• Mijn naam is Legioen – Menno Wigman

    Mijn naam is Legioen – Menno Wigman

    Gesignaleerd door de redactie:

    Mijn naam is Legioen is Menno Wigmans eerste dichtbundel sinds zes jaar. ‘Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode’, dicht Wigman in zijn nieuwe bundel. De dandy van de desillusie, zoals een criticus hem ooit noemde, kijkt terug op de eerste tien jaar van de eenentwintigste eeuw en doet dat in vastberaden, aangrijpende en soms ronduit pijnlijke gedichten.

    Of Wigman nu over chatrooms, porno, tuincentra, massavaccinaties of jeugdvandalisme schrijft, steeds is zijn toon die van een klassieke dichter en maken zijn gedichten de indruk er altijd al te zijn geweest. Zoals Guus Middag in nrc Handelsblad schreef: ‘Wigman wil als een van de weinigen niet behagen. Hij gaat zijn eigen gang. (…) Hij spreekt voor zichzelf, maar ook meteen voor iedereen – dat is het bijzondere.’

    Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. Voor hij in 1997 met ‘s Zomers stinken alle steden debuteerde, gaf hij in 1984 zijn eerste bundel Zaad en as in eigen
    beheer uit. Zijn dichtwerk wordt gewaardeerd om het muzikale ritme en schijnbare eenvoud waarmee ze geschreven zijn. Voor zijn tweede bundel Zwart als kaviaar (2001) ontving hij in 2002 de Jan Campert-prijs. Naast dichter is Wigman vertaler (van o.a. Baudelaire’s  De bloemen van het kwaad) en redacteur van het poëzietijdschrift Awater en Meulenhoffs dagkalender van de poëzie. Hieronder een gedicht uit de bundel De droefenis van copyrettes. Een keuze uit eigen werk (2009) van Menno Wigman.

    Levensloop
    Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
    Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,

    de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
    mijn vader die zich in een blazer hees,

    het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
    Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

    zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
    nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

    zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
    correct, zijn ogen dapper op de weg.

    Geen zin in dom geworstel met de dood.
    Hoe alles wat ik nog te zeggen had

    onder de wielen van de tijd wegstoof.

     

    Op 26 januari 2012 draagt Menno Wigman zijn gedichten voor in het Huis van Poëzie. En op wo. 11 januari  sprak Jeroen van Kan met Menno Wigman over zijn nieuwe bundel. programma.vpro.nl/deavonden/Dossiers/Boeken.html?

     

     

  • Erbij willen horen zonder jezelf te verliezen

    Erbij willen horen zonder jezelf te verliezen

    ‘Sandra en haar moeder waren wel een beetje zwart, maar niet helemaal. Dat verschil was heel subtiel. Je kon te zwart zijn, zoals Tanya, en dan wilden witte mensen niet met je omgaan. Als je een beetje meer bruin was, zoals Sandra’s familie, dan was je oké. Zolang je tenminste altijd even aardig deed en het niet te veel had over dingen die niet Nederlands waren.’

    De Surinaamse Sandra woont met haar zusje en moeder in ‘de wijk’. Een wijk die bestaat uit armoedige grijze flats van drie- tot achttienhoog. Aan het tuinmeubilair en de vitrage kan je zien waar Nederlanders wonen. Hoe meer buitenlanders er komen wonen, hoe meer boerenbont-servies er voor de ramen van de autochtonen verschijnt. ‘En zo was er dan een soort evenwicht.’

    Sandra heeft geleerd  zich te handhaven in deze omgeving. Op feestjes bij haar beste vriendin Chantal thuis, waar grappen worden gemaakt over buitenlanders. Maar ook hangend op straat in het ‘uniform van de wijk (een dun, neonkleuring trainingspak met badslippers eronder.)’

