• Niet te laat komen voor je eigen leven

    ‘Doesburg. 1936. Gientje Schaaf die zon en liefde is, drentelt door het dorp, op zoek naar de dingen. Ze is zes en het leven is zojuist begonnen. Alles is nieuwer dan nieuw. Het is haar taak te huppelen en haar krullen te laten glanzen. Behalve in bomen klimmen kan ze parlevinken als geen ander (zegt haar moeder, die vol rare uitdrukkingen zit) en soms kan ze in de toekomst kijken.’

    Gientje is een vrolijk en ondernemend meisje, onbevangen ook. Ze gaat er stiekem vandoor met de verrekijker van haar vader en biecht hem later op: ‘Pap, ik word ontdekkingsreiziger.’ Met een vette knipoog naar zijn vrouw antwoordt hij: ‘Wie kan jou nou tegenhouden?’ Je gaat al snel van haar houden.

    Jaren later is Gientje de moeder van Minnie – Ik ben tegen -Tikker. Minnie is op zoek naar een eigen leven, naar een zinvolle bezigheid, en naar warmte. Daarvoor heeft ze antwoorden nodig en tracht ze het waarom van de kille houding van haar moeder te achterhalen. Ze woont al jaren niet meer thuis, maar blijft worstelen met hun onderlinge verhouding. ‘Weg met die moeder in haar kop!’ Als ze elkaar treffen zijn ze beiden (even) van goede wil, maar eindigt het steeds weer ijzingwekkend koud.

    Coco Schrijber (1961) is documentairemaakster en schrijfster. Ze ondertekent een van haar mails met ‘Minnie Tikker’. De voor de hand liggende vraag naar het autobiografisch gehalte van De luchtvegers is daarmee beantwoord.

    Het is nogal wat, wat er in deze familie allemaal gebeurt. Al snel na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog schieten de Duitsers Gientjes vader dood. Haar moeder raakt daardoor zo van slag dat ze niet meer voor haar kan zorgen en het kleine meisje verhuist naar het klooster van de Zusters van Liefde in Roermond. Daar heerst een onmenselijk en wreed regime en kindermishandeling en -misbruik is aan de orde van de dag.  Gientjes latere echtgenoot Tobias Tikker overleeft de gruwelen van het concentratiekamp. En jaren later worden Minnie en haar broers hard geconfronteerd met de indirecte gevolgen van al die ellende.

    Ik kom echt uit zo’n familie’ zegt Coco Schrijber. ‘Al heb ik het verhaal wel naar mijn hand gezet.
    Ik wilde geen filmer worden maar schrijfster. Na de film die ik nu aan het afmonteren ben, wil ik full time gaan schrijven. Dit verhaal moest er eerst uit, het gaat over de keuzes die mensen maken, over het leven dat je wilt leiden, en dat wat je laat liggen.
    De vraag die mij bezighoudt is: Waarom is het zo moeilijk te leven zoals je wilt? Ieder mens krijgt te maken met obstakels in zijn of haar leven, maar dat je zo ver verwijderd kan raken van wie je ooit was, vind ik schokkend en pijnlijk. En waarom lukt het de één wel, en de ander niet om ondanks ellende en pijn, gelukkig te worden?
    Waarom kijken mensen niet elke zoveel jaar naar zichzelf, naar hun leven en stellen ze zich de vraag “Wil ik nog wel het leven leiden dat ik leid?” Alles wat ik doe heeft daar mee te maken. Ook in mijn film Bloody Mondays & Strawberry Pies was dat het onderliggende thema.’

    Het boek heeft een duidelijke structuur: de meeste delen zijn geschreven vanuit het perspectief van Gientje of van Minnie. Gientje is in sommige hoofdstukken nog klein, ze begrijpt niet waarom haar moeder haar niet weghaalt bij de nonnen waar ze een rotleven heeft (‘’s Avonds in bed denkt Gientje aan de woorden van zuster Edeltrudis. “God zorgt voor zijn schaapjes op de manier die hem goeddunkt.” Waarom dunkt God het goed om ons hier in dit nare oord te laten wegrotten? Waarom mag ze niet gewoon bij haar moeder zijn?’), in andere hoofdstukken is ze volwassen. Ze heet dan inmiddels Gientje Tikker, en heeft drie kinderen. Haar man Tobias Tikker is de grote steun en toeverlaat van Minnie, haar jongste en enige dochter. Tobias daagt Minnie uit en prijst haar. Gientje bekritiseert haar enkel. Tobias overlijdt jong, als Minnie tien jaar is. Vanaf dat moment is ze haar anker en de warmte in haar leven kwijt.

    Minnie woont antikraak in Amsterdam, is erg met zichzelf bezig en maar weinig met de wereld om haar heen, neemt een houding aan van ‘het kan me allemaal wat’ en heeft een heleboel vragen. Zij snapt vooral niet waarom haar geweldige vader ooit is gevallen voor haar kille moeder.

    Een fascinerend personage is Brume, een oudere, wat eigenaardige vrouw die bij Minnie in huis blijkt te wonen. Brume is belangrijk voor Minnie.

    Brume maakt duidelijk dat Minnie het helemaal zelf moet doen, dat ze het heft in eigen hand moet nemen en haar eigen leven moet gaan leiden. Het vertrek van Brume zegt uiteindelijk genoeg.’

    Waar zijn de mannen in dit boek? De belangrijkste mannen gaan dood en zijn indirect de aanleiding voor de ellende van Gientje en Minnie.

    ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Maar nee, het kwaad zit bij de vrouwen, die mannen kunnen er niks aan doen. Het zijn de vrouwen in het klooster die het meeste kwaad doen. En Gientje natuurlijk, maar zij heeft een excuus. Voor mij persoonlijk zou het fijn geweest zijn, als mijn moeder een excuus gehad had, een verklaring. Maar zij heeft altijd gezwegen. Ik weet dus niet wat er echt met haar in dat klooster is gebeurd. Dat ze daar gezeten heeft, is wel zeker. Een vriendinnetje hield een dagboek bij. Dat dagboek is authentiek en daar heb ik veel aan gehad.’

    Minnie komt er ook niet achter wat er met haar moeder is gebeurd. Pas als zij het bericht krijgt dat haar moeder op sterven ligt, denkt ze eindelijk de juiste vraag gevonden te hebben om haar moeder te doen ontdooien en iets te ontdekken over haar jeugdjaren. Maar ze is te laat. Gientje gaat dood zonder Minnie een antwoord te hebben gegeven. Het enige dat ze haar moeder nog hoort zeggen is: ‘Straks word ik weer een meisje’.
    ‘Dan vindt Minnie een fotoalbum en ziet tot haar schrik dat ze toch wel op haar moeder lijkt. Ze vraagt zich af of haar moeder ooit wel eens ergens voor geknokt heeft, maar haar moeder heeft zich juist gek geknokt, is ontsnapt uit dat klooster, heeft gerend en gerend!’
    ‘Ik kwam er achter dat je lang niet alles weet over je ouders.’, zegt Schrijber

    Is het in eerste instantie een roman over herinneringen over een tijd, een blije jeugd, een plek, het dagelijks bestaan, maar gaandeweg vormen die herinneringen een verhaal, en vallen er steeds meer stukjes op hun plaats. Het zit boordevol thema’s en gedachten die elk op hun beurt onderwerp van een roman kunnen zijn.

    ‘Dat klopt, dat hoor ik wel vaker. Ik houd niet van films en boeken waarin maar één thema aangestipt wordt. Zo zit het gewone leven ook niet in elkaar. Het leven gaat niet alleen maar over twee hoofdpersonen, in een leven gebeurt ook alles tegelijkertijd en moet je van alles. Je moet gelukkig worden, werken, kinderen krijgen, succesvol zijn. En dan plots ben je 40-45 jaar, ga je scheiden, word je wakker en realiseer je je dat je je eigen leven had moeten leiden. ‘Er zijn maar een paar dingen belangrijk en dat zijn altijd dezelfde dingen. Een ervan is dat je niet te laat moet komen voor je eigen leven.’

     

    De luchtvegersHoe is het nu, voel je wrok?

    ‘Nee, ik voel geen wrok. Ik heb alles gedaan wat ik kon doen. Dat weet ik en uiteindelijk krijg je dan het inzicht: ik ben er klaar mee. Van die korte tijd met mijn vader heb ik een dosis zelfvertrouwen overgehouden. Hij zei altijd : “Jij kan alles” in tegenstelling tot mijn moeder die altijd zei “Jij kan niks”. Zo ook bij dit boek. Dat moest ik schrijven en ik dacht: “ik kan dit gewoon”.’

    Herken je andere Minnies?

