• Liever waanzin dan weemoed

    Liever waanzin dan weemoed

    Ademhalen onder de maan is Ingmar Heytzes tiende bundel. Eentje met gedichten over dagelijkse gebeurlijkheden, zelf beleefd dan wel opgepikt uit krantenberichten, alledaagse gedachten en ervaringen en bij voorkeur afgeleiden daarvan, al dan niet in opdracht geschreven en 39 in getal. De flaptekst vertelt dat Heytze in deze bundel levens van anderen leeft, ‘want één leven is hem te weinig’. Wat is er in godsnaam mis met zijn leven dat het hem niet genoeg is? Er bestaan kunstenaars die aan een paar motieven genoeg hebben om een leven lang mee toe te kunnen. Er bestaat ook een polemisch artikel van Heytze van begin dit jaar waarin hij zijn grieven spuit over het feit dat onverstaanbare poëzie (met name genoemde afscheiders daarvan: Robert Anker, Arjen Duinker, Nachoem Wijnberg, F. van Dixhoorn) zoveel meer in de prijzen valt dan haar verstaanbare tegenpool, waarvoor o.a. dichters als Menno Wigman, Frank Koenegracht, Ester Naomi Perquin, Tjitske Jansen en Jules Deelder zouden tekenen. Zou het werkelijk? Het artikel mag dan niet onvermakelijk geschreven zijn, de strekking was helaas zo belegen als een Belgenmop. Wanneer Heytze zich blijft overgeven aan dit soort achterhoedegevechten zal hij aan zijn eigen leven zeker niet genoeg hebben. Maar bij Heytze is de lezer in ieder geval verzekerd van verstaanbaarheid. We zullen eens zien wat dat oplevert.

    Gedichten over een wasstraat, over een uit de hand gelopen ontgroening, over het (inmiddels verdwenen) ‘blauwe bord’ van de treinvertrektijden in de Utrechtse stationshal komen langs. Verzen over de vrouw van de 16de eeuwse schilder Jan van Scorel of over Joeri Gagarin zijn gedichten waarin de dichter zich in een ander heeft verplaatst. De meeste van deze gedichten kabbelen rustig voort. Het blijft meestal keurig binnen de lijntjes van wat je van een beetje dichter mag verwachten. Bij Heytze is dat: een verantwoorde dosis verstaanbaarheid aangelengd met een al even verantwoorde dosis feelgood melancholie. Producten van iemand die het zelf te goed gaat om zich zijn lot of dat van de wereld te beklagen. Een voorbeeldige dichter die je gerust ook cadeau kunt doen aan wie beweert nooit poëzie te lezen. Een boeketje slappe zinnen is echter zo geplukt: ‘Ik geef je een wereld om in te wonen’.’de wereld is groot / en vol geheimen’, ‘met je naam / vol aah’s om te fluisteren in de nacht,’ ‘Alles is samen jij’. Of postbus 51 instant kitsch als: ‘Hier is de wereld, te groot om in te pakken. / Hier is de wereld, te klein om meer te zijn / dan één tussen de miljarden, net als wij.’ Een gedicht dat handelt over de gedachte dat alles evengoed ook wenselijker had kunnen verlopen eindigt met de regel waarin een tikkeltje te veel verstaanbaarheid is gestopt: ‘Een ziekenhuis waar jij genas.’

    Dat mag allemaal zo zijn, máár … net zo goed tref je in hun directe nabijheid iets moois aan als: ‘Met jou zal ik nooit ergens anders zijn dan halverwege, // in het midden van de wereld.’ Zinnen die je blij maken. ‘Elke bange idioot is een heelal / dat in slowmotion aan scherven gaat.’ Een rake stoot wordt uitgedeeld aan protserige types die zich op grond van hun afstamming heel wat verbeelden ‘voorrang eisend met te grote wagens’.

    Het openingsgedicht van deze bundel is in z’n geheel een vers om te citeren:

    ‘Kumari

    Ergens in de wereld laat een kunstenaar een huizenhoge
    rubberen eend te water. In een ander land overvalt een vrouw
    een bank met een pak melk als wapen. Elders schildert
    een man zijn eigen zebrapad, staat een jongen, conform
    zijn laatste wens, drie dagen verticaal opgebaard.

    Een babywalvis denkt dat een schip zijn moeder is en sterft
    na enkele dagen meezwemmen aan ondervoeding. Nepalese
    geestelijken zoeken naar een meisje tussen twee en vier,
    met de inborst van een leeuw, het lichaam van een vijgenboom
    en de stem van een eend, de levende incarnatie van de godin
    Kumari. Eenmaal gevonden draagt ze rood en goud,

    mag ze alles doen waar ze zin in heeft totdat ze bloedt en ik –
    ik ben de bewaker van dit moment, ik heb de stem van een eend
    en de inborst van een leeuw, ik eet vijgen als ik er zin in heb,
    ik kijk naar alle schermen tegelijk en zie: ergens in de wereld
    laat een kunstenaar een huizenhoge rubberen eend te water -‘

     

    Een in zijn onoverkomelijkheid bijna dwingend gedicht in de Heytze kenmerkende, ogenschijnlijk nonchalante, maar intussen trefzeker geformuleerde stijl geschreven. De achteloze mededelingen ritsen zich in dit vers ineen van een kunstenaar naar een vrouw, dan weer een man. De seksen voorbeeldig afgewisseld als op een PvdA-verkiezingslijst. De ik-figuur die de beelden even achteloos als machteloos op zijn beeldschermen thuis krijgt voorgeschoteld, en zich zo een beveiligingsbeambte kan wanen zonder de mogelijkheid tot ingrijpen, laat staan het ook maar te begrijpen. Niet eindigend met een veilige punt maar met een gedachtestreepje, alsof het niet van ophouden weet…

    Heytze heeft in navolging van Menno Wigman een tijdje in een psychiatrische inrichting in Den Dolder mogen verblijven. Nee, niet als patiënt, maar om als dichter zogezegd inspiratie op te doen. Dat heeft hem goed gedaan, resulterend in een aantal gedichten waarin de dichter het soms maar dunne scheidingswandje tussen de waanwereld en ‘normale wereld’ treffend heeft verbeeld. In het gedicht Hazen bijvoorbeeld (‘Een haas gaat slechts gekleed in weiland, / in de afstand tussen jou en hem.’) is een vrouw helemaal vol van hazen. De dichter informeert tussen de regels door naar egels: ‘En egels, vraag ik, hoe zit het met egels?’ ‘Ook mooi, maar anders, / hulpelozer. (…) Hoe ze er nooit in slagen /  te verdwijnen in zichzelf. // Hazen, zegt ze na een tijdje. Hazen zijn omgekeerde egels.’ Kijk, dat is klare taal. Valt niets tegen in te brengen! Heytze bevalt mij daarom ook beter als hij toegeeft aan dat beetje waanzin in zichzelf en in de wereld, zoals in het gedicht dat simpelweg getiteld is met K.K. Afkorting voor de makelaarsterm kosten koper.

    ‘Achter elke voordeur huis een leven als een hond
    (Kom verder. Aan de keukentafel zitten we te eten,

    lachen met vrienden, dood en levend. In de tuin
    schemert een blauweregen in de pergola. Trap op

    links de kamer waar de baby wordt verwekt.
    Bij de serre zegt ze, op een dag met kouder licht,

    dat ze vertrekt. Verder: zolder die geen zon verdraagt,
    schuur die ruikt naar aarde, golfplaat. Badkamer

    met ligbad waar je later wordt gevonden), een dolle
    hond die bloed ruikt, dagen, jaren voor je komt.

