• Hernieuwde belangstelling voor Hitchcock

    Hernieuwde belangstelling voor Hitchcock

    Zelden kom je een boek tegen waarvan het lezen zo wordt gekleurd door omslag, titel en flaptekst als Hotel Vertigo van Kees ’t Hart. ‘Een eerbetoon aan Alfred Hitchcock,’ staat er op de achterkant, en de voorkant toont de originele filmposter uit 1958 van zijn klassieker Vertigo, vorig jaar nog uitgeroepen tot beste film aller tijden door the British Film Institute.

    Alfred Hitchcock? De naam van the master of suspense doet vermoeden dat we hier met een thriller te maken krijgen, in elk geval met een moord, misschien aangevuld met wat horrorelementen, schokeffecten en een voorzichtige hint naar het bovennatuurlijke. Misschien moeten we de film (opnieuw) zien voordat we aan deze roman beginnen. Nu is dat laatste aan te raden, maar hoogstwaarschijnlijk om andere redenen dan de lezer vooraf vermoedt.

    ’t Hart vertelt het verhaal van Vincent van Zandt die San Francisco bezoekt. Hij is inmiddels gepensioneerd en combineert een klusje voor zijn voormalig werkgever met een zoektocht naar sporen van zijn jeugd. Als middelbare scholier nam Vincent deel aan een uitwisselingsprogramma en woonde hij enkele maanden in San Francisco. Dat was in 1957, het jaar dat Hitchcock in dezelfde stad Vertigo opnam. De gepensioneerde Vincent logeert nu in Hotel Vertigo, één van de belangrijke locaties in de film.

    Waar Vincent nu precies naar op zoek is, blijft wat onduidelijk. Het idee dat hij na lange tijd terug is in de stad van Hitchcock en van zijn oude liefde, het meisje Lee Jones, vervult hem in elk geval met een merkwaardig soort opwinding.  Hij wordt niet moe om alle mensen die hij tegenkomt te vertellen dat hij eerder in deze stad is geweest, en toen deel heeft uitgemaakt van een filmploeg die opnames maakte voor Vertigo.

    De opwinding die Vincent ervaart is misschien wel het best te verklaren door zijn grenzeloze bewondering voor Hitchcock. Maar het is niet de Hitchcock van spanning, schokeffecten en grote steracteurs. Vincent is vooral gegrepen door de manier waarop gebouwen door de Engelse regisseur in beeld werden gebracht. Hij is overigens niet de enige met die fascinatie. Achterin de roman wordt verwezen naar het boek The Wrong House van Steven Jacobs dat de architectuur in Hitchcocks films beschrijft, en de foto’s op deze blogpost laten zien dat de beelden uit de film zonder personen een bijna geheel eigen verhaal lijken te vertellen.

    ’t Hart heeft zich merkbaar voorbereid en ingelezen voordat hij aan de roman begon. Hij strooit gedoseerd met feitjes, analyses en suggesties voor interpretaties, met name maar niet uitsluitend, over Vertigo en het werk van Hitchcock. Het decor van Vincents belevenissen als uitwisselingsstudent wordt gevormd door de vage randen van min of meer bekende feiten en gebeurtenissen. Veel ‘feiten’ uit het leven van Vincent zijn net even anders dan we via bijvoorbeeld Google te weten kunnen komen. Zo heeft Vincent een baantje gehad in de filmploeg van Vertigo, maar wel in de zogenaamde second unit, die zonder de meester ooit te zien, op eigen houtje opnames van gebouwen en interieurs moest maken. En Vincent komt in huis bij een man die rechtsreeks betrokken is bij de eerste stappen van Synanon (een organisatie met sekteachtige trekjes die zich bezighield met hulp aan verslaafden en vooral bekend werd in de jaren zestig). Ook kruist Vincent het pad van de Beat Poets, al heeft hij geen idee wie die vechtende dichters in het café nu eigenlijk zijn.

    ’t Hart zoekt dus de randen van bekende feiten op en gaat soms expres over een randje heen. Zo wordt Vincent aangetrokken door de filosofisch aandoende aanwijzingen van Hitchcock, in de draaiboeken voor de second unit, maar ze zijn door ‘t Hart verzonnen. En Synanon begon in werkelijkheid in Los Angeles, niet in San Francisco. Zo zijn er wel meer kleine verzonnen wetenswaardigheden die het boek speels houden en tegelijkertijd nieuwsgierig maken naar de grens tussen het einde van de fictie en het begin van de waarheid.

    Lange tijd blijft de verleiding groot om het verhaal op één of andere manier te vergelijken met de film, of althans met elementen daarvan. Maar goed beschouwd heeft Hotel Vertigo helemaal niets met een Hitchcock-film gemeen. Er vloeit geen bloed, er wordt niet aan het bovennatuurlijke gerefereerd en plotselinge schokeffecten komen ook niet voor. Er vindt zelfs geen moord plaats en toch werkt de suggestie dat het verhaal op één of andere manier in de film gespiegeld kan worden.

    Wie op zoek is naar allerlei bedachte dwarsverbanden heeft, na afloop bitter weinig in handen. Ja, Vincent heeft een soort omgekeerde hoogtevrees, vergelijkbaar met de hoofdpersoon in de film, en ook komt hij een vrouw tegen die zich voordoet als het vrouwelijk personage in de film, dat zich ook al voordeed als iemand anders. Maar veel verder dan dergelijke aardigheidjes gaat de vergelijking niet op en dat is misschien maar beter ook. Nu is het vooral de nieuwsgierigheid naar feitjes, naar de jaren vijftig, San Francisco, Synanon, en vooral naar Hitchcock en zijn films, die wordt aangewakkerd.

    Ook in stijl en beeldopbouw doet ’t Hart niet denken aan de zorgvuldig geconstrueerde shots van Hitchcock. ’t Hart schrijft korte, eenvoudige zinnen en is zeker geen mooi-schrijver.

    Kritiek kun je hebben op de nogal vlakke manier waarop de personages zijn uitgewerkt. Zoals gezegd, wat Vincent nu na al die jaren hoopt te vinden in San Francisco, is wat onduidelijk. Zoekt hij Lee Jones? Was hij werkelijk verliefd op haar? ’t Hart beschrijft hoe de jonge Vincent ‘het besluit neemt op haar verliefd te worden,’ en later aan zijn liefde voor haar twijfelt. Bovendien begint hij een wel heel zakelijke, seksuele relatie met een veel oudere vrouw. Zo veel kan Lee dan toch niet voor hem betekenen, ga je denken.

    Ook de slotscène waarin alle personen van de roman bij elkaar komen, komt wat bedacht over. ’t Hart ontleende de scène aan Goethe’s roman Wilhelm Meister wat het kunstmatig karakter wel enigszins verklaart.

    Er gaat een merkwaardige suggestie uit van Vertigo bij het lezen van Hotel Vertigo. Het is ook niet helemaal duidelijk of ’t Hart zich volledig bewust geweest is van de invloed van de film tijdens het schrijven. Natuurlijk speelt hij met de film, maar daar is de enigszins vervreemdende sfeer die over betrekkelijke gewone gebeurtenissen ligt, nog niet helemaal mee verklaard. Het doet er ook niet toe. Het resultaat is een opmerkelijk roman die niet beter of slechter is dan de film, maar er iets aan toevoegt, al is het alleen al onze hernieuwde belangstelling voor Hitchcock.

     

     

  • Geluk is als water en iedereen heeft dorst

    Geluk is als water en iedereen heeft dorst

    De Poolse schrijver Wiesław Myśliwski beschikt over een onvoorstelbaar talent tot associatief schrijven. Het knappe is dat hij een verhaal, een anekdote kan vertellen, daarover kan uitweiden, er een andere herinnering aan kan toevoegen, terug naar het verhaal komt en uiteindelijk weer eindigt bij de vertelling waar hij mee begonnen was. Als een permanente gedachtenstroom met diverse zijwegen zijn er hele fragmenten in deze roman waarbij je verrast wordt: Myśliwski komt steeds terug bij de rode draad van zijn verhaal. En zo uitvoerig als hij schrijft, zo wonderlijk kort zijn de titels van de hoofdstukken: Het kerkhof, De weg, Broers, De grond, Moeder, Huilen, Halleluja, Brood en De poort. Deze titels vormen eigenlijk de kortst denkbare samenvatting van het boek.

    De rode draad is het bouwen van een graf. Szymus (Szymek) Pietruszka heeft twee jaar in het ziekenhuis gelegen na een ongeval.  In het ziekenhuis had hij tijd om te denken en heeft hij besloten om een graf te bouwen. Een graf, waarin zowel zijn ouders, zijn broers als hijzelf begraven kunnen worden. Hij heeft geld nodig voor dit graf, want degene die het het beste kan, wil eerst geld zien voor hij iets doet. Szymus besteedt de uitkering die hij voor zijn benen kreeg aan materiaal voor het graf. Hij moet geld lenen maar kan dit niet terugbetalen.

    Al in het eerste hoofdstuk komen alle onderwerpen uit het boek aan de orde. Het verhaal van de grond rondom de boerderij, de grootvader die papieren met eigendomsrechten had begraven en niet meer wist waar. De vader van Szymus die bijna iedere dag gaat graven. Het gezin waar Szymus opgroeit, zijn oudere broer Michał en zijn twee jonger broers Antek en Stasiek. Vader, oprecht en streng katholiek, wilde wel dat Michał priester zou worden. Maar daar is geen geld voor en Michał verlaat het ouderlijk huis om het vak van kleermaker te leren. Hij belandt in een fabriek en komt vele jaren later thuis. Zwijgend en somber. Ontroerend is de scène in het laatste hoofdstuk waarin Szymus zijn verloren gewaande broer thuis in een tobbe doet, wast en scheert.

