• Een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject

    Een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject

    In zijn imposante boek De tijd, de waarheid & de geschiedenis belooft emeritus hoogleraar geschiedenis Piet de Rooy ons via de ondertitel dat hij gaat uitleggen ‘hoe onze wereld in elkaar zit’. Daar hebben we wel 45 euro en flink wat leestijd voor over (het boek telt 684 bladzijden, waarvan ruim tweehonderd met voetnoten en register, dat scheelt weer). Is het die investering waard? Ja, en een beetje nee.

    De voorkant van het boek toont een schilderij van Francisco Goya, La Verdad, el Tiempo y la Historia. We zien een oude man met een zandloper: Vadertje Tijd. Dan zijn er twee halfblote jonge vrouwen, van wie de een ‘ons ernstig aankijkt’ en ‘vol in het licht treedt’. Zij staat voor de Waarheid. De andere vrouw is in een boek aan het schrijven: de Geschiedenis. Met ontkleed bovenlijf, want de geschiedenis ‘verdraagt geen verhulling’. Ieder voor zich, legt De Rooy uit, zijn het dimensies van de manieren waarop we het leven, de wereld en onszelf proberen te begrijpen. Maar ze hangen ook nauw samen. Het onderzoek naar die samenhang leidde tot het ontstaan van dit boek.

    Titel en ondertitel getuigen van ambitie. Is het werkelijk mogelijk in een kleine zevenhonderd bladzijden uit te leggen ‘hoe onze wereld in elkaar zit’? Natuurlijk niet, en dat weet De Rooy ook heel goed. We moeten dan ook geen hecht doortimmerde wetenschappelijke verhandeling verwachten, maar ‘een zwerftocht door het verleden’, inclusief een ‘blik in het het historisch atelier, mijn werkkamer’. Overal stapeltjes boeken, printjes van artikelen, krantenknipsels ‘en wat niet al’. Ze zijn terug te vinden in de voetnoten, maar, geeft De Rooy toe, ‘verschillende keren stuitte ik op ongedachte verbanden, intrigerende verhalen die te leuk waren om niet te vertellen’. Het zijn juist die zijstappen die De tijd, de waarheid & de geschiedenis ondanks de hoge inzet tot een aangenaam en soms zelfs lichtvoetig leesproject maken. Overigens haast De Rooy ons te bezweren dat hij niet maar ‘wat [ging] aanrommelen’. Hij blijft een wetenschapper – zie de overvloed aan voetnoten en bronnen.

    Badinerende en relativerende terzijdes

    Wat het boek óók luchtig houdt, zijn de badinerende, relativerende terzijdes die soms opduiken. In het deel over De tijd vergelijkt hij het verhaal over een kloosterling die honderd jaar slapend in het paradijs doorbracht met het sprookje over Doornroosje: ‘Zeker, de verschillen zijn groot, de monnik verbleef in het paradijs, maar onbekommerd slapen in een paleis heeft ook wel wat.’ Over de werking van atoomklokken, met een afwijking van minder dan een seconde per 3,7 miljard jaar: ‘Echt snappen doe ik dit niet, maar het klinkt behoorlijk nauwkeurig.’ Over het gezegde hora ruit, tempus fluit (het uur vliedt heen, de tijd vloeit weg): ‘Ik zag deze spreuk voor het eerst in een apotheek in Amersfoort op de muur boven de antieke medicijnpotten staan, wat in die context toch licht ongerust stemde, want het is vooral een aankondiging van de dood.’ Bij een onderzoekje naar koekoeksklokken kwam De Rooy ‘overigens ook tegen – het slaat nergens op, maar is te leuk om weg te laten – …’.

    Voor wie is dit boek eigenlijk bedoeld? Aan het begin van het deel De waarheid, kondigt De Rooy aan dat hij vooral aandacht zal geven aan de theologie in plaats van de filosofie. ‘Trouwens, gewone mensen hebben op het laatstgenoemde terrein ook niet veel te zoeken.’ Ah, daar hebben we dus de doelgroep te pakken. Komt de ‘gewone’ lezer aan zijn trekken? Wel als die genoegen neemt en plezier beleeft aan een indrukwekkende hoeveelheid wetenschappelijke feiten, inzichten, meningen en anekdoten. Zo geeft het deel De tijd een mooi overzicht van de verschillende manieren waarop je tegen het verschijnsel ‘tijd’ aan kunt kijken; hoe de mens probeert er grip op te krijgen, hoe de tijd te vangen is in klokwijzers, agenda’s en kalenders, hoe relatieve en absolute tijd zich met elkaar verhouden. Uiteindelijk komt er geen duidelijk antwoord op de vraag wat tijd nu precies is, maar dat is ook onmogelijk. Kerkvader Augustinus schreef immers al: ‘Wanneer iemand het mij vraagt, weet ik het; wanneer ik het iemand, op zijn vraag, zou willen uitleggen, weet ik het niet.’

