• Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    De macht van begeerte (2013) van de Duitse schrijver Uwe Timm (1940) is het verhaal van Christian Eschenbach die terugblikt op zijn leven en relaties. Hij werkt op het Duitse waddeneiland Scharhörn als vogelwachter in een beschermd natuurgebied. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestaan uit het observeren en tellen van broed- en trekvogels en bijhouden van wat er zoal dagelijks aanspoelt op het strand. Ondertussen werkt hij voor een enquêtebureau aan een onderzoek over begeren. Het werk bestaat uit het rangschikken en becommentariëren van interviews die hij vijf jaar geleden heeft afgenomen voor een reisboekenuitgeverij. Hij vat ze samen in een notitie met als titel ‘Over de merkwaardige, langdurige, hardnekkige hartstocht van een vrouw’. En hij is bezig met een essay over Jona(s) en de walvis. In de resterende tijd verdiept hij zich in Falling Man, een roman van Don DeLillo uit 2007 over de aanslag op de Twin Towers en in Het leven der dieren van Alfred Brehm.

    Dan krijgt hij een telefoontje van Anna die hem op zijn eiland wil komen bezoeken. ‘Het was zes jaar geleden dat hij haar stem voor het laatst had gehoord:  Alsjeblieft, bel me niet meer. Ik wil en kan niet meer. Begrijp je. Voorgoed. Dat was haar boodschap op zijn voicemail geweest’

    Een man alleen op een eiland in een observatiehut. Eschenbach praat met zijn geesten uit het verleden, zowel vrienden als vijanden. Zo leren we zijn achtergrond en de mensen uit zijn leven kennen. Zijn echtgenote Bea en dochter Sabrina, zijn latere vriendin Selma, Anna, haar man Ewald en hun twee kinderen. Langzaam ontstaat een beeld van de gebeurtenissen van de afgelopen zes jaar. Hoe Eschenbach na zijn studie theologie een succesvolle ondernemer in de ICT wordt en uiteindelijk alles verliest. Hoe de twee vriendenparen elkaar ontmoeten en beter leren kennen. Eschenbach en zijn vriendin Selma, een sieradenontwerpster, die Hopi-armbanden (na)maakt. En het andere paar, Anna, de kunst- en talendocente met haar Ewald, de architect met zijn grote bouwprojecten in China. Eschenbach en Anna voelen zich tot elkaar aangetrokken, wat resulteert in een ‘tastend, verbazend samenzijn, vervuld van twijfels.’ Na drie maanden kan Anna niet meer tegen de leugens en ze wil een punt zetten achter de stiekeme relatie. Maar elke poging om uit elkaar te gaan was weer een nieuw begin. ‘We mogen elkaar niet meer zien’, zei ze. Anna wil kiezen voor haar huwelijk, voor duurzaamheid van gevoelens.

    Begeren en begeerte komen volop aan bod in deze roman. Gedachten en dialogen zijn verweven met de interviews die Christian aan het uitwerken is en met de paringsrituelen in de vogelwereld, uit Het leven der dieren. Volgens Eschenbach is  ‘de herinnering  /../ een schatkist. Soms doe ik hem open en rommel ik er wat in’. .  Liefde houdt in dat je afstand doet van dingen – begeerte niet. ‘Dat is de macht van begeren, het kan geen afstand doen’.

    Het boek werkt toe naar het al op de eerste bladzijde aangekondigde bezoek van Anna. De vaart van het boek wordt af en toe afgeremd door zijpaadjes, oppervlakkige beschouwingen over de besluitvorming bij aanbestedingen van bouwprojecten in China, stereotypen over datingsites op internet, het bankwezen, en dochter Sabrina die met miljoenen schuift. De verwijzingen naar literair werk van o.a. Gide en Shakespeare voegen niet echt iets toe. De passages over Jonas en de walvis sluiten aan op de theologiestudie van Eschenbach. Mooi is de beschrijving van een scène uit de film  La Peau douce van Truffaut. Zijn vriendin Selma waardeert het dat de seks in die film niet expliciet is, alleen maar gesuggereerd wordt door een shot voor de gesloten deur van een hotelkamer: een poes zet ’s morgens zijn poten op het dienblad en likt van de melk en honing.

    De beschrijvingen van het waddeneiland, de zandduinen, de zee en de vogels zijn niet echt verrassend:  krijsende meeuwen, wuivend helmgras, afgewisseld door een rake beschrijving van een oude bol waar vissers hun netten aan vastmaken: ‘het donkere blauw van de glazen bol was voor de helft grijswit uitgeslagen, op de blauwe helft ware dunne groen-bruine streepjes alg aangekoekt.’

    In het laatste hoofdstuk krijgen alle puzzelstukjes op ingenieuze wijze hun plaats. Duidelijk wordt waarom Anna na zes jaar haar vroegere minnaar opzoekt. De lezer leert Anna het beste kennen, de vogelwachter blijft op afstand, hij wordt ook niet met zijn voornaam aangeduid, maar met Eschenbach. Hij blijft de informatie analyticus, ook op het gebied van liefde en lust.

    De oorspronkelijke titel van het boek is Vogelweide. Anna zegt bij het laatste samenzijn tegen Eschenbach: ‘Volgens mij voel je je hier heel erg thuis – op je vogelweide’.  Voor de Duitse lezer zal Vogelweide en de naam Eschenbach waarschijnlijk de associatie oproepen met de middeleeuwse minnezanger Walther von der Vogelweide. In het boek wordt hiermee gespeeld als een bijfiguur aan Eschenbach vraagt of hij verwant is met de Eschenbach uit de middeleeuwen. ‘Nee, Helaas niet.’
    De Nederlandse titel is misschien minder aansprekend, maar lezers moeten zich daardoor vooral niet laten afschrikken. Gerrit Bussink maakte voor Uitgeverij Podium een vlotte vertaling.

     

  • Je baby als rekruut 

    Je baby als rekruut 

    Het is half maart 2014. Vanuit Israël en de Gazastrook worden over en weer raketaanvallen uitgevoerd. Bij uitgeverij Podium is net de verhalenbundel Zeven vette jaren van de Israëlische schrijver Etgar Keret (1967) verschenen.

    ‘Wat denk je van een spelletje Sandwich Pastrami?’ vraagt de auteur in het laatste verhaal aan zijn 7-jarig zoontje als de jongen bij een luchtalarm niet naast zijn moeder aan de kant van de weg wil gaan liggen conform de veiligheidinstructies. ‘“Mama en ik zijn boterhammen,” leg ik uit, “en jij bent een plak pastrami, en we moeten zo snel we kunnen een sandwich pastrami maken. Vooruit. Eerst ga jij op mama liggen.” En Lev gaat op Sjira’s rug liggen en omhelst haar zo stevig als hij kan. Ik ga boven op hen liggen, en duw hard tegen de vochtige aarde met mijn handen opdat ik ze niet plet’.
    Het ‘spel’ is een succes en Lev doet enthousiast mee.  Als het gevaar geweken lijkt, gaat het gezin de auto weer in: […] ‘“Papa”, zegt Lev als ik hem vastgesp, “beloof me dat als er nog een sirene gaat jij en mama weer Pastrami met me spelen.” “Beloofd”, zeg ik, “en als het gaat vervelen, leer ik je hoe je Gegrilde Kaas speelt.”’ 

