• Oogst week 51 – 2025

    Oceandiva

    Christina Flick (1982) is in Duitsland geboren, maar haar debuutbundel heeft ze geschreven in het Nederlands, omdat ze waardeert dat deze taal een andere logica en woordvolgorde heeft dan haar moedertaal. Maar ook maakt ze in haar gedichten gebruik van de Engelse taal. Haar poëzie valt op door de vele enjambementen, die vaak dubbelzinnig van betekenis zijn, omdat het niet duidelijk is of het laatste woord de versregel afsluit of de volgende opent. Haar associatieve gedichten volgen de chaos en de drukte van een grote stad, die tot vervreemding en eenzaamheid leiden.
    Een vertelstem observeert het stuurloze leven van vier stadsbewoners, die een moeizame relatie met elkaar onderhouden, tijdens hun zwerftochten door de stad tot aan de oceaan. Flick schetst een wereld waarin de vertwijfeling nooit ver weg is en de toekomst ongewis is, maar door de verscheidenheid van onderwerpen en de gedetailleerdheid van Flicks observaties is dit geen sombere bundel.

    droom, bushalte
    er is een gala in het centrum troost ik een toerist
    die dronken is en op weg
    naar een heavymetalconcert dat er niet is
    jij ziet eruit als sharon stone zegt hij
    aangespoeld in de buitenwijken
    van het verlichte ik vind hem vooral
    een whitney houston
    een alarm gaat af een limousine rijdt langs
    met daarin iemand die op ons beiden lijkt
    alleen dan mooier

    Oceandiva
    Auteur: Christina Flick
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2025)

    Aan wie, deze offers

    Daniel Vis (1988) is dichter en schrijver van vier dichtbundels en een roman. Zijn tweede bundel, Insect redux, werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs en in 2021 ontving hij de Frans Vogel Poëzieprijs voor zijn gehele poëtische werk.

    In zijn vierde bundel is een man aan het woord die heel graag vader zou willen worden, maar die wens niet in vervulling ziet gaan door zijn onvruchtbaarheid, ‘en mijn zaad dat onvolkomen is’. Dat zet tot twijfel aan en leidt in de gedichten naar de vraag of de man daadwerkelijk een kind wil, of dat hij alleen maar gered wil worden van zichzelf en zijn sterfelijkheid. De gedichten zijn een weergave van zelfonderzoek en richten zich tot de geliefde en tot de goden die een belangrijke rol spelen in deze bundel. Het zijn de oude goden van de Tupi, een verzameling van inheemse volkeren in Brazilië, tot wie de ik-figuur zijn gebeden richt in de vorm van kwetsbare en intieme gedichten. Wie (slacht)offert en wie wordt ge(slacht)offerd zijn vragen die door elke lezer afzonderlijk moeten worden beantwoord.

    Ik vrees wat er te ontwaken staat
    wanneer de vrucht waarom we vragen
    daadwerkelijk tot wasdom komt.

    Ik vrees de liefde die,
    enorm, verpletterend,

    in mij haar plek inneemt –

    wat ze zal vinden
    van mijn eerdere gebeden.

     

     

    Aan wie, deze offers
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Uitgeverij Hollands Diep (2025)

    Jeroen van Kan (1968) debuteerde in 2017 met de dichtbundel de wereld onleesbaar, in 2019 gevolgd door de verhalenbundel Hoe Matt een dode vis werd. Hij was redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade en werkte jarenlang voor de VPRO-radio. Tot 2019 was hij presentator van het televisieprogramma VPRO Boeken. Hij werkt momenteel als redacteur van het radioprogramma De Taalstaat.

    In zijn nieuwste bundel, komeet ping pong, onderzoekt Van Kan in drie afdelingen komeet, kelder en ping pong hoe hij de wereld om zich heen dient te begrijpen. Hij verkent de grenzen tussen spel en zwaartekracht, tussen eigen koers en andermans baan. De komeet en het pingpongballetje verhouden zich tot elkaar als de ene mens tot de andere, ieder met zijn unieke eigenschappen en tempo van leven. De dichter laat hierbij open welke identiteit de voorkeur krijgt, maar ironie, humor en speelsheid zijn vereist.

    hier of daar

           Ik zat op een heuvel
    en keek uit over istanbul

    naast me een jongen die zich
    voorstelde als berk
    hij was piloot

       goed je te ontmoeten zei ik
    je hebt me niet ontmoet
    antwoordde hij

              hier noemen ze me zo
    maar alleen daar ben ik het

    Auteur: Jeroen van Kan, komeet ping pong Uitgeverij Querido (2025) 9789025320126, 80 19,99
  • Oogst week 49 – 2025

    Oogst week 49 – 2025

    Alleen in dans kon zij wonen / Het vrijgevochten leven van Darja Collin 1902-1967

    Wie heeft ooit van Darja Collin gehoord? Arend Hulshof, freelance journalist, schrijver en schrijfcoach schreef haar biografie: Alleen in dans kon zij wonen, het is een boeiend verhaal van het leven van de danseres Darja Collin. Zij werd in 1902 in Amsterdam geboren, haar vader was Robert Collin, een Duitse violist die jong stierf. Na een eenzame jeugd op een meisjesinternaat, gaat Darja terug naar haar moeder in Rotterdam. Ze is negen jaar als ze een dansoptreden ziet en meteen haar hart verliest aan de dans. Geheel tegen de tijdgeest in kiest ze voor het podium en is in de jaren twintig van de vorige eeuw een gevierd danseres. Ze volgt opleidingen in Dresden en Parijs en opent een dansschool in Den Haag. Na een hevige verliefdheid trouwt ze met de dichter Jan Slauerhoff, ze krijgen een doodgeboren zoon. Het huwelijk duurt slechts kort, Slauerhoff is altijd op zee en Darja Collin kiest haar eigen weg. Voor de Tweede Wereldoorlog reist ze samen met een leerling en later goede vriendin door Afrika, ze treden op voor geallieerde troepen op Borneo en Nieuw-Guinea.

    Een boeiende biografie van een danseres, die ook wel de Mata Hari van de dans werd genoemd.

    Auteur: Arend Hulshof
    Uitgeverij: Querido

    Mijn Andalusische moeder

    Zoektocht naar een jeugd. Manuele worstelt met het verleden en zijn plaats in de wereld. Hij mist zijn moeder, die na een mysterieuze ziekte stierf. Aracoeli is haar naam, het is de titel van de oorspronkelijke Italiaanse roman die drie jaar voor Morante’s dood in 1982 verscheen. Nog steeds actueel, is Mijn Andalusische moeder nu in een vertaling van Manon Smits verschenen.

    Aracoeli kwam uit een Andalusisch dorp, een mooie Spaanse die door een Italiaanse marineofficier werd meegenomen naar Rome. Jaren later vertrekt hun zoon, de veertiger Manuele naar Andalusië. Hij zoekt naar antwoorden over zichzelf en zijn moeders wortels. Terwijl hij ronddoolt door haar geboorteland, vervagen de grenzen tussen herinneringen, dromen en werkelijkheid. Zijn zoektocht wordt een confronterende reis door tijd en geschiedenis, waarbij de schaduw van Franco’s Spanje en zijn eigen jeugdtrauma’s steeds zwaarder op hem drukken.

    Mijn Andalusische moeder is Elsa Morante’s laatste en volgens sommigen misschien beste roman: een ontroerend verhaal over verlangen, verloren onschuld en de onbreekbare, maar ook destructieve band tussen moeder en zoon.

    Samen met Natalia Ginzburg behoorde Elsa Morante (1912-1985) tot de beste Italiaanse schrijfsters van de vorige eeuw. Ze is het grote voorbeeld voor auteurs als Elena Ferrante en Silvia Avallone. Ze was de echtgenote van Alberto Moravia en schreef kritisch onder andere over de ideologieën van haar landgenoten in de Tweede Wereldoorlog.

    Auteur: Elsa Morante
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Een luisterend oog

    Grote raadselachtige foto’s van de kunstenaar Boris Němec trekken de aandacht in de internationale kunstwereld. De kunstliefhebbers en verzamelaars Iris en Maarten kopen het kunstwerk van een perfect interieur dat de titel draagt Can You See Me? Op de foto is alleen niemand te zien, toch raakt de man totaal geobsedeerd door die foto, met ingrijpende gevolgen. Welke rol kan kunst vervullen in ons leven?