    ‘Jazeker! Zij lachen altijd alles weg, vertellen de meest vreselijke verhalen op een grappige manier, maar dat kan ook niet anders. Dat deed ik ook. Je kan toch niet altijd gaan zitten janken? Anderen konden daar niet goed mee omgaan en boden me dan maar een biertje aan. Waarom zou ik dan mijn hart gaan zitten uitstorten, ik weet toch zèlf hoe het zit? Dan moest ik ook die ander nog gaan zitten troosten en zeggen: “nee hoor, geeft niet, we gaan een biertje drinken”.
    Op zo’n moment heb je Brume, iemand die het snapt, echt nodig!’

    De luchtvegers is geestig geschreven, met rake zinnen en een enorme vaart. Het onderwerp mag dan een existentiële zoektocht zijn als gevolg van een hoop narigheid en ellende, door het directe taalgebruik, de mooie bewoordingen, en de onderkoelde humor is het een prachtig boek geworden over een geschiedenis die verteld moest worden.

     

     

  • Afscheid van een vriend

    Afscheid van een vriend

    De vertaler is verbonden aan het Instituut voor Oosterse Talen en Culturen van de Universiteit van Gent. Hij legt de laatste hand aan een nieuwe vertaling van Ali Baba en de veertig rovers. We kennen het verhaal sinds Antoine Gallands achttiende eeuwse interpretatie, maar onlangs is onder het puin van een bombardement in Irak een onbekend manuscript vandaan gehaald. Zal dit uitsluitsel geven over de aard van het verhaal waarover zoveel te doen is geweest in vakkringen, is het inderdaad van oorsprong Arabisch, zoals velen denken? In de roman Een goede vriend van de Vlaamse auteur Bart Koubaa, staat de vertaler centraal. Hij is naar Portugal vertrokken voor een laatste revisie van zijn werk, voordat het naar de drukker kan. Hij heeft tijd genoeg om zijn aandacht te verdelen en dat heeft hij nodig want hij gebruikt zijn reis om in het reine te komen met een overleden vriend. Het verband tussen de thema’s van de vertaling en de vriendschap heeft de vertaler in Arabische letters ‘als een telefoonnummer’ op zijn arm gekalligrafeerd: een goede vriend. 

    Fotolijstje
    De vertaler huurt een appartement in Lissabon, maar de huiseigenaar heeft de ruimte zelf nodig en brengt hem onder in de populaire badplaats Sesimbra, veertig minuten verderop. Zijn vriend gaat mee als ‘zelfportret’ in een lijstje en overal waar de vertaler komt, zet hij het lijstje neer om er een foto van te maken. Alsof ze samen vakantie vieren. Ondertussen voeren ze gesprekken waaruit blijkt, of in ieder geval wordt gesuggereerd, dat ze wel eens eerder in deze contreien zijn geweest. Wie aan het woord is en waarom, is zelden duidelijk, en ook de aard van de vriendschap laat veel te raden over. De communicatie is kennelijk bedoeld voor de goede verstaander: Maar ik zit hier omdat jij aan de Blaarmeersen een vis met een man en een gesluierde vrouw erop in de wolken hebt gezien. Ho, mon ami, jij zit hier omdat je een appelsien hebt gezien, een burtugal, je moet de dingen niet omdraaien. Maar die vis… Was je liever thuisgebleven misschien? Nee, maar ik heb die vis ook gezien. Ja, en dan? Jij zei dat ik hem moest zoeken, dat het mijn missie was die vliegende vis te vinden. 

    Uitbundigheid troef
    Zo terughoudend Koubaa is over het dramatische verloop van de gebeurtenissen–we krijgen geen uitsluitsel over zijn vriendschap, maar ook niet over de betekenis en achtergronden van de vertaling waar hij aan werkt–zo uitbundig beschrijft hij de omgeving waarin hij verkeert en zijn dagelijkse routine van opstaan, boodschappen doen, koffie drinken, koken, zwemmen, rondkijken, wassen, slapen. Ik had het laatste zakje oploskoffie gebruikt–oploskoffie is niet meer dan oploskoffie–en de bol kaas was ook zo goed als op; ik moest boodschappen doen. Het was druk en volop zomer in de stad. De naar kokosnootcrème geurende promenade wemelde van overladen strandgangers en joelende kinderen, wandelaars met kranten, stokken en honden en trage toeristen met goedkope rieten hoeden en zonnebrillen op. De overdaad aan details doet vermoeden dat Koubaa de vakantiefoto’s voor zich heeft uitgestald en alles vermeldt wat daarop te zien is. Ieder winkeltje, trappetje, huisje, stalletje krijgt afzonderlijk aandacht, Sesimbra heeft na lezing van Een goede vriend geen geheimen meer.

    Geconsumeerde kopjes koffie met pasteitjes, alle afzonderlijke boodschappen op de markt, plus het bereiden van vismaaltijden, het krijgt allemaal een plaats–als ontvangsten en uitgaven in een kasboek. Daarbij legt de schrijver een opmerkelijke fascinatie aan de dag voor opschriften op t-shirts: I ALWAYS WEAR MY INVISIBLE CROWN; STOP FOLLOWING ME; IS IT FRIDAY YET?; DON’T PANIC; BAD COP NO DONUT; BERLIN; EAT NAAN WITH CURRY ON. Lezers zouden misschien geneigd zijn daar een speciale betekenis achter te zoeken, maar de schrijver weet zijn bedoelingen zorgvuldig verborgen te houden, misschien wel door zijn exuberante beeldspraak. De zee is Picasso-roze, middagblauw, gerimpeld zwart, koffie, loodblauw en dat alles onder een fel zomermiddaglaurierlicht met blauwroze flamingowolken. Zwaluwen vliegen als boemerangs door de lucht en meeuwen lachen zich een ongeluk als ze niet aan het vergaderen zijn. Literatuur met een hoofdletter!

    Rust
    Op een nacht zit de vertaler samen met het zelfportret van zijn goede vriend op een rots naar de zee te kijken, maar door een windstoot verdwijnt het zelfportret in de golven. De vertaler duikt het als een aalscholver achterna, maar kan het niet meer vinden. Een paar dagen later dobbert hij in een bootje op zee. Op zijn rug liggend tuurt hij omhoog. Ik lag te kijken naar wat ik zag zonder verbanden te leggen tussen sterren en hemel of de zwakke maan ertussen. En voor het eerst leek ik te zien wat ik zag, in de volste en ruimste zin en zonder betekenis, woordspeling of allusie (…) ik was er en dat was voldoende. We hebben het geheim van Ali Baba nog niet weten te achterhalen, maar dit was hoogstwaarschijnlijk het geheim van de goede vriend.

     

     

  • Poëtische, maar cryptische roman

    Poëtische, maar cryptische roman

    Niet verder vertellen, de nieuwe roman van K. Schippers, wordt een sprookjesachtig vervolg op Waar was je nou genoemd, dat bekroond is met de Libris Literatuurprijs 2006. In beide romans speelt Schippers met de tijd en verdwijnt de hoofdpersoon via foto’s in het verleden. Maar waar Waar was je nou een organisch geheel vormt van tijdswisselingen, stijlvariaties en alledaagse observaties, blijft zijn opvolger een verzameling indrukken en verwarrende elementen, dat op den duur zelfs irritatie opwekt.

    K. Schippers staat bekend om zijn experimenten met taal, tijd en ruimte. Een conventioneel verhaal, waarin de gebeurtenissen grotendeels chronologisch worden gepresenteerd, is hem een gruwel. Voor Schippers moet de taal swingend zijn, onverwachte wendingen nemen en de lezer op het verkeerde been zetten. De taal is gebaseerd op zintuiglijke ervaringen en moet de lezer in trance brengen, zodat hij elk besef van tijd en ruimte laat varen. Dit is een mooi en ambitieus streven, dat doet denken aan de droomwerelden van de surrealisten, die in hun gedichten en schilderijen droom en werkelijkheid laten versmelten en daarmee essentiële vragen stellen over de als vanzelfsprekend geachte relatie tussen realiteit en representatie en tussen gevoel en verstand. Wat dat betreft is het vreemd dat in Schippers’ nieuwste roman geen René Magritte of Salvador Dalí figureren, maar de realistische schilder Georg Hendrik Breitner en de modernistische beeldhouwer Alberto Giacometti.

    Inmiddels liggen de hoogtijdagen van het surrealisme ver achter ons en het postmodernisme, dat oude stijlen hergebruikt en verstoppertje speelt met de lezer, is ook verleden tijd. Schippers gaat vrolijk op de oude voet verder en verzandt in gecompliceerde spielerei. Zo begint Niet verder vertellen met de mededeling dat ‘Simonetta Vespucci tussen de golven is geboren’, een verwijzing naar de vrouw die model stond voor de schilderijen van Sandro Botticelli. De hoofdpersoon zit met een geheimzinnige dame, genaamd Simone, in de trein richting Turijn, waar ze de lijkwade van Christus gaan bekijken. Verder bezoeken ze het Zwitserse bergdorp Stampa, om het licht en de ruimte te zien waarin De Chirico en Giacometti werkten. In het tweede deel van de roman duikt Schippers in het verleden van zijn moeder, die als meisje gefotografeerd wordt door Breitner. Zijn moeder is een eenvoudige winkelbediende in de provincie, maar ambieert eigenlijk een artistieke carrière. In de loop van de roman raken deze twee verhaallijnen steeds meer met elkaar vervlochten.