    De vader is altijd aan het mopperen op Szymus, die in zijn jonge jaren weet wat kattenkwaad uithalen is en die overal de sterkste en de dapperste is. Hij krijgt veel slaag van zijn vader om zijn streken, zijn moeder neemt het altijd voor hem op en verzorgt de striemen die zijn vader hem bezorgd heeft.

    Uiteindelijk blijkt Szymus zorgzamer en menslievender dan men gedacht had. In het begin van de jaren ’40 gaat hij aanvankelijk bij de partizanen om het volk te verdedigen. Hij helpt kameraden, maar weet ook te vluchten als zij met een groep naar het bos gebracht worden om terechtgesteld te worden. Hij raakt zeven keer gewond. Als hij weer thuiskomt gaat hij op de boerderij helpen, terwijl zijn vader dit eigenlijk verwachtte van een van de jongere broers. Het botert niet tussen vader en Szymus. Wanneer de communisten komen, wil de gemeente niet-kerkelijke huwelijken bevorderen en wordt Szymus daardoor min of meer toevallig, trouwambtenaar. Hij heeft maar weinig aanvragen, maar geniet wel van alle aandacht van de medewerksters in het gemeentehuis. Maar juist die ene, met wie hij zijn leven zou willen delen, ontwijkt hem en speelt een nogal wreed spelletje. Szymus zal nooit trouwen. Hij vindt af en toe troost in de armen van een wijze winkeljuffrouw. Maar als hij een paar trouwt, komt iedereen uit het gemeentehuis luisteren naar zijn mooie teksten. Hij heeft weinig maar weinig opleiding gehad, maar vertellen kan hij.

    Zo vertelt Szymus in dit boek over zijn leven, zijn jeugd, zijn tijd bij de partizanen, zijn werk als kapper en als ambtenaar in het stadhuis, de vrouwen, de wodka, de natuur. En telkens dwaalt hij af en voegt hij er verhalen van anderen of over anderen aan toe. In een permanente gedachtenstroom, in een vloeiende cadans van woorden, gedachten en herinneringen. Gelardeerd met natuurlijke levensvragen. Op een keer trouwt hij Wojtek en Kryśka: ‘Ik vroeg iedereen naar binnen te komen, dan hadden Wojtek en Kryśka tenminste een massa vreemden op hun trouwen, nu zowel de ouders als enig ander lid van de familie niet waren komen opdagen. Ik mocht Wojtek trouwens wel, al was hij een stuk ouder dan ik, en Kryśka was volgens mij al in de zesde maand, want ze had een buik als een trommel, en ze schaamde zich ook een beetje voor die buik. Maar ik zei tegen haar: “je hoeft je nergens voor te schamen, Krysia, je hebt een mens in je binnenste, geen reptiel”. En ik hield een verhaal waarvan bijna iedereen moest huilen. … Hoewel ik helemaal niets droevigs had gezegd. Ik had gesproken over geluk. Dat je het geluk in jezelf moest zoeken en niet om je heen. Dat niemand het jou zou geven als jij het jezelf niet gaf….  Dat sommigen het in roem en in rijkdom probeerden te vinden, maar dat niet iedereen zich roem en geluk kon veroorloven, en dat geluk was als water en dat iedereen dorst had. Dat er soms meer in een enkel goed woord zat dan in een heel lang leven. …’

    De filosofische overdenkingen zijn soms een alinea, soms maar één zin lang.

    In 2009 verscheen van Mysliwski de roman Over het doppen van bonen. Aan de stijl van Mysliwski moet je wennen, maar eenmaal geraakt door zijn verhalen weet je dat je iets heel bijzonders leest. In Over het doppen van bonen spreekt de verteller tegen een denkbeeldige luisteraar. Steen op steen is meer een innerlijke monoloog. De stroom van gedachten en associaties zijn in beide boeken vergelijkbaar. Het zijn allebei prachtige romans.

    Steen op steen is een boek, dat iets van de lezer vraagt. Geduld en tijd. Rustig lezen. Sommige verhalen laten bezinken. Teruggrijpen op het begin van een verhaal. En nadenken over de levensvragen, die de hoofdpersoon zichzelf stelt. Een rijk boek.

     

  • Toch geen memoires

    Toch geen memoires

    De Amerikaanse schrijver John Irving kreeg van zijn uitgever eens een miljoen overgemaakt voor een nog te schrijven boek, inclusief de filmrechten. Irving stuurde het bedrag meteen terug. ‘Ik ben geen melkkoe.’

    De anekdote staat vermeld in de postuum verschenen roman Onbewaakt ogenblik van Bernlef, die eind oktober kwam te overlijden. Hoofdpersoon in deze roman is de schrijver Henk Materman, wiens uitgever ook grote verwachtingen heeft van het succes van zijn memoires die hij nu maar eens moet gaan schrijven. De fictieve auteur worstelt vervolgens met het opschrijven van zijn herinneringen en ziet uiteindelijk af van publicatie.

    Henk Materman doet in bijna alles aan Bernlef denken. De twee hebben dezelfde geboortedatum, zijn geboren in dezelfde plaats en ook hun namen verschillen maar enkele letters van elkaar. (Bernlef is het pseudoniem van Henk Marsman.) Je mag echter hopen dat Bernlefs uitgever niet lijkt op de wat karikaturale uitgever van Materman. In elk geval moeten zowel de fictieve als de werkelijke auteur hebben geworsteld met een boek dat ergens tussen memoires en fictie in ligt.

    Materman doet na aandringen van zijn uitgever een poging zijn memoires te schrijven, maar komt niet veel verder dan jeugdherinneringen en een paar interessante beschouwingen over het vastleggen van het verleden. Een ontmoeting met een oude componist doet hem ten slotte inzien dat hij het verleden niet direct in woorden moet proberen te vangen.

    Bernlef moet net als zijn hoofdpersoon geworsteld hebben met een soortgelijk probleem. Een aanzienlijk deel van deze roman (80 van de ruim 200 bladzijden) bestaat uit Haarlemse jeugdherinneringen die in 1998 al eens verschenen, ook toen al onder de titel Onbewaakt ogenblik. Ook de aanzetten tot een essay over de Franse schrijver Patrick Modiano en een herinnering aan Bernlefs geestelijk gehandicapte broer geven de indruk eerder geschreven te zijn. De overige honderd bladzijden vertellen het verhaal Materman die aan het strand van Egmond worstelt met het schrijven van zijn memoires.

    De afzonderlijke delen van de roman zijn niet slecht. De Haarlemse jeugdherinneringen zijn aardig en de beschouwing over Modiano bij vlagen interessant. De belevenissen van Materman aan het strand van Egmond kabbelen weliswaar wat voort maar Bernlef schrijft op een toon die al snel sympathie opwekt.

    Maar de roman als geheel maakt toch de indruk het resultaat te zijn van knip-en-plak werk. Nu kun je een dergelijke werkwijze verdedigen door te wijzen op Bernlefs liefde voor improvisatie en het experiment, maar eerlijk gezegd maakt het geheel een wat hulpeloze indruk. Zo is het merkwaardig en allerminst overtuigend dat Bernlef zijn eigen jeugdherinneringen en gedichten nu opvoert alsof Materman ze geschreven heeft. Waarom verbergt hij zich zo halfslachtig achter een personage?

    Helemaal duidelijk wordt dat niet, al is de meest voor de hand liggende verklaring dat Bernlef, net als Materman, er niet in slaagde zijn memoires te schrijven en er daarom voor koos om zijn onvermogen onderwerp van een roman te maken.

    Het onvermogen om het verleden voor eens en altijd vast te leggen vormt namelijk de rode draad die al de losse stukken dient te verbinden. In een brief laat Materman zijn uitgever ten slotte weten niet verder te werken aan zijn memoires en daarbij vat hij keurig samen waar het in deze roman om draait.

    De afgelopen tijd ben ik tot de slotsom gekomen dat wat ik voor mijn herinneringen hield in werkelijkheid, door mijn selectieve geheugen en door de abstractie van woorden, zo vervormd werd dat ik ze niet langer als de mijne herkende.

    Zo samengevat doet het thema enigszins denken aan Bernlefs bekendste roman Hersenschimmen. Maar Onbewaakt ogenblik heeft weinig gemeen met die succesroman uit 1984. Deze roman lijkt meer het resultaat van een wanhopige worsteling het verleden vlak voor de dood nog leven in te blazen. En de truc om de worsteling dan maar als onderwerp te nemen voor een roman, wil hier helaas niet overtuigen.

    Bernlefs lezers zullen het definitief zonder zijn memoires moeten doen.  Wat overblijft is een oeuvre dat het waard is om in de herinnering levend gehouden te worden.

     

     

     

  • Ook een mooie ukelele is nog geen gitaar

    Ook een mooie ukelele is nog geen gitaar

    De rode loper van Thomas Rosenboom voert ons terug naar de jaren 70. We volgen vanaf het begin de vriendschap tussen de twee hoofdpersonen die er toevallig net vóór het laatste examen op het Arnhems Lyceum achter komen dat zij eenzelfde toekomst voor zich zien.
    Lou Baljon is een jongen van buitengewoon fors postuur met lang, wit en wattig haar, een vol gezicht met een vlasbaardje, een houthakkershemd en cowboylaarzen. De andere jongen is Eddie van de Beek en de tegenpool van Lou. Scherp gezicht, bijzonder tenger, met een oude maar geklede regenjas, en zijn donkere haar is dik en sluik. Hij woont in Zevenaar.