    Zeven vette jaren begint bij de geboorte van Kerets zoon Lev, overigens ook tijdens een raketaanval. De verpleegkundigen bespreken ongelukken, terroristische aanslagen en spoedgevallen als vergelijkbare grootheden en Keret fluistert zijn pasgeboren zoontje in dat er niets is om zich zorgen om te maken. ‘Dat tegen de tijd dat hij groot is alles hier in het Midden Oosten is opgelost: er zal vrede heersen, er zullen geen terreuraanslagen meer gepleegd worden en zelfs als er nog een enkele keer een zal plaatsvinden, dan zal er altijd een bijzonder iemand in de buurt zijn, eindelijk iemand met een visie, om het perfect te beschrijven.- Niets menselijks is hem vreemd.

    De verhalen in Zeven vette jaren zijn zo goed als waargebeurde verhalen’ die de eerste zeven levensjaren van zijn zoon bestrijken.
    Het zijn korte persoonlijke verhalen over zijn gezin, zijn vader, zijn moeder, broer en zus die doen beseffen hoezeer de geschiedenis van Israël en het joodse volk, en de huidige situatie in het Midden Oosten van invloed zijn op het dagelijks leven van gewone mensen. In rake bewoordingen schetst hij hoe de diaspora, de holocaust, de Libanonoorlog en het orthodoxe geloof doorklinken in de huidige Israëlische samenleving, en ook in zijn eigen bewustzijn.

    Zwaar wordt het nergens. Keret is realistisch, kan cynisch zijn, maar weet ook te relativeren. Hij is geestig, beschikt over de nodige zelfspot en is ronduit ontroerend als hij over zijn ouders schrijft.
    De tragikomische houding die Keret aanneemt, en die in zijn manier van schrijven doorklinkt, is voor hem misschien de enige manier om om te gaan met het drama van het joodse volk en dat van zijn familie in het bijzonder. Ook waar dat drama in het heden speelt als zijn vrouw een miskraam krijgt en hijzelf bijna verongelukt.

    Aangrijpend is het als hij in het verhaal ‘Geëtter op de speelplaats’ het grote dilemma van Israëlische ouders beschrijft. Keret is een van de weinige vaders die regelmatig met zijn zoontje naar het park kan. De andere vaders gaan elke dag naar hun werk. De ‘babytalk’ met de moeders van andere drie-jarigen noemt hij ‘bijna pervers kalmerend’. Totdat een van de moeders uit het park de roze wolk doorprikt en vraagt: ‘Trouwens, gaat Lev het leger in als hij de leeftijd heeft’?

    ‘Mijn betreurde zuster’ gaat over zijn zusje dat orthodox is geworden. Als zij trouwt en in de meest orthodoxe buurt van Jeruzalem gaat wonen, is Keret bang dat haar leven ‘voorbij’ zal zijn. Hij is aanvankelijk net zo bevooroordeeld als een heleboel Israëli’s die geshockeerd zijn als vrienden of familieleden religieus worden. Keret zelf is niet gelovig: ‘Wat religie betreft – voor mij geen God’. Omdat hij van zijn zus houdt, probeert hij ‘voor die van haar enig respect op te brengen’. Het contact tussen beiden blijft net zo goed als het altijd is geweest.

    Zeven vette jaren is een aanrader, een bundel die je voor je plezier leest, ondanks de tragiek die erin voorkomt.

     

  • Dromen is een luxe

    Dromen is een luxe

    Kerwin Duinmeijer werd vermoord (racisme), evenals Theo van Gogh (religieus fundamentalisme) en Pim Fortuyn (politiek extremisme, eco-terrorisme – maak er maar wat van). Daar valt veel over te zeggen, en dat doen we dan ook regelmatig. Sedar Socrates Soares werd in 2003 doodgeschoten omdat hij een sneeuwbal tegen een auto gooide. Daar is geen -isme voor. Na rumoer in de media en een stille tocht begon het grote zwijgen.

    Alex Boogers maakte tien jaar na dato een boek over de dag van de moord op Sedar Soares. De familie (vooral zus Janet) verleende medewerking. Het werd de novelle Wanneer de mieren schreeuwen, en Boogers schreef hem ‘om zijn (=Sedar’s) geschiedenis te herhalen’. Een paar maanden lang was het boek gratis downloadbaar via Boogers’ weblog (www.alexboogers.nl/ebook/ ). Een schrijver op zoek naar lezers. Dat lijkt gelukt. We zijn nu meer dan 40.000 downloads verder, de papieren versie haalde inmiddels een tweede druk en de filmrechten zijn verkocht.

    Onvermijdelijk einde
    Sedar heet Socrates in het boek. De schrijver krijgt zijn verhaal te horen van taxichauffeur Gabriel – de neef van het slachtoffer, die in Socrates’ korte leven een informele vaderrol speelde. Gabriel draagt een hemd in knallende kleuren, maar lijkt gebroken door wat zijn neef ooit overkwam,  en drinkt ’s ochtends soms een glaasje likeur om de dag aan te kunnen.

    Tijdens een lange taxirit vertelt Gabriel Socrates’verhaal. Diens ouders kwamen uit Cabo Verde. Vader kreeg gedoe met de immigratiedienst, keerde terug en liet uiteindelijk niet meer van zich horen. Moeder werkte zich een slag in de rondte om van een probleemwijk naar een iets betere wijk te kunnen verhuizen. Alles om haar 3 kinderen weg te houden bij ‘het schorem’ dat de straat onveilig maakt. Socrates heeft alles mee, maar heeft daar niets aan. Hij doet het goed in MAVO 2 (maar zal zijn diploma nooit halen), wordt geselecteerd voor de jeugd van Feyenoord (maar zal dat nooit te weten komen), vindt een meisje leuk dat verliefd op hem is (maar dat zal nooit wat worden). En dan breekt een doodgewone winterse dag aan, inclusief een van die onvermijdelijke ruzies tussen Socrates en zijn zus, een terechtwijzing door neef en beschermengel Gabriel, en een potje sneeuwballen gooien met vrienden, in afwachting van de metro. De spanning in het boek zit in de strakke opbouw op weg naar een onvermijdelijk einde – zoals je weet vanaf het begin.

    Boogers schrijft zorgvuldig, strakke zinnen. Onderkoeld, om een teveel aan sentiment en symboliek de pas af te snijden. Dat lukt niet altijd en dat is jammer. Een strenge eindredactie had een beter boek opgeleverd. Zonder plotseling verslappende zinnen, die soms bezwijken onder een poging tot veelzeggendheid. Zoals ‘De taxi is mijn venster. Ik zie het leven van gelukkige mensen en rij er in hoge snelheid aan voorbij.’ Of over … ‘een zwijgzame vader, die zijn gezondheid verloor aan de levenloze grond van zijn geliefde Santiago, die hij elke dag opnieuw bewerkte, terwijl hij hoopvol opkeek naar de zon, zijn ogen toekneep, en geloofde in een beter leven’. Of een passage als: ‘Hij maakte een spoor dat van zijn vrienden vandaan liep. Dat overal vandaan liep.’