    Na de zomervakantie gaat Sandra naar de middelbare school. Als enige uit de wijk gaat ze naar het gymnasium. De kinderen daar komen uit ‘het dorp’ (officieel geen dorp, maar wel groen en ruim) of uit ‘Zuid’ (de villawijk). De lezer volgt een jaar uit het leven van Sandra: van de musical bij de afsluiting van de basisschool tot de zomervakantie na het eerste jaar. Sandra heeft niet alleen de gebruikelijke problemen van een brugklasser, zoals een enorme tas met De Bosatlas en het woordenboek. Ze moet zich ook zien te handhaven in een nieuwe wereld met andere regels, normen en gebruiken, de wereld van de ‘kakkers’. Een plek waar ze wordt verbeterd als ze het heeft over de kapotte auto van haar moeder (‘o-to’ naar het Franse automobile) en waar haar klasgenoten na de voorjaarsvakantie van die vreemde witte ringen om hun ogen hebben.

    Het gym is een roman over anders zijn. Sandra is vergeleken met haar klasgenoten niet alleen anders van kleur. Een belangrijker verschil is de armoede waarin zij leeft. Haar vriendinnen hebben problemen die vergelijkbaar zijn met die uit de brieven in de rubriek Achterwerk uit de VPRO-gids. Sandra daarentegen komt op een dag thuis in een donker huis, afgesloten van elektriciteit.

    In een precieze, observerende stijl schildert Karin Amatmoekrim de twee werelden waarin Sandra probeert te overleven. Met korte zinnen en veel dialogen creëert de schrijfster een filmische stijl die doet meeleven met de hoofdpersoon. Af en toe eist de taal aandacht voor zichzelf op, bijvoorbeeld bij de beeldende metaforen: ‘de bus ging zuchtend open’ of  ‘Sandra [..] zag haar vader voor wat hij was, een lusteloze man die zijn lichaam als een dweil op de witte nepleren bank had neergelegd.’ Na de eerste zin verwacht je een roman vol met dit soort vondsten. Dat is niet het geval; meestal staat het eenvoudige taalgebruik in dienst van rake beschrijvingen en overtuigende dialogen. Het verhaal is op enkele plekken wat traag, maar de eerlijke stem van Sandra in combinatie met haar humor zorgt ervoor dat je blijft lezen. Als een antropologe maakt zij een ontdekkingstocht in de wereld van hockeymeisjes en doet observaties als:
    ‘Zeggen dat je op ‘het gym’ zat in plaats van gymnasium, was net zoiets als zomervakanties in Amerika doorbrengen. Het was extra chic omdat je daarmee deed alsof het niets bijzonders voor je was. Zo van, o, het is dinsdag en ik ga gewoon een biefstukje eten, omdat dat voor mij heel normaal is.’

    Het gym heeft een heel eigen karakter. In de scènes in de klas is er af en toe een vleugje van een hedendaagse Bint, in de gedachtewereld van Sandra vind je soms een echo van Kees de jongen, de rol van literatuur herinnert aan Dead Poets Society en als haar moeder niet zo arm was, had ze geleefd tussen de Vinexvrouwen.
    Ondanks de gedoseerde verwijzingen naar de jaren tachtig (Toppop, Skychannel, Salt-n-Pepa) komt de roman tijdloos over. Ook het thema gaat verder dan een Surinaamse op het gym: het gaat over erbij willen horen zonder jezelf te verliezen. Herkenbaar voor iedereen die puber was of is. Het gym is daarmee meer dan een ‘multiculturele roman’.
    Deze vierde en goed verfilmbare roman van Karin Amatmoekrim kan een hit worden op de leeslijsten van middelbare scholieren.

     

  • De belevenissen van een muurbloem – Stephen Chbosky

    ‘In De belevenissen van een muurbloem gaat Charlie naar de bovenbouw. Hij is zeker geen sukkel, maar populair is hij ook niet. Zijn verlegen, hyperintelligente en sociaal onaangepaste karakter zorgt ervoor dat hij een muurbloem blijft. Charlie probeert op zijn eigen manier vat te krijgen op de wereld van dates, familiedrama’s, seks en drugs. Gelukkig heeft hij vrienden die hem hier af en toe bij helpen. Op zijn eigen unieke, aandoenlijke en aangrijpende manier vertelt Charlie zijn verhaal
    De belevenissen van een muurbloem veroorzaakte veel opschudding in Amerika, waar het boek op veel scholen werd verboden vanwege de controversiële inhoud.’