     

    Schitterend gedicht, waarin twee werelden tegen elkaar opbieden. Staat als een huis. In het gedicht Het uur van het schaap lezen we ook al:

    ‘Ik ben een grote, valse hond,

    het baasje is dood, ik knaag
    mijn weg door groene heggen.’

     

    Zodra Heytze z’n tanden laat zien, neemt hij meteen flink afstand van het schoothondje van de gelegenheidsdichter. De allemansvriend die aan weemoed op bestelling doet kan niet tippen aan de dichter die de waanzin in de ogen van een dolle hond heeft gezien. In poëzie is waanzin mij liever dan weemoed. Alleen dan doet de dichter waarlijk recht aan het motto van Charles Bukowski dat aan deze bundel voorafgaat: ‘and after what seemed like / an eternity / we finally found the tunnel at the end of the light’ en komt hij zelf met door waanzin gefilterde gedichten die onze huis-tuin-en-keuken wereld op z’n kop zetten.

     

     


  • ‘alsof hij de laatste lezer uitbeeldt’

    ‘alsof hij de laatste lezer uitbeeldt’

    Het is niet zo dat alle poëzie de grote waarheden des levens hoeft te bevatten. Soms is het een persoonlijke kreet à la Lodeizen, soms een verhaaltje, soms een opmerking over de kleur van de dakgoot, soms een paar woorden. De bundel Twee vogels één kogel van poëzierecensent Willem Thies hangt een beetje tussen dit alles in.

    In het najaar van 2011 schreef Thies in een recensie van het werk De bloedplek van Paul Demets: ‘Poëzie dient niet ‘alleen maar’ of ‘uitsluitend’ mooi te zijn, maar zij moet wel (of kán) op zijn minst mooi zijn.’ Een gedurfd en niet onomstreden standpunt, getuige ook de vurige polemiek die hiermee werd opgeroepen. Thies pleitte ‘voor een herwaardering van de schoonheid in de (dicht)kunst’, maar hem werd in stevige bewoordingen meegedeeld dat dit een onzinstelling was: dichters als Lucebert, Armando en Ter Balkt zouden eenvoudigweg zoeken naar andere vormen van schoonheid. Laat thans één ding duidelijk zijn: ondergetekende schaart zich volledig aan Thies’ zijde, hoewel zijn stelling lichtelijk moet worden hergeformuleerd: laten we pleiten voor de herwaardering van de gewone, meer traditionele en minder vergezochte schoonheid in de (dicht)kunst. Zeker in deze tijd, waarin het genre van de poëzie het in commercieel opzicht zwaar heeft, is het niet onredelijk om te verlangen naar kunsten (poëzie, proza, beeldende en performatieve kunst) die dichter bij de mensen staan. Waarom zouden we in vakliteratuur blijven verkondigen dat de minimalistische muziek (u kent ’t wel: tien minuten getik op een tafel etc.) de essentie van schoonheid verwoordt, en een dada-foto van een fiets evenzo, terwijl we thuis duizendmaal liever naar Adele luisteren, of naar de Pastorale van Beethoven, en in de woonkamer een fotoreproductie van Tiepolo’s De vier continenten hebben hangen? Zo bezien is dit dus een pleit voor een ‘vereerlijking’ van de schoonheid: schoonheid heeft niets te maken met stromingen of bewegingen, maar is gewoon wat mensen mooi vinden.

    Wie dezelfde opvatting is toegedaan, kan zijn of haar hart ophalen aan Thies’ nieuwste dichtbundel. Twee vogels één kogel is een bundeltje met teksten die over het algemeen zó bescheiden zijn, dat je haast zou verwachten achterin het werk een nederige verontschuldiging voor het lettertype van de paginanummering aan te treffen (dit in tegenstelling tot het merendeel van andere hedendaagse dichtbundels, die in hun gehele wezen schreeuwen: kijk, dit ben ik!).

    De bundel begint met een citaat van Trakl: ‘Stille fand sein Schritt die Stadt am Abend;/ Die dunkle Klage seines Munds:/ Ich will ein Reiter werden.’ Een betere toonzetter is nauwelijks voorstelbaar. Het wordt gevolgd door een los gedicht, ‘Ontwaken’, dat een nieuwsgierig kind introduceert, een kind dat in de rest van de bundel telkenmale weer opduikt en via wiens ogen wij het gepresenteerde alledaagse aanschouwen. De overige gedichten in Twee vogels één kogel zijn over drie reeksen verdeeld: ‘De laatste lezer’, ‘De dag voltrekt zich’ en ‘In de bergen zijn geen delinquenten’. De eerste twee reeksen spelen zich af tegen een stedelijke achtergrond; hun gedichten komen zo nu en dan in de buurt van de ‘stadspoëzie’ van Dennis Gaens. In de laatste reeks echter zijn de gedichten wat ‘natuurlijker’ van aard.

    Kernthema lijkt het handhaven van het (banale) menselijke leven, en dan vooral in de stad: op het ene moment verschilt de mens niet wezenlijk van de hem omringende grijze gebouwen, een andere keer doolt hij vol onbegrip rond. Maar de stad is tenminste van hem – begeeft hij zich in de natuur, dan treedt dit niet-begrijpen haarscherp op de voorgrond, en lijkt de mens wel een verdwaald stukje stad, een flatappartement op twee benen. In het gedicht ‘Strand’ komt dit mooi naar voren: ‘De man klopt zijn broekspijpen blauw/ ontslaat zich van het strand.’

    De auteur toont met dit bundeltje aan te beschikken over een meesterlijk beschrijftalent. Want dat doet hij, beschrijven. Er zijn maar weinig overpeinzingen in te vinden, laat staan gebeurtenissen of dialoog. Hij geeft beschrijvingen, meestentijds vanuit stilstand, en de beelden spreken voor zich. Soms gebeurt dit op originele wijze (‘Aan een tafel bij het raam zit een man over zijn boek gebogen,/ alsof hij de laatste lezer uitbeeldt.’), soms wordt het wat voor- en omzichtig gedaan (‘Als de wind oplaait/ trekken ze zich terug/ in witte huizen,/ landinwaarts.’). En hoewel het beschrevene zo af en toe wat dor en nors is, zijn de gedichten in stilistisch opzicht móói, zoals men het bekende ‘Avond’ van Kloos mooi kan vinden, of de ‘Kinderballade’ van Komrij: het is rustig, bescheiden, bijna verlegen, maar met hier en daar een verrassend cadeautje: ‘Het is rustig in de bergen. De honden blaffen/ alleen naar elkaar. In de lente worden ze gek.’

     

     

  • Oude man worstelt met verleden

    Oude man worstelt met verleden

    Recensie door Rein Swart

    België en Congo hebben een intieme band met elkaar, een trauma waarover Van Reybrouck onlangs nog in extenso berichtte. Dit pijnlijke onderwerp kan ook in een kleinere opzet uitgestald worden. Dat bewijst Elvis Peeters in de vorm van de herinnering van een 77 jarige ex-huurling die in een buitenwijk van Brussel woont.

    We beleven een een doordeweekse dinsdag uit het leven van deze man, waarop hij een boodschap doet, wat gras snijdt om daarmee, als het eenmaal tot stro verdroogd is, de kieren te dichten tussen de dakpannen. Sinds zijn vrouw Simone naar het rusthuis ging, slaapt hij op zolder. Het rusthuis staat ook niet ver van zijn bed. Hij krijgt regelmatig bezoek van een meisje van de sociale dienst, dat wil dat hij zijn huur opzegt zodat men kan beginnen met sociale woningbouw op de plaats van zijn huis. Hoewel ze hem beloofd heeft dat hij vanuit het rusthuis terug kan keren naar de nieuwbouw, is de man daar niet voor te porren.

