aquarium met vissen waarvoor hij zorgen kan, een vriendin, Jeanine, en thuis een luie leren stoel waarin hij denken, roken en drinken kan.

    Boode is geen held, maar ook geen antiheld. Hij is het liefst een man zonder eigenschappen. Geen zonderling maar iemand die zo vanzelfsprekend aanwezig is dat je hem niet meer opmerkt. Hij is niet sloom, nee zelfs atletisch en aantrekkelijk voor vrouwen, maar toch is hij het liefst alleen met zichzelf en zijn langzaam verglijdende gedachten die hij in zijn luie, leren stoel de vrije loop laat.

    De afstand tussen hem en de wereld deert hem niet, want er zijn twee ‘vermogens’, zoals hij het zelf noemt, die hem houvast geven. Het eerste vermogen noemt hij ‘verticaal’ en stelt hem in staat herinneringen op te halen en oude ervaringen te herbeleven. Representant van dat ‘verticale’ vermogen is het antieke familiehorloge dat zo oud en zeldzaam is dat het eigenlijk zonde is het dagelijks te dragen. Het horloge is een bron van herinneringen, een houvast aan de dingen die voorbijgaan. ‘Vertikaal’ afdalen is terug gaan in de tijd. Het ‘horizontale’ vermogen gaat over leven in het hier en nu. Het stelt Philip in staat de dingen te bekijken met een intense, bijna verliefde blik. Het is dit vermogen, deze blik op de wereld die Martens via haar stijl goed weet over te brengen. Door haar zorgvuldig gebouwde zinnen slaat de mijmerende tevredenheid die Philip ondergaat ook over op de lezer.

    ‘… zo’n slok van zijn borrel bevalt hem heel goed, net als de sfeer in zijn kamer, het licht van de kaars dat tussen zijn samengeknepen oogleden in sterren uiteenspat en een restant olijven met in plaats van de pit een knappend stukje amandel.’

    Vriendin Jeanine en de genoegens die zij brengt zijn misschien wel het beste voorbeeld van Philips ‘horizontale’ vermogen. Met deze twee vermogens, die vrij laat in de roman worden uitgelegd, weet Philip zich aan de wereld vast te klampen. Zolang hij houvast heeft, is er reden voor stille tevredenheid en kalme overpeinzingen over zijn geordend leven en kabbelend bestaan. Maar uiteindelijk blijkt het rustige leven van Philip Boode het resultaat van een teer evenwicht.

    Martens laat, met nog zo’n dertig pagina’s voor het einde, het drama uiteindelijk toch nog toe in het leven van Philip. Gaandeweg begint zijn geordend leven barstjes te vertonen. Zijn horloge moet hij ter reparatie afstaan en vriendin Jeanine gaat op vakantie; wat er op duidt dat zijn horizontale en verticale vermogens hem in de steek laten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Philip letterlijk het evenwicht verliest en met zijn hoofd hard tegen een bureau valt. De verwikkelingen gaan vanaf dat moment onverwacht snel en even ben je bang dat net als Philip ook het boek zijn evenwicht verliest, maar dat blijkt niet het geval.

    Boode gaat uiteindelijk ten onder. Niet aan krachten die groter zijn dan hijzelf, niet aan eenzaamheid, depressie of melancholie, maar simpelweg omdat hij uit evenwicht raakt. Boode raakt zijn greep op de wereld kwijt en verliest daarmee simpelweg een reden om nog langer te bestaan.

    Toch ligt de waarde van dit boek niet in de verhaallijn, het uiteindelijke drama, maar veel meer in de prachtig vormgegeven beschrijvingen van het geordende, kabbelende leven van een kantoorman zonder eigenschappen. Het is literatuur die puur is, die de lezer aan het werk zet en dat vervolgens buitengewoon goed uitbetaalt. Op dit uur van de dag is een prachtige, kleine diamant.

     

    Op dit uur van de dag

    Auteur: Hedda Martens
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 195
    Prijs: € 19,95

     

     

  • In memoriam F. Springer (1932-2011)

    ‘Hij hoopte dat ik een beetje zou kunnen slapen en hem dan wou laten weten wanneer ik wenste te vertrekken, opdat de ambassade kon helpen met het bemachtigen van een plaats in een vliegtuig naar Europa – altijd een gecompliceerd werkje in Luanda. Ik zwaaide hem weg, gehaast, want mijn werk wachtte. Er was nog veel te schrijven. De hele nacht zou ik doorwerken als dat moest. (…) Ik voelde hoe João in de deur mijn handelingen observeerde. Ik zei dat hij naar bed kon gaan. Hij wenste mij goedenacht.
    Het nieuwe, blanke blad van mijn orderboek zag er bijna verleidelijk uit. (…) Ik schreef. Steeds sneller schreef ik, want alles moest worden vastgelegd voordat er iemand binnenkwam om te beweren dat Pauline, King Veldermand en ikzelf nooit hadden bestaan.’

    Met bovenstaande fragment eindigt de roman Quissama. Een relaas uit 1985 en is veelzeggend over hoe de verhoudingen lagen tussen die van de schrijver F. Springer en zijn bestaan als de diplomaat Carel Jan Schneider. En zoals hij ook in een interview met  in de Volkskrant uit 2010 zei: ‘Het moet altijd met mijn eigen ervaringen te maken hebben’.

    Schneider was in 1979  diplomaat in Teheran toen de Sjah van Perzië het veld moest ruimen voor ayatollah Khomeini. Over deze omwenteling schreef Springer de roman Teheran, een zwanezang. Daarin beschrijft hij  hoe het kon gebeuren dat de islamitische revolutie het moderne Perzië zo snel kon veroveren. Het boek werd een van zijn bekendste werken. Voor Bougainville ontving hij in 1982 de F. Borderwijkprijs waarna de belangstelling voor al zijn werk gestaag toenam. Het grote publiek veroverde hij in 1990 met het Boekenweekgeschenk Sterremeer. Het boek Bandoeng-Bandung is een neerslag van zijn jeugdherinneringen in Nederlands- Indië in de lijn van Jeroen Brouwers, Hella Haasse en Rudy Kousbroek.