    Op alle terreinen thuis

    Zo geeft ook het deel over De waarheid meer dan honderdvijftig bladzijden lang een breed uitwaaierend uitzicht op de eeuwige spanning tussen wat werkelijk waar is en alles wat die waarheid ontkent, verloochent of bestrijdt. Terwijl het uiteraard al lastig genoeg, zo niet onmogelijk is om zeker te weten wat ‘werkelijk waar’ is. Aan bod komen de Bijbel (‘waar ben ik aan begonnen?’), het geloof en in samenhang daarmee hekserij en Jodenvervolging; de evolutietheorie en religie; de verwarrende werking van het brein; de ontwikkeling van de moderne wetenschap; de vlucht in theosofie en esoterie en vanzelfsprekend ook de oorzaken en gevolgen van complottheorieën. De Rooy voelt zich op al deze terreinen thuis, maar is nog steeds op de hand van de ‘gewone’ lezer.

    Anders wordt dit in het deel De geschiedenis, de thuishaven van de schrijver. Hier gaat de historicus zeer uitgebreid in op de geschiedenis van de geschiedwetenschap, met een eindeloos exposé van stromingen, richtingen, opvattingen en controversen. Dit gedeelte is voor oningewijde ‘gewone mensen’ amper te volgen en hoe dan ook totaal niet interessant. Ook omdat hier de gemoedelijke kanttekeningen, verhelderende voorbeelden, treffende citaten en verluchtende bijkomstigheden van de eerste twee delen ontbreken. Het wordt weer boeiend als de geschiedenis van samenzweringstheorieën ter sprake komt, met een voor de hand liggende doorkijk naar de wereld van nu. Maar dan rijst de vraag of dit onderwerp niet bij De waarheid hoort, waar het trouwens ook al aan de orde is geweest.

    Aan de rijke, bijna overvloedige inhoud van De tijd, de waarheid & de geschiedenis kan in dit bescheiden bestek geen recht gedaan worden. De Rooy neemt een onwaarschijnlijke hoeveelheid hooi op zijn vork waar hij voor het overgrote deel op een bewonderenswaardige manier raad mee weet. Dat gewone mensen hem niet altijd in zijn hoge vlucht kunnen volgen, moeten we dan maar op de koop toe nemen.

     

     

  • Een effectief antwoord op het neoliberalisme?

    Een effectief antwoord op het neoliberalisme?

    De bekende linkse econoom Joseph Stiglitz, Nobelprijswinnaar economie in 2009, schreef een boos boek. Boos over de in zijn ogen grote schade die mens en samenleving, nationaal en internationaal, wordt aangedaan door het neoliberalisme als overheersende economische en politieke theorie en praktijk. Stiglitz, met een lange loopbaan als academicus en beleidsadviseur voor President Clinton en topeconoom bij de Wereldbank, pleit hartstochtelijk voor een alternatief voor het neoliberalisme, het progressieve kapitalisme c.q.een ‘opgefriste sociaaldemocratie’. Die staan immers pas garant voor een werkelijke politieke en economische vrijheid. Zo niet, – ondanks de pretentie van het tegendeel -, het neoliberalisme dat leidt tot machtsongelijkheid en onvrijheid. Vrije markten zijn niet werkelijk vrij, en lossen geen enkel maatschappelijk probleem op, integendeel. We hebben niet, zoals veel politici beweren, minder, maar juist meer overheid nodig. Meer overheid en meer regelgeving, niet minder. Een in een tijd van een vooral conservatief of zo u wilt rechts narratief, opmerkelijk betoog.