    Van dit gegeven had Schippers een boeiende roman kunnen maken, waarin het verlangen (en de onbereikbaarheid) van de kunst centraal staan. In plaats daarvan springt hij van de hak op de tak en irriteert hij de lezer met op het oog cryptische, quasifilosofische dialogen. In het hoofdstuk ‘Waar blijft Simone?’ staat de ik-persoon ongeduldig op zijn mysterieuze vriendin Simone te wachten, met wie hij de woon- en werkplaats van Giacometti gaat bezoeken. Daar, in de afgelegen, Zwitserse Alpen, komt het zonlicht niet over de bergen. Tijdens het wachten verliest hij zichzelf in ‘een weefsel van de lichtste voorvallen’. Wanneer Simone plotseling opbelt, murmelt hij ‘…dat het door geen enkel voorval wordt geraakt…’ Simone begrijpt niets van zijn reactie.

    ‘…wat krijgen we nou…’ vraagt ze.
    ‘…dat web…’
    ‘…het zal wel…’
    ‘…onderling zo zorgvuldig…’ ga ik nog door.

    Verder verspringt hij van tijd binnen een alinea (‘In dezelfde tijd liep ik over een gracht in Delft. Dichters lezen poëzie in Café de Eland en ik heb even vrij.’) en gebruikt hij regelmatig onduidelijke verwijzingen (‘Strak staat het, zonder te breken, niets van dit geringste dringt ergens door. Als het al iets doet, dan probeert het afwezig te zijn.’). Hier spreekt de dichter K. Schippers. Hij brengt beelden met elkaar in verband en laat ze -op verschillende plaatsen en in verschillende tijden- in elkaar overgaan. Daarvoor hanteert hij overigens prachtige, poëtische zinnen: ‘Buiten neemt de wind een paar bladeren op, niet al te gretig, veel zijn het er niet (…) om dan ineens z’n belangstelling voor wat hij toch zelf heeft opgetild te verliezen’. Maar dichterlijke vrijheden werken minder goed in romans, die afhankelijk zijn van sterke verhaallijnen en ontwikkelende personages. In Niet verder vertellen vraagt K. Schippers te veel van zijn lezer. Schippers’ creativiteit en vindingrijkheid resulteren in een poëtische, maar cryptische roman, die door het gebrek aan aanknopingspunten zijn doel voorbijschiet.

  • Lofzang op het landschap en het platteland

    Lofzang op het landschap en het platteland

    Het landschap waarin een mens zijn leven doorbrengt is een van de meest fundamentele elementen die de waarde en de waardigheid van zijn leven bepalen. (…) Een landschap bestaat voor zijn bewoners behalve uit fysieke kenmerken uit een ongelooflijk complex weefsel van ervaringen, herinneringen, sporen, verhalen, kennis, tekens die hij nodig heeft om zijn weg erin te vinden, nieuwe ontdekkingen een plaats te geven, zijn keuzes voor de toekomst te kunnen funderen op lessen uit het verleden. Het landschap is een spiegel van het menselijk bestaan. Het is daarom van het grootste belang erover na te denken aan wie we de zorg ervoor toevertrouwen.’

    De verwoesting van het landschap
    Met deze persoonlijke filosofie opent schrijver, dichter en vertaler Willem van Toorn zijn essaybundel waarin hij zijn liefde voor het landschap en het platteland beschrijft. Dat doet hij door naar gebieden te reizen die door schrijvers als Louis Paul Boon, Cesare Pavese, Bert Schierbeek en anderen zijn beschreven om te zien wat er van geworden is. Dat is meestal niet best, de meesten zijn aangetast door de moderne tijd, die volgens van Toorn gekenmerkt wordt door het vrijemarktdenken. Dat denken verwoest het platteland. De toon waarmee hij de verantwoordelijke bestuurders veroordeelt voor het verloren laten gaan van het landschap en het platteland is ongemeen scherp. Zijn beschrijving van het mislukte project ‘Blauwestad’ in Groningen – ‘vervalsing van het landschap’ noemt hij het – laat dat duidelijk zien. Ook een project over het Groene Hart waar hij als adviseur bij betrokken was, deed hem versteld staan. Alras bleek namelijk dat het perspectief van waaruit naar het landschap gekeken werd, de stad was.

    Het landschap werd gezien als recreatiegebied voor stedelingen, niet als gebied met een historie waar mensen wonen. Van Toorn hield het snel voor gezien.

    Het Franse platteland
    Van Toorn bezit al heel lang een huis op het platteland in Frankrijk en in een aantal verhalen in deze bundel beschrijft hij de ontwikkelingen aldaar, de mensen die vertrekken, de mensen die er komen wonen. Wat opvalt is dat er nauwelijks sprake is van leegloop; huizen en boerderijen die leeg komen te staan worden verkocht aan jonge mensen en blijven bewoond door mensen met liefde voor de omgeving. Daar, in zijn ‘lieu-dit’ , het gehucht waar hij woont, ervaart hij de intimiteit van het nog authentieke leven op het platteland. Daar is het hedendaagse leven nog verbonden met de historie van het gebied. En dat is precies wat Van Toorn zoekt.

    Dilemma
    Op dat moment komt zijn persoonlijke dilemma om de hoek kijken. Omdat Van Toorn in Nederland in de grote stad woont, ervaart hij aan den lijve het verschil tussen de moderne stadsmens en de plattelander. Duidelijk is dat het leven op het platteland zijn voorkeur heeft, maar tegelijk wil hij het leven in de stad niet missen.

    Van Toorn verwondert zich erover dat hij aan de ene kant moet leven met de ‘in onbegrensde welvaart opgegroeide westers consumptiemens’, die in staat is ‘op veel plaatsen het geheugen van het landschap uit te wissen met gedachteloze megaprojecten’ en aan de andere kant laat hij zich ‘verrassen door een dorps echtpaar met twee halve varkens, mensen in wie de generatie van mijn grootouders onveranderd lijkt voort te bestaan. Ik lijk met die twee werkelijkheden te moeten bestaan’.

    En zo is het; toch maakt hij duidelijk dat de werkelijkheid van het platteland hem vele malen boeiender voorkomt dan welke modernisering dan ook. Wanneer hij het over dat laatste heeft, neemt zijn woede toe en moeten al degenen die geen oog hebben voor de historie en de schoonheid van het landschap/platteland het ontgelden. Hij beschouwt het landschap als iets dat ‘onder invloed van menselijke behoeften in een lange periode van aanpassingen op menselijke schaal is ontstaan’ en het nieuwe platteland als iets ‘van de tekentafel’. Met dit laatste doelt hij op de grote ruilverkavelingen in Nederland die het gevolg zijn geweest van het beleid van Sicco Mansholt. Voor zijn beleid heeft van Toorn geen goed woord over.

    Van Toorn beschrijft in heldere bewoordingen zijn liefde voor het landschap en het platteland. De verhalen over zijn leven in het Franse gehucht zijn mooi om te lezen, maar contrasteren wel erg met zijn aanklacht tegen de verwoesting van het platteland. Daarin schiet hij soms door, maar dat zij hem vergeven. Iemand zoals hij, die zich al zijn hele leven inzet voor het behoud van het waardevolle van het landschap, verdient ons aller waardering.

     

  • We leven heel ons leven fout

    We leven heel ons leven fout

    Sander Schwartz heeft een jaar besteed aan ‘de intensieve ombouw van (zijn) persoonlijkheid’ en schrijft nu zijn memoires. Hij schetst zijn leven zoals hij dat, met nieuw verworven inzicht, eindelijk onder ogen durft te zien. Zegt hij. Hoe kon het toch zo verkeerd gaan? Hoe is hij aan zijn heilloze levensweg ontkomen? En wat voor man is hij geworden, hij die nu deze biecht opschrijft?

    Lezer, heeft u zin in in een bekeringsverhaal? De vergever is weliswaar geen traditioneel christelijk verhaal van zonde, val en verlossing, maar in seculiere termen volgt het boek wel degelijk dit schema, dat al minstens sinds Augustinus gangbaar is. Het citaat van Borges dat aan het boek vooraf gaat, formuleert de hoofdzaak: ‘Ik heb de vreselijkste zonde begaan die een mens maar begaan kan. Ik ben niet gelukkig geweest’.

    Robert Anker werkt dit gegeven doeltreffend uit, in mooi hedendaags Nederlands en met, binnen de beknoptheid van zo’n 150 bladzijden, toch genoeg ruimte voor uitweidingen en kleurrijke details. Die beknoptheid leidt tot een hoog verteltempo en een keuze van gebeurtenissen die vol betekenis zijn. Dat maakt dit boek tot een klassieke roman zoals W.F. Hermans die voorstond.