    Ze bespreken hun aspiraties. Geen studie zoals alle anderen, zij willen iets anders, (…) weg van het gebaande pad – ze gaan in de bijstand. Eddie heeft berekend dat de bijstand de meest ideale oplossing is, ook voor de staatskas. ‘Iets hoger nog dan een studiebeurs, je zit meteen ook in het ziekenfonds, en je behoudt je vrijheid’. Eddie wil journalist worden bij De Gelderlander en Lou wordt roadie bij de bekendste popgroep van Arnhem, Shout. Een viermansformatie waarvan alle leden ook in de bijstand zitten. Hun succes is matig. Er is slechts één hoogtepunt in hun bestaan: de tournee van 14 dagen in ‘rockstad’ Wenen. Lou is helemaal weg van de witte Fender-basgitaar van Walter. Hij kijkt ernaar zoals hij naar een vrouw kijkt. Altijd als hij alleen is in de oefenruimte, pakt hij de Fender en speelt ‘Blackbird’ van The Beatles.

    We volgen het weinig inspirerende leven van Lou als roadie. Muziek, muziek…. Met Lou aan de knoppen. Hoe zit het met de liefde? De meisjes zijn dol op hem maar niet verliefd. Lou ook niet, als het mee zit kent hij hun voornaam. Als het meisje haar haren naar achteren strijkt, dan wil ze wel, heeft hij ervaren. ‘Was dat het geval, dan gingen ze een eindje rijden, (…) dan stopte hij ergens op een parkeerplaats en deden ze het, liggend op een van de twee banken voor in de bus of anders, als er te veel mensen rondliepen, staand in het donkere vrachtruim, waarvan de laadvloer steeds meer bezaaid raakte met kapotjes, net of iemand een blikje sardines uit zijn handen had laten vallen.’

    Lou ondergaat een hernia operatie en wordt blijvend mank door een klapvoet. Deze ‘dwangstand’ verergert zijn minderwaardigheidscomplex. Als roadie is hij exit.
    Op aandringen van Eddie verhuist Lou naar Zevenaar en begint een eigen geluidsstudio: Studio Seven. We zijn dan in de tweede helft van de jaren 80. De studio loopt goed en vooral door zijn bijbaan als trouwfotograaf wordt hij een bekend persoon in Zevenaar. Echter, als carnavalsverenigingen opnames in zijn studio komen maken, houdt Lou het niet meer vol en sluit hij de tent.
    Vriend Eddie komt weer te hulp en adviseert hem een bioscoop te beginnen die uitsluitend horrorfilms draait. Hij weet ook wel een geschikte ruimte om te kraken.

    De episode ‘Bioscoop Corona’ zorgt voor enige hilariteit in het boek door de humor die Rosenboom gebruikt om de burgerlijkheid van Zevenaar op de hak te nemen met als kopman wethouder Vonk.
    Om de 35 jaar chronologisch te overbruggen heeft de schrijver niet alleen drie tijdsprongen van tien jaar bedacht, maar ook twee verhaallijnen die niet synchroon lopen.
    De tweede lijn die in het heden speelt en al begint in hoofdstuk 4 is een geniale vondst. De lezer wordt nieuwsgierig gemaakt, er komt spanning in het verhaal. We volgen Riet, de vrouw van Eddie, met haar jongere nicht Lena. Ze zijn in een limo op weg zijn naar een première ‘à la Brooke Shields’ met Lena in de hoofdrol. Lena is 35 jaar, ‘zeker, ze was mooi, (…) maar haar schoonheid was die van een etalagepop, of een onbewoond eiland’. Lena zegt niets uit zichzelf. Haar dwangstand is ‘mute’ om een toepasselijke muziekterm te gebruiken.

    Maar dan. Tien jaar verder. Voor de eerste keer krijgt Lou nu zelf een lumineus idee tijdens een gesprek met Eddie over de huidige narcistische samenleving. Het is duidelijk dat Eddie hier de visie van de schrijver verwoordt. Er klinkt een ongezouten mening over talentenshows in door. Hij ‘verklaart’ het waanzinnige succes van X-factor, Idols, enz. ‘De doorsnee kijker ziet een doorsnee zanger gefilmd worden op de rode loper, en wat is er mooier dan je eigen droom te zien uitkomen bij iemand die ook nergens in uitblinkt.’ (…)
    Lou ziet het helemaal voor zich! ‘Ik leg voor de Corona een rode loper neer, de mensen lopen erover naar binnen, een cameraman in het portaal filmt (…)’
    De rode loper als autonoom gebeuren.

    Riet en de wonderschone Lena schrijden naar binnen, Lena wordt herkend. Lou kijkt vanuit zijn cabine naar de film en ziet dat Lena hem recht aankijkt, glimlacht en haar haren naar achteren schudt… Hij is helemaal van de kaart en spoelt de film telkens weer terug. Wat gaat Lou doen.

    De laatste vijf hoofdstukken zijn subliem. De vier levens komen bij elkaar via de schijnwerpers, de opnames, de rode lopers. De muziek speelt nog steeds een allesoverheersende rol. De ukelele van Eddie bewijst zijn dienst, al wordt het nooit een gitaar. De Fender-gitaar wordt voor Lou een vrouw in zijn armen, hij speelt de melodie telkens opnieuw. Helaas, voor Lou is nu ook voor hem de definitieve fade-out nabij. Hij blijft alleen achter. ‘Hij zette de Fender in een fauteuil en het glas van Lena op de armleuning. Toen hij ertegenover ging zitten was het of hij bezoek had.’

    Rosenboom schrijft toegankelijk, gebruikt de taal van het milieu dat hij beschrijft en werkt de karakters van de vier weinig spectaculaire hoofdpersonen goed uit; de mooie Lena wordt zelfs een karikatuur. Eddie en Riet vallen nauwelijks uit hun rol. Lou evolueert evenmin, hij is eigenlijk een sneue figuur, een loser Hij laat geen succes toe. Opmerkelijk hoe hij daardoor juist boeiend is.

    De constructie van de roman is mathematisch perfect. Opvallend zijn de vele herhalingen. Je kunt een longlist maken van steeds weer terugkerende beelden, motieven, zinnen, woorden, muziektermen. De rode loper is ook voer voor psychologen, het stokpaardje van Rosenboom.

    Thomas Rosenboom (1956) groeide op in Arnhem, een belangrijk gegeven voor dit boek. In 1983 debuteerde hij met de verhalenbundel De mensen thuis (1983). Al snel volgde Vriend van verdienste (1985). Zijn grote doorbraak kwam met de imposante roman Gewassen vlees (1994), waarvoor hij de Libris Literatuur Prijs ontving. Vijf jaar later publiceerde hij Publieke werken (1999) – en opnieuw won hij daar de Libris Literatuur Prijs mee. Andere werken: De nieuwe man (2003)en Zoete mond (2009).

     

  • Gewone mensen in een woelige tijd

    Gewone mensen in een woelige tijd

    Joke van Leeuwen neemt de lezer in Feest van het begin direct mee terug in de tijd, naar het Parijs ten tijde van de Franse revolutie (1789-1795). De tijd dat er nog koetsen reden, chirurgijns werkten, de eerste kranten werden gedrukt en de guillotine zijn entree maakte. En hoewel Van Leeuwen nergens expliciet ‘Parijs’ of ‘revolutie’ noemt, geeft ze in het verhaal zoveel aanwijzingen dat er geen twijfel over kan bestaan dat we ons daar bevinden. Het is niet verwonderlijk dat Van Leeuwen een historisch thema heeft gekozen, want naast auteur voor kinderen en volwassenen, is ze historica. Van Leeuwen heeft deze roman gebaseerd op de memoires van Charles-Henry Sanson, de beul die van 1739 tot 1806 in Parijs leefde en die duizenden mensen om het leven heeft gebracht.

    In zeer mooi geformuleerde en beeldende zinnen geeft Van Leeuwen een beeld van het Franse leven aan het einde van de achttiende eeuw. In de proloog weet ze zeer pakkend de omgeving en de sfeer te schetsen:

    […] De regen stort nietsontziend op de hoofdstad. Hij slaat putjes in het water van de rivier die er als een kromme ruggengraat doorheen loopt en tekent slingerbeekjes in de modder van nog ongeplaveide straten. De open goten kunnen de toevloed niet meer verstouwen en uit de regenpijpen, die maar tot halverwege de gevels reiken, spuit het water op de rillende flanken van de paarden en de dunne daken van de koetsen.  

    Het hele verhaal doet door dit soort formuleringen en gebeurtenissen wat sprookjesachtig aan. En dat terwijl het verhaal alles behalve een rooskleurig, happy-end verhaal is: personages gaan dood, zijn eenzaam en arm. Bovendien is de lucht ‘dik van bederf’ en de rivier ‘geurend naar dood’. De personages doen allerlei pogingen om gelukkig te worden, ze proberen met de revolutie – het feest van het (nieuwe) begin – een nieuwe start te maken, maar het is droeve ellende. Van Leeuwen geeft de tijdsgeest goed weer, ze heeft het verhaal niet geromantiseerd. Een nadeel is dat zij haar woordgebruik nauwelijks aangepast heeft, wat herhaaldelijk tot wenkbrauwfronzen leidt bij woorden als ‘faubourg’, ‘bergère’, ‘assignaten’, ‘commensaal’ en ‘sakkeren’. Het is daardoor even ‘inkomen’, maar als je eenmaal in het verhaal zit, word je in rap tempo meegesleept.