    Praatjesmaker
    Dat neemt niet weg dat Wanneer de mieren schreeuwen hecht is gecomponeerd. Het verhaal van Socrates is ingebed in het verhaal van neef Gabriel en wordt doorgegeven door de ik-figuur die samen lijkt te vallen met de auteur: ex-kickbokser, schrijver en ‘motivational speaker’ – een praatjesmaker, volgens Gabriel. Die ik-figuur heeft de taxi genomen om een lezing te geven voor studenten. Over dat je alles kan als je maar wilt en stug volhoudt. Over talenten en dromen die niets waard zijn als je er niets mee doet. Maar in plaats daarvan vertelt hij de studenten het verhaal van Socrates: over de ouders die bereid zijn alles te verliezen, om het elders beter te hebben. Over de moeder die haar man verliest, en de vader die vrouw en kinderen verlaat en achter de horizon verdwijnt. Over Socrates met zijn dromen, talenten, onhandigheid en stoerdoenerij. En over de kogel die dat allemaal uitwist. Niet over zelfverwerkelijking, maar over kwetsbaarheid en verlies. Niet over drugs  of gangsta-glamour,  maar over een puber die doet of hij niet verliefd is. En die een sneeuwbal gooit.

    Boogers pleit niet voor of tegen krachtwijken, blauw op straat, integratie of participatie. Geen pamflettisme. Hij doet wat hij op zijn weblog beloofde: hij herhaalt uit alle macht de geschiedenis van Sedar Soares. Die verdient het gelezen te worden.

     

     

  • Stormdebuut

    Stormdebuut

    ‘Was het de wind die haar naam naar hem toe liet lopen? Of gaf het lot haar een zetje? Hij stond onder een eenzame boom naast het bietenveld, in een lange jas gehuld, een grijze hoed op het hoofd, de rug naar haar toegekeerd. Ze twijfelde even tussen de preek van haar moeder, spreek zomaar geen vreemde mensen aan, en haar eigen nieuwsgierigheid, hij komt misschien wel uit de stad. Toen ze tot vlak bij hem genaderd was en hij zich omdraaide, zag ze pas wie het was.’ (p.11)

    Woesten lijkt op het eerste gezicht wel een Jane Austen roman. Centraal in deze roman staat de dromerige Elisabeth, dochter van de dorpssmid, die wordt neergezet als de heldin van de Vlaamse Westhoek. Niet alleen in naam, maar ook in haar gedrag doet Elisabeth denken aan Austens heldin ‘Lizzie’ uit Pride and Prejudice. Elisabeths overgevoeligheid voor onrecht, haar onstilbare nieuwsgierigheid en haar liefde voor boeken zijn karaktereigenschappen die ze met haar gelijknamige Engelse tegenhangster deelt.

    Van Steenberge lijkt opzettelijk de fundamenten te leggen voor een dergelijk romantisch verhaal, om vervolgens de zeepbel extra hard te laten knappen. Elisabeths droom begint namelijk al snel af te brokkelen. Het verdwijnen van de eerste minnaar en de onbereikbaarheid van de tweede, dwingen haar enkel en alleen op haar verstand te vertrouwen. Ze huwt Guillaume Duponselle, een jonge arts uit Brussel. Deze relatie brengt haar echter allesbehalve rust.

    Het onheil nadert langzaam, maar uiterst voelbaar. Al voordat het huwelijk voltrokken wordt raakt ze zwanger. Tijdens de bevalling blijkt dat ze niet van één zoon, maar van twee zal bevallen. Hoewel een tweeling, zijn de jongens elkaars antithesen. Waar het engelachtige uiterlijk van de een hem de naam Valentijn oplevert, onthoudt de duivelse mismaking van de ander hem al zijn rechten. Hij zal als Nameloos door het leven gaan. ‘Het niet beschadigde oog van het kind was bruingrijs en straalde een ongekende melancholie uit, terwijl de twee blauwe kijkers van Valentijn het leven vrolijk toelachten. Het kind had slechts enkele zwarte haarpijlen, Valentijn een bos blonde krulletjes. Het kind was eerder klein van gestalte, Valentijn was langer, had sterke beentjes en grote voeten. Het kind leed. Valentijn leefde.’ (p. 66)

    Met de geboorte van Nameloos vind een omwenteling in het verhaal plaats. De Eerste Wereldoorlog doet zijn intrede. Terwijl de oorlog in al zijn heftigheid woedt, blijkt het gehavende gezicht van ‘de Nameloze’ symbool te staan voor een veel grotere verminking. Hoewel de kwezels in het dorp Nameloos nog steeds als een rariteit beschouwen, worden er op het slagveld talloze soortgenoten geboren. Als de soldaten van het front terugkeren wordt het duidelijk dat de oorlog niet alleen diepe sleuven in de aarde heeft getrokken, maar ook in het leven van de personages. Zowel psychisch als fysiek vertonen de personages sporen van deze verminking.

    Kris van Steenberge maakt zijn debuut met Woesten. Deze onderwijzer uit Lier volgde de vierjarige schrijfopleiding aan de Antwerpse SchrijversAcademie waar hij werd opgemerkt door schrijver Erik Vlaminck (Suikerspin 2008 en Brandlucht 2011). Zoals Ronnie Terpstra, boekhandelaar van Van der Velde in Leeuwarden, al aangaf als lid van het boekpanel dat maandelijks bijeenkomt voor DWDD, ‘van Steenberge heeft geen inkt, maar buskruit in zijn pen’. Dit lijkt niet alleen op de overweldigende schoonheid van het verhaal te slaan, maar ook op het hoge tempo ervan. Zonder afhankelijk te zijn van cliffhangers, weet van Steenberge zijn lezers als verslaafden aan zijn boek te kluisteren.

    Verassend voor de debutant is de vertrouwdheid met zijn verhaal. Ondanks de toepassing van ingewikkelde verteltechnieken, staat het plot als een huis! Net zoals Elisabeth eindeloos zit te klossen, is van Steenberge bezig met het constant aaneenhaken van losse stukjes. Zo laat hij op belangrijke momenten gaten vallen in het verhaal, die pas veel later worden opgevuld in zogenaamde sleutelscènes. Deze sleutelscènes worden op hun beurt weer verteld vanuit de perspectieven van meerdere personages. Dankzij deze entrelacement-vertelwijze (het verstrengelen van verhaallijnen) vervagen de grenzen tussen het goede en het slechte. Ieders verhaal wordt gehoord, waardoor de lezer pas na het lezen van de allerlaatste letter zijn/haar oordeel kan vormen. Trouw aan zijn hoofdthema (verminking), wijst Van Steenberge ons uiteindelijk dan ook op de grootste imperfectie van allen: de Mens, in al haar vormen.

     

  • Onheilspellende verhalen die veel te raden laten

    Onheilspellende verhalen die veel te raden laten

    Van de in Nederland nog niet bijster bekende Amerikaan Adam Ross verscheen in 2011 voor het eerst een roman, Mr. Peanut. Twee jaar later is er nu de verhalenbundel Dames en heren. Geen titel om direct opgewonden van te raken. Maar achter die weinigzeggende tekst gaat een onheilspellende wereld schuil.