    Een luisterend oog is een filmisch geschreven novelle.  Het leven van het echtpaar wordt ontregeld, maar ook dat van de kunstenaar zelf.  Waarmee Een luisterend oog neigt naar sciencefiction. ‘Bertram Koelewijns literaire oeuvre (twee verhalenbundels, nu vier romans) draait om mind games, om dubbele lagen en de kracht van de verbeelding,’ aldus Thomas de Veen in NRC. ‘Hij betoont zich een pleitbezorger van literatuur die echt om de fictie draait, „pure fictie”, om dat wat verzonnen is en toch reëel voelt, en reëel effect teweegbrengt.’

    Bertram Koeleman (1979) is inkoper bij boekhandel H. de Vries in Haarlem. Hij studeerde Engelse taal- en letterkunde en publiceerde in De Gids. Hij debuteerde met De huisvriend in 2013.  Een roman waarin de beheerder van een landgoed de kluizenaar-eigenaar verstopt houdt voor de buitenwereld, met het wekelijkse bezoekje van een hoogleraar, de huisvriend, ontstaat er een probleem.

     

     

    Auteur: Bertram Koeleman
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • De complexe zoektocht van een adoptiekind

    De complexe zoektocht van een adoptiekind

    Het lijkt een tamelijk obligaat beeld voor een poging om je leven als geadopteerde te ordenen tot een coherent geheel: het leggen van een puzzel. Zo noemt Emily Kocken het zelf in haar nieuwste boek Adoptica. Toch is de metafoor in dit geval treffend.
    Wie wel eens een legpuzzel heeft gemaakt zal herkennen dat je begint met een verdeling van alle losse stukjes die wat met elkaar te maken lijken te hebben over een soort sorteerbakjes. Zo heeft Kocken haar boek ook min of meer opgezet. Haar bakjes zijn in Adoptica vier delen: ‘Onecht’ (haar leven in het gezin van de adoptieouders), ‘Echt’ (waarom werd ik als kind afgestaan?), ‘Paar’ (de gedeelde ervaring met haar man, Adam, die eveneens een geadopteerde is) en ‘Club’ (gesprekken met andere adoptiekinderen over hun ervaringen).

    Elk van die vier delen is een verzameling van losse stukjes: herinneringen, (gedachten bij) foto’s, reconstructies van gesprekken en ontmoetingen, oude aantekeningen, brieven, verhalen van familieleden enzovoort. In ieder hoofdstuk binnen de eerste drie delen probeert Kocken van al die stukjes hun betekenis voor haar leven te duiden. Dat doet ze in korte zinnen met veel wit ertussen waaruit iets van een relativering spreekt: ging het echt zoals ik me herinner? Werd hier iets verzwegen? Hoe valt de uitlating van de een te rijmen met die van een ander? Waarom interpreteer ik dit of dat zoals ik dat doe? Waarom vroeg ik toen niet door? Waarom voel ik me soms schuldig?

    Normaal doen

    Kocken noemt schrijnende gebeurtenissen. Zo vertelde ze als kind op school in Vught vol trots dat zij een ‘uitgekozen’ kind was. Toen de juf haar adoptiemoeder liet weten dat Emily te openhartig was, kreeg ze te horen dat ze niet over ‘hét’ moest praten. Ze kon maar beter normaal doen.
    Of neem de jarenlange onzekerheid over de reden van haar adoptie. Jarenlang geloofde ze dat de ouders van haar biologische moeder haar hadden gedwongen afstand te doen. Tot deze moeder, die zelf op zoek was gegaan naar haar afgestane dochter, zich laat ontvallen dat ze drie maanden de tijd had gehad om op haar besluit om het kind af te staan terug kon komen, maar dat niet deed. Het zorgt bij Emily voor een totale verwarring en boosheid.

    Emily werd in 1963 geboren als Talia in de VS. Haar adoptieouders, Nederlanders die in de VS woonden, gaven haar haar nieuwe naam. Ze keerden terug naar Nederland in 1970, maar Emily zou pas in 2019 de Nederlandse nationaliteit aannemen. Ze bleef – net als haar adoptieouders – lang Amerikaans.
    In 1986 blijkt haar moeder haar te hebben opgespoord en een brief te hebben gestuurd die door de adoptieouders op hun beurt weer een half jaar is achtergehouden. Motief: het zou Emily, die voor haar schoolexamens zat, te zeer kunnen emotioneren. Zowel de relatie met de adoptieouders als met de biologische moeder (de vader had die moeder al verlaten voor Talia’s geboorte) verloopt met grote problemen. Er zijn regelmatig ruzies en (voor Emily’s gevoel) intimidaties.

    Uniek

    Voor Emily was de omgang met verschillende moeders en vaders verwarrend. Het drukt haar neus voortdurend op de vraag wat nature is en wat nurture. Het maakt een ‘normaal’ leven – wat dat dan ook moge zijn – bijna onmogelijk. Ze wordt kunstenaar, een talent dat van haar verwekker zou kunnen zijn geërfd, maar is dat echt zo? Ze besluit dat ze geen kinderen wil uit angst die op te zadelen met een verborgen erfenis van haar ouders. Ze ondergaat zelfs een abortus, maar die zadelt haar dan weer op met een schuldgevoel jegens haar adoptiefouders die onvruchtbaar waren en juist graag een kind verwekt zouden hebben.

    Adoptica laat goed zien hoe complex de zoektocht van een aangenomen kind is naar de eigen identiteit. Uit de interviews die zijn opgenomen in het laatste deel ‘Club’ blijkt ook nog eens dat de antwoorden die worden gevonden voor iedere geadopteerde weer uniek zijn. Iedereen heeft zijn eigen sleutelmomenten in het eigen leven: wanneer wist je ‘hét’? Wilde je contact met je afstandsouders of niet? En als je dat kreeg, wat leverde je dat dan op voor jezelf? Buitenstaanders denken wel eens dat de puzzel gelegd is als je alsnog ontdekt waar je vandaan komt. Dat blijkt echter vaak niet op te gaan. Er ontstaan juist weer nieuwe onduidelijkheden.

    In dat opzicht doet Adoptica denken aan die andere beroemde puzzel uit de literatuur, die van Bartlebooth in Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec (ook door Kocken geliefd – haar roman Lalalanding uit 2021 was geïnspireerd door La Disparition van de Franse auteur): Zittend voor zijn bijna voltooide puzzel blijkt het laatste stukje de vorm van een W te hebben terwijl het open liggende vakje de vorm van een X heeft.
    De X, het onbekende. Het laatste stukje valt, ook volgens Kocken, niet te dichten.

     

     

    Adoptica

    Emily Kocken

    Mijn leven als adoptiekind

    Uitgever: Uitgeverij Querido (2025)

    ISBN 9789025319274

    392 pagina’s

    Prijs: € 26,99

    Buy with Libris
  • Kiezen voor vooruitgang of behoud?

    Kiezen voor vooruitgang of behoud?

    Ismail Kadare, de bekendste schrijver uit Albanië, is geboren in 1936 en vorig jaar op 88-jarige leeftijd overleden. Eind jaren zeventig van de twintigste eeuw publiceerde hij zijn roman Uta me tri harque, in 1985 door Henne van der Kooy uit de geautoriseerde Franse vertaling in het Nederlands overgezet: De brug met drie bogen. Dit jaar is het boek opnieuw uitgebracht.

    Brug over de Oejane

    Kadare laat het verhaal over de brug over de rivier Oejane (gelegen in Albanië) vertellen door Gjon de Monnik. Jarenlang heeft de organisatie met de toepasselijke naam ‘Ponten en Veren’ mensen en vee per boot de rivier overgezet. Tot tevredenheid van Graaf Stres die een deel van de winst opstrijkt. In 1377 krijgt een ziener bij de pont een epileptische aanval waarna hij verklaart dat dit een teken van de Almachtige is: er moet op deze plek een brug gebouwd worden. Een handelsgezelschap, luisterend naar de eveneens toepasselijke naam ‘Wegen en Bruggen’, krijgt vervolgens toestemming van de graaf een stenen brug te bouwen.

    Moet de aanwijzing van de Almachtige gevolgd worden of is de brug de rug van de duivel en wordt iedereen die er overheen zal durven gaan, vervloekt? Het bijgeloof vergroot de angst. Het verzet tegen het bouwen van de brug symboliseert fraai de weerstand tegen vooruitgang en het willen vasthouden aan oude gewoonten. De toekomst is echter niet tegen te houden en men begint met de bouw van de brug.

    Strijd tussen krokodil en tijger

    Dat de brug er niet zonder slag of stoot zal komen wordt aan het begin van het verhaal al duidelijk wanneer een Hollandse (!) monnik aan Gjon vertelt over de strijd op leven en dood tussen een krokodil en een tijger, niet voor niets een water- en een landdier. De twee dieren storten zich op elkaar zonder dat ze erin slagen elkaar te bijten of te slaan: ‘Het leek erop of er aan het gevecht nooit een eind zou komen.’ Blijkbaar is Kadare deze opmerking snel vergeten, want vier pagina’s verder heeft de tijger (het landroofdier) de strijd toch gewonnen en rent hij, met bebloede muil, de savanne in.