    Fascinerend is de terloopse manier waarop de man de lezer inlicht over zijn leven. Seks speelde daarin altijd een belangrijke rol. ’Mijn lul wijst niet langer naar de hemel, denkt hij. Als ik hem nu achternaga, zak ik in het graf,’ mijmert hij bij het opstaan.

    Als hij vervolgens in de ochtend de straat overziet, trekt hij de volgende conclusie: ‘Ik stel met tussenpozen vast dat ik er nog ben, dat het anderen zijn die vertrekken en dat van degenen die blijven er mij steeds minder interesseren.’

    We weten inmiddels dat de man veel rookt en een maaglijder is en we krijgen te horen dat hij een hoerenloper was, die, voordat hij Simone ontmoette, kennis kreeg aan de oudere prostituée Erna.

    Temidden van de herinneringen aan deze vrouwen herkauwt hij zijn herinneringen aan Congo. Nadat hij een meisje uit het dorp verkracht had, werd hij op zijn achttiende door zijn ouders naar de koffieplantage van zijn zus in Congo gestuurd. De man werkte daar eerst een tijdje, maar zijn vrijheidsdrang en zijn seksuele lust wonnen het van zijn plichtsbesef. Hij maakte per scooter een tocht langs verschillende werkplekken in de mijnprovincie Katanga. Later vocht hij als huurling voor de Simba’s, een groep zwarte rebellen, in de oorlog om de Congolese onafhankelijkheid.

    Mooi is de dialoog met zijn moeder daarover:
    ‘Ik heb jaren op een brief van jou uit Congo gewacht. Je schreef niet graag. Pen en papier, dat was niets voor jou, dat wisten we. Maar een paar woorden, zei ze.
    Een paar woorden, zei hij.
    Ja, een paar woorden maar.
    Nee, zei hij, een paar woorden maar, dat ging niet, dat was nooit genoeg geweest.’

    Hij heeft zijn vrouwen nimmer veel verteld over de oorlog. Terug in België werd hij vrachtrijder. Hij probeerde goederen te verdonkeremanen zoals waspoeder, dat hij verborg in de ouderlijke boerderij, die inmiddels in handen van zijn broer was overgegaan. Als Erna en Simone hem wel eens zagen schieten op de kermis, verbaasden ze zich over zijn vaste hand. Het richten van een geweer ging hem gemakkelijk af.

    De man strooit kwistig met algemeenheden als: ’Een man moet zijn plek kennen en die ligt uiteindelijk altijd onder de grond.’ Tegelijk haalt hij prachtige anekdotes aan over zichzelf als kind toen hij tot ontsteltenis van zijn moeder in het hok van de waakhond gekropen was, over de commandant van de Simba’s die een stukje in Guido Gezelle leest of toen hij als vrachtrijder een keer alle lampen in de Sint Bernardtunnel aan gort reed.

    Behalve door de herinneringen aan Afrika, wordt de man bedreigd door het meisje van de sociale dienst dat vaak in zijn gedachten is, omdat hij niet echt meer in staat is om goed voor zichzelf te zorgen. Af en toe lijkt ze bij hem te zijn en hem daarover aan zijn kop te zeuren.

    Mooi is het Vlaamse taalgebruik zoals over Simone’s hoofd dat bleef verkazen. Opmerkelijk de soepele wisseling tussen de eerste en de derde persoon, waardoor het verleden terugwijkt en weer terugkomt. Het enige kritiekpunt zou kunnen zijn dat het plot niet dwingend is, net zoals de dag in de week wat willekeurig lijkt gekozen, maar dat wordt ruimschoots goed gemaakt door de levensechte wijze waarop Elvis Peeters zijn personage heeft geschilderd.

     

     

  • ‘Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht.’

    Het is moeilijk een verhaal te verzinnen met de loop van een geladen pistool op je gericht. Maar de kerel staat erop. “In dit land,” verklaart hij, “moet je, als je iets wilt hebben, dwang gebruiken.”’

    (…)

    ‘“Er zitten twee mensen in een kamer,” begin ik. “Ineens wordt er aan de deur geklopt.”’

    Bij dit eerste verhaal in de bundel van Etgar Keret denk ik onmiddellijk aan het wereldberoemde toneelstuk La cantatrice chauve (De kale zangeres). Het is inderdaad maar een hele kleine stap terug naar het Théâtre de l’Absurde van Eugène Ionesco (1909-1994) en naar dit eerste absurdistische toneelstuk dat in 1950 voor de eerste keer opgevoerd werd en dat nu nog steeds speelt in Théâtre de la Huchette in Parijs! Hierin komt een brandweerman aanbellen om te informeren of er echt niet een klein brandje is om te blussen. Zijn opdracht is alle branden te doven in de stad (…). En de zaken gaan slecht, er zijn geen serieuze branden meer. Dus is de premie ook laag. De anderen in de kamer voeren sinds het begin van het stuk een dialogue de sourds, kort gezegd, het is alsof zij redelijke dingen zeggen, maar zij lijken elkaar niet te horen, hun antwoorden raken kant noch wal en het loopt uit in complete wartaal. De absurditeit ten top! Maar wel heel komisch! De spiegel die ons op deze manier wordt voorgehouden geeft in wezen een heel tragisch beeld van de mensheid!  Voldoende stof om over na te denken.
    Zo ook bij Keret.

    Keret beschrijft in 39 korte verhalen een ons vertrouwde, bekende, hele gewone wereld. Het is alsof wij de mensen over wie hij schrijft al kennen. Het zou de buurman kunnen zijn. Of je directeur, je leraar, misschien wel je vader of je zoontje. Al spoedig echter, neemt het verhaal een onverwachte wending en eindigt het nog verrassender. De lezer heeft even met de personen mogen meelopen. Maar mag het zelf verder uitzoeken.
    Kerets eerst zo realistische beschrijving van de beginsituatie gaat ongemerkt over in een gefantaseerde, gedroomde, leugenachtige en soms zelfs surrealistische werkelijkheid. Zijn humor hierbij is ongeëvenaard! Keret vindt het heerlijk om de wereld om hem heen te bespotten. In eenvoudige woorden, in weinig zinnen, weet hij door zijn gekke, absurde beschrijvingen meedogenloos de zwakke punten in de samenleving aan te wijzen.

    Hoewel er geen onderling verband is tussen de verhalen of de personen, is er wel degelijk een duidelijke leidraad te ontdekken. Al zijn personen proberen zich te onttrekken aan de realiteit die hen benauwt, angstig maakt, die ze kost wat kost willen ontvluchten. Ze belanden ook vaak ‘naast het verhaal’ door bijvoorbeeld hun reïncarnatie. Maar, ze weten steeds een oplossing te vinden voor hun ongelukkige situatie. Ze gaan over tot actie, bewust of onbewust, want ze geloven nog in het leven en dat is positief!
    Misschien zou je daarom zelfs kunnen zeggen dat deze 39 verhalen eigenlijk 39 ‘therapeutische’ oefeningen zijn om te ontsnappen aan de ons omringende negatieve wereld, om anders te leren leven, om beter om te kunnen gaan met de dood, met een scheiding, een ongelukkige liefde, met eenzaamheid, met zinloos geweld. 39 Levenslessen dus.

    Zoals hiervoor reeds opgemerkt, zijn de verhalen van Keret doortrokken van veel sarcastische humor, soms zelfs morbide humor die overigens op geen enkel moment tranen trekkend is. In sommige verhalen vindt men ook de zo specifieke joodse humor terug. Heerlijk! ‘En Osjri zei gedag met een knipoog, want als je rechterarm is verlamd zit handen schudden er niet in (…).’