    Het valt niet moeilijk in de bekentenis van de ik-figuur in De zelfmoordkamer – het derde verhaal in de bundel – de vertelwijze van Ross zelf te herkennen:

    Ik werd schrijver, en elke baan die ik ooit heb gehad of keuze die ik ooit heb gemaakt was daar ondergeschikt aan. Dat houdt in dat het me vrij staat om verfraaiingen aan te brengen, om herinneringen te behandelen als feiten of ze vorm te geven zodat ze passen in dat waar ik aan werk. Mijn voornaamste verantwoordelijkheid is om je te laten dromen, denk ik. Als dat inhoudt dat ik dingen moet veranderen, doe ik dat, hoewel ik niet kan veranderen wat nu volgt, omdat het waar is.

    Een bewering die op zijn minst ontregelend is. Want de hoofdpersonen in de verhalen wankelen voortdurend tussen greep willen krijgen op hun leven en onontkoombaarheid van hun lot, tussen werkelijkheid en droom. ‘Beslissende momenten’, zegt de ik-verteller in dit verhaal, ‘bedenken we niet, ze overkómen ons’.
    Alle verhalen in de bundel voelen ongemakkelijk aan. Ross dist ze zo op dat je er als lezer aanvankelijk argeloos in mee gaat, tot je voelt dat het onontkoombaar mis loopt en je er niet meer aan kunt ontsnappen.

    In het openingsverhaal Wat in het verschiet ligt bijvoorbeeld, volgen we David Applelow, een man die weinig richting aan zijn bestaan heeft kunnen geven maar nu zijn slag wil slaan in een baan die zijn leven zal moeten veranderen. Hij komt terecht in bizarre sollicitatiegesprekken waaraan hij zich, willoos zo lijkt het wel, overlevert. In zijn flat krijgt hij ondertussen contact met de rebelse jongen Zach, die in alles het tegendeel van hem is. Applelow zelf voelt echter verwantschap. Hij ziet in dat zijn leven ‘op hem neer [viel] als bladeren van een boom in de herfst’. Dat moet met de baan waarvoor hij in de running is veranderen! Maar uiteindelijk blijkt hij er toch weer ingetuind, zowel bij Zach als bij de beoogde werkgever.

    In De rest van het verhaal maken we opnieuw kennis met een loser. Literair docent Roddy Thane vat het plan op om de fantastische verhalen die een onderhoudstechnicus, Mike Donato, hem vertelt te gaan optekenen. Tot hij in gewetensnood komt als deze Donato, hem vertelt over een moord. Wat moet hij doen? Alleen maar het verhaal opschrijven of naar de politie gaan? We zien Thane steeds weifelmoediger worden, zoals hij ook al geen stelling innam in de scheiding van zijn vrouw of in de gevoelens ten opzichte van een studente. Ook in dit verhaal ontregelt Adam Ross de lezer: is het verhaal van Donato waar? Wordt Thane gemanipuleerd, zoals Applelow in het eerste verhaal?

    En als niets is wat het lijkt, hoe kun je elkáár dan nog vertrouwen? Dat geldt voor partners of vrienden, zoals in In de kelder, en wel heel beklemmend tussen twee broers Caleb en Kevin in Feiten en overnames. Daarin wordt Caleb – maar ook de lezer – geraffineerd op het verkeerde been gezet, juist als het allemaal de goede kant op lijkt te gaan. Tot er ineens de onverwachte wending is, die ons de vraag pijnlijk voor de voeten gooit wie we eigenlijk zijn en wat we echt van elkaar weten. Ross laat de lezer, net als in De rest van het verhaal na het incident ineens zitten met de vraag: wat staat Caleb nu te doen?

    Met een zelfde soort vraag blijft de lezer achter in het titelverhaal, het laatste van de bundel. Daarin creëert de auteur de dreiging van een mogelijke ramp als Sara werkelijk de keuze zal maken waarover ze fantaseert. Moet ze zich over geven aan de spanning die ze voor een moment zoekt? Waarom? Als je alleen een stoer verhaal wilt hebben kun je toch ook doen alsóf iets werkelijk is gebeurd? Maar voor de lezer is het onheilspellende dan al opgeroepen. Hij krijgt alleen niet te horen op welk vliegtuig ze uiteindelijk gestapt is….

     

    Dames en heren

    Auteur:  Adam Ross
    Origineel: Ladies and Gentlemen (2012)
    Vertaald door: Monique Eggermont en Dennis Keesmaat
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium (2013)
    Prijs: € 21,50

  • Zoektocht door een vader

    Zoektocht door een vader

    Het onzichtbare geluk van andere mensen van de Indiase auteur Manu Joseph (1974) gaat over de zoektocht van de journalist en mislukte schrijver Ousep Chacko uit Madras (ook bekend als Chennai in India) naar de reden van de zelfmoord van zijn zoon Unni, die op zeventienjarige leeftijd van het dak van zijn ouderlijk huis sprong. Unni was een getalenteerde jongen, een striptekenaar, die gelukkig scheen te zijn. In het verhaal gaat Ousep praten met de vrienden en kennissen van Unni die echter niet gemakkelijk hun inzichten over Unni met diens vader willen delen.

    De roman is een zoektocht naar het karakter van Unni, waarbij Ousep dingen over zijn zoon te weten komt, die geheel nieuw voor hem zijn. Door de verklaringen van de hoofdzakelijk jonge mensen die hem kenden ontstaat een gevarieerd beeld. Unni had veel fantasie en humor. Hij was een uitzonderlijke jongen. Dat blijkt ook uit de herinneringen aan hem van zijn jongere broertje Thoma, zijn moeder Mariamma en het buurmeisje Mythili, die de jongen ieder op hun manier idealiseren.

    Het boek gaat over gekte en creativiteit, over familiebanden en vriendschap, over geluk en herinnering. Joseph weet de lezer sterk mee te laten leven met de geobsedeerde Ousep, een berooide alcoholist, en met Mariamma die tegen zichzelf praat en volgens sommigen gek is. Het zijn geloofwaardige karakters die met veel empathie worden uitgewerkt.

    Het onzichtbare geluk van andere mensen is geen zwaarmoedig boek. Het bevat veel humor en interessante inzichten. De tekst kent een groot aantal citeerbare zinnetjes met denkbeelden van de verschillende figuren over de aard van het leven. Enkele voorbeelden: ‘het is nu eenmaal het lot van schuchtere mensen dat de dingen die ze vrezen meestal ook gebeuren.’ (9). ‘De domste beschrijving van de jeugd is dat die opstandig is. In werkelijkheid is het een verbond van lafaards.’ (13), ‘Ambitie is het vermogen om ongelukkig te zijn.’ (15) ‘alle getrouwde vrouwen [zijn] schrijvers.’ (61), ‘juist de tragische tekortkomingen van andere mannen vinden mannen innemend. Daarom zitten alcoholisten nooit zonder vrienden.’ (63), ‘Het ergste wat iemand kan overkomen is een tragedie die ook grappig is.’ (137), ‘het doel van elk waanidee [is] om zichzelf op andere hersenen over te dragen.’ (195), ‘de zedelijkheid [is] waarschijnlijk door onaantrekkelijke mannen bedacht.’ (214), ‘God is geen leugen maar een soort verkorte versie van de realiteit.’ (218), ‘Het verschil tussen een waan en een leugen is precies het verschil tussen een succesvolle heilige en een oplichter.’ (285)