    F. Springer overleed op 79 jarige leeftijd op 7 november jongstleden. Een belangrijk schrijver die in de kantlijn van de literatuur sterk aanwezig was maar nooit helemaal tot de voorgrond doordrong. Daar was hij de man ook niet naar. Hij hield het liefst een prettige afstand tussen de gebeurtenissen waarover hij verhaalde en zichzelf. Springer, van beroep diplomaat, was geboren in Batavia (1932) onder de naam Carel Jan Schneider (broer van de acteur Erik Schneider). Als diplomaat kom je in aanraking met gebeurtenissen die geschiedenis maken en dat heeft Springer altijd goed weten te benutten. Diplomaat is overigens een mooi beroep om schrijver te kunnen zijn. Zijn sporen als diplomaat verdiende hij onder andere in Bangladesh, Iran, Angola, New York en de voormalige DDR. Springer debuteerde in 1962 met de verhalenbundel Bericht uit Hollandia.  Na zijn pensionering in 1989, werd hij fulltime schrijver. Zijn werk werd gekenmerkt door zijn heldere, nuchtere stijl waar de onderhuidse humor altijd voelbaar was.

    Andere belangrijke boeken van F. Springer zijn: Schimmen rond de Parula (1966), De gladde paal van de macht (1969), Tabee, New York (1974), Zaken overzee (1977), Bougainville. Een gedenkschrift (1981), Quissama. Een relaas (1985), Teheran, een zwanenzang (1992) en Kandy. Een terugtocht (1998). In 1995 werd zijn oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs.

    In januari 2012 brengt biograaf Liesbeth Dolk Vindplaatsen – De Indische jaren van F. Springer (een panorama van de laatste jaren van Nederland in ‘Indië’ in foto’s, brieven en gesprekken) uit bij Querido. Dolk werkt ondertussen aan een biografie van de schrijver waarvan nog niet bekend is wanneer deze uitkomt.

    Het Letterkundig Museum in Den Haag wijdt op dit moment een tentoonstelling aan F. Springer. Tijdens de tentoonstelling zijn er foto’s, handschriften, boeken en krantenknipsels ook brieven te bezichtigen. Waaronder een prentbriefkaart aan Hella S. Haasse en de correspondentie die Springer voerde met Em. Querido’s Uitgeverij over het manuscript van de nooit gepubliceerde korte roman Kleine Arabieren. Ook Springers brief aan uitgeverij Stols/Barth over de roman Met stille trom, die, nadat hij al gezet was, door de schrijver werd ingetrokken. Dit boek zal uiteindelijk in januari 2012 alsnog verschijnen.

    In1990  keerden F. Springer en zijn vrouw voor het VPRO-radioprogramma Passages, Passanten  terug naar de Baliemvallei in Nieuw Guinea, waar de auteur in 1958 met zijn vrouw woonde en werkte als aspirant controleur in dienst van het Nederlands Bestuur.
    De vierdelige serie werd in 1990 uitgezonden. Deze serie en andere VPRO-radioprogramma’s met F. Springer zijn hier terug te beluisteren via het vpro radio archief.

     

    Foto: Hans Kleijn

     

  • Recensie door: Rein Swart 

    Recensie door: Rein Swart 

    Een lange preek waarbij de aandacht van de lezer op de proef wordt gesteld.

    Geloof en erotiek zijn geliefde onderwerpen om over te schrijven. Over de verhouding van beide is al veel gezegd. Veelal wordt het geloof daarin op de hak genomen. Zo niet in de nieuwe roman van Désanne van Brederode. De titel Stille Zaterdag verwijst meteen naar het rijke roomse verleden, toen vele dagen nog volgens de kerkelijke kalender werden benoemd. Maria lichtmis, Maria ten hemelopneming en Driekoningen zijn al gesneuveld en er gaan geluiden op om Pinksteren ook af te schaffen. Stille zaterdag was een moratorium tussen het sterven van Christus en zijn verrijzenis. Maurice, een van de twee hoofdpersonen, neemt op die dag alvast een voorschot op de bevrijding uit de dood.

    Het andere hoofdpersonage, Sara, is de echtgenote van predikant Johan. Ze is behept met een streng christelijke opvoeding en mentaal zo ijzersterk dat ze het tot burgemeester van Amsterdam brengt. Maurice is een hoofdstedelijk kunstenaar, bekend van de televisie. Sara heeft hem ingehuurd voor adviezen over kunstobjecten in het stadhuis, maar hij gaat haar steeds meer in politieke kwesties adviseren. En dan delen ze ook nog de fascinatie voor het katholieke geloof, die zo sterk is dat die zelfs tot een verwijdering met de familie heeft geleid.

    De aantrekkingskracht van het geloof brengt deze gehuwde personen gevaarlijk dicht bij elkaar. Uiteindelijk beëindigt Maurice na drie jaar de werkrelatie met Sara omdat hij niet wil dat zijn zoon Thomas hetzelfde zal meemaken wat hij als zoon van gescheiden ouders ervaren heeft.

    Het verhaal wordt terugverteld vanaf de stille zaterdag waarop Sara, in het geheel niet fit, een paasbrood gaat kopen voor het maal dat ze voor haar kinderen op tafel gaat zetten. Maurice heeft kort daarvoor zijn vrouw en zoon op het vliegtuig gezet naar Rome, voor een stedentrip in het voorjaar, en heeft geopperd dat hij een lang weekend rust gaat nemen en misschien een oude vriend zal opzoeken.

    In het begin van het verhaal wordt het boek Navolging van Bonhoeffer genoemd. Diens ideeën zouden tot interessante gesprekken tussen Maurice en Sara over de relatie tussen kunst en moraal, esthetiek en ethiek kunnen leiden, maar helaas wordt die verwachting niet ingelost. De uitwerking is zeer matig. Het blijft erg beschouwelijk en afstandelijk. Door de  schematische opzet gaan de personen niet echt leven. Het verhaal komt niet binnen. Er zijn teveel schakels, zoals bijvoorbeeld over de dood van de drugsverslaafde Marlon, een oude jeugdvriend van Thomas. Maurice heeft als vader een nogal gecompliceerde verhouding met het vriendje. Het blijft onduidelijk waar het verhaal naar toe gaat. Het kent een warrig tijdsverloop met hoofdstukken die zich afspelen op zomaar een decemberavond.

    Vaak schakelt Van Brederode over op de automatische piloot. De ene associatie brengt haar op de volgende, maar voor de lezer is het nauwelijks boeiend, zoals de gedachten van Sara aan de jeugd van haar kinderen:

    ‘Toen ze had opgehangen had ze aan het kinderdagverblijf van haar eigen kinderen gedacht. De kartonnen paddenstoelen tegen de ramen, rood met witte stippen, de slingers van kleurige vlinders tegen het plafond. Het houten speelhuisje met de glijbaan, de hoek met puzzels van maximaal tien stukken, de slofjeszakken in de vorm van dwergen, elfjes. Het keukentje met de emaillen minipannetjes op het minifornuisje, het plastic fruit, de plastic worstjes en hamburgers, de lege voorraadbussen voor koffie, suiker, meel en macaroni.’