    De belevenissen van een muurbloem is het eerste boek in het nieuwe fonds van Uitgeverij Prometheus, PYA (Prometheus Young Adults).
    Steeds meer uitgeverijen richten zich op deze lezersgroep, adolescenten, pubers dus, die geen kinderboeken meer lezen maar die vaak opzien tegen het lezen van literatuur voor volwassenen. Met boeken die aansluiten bij de belevingswereld van deze lezers proberen uitgeverijen hen aan het lezen te houden.
    Met De Grote Jongerenliteratuur Prijs (GJP) wordt hetzelfde doel nagestreefd. In 2010 werd deze prijs voor het eerst toegekend aan Trouw is de andere wang van Peter Bekkers en Muleum van Erlend Loe, beiden verschenen bij uitgeverij De Geus. Vanaf 31 maart 2011 gaat de online stemcampagne van start voor de GJP 2011.

    De belevenissen van een muurbloem

    Auteur: Stephen Chbosky
    Verschijnt bij: Uitgeverij Prometheus (PYA) (24 febr. 2011)
    Prijs: € 14,95

  • Spionageroman of een anti-Joodse dollemansrit

    Spionageroman of een anti-Joodse dollemansrit

    Stelt u zich voor: als lezer vliegt u in volle vaart door Umberto Eco’s labyrintische bibliotheek, die naar verluidt uit zo’n 30.000 werken bestaat. Op zeker moment botst u tegen een wand vol boeken en veroorzaakt een ‘omgevallen boekenkast’: een lawine van obscure, negentiende-eeuwse boeken over uiteenlopende (maar op Eco-esque wijze met elkaar verbonden) onderwerpen als garibaldiaans militarisme, de Tempeliers en vrijmetselarij, doofpotaffaires, zwendel en bedrog, luciferiaans occultisme, kabbalistiek, Judaïstiek, negentiende-eeuwse literatuur en krantenfeuilletons, imperialisme, (contra)spionage, jezuïeten, gastronomie, freudiaanse psychoanalyse, de Risorgimento (Italiaanse eenwording), Parijs ten tijde van ‘Les travaux haussmannien’ en nog veel meer fin de siècle-aangelegenheden. Il maestro heet u welkom in De begraafplaats van Praag!

    Parijs 1897, de 67-jarige Simon Simonini, overtuigd jodenhater, leidde een dubbelleven: hij was spion in dienst van Frankrijk, Pruisen en Rusland, en uitbater van een bric-à-brac winkeltje dat als dekmantel diende voor zijn activiteiten als geschriftvervalser. Op een dag vindt hij in zijn kamer een soutane, de ambtskleding van een geestelijke. Als hij in een belendende kamer een haastige krabbel ontdekt van een zekere abt Dalla Piccola, daagt bij Simonini het vermoeden dat hij en de abt één en dezelfde persoon zijn. Wat volgt, zijn de dagboekaantekeningen van de geschriftvervalser en de abt, die door het lezen van elkaars aantekeningen en het opschrijven van hun gedachten en herinneringen trachten te achterhalen wie ze zijn: de ene, of de andere dagboekschrijver?

    Spiegelbeeldig
    Een verhaal met twee vertellers die elkaars dubbelganger lijken te zijn en is er zelfs een semi-alwetende Verteller, die als een shakespeareaanse Puck de verhalen van Simonini en Dalla Piccola van commentaar voorziet en zich rechtstreeks tot het (lezers)publiek wendt.