    Verbroken beloften

    Dat is in een paar woorden de samenvatting van dit lijvige boek. Stiglitz heeft er, zonder de noten, ruim 300 bladzijden voor nodig, inclusief de nodige historische uitweidingen, bijvoorbeeld over het tijdperk van Reagan en Thatcher in de jaren 80. ‘We hebben nu veertig jaar van dit neoliberale experiment achter de rug, dat begon onder Reagan en Thatcher. De rooskleurige beloften van snellere groei en hogere levensstandaarden voor een brede kring zijn niet uitgekomen. De groei is vertraagd, kansen zijn afgenomen en de vruchten van wat er aan groei is geweest zijn voor het overgrote deel naar de mensen aan de top gegaan’. Dit is nog een beheerst geformuleerde kritiek, elders is Stiglitz venijniger. De ‘Grote Leugen van Hitler’ komt langs als het gaat om de ‘roep om terugkeer van het liberalisme met de nieuwe naam van neoliberalisme halverwege de vorige eeuw’. Die leugen slaat op de stelling dat markten uit zichzelf efficiënt en stabiel zijn, maar ook als niet-econoom kan je je afvragen of Nazi-Duitsland als oorlogseconomie nu een schoolvoorbeeld van juist die leugen kan worden beschouwd. Een serieuzere en forse kritiek op het neoliberalisme verwoordt Stiglitz als volgt, stellend dat ongebreideld kapitalisme uit de tijd van Reagan en Thatcher ons op weg brengt naar eenentwintigste-eeuws fascisme. Maar is dat empirisch onweerlegbaar aangetoond? Ook hier kan je bescheiden opperen dat soms in rechtse dictaturen de rol van de staat sterk is.

    Conculega’s

    De echte vijanden voor Stiglitz zijn niet zozeer Reagan en Thatcher of zelfs Trump, maar zijn vakgenoten Friedrich Hayek en ook Milton Friedman, ooit collega en concurrent bij de Universiteit van Chicago. Dit boek, De weg naar vrijheid, is ook een duidelijk antwoord op de befaamde neoliberale Bijbel, The Road to Serfdom van Hayek uit 1947. Stiglitz verzet zich met hand en tand tegen de gevaren van het neoliberale denken. Daarentegen koketteerde Thatcher met Hayek door in haar kabinet te voorspellen dat controle van de regering over de economie zou leiden tot tirannie. Friedman is beroemd geworden met zijn stelling dat als een federale regering de baas zou zijn van de Sahara daar binnen vijf jaar een tekort aan zand zou zijn ontstaan (….).

    De animositeit van Stiglitz tegen beide economen gaat diep. Hij beschuldigt hen van het aanhangen van een ‘fundamentalistische religie’. Daarbij een ‘bekeringsdrang via media en hoger onderwijs’. En hij ontziet hen niet door te stellen dat de ‘kennis van Friedman en Hayek over de aard van de economie en de relatie tussen economie en samenleving ernstige gebreken vertoont’. De verschillen in inzicht gaan overigens dieper dan alleen over de economie. ‘Friedman en Hayek hebben, net als veel andere conservatieven, een onwankelbaar naargeestige kijk op de menselijke aard’. Met als uitsmijter dat ‘hun extreme kijk op individuele zelfzucht misschien wel voorkomt uit diepe introspectie’. Pats, die zit, in bokstermen.

    Hoe dan wel?

    De vraag is hoe geloofwaardig Stiglitz’ alternatief is. Voor hem is allereerst helder dat er geen toekomst is voor het neoliberalisme. ‘Het neoliberalisme houdt zichzelf niet in stand. Het doet zichzelf teniet. Het heeft onze samenleving en de mensen daarin misvormd. De materialistische, extreme zelfzucht die het heeft gekweekt, heeft de democratie, de sociale cohesie en het vertrouwen ondermijnd, en daardoor zelfs het functioneren van de economie verzwakt’. Nou, die zit ook, en je zou denken dat als we maar voldoende geduld opbrengen, het neoliberalisme door zijn hoeven zakt en het wenkend perspectief van het progressieve, sociaaldemocratische kapitalisme de overhand krijgt. De argumenten maar vooral ook de instrumenten die Stiglitz daartoe aanreikt overtuigen niet direct. Hij noemt vrij onderwijs, wetten en regels om concentratie van economische macht te voorkomen, het bestrijden van angst en propaganda, het bestrijden van economische tweedeling, het tegengaan van (extreem) nationalisme, het onderstrepen van democratische waarden, inclusief een werkelijk vrije (en geen monopolie-) pers, het goed regelen van verantwoording, burgerparticipatie en een herwaardering van de rol van de overheid. Geen onzinnige reeks en deels wel een bruikbaar keuzemenu, maar verre van een direct en makkelijk toepasbaar concreet pakket op weg naar dat progressieve kapitalisme. Daar zijn politieke keuzes en is politieke strijd voor noodzakelijk, en zijn ‘succesvolle’ verkiezingen en goede regeerprestaties daarna van sociaaldemocratische en vergelijkbare regeringen een essentiële voorwaarde. Stiglitz’ alternatief voor het neoliberalisme, hoe moreel en retorisch krachtig ook, blijft abstract en weinig uitgewerkt.