    De doeltreffendheid leidt tot geloofwaardigheid, wat op zijn beurt, houdt u vast, een stichtelijk verhaal oplevert. Wat dat betreft doet het aan de vrome verhalen van Tolstoi denken, maar dan met een minder ondubbelzinnige strekking. Schwartz weet eindelijk hoe een mens behoort te leven en richt zich vol ernst tot de ‘vrienden’, de ‘jongens’ – en daar mogen de lezers van het boek zich vast ook toe rekenen.

    Wat is er gebeurd? Dat laat zich raden in een boek als dit: het leven bestaat uit vallen en opstaan, en Schwartz valt steeds dieper en het opstaan is uiteindelijk slechts een opkrabbelen en leren leven met de opgelopen averij. Alle slagen van het leven doen afbreuk aan zijn zelfbeeld en zijn levenshouding, hoe hardnekkig zijn ‘oude vormen en gedachten’ zich aanvankelijk ook handhaven. Dat hij niet al in een vroeg stadium van zijn leven vastloopt, komt door de vrouwen in zijn leven, reddende engelen die hem steunen en op de been helpen.

    De levensloop
    Na een idyllische plattelandsjeugd volgt een studie in Amsterdam die hij niet afmaakt. Hij heeft succes in de journalistiek en krijgt een burn-out. Hij verzet de bakens en wordt, aanvankelijk weer met succes, schrijver van romans en verhalen. Als zijn uitgever hem niet langer wil uitgeven – hij geldt inmiddels als een ouderwets auteur – volgt grote woede, ja, rouw, en hij wreekt zich op zijn lot door grote namen in de literatuur te gaan ‘ontmaskeren’ (in essays die hij in portefeuille houdt; de uitweidingen over de schone letteren zijn boeiend maar dragen aan het eigenlijke verhaal weinig toe; ze vormen een, soms erg geestig, essay dat op eigen benen kan staan). Aan het eind van het levensverhaal zit hij hulpbehoevend in een rolstoel. De zoveelste vrouw is aangetreden, eentje die past bij zijn verlichte staat. De zoveelste ‘reddende engel’. U begrijpt, de successen en de overige voorspoed waren maar schijn, doordat ze Schwartz bevestigden in de dwalingen zijns weegs. Althans, gezien in het licht van zijn latere ‘bekering’. De tegenslagen daarentegen zijn ‘blessings in disguise’.

    Schuld
    Dat Schwartz de ontoereikendheid van zijn leven – zijn weigering te leven, zijn ‘absenties’, zijn gebrek aan betrokkenheid, zelfs in de liefde – allengs weet kwijt te raken, komt onder meer doordat een zekere Wennekes, die hij lang geleden als journalist ernstig gedupeerd heeft, hem min of meer begint te stalken. Deze man, een ‘beate’ (niet het enige woord in dit boek met een christelijke klank) verschijning, werpt hem zijn schuld voor de voeten maar zegt hem reeds te hebben vergeven. Naar hem verwijst ogenschijnlijk de titel. Hij wil dat Schwartz zijn vergeving accepteert.

    Deze vertikt dat, want ‘schuld’ bestaat niet, ‘shit happens’ nietwaar, en vergeving accepteren staat gelijk aan schuld bekennen: ‘Ga weg, halve Jezus!’ (Sander Schwartz is natuurlijk zélf ‘half’: zijn voornaam is de helft van ‘Alexander’, hij is een gemankeerde wereldveroveraar. En zijn achternaam deelt hij met de alchemist Berthold Schwartz, de monnik die goud wilde maken en het buskruit uitvond. Er zijn meer namen in dit boekje die ‘significant’ zijn).

    Later, als de omvorming van de hoofdpersoon al flink gaande is, verdwijnt deze katalysator van Schwartz’ metamorfose even plotseling als hij was opgedoken. Is ook hij een ‘reddende engel’? Intussen is Schwartz dan al zijn eigen ‘vergever’ aan het worden. Zegt hij.

    Schuld, spijt, schaamte, vergeving – Schwartz’ gedachtenleven krijgt een uitgesproken christelijke kleur, ook al blijft alles seculier. Oude wijn in nieuwe zakken, zou je kunnen zeggen. Anker heeft een hedendaagse, levende vorm gevonden om een oermenselijke ervaring te presenteren. Deze mooie kleine roman laat zich lezen als de geschiedenis van een individu én als een parabel, een gelijkenis over de hardleerse mens en het onverbiddelijke leven. Stof tot nadenken te over. Geen boek om vrijblijvend te lezen als ‘slechts literatuur’.

    Of Schwartz werkelijk vrede heeft gevonden? Laten we niet vergeten dat we enkel en alleen zijn eigen verhaal hebben om op af te gaan, en dat zijn Werdegang blijk geeft van een groot talent voor zelfbedrog. Is hij aan het eind een spirituele overwinnaar? Of is hij de machoman die verblind door zelfbedrog zijn echec als een overwinning afschildert? Anker wil ons denkelijk de eerste interpretatie doen geloven, maar door de memoire-vorm en daarmee het ik-perspectief te kiezen, laat hij de lezer ruimte voor twijfel en argwaan. Dat maakt het boek des te boeiender.

     

     

  • De uitgeklede versie

    De uitgeklede versie

    De kunstgreep is oud: de verwoording van het verlangen als de realisatie ervan. De herhaling die inderdaad iets versterkends heeft, blijft intrigerend. Er bestaat iets als een parallellisme, als in de psalmen. Maar misschien legt de creativiteit van de schrijver het geheugen van de lezer die hij altijd ook is – hij begint nooit vanuit niets als dichter – tijdelijk stil.

    Deze vier zinnen zeggen veel over het werk van Astrid Lampe. Maar ook volstrekt niets. Dat komt hierdoor: ze zijn alle afkomstig uit de voorbeeldige essaybundel over poëzie van Kees Fens De tweede stem. Ze hebben het dus in zich iets te kunnen zeggen over poëzie want ze zijn geschreven in een verband dat zich uitspreekt over poëzie. De zinnen komen echter uit verschillende essays en gaan over heel andere dichters en bundels. Maar Fens was een heel verstandige man, en indien zulke zinnen goed gesampled worden kan zo’n verzameling losse stukjes veelbetekenend worden.

    In Lampe’s recentste bundel Rouw met diertjes bestaan twee van de drie afdelingen uit ‘gesamplede’ gedichten. De eerste met dichtregels die Lampe verkreeg door te grasduinen in de bundel Geboorten van het vers, uit de reeks ‘ Levende Franse poëzie’.  De tweede afdeling is een sample uit vertalingen uit het Amerikaans. Is poëzie gemaakt van stukjes andere poëzie, wel poëzie? Welzeker, meent Fens hierboven. Maar misschien legt de ‘creativiteit van de dichter, de lezer die hij ook is over het algemeen wel even stil’. En moeten we dat ook eigenlijk wensen. Iedere dichter put uit een taalarsenaal, dat kan gebruikstaal zijn, maar ook ingedikte taal van anderen: poëzie. Lampe kan dus poëzie scheppen uit poëzie van anderen. En soms levert een opgedolven zin in een ontketend verband ook iets verbazingwekkend levends op.

    Natuurlijk resoneert in de lezer die deze afdeling ‘dronken  jol’ leest Arthur Rimbauds Bateau ivre mee en regelmatig botsen mooie archaïsche zinnen boeiend op technische samples:

    Het manuscript drukt een vroegere versie van het gedicht af dan
    verwondt hij zich, het fatale terugkeren verwondt hem.

    Toch kan dit niet het sterkste deel van een dichterlijk oeuvre zijn: echte creativiteit schakelt het geheugen van de lezer die zij ook is immers tijdelijk uit. Dan doet Lampe het beter in Rouw met diertjes, de grootste en eerste afdeling van de bundel. Het gedicht:

    rouw de
    onmogelijk nog langer uit te stellen jetlag
    viert uit boven het ravijn
    van al te vast (samen nog)
    net iets te blij aangestampt ruimtebeleven

    en

    vreet de hoogbouw
    we
    dragged and dropped
    (o lieve lust het stapelde)
    de
    original images
    into this workspace

    jij (spoot je ralkleur jij)
    nu stort je mij
    een retestrak vloertje
    grondig

    grondig ground zero
    laat op mijn beurt
    (niks technisch engels)
    mijn iCloud je rug krabben

    etaleert het spectrum van leessensaties die Lampe’s bundel oplevert: bewondering (‘rouw als onmogelijk langer uit te stellen jetlag’ is een goed beeld) lachen: (‘net iets te blij aangestampt’) irritatie over het misverstand poëzie interessanter te maken door het te insemineren met Engels en een lichte vermoeidheid aangaande het zelfverwijzende universum van Lampe (Spuit je ralkleur is een titel van een van haar eerdere bundels) dan wel dwangmatig up to date zijn (het eerste gedicht in de Nederlandse literatuur met iCloud er in), en dan weer terug naar bewondering: de gedachte dat je verloren geliefde bijvoorbeeld nog ergens nabij je iCloud hangt is wel mesmerizing.