    En dan is ze nog maar op de helft van haar opsommingen.

    ‘De stroom van herinneringen was niet opgehouden,’ constateert ze zelf. Ze gebruikt veel bijvoeglijke naamwoorden zoals in ‘de hoekige, de starre, stramme oud geworden wereld.’ Overdaad schaadt. Het is taal die niet resoneert, waarmee het verhaal helemaal dicht geplamuurd wordt.

    De gekleurde pagina’s tussen de verschillende delen kunnen niet verhelen dat het nogal bleek aandoet. Het boek doet nog het meeste denken aan een ouderwetse preek, die heen en weer waaiert, tot de lezer – murw gemaakt –  de kerkbank verlaat.

     

     

    Stille Zaterdag

    Auteur: Désanne van Brederode
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 18,95

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Adoe, Willem, hij heeft een tak, hij springt erop, hij springt eraf. Mannen die hun jeugd hebben doorgebracht in Nederlands Indië bedienen zich soms, als ze onder elkaar zijn, van een grappig taaltje dat is doorspekt met Maleise woorden en waarbij dan ook nog eens spreekwoorden en zegswijzen worden verhaspeld, het zogenaamde petjoh. Willem Nijholt springt dus van de hak op de tak in zijn brieven aan Hella Haasse maar hij doet dat op een buitengewoon onderhoudende wijze. Natuurlijk, hij heeft een kist vol met sporen die hij allemaal heeft verdiend als acteur en voordrachtskunstenaar maar nu blijkt dat hij ook een boek kan schrijven. Maar wat is het voor een boek? Is het een roman in brieven en gaan hiermee de tijden van Sara Burgerhart herleven? Is het een dagboek? Allebei niet, het is een boek zoals alleen Willem Nijholt het kan schrijven waarin hij herinneringen ophaalt aan het land waar Hella en hij hun jeugd hebben doorgebracht.

    Niet alle herinneringen zijn even mooi, ook de afgrijselijke belevenissen in het jappenkamp worden in meerdere brieven gememoreerd. Willem schrijft de narigheid van zich af, de brieven hebben misschien een therapeutisch karakter.
    Vanaf het moment dat hij toelatingsexamen doet voor de toneelschool wordt de toneelcarrière gevolgd en komt de verhouding met een aantal collega’s uitvoerig aan de orde. Er waren eeuwigdurende vriendschappen maar er was ook wel eens sprake van onverenigbaarheid van karakters, echter nooit van een echte vijandschap. Willem is niet haatdragend want zelfs wanneer Japan wordt getroffen door rampen en overstromingen gaat zijn mededogen uit naar de mensen die er ook niets aan konden doen dat hun grootvader misschien wel had behoord tot de Japanse horde die destijds Indië onder de voet had gelopen.

    Interessant is ook de discussie die ontstaat wanneer er een vriend op bezoek komt die geen enkele empathie op kan brengen voor het leed dat de Indische Nederlanders is overkomen tijdens de Japanse bezetting. Het woord Auschwitz valt als een hakbijl. Het Indische leed wordt vergeleken met het Joodse leed. De herdenking op 4 mei op de Dam wordt gekenmerkt als een samenkomst waar de slachtoffers van de Holocaust worden herdacht, en de Indische samenkomsten in Den Haag op 15 augustus zouden meer het karakter hebben van een reünie. Nu heeft Willem de grootste moeite om zijn boosheid te verbergen, hij blijft netjes en houdt zijn mond stijf dicht, maar God hoort zijn gebrom. De volgende morgen belt de vriend, die eigenlijk geen vriend meer is, Willem op met de vraag of hij nog steeds boos is. Het antwoord luidt: ‘Als praten over Jappenkamp met Joodse mensen, adoe, jij vangt bot. Nu soeda dese’.

    Steeds opnieuw komen er herinneringen naar boven en die worden dan uitvoerig opgeschreven in de brieven aan Hella. De beschrijvingen in de brieven zijn vaak poëtisch van aard, zij zijn als vallende bladeren neergedaald in een vijver, om daar langzaam te verzinken in het slik van de vergetelheid en komen soms boven drijven wanneer er een steen in de vijver wordt gegooid. Een dergelijke steen valt in de vijver als Willem in een boek leest over de onthoofding met een botte klewang van een gevangene aan de Birma spoorweg en hij herinnert zich heel goed dat zijn vader nooit wilde praten over dergelijke gebeurtenissen. Hij vertelt wel een nogal cynisch grapje dat Wim Kan ooit maakte. Hij vroeg zich af, tijdens zijn verblijf in Birma: ‘Wat zal ik vandaag eens aantrekken? Tja wat’. Ter verduidelijking, het Maleise woord tjawat betekent schaamlap en dat was zo ongeveer het enige kledingstuk dat de gevangenen aan de Birmaspoorweg droegen.

    Willem Nijholt heeft als acteur altijd getracht zijn publiek te verheffen uit de smurrie van het dagelijks bestaan en dat is hem gelukt. Zelf heeft hij zichzelf uit de smurrie van de kampherinneringen omhoog getrokken en de brieven aan Hella waren daar een belangrijk hulpmiddel bij.

     

    Met bonzend hart

    Auteur: Willem Nijholt
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 19,95, als E-boek: € 15,95

     

  • De realtie van een archeozoöloog met een escortmeisje

    De realtie van een archeozoöloog met een escortmeisje

    Recensie door Rosalien Koster

    Na de overwinning op een levensbedreigende ziekte besloot Rascha Peper ruim twintig jaar geleden te gaan doen wat ze altijd al had willen doen: schrijven. Inmiddels heeft ze haar sporen als schrijver, met ruim tien romans op haar naam, ruimschoots verdiend. Onlangs verscheen haar nieuwe roman Vossenblond bij uitgeverij Querido, waarnaar ze recentelijk de overstap maakte.

    Haar verstilde verhalen en romans tonen elke keer opnieuw een soort charmante eenvoud. Daarnaast zijn haar boeken dankzij haar vloeiende, natuurlijke schrijfwijze, fijn te lezen. Pepers literaire beweegredenen, zoals ze ooit verwoordde in een interview, liegen er niet om. ‘De essentie van schrijven is schrijven tegen de dood. Je schrijft om te blijven bestaan’. Schrijven als een zaak van leven of dood. Wie zo’n serieuze opvatting erop nahoudt, kan niet anders dan een grote ernst aan de dag leggen. Het is dan ook niet vreemd dat in haar romans de dood, en daarmee samenhangend teloorgang en verlies, altijd op de loer liggen. Of zoals het hoertje Vera in Vossenblond verwoordt: ‘we zijn allemaal moribundi. Het kan geen kwaad om dat te beseffen’.