    Het zijn denkbeelden die prikkelen, omdat je het er niet per se mee eens bent, maar die je ook niet gemakkelijk kunt weerleggen. Niet al de inzichten in het boek zijn overigens zo verfrissend. Unni dacht bijvoorbeeld dat de mens gevangen zit in de taal. Dat is tegenwoordig een wat gedateerd postmodern inzicht. Maar de roman speelt dan ook in een tijd waarin het postmodernisme nog relevant was, aan het einde van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig. Het denkbeeld wordt ook aan het verschijnsel strip gekoppeld. Unni stelt dat: ‘het uiteindelijke doel van beeldverhalen is als dat van de mens: zich bevrijden van de taal.’ (23) Bij Unni ging het in zijn strips vooral om het beeld, waaraan hij de teksten volledig ondergeschikt maakte. Deze beelden bevatten een waarheid over het leven die niet in het talige te vatten zou zijn. Dat een goede strip een wisselwerking is tussen literatuur en grafische kunst, zien we in dit inzicht niet terug. Het is een klein minpunt dat de verder inventieve Joseph niet met een interessante visie op strips komt.

    De door Harry Pallemans vertaalde roman is goed opgebouwd. De informatie over de laatste fase van het leven van Unni wordt gedoseerd gebracht. In combinatie met de aansprekende karakters van de hoofdpersonages levert dit een sterke roman op. De curieuze theorie over het leven waar Unni in geloofde is boeiend en de auteur weet aannemelijk te maken dat een intelligente puber daar daadwerkelijk in kon geloven. Het boek biedt interessante denkbeelden over religie en waanzin en geeft ook een inkijkje in de cultuur van India van enige decennia geleden. Het onzichtbare geluk van andere mensen is een goed geschreven boek dat benieuwd maakt naar ander werk van Joseph.

     

    Het onzichtbare geluk van andere mensen

    Auteur: Manu Joseph,
    Vertaald door: Harry Pallemans
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 350
    Prijs: € 22,50

  • Vers zonder nieuw te zijn

    Vers zonder nieuw te zijn

    Hier begint het leven, de nieuwste dichtbundel van Ruben van Gogh begint met de Big Bang, de geboorte van ‘Alles’ waaronder

    binnen het geheel van ruimte-tijd
    gevangen in de nietigheid

    van zelfs nog minder dan
    een stofje, een stipje

    een ietsepietsje
    ikje

    In de korte tijd dat het er is, wordt het ikje verliefd, boos, is het soms wanhopig, een enkele keer gelukkig, rouwt het als het dierbaren verliest, kijkt het verbaasd om zich heen en is het soms innig tevreden met zichzelf. Wat het ikje dat korte bestaansmoment voelt en om zich heen ziet gebeuren is allemaal in Hier begint het leven terug te vinden. In de vorm van gedichten.

    Er zitten zeven jaar tussen de vorige bundel en deze nieuwe bundel met verse gedichten zoals Van Gogh ze in een interview bij De Avonden noemt. , want hoeveel de gedichten in deze bundel op het oog ook mogen verschillen van die in zijn vorige bundels, het thema is volgens Van Gogh nog steeds hetzelfde: een poging tot plaats bepalen door middel van taal, tijd en ruimte.

    Van Gogh ‘bekent’ zelfs dat er in Hier begint het leven gedichten zijn opgenomen waarvan hij de eerste versie al in 1996 heeft geschreven. ‘Vraaggesprek’ bijvoorbeeld:

    Wat is het, waar je over schrijft?
    Ik weet het niet – ik ben zoals altijd
    nogal onvoorbereid, soms
    vermoed ik een synchroniciteit

    tussen de wereld en de woorden,
    die ik vervorm tot een gedicht
    Het ligt er maar net aan wat
    er te gebeuren staat als ik begin:

    een leven, een liefde, een kind, de dood,
    maar als het eenmaal is geschreven
    is het te laat en staat er wat er staat
    er haast onherkenbaar bij

    Dan ben ik klaar en dan kom jij,
    net zo goed als ik onvoorbereid

    ‘Vraaggesprek’ is de laatste versie van een gedicht dat eerder verscheen als ‘Alleen voor Babushka’, een van Van Goghs meest bekende gedichten. Het is alleen al om die reden meer dan slechts een antwoord op het gedicht ‘Impasse’ van Martinus Nijhoff zoals achterin vermeld staat. Bovendien laat ‘Vraaggesprek’ ook zien waarom Van Gogh gedichten schrijft, hoe ze ontstaan en waarom Van Gogh niet altijd weet waar zijn gedichten precies over gaan of wat ze uitdrukken.

    Geen nieuwe thema’s in deze gedichtenbundel volgens Van Gogh, maar dat is ook geen onmisbare voorwaarde voor onvergetelijke gedichten. Integendeel. Van Gogh experimenteerde in een vorige bundel letterlijk met de vorm van de gedichten en de ruimte die ze innamen en dat resulteerde in een bundel vol spannende gedichten, terwijl hij zich toen ook bezighield met het bepalen van zijn plaats door middel van taal, ruimte en tijd. Experimenten of verrassingen zijn in Hier begint het leven echter ver te zoeken.
    Het resultaat is een brave bundel, waar de gedichten te vaak omschreven kunnen worden als ‘wel aardig’. De gedichten zijn fijn om voor te dragen, maar wat Van Gogh te zeggen heeft is niet nieuw, en soms zelfs tamelijk sleets. Het openingsgedicht ‘Alles’ vertelt dat wij allemaal piepkleine, nietige, belangrijk doenerige ikjes in een levensgroot en oeroud heelal zijn. Meer niet. Maar dat is geen nieuws en ook de wijze waarop het verteld wordt zorgt er niet voor dat het gedicht blijft hangen. Dat geldt – op een enkele zin na – voor de meeste gedichten in het deel Alsof het de hand van God was, of van Bob de Bouwer. Gelukkig staan er verderop in de bundel prikkelender gedichten met als eenzaam hoogtepunt ‘III’ in Zeven maal ZUID-AFRIKA. Een gedicht dat je iedere keer dat je het leest, verrast omdat er iets anders staat dan je de vorige keer las.

    Hij maakt bloemen van metaal. Vooral
    de roos is zeer gecompliceerd: dat hele
    proces dat aan de totstandkoming
    van een bloem voorafgaat is enorm
    Het is liefde bij het geven, maar bloed
    voor wie de frisdrankblikjes snijdt
    tot de juiste vorm, de stengel
    van authentieke stekels voorziet
    Maar goed, ze bloeien dan ook ontzettend
    lang en rood. Later zal ik nog giraffes
    zien van roze kralen, die gaan ook
    niet dood, houten auto’s die het doen
    zonder onderhoudsbeurt, en mijn kamer
    is ook al zo’n typisch Afrikaans
    met al die ruimte en terracotta kleuren

    Het is een ogenschijnlijk lieflijk, aardig gedicht met hier en daar een speldenprikje. Die speldenprikjes worden iedere keer dat je het gedicht leest pijnlijker en toch blijf je het herlezen. Keer op keer. Totdat de speldenprikken messteken zijn geworden. Bloed vloeit en blijft vloeien. En dan nog blijf je het lezen.