    Spuit je ralkleur leverde overigens, evenals De memen van Lara een sprankelender en humoristischer universum op; nu leent rouw zich als thema misschien minder voor sprankeling en humor, gesteld moet dan misschien dat het soort poëzie dat Lampe schrijft zich minder leent voor rouw.

    Dat realiseert de dichter zich ook, regelmatig verwijst ze naar haar ‘uitgeklede versie’ en ze maakt daarmee haar laatste bundel ook een versie schameler dan haar werk was. Maar dat is misschien ook juist precies wat rouw doet.

     

    Deze recensie verscheen eerder in poëzieblad Awater (2013)

     

     

  • Rijke, ambitieuze roman

    Rijke, ambitieuze roman

    Grootheden die van hun voetstuk vallen, spreken tot de verbeelding. Alexander Laszlo, een van de twee hoofdpersonen van Jamal Ouariachi’s nieuwe roman Een honger, verwerft bekendheid als ontwikkelingswerker, maar valt in ongenade als hij door een van zijn Ethiopische adoptiekinderen wordt beschuldigd van seksueel misbruik. In een poging tot eerherstel vraagt hij zijn ex-vriendin Aurélie een boek over zijn leven en ideeën te schrijven.
    Dit gegeven vormt de basis van een complexe, gelaagde roman, waarin heen- en weer wordt geschakeld tussen de relatie van Alexander en Aurélie, hun ontmoeting in Ethiopië en het onvermijdelijke weerzien van de twee, tien jaar later. De energieke, onvermoeibare Laszlo blijkt te zijn veranderd in een gedesillusioneerde, oude man, die zijn hoop heeft gevestigd op de memoires waarmee hij zijn goede naam wil terugkrijgen. Met zijn pleidooi voor ‘een bepaalde mate van pedofilie’ in de samenleving stelt hij niet alleen de hysterische angst voor pedofielen aan de kaak, maar pleit hij ook voor een vrijzinnige, libertaire omgang met de seksualiteit van kinderen en seksualiteit in het algemeen. Hoewel er op Laszlo’s betoog veel valt aan te merken, getuigt het van lef dat Ouariachi dit gevoelige onderwerp durft aan te snijden.

    Interessanter dan de aandacht voor pedofilie in Een honger zijn de hoofdstukken waarin studente en journaliste Aurélie centraal staat. Wanneer zij als student psychologie in 2003 de charismatische ontwikkelingswerker Laszlo in Ethiopië leert kennen, is haar verliefdheid zo groot, dat ze alleen met ontzag naar hem kan opkijken. Tien jaar later, wanneer Aurélie een burgerlijk bestaan heeft opgebouwd met kind, vriend en redactiewerk, kijkt met ze met nuchtere ogen naar de man die zij als studente zo had geïdealiseerd. Met de beschrijving van de hectiek van haar bestaan, de twijfels, de irritaties, de verwachtingen en teleurstellingen, het schakelen tussen het echte leven en de sociale media, geeft Ouariachi een treffend beeld van de tijdsgeest. Aurélie worstelt met haar verschillende, vaak tegenstrijdige rollen: die van de verzorgende ouder, de liefhebbende partner, de presterende werknemer en het naar zelfontplooiing verlangende individu. Zo heeft ze aanvankelijk geen zin om aan een boek mee te werken waarin haar ex-vriend zijn controversiële ideeën over pedofilie uit de doeken wil doen, maar stemt ze toch in uit ambitie en nieuwsgierigheid. De combinatie van een sterk psychologisch inzicht en een ontvankelijke, kritische houding tegenover de maatschappelijke realiteit maakt Ouariachi tot een relevante auteur.

    Maar Een honger is meer dan een romance tussen een naïeve studente en een oudere, charmante ontwikkelingswerker, die elkaar tien jaar later treffen in een ongemakkelijke situatie. Ouariachi speelt met woorden en stijlen, wisselt voortdurend van vertelperspectief, levert commentaar op bekende boeken en schrijvers (Hemingway, Palmen) en schetst een gedetailleerd en overtuigend beeld van de hongersnood in het Ethiopië van de jaren tachtig.
    Deze rijkdom heeft echter een nadeel: een gebrek aan eenheid. Ouariachi heeft veel materiaal in deze roman willen verwerken, dat allemaal vrij uitvoerig wordt behandeld. Daardoor is het moeilijk om als lezer de belangrijkste verhaallijn in het oog te houden. Bovendien geven de vele filosofische en literaire uitweidingen het boek een tamelijk cerebraal karakter, wat de emotionele zeggingskracht soms in de weg staat. Niettemin heeft Jamal Ouariachi met Een honger een rijke, ambitieuze roman geschreven, die ondanks zijn soms hoogdravende karakter een aanwinst is voor de Nederlandse literatuur.

     

    Een honger 

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 592
    Prijs: € 19,99

  • Precisiewerk van een chaoot

    Precisiewerk van een chaoot

    Leonard Nolens publiceerde in ruim veertig jaar meer dan dertig dichtbundels en enkele dagboeken. Hij verwierf drie oeuvreprijzen, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren 2012. Nolens’ lyrische en persoonlijke gedichten hebben hun weg naar een groot publiek gevonden. Zijn verzamelde gedichten werden al onder drie opeenvolgende titels gebundeld, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven, 2dl (2012).

    Opvallend is dan ook dat Nolens met zijn jongste bundel, Opzichtige stilte, na onderwerpen als liefde, het leven, zichzelf, zijn familie en de stad, thematisch een geheel nieuw perspectief opent: namelijk het dagelijks leven in een of andere zorginstelling. De gedichten in deze bundel zijn verdeeld in vier afdelingen: De kuur I en II, Ontslag en Weerzien. Er komen stethoscopen voorbij, valiumslikkers, schreeuwtherapie en een dokter. De nadruk op deze thematiek past bij Nolens’ poëzie, die direct en prominent aanwezig is. Opdringerig haast, maar desondanks moeiteloos aanvaardbaar om de opeenstapeling van verbluffende beelden en verrassende observaties.

    Wat was het dan dat ons ontbrak toen wij belden om hulp?
    Mezelf. En wat kwamen wij ook weer tekort? Mezelf.
    (…)
    Maar wat is mijn kunst? Een doorslaand succes van de wanhoop.
    Gedichten zijn immers precisiewerk van een chaoot.

    De gedichten van Nolens zijn vrij en toch vormvast. Ontregelend en toch regelmatig. Elke afdeling in de bundel heeft, qua lengte en structuur, min of meer overeenkomstige vormen. In De kuur I en II zijn we getuige, en onderdeel van de dagelijkse routine in een verder niet nader te karakteriseren zorginstelling. Er is afstand en vervreemding: tussen patiënt en dokter en de medebewoners onderling.

    Drie keer per nacht verschijnt een zaklamp straal
    in ons gezicht, ze komen je slaap onderzoeken.

    Ze inspecteren je dromen, geen raam kan er open.
    De deuren dragen ons nummer en staan op een kier

    in het gelid. En de wekkers van dienst lopen vrolijk
    te zwaaien met thermometers en klokken van stemmen,

    goeiemorgen! Het gaat als een emmer koud water
    je bed in, geen hond die zich wast om wakker te worden.
    (…).

    Onvermijdelijk dringt de vergelijking zich op met andere dichters die berichtten vanuit een instelling. Maar Jan Arends’ poëzie – ’wie kan zo mager praten met de taal als ik?’ – is kaler dan die van Nolens. Met Achterberg is, door de lyriek en de spanning die de gedichten kenmerkt, meer verwantschap aan te wijzen. Al zijn Achterbergs meest kwetsbare en directe kliniekgedichten pas na zijn dood gebundeld, Blauwzuur (1969). De kuur II bestaat uit vijftien vierregelige gedichten, allen opgebouwd volgens het rijmschema aaba. Nog sterker voelbaar wordt hier de associatie met Achterberg. Het eigentijdse element overtuigt volkomen:

    CODE
    Wij raken langzaamaan verslaafd aan het verdriet
    van onze groep. Wij delen dat als drank en wiet
    en hebben de flessen en spuiten verstopt in de nachtkluis van morgen.
    De code is geheim. En die vergeet ons niet.

    De afdeling Ontslag bestaat opnieuw uit een groep ongeveer gelijkvormige gedichten en bevat vooral aanmoedigingen en bemoedigingen: Leef lang,  Ga dromend, Word wakker, Schrijf, Omhels en

    Kniel
    voor niemand. Knik
    een ogenblik lang naar de man
    die jou verwekte, geef hem een hand
    en rep je, ren het huis uit.
    Ren. En red
    je gezicht.