    ’s Nachts wordt de brug beschadigd en dat brengt ‘een storm van geruchten en bange voorgevoelens teweeg’: de brug vraagt om een offer. Murrasj Zenebisje voldoet aan de wens van de brug en laat zich onder de eerste boog van de brug inmetselen. Gjon vermoedt dat het om dezelfde man gaat die eerder de brug beschadigd heeft. Is hij een martelaar of is hij het slachtoffer van een vloek? Zijn familie krijgt weliswaar een schadeloosstelling, maar over de verdeling ervan breekt in de familie een enorme ruzie uit.

    Vertaling

    Het verhaal wordt met veel vaart verteld in korte hoofdstukken (ruim zestig hoofdstukken in nog geen 150 pagina’s). De vertaling wordt niet toegelicht en dat laat een aantal vragen open. Waarom is de tekst vertaald uit het Frans en niet direct uit het Albanees? Roel Schuyt vertaalt immers direct uit die taal (ook werk van Kadare). Is de vertaling uit 1985 afgestoft of gaat het om een ongewijzigde herdruk? Komt de soms wat archaïsche taal (die natuurlijk goed past in een verhaal dat in de veertiende eeuw speelt) in de oorspronkelijke taal voor of is deze afkomstig uit de Franse of Nederlandse vertaling?

    Beklemmende sfeer

    De roman van Kadare heeft een beklemmende sfeer, mede door de dreiging van oorlog en de angst voor de komst van vreemde overheersers (de Turken) die een onheilspellende achtergrond bieden tegen spanningen die ontstaan tijdens de bouw van de brug. Door de dreigende achtergrond van oorlog en geweld is het een roman die perfect in de huidige tijdgeest past. En voelen veel mensen heden ten dage niet eveneens angst voor vooruitgang? Welke bruggen zijn er nodig op de elektronische snelweg en wie zal worden geofferd om de bouw van de bruggen dáár mogelijk te maken?

  • Van rotting en bederf naar inzicht

    Van rotting en bederf naar inzicht

    De eerste druk van Vriend van verdienste verscheen in 1985. Veertig jaar later hertaalde Thomas Rosenboom zijn eerste roman. De vijftiende druk komt uit als hardcover in een jubileumeditie.
    Hoofdpersoon van de roman is de zestienjarige Theo Altink. Zijn moeder overleed toen hij zes was. Zijn broer zit in een ‘verbeteringsgesticht’. Theo dreigt ook op het slechte pad te raken; hij heeft al een winkeldiefstal gepleegd. Met zijn vader woont hij op een boerderij, maar veel contact heeft hij niet met hem. Theo maakt het huis schoon. Daarnaast brengt hij veel tijd buiten door. Met zijn getemde kraai Rokko jaagt hij met vergiftigd aas om dieren te vangen om ze op te zetten. In de tuinschuur is hij bezig met het prepareren van een wezel. Hij heeft ook een compostkuil, een ‘broeiberg’, waarin hij bederfelijk afval verzamelt. ‘Het ging hem erom de verrotting zo ver te voeren dat ze zou omslaan in haar tegendeel, een tendens naar zuiverheid en de vorming van een nieuwe ongemengde stof.’ De eigenschappen van al het materiaal in de broeiberg zouden na een omslag zijn ‘samengevat in de nieuwe stof die er in de diepte ontstaan zou… Daar was hij op uit, de stof van alle stoffen, de som van de eigenschappen, een chemisch wit.’ Theo leeft hij in zijn eigen wereld zonder veel sociale contacten. Hij gaat wel om met zijn enige vriend Freddie. Zijn vader is tegen die vriendschap, omdat Freddie een slechte invloed op Theo zou hebben.

    Behoefte aan vriendschap

    Via Freddie wil Theo in contact komen met de twee broers Van Hall, Otto (19) en Pieter (17) die in een villa wonen. Daarvoor is volgens Freddie wel een ‘inbreng’ nodig, iets te eten en iets te drinken meenemen. Zo komt hij op een dansfeestje. Theo wil graag vrienden worden met Otto door zich ‘in zijn dienst’ te stellen, ‘de vriendschap zou vervolgens niet uit kunnen blijven.’ Otto vraagt hem bij de buren een sextant te stelen: ‘Ik had dat aan niemand anders durven vragen, Theo, je bewijst me een geweldige dienst.’ Als Theo later wordt aangehouden met een gestolen bromfiets, vlucht hij voor de politie. Hij duikt onder in de villa. Hij mag een nachtje blijven, en later nog een nachtje. De broers dringen erop aan dat hij zich aangeeft. Maar Theo wil niet weg; hij dreigt Otto aan te geven omdat hij hem heeft aangezet tot het stelen van de sextant.  De broers kunnen hem niet meer laten gaan als hij al zo lang vermist is. Zij hebben hem immers onttrokken aan de ouderlijke en rechterlijke macht. Na zijn dreigementen houden zij de deur van de torenkamer op slot.

    Ondergedoken of gevangen

    Pieter brengt hem af en toe eten en een emmer waarop hij zijn behoefte kan doen. In de verduisterde en stinkende torenkamer krijgt hij zo’n dorst dat hij uit die emmer uiteindelijk ook drinkt. In totaal zit hij daar een maand lang gevangen, in een ‘toestand van troebele, woordeloze mijmering, die allengs uitdoofde in volstrekte ledigheid.’  Theo denkt terug aan zijn broeiberg: ‘de hitte, de stank en de rottenis om mij heen, peinsde hij, dat is allemaal precies hetzelfde als in de broeiberg /…/ ik word voos en verslijm /…/, maar als het ten slotte niet erger meer kan worden, dan zal ik witter zijn dan sneeuw! Ik word een nieuwe jongen… de ander!’ Otto komt na lange tijd bij hem langs in de torenkamer om hem te vertellen dat ze een ‘buitenlandse reis’ voor hem aan het regelen zijn. In werkelijkheid hebben zij andere plannen…

    Baarnse moordzaak

    Rosenboom heeft in meerdere interviews verteld dat hij zich voor deze roman heeft laten inspireren door de Baarnse moordzaak. Begin jaren zestig vermoordden twee jongens uit een rijke familie samen met een vriend een veertienjarige jongen en zij dumpten zijn lichaam in een stapelput in de tuin. Met deze zaak als uitgangspunt, maakt Rosenboom van deze geschiedenis een eigen verhaal met een knappe structuur. Hij laat alle verhaallijntjes mooi samen komen, met veel oog voor detail. Een mooi voorbeeld is hoe Theo’s geblokte overhemd uit het eerste hoofdstuk terugkomt in het laatste.

    Bijzonder taalgebruik

    Bij lezing van deze roman vallen vooral het taalgebruik en de bijzondere natuurbeschrijvingen op. Rosenboom heeft eens gezegd dat hij als schrijver de volle breedte van de Nederlandse taal wil benutten. Daarbij gebruikt hij minder gangbare woorden en uitdrukkingen. ‘Sissende geluiden uitstotend, maar nog op brieke benen ging hij omlaag het dijkje af.’ In een natuurbeschrijving verwijst hij naar ‘de heumige geur van de bodem.’
    De natuurbeschrijvingen en de beeldspraak ondersteunen de gemoedstoestand en de eenzaamheid van de zestienjarige hoofdpersoon: ‘hij bevond zich in een benauwde koepel van matglas’. Deze ‘benauwde koepel’ geeft treffend aan hoe Theo in zijn eigen wereld gevangen zit. Zijn hoofd is als een ‘kookpot’ waarin van alles borrelt en gist.

    Het is lovenswaardig dat Querido de debuutroman van Rosenboom opnieuw heeft uitgebracht. Lezen van dit boek is vergelijkbaar met een ritje in een draaimolen. Je komt er duizelig of zelfs misselijk uit, vooral door de expliciete beschrijvingen van rottigheid en viezigheid. Maar bovenal levert (her)lezing van Vriend van verdienste je een bijzondere leeservaring op door de inkijk in Theo’s leefwereld en de verrassende afloop van de roman.

     

     

  • Kees ’t Hart en de essentie van het warenhuis als museum en strijdperk

    Kees ’t Hart en de essentie van het warenhuis als museum en strijdperk

    Wie wil een boek lezen waarvan de verteller een consultant is, die het liefst honderduit over zijn werk zevert en vindt dat zijn betoog geen roman mag worden? Wij allen, mits het De Rode Olifant heet en is geschreven door Kees ’t Hart. 