    Díe kwaliteit ontbreekt bij de andere gedichten in deze bundel; ze doen geen pijn, ze verrassen niet, ze stellen je niet voor raadsels, zijn niet speels genoeg. Ze zijn wel aangenaam, prettig leesbaar, begrijpelijk, soms droefgeestig, soms amusant, maar vooral vergetelijk. Het zijn met name die ene uitzondering, ‘III’ én de laatste regel van het laatste gedicht die ervoor zorgen dat je deze bundel niet vergeet. Die laatste regel is namelijk een briljante samenvatting van de bundel:

    – ‘Ik ging in, kwam, verdween, was alles vergeten’

     

    Hier begint het leven

    Auteur: Ruben van Gogh
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 56
    Prijs: € 16,50

     

  • Een verademing

    Een verademing

    Het kan natuurlijk het gevolg zijn van een te beperkte blik, maar de media van dit moment lijken steeds weer de groeiende criminaliteit van Nederland te benadrukken. Een boodschap die vaak gepaard gaat met een oproep tot strenger straffen. De knoet moet over de steeds criminelere Nederlander, zo roepen politici als Opstelten en Teeven in koor. In dit populaire rechts-verbale geweld is de essaybundel De ziel van Nederland (2012) van Herman Franke een verademing.

    Criminoloog Franke (1948-2010) keert zich tegen strenger straffen als panacee. Het zal de misdaad niet beteugelen, zo betoogt hij keer op keer, maar eerder misdadigers nog crimineler maken. Nee, volgens Franke kan misdaad het beste worden bestreden door de sociale omstandigheden van de onderklasse uit de maatschappij te verbeteren. Niet de zweep, maar de lessenaar en de sociale verheffing zijn volgens hem de beste wapens tegens criminaliteit.

    Franke schreef in de periode van 1986 tot 2004 verschillende essays over criminaliteit. De ziel van Nederland bevat hiervan een selectie en biedt daarmee een mooi overzicht van de wijze waarop Nederland vanaf het begin van de negentiende eeuw tot op heden tegen misdaadbestrijding aankijkt. Daarbij is Franke’s positie en politieke kleur steeds duidelijk. Als geëngageerde socialist beklimt hij keer op keer de literaire barricaden om de rechtse wens tot strenger straffen te bestrijden. Hij benadrukt dat simpel strenger straffen averechts werkt. ‘Zo blijken veranderingen in duur en aard van de gevangenisstraf bijvoorbeeld weinig of geen effect te hebben op de afschrikwekkende werking ervan. Op de gevangenen zelf heeft de straf echter vaak zo’n desastreuze invloed dat zij eerder recidive bevordert dan tegengaat.’

    Franke illustreert zijn visie met zijn rijke kennis over de geschiedenis van het gevangeniswezen in Nederland. Een kennis waarover hij als gespecialiseerd criminoloog als geen ander beschikte. Bijvoorbeeld waar het de strafmethoden uit het begin van de negentiende eeuw betreft. Het zijn passages die je als lezer heen en weer slingeren tussen verbazing en ontzetting. Bijvoorbeeld als hij citeert uit een rapport uit 1857 van gevangenisinspecteur Astorphius Grevelink. Een rapport dat uitgebreid ingaat op de toen gebruikelijke praktijk van het meerjarig in volstrekte afzondering opsluiten van gevangenen. Het summum van ‘modern straffen’ in die tijd, alhoewel ook toen de effecten bekend waren. Een gevangene had Grevelink verteld ‘dat eene zo langdurig afzonderlijke opsluiting verdoovend is; dat hij na verloop van 17 maanden er de gevolgen van ondervindt, daar hij nog zijne oude spraak niet terug heeft’. Desalniettemin vond de gevangene dat eenzame opsluiting wel een jaar of 8 à 10 was vol te houden. Anno 2013 een onbegrijpelijke combinatie van opmerkingen van de gevangene. Ondanks de heftige gevolgen na anderhalf jaar vond ook hij blijkbaar dat hij nog wel meer verdiend had. Een beter bewijs dat wat acceptabel gevonden wordt tijdgebonden is is haast niet te geven.

    De Ziel van Nederland bevat overigens niet alleen essays over criminaliteit. Er is ook ruimte ingeruimd voor andere onderwerpen, variërend van de dood van Lady Di tot de xenofobe klaaglust van Nederlanders of het veranderende rouwproces. Steeds weer is duidelijk dat Franke heilige huisjes niet schuwt en een origineel geluid afgeeft. Zo wond hij zich drie dagen na het overlijden van prinses Diana enorm op over de media-aandacht hiervoor. ‘A Lady Died. Nou en?’, zo schrijft hij meerdere keren. Franke vraagt zich af waarom zelfs kwaliteitskranten als NRC, Volkskrant en Trouw meerdere pagina’s volzetten met ‘vakantiekiekjes van een functieloze, cosmetische prinses en Story-gezeur over haar privéleven’. Wat hem betreft onnodig veel aandacht en ‘Endemol-verdriet’ voor iemand die uiteindelijk niemand echt kent, terwijl mensen voor hun eigen, unieke doden, steeds minder aandacht hebben. Hier schreef hij ook eerder over in het essay ‘Liever geen bezoek’. Daarin betoogt hij dat het lijk steeds meer uit het zicht van de dagelijkse leefwereld van mensen is verdwenen. De dode en de rouw zijn, zo schrijft Franke, uit het eigen huis verbannen, naar mortuaria. ‘Doorgeschoten privatisering‘ noemt hij dat. Tekenend taalgebruik voor een sociaal-bewogen en geëngageerde essayist, die Nederland met zijn verhalen niet alleen weer een ziel wil geven, maar de Nederlanders ook gevoel.

    De ziel van Nederland (Essays)

    Auteur: Herman Franke
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium (2012)
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 22,50

     

  • Finse meisjes zijn niet voor de poes

    Finse meisjes zijn niet voor de poes

    Of de omslagfoto een heus Fins meisje toont is onzeker, maar de frisheid die er vanaf spat rijmt wel degelijk met de inhoud van deze debuutbundel van Kira Wuck (1978). Weliswaar van Nederlandse bodem is deze dichteres het product van een Indonesische vader en een Finse moeder. En bovenal winnaar van het Nederlands Kampioenschap Poetryslam 2012, het fastfoodgerecht van de dichtkunst. Een genre waarin doorgaans meer wordt gezapt dan ingezoomd, en waarin met aanstekelijke herkenbaarheid gepaard aan goede voordracht, gepoogd wordt het gehoor te boeien. De 34 gedichten in Finse meisjes worden nu zonder voordrachtskunst de wereld in geschopt. En dan blijken ze ook nog verstoken te zijn van iedere vorm van rijm. Maar in ruil daarvoor is er flink ingezet op verrassende beeldspraak als ‘Eenzaamheid ruikt naar kalfslever in een ovenschaal’, abrupte overgangen en sterk onderkoelde zinnen als ‘[mijn oma] had graag bij de maffia gewild / want die zorgen tenminste goed voor hun familie’. De lezer komt dan ook weinig tekort.