    ‘Hij stootte zijn schouder onhandig tegen de tochtdeur en zag aan de schim achter het matglas van de voordeur al dat ze het haar in een paardenstaart droeg. Roodblond inderdaad, bleek toen hij opendeed. Een smal gezicht met wat schuingeplaatste lichtbruine ogen. Hij moest dadelijk aan een vos denken’.
    Voor de deur staat Vera, een meisje van het escortbureau, die Walter, een gescheiden man van achter in de vijftig, voor de avond heeft besteld. Walter, hoewel geen onbekende op het gebied van de betaalde liefde, weet niet wat hem overkomt. Vera verschilt in alles van de ordinaire, volkse types bij wie hij normaal gesproken aan zijn trekken komt. Ze is slim, mooi en alles wat aan zijn grijze bestaan ontbrak.

    De dagen na hun eerste ontmoeting lukt het Walter niet om Vera uit zijn hoofd te zetten. Zonder het zelf in de gaten te hebben ontwikkelt Walter een obsessie voor Vera. Hij doet er alles aan om haar voor zich te winnen. De gedachte dat ze het bed deelt met anderen, drijft hem tot het uiterste. Zijn werk als archeozoöloog, het opgraven van doden voor wetenschappelijk onderzoek, voorheen zijn lust en leven, doet hem weinig meer. ‘Hij had nooit veel bijzondere gedachten over de dood. Dat er van een mens alleen een geraamte overblijft, deed hem weinig en wat hemzelf betrof: hij vond het juist een geruststellend idee dat hij weg van alle vlees zou gaan, net als iedereen. Maar kijkend naar dit kind sneed de gedachte door zijn brein dat ook Vera er over enige tijd zo bij zou liggen, dat er voor haar geen uitzondering gemaakt zou worden,..’

    De vertrouwdheid tussen de twee neemt steeds verder toe. Walter ontdekt dat hun levens, buiten de seksuele relatie om, meer verweven zijn dan ze beiden konden vermoeden. Maar voordat hij hierover met haar kan praten, verdwijnt Vera spoorloos, de zorg voor haar hond aan Walter overlatend. Deze hond speelt een grote rol in het verhaal. Afwisselend met de gedachten van Walter, wordt de lezer op de hoogte gehouden van het wel en wee van Vera gezien door de ogen van de hond. Verteltechnisch een slimme zet, want de lezer weet hierdoor meer dan de hoofdpersoon. Al is het jammer dat Peper er niet in geslaagd is om de woorden van de hond geloofwaardig te laten klinken.

    Hoewel er in de rest van het boek van gekunsteldheid absoluut geen sprake is. Zelfs de zaken die niet tot de essentie van het verhaal horen, passen in het geheel. Het eindresultaat is een evenwichtig en intrigerend boek. Indruk maakt Peper eveneens door de schijnbare moeiteloosheid waarmee ze diepgang met lichtvoetigheid weet te vermengen. De dood mag dan dichtbij zijn, uiteindelijk is er ook nog altijd de hoop. Of berusting in het eigen lot. Zoals voor Walter aan het einde van Vossenblond er niets anders op zit dan het aanvaarden van zijn lot. ‘En hij beseft met een zekerheid die over de rivier kwam aanwaaien en zich met kalme beslistheid bij hem onder de deken nestelde, dat hij gedoemd was om alleen te verder te gaan, zoals hij al jaren deed en waarschijnlijk nog wel jarenlang zou volhouden.’

     

  • Recensie door: Sunny Jansen

    Recensie door: Sunny Jansen

    Op haar negentiende schreef Laura Broekhuysen (1983) het jeugdboek Zand erover dat een eervolle vermelding van de Zoenjury kreeg. In 2008 verscheen Twee linkerlaarzen, haar debuut voor volwassenen. Deze roman werd genomineerd voor de Selexyz debuutprijs en voor de Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. Van haar recent verschenen boek Hellend vlak had ik dan ook hoge verwachtingen.

    Hellend vlak gaat over een gezin dat zich heeft terug getrokken langs de IJslandse fjordenkust. Hoofdpersoon is de kleuter Lidewijde, door haar familie Liet genoemd. Dit vederlichte meisje luistert naar de wind en hoort door deuren en muren met haar faunoortje dat spits uit haar klitterige haardos steekt. Liets wereld wordt gevormd door de eenzaamheid rond de fjorden, een vader die zich in de kelder opsluit om haar vooral niet te beïnvloeden, een manke moeder die haar eigen ambities voor haar dochter nastreeft en zeven (‘of zijn het er toch zes?’) broers, ‘of wat ervoor door moet gaan’.

    Edward, Liets vader, vindt dat hij in zijn leven is gevormd, misvormd is zelfs, door de verwachtingen van volwassenen en de maatschappij en door zijn eigen ambities als musicus. Het motto van het boek ‘Ik weet niet wie ik ben, maar ik lijd wanneer men mij misvormt‘, slaat dan ook net zo goed op hem als op zijn dochter. Vastbesloten om zijn dochter niet aan te doen wat hem is aangedaan – al blijft dat onbenoemd – , besluit hij haar niet te vormen door zoveel mogelijk afwezig te zijn. ‘Edward bijt nog liever z’n tong af dan dat hij normbepalend is.’ Hij kan zijn frustraties dan ook niet onderdrukken als Liet vraagt of ze van tafel mag. ‘Wanneer is het concept mogen erin geslopen?’ vraagt hij zich wanhopig af. ‘Wij bepalen niet wat jij wel of niet mag’, bijt hij het kind toe. Zijn dochter moet zelf maar beslissen wat goed voor haar is. Niemand in het huishouden lijkt zich te realiseren dat Liet een kleuter is, ze wordt behandeld en aangesproken als een volwassene. Zelf heeft Liet behoefte aan haar vaders aandacht en aanwezigheid en als Edward dat merkt, trekt hij zich juist verder terug. ‘Hoe minder ze van me zien, hoe minder er mis kan gaan,’ besluit hij voor hij weer naar de kelder verdwijnt. Moeder Wobke kan hier maar moeilijk mee omgaan. ‘Je vader is overal tegen, het probleem is: hij komt niet met een alternatief,’ zegt ze tegen de broers, die steeds kritischer staan tegenover de houding van hun vader.