    Terugblik

    Stiglitz gaat met reuzenstappen door de recente geschiedenis vanaf Adam Smith in de late 18e eeuw tot de huidige neoliberale dominantie op wereldschaal. Hij geeft ook een eindeloze reeks voorbeelden hoe burgers vaak in hun rol als consument dom worden gehouden en gemanipuleerd door financiële belangen bij bedrijven zoals verzekeringsmaatschappijen, banken en soms zelfs overheden. En dat niet alleen in de VS en in Europa want de ‘Washington consensus’ van kapitaalmarkt- en financiële marktliberalisering bij de grote internationale financiële instellingen zoals IMF en Wereldbank liet, aldus Stiglitz met name in Afrika en Latijns-Amerika zijn verwoestende sporen na. Geen groei, maar toename van ongelijkheid. En volgens hem was dat ook  het geval in het voormalige Oost-Europa na de val van de Muur: de-industrialisering en een machtsmonopolie door oligarchen.

    Vintage Stiglitz. Met fikse uitspraken een vernietigend oordeel vellen over het wanbeleid, in zijn ogen, bij groepen landen. Nu is daarvan best veel waar, maar zijn Jeltsin, Poetin en de oligarchen nu het gevolg van de Washington consensus? Of van het neoliberalisme?

    Wolven en schapen

    De Britse krant The Guardian oordeelt over Stiglitz’ boek: too little, too late. Te weinig overtuigende en dwingende bewijzen en beleidsadviezen om een werkelijk egalitaire, eerlijke samenleving dichterbij te brengen, en te laat om een klimaatramp af te wenden. Dit onderwerp stipt Stiglitz wel aan, maar hij graaft hier niet diep. Hetzelfde geldt voor actuele kwesties in de wereldhandel en de ongelijk verdeelde beschikbaarheid van grondstoffen. Het boek is vooral een gepassioneerde afrekening, na decennia van intellectuele en professionele vete, met Hayek en Friedman en hun naoorlogse gezelschap, de Mont Pélerin Society, dat hen verbond en inspireerde. Het ongeclausuleerde geloof in vrije markten en vrijheid als panacee voor alle kwaden en als garantie voor een goede samenleving bestrijdt hij met veel argumenten maar vooral ook wel met heel erg veel woorden. Dan deed Isaiah Berlin het ooit wat korter met zijn fraaie citaat dat vrijheid voor de wolven vaak dood voor de schapen betekende. Of een eigen voorbeeld van Stiglitz: het verkeerslicht. Beperkt vrijheid maar als het er niet zou zijn was de onvrijheid vele malen groter.

    Wat is het alternatief?

    Maar goed, de intentie van dit boek is nobel; een betere wereld, en vooral een rechtvaardigere en eerlijkere wereld voor iedereen. Dat zal dan gaan middels een kluts van progressief kapitalisme en ‘een 21e-eeuwse versie van sociaaldemocratie of van de Scandinavische welvaartsstaat’. Bij het vormgeven van dat alternatief is Stiglitz niet op zijn sterkst. Misschien niet zo verwonderlijk omdat voor bijna elke Amerikaan, ook van progressieve snit, het woord socialisme bijna gelijk staat aan communisme De derde weg tussen kapitalisme en socialisme (Clinton, Blair) was al heel bijzonder en vooruitstrevend. En over Scandinavië is de laatste jaren wel meer te zeggen dan louter over hun status als welvaartsstaat.

    Grote kans dat Kamala Harris in haar campagne vorig jaar op zijn minst een samenvatting van dit boek heeft gelezen. Ze deed een verdienstelijke poging het woord vrijheid dat door de rechts en de Republikeinen was gekaapt, terug te winnen. De diefstal van vrijheid door rechts moet door links worden ontmaskerd en ongedaan gemaakt. In deze traditie van grote woorden en fraaie retorica past het boek van Stiglitz zeer goed. En er staan beslist behartenswaardige noties in het boek zoals het belang van het koesteren van menselijk kapitaal als je spreekt over progressief kapitalisme of de verbreding van het Bruto Nationaal Product met welzijn en geluk. Of het boek dit najaar in de binnenzak past van Frans Timmermans en Rob Jetten is sterk de vraag. Daarvoor is het niet alleen te dik maar ook net wat te veel een Amerikaanse Bijbel, maar dan wél een van de betere soort dan die van de behoudende christenen die in de VS het debat lijken te overheersen.