    Uit de aantekeningen verneemt de lezer velerlei gebeurtenissen uit Simonini’s verleden, en blijkt waarom hij als oudgediende Piëmontese dubbelagent op latere leeftijd in Parijs woont. Dalla Piccola op zijn beurt leest Simonini’s notities en toetst die aan zijn eigen herinneringen. Op bijzonder geestige wijze laat Umberto Eco de twee elk voor zich omslachtige denkconstructies verzinnen en struikelen over hun eigen gedachten, alles om maar voor zichzelf aannemelijk te maken dat ze zijn wie ze denken dat ze zijn.

    Per saldo is de ‘ander’ een deels wezensvreemde afspiegeling van het eigen ik, dat lijdt aan een gespleten persoonlijkheid. Onder invloed van Freuds psychoanalyse was dit een belangrijk thema in de negentiende eeuw, ook in de literatuur. De stroming van de fantastische literatuur uit de Romantiek is doortrokken van de dubbelgangersthematiek, denk bijvoorbeeld aan Frankenstein, of Jekyll en Hide.

    ‘Een mystica is een hysterica die haar biechtvader eerder is tegengekomen dan haar arts.’ (Dokter Du Maurier in De begraafplaats van Praag).

    De persoonsverwisseling tussen Simonini en Dalla Piccola weerspiegelt in diverse andere personages: een aan hysterie lijdende patiënte die afwisselend in een ‘goede’ en een ‘slechte’ toestand verkeert, een man die onder een vrouwelijk pseudoniem publiceert, een abt die zich laat doodverklaren opdat hij een nieuw leven kan gaan leiden, twee collega-artsen die bijna identiek gekleed gaan en die omgekeerd gelijkluidende namen hebben, en zelfs is er een dubbelsituatie te herkennen in de gebeurtenissen in de bovengrondse straten en de ondergrondse riolen van Parijs. Het dubbelgeschrift dat Simonini en Dalla Piccola produceren, en dat de lezer om beurten te lezen krijgt, doet denken aan negentiende-eeuwse feuilletonverhalen in de krant, die dagelijks of wekelijks in losse delen verschenen en telkens eindigden met een cliffhanger.

    Deze thematiek van de ‘tweeling’ heeft Eco al eerder toegepast in zijn roman Het eiland van de vorige dag (1995), en geheugenverlies speelt een belangrijke rol in De mysterieuze vlam van koningin Loana (2005). Vrijmetselarij en kabbalistiek zijn de steunpilaren in De slinger van Foucault (1989) en zo bundelt de auteur in zijn nieuwste roman de belangrijkste thema’s uit zijn eigen (narratieve) oeuvre.

    Verwijzingen en bronnen
    De begraafplaats van Praag staat bol van de (literaire) verwijzingen, van werkelijk bestaande kranten, boeken en auteurs tot woord- en taalspelletjes. Zo lijkt de naam van abt Dalla Piccola rechtstreeks te verwijzen naar Pico della Mirandola, die in de vijftiende eeuw de Joodse mystiek in Italië grotere bekendheid gaf.

    Voor de lezer die zich aan ‘kabbalistieke’ woordkunst wil bezondigen, valt in de naam van Simonini ook een aardigheidje te ontdekken. Het is een medeklinker-omkeerwoord:
    SiMoNiNi wordt aldus aNoNyMuS. Of Umberto Eco deze verborgen betekenis in de naam heeft willen leggen, is niet bekend; wel weten we dat Simonini’s grootvader zijn kleinzoon heeft laten vernoemen naar de heilige Simon van Trente, een martelaar die door Joden was afgeslacht.

    ‘Mijn grootvader was een vondeling. In die tijd gaf men zulke kinderen vaak standaardnamen als “Esposito” (buitengeslotene, of juist van deze plaats) of “Dieudonné” (Godsgeschenk). Niemand vroeg zich bij de naam van mijn grootvader echter af wat dat rare “Eco” betekende. Welnu, op een zeventiende-eeuwse lijst van jezuïtische uitdrukkingen, bedoeld om vondelingen van een naam te voorzien, kwam “Ex Coelis Oblatus” voor: door de hemel geschonken. Mijn naam is aldus een Latijns acroniem en een herinnering aan die oude traditie.’ (Umberto Eco)