    Juist haar vaders afwezigheid is erg nadrukkelijk aanwezig in het leventje van Liet. Juist zijn afwezigheid vormt haar. Ze mist hem, ze hunkert naar een vader, maar wordt aan haar lot over gelaten. In een poging haar niet te vormen, vormt Edward haar des te meer.

    Al tijdens het lezen van het eerste hoofdstuk raakt je enigszins in verwarring: waar gáát dit boek over. Hellend vlak is een vreemd boek. Het staat op zichzelf en is qua stijl nergens mee te vergelijken. Alles aan het boek is apart en anders. Soms leest het als een sprookje, soms klinkt het als een harde aanklacht tegen het conditioneren van kinderen. In de belevingswereld van kleuter Liet lopen fantasie en werkelijkheid door elkaar heen. Zo rijst de vraag: bestaan haar broers enkel in de verbeelding van dit eenzame meisje? Verwart zij hen met de raven in het sprookje De zeven raven waaruit zij wordt voorgelezen? In elk geval zitten de jongens verdacht veel op het dak. ‘Zie je die raven?’ vraagt Liet. ‘Dat zijn mijn zeven broers’. En dan al die vreemde, angstaanjagende dingen die zij zeggen…

    Broekhuysen schrijft filmisch, zintuiglijk bijna. Alles in het verhaal, beweegt, trilt en vibreert. Ook haar schrijfstijl wijkt af van het gangbare. Vooral haar woordkeuze doet archaïsch aan en draagt daardoor bij aan het vervreemdende karakter van het boek.
    Soms levert dat wondermooie, haast poëtische zinnen op, maar dikwijls leidt het tot vreemde, geforceerde constructies (‘Eet je gries, Liet, kniester niet zo.’), waarbij het er soms op lijkt dat de klank en het ritme van de zinnen voor de auteur, die tenslotte vooral violiste is, belangrijker zijn dan de inhoud en betekenis van de woorden. Dikwijls stoort haar gebruik van taal: het kind draagt een jakje, een boezelaar of een ponnetje. Ze probeert ‘een gaapje’ voor zich te houden en haar broers vragen of ze wel tegen een ‘gebbetje’ kan of dat ze een ‘slachtje’ wil eten. Ze zakt in ‘een hurkje’ en haar nichtjes gunnen haar ‘een gelukje’, terwijl ze heel wat ‘pestjes’ van haar broers doorstaat.

    Want pesten kunnen die broers. Liet is nergens veilig voor hen. Lastig en ongrijpbaar zijn ze en dat komt vooral omdat ze geen individuen zijn. Zij treden enkel op als een dreigend collectief. Op ongeveer driekwart van het boek kiest de auteur voor een perspectiefwisseling. Plotseling wordt het verhaal verteld vanuit het gezichtspunt van de zeven broers, weer als collectief natuurlijk, want ook nu spreken zij met één stem. En ook in dit deel van het boek blijven die ravenbroers vreemde, morbide dingen zeggen. Onheilswaarschuwingen lijken het wel.

    Het hele boek is doordrongen van een latente dreiging, niet alleen in de woorden van de broers en de beschrijvingen van de grillige natuur. In de lucht cirkelt Gammur, de adelaar die alles ziet. Liet met haar loer steevast in haar hand vormt het middelpunt (en doelwit?) van zijn allesziende blik. Dreigend is ook de aanwezigheid van de liervogel Melchior die alle geheimen doorgrondt en -als de gezinsleden niet oppassen- ook openbaart. Een van de geheimen die keer op keer ontrafeld dreigt te worden, is de geheime agenda van moeder Wobke. Ondanks het uitdrukkelijke verbod van Edward geeft zij Liet toch vioolles, iets dat zij angstvallig voor haar man probeert te verbergen.

    Voor de lezer wordt het steeds duidelijker dat dit verhaal niet goed kan eindigen. Al deed de titel dat natuurlijk al vermoeden. In de retorica is een hellend vlak immers de bewering dat een bepaalde actie (in dit geval de keuze van Edward) een reeks reacties, in de vorm van onstuitbare opeenvolgende gebeurtenissen, zal veroorzaken die uiteindelijk tot een ongewenst einde leiden.

    Ook na het herlezen van dit boek blijft de essentie ongrijpbaar. ‘Waar het over gaat is iets wat bleef transformeren tijdens het schrijfproces. Dat maakt het moeilijk om er de vinger op te leggen’, antwoordde Laura Broekhuysen toen Rutger Martens haar de vraag stelde waar Hellend vlak over gaat. Daarin schuilt precies het probleem voor de lezer: als het voor de auteur zelf al moeilijk is om onderwerp en thema van haar roman te benoemen, is het niet verwonderlijk dat je als lezer houvast mist. Bovendien ontbreekt een echte verhaallijn: het gezinsleven wordt beschreven, het kabbelt voort, maar er gebeurt weinig. Het nog eens lezen van het boek ten spijt, blijft de eerste indruk bestaan: Hellend vlak is een vreemd boek. Echt boeien doet het niet: een spanningsboog ontbreekt en in het verhaal blijft net te veel té vreemd en té vaag en onbenoemd. En omdat het zo slecht lukt de essentie van het boek in treffende woorden te vangen, blijf je als lezer achter met een toch wat onbevredigende leeservaring.

     

    Hellend vlak

    Auteur: Laura Broekhuysen
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 213
    Prijs € 18,95

     

     

     

  • In memoriam Hella Haasse (1918-2011)

    Mijn jongste dochter kwam de woonkamer binnen en riep verontwaardigd: ‘Hella Haasse is dood.’ Niet dat zij haar zo goed kende, ze had Oeroeg en Transit (beiden boekenweekgeschenk 1948 en 1994))  voor haar leeslijst gelezen en daar hield haar kennismaking met de schrijfster op. Maar ze kent mijn voorkeur voor deze grote schrijfster.

    Mijn kennismaking met Hella Haasse was door Zelfportret als legkaart (1954), dat ik in 1975 in de boekenkast van mijn ouderlijk huis vond. Een egodocument waarin ik voor het eerst kennismaakte met een werk waarin een auteur zijn eigen gedachten tot onderwerp van het verhaal maakte. Haasse was te volgen in haar onderzoek naar haar eigen persoonlijke aandeel in het schrijven, in het ontstaan van haar werk. Het eerste autobiografische werk van Haasse nodigde uit om op afstand mee te kijken naar wat ze deed: Kijk, zo doe ik dat. Ik zuig de mat, kook het eten, verzorg de kinderen en onderwijl verwordt alles tot literatuur.