    Het verhaal gaat over verschillende personages die in die periode leven: Catho, een vondelinge, die opgroeit in een weeshuis dat door nonnen gerund wordt; Berthe, een jonge non van rijke afkomst; Tobias, een klavierbouwer van Duitse afkomst met een absoluut gehoor (gebaseerd op Tobias Schmidt die voorkomt in de memoires van Sanson); en Gustaphe, een idealistische kunstschilder die vastberaden is om de schilderkunst te vernieuwen. Catho en Berthe ontmoeten elkaar in het weeshuis, waar Berthe Catho leert lezen en schrijven en waar zij een bijzondere band opbouwen. Als Berthe het weeshuis plotseling verlaat, wordt Catho’s drang om ook het weeshuis te verlaten nog groter. Ze sluit zich aan bij de revolutionaire jongeren en trekt in bij Gustaphe. Hij gebruikt haar als model voor zijn ‘vrijheidsschilderijen’ en om zijn seksuele lusten op los te vieren. Berthe, die haar luxueuze leven weer heeft opgepakt, besluit een piano te kopen bij de klavierbouwer en zo worden alle personages met elkaar verbonden. De klavierbouwer heeft een onwaarschijnlijke vriendschap opgebouwd met Charles, de beul van de stad. En hoewel zijn vrouw vreest voor de reputatie van de zaak en het tegen zijn principes is, besluit hij toch om Charles te helpen.

    De levendigheid en de warmte waarmee Van Leeuwen de omgeving en de gebeurtenissen omschrijft ontbreekt helaas af en toe bij de personages. De afstand tussen de lezer en de personages is heel groot: door het uitblijven van het beschrijven van de emoties en door de afstand die wordt gecreëerd door het steeds te blijven herhalen van ‘de vondelinge’ (Catho) en ‘de nieuwe’ (Berthe). Ook zijn personages wel erg naïef – zo begrijpt Berthe niet dat haar vroegere huisknecht haar haar eigen huis uitwerkt en houdt Catho er geen rekening mee dat als je je geld in een café legt, het wellicht gestolen wordt. Dat maakt ze niet altijd geloofwaardig. Desondanks zijn de personages interessant, want tekenend voor de idealen en het krampachtig streven naar geluk van de mensen uit die periode. Treffend is dan ook het motto wat Van Leeuwen in het boek heeft opgenomen: ‘Weest gelukkig, want jullie zijn niet schuldig’.

    Wat de personages bindt is ook de verregaande ambitie, zo is Catho vastberaden om haar ontwikkelingsachterstand in te halen, wil Berthe iets betekenen voor de vrouwen in de maatschappij, is Gustaphe van plan om het vrouwbeeld te veranderen en wil Tobias een nieuw instrument bouwen, maar geen van allen slagen ze (volledig). Het is een roman van vallen en opstaan, van doorgaan – soms tegen beter weten in. Typisch is dat zowel Catho als Berthe – die beiden opkrabbelen na een val – zich bij iedere poging een nieuwe identiteit aanmeten. Ze laten zo hun verleden achter zich en veranderen hun naam. Als Catho het weeshuis verlaat stelt ze vast: ‘Eigenlijk is ze opnieuw geboren, meteen in een bruikbaar formaat.’ En bij die nieuwe geboorte hoort een nieuwe identiteit, daarom besluit ze zich vanaf dan Claire te noemen. Ook Berthe begint met een schone lei als ze het weeshuis verlaat: ze offert haar lange namen op voor het korte en meer burgerlijke ‘Berthe’.

    De roman geeft ook stof tot nadenken. Zo worden de positie van de vrouw en de schuld van de beul ter discussie gesteld. De hele stad mijdt de beul en houdt hem verantwoordelijk voor de vele doden. Maar – zoals hij zelf zegt – ‘als men iets doet wat niemand anders wil doen, verdient men dan minachting of juist respect?’ Een interessante kwestie. Het antwoord? Lees dit boek en oordeel zelf.

     

     

  • Een dichter die je kunt vertrouwen

    Een dichter die je kunt vertrouwen

    Soms hoef je maar één gedicht van iemand te lezen, om er achter te komen dat hij of zij een meesterdichter is. Natuurlijk, smaken verschillen; waar de één Faverey roemt, dweept de ander met Oosterhoff. Maar wanneer is iemand eigenlijk een meesterdichter? Dat is een interessante vraag, zowel voor poëziefanatici als voor huidige en toekomstige dichters. Bernard Wesselings jongste dichtbundel Naar de daken biedt hiertoe uitstekende onderzoeksmaterie. Bernard Wesseling en de Zoektocht naar de Meesterdichter.

    ‘Een dichter is een taalatleet/ die alle woorden die hij weet/ zo aan elkaar kan rijgen/ dat jij ervan gaat zwijgen’, zo definieert kinderboekenschrijfster Johanna Kruit in haar gedicht ‘Een dichter’ het eerbiedwaardige beroep van poëet. Spelen met taal dus! Acrobatische zinnen, zonderlinge woordkeuzes… Wie heeft niet wel eens die (op z’n zachtst gezegd) vreemde gedichten van de Amerikaan E.E. Cummings gelezen? En Cummings is een meesterdichter, a Master Poet, want hij heeft dat fabuleuze ‘anyone lived in a pretty how town’ geschreven. En hier in Nederland kennen we ze ook: Paul van Ostaijen bijvoorbeeld (‘Slinger/ Singer/ naaimasjien/ Hoort/ Hoort/ Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht’), of Lucebert, of zelfs Marten Toonder.

    Hoe zit dat met Bernard Wesseling? Op eerste gezicht steekt hij wat ‘saai’ af tegen bovengenoemde personen. Geen ellenlange herhalingen, geen merkwaardige syntaxis, maar ‘gewone’ zinnen die veelal volkomen begrijpelijk zijn. Maar mevrouw Kruit bedoelt meer met bovenstaand citaat. Neem nou een regel als deze: ‘Je had me van de week voor de spiegel moeten zien:/ alarmerend ontwapenend stond ik daar.’ Als je erover nadenkt, besef je pas hoe knap zo’n formulering in elkaar steekt. Vooral dat ‘alarmerend ontwapenend’ is heel goed gevonden. Wij zouden het maar omslachtig beschrijven, met zinnen en bijzinnen en bijbijzinnen. Wesseling kan het in zestien woorden. Een meesterdichter dus? Volgens schrijver Theo Monkhorst, in een interview met het Meandermagazine, is een dichter echter ‘iemand die opschrijft wat hij niet weet’. Dat is wel even wat anders dan de ‘taalatleet’ van mevrouw Kruit. Hier geen romantische figuur maar een beroep voor mensen met een socratische bescheidenheid. Opschrijven wat je niet weet – hoe doe je dat? Hardop twijfelen, mijmeren? Pretenderen dat je wel wat weet? Wesseling schrijft zinnen als ‘Wie met zijn angsten hokt, kan niet laf zijn.’ Daar lijkt weinig onwetendheid in te schuilen in.

    Doch misschien zitten we wel helemaal op het verkeerde spoor. Het is maar de vraag of de kwaliteiten van de ‘grote’ dichters als voorwaarden voor een meesterdichterschap moeten gelden. Valt een goed dichter te onderscheiden op grond van een kort lijstje met regeltjes? Zouden we Wesselings Naar de daken aan zulk een ‘onderzoek’ onderwerpen, dan komt hij er maar matig van af. Vormvast à la Ida Gerhardt en Gerrit Achterberg? Nee. Gebruik van ready-mades, zoals door K. Michel? Nee. Actueel als Willem Elsschot? Nauwelijks.
    Wat er allemaal wél in de bundel zit, valt minder goed in een traditionele analyse te vatten. Humor, ja, dat zit er wel in. Met name de gedichten ‘Etiquette voor een sterveling’ en ‘Etiquette voor een toekomstige nabestaande’ zijn bij vlagen echt komisch. Op andere momenten wisselt deze humor af met een melancholische noot: zo vindt een zevenjarige ik-figuur onder in de door hem zo begeerde piratenboot ‘een ontredderde bouwvakker’. Ditzelfde geldt ook voor ‘Beëlzeblurb’, waarin de ik een praatje maakt met de duivel – een grappig verwoorde situatie, maar met een bitter doel: ‘Ik zei: zorg dat ik vergeet’.

    Het thema van de bundel is verlies, en alles wat daarbij komt kijken. Verlies van jezelf, van een dierbare, van het leven. De dichter onderzoekt dit in allerlei verschillende settings: een herinnering aan de kindertijd, een ontmoeting met zigeuners, een bezoekje aan een Bijbelkiosk. Dat dit breekt met de vaak programmatische en te allen tijde zo ongrijpbaar mogelijke poëzie van de postmodernisten, is voor Wesseling geen geheim. In het titelgedicht schrijft hij dan ook: ‘Naar de daken ja! En dan maar wachten tot morgen de luchten/ van postmodern blauw – het oude grijs – naar een trouwer blauw/ verschieten’.
    We moeten de dichter weer kunnen vertrouwen, en dat maakt Wesseling meer dan waar. De poëzie in Naar de daken valt te begrijpen, en dat is beter dan duizend metaforen en modernistische woordspelingen bij elkaar. Het leest uitermate gemakkelijk weg – en dat is heel bijzonder voor een hedendaagse dichtbundel. Het zijn gedichten die je als poëzieliefhebber aan de ongeïnteresseerde buitenwereld durft te laten zien: kijk maar, lees maar, het is niet altijd zo moeilijk. En daar schuilt Wesselings meesterschap. Hij schrijft werk dat boeiend is voor de doorgewinterde gedichtenwurm én voor de incidentele lezer, zonder aan taalkracht of diepgang in te boeten. En dat is knap.