    In de laatste afdeling Weerzien, kondigt de troost van de  verlossing zich aan in de titels van de gedichten: Liefdesbrief, Thuiskomst, Mei en Nachtegalenpark. Onmiskenbaar is er hier meer ruimte voor Nolens’ vertrouwde en warme thematiek. In het gedicht Mei vindt letterlijk een opruiming plaats met een zeldzame, komische noot als opluchting tot besluit.

    MEI
    Ik hoor mijn lieve zenuwpees weer fluiten
    boven en rommelen in kasten en sleuren met koffers.
    Het huis is tot de nok een reis op til.

    Ik ga naar de kelder en sleep een rinkelende berg
    flessen uit mijn dal van vorige winter
    de trap op en flikker vloekend een klotejaar in de container.

    De glasharmonica bliksemt zijn katers aan scherven.
    Haar fluitende reislust bevlindert de kamers daar hoog bovenuit.
    Een nieuwe lente en een nieuw geluid.  

    Een gedicht Mei noemen en eindigen met de zin ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, dat is weer eens wat anders dan Gorter deed. Nolens speelt voortdurend met de verwachting van de lezer door de ene keer vanuit de ‘ik’ persoon  te schrijven en de volgende keer vanuit de derde persoon. Maar spreekt ook een ‘jij’ en ‘u’ aan. De thematiek van de bundel roept vragen op. Hebben wij hier met autobiografische gedichten te maken? Heeft Nolens zelf een poos in een kliniek gezeten? Antwoorden op deze vragen doen niet werkelijk ter zake als het goed is. En het is goed.

     

     

  • ‘Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was’

    ‘Hij hoopte dat er ooit iemand zou zeggen dat hij een goed mens was’

    Door de waterspiegel is de laatste roman van Tomas Lieske, een inmiddels gearriveerd Nederlands schrijver van gedichten, verhalen en romans wiens werk met diverse prijzen is bekroond. Vaste thema’s in zijn werk zijn spelen met tijd en ruimte, de oorlog, liefde en dood en de stad Leiden. De intrigerende titel verwijst naar het karakter van de roman, naar de zichtbare werkelijkheid van het leven boven de waterspiegel die onlosmakelijk verbonden is met de onzichtbare werkelijkheid onder de waterspiegel. Zo zijn alle hoofdfiguren getekend door- en dus geketend aan hun verleden: de naamloze ik-figuur, de schijnbare hoofdpersoon Sebastian, zijn geliefde Eva en de Hongaar Antal Szabo.

    Het verhaal is opgezet als een raamvertelling. De werkelijke hoofdpersoon, de ik-figuur, is een, als kind door zijn ouders in de steek gelaten, door de oorlog vreselijk gehandicapte man die zich niet meer zelfstandig kan voortbewegen, blind en door brandwonden verminkt. Hij overleeft als een soort plant en vindt zichzelf na de oorlog terug in een tehuis voor zwaar gehandicapte jongens in een onwerkelijk land als Liechtenstein, waar de tijd volledig lijkt te hebben stilgestaan. Dit opvanghuis, in de brochures ‘de villa’ genoemd, heeft ‘iets van doen met Wiedergutmachung en idealisme’ en wordt bestierd door een dame, door de jongens gekscherend mevrouw Heydrich genoemd naar de gelijknamige nazibeul. Doorgaans werden veel van deze jongens, die door de oorlog alles verloren hadden, geadopteerd, maar hij niet. Dit kwam, volgens mevrouw Heydrich, door zijn handicap en verminking, maar dat vond hij maar een liefdeloos verhaal. Hoewel hij in werkelijkheid wel een naam heeft, geeft hij er de voorkeur aan om als een naamloze door het leven te gaan: ‘Een schaduw en een gedachte zijn ook naamloos’. Zijn leven begint kleur te krijgen als hij Sebastian ontmoet met wie hij zich vereenzelvigt. De vraag blijft in het midden of Sebastian niet een geheel door hemzelf verzonnen figuur is om zin te geven aan zijn vegetatieve bestaan.

    Sebastian zwierf langs de Rijn op zoek naar zijn geliefde en komt langs in het tehuis om hem zijn verhaal te vertellen en weer verder trekken. De ik-figuur vertelt het verhaal van Sebastian in een aantal vertelsessies door aan zijn mede-lotgenoten in het tehuis om hun treurige bestaan wat te verluchtigen. Soms geeft hij het met zijn eigen fantasie wat meer kleur. Daar hebben de jongens en hijzelf ook behoefte aan. Dit maakt het verhaal compleet en zo krijgt het zijn eigen logische waarheid. Het gaat immers niet om de officiële werkelijkheid, maar om de mythische versie.

    De ik-figuur laat ons kennismaken met Eva, Sebastian en Antal Szabo. De setting is een villa aan de Traunsee, een idyllisch oord in Oostenrijk, de mooiste plek op aarde en net zo onwerkelijk als de villa in Liechtenstein. Sebastian maakt daar zijn opwachting in een schitterend hagelwit adelborstuniform. De ik-figuur constateert: ‘Wat Sebastian zelf niet begreep en wat zijn ouders in hun trots weigerden te zien, was het bizarre in de combinatie van deze adelborstuitmonstering en zijn grote, donkere, droeve kijkers. Alsof hij wel de opleiding met succes had voltooid, maar nu al wist dat hij als eerste zou sneuvelen.’ Aan de ene kant lijkt het een niet bestaande setting, een droomwereld, schijnbaar zonder verleden, maar in werkelijkheid is niets zo voelbaar als juist dat verleden. De blinde en zwaar gehandicapte ik-figuur droomt zich, in de persoon van Sebastian, een wereld, waaraan hij nooit zal kunnen deelnemen. Eva wervelt als een sprookjesprinses door de villa, maar kan haar verleden als oorlogswees van Joodse afkomst niet van zich afschudden. Antal Szabo, redder van Eva, voor wie hij ook seksuele verlangens koestert, en verrader van haar ouders aan de Duitsers, wordt geconfronteerd met zijn verleden in de vraag van Sebastian: ‘Waarom bent u nazi geworden?’ en zelfs de villa blijkt bij nadere beschouwing niet zo mooi als het lijkt, maar verkeert in ernstige staat van verval. De droom van Sebastian valt in duigen als hij toevallig ziet dat zijn sprookjesprinses, Eva, de smerige puistenrug van de Heydrich-adept, Antal Szabo, moet verzorgen, iets dat zij kennelijk vrijwillig doet.

    Als Eva Sebastian later in Leiden komt opzoeken, is deze niet meer gekleed in zijn smetteloos witte uniform. Het sprookje is eigenlijk voorbij, hoewel nog niet helemaal. De ik-figuur, Sebastian, neemt Eva nog even mee in zijn droom van een toekomst als zij vanuit de trein een oude, vervallen toren zien staan, die Sebastian wil omtoveren tot een idyllisch slot waarin zij samen gaan leven en weeskinderen adopteren om deze een gelukkig leven en een fijne toekomst te bezorgen. Als Eva hem later aan deze belofte herinnert, blijkt hij van niets meer te weten. Ook letterlijk groeien Sebastian en Eva steeds meer uit elkaar. Als Sebastian voor zijn werk aan een dam in Spanje onverhoopt getuige is van een verkrachting door Nederlandse arbeiders van een jong meisje uit een dorp dat door de bouw van de dam onder water zal komen te staan, grijpt hij niet in, maar onttrekt zich aan zijn verantwoordelijkheid, die verdwijnt met het dorp onder de waterspiegel. Vanaf die tijd zwerft hij rond, komt niet meer thuis, laat Eva in onzekerheid achter en zal haar nooit meer terugzien. Op zijn zwerftochten  komt hij terug bij de villa waar het allemaal begon. Daar treft hij de gehate Antal Szabo aan, de verpersoonlijking van het kwaad, van de vader van de ik-figuur, die Eva van hem wil overnemen en met wie hij een indringend gesprek heeft over de waarde van zijn liefde voor Eva die uiteindelijk, na de gebeurtenissen in Spanje, door hem lelijk in de steek is gelaten. Dat gesprek loopt uit op een vechtpartij waarin hij alles geeft voor Eva. Nadien blijft hij rondzwerven en komt op een van zijn tochten langs het opvanghuis van de ik-figuur, aan wie hij zijn verhaal vertelt.

    Tomas Lieske heeft een bijzonder boek geschreven, dat je niet na één keer lezen goed in beeld hebt. Het heeft een ingewikkelde structuur waarin voortdurend diverse werkelijkheden in elkaar overvloeien. Het is een razend knap gecomponeerd boek dat toch goed leesbaar is, omdat Lieske een prachtig gevoel voor taal heeft en helder schrijft. Het is lezen en herlezen. Dit kan zowel gezien worden als een compliment, maar ook als een bezwaar. Persoonlijk vind ik het een compliment. Het boek blijft ook intrigeren vanwege de psychologische gelaagdheid en diepgang. Steeds ontdekt de lezer weer nieuwe elementen die fascineren. Dit boek is een grote aanwinst voor de Nederlandse literatuur en verdient het wat meer in het licht gezet te worden.