    ’t Hart debuteerde in 1988 met de verhalenbundel Vitrines, waarover later. Geen familie van de bestsellerauteur Maarten, schreef een recensent in die tijd. Zevenendertig jaar en zevenentwintig boeken (romans, verhalen, essays, toneel, poëzie) verder zal niemand deze relatie meer leggen. Als er al een verwantschap zou bestaan is dat met collega P.F. Thomése, met wie ’t Hart korte tijd in de redactie van De Revisor zat. Beide auteurs zijn immers zeer bekwaam in het hanteren van zeer uiteenlopende stijlen en genres. Thomése schreef naast zijn ‘serieuze’ werk de drie slapstick-romans met J. Kessels als hoofdpersoon en in 2007 verscheen zijn roman Vladiwostok! met een spindokter in de hoofdrol, over het politieke bedrijf in Den Haag, de bijbehorende media en andere valkuilen.  

    Als ’t Hart een historisch roman schrijft over Aagje Deken en Betje Wolff, doet hij dat via een hedendaagse onderzoeker die met e-mailberichten strooit. En Wederzijds (2017) is een relaas waarin keurige Haagse burgers langzaam maar zeker politiek radicaliseren en uiteindelijk tot hun verbazing bij een gewelddadige groep terechtkomen. In De revue (1999) wekt ’t Hart het Amsterdamse theater Carré uit de jaren zestig tot leven via een licht schurend liefdesverhaal.  

    Een merkwaardig buitenbeentje

    Voordat we naar De Rode Olifant gaan, moeten we het verhaal ‘Warenhuis’ uit zijn debuut Vitrines bekijken. Daarin vertelt een jongen van twintig dolgraag te willen stagelopen in een warenhuis. Zijn opleiding heeft hij niet heeft afgemaakt, maar wel werkervaring in kampwinkels opgedaan.  Bijzonder is zijn motivering: hij hoopt door de aanwezige vitrines en bakken zijn herinneringen te kunnen ordenen tot een samenhangend geheel. Ik stel het nu wat simpel, de verteller houdt vrij gecompliceerde betogen over zijn herinneringen en die van anderen, vervolgens over herinneringen die een hele keten van andere kunnen veroorzaken etc. Hij schrijft sollicitatiebrieven en wordt soms uitgenodigd voor een gesprek. Vergeefs. Door zijn wat criminele vader en zijn broers wordt hij zowel geholpen als tegengewerkt. Ze moeten vooral lachen om het belang dat hij hecht aan een gele corsage.

    In dit verhaal zien we al de echte Kees ’t Hart opdoemen. De verteller is een merkwaardig buitenbeentje en blijkt ook onbetrouwbaar, want bijvoorbeeld de brieven zijn niet (alle?) verstuurd en die gesprekken hebben niet (alle?) plaatsgevonden.

    Over warenhuizen en winkelcentra

    De Rode Olifant begint met een anonieme consultant voor het winkel- en warenhuismanagement, die door ene dr. H. Fritzen per brief wordt gevraagd om eens te komen praten in de Rode Olifant. Een overbekend gebouw in Den Haag. Er bestaat geen hoge dunk van consultants. Ze verdienen te veel met vaag gebabbel in modieus jargon. Bullshit jobs. Maar net als de kleine minderheid van managers die bij het afscheid met huilende werknemers worden geconfronteerd die hen smeken alsjeblieft toch maar te blijven, zo bestaan er ook bekwame consultants. ’t Hart wekt de geloofwaardig indruk dat zijn verteller zo iemand is.

    Aan de ene kant is daardoor De Rode Olifant een interessant betoog over warenhuizen en winkelcentra, de essentie van retail business, waar over elk detail dient te worden nagedacht. De trekkers zonder welke winkelcentra niet kunnen floreren en het belang van een display. Logistiek als oorlogvoering, de rituelen waarmee het warenhuis lijkt op een museum. Het verrast ons niet dat de verteller was betrokken bij Westfield Mall of the Netherlands in Leidschendam.

    Maar zijn pogingen Fritzen te spreken te krijgen, verlopen moeizaam. Eerst wil de verteller weten wat voor vlees hij in de kuip heeft – ook zijn vriend Pim vindt desgevraagd echter erg weinig daarover. Wel heeft Pim onlangs ene Anna Postvelt ontmoet, die een kantoortje heeft in de Rode Olifant. Een zeer succesvolle standbouwer die alleen nog maar prestigieuze projecten aanneemt als de Arsenale tijdens de Bienale. Behalve in Den Haag heeft haar bedrijf vestigingen in Minneapolis en Parijs. En… zij blijkt ook het jeugdvriendinnetje van de verteller, die haar daarna uit het oog is verloren.

    Honderduit over Zola en Warhol

    We krijgen zijn uitgebreide terugblik die in ieder geval duidelijk maakt dat hij volstrekt geen oudere versie is van de jongen uit het verhaal ‘Warenhuis’. Integendeel. Want enig kind, met een brigadegeneraal als vader en na zijn middelbare school in Nijmegen student aan de KMA en de Erasmus universiteit. Alhoewel, zijn interesse in het warenhuiswezen werd gewekt toen hij als scholier een vakantiebaantje had bij de lokale V&D en met zijn ouders kamperend in Frankrijk bracht hij uren door in de grote supermarkten aldaar. 

    De andere kant van de roman leren we in tussenzinnen kennen, waarmee ’t Hart de spanning prettig opvoert. Een hoofdstuk eindigt bijvoorbeeld met het zinnetje ‘Niet verstandig.’ Waarom? Verder is er af en toe sprake van een ‘advocaat’, een ‘pleidooi’ en een ‘rechtszaak’. ’t Hart schotelt de lezer hierover telkens kleine brokjes informatie voor, net als over een ex die hem ‘emotioneel instabiel’ noemde, zijn ‘woedeaanvallen’, zijn ‘roes’ en ‘pathos’. Brokjes die vragen oproepen, maar ’t Hart leidt de lezer hiervan listig af door de wijdlopigheid van het verslag en de zelfingenomenheid van de verteller als professional. Honderduit vertelt hij over zijn vak en over Émile Zola’s roman Au bonheur des dames (1883) die hij als een bijbel annex handboek beschouwt. Over de dagboeken van Andy Warhol waarin die het over warenhuizen heeft. Over het schilderij Un bar aux Folies Bergère (1882) van Édouard Manet. Dat krijgen we ook te zien, net als de afbeeldingen van de Rode Olifant, waarmee hij zijn geschiedenis van het gebouw illustreert, begonnen als het Petrolea van Esso en eindigend als het bedrijvenverzamelgebouw Traces.

    Man met een opdracht of verovering van een jeugdliefde?

    Als hij de geheimzinnige Fritzen eindelijk ontmoet, blijkt hij een opdracht te krijgen: ontwerp een warenhuismuseum in de Rode Olifant. Dit is geen spoiler, want we zijn pas op drievijfde van de roman en hebben nog allerlei avonturen te goed, onder andere in Parijs en Minneapolis. Op een gegeven moment vraagt de lezer zich af waarover de roman eigenlijk gaat: een man die een moeilijke maar prestigieuze opdracht krijgt of een man die na decennia zijn jeugdliefde probeert terug te veroveren?

    Dan hebben we onze aandacht laten afleiden van de andere kant van de verteller, die van de terloopse zinnetjes die aangeven dat hij even onbetrouwbaar is als de jongen uit 1988. Veel boeken van retail-deskundigen die hij citeert, kunnen we direct op het internet terugvinden, maar andere heeft ‘t Hart verzonnen. Het bedrijvenverzamelgebouw Traces heet in werkelijkheid Spaces. En mag zijn verslag in geen geval een roman worden? Op nog geen vijfde van het boek vraagt hij al, ‘Zou het, na enige omwerking met andere namen, niet ook als roman kunnen worden gepubliceerd? Kent u mensen uit de uitgeverwereld?’

    De afloop – ’t Hart knoopt geloofwaardig diverse verhaallijnen aan elkaar – is vooral te verklaren vanuit de stukjes informatie die drijven in de woordenstroom.

    Een in alle opzichten interessante roman, De Rode Olifant. We hebben Herman Heijermans’ toneelstuk De opgaande zon (1908), waarbij het warenhuis uit de titel verwijst naar de bestaande Bijenkorf, zoals Zola’s warenhuis naar als Le Bon Marché verwijst. Maar het stuk van ’t Hart gaat vooral over de galanteriewinkel die wordt bedreigd door het naburige warenhuis. Het is zowaar spijtig dat de consultant zweeg over het echec V&D. En wat zou hij hebben gevonden van de manier waarop het Rotterdamse warenhuis Ter Meulen is getransformeerd?