    Vanaf het eerste tot en met het laatste verhaal is het duidelijk dat de achtergrond Israël, het Midden-Oosten is. In elk verhaal is ofwel de schaduw, de dreiging of de gevolgen van terrorisme merkbaar. De aanwezigheid van engelen en diverse positieve reïncarnaties zorgen daarbij voor een tegenstrijdig beeld die de werkelijkheid verzachten.
    Keret schrijft over Israëlische mannen, vrouwen en kinderen.
    Niet verwonderlijk, als je weet dat Etgar Keret in Tel-Aviv in 1967 geboren werd, en dat zijn hele leven vanaf het begin een politiek oormerk draagt. Overigens schuwt Keret karikaturale beschrijvingen van zijn geboorteland zeker niet. Lees bijvoorbeeld het begincitaat en het eerste verhaal.

    Alle 39 verhalen zijn zeer de moeite waard! Deze stuk voor stuk bespreken is dan ook niet aan de orde, maar toch, om de nieuwsgierigheid te prikkelen…:

    In ‘De Teef’ ziet een weduwnaar in een hondje het gezicht van zijn overleden vrouw Chalina. En zij praat met hem!
    ‘“Ben je nu blij?” vroegen de ogen van de poedel. “Het gaat” Hij keek terug. “Het is moeilijk alleen te zijn. En jij?” “Niet slecht”. De poedel opende zijn bek in wat bijna een glimlach leek. “Mijn bazin zorgt goed voor me, ze is een goede vrouw. Hoe gaat ’t met onze dochter?”’

    Hoofdpersoon Osjri in ‘Slecht Karma’ probeert in zijn nachtelijke dromen de coma opnieuw te beleven waarin hij zes wekenlang heeft gelegen na een ongeluk. ‘Hij herinnerde zich de kleuren en de smaak en de frisse lucht die zijn gezicht verkoelde. Hij herinnerde zich de afwezigheid van herinnering. (…) Hij wist niets, alleen dat hij leefde. En alleen die wetenschap vervulde hem van een enorm geluk.’ (…) ‘Je behoort geen geluk te beleven aan je coma terwijl de vrouw en dochter zich aan je bed de ogen uit hun kop huilen. Dus toen zij vroegen of hij zich er iets van herinnerde, zei hij van niet.’

    In ‘Pudding’ droomt Avisjai dat hij weer kind is en bij zijn moeder woont die heerlijk eten voor hem klaar maakt… Hij stelt het moment van wakker worden uit om dit gelukzalige gevoel te laten voortduren.

    In ‘Goudvis’ maken we kennis met een goudvis die de drie wensen van Sergei laat uitkomen. Maar wat wordt nu zijn derde wens?

    In ‘Guave’ verscheen 40 seconden vóór Sjkedi aan zijn eind kwam, een engel, helemaal in het wit, die hem meedeelde dat hij een laatste wens kreeg. Wat wenst Sjkedi? ‘Vrede op aarde!’.
    En hoe gaat het verhaal dan verder?

    Zou de lezer dezelfde beslissing hebben genomen als de patholoog-anatoom in  ‘Verrassingsei’ toen hij bij autopsie van een slachtoffer van een zelfmoordterrorist bemerkte dat deze jonge vrouw van 32 jaar binnen zeer korte tijd een onvermijdelijke dood zou zijn gestorven? De echtgenoot het wel vertellen of niet? De filosofische gedachten van deze arts zijn zeer de moeite van het lezen waard. Misschien is dit wel het mooiste verhaal van de bunde! Het enige verhaal overigens dat een opdracht heeft ‘Voor Danny’ en al eerder verschenen is in Gaza Blues (2006).

    Verrassing van Etgar Keret verscheen oorspronkelijk bij Kinneret Zmora-Bitan Dvir als PitomDfika Ba-Delret. Deze verhalen werden uit de Amerikaans-Engelse vertaling (Suddenly, a Knock on the Door) vertaald door Adriaan Krabbendam onder supervisie van Ruben Verhasselt, die de tekst vergeleek met de Hebreeuwse brontekst. De Nederlandse vertaling is erg eigentijds. Korte, simpele zinnen. Veel spreektaal. Als korte scenario’s voor een film.

    Nog een laatste citaat, uit ‘Verrassingsei’. Veel van de genoemde pluspunten zijn hierin verenigd.

    ‘Slachtoffers van aanslagen worden voor autopsie overgebracht naar het Instituut voor Forensische Geneeskunde (…). Veel mensen met sleutelposities in de Israëlische samenleving zetten vraagtekens bij deze procedure (…)  “Een lijk is geen verrassingsei dat je openmaakt zonder te weten of je er een zeilscheepje, een raceautootje of een koalabeertje in zult aantreffen. Want als ze sectie verrichten, vinden ze altijd dezelfde dingen: kogeltjes, spijkers of metaalscherven. Kortom, heel weinig verrassingen. Maar in dit geval. (…)’

    Van Etgar Keret verscheen onder meer de bundel Pizzeria Kamikaze. Zijn boeken verschijnen in meer dan 30 landen en hij publiceert onder andere in The New York Times en Le Monde. Naast schrijver en universitair docent is Keret filmmaker.

  • De getergde dichter

    De getergde dichter

    Laat ik het hebben over een vergeten stad waar een getergde dichter woont (die liever muzikant was), die op een scooter zijn reisfobie tracht te overwinnen en van dit alles poëzie maakt. En over de groupie in mij die achter de getergde dichter aansurft tijdens zijn tour langs virtuele podia. Geen sex, drugs & rock ‘n’ roll groupie die steevast eindigt in de porno-industrie (volgens wikipedia) maar de eigentijdse. Surfend van blog naar blog waar de bundel Ademhalen onder de maan van hand tot hand ging en nu in enigszins beduimelde staat bij mij op tafel ligt. De sporen van bewondering en teleurstelling zijn gelegd, het oordeel is geveld.

    Als bundel werd het werk van de getergde dichter vergeleken met de uitstraling van een gemeentefolder of juist geprezen om dat ene gedicht dat nu net niet van de getergde dichter zelf was. Een ander prees zijn bundel als perfect waarna het verwijt (waarom niet eerder zo gedicht, was de getergde dichter soms te lui, te ongeduldig geweest?) direct toesloeg. En ach, de getergde dichter werd steeds getergder en zoals het een goed dichter betaamt schreeuwde hij met opeengeperste lippen: ‘Jullie begrijpen er helemaal niets van, laat me met rust’. Maar toen hij zijn lippen van elkaar deed en zijn mond opende kwam daar het verraderlijk vage: ‘Waarschijnlijk zit er wel wat in je kritiek’.

    Als groupie ter plaatse had ik hem een flinke borrel geschonken en hem het zelfvertrouwen van een klassiek dichter laten ervaren. Wat dit dan ook mag inhouden, zeker is dat aan ondermijnende kritiek, hoe licht ook, niet werd toegeven. De dichter hoeft niemand te vriend te houden. Een getergde dichter moet een beetje sarren en stoken. Dat is goed voor het vuur.

    De getergde dichter schreef een bundel vereenzamende en tevreden makende poëzie. Tevredenheid en eenzaamheid  gaan hand in hand, een fijn koppel. In eenzaamheid kan de groupie in mij een volstrekt tevreden staat van zijn bereiken. Daar komt geen drugs & rock ‘n’ roll aan te pas. Poëzie waarover een dergelijk fijn sluier van vervreemding ligt dat eenzaamheid zich des te sterker laat gelden, is mij genoeg. Dat is  niet dramatisch. De poëzie van de getergde dichter is aan de werkelijkheid ontleend en daar bevindt zich geen drama in. Zijn werkelijkheid gaat zo diep als hij nodig heeft om te (over)leven. Elke bundel steeds moeilijker te doorgronden. Waar vanuit een haast meditatief schrijven de schrijnende zaken des levens belicht worden; waar doen we het  voor en wat is het doel van dit al.