     

     

  • Naar een rustig heenkomen voor de zoekende mens

    Naar een rustig heenkomen voor de zoekende mens

     

    Niet alleen Europa is in crisis, ook met de filosofie is het al langer slecht gesteld. Sinds het begin van de twintigste eeuw is er zelfs sprake van een heuse scheuring tussen aan de ene kant de Angelsaksische of analytische filosofen en aan de andere kant de filosofen van het continent. De Noordzee en de Atlantische oceaan blijken onoverbrugbare hindernissen te vormen voor denkende wijsgeren.

    Oorzaak van de scheuring binnen de filosofie is vooral het succes van de natuurwetenschap. In het prille begin van de Verlichting kon de filosoof nog geloven dat de wijsbegeerte een centrale rol speelde in het begrijpen van de wereld, de mens inbegrepen. Maar in de loop van de tijd bleek de wetenschap de filosofie helemaal niet nodig te hebben. Baanbrekende wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan zonder dat filosofen daar enige inbreng in hadden.

    Maar er was in de achttiende eeuw ook onvrede en teleurstelling ontstaan over de beloftes die er van de wetenschap bijna een eeuw lang was uit gegaan. Een wetenschappelijk, mechanistisch wereldbeeld bleek ten koste te gaan van de plaats van God en niets fundamenteels te zeggen te hebben over de waarden en betekenis van het menselijke bestaan. De wereld raakte, in de woorden van Max Weber, door de wetenschap onttoverd.

    Wat is de taak van de filosoof in een wereld die onttoverd is? Hebben de wetenschap en de filosofie elkaar wel iets te bieden? Analytische filosofen menen van wel, en houden zich dan ook voornamelijk bezig met wetenschapsfilosofie, kennis, logica en taalfilosofie. De filosofen van het continent menen dat de wezenlijke filosofische vragen buiten de wetenschap liggen en zoeken daarom vaak aansluiting bij kunst, andere culturen, in een poging, zo lijkt het, om iets van een betoverende wereld terug te vinden.

    Net als in Europa zijn er in de filosofie mensen die de boel bij elkaar willen houden en interesse tonen in de opvattingen en belangen van de andere partij. En er zijn er die ervoor pleiten dat partijen zich achter de eigen kant van de scheidslijn terugtrekken om elkaar zo weinig mogelijk in de weg te zitten. Hen zou je radicaal kunnen noemen. Een voorbeeld van een radicaal in de filosofie is de dichter en denker Henk van der Waal. Van hem verscheen onlangs bij de Bezige Bij het boek Denken op de plaats rust.

    Van der Waal laat er geen misverstand over bestaan; filosofen dienen zich niet bezig te houden met waarheid, kennis, wetenschap of logica. ‘Direkt mee ophouden,’ is zijn even duidelijk als radicaal advies. Voor Van der Waal is wijsbegeerte iets heel anders dan analytische filosofie. Het bestaat uit ‘inzicht krijgen in ons eigen bestaan en in de wereld om ons heen, maar ook contact kunnen krijgen met de diepte die ons uitmaakt.’

    Van der Waals doel is ambitieus. Hij wil niets meer dan een nieuwe wijsbegeerte verkondigen die korte metten maakt met alle fouten begaan in het verleden. Het beloofde resultaat is niet alleen inzicht en troost voor de zoekende, maar zelfs geluk.

    Want, zo schrijft Van der Waal, het is langzamerhand tijd dat de filosofie de belofte van inzicht en troost die ze met zich meedraagt, nu eens inlost. Het christendom is zo goed als onzichtbaar geworden, het kapitalisme houdt ons in zijn greep, de wetenschap staat op eigen benen en verveelt zich, en dan blijft, volgens van der Waal, alleen de filosofie nog over als toevluchtsoord voor hen die inzicht en troost zoeken.

    Maar eerst moet de filosofie wel ernstig bij zichzelf te rade gaan voordat ze deze belangrijke rol op zich kan nemen. Om tot een betere filosofie te komen moeten we volgens Van der Waal onderscheid maken tussen drie zogenaamde ‘ervaringsbereiken’, die we strikt gescheiden dienen te houden: die van de waarheid, de aanspraak en het onbestemde. Het laatste bereik is voor Van der Waal het belangrijkste. Want met de waarheid moet de filosoof zich niet bezig houden: ‘Laat het aan de wetenschappers zelf over om met de waarheid te dealen. De waarheid is hun probleem.’

    Belangrijker dan de waarheid is het ‘ervaringsbereik van de aanspraak’ dat kort gezegd gaat over de verhoudingen tussen mensen onderling, over politiek en gemeenschap. Maar voor Van der Waals filosofie is het derde ervaringsbereik, dat van het onbestemde, verreweg het belangrijkste. Het ‘verkent en onderhoudt de manier waarop de mens zich verhoudt tot zichzelf’. Het zelf ligt echter niet zo duidelijk vast en van der Waal kiest er dan ook voor het bereik ‘onbestemd’ te noemen. Het is al snel duidelijk dat bijna alles wat van werkelijke waarde is, kunst, liefde, mystiek allemaal te vangen is als betrekking hebbend op wat hier onbestemd genoemd wordt.

    Van der Waal duwt het filosofische gaspedaal vervolgens flink in om zijn gedachten kracht bij te zetten. Heidegger, Bataille, Foucault, Levinas en vele anderen worden aangehaald en al dan niet kort besproken. Dat levert bij vlagen een bijna onnavolgbaar betoog op, althans wie de moeite neemt de details te volgen. Gelukkig herhaalt Van der Waal zich regelmatig en zijn de grote lijnen van zijn filosofie tamelijk goed te begrijpen. Van der Waal wisselt een populaire schrijfstijl af met zinnen die bol staan van een bijna onleesbaar filosofisch vakjargon. Een voorbeeld van het laatste is de volgende zin:

    ‘Als je een ander niet als een jij maar als een object benadert, stoot je dit jij uit de wederkerigheid, uit de een-op-een relatie die je met de ander op grond van zijn impliciete of expliciete aanspraak zou moeten onderhouden.’

    Behalve dat een dergelijke zin lelijk is, is het ook verre van helder wat hier nu precies beweerd wordt. Voor een denker die ook dichter is (Van der Waal won als dichter de C. Buddinghprijs en de Ida Gerhardt poëzieprijs) mag je toch wel iets meer verwachten.

    In het eerste deel van het boek wordt de geschiedenis van de wijsbegeerte behandeld, of althans dat gedeelte van de geschiedenis dat in het betoog van pas komt. Van der Waals gebruik van de geschiedenis is simpelweg demagogisch. Zijn beschrijvingen zijn gekleurd, bevooroordeeld en eigenlijk alleen te verteren voor iemand die het geheel met hem eens is. Lezers die niet of slecht bekend zijn met de geschiedenis van de filosofie kunnen dit deel dan ook maar beter overslaan. De geschiedenis wordt bovendien beschreven als de uitkomst van doelgerichte processen, waarbij religies en filosofische stromingen ook nog eens worden opgevoerd alsof het handelende personen zijn. Dat leidt tot zinnen als: ‘Toch zet het christendom niet zomaar de enorme status die de waarheid heeft, bij het oud vuil. Het haalt een andere truc uit’ en ‘de Verlichting die het beeld voor ogen tovert dat…’.

    Aan Van der Waals Denken op de plaats rust ligt flink veel onvrede ten grondslag. Dat uit zich in een felle kritiek op een consumerende, twitterende, cynische en vooral lege maatschappij. Wetenschap en kapitalisme hebben de handen ineengeslagen om het gat op te vullen dat is achtergelaten door het nu bijna verdwenen christendom. De huidige mens is een paradoxaal; leeg, radeloos, besluiteloos en op zoek naar vertier en consumptie om de tegenstellingen die hem omringen maar niet te hoeven zien. Want  ‘de wereld hangt van paradoxen aan elkaar’, vertelt Van der Waal ons en de meeste mensen gaan met dat gegeven om alsof er niets aan de hand is: ‘Een tegenstelling, misbruik, onrecht: o dan haal ik mijn schouders toch even op.’

    Het is wel opmerkelijk dat Van der Waal de paradox opvoert als iets negatiefs. Juist de filosofische stromingen waar hij zich verwant mee voelt, bedienen zich regelmatig van de paradox. In Denken op de plaats rust zijn voor wie een beetje zijn best doet, honderden paradoxen te vinden. Het hele begrip van het ervaringsbereik van het onbestemde is één van de vele voorbeelden. Want hoe kan dit bereik nu scherp afgegrensd zijn van de andere bereiken als het onbestemd is? Trouwens het woord ervaringsbereik zou je zelf al een paradox kunnen noemen. Van der Waal zou dan ook de paradox eerder moeten omarmen dan het als de bron van de huidige leegte om hem heen te zien.