     

     

    Lees ook: Victorien ik hou van je
    Theatro Olimpico
    Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

     

  • Pleidooi voor een sterk en verenigd Europa

    Pleidooi voor een sterk en verenigd Europa

    Zijn we in de woorden van Johan de Witt: radeloos (de regering), redeloos (het volk) en reddeloos (het land)? De kwalificaties van De Witt sloegen natuurlijk op het Rampjaar 1672. Het pamflet van cultuurhistoricus René van Stipriaan Afscheid van het oude Nederland gaat over het gevaar van populistische ontwikkelingen in de (Nederlandse) democratie in de 21e eeuw. Bij veel Nederlanders is het nog niet doorgedrongen dat onze democratie en onze individuele vrijheden in groot gevaar verkeren. Van Stipriaan wil de ‘redelijke en optimistische mensen die menen dat het vanzelf wel weer goed komt’ wakker schudden en vraagt zich af of we onze democratie nog kunnen redden.

    Van Stipriaan geeft een kort overzicht van de politieke ontwikkelingen in ons land. In kort bestek beschrijft hij het naoorlogse optimisme, de recessie van de jaren tachtig van de 20e eeuw, de vastlopende verzorgingsstaat en de werkloosheid. Als reactie stuurt het neoliberalisme op een kleinere overheid, lagere belastingen en minder overheidsuitgaven. Het politieke midden wordt kleiner en het aantal partijen aan de flanken neemt toe. Burgers krijgen een vooral op zichzelf gerichte mentaliteit.

    Eind aan de verzuilde samenleving

    Er is in de 20e eeuw een einde gekomen aan de overzichtelijke tijd van verzuiling waarin de mensen zich thuis voelden in een kerkgenootschap, een politieke partij of een vakbond. Ze keken binnen hun zuil naar dezelfde omroep, lazen dezelfde krant, stemden op dezelfde partij en de kinderen gingen naar de bij de zuil horende school. De verzuilde samenleving bood daardoor een zekere geborgenheid en dat gevoel is in de 21e eeuw verloren gegaan. De verzuilde samenleving is een geglobaliseerde en snel veranderende samenleving geworden: angst jezelf of je cultuur te verliezen beheerst daardoor voor veel mensen hun leven.

    Het populistische gevaar

    Van Stipriaan beschouwt het populisme als een gevaarlijke tendens; de kenmerken vat hij samen in zeven vinkjes: Het aanwijzen van een zondebok in specifieke bevolkingsgroepen, het angst zaaien, het schermen met de wil van het volk, het wegzetten van politieke tegenstanders als een vileine elite, het verdacht maken van de rechtsstaat en de rechterlijke macht, het diskwalificeren van de serieuze nieuwsmedia, en het beloven van een nostalgisch nirwana.

    Van Stipriaan heeft dan ook weinig op met de PVV, volgens hem een ondemocratische, openlijk racistische en haatzaaiende partij.  De verkiezingen in november 2023 waarin de PVV de grootste partij is geworden, markeert in zijn ogen ‘een scherpe breuk in de Nederlandse geschiedenis, waarin verdraagzaamheid en het zoeken naar consensus bijna altijd als vanzelfsprekend om de kern van grote politieke families besloten leek te liggen.’

    Migratie

    Mark Rutte had er een handje van als hij lastenverlichting wilde voor het bedrijfsleven: luid roepen dat er Nederlandse banen op het spel staan. De noodzaak naar schatting een miljoen (goedkope) arbeidsmigranten aan te trekken staat haaks op die stelling: er is geen tekort aan banen, maar juist aan werknemers die het werk kunnen verrichten. Het zijn die arbeidsmigranten die een grote druk leggen op de zorg en op de beschikbare huizen. Alleen al in Den Haag bewonen zij 64.000 huizen. Wanneer jonge Nederlanders geen huis kunnen vinden, is de kans klein dat dat komt door asielzoekers, en groot dat het komt omdat er een stuk of tien arbeidsmigranten in wonen, omdat de asielmigranten slechts 10 à 15 procent uitmaken van de stroom aan migranten die naar Nederland komt. De PVV hamert desondanks uitsluitend op het terugdringen van de instroom van asielzoekers die de schuld krijgen van alle problemen, ook als die door arbeidsmigranten veroorzaakt worden.

    Europese Unie

    Populisten geven de schuld van alle problemen niet alleen aan asielzoekers, maar ook aan de Europese Unie. Van Stipriaan pleit juist voor een sterk en verenigd Europa: we hebben elkaar immers hard nodig. De dreiging door het agressieve landjepik van Poetin in Rusland en de onvoorspelbaarheid van president Trump in de Verenigde Staten maken het alleen maar belangrijker dat we als Europa in staat moeten zijn één front te vormen. Van Stipriaan pleit daarom voor verdere Europese eenwording op politiek, economisch, militair en technologisch terrein. Helaas is dat in de huidige werkelijkheid allerminst logisch omdat de lidstaten van de Europese Unie op veel fronten allerminst op één lijn zitten.

    Zouden mensen die de afgelopen verkiezingen op de PVV hebben gestemd, het pamflet van Van Stipriaan lezen of preekt hij alleen voor eigen parochie? Te vrezen valt dat in de bubbel waarin PVV-stemmers zich bevinden, het boek weggezet wordt als linkse prietpraat en dat ze populisten blijven geloven die – ten onrechte – de schuld van alle problemen leggen bij de Europese Unie en bij de asielzoekers.

     

     

  • Een roman vol weemoed en melancholie

    Een roman vol weemoed en melancholie

    De Franse schrijver Patrick Modiano werd in eigen land al fel gelauwerd met onder meer de prestigieuze Prix Goncourt, voor hij in 2014 internationale erkenning kreeg met de Nobelprijs voor de literatuur. Modiano’s werk draait veelal rond hetzelfde thema: de zoektocht naar zijn eigen verleden en herinneringen van toen. In zijn jeugd werd hij nogal aan zijn lot overgelaten door zijn ouders en zocht hij zijn toevlucht in boeken en verhalen. De ondertoon van zijn werk is steevast melancholisch en het meeste speelt zich af in de straten van Parijs. In zijn nieuwste roman De danseres is dat niet anders.

    In De danseres staat Modiano’s grote thema ‘zoeken’ opnieuw centraal. Het is een samenbrengen van losse beelden en herinneringen uit het verleden om betekenis te geven aan het bestaan. Hij probeert verschillende puzzelstukjes op zijn plaats te laten vallen en zo in het reine te komen met zichzelf. Hoofdpersonage is een jonge man, een schrijver van teksten, die ronddwaalt in Parijs in de late jaren vijftig van de vorige eeuw. Op zoek naar een kamer, komt hij via zijn louche huisbaas Serge Verzini, in contact met een danseres. Deze woont samen met haar zoontje Pierre en huisgenoot Hovine. Al vrij snel ontwikkelt het hoofdpersonage een fascinatie voor de danseres, die met vaste structuren en een strenge discipline grip tracht te krijgen op haar leven. Zo probeert ze ook de demonen uit haar verleden te verjagen. De relatie tussen de ik-persoon en de danseres blijft onduidelijk. Ze maken samen lange en stilzwijgende wandelingen door de straten van Parijs, hij haalt Pierre af van school en speelt oppas als de danseres moet oefenen of zich inlaat met de beau-monde van Parijs als Béjart, Noerejev en anderen. Het verhaal eindigt niet echt, maar is een aaneenschakeling van herinneringen aan die tijd.

    Parijs

    Ook in De danseres drijft het handelsmerk van Modiano boven: hij schetst het Parijs van toen in een rustige, gedempte, bedroefde sfeer, vol weemoed en melancholie. Tegelijkertijd wordt het boek nooit zwaar en zorgt hij voor een soort ongrijpbare lichtheid. De danseres telt honderd pagina’s, is ingedeeld in korte hoofdstukken en kent veel witruimtes. Sfeerschepping staat duidelijk centraal. Het personage van Pierre, het zoontje van de danseres, toont duidelijke verwijzingen naar Modiano’s eigen jeugd: een afwezige moeder en een onkenbare vader die zich bezighield met louche praktijken. Hetzelfde kan gezegd worden van de danseres zelf: net zoals Modiano wordt ze belaagd door spoken uit het verleden. Het dansen trekt haar uit het moeras, geeft zin en structuur aan haar leven. Misschien is dat wat de hoofdfiguur zo bewondert in haar.