    Dan wordt het tergender. De bundel wordt geprezen om het gedicht dat niet door de getergde dichter zelf is geschreven maar vertaald. Dat doet denken aan een scène uit het liedje ‘De eerste klant’ van Wim Sonneveld. Over twee geliefden die een winkel
    beginnen maar geen klandizie oogsten. Toen ze ten einde raad waren en hun liefde verbleekte, ‘Toen kwam er een meisje naar binnen/ Een briefje van tien in haar hand/ Die vroeg of de baas dat kon wis’len/ En dat was hun enigste klant.’ De groentewinkel gebruikt als wisselkantoor en de bundel van de getergde dichter als doorgeefluik van een andere dichter.

    Tragisch het lot van de getergde dichter in zijn vergeten stad die verlangd naar (…) roken op bankjes met lotgenoten, roken / wat ik maar tussen vloeipapier kan krijgen, roken / tot elke gedachte is verdampt (…) Je bent zo moe. De wereld is groot / en vol geheimen. Het nest is het beste./ Pas op want ik blijf.’
    Waarmee de reisfobie gesublimeerd wordt en ik, als groupie hem vanachter mijn tafel op de voet zal volgen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

     

  • De symboliek van het quilten

    De symboliek van het quilten

    Een eigengereide, quiltende reuzin met een fluwelen stem: de stiefmoeder die Dorrestein neerzet in haar nieuwste roman lijkt op het eerste gezicht te zijn weggelopen uit een modern sprookje. De kloeke Claire Paagman leeft al twaalf jaar samen met haar zachtmoedige, zorgzame echtgenoot Axel en zijn hevig puberende dochter Josefien. Het ogenschijnlijk harmonieuze gezin krijgt te maken met een meervoudig loyaliteitsconflict. Daarbij lijkt de bloedband sterker dan de liefde. Dorrestein werpt een pijnlijke vraag op: kan een stiefmoeder überhaupt ooit deel uitmaken van een door genen verbonden eenheid? Al bij haar eerste ontmoeting met de kleine Josefien weet Claire dat dergelijke verwachtingen op een illusie berusten: ‘(…) zo onontkoombaar als braaksel door de bodem van een papieren zak heen zal lekken, zo levensgroot was de kans aanwezig dat ze nu oog in oog stond met niet minder dan haar noodlot.’

    Familieproblematiek. Feilbaarheid. Onverwachte ontknopingen. Dorrestein laat haar laatstgenoemde handelsmerk enigszins varen in De stiefmoeder. Het grote geheim, waarover Claire ruzie heeft gemaakt met haar man, wordt in het eerste gedeelte van de roman al duidelijk. ‘Josefien was vijftien geweest, zelf nog een kind. (…) Alleen daarom al was er uiteindelijk maar één juist besluit voorhanden geweest.’ De spanningsboog in het verhaal bestaat uit een misverstand ten gevolge van dit geheim: Axel heeft geen weet van zijn dochters misstap. Na de ontdekking van een alarmerende medische afspraak in de agenda van zijn vrouw, trekt hij direct de meest voor de hand liggende conclusie. Claire heeft Josefien echter haar woord gegeven en houdt tijdens een harde confrontatie met Axel haar lippen op elkaar. De grote vraag die de lezer bij de les moet houden is dus niet wát er is gebeurd, maar of de ware toedracht aan het licht zal komen. De uiteindelijke afwikkeling van het plot is niet erg verbazingwekkend. Des te interessanter is het om de symboliek die Dorrestein in dit familiedrama heeft verwerkt te ontrafelen.

    Quilten, Dracula, voodoo en sprookjes. Het zijn elementen in De stiefmoeder die te denken geven. Het eerste gedeelte van de roman speelt zich vermoedelijk af in het Engelse Whitby, de plek waar Bram Stokers Dracula aan land kwam, al wordt dat niet letterlijk genoemd in het verhaal. Het is de plaats waar Claire naartoe is gereisd om een hoge onderscheiding in ontvangst te nemen voor haar quilts. Wat is dat eigenlijk, quilten? Een eeuwenoude handwerkkunst, inderdaad. Bij deze specifieke vorm van handwerken worden drie lagen textiel op elkaar genaaid, verbonden door een doorstiknaad. ‘Het geheim zit ‘m meestal in hoe de doorstiknaad wordt gezet, de bescheiden, amper zichtbare maar ordende doorstiknaad. Hoe kan zoiets onooglijks van zulk doorslaggevend belang zijn?’ Onooglijk, zo wordt ook Claire beschreven. Groot, dik, zwetend. Ook is zij van doorslaggevend belang voor de drie-eenheid die in de roman centraal staat. Bescheiden, op de achtergrond, niet pretenderend dat ze een actieve rol moet spelen in de opvoeding van Josefien. Als stiefmoeder heeft ze tegelijkertijd wel een bindende functie: zij is degene die de fragiele verstandhouding intact dient te houden. Ze wil trouw zijn aan haar echtgenoot, maar ook het vertrouwen van haar stiefdochter hebben en houden. Ondanks haar eerdere profetische constatering, hoopt Claire door het delen van het geheim van Josefien een moederrol te vervullen. Dat blijkt echter een onhoudbare illusie te zijn, waartegen de doorstiknaad niet is bestand.

    De kracht van de illusie is een terugkerend problematisch gegeven in De stiefmoeder. De stille hoop van Claire wordt afgestraft, maar daarnaast laat Dorrestein de lezer zelf beleven hoe ‘magisch denken’ de zienswijze van mensen kan beïnvloeden. Zo wenst Claire haar echtgenoot een onschuldig, maar ongemakkelijk ongelukje toe om zijn afwezigheid bij haar huldiging in Engeland te verklaren. De pijnlijke val van de keldertrap die Axel maakt, lijkt daardoor niet geheel toevallig. Ook het op haarzelf gelijkende lappenpopje dat Josefien vindt tussen de spullen van Claire, voorzien van naalden in de buikstreek, laat de lezer verband leggen met de stekende pijnen die zij herhaaldelijk voelt in het betreffende deel van haar lichaam. Het is verleidelijk om te denken dat Claire verantwoordelijk is voor deze ongemakken. Maar is de val van Axel niet gewoon een gevolg van zijn eigen blindheid? Hij staat immers in het duister op de trap. En worden de pijnscheuten van Josefien niet veroorzaakt door de abortus, waar ze niet meer aan wil denken?

    ‘Ondoden die zich voeden met andermans bloed zijn in de kunstwereld geen onbekend fenomeen.’ ‘Andermans bloed’ verwijst in de context van deze roman naar het contrast tussen biologische en niet-biologische verbondenheid. Het zwarte capeje dat Claire in Whitby koopt als souvenir voor haar stiefdochter is veelzeggend. Maar ook de ontmoeting die Claire heeft met de Engelse Alfred, alias ‘Dracula’, heeft gevolgen voor de verhaallijn waaruit een duidelijke analogie met het bekende verhaal van Stoker blijkt. De occulte elementen in De stiefmoeder leggen een diepere laag bloot, die de aandacht vestigt op beïnvloedbare beeldvorming en het arbitraire concept van ‘het kwaad’.