    De allereerste versregel in deze bundel heeft een voorgeschiedenis achter zich: ‘Hierna drink ik niet meer doordeweeks zei ik’. Dat dit voornemen heeft stand gehouden lijkt twijfelachtig, gemeten naar het aantal gedichten waarin gedronken wordt. Maar tot een kwaaie dronk wil het nergens komen.
    Wel hangt er vaak een licht ontheemde sfeer in deze poëzie, maar eentje waarin de lezer zich algauw leert thuis te voelen. Zo kan men glimlachen om een beginzin als ‘Hij ligt in bed met zijn sokken van gisteren’, want een tikkeltje afwijkend gedragen zich de personages wel in Wucks bundel. Deze jongeman blijkt echter in de derde strofe alweer uit bed te zijn:

    ‘Dan belt hij een moeder
    omdat hij met haar naar bed wil
    hij kent foto’s van toen ze een bikini droeg
    voordat ze drie kinderen baarde

    Ze heef het over verjaardagen
    hij knikt zonder te antwoorden
    loopt naar het balkon
    voelt de eerste herfst op hem neerslaan’

    Een heel verhaal is hier verteld met weinig woorden. Kira Wuck beschikt beslist over een goed gevoel voor stijl. Van de zinnen is voldoende afgehakt en afgeschaafd om het beeld op z’n scherpst te krijgen.
    Het leven van de personages ligt ietwat bezijden van dat van een modaal gezinnetje. Een gedicht heet niet voor niets Mijn ouders zijn goed in ontvreemden. Maar er heerst geen afgedankte stemming. Eerder een latent opgewekte.
    Een deze bundel typerend gedicht is het naamloze uit de afdeling Familie:

    ‘Als het regent op zondag
    regent het bij ons anders dan bij anderen
    de lucht is droger en de kat laat zich niet aaien

    Vroeger hadden we een kijkgat in de schutting
    daarachter gebeurde het

    Vanuit de achtertuin zie je waar de vaat zich opstapelt
    wat de afstand is tussen geliefden
    als ze elkaar net niet raken

    Intimiteit is erachter komen dat je met iemand
    naar hetzelfde punt staart
    zoals naar mijn ouders
    die voor de zoveelste keer de muren witten’

    De samenhang is op het eerste gezicht vrij los. Zo mag in de eerste strofe maar liefst tweemaal van regen sprake zijn, daarna doet de regen al niet meer mee. Maar de toon is er intussen wel mee gezet, die van gelatenheid. Zoals de kat zich niet laat aaien, zo lijken de geliefden verderop elkaar eveneens te ontwijken. Waar het kijkgat in een schutting doorgaans iets onthullends laat zien, wordt hier slechts de alledaagsheid van een zich opstapelende vaat getoond. Niettemin wordt ernaar gestaard en vinden de twee elkaar in hun gezamenlijke staren. De voyeur die doorgaans alleen is, heeft hier tenminste gezelschap. Tussen hen is meer verbondenheid dan tussen het begluurde ouderpaar. Het buitenstaanderschap kent zo z’n eigen wetten van geluk. En zo heeft in deze bundel een montere ondertoon kunnen sluipen. De frisse, uitdagende zinnen staan evenwel niet garant dat het allemaal van een leien dakje gaat. Maar de tragiek wordt gelaten ondergaan en kaltgestellt in een laconieke stijl die geen verzuring toelaat.

    Na de afdeling Familie is het de beurt aan de ik-persoon om haar weg in de liefde te vinden. In de afdelingen Wasdagen en Overblijfsels lezen we dat daarbij de nodige hobbels genomen moesten worden: ‘ik had je willen zeggen dat je altijd zo goed het weer voorspelt / en je willen vragen wat voor dag het werd // In plaats daarvan bleef ik staan zonder me te bewegen’. Maar elders blijkt dat uiteindelijk de volgende ervaring is opgedaan: ‘als je er nog bent als ik me omdraai / dan ga je niet meer weg’.

    In de laatste afdeling Finse meisjes lijkt de ik-persoon zich thuis te voelen. De benadering van Finnen vergt misschien enige gebruiksaanwijzing: ‘Finse meisjes zeggen zelden gedag / maar zijn niet verlegen of arrogant / je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen’, maar ontwakend uit de winterslaap blijken het zomaar ‘mensen die ik als familie beschouw’. De meest fijngevoeligen lijken Finse meisjes niet te zijn: ‘In de nachtbus zetten ze hun tanden in de rubberen stoelleuning / als ze niet in slaap gevallen zijn’. Of de ik-persoon zich er daarom zo thuis voelt? ‘Toen ik iemand zag die heel erg op jou leek / wou ik mijn mond op de zijne drukken / daarna zijn hart uit zijn borstkas snijden / en in een vissenkom doen’. Maar wie Kira Wuck leest heeft vooralsnog niets te vrezen. Prettig lezende zinnen als ‘Alles waar je net doorheen past kun je niet negeren’, ‘hij zoekt een ruimte waarin hij niet gevonden wordt’ of ‘De tijd gaat sneller als je af en toe een plant verschuift’ maken het lezen van Finse meisjes tot een aangename ervaring.

    Ofschoon wel duidelijk is dat niet iedereen zich in de buurt van deze meisjes moet gaan wagen, zien we een tweede worp van Kira Wuck graag tegemoet.

     

     

  • Vreemde verhalen en buitenmaatschappelijke figuren

     

    Hari Kunzru (1969) ontving voor zijn eerste roman, De poseur, de prestigieuze John Llewellyn Rhys Prize. Ook Coyote werd door de buitenlandse pers met lof overladen.

    Kunzru behoort volgens insiders tot de ‘beste aanstormende Britse auteurs.’ Reden om dit boek, zijn vierde roman, maar eens onder de loep te nemen. Zijn vader was afkomstig uit Kashmir en zijn moeder uit Engeland.

    Kunzru vertelt het verhaal van Jaz, een wiskundespecialist, en zijn vrouw Lisa, die van Joodse afkomst is. Jaz werkt voor de beurs in New York op het moment dat the sky the limit is en allerlei vreemde figuren onzinnige doldwaze theorieën uitstorten over de hoofden van de onwetende, naïeve beleggers. Jaz en Lisa krijgen een zoontje, Raj, die autistisch blijkt te zijn.

    Kunzru laat ons allerminst achterover leunen. Hij weeft een tapijt aan vreemde verhalen waarin vooral buitenmaatschappelijke figuren de hoofdlaag vormen. Zo is er de geflipte Capaldi (er was in de jaren ’60 een echte Capaldi, van de groep Traffic), die plaatopnames maakt, maar tijdens de sessies wegloopt omdat hij gebrek aan inspiratie heeft. Hij gebruikt peyote, LSD, mescaline en doet aan groepsseks, maar vindt er al lang niets meer aan. We krijgen een kijkje in de keuken van de Ashtars, de zogenaamde afstammelingen van vliegende schotelwezens, die een commune hebben gesticht in de woestijn bij een plateau. Hun leider is verbrand toen hij een stalen kist onder stroom liet zetten om contact met de Ufo’s te leggen. Een nabijgelegen dorpje in de Californische woestijn voert een harde strijd om de commune weg te krijgen. Tevens circuleren er geruchten dat de communeleden nevenactiviteiten hebben in de prostitutie en de drugshandel.