    De ik-figuur graaft diep in het geheugen en tracht verstopte herinneringen naar boven te halen. Vaak is het niet duidelijk of het wel herinneringen zijn, dan wel verzinsels of dromen. Er hangt een soort van nevel rond het geheel. Wel duidelijk is dat de oerbron van alles het mistige Parijs is. Met alle vage en halve herinneringen lijkt het wel of er een zwart-witfilm wordt afgespeeld in de straten van de wereldstad, bevolkt met bijzondere, weemoedige personages.  De ik-figuur blijft de hele tijd een soort van mysterieuze schim, die via zijn herinneringen op zoek gaat naar meetpunten in zijn leven. Hij tracht zin te geven aan zijn verleden en na te gaan wie hij werkelijk is.

    Dat hij zijn flarden van herinneringen ook vaak zelf in twijfelt trekt, is onderdeel van zijn bestaan. Alles is in de vergetelheid geraakt , maar onderhuids blijft een weemoedig verlangen aanwezig naar vroeger. In de openingsbladzijden noemt hij Parijs onherkenbaar door de vele toeristen die met hun koffertjes door de straten lopen en zorgen voor onrust. Typisch voor Modiano is ook dat het bij die sfeerbeelden en halve herinneringen blijft. De zoektocht lijkt eeuwig verder te gaan.  De danseres mag gerust de exponent genoemd worden van zijn werk. Vintage Modiano, een mix van lichtheid en melancholie en het mysterieuze zoeken naar betekenis in het verleden en Parijs.

     

     

  • Wie is er bang voor de waarheid

    Wie is er bang voor de waarheid

    ‘Hoe weet je dat ik niet lieg?’ Wytske Versteeg heeft een verontrustende eerste zin gekozen voor haar essaybundel, Waar — Over de kunst van het (niet) weten. Het boek bevat vijf essays met titels als ‘Het onschuldige oog: waarom mijn waarheid niet de jouwe is’ en ‘Waarheidssprekers, illusionisten: als onwaarheden de wereld overwoekeren’. Dat deze niet door ‘zomaar iemand’ zijn geschreven blijkt al op de tweede bladzijde, waar Versteeg vermeldt dat ze eerder haar proefschrift heeft geschreven over ‘de manier waarop we onderhandelen over wat waar is, wat telt als echte kennis en wat als onzin terzijde kan worden geschoven’. Niet dat ze zelf zou beweren dat dat een reden is om haar op haar woord te geloven.

    In het eerste essay zet Versteeg op knappe wijze de toon. Met scherp gekozen resultaten van wetenschappelijk onderzoek zet ze veel gehoorde aannames, zoals het idee dat wetenschap voor veel mensen tegenwoordig ook maar een mening is en waarheid er niet meer toe doet, op losse schroeven. De coronapandemie, bijvoorbeeld, heeft voor de meeste mensen juist geleid tot een stijging van het vertrouwen in de wetenschap, in tegenstelling tot wat je misschien zou denken als je kijkt naar coronagerelateerde complottheorieën. Sceptici kunnen deze uitspraak uitpluizen, de onderzoeken waar die op is gebaseerd staan keurig vermeld in de noten. Waar is geen boek van vlotte of simpele antwoorden. Versteeg spoort je aan om kritisch te lezen en kritisch te denken.

    Zelftwijfel en draaglijkheid

    Versteegs essays zijn het spannends op de momenten waarop ze bestaande ideeën weerlegt. Ze leiden dan ook eerder tot (zelf)twijfel dan tot vaste overtuigingen. Dat zijzelf zich kwetsbaar opstelt maakt het makkelijker om die twijfel aan te gaan. Het zoeken naar waarheid, de nooit aflatende urgentie ervan, Versteeg kan erover meepraten. In de eerste pagina’s van het eerste essay zegt ze: ‘Mijn eigen obsessie met waarheid begon lang voor mijn proefschrift, is persoonlijker en ingewikkelder. Mijn werkelijkheid is nooit erg constant geweest, mijn waarneming wankelt voortdurend.’ Waar Versteeg precies op doelt, is niet duidelijk. Helemaal aan het einde van het essay lijkt ze erop terug te komen met een alinea over trauma. Hoe dat met waarheid te maken heeft? ‘Een gebeurtenis die als traumatisch of verwondend ervaren wordt, is dat vaak juist omdat de werkelijkheid die je doorgaans ervaart als normaal en vanzelfsprekend, plotseling ruw wordt doorbroken.’ Is dat waar? Een interessante gedachte is het zeker.

    Hoe je een tekst uit het persoonlijke trekt laat Versteeg onder andere zien in haar essay over waarnemen en de onzekerheid die daarbij komt kijken. Ze doet dit door aandacht te besteden aan de gevolgen van selectieve waarneming op het niveau van instituties. Haar beschrijving van haar ervaringen aan de universiteit is pijnlijk herkenbaar voor iedereen die zich in een gemarginaliseerde positie bevindt: ‘Mijn eigen stem klonk veel zachter dan die van de gepensioneerde Shell-man voor wie deze studie een nieuwe hobby was en het duurde niet lang voor ik, opgebrand, moest stoppen.’ Ook met haar pleidooi voor het belang van minderheidsperspectieven weet ze te raken: ‘Zodra het perspectief vanuit kwetsbaardere posities verloren gaat, raken aspecten van de werkelijkheid buiten beeld, worden hele werelden plotseling onvoorstelbaar.’ Het gaat hier niet alleen om het effect op individuen die achtergesteld worden, maar ook om de destructieve uitwerking op een samenleving als geheel.   

    Ongrijpbaar

    Essays hebben iets ongrijpbaars. De inhoud ervan wordt bepaald door de gedachtengang van de schrijver en vaak is die niet rechttoe rechtaan. Tegenstrijdigheden, beweringen met mitsen en maren, omtrekkende bewegingen en onverwachte conclusies: het kan allemaal. Hoe weten we dat Versteeg niet liegt? Het is een vraag waar ze in een aantal van de essays op terugkomt, steeds in een net iets andere vorm. Het antwoord laat zich raden. Waarschijnlijk beseft Versteeg zelf ook dat essays geen simpele kost zijn. Aan het begin van ieder essay, net onder de titel, staat in schuingedrukte letters een opsomming van wat er in de tekst eronder aan bod zal komen. Houvast voor de zoekende lezer. Versteeg slaagt erin van het begin tot het eind te boeien, al zijn de wat meer filosofische stukken trager en minder risicovol van aard. Gelukkig volgt er telkens weer een stuk waarin Versteeg haar lezers met scherpe onderzoeksresultaten uitdaagt bestaande zekerheden los te laten. Waar is een boek voor wie niet bang is af en toe even zijn evenwicht te verliezen.

     

     

  • De wereld is haar eigen karikatuur

    De wereld is haar eigen karikatuur

    ‘Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) neemt in dit handboek een cruciale positie in, getuige “Het Pak van Sjaalman”, de verzameling fictieve manuscripten die hem tot het schrijven van de Max Havelaar (1860) zou hebben gezet’. Verzamelingen van verzonnen documenten of boeken waren er ook al voor Multatuli. De beroemdste is de catalogus van de Middeleeuwse abdij Saint-Victor. Hij staat vol niet-bestaande titels en werd bedacht door François Rabelais in zijn Pantagruel uit 1532. En er zijn nog meer voorbeelden van dergelijke fakes.
    Het citaat over Multatuli komt uit Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica van Matthijs van Boxsel. Maar het Sjaalmanpak is niet de enige reden waarom Multatuli volgens hem een goed voorbeeld van een ‘Patafysicus is. Er is ook zijn Idee 158 dat door Van Boxsel uitvoerig wordt geciteerd en kernachtig kan worden samengevat in de stelling dat de wereld haar eigen karikatuur is. Dat is één manier om duidelijk te maken wat ‘Patafysica is.

    Eerst maar eens de verklaring van de naam ‘Patafysica. Van Boxsel geeft er omschrijvingen van in allerlei varianten, waarvan deze misschien de helderste is: ‘De ‘Patafysica omhelst alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. Het is een mengeling van wetenschap, kunst, geloof en humor, maar het is daarnaast een houding: ‘De wereld is feitelijk de ware Academie voor ‘Patafysica. Alles en iedereen is patafysisch’. Dat beseft echter niet iedereen en daar heeft de ‘Patafysica zijn apostrof voor de P aan te danken. Die staat voor mensen die dat door hebben.