    Maar het grootste bezwaar tegen Denken op de plaats rust is het gebrek aan twijfel waarmee het betoog gepresenteerd wordt. Van der Waal mag dan in de eerste bladzijden vragen om meedenkende lezers, hij snoert ze meteen ook de mond door te eisen dat ze ‘zich een moment kunnen beheersen en niet direct beginnen te mekkeren van dit klopt niet en dat klopt niet en wat die daar zegt, nou ik weet het niet hoor.’ Meer dan driehonderd bladzijden later is de lezer niet meer in staat om tegen te sputteren en is het enige wat hem rest een stille aanvaarding of een afwijzing met schuddend hoofd.

    Van der Waal is uiteindelijk veel meer profeet dan hij filosoof is. Zijn denkbeelden zijn zo overduidelijk doordrenkt van een wijsgerige vorm van moralisme dat het aanwijzen van denkfouten en verkeerde aannames geen zin lijkt te hebben. Denken voor de lezer lijkt hier dan ook vooral te bestaan uit aannemen wat we voorgeschoteld krijgen.

    Ronduit ergerniswekkend is de opvoering van stereotypen waar vervolgens kritisch op kan worden afgegeven, zoals de ‘sociale netwerk mens’ en de al genoemde ‘paradoxaal’. Stereotypen kunnen in eerste instantie overtuigende generalisaties zijn, maar in tweede instantie wil het nog al eens lastig blijken om individuen aan te wijzen die aan het generaliserende beeld voldoen. Ja, er zijn genoeg mensen die twitteren, SMSen, bellen en chatten en je zou hen voorbeelden kunnen noemen van de ‘sociale netwerk mens’. Maar wie van hen ‘weet dat hij zonder contact, zonder verbinding, zonder bereik volkomen onthand is en is overgeleverd aan angst’ zoals Van der Waal beweert?

    De opvoering van een stereotype als de sociale netwerk mens lijkt dan ook eerder bedoeld voor lezers die geloven dat het gebruik van sociale media een vervlakking betekent en dat beeld bevestigd willen zien. Of de sociale netwerk mens in de strikte zin bestaat, doet er niet zoveel toe; zolang de afkeer maar een plaats kan krijgen.

    Denken op de plaats rust moet de lege, oppervlakkige mens een vluchtplaats bieden uit een technologische, kapitalistische maatschappij. De zoekende moet leren zijn verhouding tot het onbestemde denkend vorm te geven. Dat is grofweg de boodschap. Maar Van der Waal verliest zichzelf in heuse stappenplannen om tot een beter, diepzinniger leven te komen. Zijn betoog doet bij vlagen dan ook wel heel erg denken aan wat je ‘zelf-help’ filosofie zou kunnen noemen. Het gevaar is dan ook dat de lezers die zijn gedachten met instemming lezen, de boodschap verwarren met esoterie en dat is uitdrukkelijk niet de bedoeling. Maar het opzoeken van de grens van de esoterie lijkt het resultaat van een bijna wanhopige zoektocht naar betovering in de wereld. Van der Waal meent in het onbestemde een plek van rust gevonden te hebben die nog vrij is van wetenschap, kennis, kapitalisme en technologie. Het is een plaats waar de zoekende mens een rustig denkend heenkomen kan zoeken. Vergeleken met het continent dat de filosofie eens was, is het bij Van der Waal gekrompen tot een ministaatje.

    Wie de filosofie beziet moet toch vast stellen dat het zo slecht nog niet gaat met Europa.

     

  • Goedmoedig, licht absurd en een tikkeltje filosofisch

    Goedmoedig, licht absurd en een tikkeltje filosofisch

     

    Hoe komt een Congolees terecht in Praag? In de jaren zestig vertrok de vader van de Tsjechische auteur Tomáš Zmeškal vanuit Afrika naar Oost-Europa. In opdracht van de leider van de Congolese onafhankelijkheidsbeweging, Patrice Lumumba, moest hij daar steun vinden voor de revolutie in zijn geboorteland. Door een verschil van mening tussen de Tsjechoslowaakse communisten en de Congolese revolutionairen kon Zmeškals vader Tsjecho-Slowakije niet meer verlaten. In Praag ontmoette hij vervolgens de dochter van een keurige accountant waarmee hij een zoon kreeg, Tomáš. En uiteindelijk wordt deze Congolese Tsjech een van de beste auteurs van zijn generatie. Het leven van Tomáš Zmeškal is in vergelijking tot dat van zijn vader minder turbulent. Hij groeit op zonder die vader, die eind jaren zestig toch de mogelijkheid krijgt om terug te keren naar Congo. Tomáš krijgt de kans om naar Engeland te vertrekken en studeert Engelse taal- en letterkunde in Londen, maar keert na de val van het communisme terug naar Praag. Uiteindelijk debuteert hij als veertiger met Een liefdesbrief in spijkerschrift.

    In Een liefdesbrief in spijkerschrift vertelt Tomáš Zmeškal het verhaal van een Praagse familie en de vernietigende invloed van het Stalinisme op hun leven. Josef en Kvĕta zijn verliefd en trouwen met elkaar. Niets lijkt hun geluk in de weg te staan als Kvĕta zwanger wordt. Kort voordat hun dochtertje Alice wordt geboren belandt Josef echter als politiek gevangene in een werkkamp. Als Alice tien is en de Praagse Lente is losgebarsten, wordt Josef vrijgelaten. Hij komt erachter dat Kvĕta een verhouding heeft gehad met Hynek, zijn vriend en verrader. Josef is niet in staat haar te vergeven. Pas na de val van het IJzeren Gordijn lijkt hij in staat tot een toenaderingspoging.

    Het verhaal van Josef en Kvĕta wordt afgewisseld met het levensverhaal van Alice, hun dochter, en verscheidene andere figuren. Het is een rijk palet aan personages, die tezamen de moderne geschiedenis van Tsjechië in beeld brengen. Zmeškal neemt makkelijk afscheid van zijn personages. Sommigen sterven, anderen verdwijnen uit beeld om later toch weer even voorbij te komen. Allemaal worden ze door Zmeškal tot leven gewekt, menselijk gemaakt, inclusief hun donkere kanten. De auteur zelf komt voorbij als psychiatrisch patiënt in een inrichting en meerdere inbrekers spelen een rol in de roman. Maar één van de meest interessante figuren is de gekke banketbakker. Hij komt terecht in een gesticht omdat hij zijn vrouw heeft nagemaakt van marsepein. Aan zijn behandelend arts vertelt hij fantastische verhalen, uiteenlopend van science fiction tot verhalen die doen denken aan de Sprookjes van 1001 nacht. Het zijn deze verhalen die het eerste deel van het boek zo goed maken. Vooral de twee verhalen die de banketbakker vertelt over onsterfelijkheid zijn onvergetelijk. Later in het boek blijkt de banketbakker overigens niet zo gek als iedereen dacht.
    Ook de man waarmee Alice trouwt, Maxmilián is intrigerend. De manier waarop zijn karakter zich ontwikkelt is bijna schokkend om te lezen. Duidelijk een bewijs van het meesterschap van Zmeškal, en ongelofelijk goed voor een debutant.

    Zmeškal hanteert niet alleen vele personages, maar ook verscheidene stijlvormen. Naast science fiction en sprookjesachtige verhalen gebruikt hij bijvoorbeeld ook brieven en officiële documenten om zijn verhaal te vertellen. De sfeer in het boek is, afgezien van de afwijkende stijlvormen, in het algemeen goedmoedig en licht absurd en een tikkeltje filosofisch. Hier komt ook de vergelijking met schrijvers als Bohumil Hrabal en Jáchym Topol om de hoek kijken. Vermoedelijk is het hun manier geweest om de, bij tijd en wijle zeer zware, Tsjechische censuur bij de neus te nemen. Zmeškal heeft zich duidelijk door hun milde humor en absurdisme laten inspireren. Zijn verhaal over de inbreker en meneer Verner is hiervan een goed voorbeeld. Meneer Verner wordt midden in de nacht wakkergeschud door een man in een overal. Het blijkt een inbreker die het niet aandurft om Verners huis weer uit te sluipen, omdat die nacht de Russische tanks door de straten van Praag rollen om een einde te maken aan de Praagse Lente. ‘Nadat de tanks voorbij waren, liep hij met hem mee naar het kruispunt waar ze hielpen om geïmproviseerde barricades op te werpen.’ Sinds die nacht ontmoeten Verner en de inbreker elkaar jaarlijks op de datum van de Russische inval, zodat de inbreker het geld kan terugbetalen dat meneer Verner hem heeft gegeven.

    Zmeškal heeft een ongelofelijk goed debuut geschreven. Het boek is dan ook volkomen terecht genomineerd voor de Magnesia Litera Prijs en werd bekroond met de prestigieuze Josef Škvorecký Prijs en de European Union Prize for Literature 2011. De personages lijken levensecht en zijn opvallend goed ontwikkeld. Zmeškal heeft vermoedelijk lang geschaafd aan zijn roman. Alleen mis je in het tweede deel de kleurrijke verhalen van de banketbakker, een kleine min in een verder prachtig boek. De verscheidenheid aan mooie verhalen doet vermoeden dat hij ze jarenlang heeft opgespaard om zijn beste verhalen te publiceren in het raamwerk van een roman. De vraag is of hij dit kan herhalen in zijn tweede boek dat begin dit jaar in Tsjechië is verschenen. Laten we hopen dat het snel vertaald wordt en dat Zmeškal wederom de briljante verhalenverteller zal zijn waarmee we in Een liefdesbrief in spijkerschrift hebben kennisgemaakt.