    Als enig fictief personage doolt Simonini rond door het verleden, en beïnvloedt er gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgevonden. Zo schiet hij in de roman de Franse satiricus Maurice Joly neer, terwijl die in het echte leven zelfmoord pleegde. Saillant detail daarbij is dat Umberto Eco zijn protagonist zo tot Joly’s moordenaar maakt, uitgerekend de auteur van het geschrift Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu (De Dialoog in de Hel tussen Machiavelli en Montesquieu), waarvan fragmenten volgens de overlevering als bronmateriaal dienden voor de ‘Protocollen van de wijzen van Sion’. En met dat geschrift zijn we aangeland bij de kern van de roman, en bij Simonini als geschriftvervalser. ‘De Protocollen’ was een fictieve beschrijving van een bijeenkomst in 1897 van joodse leiders, die de christelijke maatschappij omver zouden willen werpen, en die een joodse wereldheerschappij zouden nastreven. Op sublieme wijze speelt Eco met dit gegeven, en rekent hij genadeloos af ? niet met de immorele Simonini, maar met Joly, wiens werk de inspiratiebron was voor latere generaties antisemieten in hun strijd tegen het ‘joodse gevaar’.

    ‘Om de wet vakkundig te kunnen dienen, moet je die eerst hebben overtreden.’ (Pjotr Rachkovsky in De begraafplaats van Praag).

    Anti- of pro-Joods sentiment?
    Met de Protocollen, vrijmetselarij en de Joden is de triade waarop Eco’s roman gegrondvest is compleet, en is er een mise-en-scène gecreëerd voor de rabbijnse gebeurtenissen op de oude Joodse begraafplaats van Praag. Vanaf het eerste begin van de roman verbindt Simonini aan het Joodse volk een stigma van ‘gevaar voor de mondiale samenleving’:

    ‘Het enige wat ik over de Joden weet, is wat mijn grootvader me heeft geleerd: ? Ze zijn het atheïstische volk bij uitstek, zei hij. Ze gaan uit van de visie dat het goede híer verwezenlijkt dient te worden, en niet aan gene zijde van het graf. En dientengevolge zetten ze zich uitsluitend in voor de verovering van déze wereld.’

    Op subtiel-karikaturale wijze krijgen de Joden vervolgens van alle ellende in de wereld de schuld: ze kwamen naar de steden om zich te verrijken; Joden herken je aan hun stank; Joden zijn bedriegers, een femelachtig, smerig volkje; Joden doden christenjongens om met het bloed hun ongezuurde brood te besmeren; om de christenen in het verderf te storten, hebben de Joden de vrijmetselaars in het leven geroepen; Joden zijn kapitalisten; het percentage zedeloze vrouwen onder Joden was hoger dan onder christenen, vandaar dat Jezus waar hij ook gaat uitsluitend zondaressen tegenkomt; misdaden die door Joden worden begaan zijn het ergst, zoals afzetterij, valsheid in geschrifte, woeker, frauduleus faillissement, smokkel, valsemunterij, omkoping, handelsfraude, om van de rest maar te zwijgen; (enzovoorts). Het is zo gek niet te bedenken of men kan voor het onheilseffect van willekeurig welke zaken met een beschuldigende vinger naar de Joden wijzen.
    ‘Ze zeggen dat arts een van de meest voorkomende beroepen is onder Joden, net als woekeraar. Kortom, je kunt maar beter nooit in geldnood raken en nooit ziek worden.’ (Simone Simonini in De begraafplaats van Praag)

    Naast veel positieve literaire kritieken in Italië hebben vooral Vaticaans-gezinde media met terughoudendheid of afkeer op de roman gereageerd. De roman zou immoreel zijn, en aanzetten tot verhevigde antisemitische standpunten ten aanzien van de Joodse gemeenschap. Vanuit een kerkelijk standpunt wekt het geen bevreemding dat men afkerig staat tegenover een boek waarin naast jodenhaat ook satanisme een niet geringe rol speelt. Maar zét het boek werkelijk aan tot een hetze tegen de Joden?