    Jarry

    Door een stel geleerden werd in 1948 in een Parijse boekwinkel het Collège de ‘Patahysique opgericht; de naam was ontleed aan de schepper van deze levensbeschouwing, Alfred Jarry (1873-1907) die in zijn Roemruchte daden en opvattingen van Doctor Faustroll, patafysicus de naam muntte. Hij is ook degene die het leven omschreef als ‘Het Carnaval van het Zijn’.
    In de jaren na de stichting van het Collège werd dit geleidelijk geformaliseerd. Er kwamen statuten, een embleem bestaande uit een spiraal met de tekst eadem mutata resurgo (hetzelfde keert altijd weer, maar dan anders), een eigen jaartelling, een eigen kalender (waarin elke dertiende van de maand op een vrijdag valt) en een lijst met rangen (regenten en satrapen – Maurits Escher is de enige Nederlandse satraap) en ordes als die van Smeerolie, de Blaasmachine en de Vuurgangvlampijpketel, elk met een eigen kleur kwast.

    Fumisme

    De ‘Patafysica breidde zich uit met een nieuwe tak, het Fumisme, een systeem van mystificaties ‘bedoeld om de hypocrisie aan de kaak te stellen en de bluf door te prikken’ (fumisme is misschien te vertalen als het opwerpen van rookgordijnen). Het leidde volgens Van Boxsel enerzijds tot de emancipatie van de humor en was anderzijds een ‘vorm van methodische domheid’. Onder deze stroming vallen klankgedichten zoals we die in Nederland kennen van Jan Hanlo (Oote oote oote / Boe) en van fantasiewoorden zoals van Cees Buddingh’ (de Blauwbilgorgel). Maar het Fumisme uit zich ook in karikaturen, schertsbladen, relativering van de kunst (Marcel Duchamp onder andere) en cabarets zoals dat van de petomaan Joseph Pujol, die zijn publiek onderhield met het laten van scheten in allerlei toonaarden en lengtes. Alles ter illustratie van de bewering dat cultuur is: ‘het product van een reeks min of meer geslaagde pogingen de schijn op te houden’.

    Circonflex

    De ‘Patafysica sloeg ook in Nederland aan. Hier werden vanaf 1972 het NIP (Nederlands Intstituut voor ‘Patafysica) en het NAP (de Nederlandse Academie voor ‘Patafysica) opgericht. Er kwam een eigen naam, de Bâtafysica waarin het Bataafse doorklinkt. De apostrof voor de beginletter is vervangen door een circonflex op de eerste a. Prominente leden waren en zijn Van Boxsel zelf, Atte Jongstra, Maxim Februari, Rudy Kousbroek en Wim T. Schippers. De ware bâtafysicus is volgens de auteur, een antropoloog in eigen land die in staat is het inheemse als exotisch te zien. Dat gezelschap is in Nederland bijzonder groot. Van Boxsel rijgt de voorbeelden aaneen en dan nog blijft hij in zekere zin beknopt. Het Simplisties Verbond bijvoorbeeld moet het louter met een vermelding doen.
    Wat ook opvalt is dat de indruk wordt gewekt dat ‘Patafysica zich voornamelijk in Frankrijk en Nederland manifesteert. Slechts zijdelings vallen Angelsaksische namen en uit landen ten oosten van Duitsland verschijnt niemand ten tonele. Geen Monty Python dus en geen Hrabal, die toch niet misstaan zouden hebben. Andere continenten passeren evenmin.

    Koprollen

    Die Frans-Nederlandse inkleuring is sterk zichtbaar in de drie delen van Het Carnaval van het Zijn. Het eerste gaat over het ontstaan van de ‘Patafysica en de organisatie ervan in beide landen en het tweede over het Fumisme. Het derde deel is getiteld Protobâtafysica en laat met tal van voorbeelden zien dat er ver voor Jarry de naam bedacht in de Nederlanden al heel wat ‘patafisici avant la lettre waren. Denk aan de rederijkers in de late Middeleeuwen en dada in het begin van de 20ste eeuw. Van Boxsel serveert de meest bizarre voorbeelden zoals de Amsterdammer Karel Pieters die in 1920 naar Parijs liep met een blok hout aan zijn been of zijn stadgenoot Charles Takkenberg die in 1923 al koprollend de tocht naar Marseille begon (en aankwam).

    Matthijs van Boxsel heeft met Het Carnaval van het Zijn een Handboek ‘Patafysica geschreven dat onmogelijk in een korte bespreking recht is te doen. Want naast alle voorgaande voorbeelden hebben we het hier niet eens gehad over leven en werk van Alfred Jarry (Ubu roi vooral) en allerlei organisaties als OuLiPo (en in Nederland het Opperlans), ‘Openbaar Kunstgebit’, ‘Barbarber’ enzovoort. Het vijfhonderd pagina’s dikke Handboek is een heerlijke stortvloed van voorbeelden in tekst en illustraties waarin de idiotie van ons bestaan aan de kaak wordt gesteld. Het had nog uitgebreider gekund (zie hiervoor) en jammer is ook dat er wel een personenregister maar geen zakenregister is opgenomen, maar ach, waarom zouden we dat Van Boxsel aanrekenen bij alles waaraan we ons dankzij hem wel kunnen laven. Pak dat boek ter hand en treedt toe: ‘De Nederlandse Academie voor ‘Patafysica is geen vrijmetselarij, geen liefdadigheidsinstelling of Rotary. Iedereen kan lid worden zonder drieslag, besnijdenis of piercing. De enige inspanning die men moet verrichten is ruimhartig geld storten’. Dan is € 39,99 voor deze ‘Patafysicabijbel alvast een goed begin.

     

     

  • Steeds een andere pet

    Steeds een andere pet

    In de serie Zomergasten van 2024 zorgde acteur Pierre Bokma voor enige ophef door als laatste in de serie zijn gesprek met Hanneke Groenteman licht beschonken te beëindigen. Dat was menige kijker opgevallen. In de pers is er geen melding van gemaakt dat hij een illustere voorganger had in Hugo Brandt Corstius. Die werd in 1997 voor hetzelfde programma geïnterviewd door Wim T. Schippers, terwijl zijn vrouw Ina thuis met groeiende zorg zat te kijken naar het tempo waarin haar man glazen wijn achteroversloeg: ‘Halverwege de uitzending belde ze regisseur Ellen Jens met het verzoek Hugo geen wijn meer te schenken’ lezen we nu in Ik heb nog nooit gelogen, de biografie van Hugo Brandt Corstius (1935-2014) door Elsbeth Etty: ‘Geen enkele tv-recensent zinspeelde achteraf op dronkenschap van Brandt Corstius’.

    Hugo Brandt Corstius (verder HBC te noemen) vergeleek zich graag met Multatuli, die over zichzelf ooit zei dat hij ‘een vat vol tegenstrijdigheden’ was. Die karakteristiek kan ook op HBC worden geplakt. De tegenstrijdigheid is in zekere zin vervat in zijn uitspraak ‘Ik heb nog nooit gelogen’ die Elsbeth Etty koos als titel voor zijn levensverhaal. En Etty trekt nog zo’n vergelijking: ‘Ook in Dekkers gebrek aan aandacht voor zijn eerste echtgenote Tine en hun twee kinderen zal Hugo zich hebben herkend’.

    Tatje en Ina

    HBC was in zijn hele leven een vrouwenveroveraar. Soms had hij gelijktijdige relaties met vrouwen die dat van elkaar niet wisten. Met twee van die vrouwen was hij getrouwd, eerst met Henriëtte (‘Tatje’) Smits (van 1974 tot aan haar dood in 1981) en van 1989 tot aan zijn eigen dood in 2014 met Ina Mulder (bekender als Ina Rilke, de naam waaronder ze vertaler was). Met Tatje kreeg HBC zijn drie kinderen Aaf, Merel en Jelle, van wie hij de opvoeding vrijwel geheel aan hun moeder overliet. Datzelfde gebeurde in zijn huwelijk met Ina. Zij verbaasde zich er bijvoorbeeld over dat HBC in 1987 twee weken met haar in New York verbleef zonder de kinderen ooit iets te laten horen; hij had voor hen zelfs geen telefoonnummer achtergelaten. Jelle schreef later: ‘Het is niet zo dat hij ons verwaarloosde, maar wij stonden nooit in het middelpunt’.

    Stralingdag

    Vrijwel alle vrouwen in HBC’s leven hadden gemeen dat ze van taal en taalgrapjes hielden. Tatje bijvoorbeeld noemde hij eens ‘het meisje met de nieuwe woorden’. Omgekeerd inspireerden ze hem tot diverse van zijn vele pseudoniemen, afgeleid van hun naam: De Amerikaanse liefde Pat Gray is terug te vinden in ‘Piet Grijs’, Abby Chapkis leefde voort in ‘Raoul Chapkis’ en Marijke van der Glas in ‘Maaike Helder’. Spelen met taal was de grootste liefhebberij van HBC. Die levenslange interesse werd het Opperlands dat hij ‘Nederlands op vakantie’ noemde en dat uiteindelijk onder zijn pseudoniem Battus geboekstaafd werd in steeds dikker wordende naslagwerken. Toen hij zeven jaar was verzon hij al spontaan een anagram van Stalingrad (‘Stralingdag’ – vanwege een g teveel net niet kloppend) en toen hij op het eind van zijn leven zijn mentale achteruitgang beschreef formuleerde hij dat als ‘Ik word langzaam temend dement’.