     

  • Engel of duivel?

    Engel of duivel?

    Almond is eigenlijk een kinderboekenschrijver en dit is zijn eerste roman voor volwassenen. Dat hij zich goed kan inleven in de kinderziel is aan dit buitengewone boek goed te merken. Hij laat alles opschrijven door Billy Dean, een jongen van 13 jaar. Dat is een vondst. Alles is in een fonetisch schrift geschreven, zoals een jongen zou schrijven, die nooit goed heeft leren spellen. (‘Ze zeggen dat ik onder ut srijfen van mn verhaal vanzelf merk hoe ik ut moet srijfen.’)

    Dat komt omdat Billy een verborgen kind is. Zijn vader is de katholieke priester Wilfred, die het jonge meisje Veronica heeft verleid. Ze raakt in verwachting en het kind wordt ondergebracht in zijn kamertje en later bij ene mevrouw Malone. De vader bezoekt het kind en wil het leren lezen en schrijven, maar heeft daar eigenlijk geen tijd voor over. Hij vindt het belangrijker om hem over leven en dood angstaanjagende verhalen te vertellen. (‘Soms lijkt de werelt door en door slegt. Maar als we goed kijken ondekken we dat er in alles un goet hart zit.’) De jonge moeder komt ook af en toe op de proppen, maar weet niet goed wat ze met het jongetje aan moet. Langzaam maar zeker onthult mevrouw Malone het verleden aan de geschrokken Billy. Dat zijn moeder hem heeft verstopt en dat zijn vader een priester is. Billy wordt verder opgevoed door de slager McCauffrey, die met een mes zwaait maar wel een zwak voor het jongetje heeft.

    In het dorpje Blinkbonny, waarschijnlijk een Iers gehucht, komen spiritisten bijeen in het huis van mevrouw Malone. Ze houdt er seances. Toevallig woont Billy een seance bij en men ontdekt dat hij over bovenzintuiglijke gaven beschikt, waar hij zelf niets van wist. Er komt een stroom bezoekers en nieuwsgierigen op gang om Billy te bezoeken en hij kan inderdaad genezingen tot stand brengen. Na enige tijd wordt hij verliefd op een meisje, die hem uit de sfeer wil halen van Grote Verlosser. Een soort ‘Yomanda’ is hij geworden, maar vooral om de portemonnee van mevrouw Malone te spekken, die stevige tarieven rekent voor genezingen. Een deel van de mensen vereert hem als een engel, anderen zien in hem niets meer of minder dan de duivel. Het komt tot een vreemd hoogtepunt wanneer hij van dorpelingen een dood kind weer tot leven moet wekken. Dat mislukt en de teleurstelling is groot. Zou hij dan toch een duivel zijn? Maar tegelijkertijd storten er huizen in en beeft de aarde. De straf van God of gewoon een natuurverschijnsel? Voor Billy is het een teken dat hij maar eens weg moet gaan uit een omgeving, die zoveel van hem verwachtte. Weg ook uit een stadje dat een verstikkende uitwerking op hem heeft. De verstikkende invloed van het Ierse katholicisme? Hij wil vertrekken naar een heilig eiland, waar vroeger de monniken leefden, de heiligen en de engelen. Dat is gebaseerd op een schilderij, dat hij kent. Het eiland is Lindisfarne en bestaat echt. Of er engelen rondzweven komen we niet te weten.

    Het verhaal eindigt abrupt, maar het is van begin tot eind geschreven in een meeslepende stijl. Dat de spelling erg apart is, went na een paar hoofdstukjes. Het geeft zelfs een extra dimensie waardoor je heel dicht op de belevingswereld van Billy zit. Het zal voor vertaalster Annelies Jorna niet eenvoudig zijn geweest om het fonetische taaltje van Billy in fonetisch Nederlands om te zetten.

     

     

  • Naar de daken – Bernard Wesseling

    Gesignaleerd door de redactie

    Naar de daken, de tweede bundel van Bernard Wesseling, is van een andere aard dan zijn bekroonde eersteling Focus. De dynamiek en levenslust krijgen gezelschap van een stilte waarin geprobeerd wordt iets te begrijpen van rouw en afscheid. Een hartstochtelijke poging tragedie in triomf om te zetten, waarbij steeds geldt: het is brille versus branie. Maar zonder iets af te dwingen, want zoals Wesseling zelf ergens zegt: ‘Neem de tijd, wees gerust onovertuigd’.

    Naar de daken werd lovend besproken in de pers:
    ‘Die Wesseling! Toch nog onverwacht een echte, zoekende dichter geworden.’ Vrij Nederland
    ‘Niet eerder had ik een bundel in handen met een dusdanig zware inhoud die zo plezierig was om te lezen, die in alledaagse taal allesbehalve doorsneeperspectieven biedt, die licht is, maar nooit oppervlakkig. Meer!, dacht ik toen ik de bundel uit had: Meer! Meer!’ Meander Magazine

    Bernard Wesseling (1978) debuteerde als prozaschrijver met de roman De favoriet, die zeer lovend ontvangen werd. Zijn eerste dichtbundel Focus (2006) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. In 2010 verscheen zijn roman Portret van een onaangepaste, in 2012 zijn tweede dichtbundel Naar de daken. Wesseling is actief als podiumdichter, trad veel op in Festina Lente, stond op de Nacht van de Poëzie en in talloze festivals.

     

    Naar de daken

    Bernard Wesseling
    Blz: 64
    Onlangs verschenen bij Uitgeverij Querido

     

  • Peuteren aan de rafelranden van het gewone

    Peuteren aan de rafelranden van het gewone

    De Canadese pianist Glenn Gould (1932-1983), ooit wereldberoemd door zijn onnavolgbare uitvoeringen van Bach, waarbij je hem kon horen neuriën en zichzelf met één hand zag dirigeren, had een voorliefde voor de muziek van Arnold Schönberg. Deze had in 1921 de zogenaamde twaalf tonen muziek bedacht. Piep- en knor muziek heb ik het wel eens horen noemen. Gewone harmonieën zijn verdwenen en de klanken klinken nog wel eens willekeurig, waardoor de meeste mensen zich achter de oren krabben en zich afvragen waar ze nu eigenlijk naar luisteren. Schönbergs twaalf toon muziek verwart, zeker diegenen die het voor het eerst horen.

    Gould vroeg zich af waarom we toch zo veel moeite hebben met zulke muziek die fundamenteel afwijkt van de melodische  klanken die we gewend zijn. Als je nou eens een kind alleen maar atonale muziek zou laten horen, zou het dan later net zo in de war raken van conventionele, tonale muziek? Gould dacht van wel. Het zijn volwassenen die moeite hebben het ongewone gewoon te vinden.

    Je zou kunnen zeggen dat Schönberg het muzikale alfabet had veranderd. Hij had de harmonische wetten van de muziek naar zijn eigen hand gezet. In het begin van de twintigste eeuw was hij niet de enige die morrelde aan bestaande alfabetten, wetten en grammatica’s. Schönbergs vriend, de schilder Kandinsky maakte abstracte schilderijen bestaande uit cirkels, driehoeken, lijnen en kleurvlakken die allemaal een eigen betekenis hadden en onderdeel waren van een zelf bedachte, spirituele taal. Tijdgenoot Marcel Duchamps bedacht zelfs een alternatieve, humoristische natuurkunde die hij in zijn kunstwerken tot in detail uitwerkte. Het resultaat van al die experimenten was telkens dat het gewone plotseling ongewoon werd en het enige wat je daarvoor hoefde te doen was iets veranderen aan een klein maar fundamenteel principe.

    In K. Schippers nieuwe roman Op de foto staat een dergelijk experiment centraal. Ons alfabet kent 26 letters, maar wat als er nu een 27ste zou blijken te zijn? Hoe zou die letter er uit zien en hoe zou de taal er mee verrijkt worden? Schippers’ roman is een dans rond die vragen en de lezer blijft na afloop prettig duizelig achter.

    Een extra letter in het alfabet hoe zou die eruit zien? In Schippers roman is het een kleuterklas die op die vraag het best en zonder moeite het antwoord weet. Het zijn de volwassenen die reageren alsof ze voor het eerst een muziekstuk van Schönberg horen. Zij zijn het die even verward raken, op zoek gaan naar betekenis en in een enkel geval zelfs hun leven een andere wending geven. Glenn Gould zou tevreden geknikt hebben.

    Het verhaal is in deze roman eigenlijk ondergeschikt aan het gedachtenexperiment rond de 27ste letter. Abbie en Jan zijn op vakantie en laten door een onbekende een foto van hen maken. De foto (op een ouderwets rolletje) wordt naar huis gestuurd waar een zekere Yvette en haar vriend Rob onmiddellijk geïntrigeerd raken door de foto. Er is iets mee. Het tweetal ziet er van alles in en komt er snel achter dat hij gemaakt is door Alain Dubout, een beroemd fotograaf. Ze besluiten dan ook de foto te koop aan te bieden aan een Londens veilinghuis dat onmiddellijk geïnteresseerd is. Abbie en Jan weten ondertussen van niets, maar ook zij raken later in de ban van de foto en ontdekken dat deze verwijst naar de 27ste letter van het alfabet. Zowel foto als letter worden een steeds belangrijker onderdeel van hun leven. Maar het is Yvette die alleen besluit af te reizen naar het eiland en op zoek te gaan Dubout en het raadsel van die ene letter probeert te ontcijferen.