    Vertrouwen stellend in de weldenkendheid van Eco’s lezerspubliek, zou je eerder geneigd zijn aan te nemen dat de huidige generatie, zonder dat ze er zelfs maar over na hoeft te denken, de smadelijke laster over de Joden onmiddellijk afdoet als grove, leugenachtige onzin; sterker nog, de grofheden wekken juist gevoelens van sympathie op en houden de lezer een spiegel voor: beelden van de Tweede Wereldoorlog dringen zich op en doen ons weer eens inzien dat de verschrikkingen die miljoenen Joden overkomen zijn, volstrekt onaanvaardbaar en onmenselijk waren.

    Deze cognitieve omkering is een slim literair stijlmiddel: een negatieve connotatie verandert in een gunstige gevoelswaarde ofwel men zegt het tegenovergestelde van wat men bedoelt waarbij de nodige spot en cynisme gebruikt worden. De scène waarin de Joodse officier Alfred Dreyfus vanwege hoogverraad (ten onrechte, zoals in werkelijkheid later bleek) wordt gedegradeerd en afgevoerd naar de gevangenis op Duivelseiland, is een gedenkwaardige metafoor voor de Holocaust:
    ‘Wat ligt er in de ziel van deze man besloten? Aan wat voor drijfveren gehoorzaamt hij als hij op deze manier, met de moed der wanhoop, zijn onschuld uitschreeuwt? Hoopt hij wellicht de publieke opinie te beïnvloeden, twijfel te zaaien, of argwaan te doen rijzen met betrekking tot de eerlijkheid van de rechters die hem veroordeeld hebben? Helder als een bliksemflits komt er een gedachte bij ons op: als hij niet schuldig was, wat zou dit dan een vreselijke kwelling zijn!’

    Occultisme
    Nauw gerelateerd aan de vrijmetselarij is het occulte, dat zeker in het laatste deel van de roman een prominente plek krijgt. Eco zou Eco niet zijn als hij dit onderwerp niet op welhaast diabolische wijze zou koppelen aan een niet te stuiten stortvloed van negentiende-eeuwse literatuur over het toen in bepaalde kringen zeer populaire satanisme; de lezer klampt zich stevig vast tijdens de dollemansrit door sinistere spelonken en wordt overvoerd door een overkill aan informatie die vooral ’s mans schier oneindige kennis (lees: de omvang van zijn bibliotheek) tot eer strekt.

    Autobiografische elementen
    Hoewel de roman in de eerste persoon is geschreven, veelal bij monde van Simonini, doet zich nergens het valse sentiment gevoelen dat de auteur zich rechtstreeks tot de lezer richt. Wel lijkt dit het geval in een paar passages aan het eind van de roman, waar Eco de lezer iets lijkt te willen tonen uit de dagelijkse werkelijkheid van een schrijver op leeftijd. Ontroerend is ook de volgende bekentenis van Simonini, want bij lezing bekruipt de lezer de gedachte dat Eco hiermee lijkt te willen zeggen dat De begraafplaats van Praag zijn laatste roman is, een literair testament:‘Het is vreemd, maar het is net alsof ik heimwee heb naar de Joden. Ik mis ze. Vanaf mijn vroegste jeugd heb ik, ik zou bijna zeggen steen voor steen, aan mijn eigen Praagse begraafplaats gebouwd, en het is nu net of Golovinski ermee vandoor is.’

    In een epiloog, ‘Nutteloze erudiete toelichting’ verantwoordt de Verteller (uiteraard niemand anders is dan Umberto Eco zelf) zich aangaande het gebruik van bijna uitsluitend aan het werkelijke leven ontleende personages, en geeft hij een summiere uitleg over narratieve kunstgrepen waarvan de schrijver zich bediend heeft, zoals het verschil tussen ‘story’ en ‘plot’. Eco’s eruditie is zelden nutteloos, een feit waarvan hijzelf maar al te goed doordrongen zal zijn. Het is te hopen dat ‘story’ en ‘plot’ van een schrijver op leeftijd ons in de echte wereld genadig zijn, en dat we over enkele jaren nóg een roman van de hand van de meester mogen verwelkomen.