    Hella S. Haasse overleed donderdagavond 29 september na een kort ziekbed te Amsterdam. De stad waar zij in 1938 vanuit Indië aankwam en nu gestorven is. De laatste jaren van haar leven schreef ze niet meer omdat haar dit fysiek onmogelijk was. Mocht ze dan niets meer op papier krijgen, in haar hoofd – zo bekende ze in een interview in De Groene Amsterdammer – bleef ze verhalen maken omdat ze gewoonweg niet anders kon na een leven waarin ze jaar in jaar uit de ene titel na de andere schreef; romans, essays, toneel- en liedteksten. In 2009 stond Hella Haasse voor de laatste keer in het middelpunt van de belangstelling toen haar boek Oeroeg werd verkozen  tot cadeau exemplaar in het kader van de CPNB campagne: Nederland Leest. De herdruk verscheen in de overweldigende oplage van 923 duizend exemplaren. In datzelfde jaar verscheen Oeroeg in het Bahasa Indonesia. Het boek werd in Jakarta feestelijk – maar zonder de aanwezigheid van de schrijfster zelf – gepresenteerd.

    Haasse werd tijdens haar leven bekroond met de Constantijn Huygensprijs, de Annie Romeinprijs, de P.C. Hooftprijs, de Dirk Martensprijs en tweemaal de Publieksprijs. Voor ‘de artistieke en menselijke waarde van haar veelzijdige oeuvre’ ontving zij in 2004 uit handen van koningin Beatrix de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren.

    Toch liep Hella Haasse in 2009 nog rond met een idee voor een laatste boek, De ontbladering was de titel. Waarover ze losliet dat het over haarzelf zou gaan en de verhouding tot haar man, Jan van Lelyveld (1918-2008). Haar man ontmoette ze in 1940 wanneer ze toetreedt tot de redactie van het studentenblad Propria Cures en waarvan Van Lelyveld mederedacteur was. In 1944 trouwen ze en samen krijgen ze drie dochters waarvan het eerste kind, Chrisje (1944- 1947) aan difterie overlijdt. Dat laatste boek zou er nooit komen. Hella Haasse liet zich door praktische bezwaren van het schrijven van haar laatste boek afhouden, zelf kon ze het niet meer en dicteren was absoluut geen optie.

    Misschien stemde het haar gerust dat ze niet meer ‘hoefde’, want er was al dat gedenkwaardige oeuvre en het was tijd om orde op zaken te stellen. Haar laatste interview, waarvan ze zei dat het haar zwanenzang was, werd door Daan Heerma van Voss en Daniel van der Meer afgenomen. Het interviewduo, dat eerder dit jaar het laatste interview met Hans Keilsons had opgetekend. Hoewel ze dit beiden van tevoren niet konden bevroeden, mag het opmerkelijk en benijdenswaardig genoemd worden, dat deze jonge schrijvers zo’n ongewild scherpe timing hadden om het laatste wat deze beide auteurs nog met de wereld wilden delen, mochten optekenen.

    Voor Hella Haasse moeten haar boeken het publiek genoeg zijn. Zij wenst zich geen biograaf, iemand die zich in haar leven ingraaft en daar zijn eigen betekenis aangeeft. Ze was geen dwarse vrouw maar wist wel goed wat ze wilde. Maar verder heeft ze alle informatie die voor een biograaf enige aantrekkelijkheid kan bevatten, zoals de relaties tot haar dierbaren, vertrouwd aan de papierversnipperaar. ‘ (…) wat is er over mij te vertellen? (..) Wat ik ben of ben geweest, het staat in mijn boeken…. Mijn relatie met mijn man wil ik met niemand echt delen. Dat is van ons.’

    Laten we haar respecteren in haar wens  en haar beschermen voor het voyeurisme dat zij zelf niet bezigde, zelfs niet in haar autobiografische geschriften. Lees haar werk met aandacht, dat maakt een biografie overbodig: ‘Ik besta in wat ik schrijf’.

    Leven en werk in kort bestek:

    Hella S. Haasse werd in 1918 geboren in Batavia.  In 1939 debuteert ze met een gedicht in de Amsterdamse Studentenalmanak waarna ze na een korte toneelcarrière tijdens de Tweede Wereldoorlog begint met schrijven. Ze schrijft Oeroeg in drie maanden (1948). Dit prozadebuut, betekende haar grote doorbraak. Daarna volgden haar grote historische roman; Het woud der verwachtingen, De verborgen bron, De scharlaken stad en in 1954 de autobiografie Zelfportret als legkaart.

    Haar indrukwekkend en monumentaal oeuvre bouwde zij verder uit met, Mevrouw Bentinck, Heren van de thee, Sleuteloog, De wegen der verbeelding en Fenrir.  Het woud der verwachting (1949), over het leven van Charles van Orléans, bracht haar in 1989 internationale roem met het verschijnen van de Amerikaanse vertaling.
    De literaire kern van haar oeuvre, zoals opnieuw uitgegeven in het Verzameld werk, beslaat meer dan twintig romans, een verhalenbundel, vijf autobiografische boeken en enkele essaybundels. Daarnaast schreef zij talloze toneelstukken en liedteksten. Haar werk wordt in negentien landen in vertaling uitgegeven.

     

    Een overzicht van dat werk en de buitenlandse vertalingen is hier te vinden. Zie ook:
    www.hellahaasse.nl
    www.hellahaassemuseum.nl

     

     

  • Recensie door: Martin Lok

    Recensie door: Martin Lok

    In zeventien dagen beklimt Lilly Dunne het verzamelde verdriet van haar leven. Om uit de hand van dat verdriet weer wat geluk te putten. Terwijl Lilly zich hieraan laaft, tekent ze haar levensverhaal op. Het verdeelde Ierland van het begin van de twintigste eeuw, de start van haar nieuwe leven in de Verenigde Staten in de crisisjaren, de mannen in haar leven en de oorlogen die zij vochten vloeien samen tot een ongelofelijke en toch alledaagse familiekroniek. Als Lilly op de top van haar verdriet is aangekomen plant ze er een vlag op en laat ze haar leven en verdriet in een vredige duisternis vervliegen.

    Op de eerste pagina breekt Lilly’s negenentachtig jarige hart ‘met een nietig, iel geluid’ als ze hoort dat haar kleinzoon Bill zelfmoord heeft gepleegd. Haar wereld staat stil en haar leven is over. Ze heeft een hekel aan schrijven, maar pakt nu de pen op om haar levensverhaal te boekstaven en het hart dat ze kwijt is weer te vinden. Ze geniet daarbij vooral van de dagelijkse tevredenheid die ze naar eigen zeggen ooit in de vingers had gehad. Zoals het geluk dat ze aantreft in ‘de oneindige subtiliteit van de bain-marie pan’.