    Het verhaal mag dan ondergeschikt zijn aan het idee van een extra letter in het alfabet, de manier waarop het verteld wordt, vol met raadseltjes en (pseudo)aanwijzingen, blijft voortdurend boeien en illustreert op een fraaie manier het doel van experiment. Schippers peutert voortdurend aan de rafelrandjes van het gewone, waardoor je op zijn minst het vermoeden krijgt dat er iets ongewoons onder zit. Het idee dat elke zin betekenis heeft kun je bij Schippers dan ook het beste los laten. Zo noemt hij de naam van het eiland niet waar Abbie en Jan op vakantie zijn en waar Dubout de foto maakt, en prikken Rob en Yvette spelden op een kaart om zo bij te houden waar Dubout op zijn reizen is geweest. Maar wie er achter komt dat het eiland Corsica is, heeft een puzzelstukje in handen dat op geen enkele plaats lijkt te passen. De boodschap lijkt te zijn dat de randen van een enkel puzzelstukje veel leuker zijn dan de afgemaakte puzzel en dat een zoektocht veel interessanter is als je dingen vindt waar je helemaal niet naar op zoek was. Sterker nog, de lol is er af als je snel vindt waar je naar op zoek naar bent.

    ‘Plezier’ is het woord dat komt bovendrijven na het lezen van deze roman. Plezier om het gewone weer ongewoon te vinden, de plezier van de lichte verwarring en de plezier van het vluchtig kennismaken met kunstenaars en kunst. Want Schippers wordt niet moe in kleine terzijdes te verwijzen naar kunstenaars, literatuur en muziek, van Meret Oppenheim tot Judy Garland. Maar nergens wordt het opdringerig of overdreven ijdeltuiterij. In plaats daarvan illustreren al deze verwijzingen het plezier van het peuteren aan het gewone. Je zou dan ook kunnen zeggen dat Op de foto in essentie gaat over kunst, die op een lichtvoetige manier levenskunst wordt.

    In 2010 publiceerde Schippers nog zijn zoektocht naar Marcel Duchamps en je zou deze roman een fictieve versie van dat verslag kunnen noemen. Zoals Schippers gefascineerd en beïnvloed werd door de kunstenaar die gewone voorwerpen tot kunst verhief en eigen wetten en meeteenheden bedacht, zo raakt Yvette gefascineerd door Dubout, die veel meer blijkt te zijn dan een fotograaf. Net als Duchamps is Dubout een kunstenaar die kunst en leven met elkaar vermengt, zich terugtrekt en geen aandacht besteed aan roem en publiciteit.

    Duchamps werk is wel in verband gebracht met Dada, de beweging die na de eerste Wereldoorlog Europa even in zijn ban had. En Schippers draagt zijn oude, niet versleten liefde voor Dada nog altijd uit, zoals vorig jaar nog tijdens de tentoonstelling van de gebroeders Ritsema in Drachten. In Op de foto is het dan ook niet voor niets dat Abbie kinderpsychologe is en pogingen doet om het moment vast te leggen dat kinderklanken betekenis krijgen. Dada probeerde in zekere zin het omgekeerde; het betekenisvolle moest tot onzin worden afgebroken.

    Het is op de scheidslijn van onzin en betekenis waar Schippers zich het meest op zijn gemak voelt. In 1958 richtte hij samen met Bernlef en G. Brands het tijdschrift Barbarber op, waarin de poëzie gezocht werd in de onzin en het verrassende in het alledaagse. Naast bijdragen van de oprichters en hun vriendenkring waren regelmatig teksten te lezen van dadaïsten of half vergeten schrijvers uit vroeger tijd. Een enkeling wordt ook genoemd in Op de foto, zoals bijvoorbeeld Edward Lear (1812-1888), aan wie Barbarber eens een heel nummer opdroeg. Lear is de auteur van diverse onzin alfabetten die overigens allemaal 26 letters hebben. Lear schreef onzin rijmpjes voor elke letter van het alfabet, en gaf ze in eerste instantie aan kinderen te lezen. Dat de kring rond Barbarber ze zo mooi vond, heeft alles te maken met het kinderlijk vermogen de grens tussen onzin en betekenis te laten vervagen. Bij Lear werd de systematiek van het alfabet immers ondermijnd door de ontregelende onzin van zijn rijmpjes.

    In 1990 toen Schippers, Bernlef en Brands hun Barbarber-tijd wilden samenvatten in een boek, deden ze dat ook in de vorm van een alfabet. Maar ook hier ontbreekt de 27ste letter. Op de foto maakt die omissie goed.

     

  • Als stripheld kan het wel

    Als stripheld kan het wel

    De Brooklynclub van de Vlaamse auteur Bart Koubaa biedt een vertekende werkelijkheid. De plot in dit boek is zo onwaarschijnlijk, zo duidelijk geen deel van de realiteit, zo ‘over the top’ dat het haast komisch is. Tot op zekere hoogte in ieder geval.

    In zijn terugblik gaat de ik-figuur, een Amerikaan die in zijn leven diverse onaanzienlijke baantjes vervulde, in op de moord die hij, als een late wraakneming, pleegde en waar hij van had gehoopt dat hij er mee weg zou komen. Maar het toeval, vreemd genoeg verpersoonlijkt door een eekhoorn, beslist anders.

    De ik-figuur probeert een kennis uit Groenland, een zekere Paaluk, een louche figuur die in het boek wel degelijk een misdaad begaat, maar geen moord pleegt, voor de moord op te laten draaien. Dit lukt bijna. Maar uiteindelijk wordt de ik-persoon toch in Groenland gearresteerd en naar een Amerikaanse gevangenis gebracht. Daarmee verraad ik niets, dat wordt aan het begin van het boek al weggeven.

    Echt meeleven met het hoofdpersonage is door de auteur moeilijk gemaakt, want de ik-persoon is weinig innemend. Hij is racistisch en gelooft in complottheorieën. Toch wil je wel doorlezen, doordat de verteller een eigen stem heeft.

    Het verhaal gaat onder meer over een ‘fight club’-achtige organisatie van New Yorkse mannen die elkaar in de ring bekampen met roedenbundels, de zogenaamde Brooklyn club uit de titel. Wanneer de vastgoedmakelaar Mayer zijn intrede doet in de club, verwordt de organisatie al snel. Mayer verkracht de vriendin van de ik-figuur voor diens ogen en die van andere clubleden. Pas veertig jaar later krijgt de ik-persoon de mogelijkheid om wraak te nemen. Hij vermoordt Mayer op brute wijze. Met een waanzinnig plan hoopt hij uit de handen van het gerecht te blijven.

    In dat plan speelt het motief van de dubbelganger een rol, bekend uit diverse klassieke werken uit de wereldliteratuur. De ik-figuur lijkt namelijk sprekend op zijn doelwit, Mayer. Dit gegeven gebruikt hij in zijn moordplan. Dit boek haalt het echter niet bij De Donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans of de novelle The secret sharer van Joseph Conrad, waarin dubbelgangers ook een rol spelen. Het boek is niet beklemmend, eerder apart. Daarvoor zorgt de absurde plot, die in het begin fascinerend is, maar op den duur enige thematische leegte lijkt te moeten verhullen.

    In zijn bekentenis springt de ik-figuur door de tijd, zodat je pas op het einde de hele clou min of meer snapt. De verhaallijntjes komen bij elkaar, maar helemaal bevredigend is het niet. Dat wil je in al zijn onwaarschijnlijkheid best accepteren, maar als lezer hoop je op meer. Je kunt de ik-figuur niet altijd volgen in zijn gedachtenspinsels. Zo zegt hij: ‘Op de vraag waarom ik zo lang gewacht heb om Mayer te vernietigen kan ik in de huidige omstandigheden met wat ik nu weet alleen maar antwoorden dat ik met de beste wil van de wereld geen mens zou kunnen doden. Om Mayer te kunnen vernietigen moest hij in tegenstelling tot Superman, een stripheld worden, een eend in Duck Hunt die je met plezier dood schiet…’ (126)  Deze passage laat tegelijkertijd de sterkte en zwakte van het boek zien. Koubaa heeft stilistisch wat in zijn mars, maar geloofwaardige personages met dito levenskeuzes schept hij, althans in dit boek, niet.
    De ik-figuur is de enige persoon die enigszins wordt uitgewerkt. De andere figuren maken deel uit van diens vervormde wereld. Jammer is bijvoorbeeld dat een potentieel interessant personage als de ontsporende psychiater dr. Neumann, niet verder wordt uitgewerkt.

    Het boek stipt kort gebeurtenissen uit de Amerikaanse geschiedenis van de laatste decennia aan, van de ontploffing van het ruimteveer Challenger en de oliecrisis tot de aanslagen van 11 september. Zo kan De Brooklynclub ook als tijdsdocument gezien worden. Koubaa gaat verder in op de Amerikaanse populaire cultuur, van honkbalwedstrijden tot de strips over Superman en de tekenfilms over Tom en Jerry. Deze verschijnselen vormen de achtergrond voor het handelen van de hoofdpersoon. Dit inkijkje in de Amerikaanse geschiedenis en de populaire cultuur vormt het meest aansprekende deel van dit boek, dat ook qua stijl en compositie wel het een en ander te bieden heeft.

    Bart Koubaa (1968) schreef  eerder onder meer De leraar en Maria van Barcelona.