    Los van de vraag of De begraafplaats van Praag een meesterlijke spionageroman is of een anti-Joodse dollemansrit, blijven Eco’s eruditie en welsprekendheid van uitzonderlijke klasse. Gaat u stevig zitten, lezer, treed binnen in een tijdperk waarin men elkaar nog met ‘u’ aansprak, en laat u eens lekker onder die letterenlawine bedelven.

  • Een zwalkend schip, maar geen man over boord

    Een zwalkend schip, maar geen man over boord

    In de vijf delen waarin dit boek uiteenvalt, wordt veel overhoop gehaald: maatschappelijke thema’s en persoonlijke zorgen, derde-wereldproblematiek en dorpse sores. De schrijfster heeft duidelijk iets te melden, maar doet dat op een uitleggerige manier. Dat doet ouderwets aan in een tijd waarin de waarschuwing ‘show, don’t tell’ boven het hoofd van elke hedendaagse schrijver hangt. Marjolijn Februari trekt zich daar niets van aan en gaat zich te buiten aan wijdlopige (voor)beschouwingen en allerlei niet ter zake doende details. Dat wordt wel eens teveel. Als je je als lezer voorbereidt op een interessante discussie binnen de literaire kring, die eindelijk zal  plaatsvinden, zet de schrijfster weer een stapje terug en zakt in het hoofd van een van de deelnemers.

    ‘De mannen lachten veel en luid. Het lachen van de macht, dacht Lucius, die met een schaal zoutjes in de vensterbank was gaan zitten en van een afstandje naar de mannen keek die zijn vrienden waren.’

    Van een afstandje. Het is steeds alsof je door een scherm naar een toneelstuk kijkt en daardoor gaan de personages niet echt leven. Ook de dialogen zijn niet sterk en het verhaal is niet helder in de tijd geplaatst. Ondanks de rammelende constructie blijf je toch lezen, want het is een boeiend onderwerp, een boek dat over boeken gaat. De roman die in de literaire kring centraal staat De zomer van de linnen schoenen is echter zowel wat de titel als de verhaallijn betreft niet meteen een boek dat je graag zou willen aanschaffen. Het is ongeloofwaardig dat schrijfster daarvan, Ruth Ackermann, daarmee tot in New York succes zou boeken. Het was mijns inziens ook niet nodig geweest er een bestseller van te maken. Ruth had ook een autobiografisch document kunnen schrijven, dat zou worden opgemerkt in het dorp waarin het verhaal speelt.

    Het verhaal begint met Teresa, een kunstzinnige vrouw, die op zaterdagochtend in de plaatselijke oranjerie een kop koffie drinkt, terwijl haar oudere man John naar een globaliseringsdebat in Den Haag is. Een suikerpot die op de grond valt brengt een ontmoeting tot stand tussen Teresa en journalist Victor. Zij blijken klasgenoten geweest te zijn op het lyceum, net als Ruth Ackermann, die ze nooit goed gekend hebben omdat het een stil meisje was en zijzelf in hun eigen wereld leefden.

    Het verhaal ontwikkelt zich als een soort thriller en speelt zich af in de hogere regionen van de samenleving. Machtsuitoefening en -misbruik nemen daar een belangrijke plaats in. De vader van Teresa, Randolf, is een echte ‘bobo’ die op een arrogante en laconieke manier macht verzamelt en anderen aan zich weet te binden. Gaandeweg wordt steeds duidelijker dat hij een bedenkelijke rol heeft gespeeld in de onfrisse praktijken van de vader van Ruth. Teresa heeft weinig op met macht en distantieert zich ervan. Het motto van Thomas Carlyle, dat vrij vertaald, de wereld de wereld is, en dat de mensen hun eigen leven leiden, is op haar van toepassing.