     

     

  • De goden van de waarheid hebben het in hun macht.

    De Ierse schrijver Sebastian Barry heeft al meer boeken over de McNulty-familie geschreven. Zo gaat De geheime schrift over de schoonzuster, en De omzwervingen van Eneas McNulty over de broer van de hoofdpersoon uit De tijdelijke gentleman, Jack McNulty. Zijdelings komen deze andere personages wel in het boek voor, maar een werkelijke rol spelen ze niet. Het verhaal van Jack McNulty staat geheel op zichzelf.

    Jack stelt zijn levensgeschiedenis op schrift in een huisje van hout en leem in Accra (Ghana), af en toe geteisterd door malaria, en lastiggevallen door de politie vanwege schimmige gebeurtenissen in het verleden. Het is 1957, en eigenlijk wil hij terug naar zijn geboorteland Ierland, maar hij wil eerst in het reine komen met de mislukkingen in zijn leven: zijn noodlottig verlopen huwelijk, de relatie met zijn dochters, zijn drank- en gokverslaving, en de gruwelen van de oorlog. Hij schrijft alles op, en zijn verhaal springt heen en weer tussen het heden in Afrika, en het verleden, in Ierland en overal elders op de wereld waar hij als ingenieur heeft gewerkt. Als officier in het Britse leger, en als echtgenoot van een vrouw uit een gegoed milieu, is hij tijdelijk een gentleman geweest, maar wat is daarvan gebleven?

    De andere hoofdpersoon uit het boek is Jacks vrouw, Mai, die hij in de loop der tijd heeft zien veranderen van een zelfverzekerde studente in een instabiele vrouw, gekweld door postnatale depressies en een toenemende alcoholverslaving. Het is vooral haar geschiedenis, en die van hun twee dochters Maggie en Ursula – over wie wellicht ook nog eens een roman of toneelstuk zal verschijnen – die dit verhaal tot een tragedie maakt.

    Barry’s stijl is bij vlagen adembenemend mooi. Zomaar een paar zinnen die het onderstrepen waard zijn:

    Waardoor raakt de ene ziel aan de andere gebonden? Heel vaak is het zoiets als een mening staande houden tegenover een wereld die haar probeert te weerleggen. 

    We praatten over niks, zoals mensen dat doen, totdat het niks op was.  (…) verleden, heden en toekomst in een warboel van oud licht (…) De vogels daar hadden een buitenlandse roep en de vissen droomden over farao’s en niet over koningen. 

    In één zin weet hij de hele geschiedenis samen te vatten: … er was niets anders meer in Gods schepping dan dat toekijkende kind en het geslagen kind en de verwoeste vrouw en de verbijsterde vader. (p166)

    Prachtig is ook de verwevenheid van het boek. Alle scènes en gebeurtenissen verwijzen op een of andere manier naar elkaar. Zo gaan Jack en Mai – op huwelijksreis in Dublin – naar een uitvoering van Dido en Aeneas. Niets is zo’n goede voorafschaduwing van Mai’s lot als Dido’s Klaagzang: When I am laid in earth, May my wrongs create, No trouble in thy breast – Remember me, but forget my fate. (En eigenlijk is het ook van toepassing op Jack zelf.)

    Het verhaal begint met een torpedo-aanval op het oorlogsschip dat Jack naar Afrika brengt, in 1940. In een zin van meer dan twee bladzijden wordt deze gebeurtenis invoelbaar gemaakt voor alle zintuigen, het is een fantastische opening. En tegelijk is het als opening misschien een truc, want in het geheel van het verhaal is deze ervaring maar een van de vele. Het stijlmiddel van de lange zin wordt bij een andere explosie – op een trainingslocatie voor het demonteren van explosieven – nogmaals toegepast, en zo worden ook deze gebeurtenissen aan elkaar gekoppeld.

    In de laatste hoofdstukken ziet Jack steeds meer overeenkomsten tussen Ierland en Afrika. Als je de hitte wegdenkt en die verdomde palmbomen en zwarte huiden, dan is het gewoon Ballymena in de regen, echt. (p207)

    Als Mai erachter komt dat Jack haar geld vergokt heeft, schrijft hij: Vernietigd zat ik daar, ook voor mezelf. (p116) Een zinsnede die vooruitwijst naar de gebeurtenissen rondom zijn oppasser in Accra, Tom Quaye, die voor hij kan terugkeren naar zijn vrouw, moet wederopstaan uit de dood.

    De tocht die de twee mannen maken naar het geboortedorp van Quaye, brengt Heart of Darkness van Joseph Conrad in herinnering, en verwijst naar de gewelddadigheid van het duistere continent dat symbool staat voor het duistere, gewelddadige innerlijk van de hoofdpersoon. Dit is een staaltje geweldige schrijfkunst: de hoofdpersoon is er zich niet van bewust, terwijl de lezer het wél oppikt.

    Elders rijst af en toe de vraag of het Jack McNulty is die aan het woord is, of Sebastian Barry. Er is bijvoorbeeld niets in Jacks leven of opleiding wat doet vermoeden dat hij regelmatig Cicero leest, en toch zegt hij ‘ik voelde me zoals Cicero zich misschien voelde …’ (p134)

    Af en toe is het té lyrisch, zoals wanneer hij een waanzinnige Mai redt, die naakt een sneeuwstorm ingelopen is: … verwonderde me nu ook over de totale witheid in de wereld, die alles niet alleen bedekte maar ook uitveegde, uitwiste, alsof ons hele verhaal weer tot een blanco bladzijde teruggebracht kon worden … (p200)

    De tijdelijke gentleman is een boek dat diepe indruk maakt, vooral door de gebeurtenissen, die onder de huid kruipen door de zintuiglijke taal. Het is een boek dat om herlezing vraagt, om de verweven structuur nog beter te doorgronden.

     

     

     

  • In mummiepak smachtend naar gene zijde

    In mummiepak smachtend naar gene zijde

    Streng afgerichte duivelse wezens, roekeloze mensen en de dood gaan met elkaar aan de haal in Trujillo’s (1970) derde roman. Geweld en misère worden wederom niet geschuwd. Op geraffineerde en nietsontziende wijze wordt Montevideo – haar geboortestad – bedolven onder allesvernietigende shit.

    De Uruguayaans-Nederlandse Trujillo schrijft het liefst over dat wat ze van dichtbij kent – ‘levend weefsel’. Als kind van guerrillastrijders – vader werd tijdens de dictatuur twaalf jaar gevangen genomen en moeder vluchtte met beide dochters, Carolina was toen vier, naar Nederland – ontbreekt het haar niet aan levendige kost. De bastaard van Mal Abrigo (2002) – haar eerste roman – werd bekroond met de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs. Zeven jaar later won ze met het autobiografische De terugkeer van Lupe Garcia (2009) – waarin ze op indrukwekkende wijze een stem geeft aan vluchtelingen die terugkeren naar hun geboorteland – de BNG literatuurprijs en sleepte ze een AKO-nominatie in de wacht. Het is niet enkel haar eigen geschiedenis waaruit ze graag put, een roofdier noemt ze zichzelf dat schaamteloos steelt uit de – veelal pijnlijke – levens van anderen. In heftigheid gedijen Trujillo’s verhalen het best.

    Ook nu, in De zangbreker, ontvouwt zich al gauw de ellende. Trujillo schetst een duale wereld waarin de mens door onzichtbare wezens wordt beïnvloed en bestuurd. Waar de beslissingen vooraf zijn ingeseind en keuzes gemanipuleerd. Een bestaan waarin het lijden bewust aan zwakkeren wordt toebedeeld opdat de sterken kunnen floreren. De ‘groten’ worden opgetild door goddelijke kracht, de ‘kwetsbaren’ genadeloos beroofd van hun illusies. De lezer wordt meegesleurd in een surrealistische werkelijkheid waarin een geraffineerd spel wordt gespeeld tussen gewetenloze wezens en hun uitverkoren slachtoffers. Dwalende mensen worstelen zich een slag in de rondte, de een nog destructiever dan de ander, tot uiteindelijk – een enkeling daargelaten – de roep van de dood hen de dunne huid afrukt, tot op het bot vernielt.