    Met deze tevredenheid als houvast laat Lilly de mannen en daarmee het ongeluk in haar leven passeren. Allereerst haar vader, James Patrick Dunne, de latere commissaris van de Dublinse politie, en haar broer Willy Dunne, gestorven in de loopgraven van de eerste van de vier oorlogen die Lilly’s leven zouden bepalen. Vervolgens komen de herinneringen naar Tadg Bere naar boven. Vriend van Willy en Lilly’s verloofde aan het begin van haar volwassenheid.  Net als haar vader werkte Tadg voor de politie en streed hij tegen de Ierse nationalisten. Als de IRA Tadg en Lilly op hun dodenlijst plaatst vluchten ze naar de Verenigde Staten, het beloofde land. De start in het nieuwe land is echter verre van makkelijk. Maar als in Chicago de beloftes voor Tadg dan toch lijken te worden ingewilligd, blijkt zelfs de oversteek over de oceaan geen garantie voor geluk te zijn. Opnieuw vlucht Lilly, om elders in de Verenigde Staten datgene te vinden dat haar tot dan toe nog niet gegund is. In Cleveland ontmoet ze in de politieman Joe Kinderman haar tweede liefde, met wie ze uiteindelijk zal trouwen. Maar als Lilly zwanger is blijkt geluk voor haar niet te zijn weggelegd en verdwijnt haar echtgenoot spoorloos. Opnieuw staat Lilly er alleen voor. Ze vindt een baan en een stabieler leven als kokkin bij de welgestelde familie Wolohan. Maar ook dan blijven mannen het startpunt van nieuw ongeluk, al zijn het in deze fase van haar leven niet langer haar geliefden die het ongeluk brengen, maar haar zoon en kleinzoon. Het vertrek van haar zoon Ed naar Vietnam, de derde oorlog in haar leven, blijkt min of meer een afscheid voor altijd te zijn. Niet omdat hij sneuvelt, maar omdat zij na zijn terugkeer uit Vietnam in hem nooit meer haar zoon herkent. Net als zijn vader eerder had gedaan verdwijnt ook Ed uit haar leven. Maar hij geeft haar in haar kleinzoon nog wel het geluk van haar oude dag. Een geluk dat echter net als zijn voorgangers wordt gesmoord als Lilly ook haar kleinzoon Bill, weliswaar indirect, aan de oorlog verliest. Een verlies dat er één te veel is.

    Sebastian Barry heeft met zijn  In het beloofde land een aangrijpende familiegeschiedenis gecreëerd, waarin een ongelofelijk verhaal in de alledaagsheid van het leven geloofwaardig wordt. Met woorden die door hun eenvoud met nog meer kracht binnenkomen. Barry brengt zijn hoofdpersoon Lilly Dunne op ongekend broze wijze tot leven om haar vervolgens, net als de porseleinen pop uit haar jeugd, in de zeventien dagen tellende beklimming van haar verdriet, in gruzelementen te laten vallen. We leren Lilly daarbij in al haar eenzaamheid op ontroerende wijze kennen. ‘Tranen zijn beter wanneer je ze in je eentje huilt’, zo schrijft Lilly in haar levensverhaal. Het had haar motto kunnen zijn. Alle tegenslagen in het leven had de inmiddels negentachtigjarige Ierse vrouw in haar eentje verwerkt. Zo ook haar laatste tegenslag. De herinneringen troosten haar, maar brengen ook een nieuwe pijn. Het getuigt van de grote klasse van Barry dat het verwachte einde van zijn familiekroniek door een onverwachte ontknoping wordt overgenomen. Vlak voordat Lilly haar vlag op de top van haar verdriet plant blijkt haar leven tot haar laatste snik één vervlochten geschiedenis te zijn, waarbij het heden het verleden heeft ingehaald.

    Lilly zelf vond dat ze niet veel achterliet. Alles waaraan ze was gehecht had ze in een doos gedaan, maar ze verwachtte niet dat iemand daarin geïnteresseerd was. ‘Alles zal wel in zakken worden gedaan en bij het vuilnis worden gezet.’ Ik prijs me gelukkig dat Sebastian Barry daar een stokje voor stak.

    In het beloofde land

    Auteur: Sebastian Barry
    Vertaald door:  Johannes Jonkers
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido (2011)
    Aantal pagina’s: 268
    Prijs: €  18,95

     

     

  • Een brievencollectie om te koesteren

    Een brievencollectie om te koesteren

    Recensie door Heleen Rippen

    ‘Pure vivisectie’ noemde Annie M.G. Schmidt ooit een interview van Ischa Meijer met haar en dat in 1975 in de Haagse Post werd gepubliceerd. Toch was dit snijden in haar vlees niet zo ernstig dat ze interviews daarna voor gezien hield. In 1992 liet ze zich opnieuw genadeloos ondervragen door dezelfde Ischa Meijer, nu voor de televisiecamera. Hoewel er tijdens dit historische interview steeds gegrapt wordt over scènes die er na afloop uitgesneden zouden moeten worden, is alles onversneden terug te zien op internet. ‘Ach, het hoort er allemaal bij’ verzuchtte ze aan het begin van dat laatste interview met Meijer. Ter ere van haar honderdste geboortedag op 20 mei was er een televisiemarathon over haar te zien en al eerder verschenen er biblio- en biografieën over de grande dame van de jeugdliteratuur.

    Zestien jaar na haar dood, verschijnt Liefs van Annie, een bundeling van haar mooiste brieven gericht aan geliefden, vrienden en collega’s. Hoe zou Annie M.G. Schmidt zelf gedacht hebben over de publicatie van haar brieven? Brieven zijn in principe niet bedoeld voor de openbaarheid. Als lezer denk je na over het nut en nadeel van deze bundel. Is het niet zo dat haar privéleven voor de zoveelste keer op straat ligt en hoort dat  gewoon bij het schrijversvak? Of is deze briefuitgave na de ‘vivisectie’ waarover ze destijds uiteindelijk zelf nog de regie voerde, toch een ongewenste ‘sectie’ achteraf.
    Aan de andere kant: in ons digitale communicatietijdperk met kort gehouden emails en sms-jes is het alleen al om nostalgische redenen waardevol een brievencollectie als deze te koesteren.