    Dit hedendaagse sprookje, waarin de stiefmoeder besluit het clichébeeld te voeden teneinde het te ontkrachten, legt een aantal gevoelige zaken bloot. Gemakkelijk is het om te constateren dat Josefien een verwende puber is, die de wereld naar haar hand probeert te zetten. Even nonchalant zien we in Claire de overheersende matriarch. Een goedbedoelende maar weinig daadkrachtige echtgenoot maakt het plaatje compleet. Dorrestein weet haar personages echter van meervoudige motieven te voorzien. Axel en Claire hebben uiteenlopende ideeën over het gezinsleven, waarbij wens en realiteit door elkaar lopen. De opstandige tienerdochter is het slachtoffer van haar opvoeding: structureel genegeerd door haar biologische moeder, opgehemeld door haar vader, gewantrouwd door haar stiefmoeder. Probeer dan maar eens ongeschonden door de pubertijd heen te komen.

     

     

     

  • Ik herhaal je gedichten – Ingrid Jonkers

    Ik herhaal je gedichten – Ingrid Jonkers

    In de vroege morgen van 19 juli 1965 spoelde het lichaam van de eenendertig jarige Ingrid Jonker aan op het strandje bij Drieankerbaai. Het was het einde van een bewogen bestaan: Ingrids jeugd aan de Kaapse kust, het verlies van haar moeder, haar stormachtige entree in het Zuid-Afrikaanse literaire circuit en de afwijzing ( als dichter en als dochter) van haar vader de schrijver Abraham Jonker. Ik herhaal je bevat meer dan tachtig gedichten, gekozen en vertaald door Gerrit Komrij. Deze editie bevat ook de Zuid-Afrikaanse originelen gedichten en een biografische schets van schilder en schrijver Henk van Woerden ( 1947-2005) over deze dichteres die leefde in de tijd van de Apartheid. Ingrid Jonker (1933-1965) was tijdens haar leven zowel bij blank als zwart geliefd. Toen Nelson Mandela het volk toesprak tijden de opening van het Zuid-Afrikaanse parlement in 1994, droeg hij haar aangrijpende gedicht Het kind’ voor. Ik herhaal je is een tweeluik – poëzie en biografie ineen – een monument voor een uitzonderlijk dichtersleven. Saskia van Schaik maakte de – door de VPRO in 2001 uitgezonden – documentaire, Korreltjie niks is my dood die diepe indruk maakte en won daarmee een zilveren Roos op het festival. Montreux. Michael Zeeman omschreef haar poëzie als: ‘Verpletterend in zijn directe emotionele toon.’

    Paula van der Oest regisseerde de film Black Butterflies – gebaseerd op het leven van Ingrid Jonker – met Carice van Houten, Rudger Hauer en Liam Cunningham.

     

     

     

  • Hollands Maandblad maart 2011

    Bastiaan Bommeljé schrijft in een redactioneel stukje hoe hij tijdens het laatste boekenbal werd overvallen door gedachten als: “Achteruitgang is een relatief begrip, eerstejaars studenten weten steeds minder van het bestaan van een ‘lijdend voorwerp’  maar alles over een ‘leidend voorwerp’  en dat elke tijd aan aftakeling, teloorgang of verval onderhevig is.” Uiteindelijk komt Bommeljé bij Lucius Annaeus Seneca (55 V.O.J. en ca.39 N.O.J.) uit. Seneca de oudere was een deskundige op het gebied van ondergang en verval. Je zou hem de aangever van de “vroeger was alles beter” mentaliteit kunnen noemen.

    Het essay Geen iPhone, please, wij zijn schrijvers van schrijver Hans Hogenkamp gaat ook hierover: alles is aan vergankelijkheid onderhevig en tegelijkertijd vernieuwt de tijd zich constant. Maar wat je er mee moet? Hogenkamp haalt de discussie aan tussen Jonathan Lethem en Paul Auster uit het literaire maandblad The believer over het probleem, ‘(…) om moderne technische middelen die nu volledig gemeengoed zijn zoals mobiele telefoons en e-mails, in je boeken te verwerken?’. Hoe komt het dat lezers de voorkeur geven aan boeken die gaan over subculturen die onbekend zijn dan over ICT’ers, beleidsambtenaren  en wat zo meer gegrepen is uit het leven van alledag die de saaiheid van het eigen bestaan alleen maar  benadrukt. Tenminste, dat denkt de schrijver – volgens Hogenkamp – die liever over supermarkt of kruidenier schrijft dan AH of Jumbo. Het beestje niet bij de naam noemen en de techniek erbuiten laten om zo het ’tijdloze’ karakter van de literatuur niet aan te tasten. Anders is het geen literatuur meer. Literatuur gaat over dingen die voorbij gaan maar dan wel verzonnen en in ieder geval niet over het dagelijkse leven (saai). Maar dat vindt Hogenkamp – terecht – onzin. Al deze krampachtige weglatingen uit de letteren bewijst volgens Hogenkamp dat de Nederlandse literatuur zich nog steeds moet afspelen in een tijdloos vacuum dat geheel op verbeelding gebouwd moet zijn. Dit alles is dus een misvatting. Gooi er gerust wat straatrumoer in, vindt Hogenkamp.


    Van Leo Vroman op de open bladspiegel –  links in het Nederlands  en rechts in het Engels – het gedicht Verliefde momenten / Moments in love (a rough translation). Waarbij duidelijk is dat Vroman nog immer in het Nederlands schrijft en daarna  naar het Engels vertaalt. Een gedicht over  ” (…) die onverwoestbare samenhang / van het volgende, met het vorige, / zo innig, en zo lang.” Het gedicht begint aldus:

    “Ik kan mij in het noodlot schikken / als ik mij concentreer / op de liefde tussen de ogenblikken.” Een mooi gegeven – hoe bedacht je moet zijn op de liefde – die zich verstopt tussen de momenten. Je moet haar willen zien, die liefde. En in de laatste strofe  de sterfelijkheid verwacht:
    “Ik was van tevoren / in haar liefde geboren / en zal in haar liefde vergaan.”

    Willem van Spronsen – was directeur van het Rosa Spier Huis te Laren en raakte in die hoedanigheid bekend met Marten Toonder – zet met gevoel voor detail in Marten is dood een liefdevol beeld neer van Toonder in zijn laatste levensdagen. In Tirade nr.1 2010  stond van zijn hand De laatste leerling van Marten Toonder. Waarin hij beschrijft hoe Toonder zijn leermeester werd en over de vriendschap die daaruit voortkwam. Een vriendschap die duurde tot aan het sterfbed van Marten Toonder. Ik stel mij zo voor dat Spronsen meer te schrijven heeft over de nadagen van Marten Toonder.

    Hugo Brandt Corstius bijdrage In wat er in m’n kop rust is een literair cryptisch spel met klinkers uit namen van schrijvers, dichters en filmers.
    “AAA  Zavada: ‘Onze verzoening begon natuurlijk niet met lachen.’ Ha,ha,ha!
    AAE Grahame: ‘Wat apen in onze kamers gaan doen is: niet praten.’ Schatkamers!
    AAI Amalrik: Arbat zag eruit als een straat in een bezette stad.’ Armzalig!
    AAO Carvalho: Als zij stierf in het kraambed zou ik vrij zijn.’ Paradox!”
    Heb je er een gelezen wil je ze alle 120 lezen. Een volmaakt taalplezier.

    Het kort verhaal van Benjamin Burg Plat du jours is eerder al verschenen in een geschenkuitgave van Podium, samen met het verhaal De laatste sigaret van Stuart Evers. Maar het is zo een goed verhaal dat het met plezier nogmaals te lezen is. Burg schrijft voor de lezer. Zijn zinnen zijn helder en krachtig. Met een stevig ritme stap je door het verhaal waar je aan de hand van de beschrijvingen en kleine details veel te weten komt over personages die verder niet in beeld komen.