    Daarnaast was hij de columnist die ‘provocatie als verdienmodel’ hanteerde. In de woorden van Etty: ‘Hij gaf een persoonlijke, vaak absurdistische draai aan actuele kwesties, meestal polemisch en wat de feiten betreft soms moeilijk verifieerbaar’. HBC begon zijn novelle Liegen, loog, gelogen uit 1987 (onder het pseudoniem Dolf Cohen) met de zin ‘Ik heb mijn hele leven gelogen’ om daar elders aan toe te voegen: ‘Ik heb nog nooit gelogen’. Zijn lezers moesten zelf uitzoeken wat hij meende en wat niet. Daarin beschouwde hij zich als literator: ‘Literatuur is slim liegen’.

    Productiviteit

    Hoe dan ook leidden zijn columns menigmaal tot felle kwesties. Oudere lezers zullen zich de rellen nog herinneren over Buikhuisen (die vond dat criminaliteit verband hield met biologische kenmerken), zijn aanvaringen met Tamar (Renate Rubinstein) en W.F. Hermans enzovoort, en die met minister Onno Ruding die in 1984 leidde tot de weigering van minister Brinkman om de PC Hooft-prijs uit te reiken aan iemand die het kwetsen tot instrument had gemaakt (in 1988 kreeg HBC de prijs alsnog, toen het geen Staatsprijs meer was).

    Vooral als columnist leefde hij zich uit onder tal van pseudoniemen en mystificaties. De bekendste zijn Piet Grijs, Raoul Chapkis, Battus en IJsbrand Stoker, maar het waren er allemaal bij elkaar wel zo’n dertig. Etty stelt zichzelf de vraag waarom hij dat deed. Dat hij ze als schuilnamen gebruikte gelooft ze niet. Hij ontmaskerde zichzelf meerdere keren en anders deden anderen dat wel. Evenmin staat elk pseudoniem volgens haar voor een persoonlijkheid: de alter ego’s lijken daarvoor stilistisch en inhoudelijk te veel op elkaar. Etty’s verklaring is simpelweg de enorme productiviteit van de gebiografeerde: ‘Door steeds een andere pet op te zetten veroverde hij gigantische ruimte in de media die voor een scribent met maar één naam ondenkbaar was’. Die verklaring is heel plausibel want door die veelheid van namen kon HBC bijvoorbeeld in één nummer van Vrij Nederland van 2 november 1978 in drie gedaanten opduiken: als Piet Grijs, als Battus en als Jan Eter.

    Evenwichtig

    HBC was oorspronkelijk overigens wetenschapper. Hij was gepromoveerd in Wiskunde en Natuurwetenschappen en in Algemene Taalwetenschap. Bij die eerste promotie ging zijn dissertatie zijn opponenten blijkbaar boven de pet, beschrijft Etty, want zij stelden alleen vragen over zijn stellingen en niet over de ingewikkelde inhoud van zijn proefschrift.

    De biografie van HBC zou oorspronkelijk worden geschreven door taalkundige Liesbeth Koenen; ze werkte er twee jaar aan, maar kon het werk door haar vroegtijdige dood niet afmaken. Elsbeth Etty is publicist. Het is niet onwaarschijnlijk dat Koenen meer uitgeweid zou hebben over Opperlands waar bij Etty vooral de polemische kant in het licht wordt gezet. Toch is Ik heb nog nooit gelogen – de titel verwijst al vooral naar polemische kant – een evenwichtige biografie. Een prachtig, met vaart geschreven levensoverzicht van een complexe man die een briljante taalvirtuoos was.

     

     

  • Waagstuk met impact

    Waagstuk met impact

    Het was bijna kerst. Ik dacht aan boodschappenlijstjes, badkamer poetsen, bedden opmaken, verzamelen van ingrediënten. Terwijl ik bloem en suiker afweeg, appels klaar leg, rozijnen in gembersap te weken zet voor mince pies, (vrij naar een recept van de moeder van Jeanette Winterson), zie ik voor me hoe een moeder haar handen om het gezicht van haar kind legt. Met beide duimen veegt ze het kwijl uit haar mondhoeken. Het kind lacht, een grimas waarin enkel de moeder een lach herkent. Een beeld ontstaan uit tekstfragmenten uit Dagen als vreemde symptomen. Over een vrouw die bevalt van een meisje. 

    Wanneer het kind op de borst van de moeder, Sisyphus ligt, bekijkt ze ‘het hoofdje met geronnen bloed en beseft dat dit kind ‘alleen bestaat omdat zij bestaat’ en ‘niks belangrijker zal zijn’ dan de zorg om dit kind. De eerste pagina’s van Dagen als, zijn (ik zei het al) fragmentarisch en begint met ‘Sisyphus vindt een overkoepelende stem’. Waarin ze kiest voor ‘allegorie’ en een ‘caleidoscopische benadering’ van het verhaal dat verteld gaat worden. En ook, ‘Uit elk fragment poetst ze zichzelf tevoorschijn’. Betekenisvolle regels, aanwijzingen voor wie het ziet. 

    Toen de kerstdagen voorbij waren, de mince pies verorberd, bedden afgehaald, was het huis stiller dan ooit. Dat er altijd een missen ontstaat na wat geweest is. 

    ‘Alle vrouwen zijn TOPoverlevers’, plaatste Astrid H. Roemer op social media. Ik denk aan Over de gekte van een vrouw. Een indrukwekkend boek over vrouw zijn in de jaren zeventig. Met een citaat van Albert Helman. ‘Maar de grootste Liefde blijft onbegrepen en niemand heeft ooit durven zeggen, dat daar een stuk van de hemel begon: het eenzaamste stuk…’. Dat liefde nooit gaat over samenzijn. Dagen als, gaat over vrouw, moeder zijn van een meervoudig gehandicapt kind in deze tijd. Dat de mannen uit beide romans Louis heten is een overeenkomst, evenals de beschreven lustgevoelens bij de vrouw, en de man die denkt dat het hem toekomt. Hoe in de  literatuur het ene boek het andere vindt. Hoe geschiedenis zich in vele vormen herhaalt. 

    Als de relatie met haar man kapot is, kan Sisyphus eindelijk met haar dochter op vakantie naar een Grieks eiland. Want kou verslechtert haar toestand. ‘Niet zelden overnachten ze in het ziekenhuis. Haar dochter worstelt tussen de lakens met een of andere infectie. Zuurstofmeter, vochtinfuus, sondevoeding. Sisyphus zit naast het bed, wacht op een nieuw jaargetijde.’ 

    De mythische Sisyphus tartte de goden, moest voor straf met een rotsblok op zijn schouders een berg beklimmen. Eenmaal boven gekomen rolde het rotsblok weer naar beneden, hij opnieuw… Zoals een moeder elke dag opnieuw haar kind liefheeft, verschoont, kleedt, voedt, leert lopen. ‘En dan ziet ze het: de kans dat haar dochter de paar vaardigheden die ze met zoveel moeite heeft weten te ontwikkelen ook weer zal verliezen.’ Waarna hoop verandert in een ‘leeggelopen ballon die richtingloos door de kamer stuitert’. Hoe hoop steeds van richting verandert. Van, ‘Hoop is nu alleen nog maar gewenning.’, en ‘Hoop is een reflex.’, tot ‘Hoop is een roestvrijstalen geluid’. Van die lege rolstoel dus. Het werkt intens.

    Elke dag met die lege rolstoel naar het dagcentrum om haar dochtertje, die daar niet meer is, op te halen. Ze ontmoet een vrouw die haar helpt zich te herinneren wat er gebeurd is. ‘Alles bestaat nog. Ook als het allang verloren is.’ Ook dit werkt intens. 

    En kijk, daar staat het dan toch. ‘Je vindt het fijn als ik je gezicht in mijn handen neem, als ik met mijn vingers de lijnen van je schedel volg, met mijn duimen je wenkbrauwen streel. Je hoofd klapt naar achteren. Je malende kaken ontspannen even.’ Het beeld in mijn hoofd was er een van liefde. Er is ontroering, bewondering ook om de vorm, de kracht van taal en elke witregel die geldt. Een geweldig waagstuk met een geweldige impact. Lees het!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.