    Schmidt schreef tussen 1933, wanneer ze haar ouderlijk huis verlaat, tot halverwege de jaren ’80 soms drie tot vier brieven per week. Ze moet er tijdens haar leven enkele duizenden hebben geschreven. Ruim 800 zijn bewaard gebleven, waarvan 131 in deze bundel zijn opgenomen. Annejet van der Zijl, biografe van Annie M.G. Schmidt, maakte de eerste selectie en Flip van Duijn, zoon van Schmidt en de redactie van uitgeverij Querido annoteerden en verzorgden de eindredactie. De selectie is gerelateerd aan belangrijke gebeurtenissen in het leven van Annie, meer uitleg geven de samenstellers er niet over.
    Het boek is chronologisch opgedeeld in acht episoden van haar leven, telkens verbonden aan de dorpen en steden waar ze woonde. Van het Zeeuwse dorp Kapelle, waar ze in 1911 geboren werd, tot haar laatste levensfase in Amsterdam van 1978 tot 1995.

    De eerste negentig pagina’s van de bundel zijn brieven van Annie aan haar moeder Truida Schmidt, geschreven tussen 1933 en 1939. De toon van de brieven doet vreemd aan. Het is de toon van een opgewonden, wat oudere bakvis, die haar moeder in jubelstemming per kerende post schrijft hoe spannend alles is bij haar kostfamilie in Schiedam.
    Haar moeder is haar beste vriendin en alle belevenissen tijdens haar werkzaamheden in de openbare bibliotheek brieft Annie aan haar door. In die jaren zijn ze beiden naarstig op zoek naar een geschikte echtgenoot voor Annie. Moeder Schmidt zet voor haar dochter contactadvertenties in landelijke dagbladen. Dat moet wel fout gaan. En inderdaad schrijft Annie zomer 1939 aan haar moeder, die een correspondentie met ene Joost op eigen houtje al te fanatiek heeft voortgezet:

    ‘Dat wordt dus heus niks en iedere inmenging van buiten maakt het nog maar hopelozer. Schrijf hem dus niet weer, alsjeblieft, het maakt het voor mij des te vernederender’.

    Halverwege de oorlog wordt Annie directrice van de bibliotheek in Vlissingen en zakt alle correspondentie in. In 1946 wordt ze gevraagd als documentaliste bij het Amsterdamse Parool. De redactionele omgeving bij deze krant blijkt een grote stimulans voor haar. Ooit had ze, aangespoord door haar moeder, stichtelijke gedichten geschreven. Bij het Parool wordt ze in korte tijd de tekstleverancier van versjes en gedichten voor het journalistencabaret de Inktvis.
    In deze tijd ontmoet ze ook haar levensgezel, Dick van Duijn, ditmaal via een advertentie die ze zelf heeft gezet. Dick is getrouwd en zal na hun eerste ontmoeting nog zes jaar bij zijn eerste vrouw blijven wonen. Als Annie op haar veertigste zwanger blijkt en hun zoon wordt geboren, koopt ze een huis en trekt Dick bij haar in.

    De bundel bevat openhartige brieven aan haar vriendinnen over het samenwonen met Dick. Hij heeft last van depressies, is jaloers op het succes van zijn vrouw en wil graag het burgerlijke Nederland ontvluchten.
    Hun tweede huis in Le Rouret nabij Cannes, blijkt in de zeventiger jaren een onophoudelijke bron van stress, waarover ze aan haar zoon Flip schrijft:

    ‘ Je vader heeft zijn intrek genomen in het kleine huisje, dat nu ook op instorten staat, (..) de fundatie was namelijk gebouwd op griesmeel in plaats van op rots, ook DAT hadden we al vermoed’.

    Verder een paar troostbrieven waarin ze al haar levenswijsheid doorgeeft aan haar zoon die met liefdesverdriet rondloopt.
    Naarmate ze ouder wordt, hebben haar brieven een sarcastische ondertoon, vooral als het schrijven niet lukt in Le Rouret. De brieven die een reflectie op haar eigen schrijverschap bevatten zijn het meest interessant. In een brief aan Gerard Reve schrijft zet:
    ‘ Ik ben geen kunstenaar, ik ben een ambachtsman (nou ja – vrouw dan) (…) met warempel ook nog iets eigens, iets origineels’.
    Daarna waarschuwt ze hem voor de ‘sjoo-zwijnen’ van televisie die het werk van een schrijver kunnen beschadigen. ‘Ze komen áán je, vreten je op om je weer uit te braken ten behoeve van de trendigentsia’.

    Vanwege hun historische waarde is het goed dat deze brieven zijn uitgegeven. Toch valt er nog wel wat te zeggen over de samenstelling van de bundel. De brieven van Annie aan haar moeder zijn geen negentig pagina’s waard. En er zijn nogal wat brieven met gebabbel opgenomen, dat vaak ook nog eens in de voetnoten wordt voortgezet. Daardoor is de bundel niet altijd eenvoudig te lezen. Weliswaar gaat elke episode uit het leven van Schmidt vergezeld van een inleidende tekst, toch vergt het een behoorlijke studie om te onthouden wie wie is. Naast een grote hoeveelheid familieleden en vrienden komt de halve televisiewereld aan bod, die via voetnoten worden ingeleid.

    Ondanks dat woud aan namen en informatie blijf je na afloop zitten met vragen over haar jeugd en latere context. Zo wordt slechts een halve noot aan het slechte contact met haar vader gewijd en komt nauwelijks aan bod wat voor band ze met haar ouders en broer had. Vliegenier Jan H., op wie ze zeer verliefd was, blijft in de lucht hangen evenals de vraag: (waarom) heeft ze bepaalde brieven vernietigd?

    Die vragen worden wel beantwoord in de in 2002 verschenen biografie Anna van dezelfde Annejet van der Zijl. De lezer die de achtergrond van haar schrijverschap, haar spel en haar krasse, soms ambivalente uitspraken beter wil begrijpen, kan ik aanraden deze pil te lezen.
    Er is een theorie die beweert dat succes altijd inhoudt dat men iets compenseert. Als je Anna leest, begrijp je hoe een gebrek aan leven in de holle, koude pastorie waar ze opgroeide, later door haar is omgezet in een overvloed aan productiviteit en levenslust. In deze biografie worden haar dominante moeder, haar afwezige vader en haar isolement op de lagere school uitvoerig beschreven. De inhoud en toon van de vroege brieven aan haar moeder hebben dus te maken met ‘een kameel van een schuldgevoel’ in haar eigen woorden.

    Haar lijfspreuk voor kinderen ‘Doe nooit wat je moeder zegt’ bracht ze zelf in praktijk door telkens weer die Hollandse hypocrisie en fatsoensnormen op de hak te nemen. De prijs is misschien hoog geweest. Maar als onafhankelijke geest werd ze al snel een icoon en daarmee een inspiratiebron voor miljoenen kinderen en volwassenen.