    Verdere bijdragen van: M.C. Brands – NIOD op de verkeerde weg (Is ‘Genocidestudies’ wel een wetenschap?)
    Gedichten van Vicky Francken – Hoe is het mogelijk
    Gedichten en vertalingen van L. Th. Lehmann
    Iek Hulshoff Pol, die schrijft om niet te vergeten het verhaal Verder, verder.
    Marijke Hanegraaf met twee gedichten: Maasbracht en Huissen, zondag 2 mei
    Antoine de Kom geeft aan de hand van enkele psychologische spelregels les in opstelling en atitude in het verhaal Zware zaken.
    Tekeningen – Rudof Hartman

    Hollands Maandblad
    Uitgegeven door: Nieuw Amsterdam / Stichting Hollands Maandblad
    verschijnt 10 keer p.j. (12 nummers)
    Prijs los nummer: 6,50 dubbelnummer 7,50 (juni/juli en augustus/september )
    Abonnementen: 65,– (studenten en docenten 48,50)

    www.hollandsmaandblad.nl

     

     

  • Boogers proza is vakwerk

    Boogers proza is vakwerk

    Een roman over de mateloze levensdrift van een jonge vader en de gevolgen voor zijn gezin. Robert Borghart heeft een goede baan, een fijn gezin en een veilige toekomst. Maar het is voor hem niet genoeg. Op een dag ontwaakt hij zwaar gehavend en met geheugenverlies in het ziekenhuis. Wat ging er mis? We komen achter de waarheid, achter de ruwe en ontluisterende werkelijkheid.
    Het ziekenhuis is een vertrouwd uitgangspunt (zoals in Het waanzinnige van sneeuw), geheugenverlies een goede truc om het voorafgaande in brokjes te introduceren. Roberts bedlegerigheid door een ongeluk suggereert dat er iets goed mis is gegaan. Dat is duidelijk. En uit de brokjes herinnering blijkt al snel dat er inderdaad ellende is.

    En wat voor een ellende. Hij had een hekel aan zijn baan als copywriter bij een reclamebureau en later als vertegenwoordiger. Maar het is niet de enige smet op Roberts leven. Een goede vriend van vroeger, Jerry, een bokstalent is het verkeerde pad is gegaan. En er is een andere vrouw. Beide relaties hebben op hem een aantrekkingskracht tegen beter weten in.
    En er is de idylle die hij op Bali beleeft met Marscha en haar zoontje Tomas. Dat is wél de moeite waard. Maar waarom zijn Marscha en Tomas nog niet bij zijn ziekbed langs geweest? Het wordt niet aannemelijk gemaakt. Een van de vele losse eindjes in het boek.

    De tijger en de kolibrie poogt in hoog tempo de goede en de slechte herinneringen van de hoofdpersoon weer te geven. In hoeverre Roberts leugens en overspel hem duur komen te staan, ontdekken we pas laat. Is het gelukkige gezinnetje nu gedupeerd?
    Boogers’ proza is vakwerk. Zoveel is duidelijk. Hij wekt nieuwsgierigheid. En hij speelt met ons gebrek aan kennis van de achtergronden. Hij schept met verve het contrast tussen Roberts merkwaardige nevenactiviteiten en diens gelukkige gezinsleven. Hij schrijft direct, stevig en vloeiend.

    Hoofdpersoon Robert maakt geen kille keuze voor zijn affaire, hij stort zich niet opportunistisch in het criminele leven, nee, hij laat zich leven. Hij laat zich te veel leiden door Marscha. Baantjes krijgt hij via  zijn schoonvader. Er wordt hem geld toegeschoven door de criminele Jerry. Dat is moreel slap en laf. Belangrijker is dat De tijger en de kolibrie daardoor niet zo goed werkt. We krijgen geen sympathie voor de hoofdpersoon, maar vinden het een slapjanus.De mate waarin het mis gaat, de grofheid van de ellende, het laat je onverschillig. Het overkomt Robert telkens weer, hoofdstuk na hoofdstuk, maar de confrontatie blijft uit, en als die dan  enigszins plaatsheeft, is hij te zwak om er bij stil te staan. Roberts werkelijke karakter komt niet uit de verf…! Jammer!

    Alex Boogers (1970) debuteerde in 1999 onder het pseudoniem M.L. Lee met Het boek Estee. Vervolgens schreef hij de alom geprezen romans Het waanzinnige van sneeuw, Lijn 56 en Het sterkste meisje van de wereld.

     

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Boeiende verwerking van de nazi-tijd aan de hand van het tragische leven van een van de eerste Duitse vliegeniersters

    Marga Von Etzdorf was ten tijde van de opkomst van de nazi’s in Duitsland een van de eerste vliegeniersters. Ze werd geboren in 1907 en leefde maar kort. In 1933 schoot ze zichzelf dood in Syrië na een mislukte landing tijdens een tussenstop op weg naar Australië. Daarvoor had ze ook al brokken gemaakt. Dat was echter niet de reden om zich het leven te benemen. Ze was vooral teleurgesteld over een geëindigde romance met de Duitse vliegenier Christian von Dalhem, die ze ontmoette nadat ze in Japan was geland. Ze ging met hem mee naar een huis van een vriend, die echter maar één logeerkamer had. Dalhem stond zijn slaapruimte af aan Marga en legde zich te ruste achter een kamerscherm. Ze praatten gedurende de nacht veel over hun passie, het vliegen, maar Dalhem liet haar uiteindelijk in de steek.

    De gebutste sigarettenkoker van Dalhem neemt een belangrijke plaats in het boek in. Het voorwerp ketste een kogel af tijdens een gevecht in de lucht. Later geeft hij hem als aandenken aan Marga en tenslotte komt hij in handen van de beheerder van het Invalidenfriedhof in Berlijn waar Marga als enige vrouw temidden van allemaal mannen ligt.

    Wat vooral opvalt aan het boek is de vorm. De verteller is iemand uit 1940 die veel ballast over de oorlog meedraagt en als de alter ego van de schrijver mag worden beschouwd. Op zoek naar het graf van Marga treft hij een grijze man, de beheerder, die hem een en ander vertelt over de aanwezige doden, veelal militairen. Gedurende het bezoek van de verteller klinken er telkens stemmen op van overledenen die het met elkaar oneens zijn over wat er werkelijk is gebeurd in de oorlog, die de vliegavonturen becommentariëren en zich afvragen of Marga lesbisch was. Soms is het ook niet duidelijk wie er aan het woord is in de flarden van stemmen en meningen.

    Een van de belangrijkste stemmen komt van Miller, een toneelspeler die het naziregime onwelgevallig was. Nadat hij de hoge nazi Heydrich beledigde werd hij naar Rusland gestuurd om aan het front de Duitse soldaten te vermaken. Hij heeft Dalhem en Marga persoonlijk gekend en zegt dat Marga veranderd was na de nacht met Dalhem. Andere stemmen komen van Udet, een kunstvlieger en een zuipschuit, van een schrijver die zich niet bekend wil maken en van een ongenaakbare vrouw die zwanger was gemaakt door Miller en die naar diens vrouw ging om te ontdekken dat zijn echtgenote zelf ook zwanger was.

    Het boek begint raadselachtig met een scène waarin een bebaarde man op een buffel zit. Later blijkt het te gaan om de tekening op het kamerscherm dat tussen Marga en Dalhem in staat, waarop Confusius staat afgebeeld die wijsheid verspreidt. ‘De luchtig met Oost-Indische inkt getekende dennen, bergen, paden en lichte wolken laten zien dat het in onszelf is hoe de dingen eruit zien.’