    Ondanks alle tekortkomingen getuigt het van lef om zo’n project uit te voeren. Het gaat tenminste ergens over, over het verschil tussen macht en recht, het zet je aan het denken en dat kun je tegenwoordig niet zo vaak van een Hollandse roman zeggen.

     

     

     

  • Zoekend naar eenheid

    Zoekend naar eenheid

    ‘Minuut na minuut, uur na uur, dag in dag uit was ik de juiste persoon op de juiste plaatsen de tijd vloog en ook ik kreeg vleugels en minuut na minuut, uur na uur, dag na dag voelde de leugen, mijn zwendel, aan als een gevleugelde waarheid. Niet geschapen voor het moederschap was ik, niet voor het dochterschap, niet voor het eegaschap, ik was geschapen voor het lijfartsschap.’

    Het sterke aan de roman De lijfarts van Maria Stahlie is dat het zich ergens onttrekt aan de typisch Nederlandse verwachtingen ten aanzien van de roman: een hecht gecomponeerde tekst die voortdurend naar zichzelf verwijst en grote verhalen en bewegingen schuwt, omdat er gezocht wordt naar eenheid. Muriel Wijnings, de hoofdpersoon, wordt niet van stond af aan in een situatie geplaatst die vervolgens goed literair uit te werken valt: geen hydrograaf die in een impasse in zijn leven op een bootje zit, geen vioolbouwer die de nieuwe eeuw weigert te omarmen en in zijn huisje ingesloten wordt door een groots hotel; om de ‘nieuwe wereld’ te symboliseren. Muriel Wijnings is in die zin geen literair personage en dat is zo’n enorme opluchting dat je uiteindelijk liever haar koestert in je herinnering, en je afvraagt hoe het haar gaat, dan dat je de mooi afgesloten levens van voornoemde Nederlandse romanhelden nog eens de revue laat passeren.

    Muriel vlucht zich een weg door de roman heen: na de dood van haar ouders, waaraan ze schuld denkt te hebben, naar de VS, alwaar ze een man ontmoet en een zoon krijgt waarvan ze in paniek weer naar Nederland vlucht, van haar familie en vrienden vlucht ze vervolgens in het beroep van lijfarts, waarvoor ze de papieren niet heeft, om ook daar steeds te willen vluchten. Maar waarheen dan nog? Voor vrijwel alle personages die in dit verhaal een rol spelen geldt dat ze vlees en bloed hebben, dat niets geconstrueerds ze nog door het papieren vel heen steekt.

    En dan de zinnen. Eigenlijk is dit boek te dik om ook nog op de zinnen te kunnen letten, maar ze staan er: zinnen die hoekig door je hoofd blijven rollen: “De grootste opdracht die een mens heeft is ontvankelijk te raken door de drang van het lot om genereus te zijn”, en meer van dit soort aforismen.
    Muriel wordt min of meer heen en weer gesjord tussen de wijsheden van anderen, tegelwijsheden soms. Door het boek heen ondergaat zij mede daardoor toch een zekere katharsis, zonder dat deze nu zo goed symbolisch weer te geven valt. Het is meer dat je na het lezen van dit boek, niet de ‘literaire hoofdfiguur’ mooi uit ziet komen in het ‘literaire verhaal’, maar dat je ziet dat de mens Muriel, misschien zelfs zonder het zelf helemaal te doorzien, een klassieke levensgang gegaan is. Zodat de lezer na de laatste bladzijde het boek gelouterd dichtslaat.

    Lees ook het interview in de NRC van Elsbeth Etty met Stahlie, als je wilt weten hoe het navolgende citaat is ingebed: ‘Er bestaat een vrijwel algemeen geaccepteerd negatief wereldbeeld waarin de mens onvolkomen is en het leven zinloos. Ik vind dat een te gemakzuchtige visie van mensen die te snel zijn opgehouden met nadenken, nadat ze eenmaal de zogeheten ontnuchterende waarheid onder ogen hebben gezien.’