    Vanaf de eerste pagina volgen we de krochten van hoofdpersoon Tony, een onzichtbare gedaante uit een soort van geestesgemeenschap. Zijn wereld – zo leert hij ons – verdeelt de mensen in stijgers en dalers. Dalers zijn ‘mensen die het niet kunnen laten alles wat ze opbouwen uiteindelijk kapot te maken’. Stijgers daarentegen zijn ‘van die mensen die wat er ook gebeurt aan de weg blijven timmeren.’ Tony – zangbreker van beroep – werkt voor een wereldwijde bureaucratische organisatie die dalers en stijgers een duwtje in de juiste richting geeft: stijgers naar de top, dalers in de afgrond. Tony ‘zit in dalers’, helpt mensen ‘zo mooi mogelijk (lees gruwelijk)’ naar de kloten. ‘Schroot sorteren. Claimen. Cashen. Quota halen.’ Ofwel: slachtoffers kiezen, doden scoren en optekenen. Daar draait het om. Binnen een mum van tijd zijn we getuige van de vele kostbare levens die Tony met zijn duivelse alomtegenwoordigheid in de ‘gewone’ wereld verwoest.

    Het verhaal komt traag op gang. Deel één is een ware beproeving. De lezer wordt linea recta de collegebank in geslingerd. Het verschaft een duizelingwekkende hoeveelheid informatie over de inrichting van de geesteswereld en de organisatie waarvoor Tony werkt. Wetten, regels, geboden, verboden, cursussen, coaches – een staaltje maatschappijkritiek? – vliegen je pagina’s vol om de oren. Gelukkig valt er zo nu en dan ook wat te genieten tijdens de les, zoals in het aftands bordeel ‘Jacintha’s schaduw’ waar de eigenaar zijn animeermeisjes namen van wereldsteden heeft gegeven (‘Voor de prijs van een meisje krijg je een hele stad’) en waar de wanden zijn behangen met wijsheidstegeltjes (‘Jongens beginnen onderaan, meisjes onderop’).

    In deel twee verlaat Trujillo de katheder en weet ze zich goed te herpakken. Familie Mus wordt ten tonele gevoerd en Tony – met groeiende lak aan de heersende wetten en regels – lijkt zijn eigen daling glansrijk te hebben ingezet. Zowel privé als professioneel loopt het gierend uit de klauwen én niet alleen bij hem. Gruwelijkheden volgen elkaar op in rap tempo. De destructiedrift is niet meer te stuiten want ‘suïcide is mooier dan het leven uitzitten waar je alleen nog dood zou willen’. Het levert schrijnende taferelen in zelfvernietiging op waarvan die van zoon Mus – zich volledig verliezend in internetporno, sadomasochistische chatcontacten en gaming – het meest luguber en verontrustend zijn. Een pareltje in zijn shit is de prachtig beschreven, beeldende – met cynische humor doorspekte – scène van de gesmoorde zelfmoordpoging. Ongeëvenaard – in mummiepak, verijdeld aan Jezus’ kruis. ‘Hij dacht dat hij een engel was tot hij merkte dat hij in plastic gehuld badend in het zweet lag. Engelen zweten niet. Hij probeerde de folie eerst af te wikkelen, maar dat was niet te doen. […] Hij liet zich op de grond zakken en bleef daar zitten als een Jezus die van zijn kruis gedonderd was.’

    Trujillo wilde met De zangbreker – zo onthult ze in een interview – een ode brengen aan de dalers want ‘ze snapt niet waarom er altijd zo negatief over dalers wordt gesproken. Succesvol zijn en dalen sluiten elkaar niet uit. Denk aan Amy Winehouse.’ Zelf ook niet gespeend van enige zelfdestructie – jarenlang coke en alchoholverslaafd, min of meer gered door een hersenbloeding – was het deze gedachte die haar inspireerde tot het schrijven van dit boek want één ding moge duidelijk zijn ‘Het is oneerlijk te denken dat de dalers de zwakkeren zijn. Het is echt niet makkelijk jezelf van kant te maken.’ 

    Een mooi streven! Maar hoe jammer dat Trujillo voor haar loflied een onnodig complexe setting heeft gekozen waardoor de boodschap geen weerklank vindt. In tegenstelling tot het fascinerende De terugkeer van Lupe Garcia, is De zangbreker een verhaal dat niet echt beklijft. Waar het de dalers had willen eren – de schoonheid van zelfdestructie had moeten tonen – lijkt Trujillo’s meesterlijke pen zelf te zijn geofferd aan de duale werkelijkheid.

     

  • Literaire true crime van groot formaat. 

    Literaire true crime van groot formaat. 

    De lugubere titel is er een die je niet direct bij haar zou verwachten: ‘Moord in de bloedstraat & andere verhalen’. Is hier een andere Van der Zijl aan het werk dan de veelgeprezen biograaf van Anna, Bernhard en Heineken. De succesvolle auteur van Jagtlust en het hartverscheurende Sonny Boy?

    In deze in 2013 verschenen bundel maken we een uitstapje naar Van der Zijls negentiger jaren – de periode voorafgaand aan bovengenoemd werk – waarin zij als misdaadjournaliste vrijwel dagelijks verkeerde in de wereld van het kwaad. Tweehonderd pagina’s thrillerachtige kost in de vorm van tien literaire reconstructies van true crime. Stuk voor stuk aangrijpende geschiedenissen die de lezer een inkijk biedt in de tragische wereld achter het kleine, onopvallende krantenbericht.

    Al op de lagere school – een zwaar christelijke – werd Van der Zijl gefascineerd door het kwaad in de mens. Verhalen over de onmetelijke goedheid van Jezus konden haar niet bekoren. Kwam daarentegen de zondige Judas voorbij, dan spitste ze de oren en schoof ze op naar het puntje van de stoel. Hoe was het toch mogelijk dat die nou juist zo’n slechterik was geworden? En hoezo ging God met al zijn voorbeschikte gaven vrijuit en moest Judas branden in de hel – voor eeuwig nog wel? Was dat niet zielig? Morele vraagstukken waarop zij wijsgerig naar antwoord zocht maar die – klassengesprekken waren nog zeldzaam en het geloof predikte waarheid en leven – geen weerklank vonden. Onbevredigende uren waarin de kiem voor haar latere misdaadcarrière werd gelegd.

    Als misdaadjournaliste ging het Van der Zijl niet om de spectaculaire, in het nieuws vaak breed uitgemeten, criminaliteit – de kinderverkrachters, de seriemoordenaars – maar om de ‘kleine’ verhalen van de herkenbare medemens – noem het de keurige burger, je vriendelijke buurman – die tot afschuwelijke daden komt. Wat drijft hen? Waar ligt de grens tussen goed en slecht? Op welk moment wordt deze gepasseerd?

    In ongepolijste taal, met de nodige afstand en onderzoekende geest – haar handelsmerk – wordt de lezer deelgenoot van het leven op het scherpst van de snede. ‘Nu is het enige gezelschap dat hij heeft de kwade Koos Bakker, dezelfde die zijn leven zo veranderd heeft. Of misschien is het wel de goede Koos die hem gezelschap houdt; het is maar net van welke kant je het bekijkt.’ Stuk voor stuk intrieste verhalen van het eigenlijke leven dat zich heeft afgespeeld onder de oppervlakte van het nieuwsbericht. Of het nu gaat om een bollenkweker die zijn vrouw stelselmatig vergiftigt in het verlangen naar nieuwe liefde, om de verwoestende dynamiek van de pestende groep die het individu verstoot en de dood injaagt of een cafébaas die zich murw getreiterd geen andere uitweg ziet dan het heft in eigen hand te nemen… Het blijkt steeds weer te gaan over in principe normale mensen die door een ongelukkige samenloop van omstandigheden en karakters aan de verkeerde kant van de lijn tussen goed en kwaad zijn beland.

    Het lezen van Moord in de bloedstraat is een ronduit fascinerende, spannende en tevens verwarrende ervaring. Een uitdaging voor het ethisch gedachtengoed en een – zij het keurig verpakt met strik en lint – uitnodiging aan de journalistiek. Je kunt het boek niet tot je nemen zonder in de eigen ziel rond te dolen. Voor je het doorhebt, sta je niet meer aan de zijlijn maar beweeg je noodgedwongen zelf op de grens waar de moraal danig op de proef wordt gesteld. Wankel op de benen – starend in de afgrond – besef je ineens hoe dun de scheidslijn tussen de onbesproken burger en misdadiger kan zijn. ‘Stap ik erover of niet?’ En na deze innerlijke worsteling volgt steevast de echo ‘wie is het slachtoffer, wie de dader?’ Ben je je meer dan eens bewust van de verschillende gedaantes waarin het kwaad, ook óns leven, onze eigen ziel kan binnensluipen. Ontdek je hoe gevaarlijk kwetsbaar we allen in wezen zijn.

    Daar waar de leergierige Van der Zijl vroeger van het antwoord verstoken bleef, krijgt de nieuwsgierige lezer het met Moord in de bloedstraat – met oog voor de menselijke tragiek van het geheel – op een kleurrijk dienblad  gepresenteerd. Zij het dat Judas nu Koos, Nico of anderszins heet en dat de zondaars niet voor eeuwig worden geroosterd in de hel maar tijdelijk mogen afkoelen in een cel.