    Dit citaat sluit aan bij de titel van het boek. Ergens halverwege zegt de grijze man tegen de verteller:
    ‘Wie vroeger heeft gepraat, blijft praten, wie niets heeft gezegd, blijft zwijgen, en wie niets te zeggen had, heeft ook later niets te zeggen. Het is gewoon een kwestie van herhaling. Geen veranderingen meer, alles vast en eender. Als een bliksem herhaalt het zich. De twijfels, de verlangens, de fouten. Hier valt niets te corrigeren. In het licht is beweging. Het ervoor, het erna, het nu, de keuzemogelijkheid. Hier is alles willekeurig. We kunnen de dingen tot op zekere hoogte uitkiezen, er misschien een beetje licht in brengen, een halfschaduw, een schemering. Niets is helemaal duidelijk. Zodra we ons over het gebeurde buigen, werpen we er onze schaduw op. U weet hoe vertekend die kan zijn.’

    ‘Zo zou het gegaan kunnen zijn,’ zegt de grijze man aan het eind van het boek geheel in lijn met zijn eerdere betoog . Daarmee moet de lezer het doen. Timm, die veel research heeft verricht en zich terdege heeft gedocumenteerd, is geen plottist en dat hoeft ook niet. De onbetrouwbaarheid van Dalhem en de tragische zelfmoord van deze jonge vrouw in een donkere tijd blijven sterk bij.

    Op Literair Nederland verscheen eerder een recensie over Halfschaduw door Margo Zuidema.

    Halfschaduw

    Auteur: Uwe Timm
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Prijs: € 19,50

  • Een indruk van het leven op het Afrikaanse platteland

    Een indruk van het leven op het Afrikaanse platteland

    Recensie door Lodewijk Lasschuijt

    Het lezen van dit boek van Marnix de Bruyne lijdt tot een aan verslaving grenzende nieuwsgierigheid. Je wilt alles weten over de oorlogen, de opstanden, het onmenselijke apartheidsregime en al de andere zaken die hebben geleid tot de huidige, nog steeds niet ideale, toestand in Zuid Afrika. In een land waar zelfs de president zich voor de rechter moet verantwoorden voor corruptie en verkrachting is natuurlijk meer aan de hand.

    ‘Hullie het gesoek mekaar’ maar nog steeds hebben ze elkaar niet gevonden. Nog steeds bestaat er grote armoede onder de zwarte bevolking en het wonen in de ‘shacks’, de uit golfplaten en zeildoek bestaande hutten in de townships, zonder elektriciteit en stromend water is vaak mensonterend. Op een gedegen wijze doet de schrijver verslag van het leven op het platteland van Limpolo, tamelijk afgelegen en geïsoleerd ten opzichte van de grote steden Johannesburg en Kaapstad. Zijn grote verdienste is dat hij gesprekken voert met inwoners van allerlei pluimage zonder duidelijk partij te kiezen en zonder een oordeel uit te spreken.

    De grote politiek wordt buiten beschouwing gelaten maar wel ontstaat een duidelijk beeld van de tegenstellingen die nog steeds erg groot zijn. De blanke boeren voelen zich bedreigd en reageren vaak afwijzend op de voorstellen die de regering hen doet om hun land te verkopen en daarmee afstand te doen van hun met veel moeite en hard werken verkregen eigendommen. Het begrip eigendom is in dit verband tamelijk relatief want was de zwarte bevolking in eerste instantie voordat de blanke kolonisten het land in bezit namen, niet eigenaar van alle grond? Middels de Landwet van 1913 werd de zwarte boeren hun land ontnomen en werden zij genoodzaakt te gaan werken als arbeider op blanke boerderijen.

    Er zijn twee commissies die hebben geprobeerd de scherven van het apartheidsregime bij elkaar te vegen. De Landclaimscommissie behandelt de claims, van onder andere de Morebene gemeenschap die woont in en rondom Soekmekaar, op grote stukken land die oorspronkelijk in het bezit waren van de Ratsaka clan. Er wordt veel over vergaderd en de afwikkeling van de claims duurt erg lang. De Waarheids- en Verzoeningscommissie, onder voorzitterschap van de goedlachse aartsbisschop Desmond Tutu heeft geprobeerd om slachtoffers en daders van de verschrikkelijke misdaden die gepleegd zijn gedurende het apartheidsregime, met elkaar te verzoenen.

    Soekmekaar heet tegenwoordig Morebeng en veel Nederlands klinkende namen van steden en dorpen zijn veranderd in namen in de oorspronkelijke Afrikaanse talen. Tijdens zijn veelvuldige bezoeken aan Soekmekaar, steeds met tussenpozen van enkele jaren, maakt Marnix de Bruijne kennis met een aantal inwoners zoals de bibliothecaresse, een gemeente raadslid, de uitbater van een café, een taxichauffeur en enkele blanke boeren. Zodoende krijgt de lezer een goede indruk van het leven op het Afrikaanse platteland maar de grote lijnen in de geschiedenis en de hedendaagse politiek zal de lezer zelf moeten gaan ontdekken.

     

     

  • Hoewel zij nooit op mannen met baarden viel

    Hoewel zij nooit op mannen met baarden viel

    ‘Your choices are half chance. So everybody’s else’s. Enkele regels uit het motto van dit boek, uit een tekst van Baz Luhrmann, Everybody’s Free. Dat er in het leven, en in de liefde, vele keuzes gemaakt moeten worden, daar komt de hoofdpersoon Bobby in dit boek wel achter. En dat je van de ene keuze blij wordt en van een andere droevig, blijkt wel in dit moderne Hollandse liefdesverhaal. Bobby leert op een mooie meidag op een boot van haar vroegere chef een ogenschijnlijk bedaarde en bebaarde man kennen. Hoewel zij nooit op mannen met baarden viel en op dat moment een wat losse, vriendschappelijke relatie met ene Marnix heeft, valt zij voor Thomas. Tot zij in een sms’je van hem leest, dat er op zijn wastafel al twee tandenborstels staan. Zoals ook op de kaft van het boek.

    Bobby wil niets met een man, die een vaste relatie heeft. Zij schrijft een column over ‘dingen die niet kunnen’. Daarop stuurt Thomas een mailtje, waarop zij toch antwoordt. Ze ontmoeten elkaar in de stad, waarvan straten en café’s worden genoemd bij ieder hoofdstuk. Heel leuk, als je Amsterdam goed kent. Thomas twijfelt of hij zijn goede vriendin wel in de steek kan laten. Bobby wil in ieder geval geen halve relatie, alles of niets. Ze besluiten elkaar een poos niet te zien. Bobby verblijft een week in een klooster in Tegelen, waar ze wil leren mediteren. Thomas moet voor zijn werk naar de Verenigde Staten, Bobby gaat voor een aidspreventieproject naar Afrika. Vrienden van Thomas geven advies, vriendinnen van Bobby helpen bij de zoektocht, die Thomas in Amsterdam moet afleggen na een envelop van Bobby met vele aanwijzingen. Het komt allemaal goed, op Schiphol.

    De schrijfster Floor Westerveld schreef dit vlotte verhaal gebaseerd op persoonlijke ervaringen. In eerste instantie gaf zij dit boek in eigen beheer uit, voor deze versie kwam zij bij uitgeverij Podium terecht. Het is vlot geschreven, in duidelijk, toegankelijk, eigentijds taalgebruik. De helft van de hoofdstukken zijn vanuit Bobby’s beleving geschreven, de andere vanuit Thomas’ ervaringen. Er zijn hoofdstukken bij met e-mail correspondentie en sms’berichten over en weer. Een modern sprookje, dat je op een koude zondagmiddag achter elkaar uitleest, waarna je uitkijkt naar de lente en hoopt op een zonnig terrasje, om nog eens te overdenken, welke keuzes Floor/Bobby en Thomas hebben gemaakt.