    De verknipte beursgoeroe’s doen inmiddels Jaz de das om. Omdat hij kritische vraagtekens gaat zetten verliest hij z’n baan. Zijn vrouw Lisa drijft steeds meer af naar orthodox Joodse kringen, die de Kabbala lezen en zichzelf ook als een voorpost van een Nieuwe Wereldregering zien. En rond zoon Raj, die veel ernstiger autistisch blijkt te zijn dan iedereen dacht, is een wirwar van zorgverleners opgedoken, therapeuten en andere vreemde figuren, die Raj willen helpen.

    Het meesterlijke aan het boek is dat de doldrieste vreemde freaks uiteindelijk minder gek blijken te zijn dan we denken. Omgekeerd blijkt het establishment echt krankzinnig en ook nog eens gevaarlijk.

    Nadat Jaz is ontslagen bij zijn beursbedrijf besluit het echtpaar er met zoon Raj maar eens even uit te gaan. Ze moeten reizen van motel naar motel omdat Raj teveel huilt en de andere gasten wakker maakt. Uiteindelijk belanden ze in de woestijn vlakbij de commune van Ashtar, maar dat weet alleen de lezer.

    Lisa gaat een avond stappen en Jaz leert Capaldi kennen die in hetzelfde afgesleten motel logeert en op de vlucht is voor pers en fans. Plotseling is zoon Raj verdwenen. En er ontstaat een klopjacht op de eventuele ontvoerders. De geheimzinnige figuur Coyote, heeft zich in een grot verstopt onder de rotsen nabij de commune van Ashtar. Heeft hij wat met de ontvoering te maken? En er is de legende uit de 18e eeuw van een kind dat verdwijnt en na een maand half verlicht terugkeert. Allemaal in de buurt van de rotspartij in de woestijn, waar iedereen koortsachtig zoekt naar Raj. Het huwelijk staat op scherp, de echtelieden verwijten elkaar van alles en de politie tast in het duister en neemt de arme Capaldi maar mee omdat ze een verdachte willen. Hij heeft met de zaak niets te maken. En we krijgen ook nog te maken met de praktijken van een Franciscaner ontdekkingsreiziger, die al in de 18e eeuw de geheimen van het stukje woestijngrond zou hebben opgelost.

    Wanneer Raj plotseling weer opduikt zijn de rapen pas goed gaar. Wat is er met hem gebeurd? Wie heeft hem ontvoerd?

    De lezer blijft in vertwijfeling achter? Of ook weer niet? Kunzru vraagt of diezelfde lezer als een echte Sherlock Holmes met hem mee wil denken en dat maakt dit boek tot een meesterlijk – maar niet eenvoudige-  leeservaring.

     

  •  Een monument voor een vriendschap

     Een monument voor een vriendschap

    Het lezen van een briefwisseling bezorgt je als lezer al snel een wat ongemakkelijk gevoel. Je voelt je een beetje een voyeur, want je leest ten slotte informatie die in eerste instantie helemaal niet voor jouw ogen bestemd was. Toch heeft dit genre wel degelijk bestaansrecht. Op deze manier heeft de lezer immers toegang tot de belevings- en ideeënwereld van niet-alledaagse personen en hier zijn dan ook ‘pareltjes’ uit voortgekomen. Bovendien mag je ervan uitgaan dat een goede uitgever ervoor zorgt dat al te intieme en persoonlijke informatie wel uit de brieven wordt gefilterd alvorens wordt overgegaan tot uitgave, zeker wanneer het gaat om nog levende personen dan wel personen met nog levende nabestaanden. Hoewel, er zijn voorbeelden waarbij hier toch wel eens wat steken gevallen zijn…

    De ‘noot van de schrijver’ achterin het boekje maakt duidelijk dat daar in het geval van de uitgave van de briefwisseling in Als je me maar blijft schrijven geensprake van is en we hebben hier dan ook te maken met zo’n ‘pareltje’. Het gaat in deze uitgave om de brieven, of eigenlijk e-mails, die Herman Franke en Manon Uphoff elkaar sturen nadat Franke te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft in een ongeneeslijk stadium. Vanzelfsprekend leidt dit tot soms heftige emoties, maar Franke blijkt in zijn brieven iemand die de feiten nuchter onder ogen kan blijven zien en soms met humor naar zijn eigen situatie kan kijken.

    De briefwisseling begint in september 2009, nadat Uphoff van Franke heeft vernomen dat hij ongeneeslijk ziek is. Vanzelfsprekend maakt deze mededeling diepe indruk op Uphoff. De twee schrijvers zijn al langere tijd bevriend en er bestaat een hechte band tussen hen. De ziekte van Franke brengt daar geen verandering in, integendeel. Wat wel duidelijk verandert na verloop van tijd, zijn de verhoudingen. Uphoff staat midden in het leven en schrijft daarover; Frankes mails worden steeds korter en bevatten ten slotte niet veel meer dan korte opmerkingen over zijn almaar verslechterende gezondheid. Uphoff heeft het er vaak moeilijk mee, dat ze Franke ‘lastig valt’ met de problemen waarmee zij worstelt, aangezien die in het licht van de situatie van Franke triviaal lijken. Ze heeft het hierbij onder andere over een ‘muur’ waar met elk slecht bericht over Frankes gezondheid stenen bij worden gemetseld. Geen nieuw beeld, wel heel herkenbaar en invoelbaar voor iedereen die een dierbaar iemand heeft verloren aan een ziekte.

    Franke echter is blij met elk contact met het ‘normale, alledaagse leven’ en wanneer Uphoff hem schrijft over haar twijfels over het belang van alles wat ze hem te vertellen heeft, laat hij haar dan ook weten: ‘…… als je me maar blijft schrijven.’ Haar brieven zijn voor hem nog een schakel met het ‘gewone leven’.

    Het is op het eerste gezicht duidelijk dat we hier te maken hebben met twee begaafde, professionele schrijvers met allebei een heel andere, zeer persoonlijke stijl van schrijven. Uphoff is erg open over haar persoonlijke situatie, Franke is gereserveerder. Dat die openheid van Uphoff haar in de problemen kan brengen, blijkt pijnlijk uit deze briefwisseling. In de periode dat deze correspondentie plaatsvindt, is namelijk Uphoffs roman De spelersverschenen en dit boek heeft niet alleen bij het publiek tot enige ophef geleid, maar het heeft ook vergaande gevolgen voor haar persoonlijk leven; de relatie met haar vriend Bebek komt onder zware druk te staan. Ze deelt haar verdriet daarover met Franke, die zich hierbij opstelt als haar rots in de branding. Hij biedt troost, toont begrip voor haar problemen en steunt haar met zijn onvoorwaardelijk vertrouwen in haar kwaliteit als schrijver: ‘…. maar wat ik wel kort kan zeggen dat is dat je elke twijfel aan de kwaliteit van jouw schrijverschap uit je hoofd moet bannen, nu, meteen, dat ben je aan mij en alle andere schrijvers verplicht ….. ‘.

    Franke vertelt over zijn werk aan zijn laatste roman Traag licht; zo lang zijn gezondheid het toelaat werkt hij door. Het is voor hem belangrijk dit werk nog af te ronden. Daarnaast schrijft hij over zijn opvattingen, zijn zorgen over maatschappelijke ontwikkelingen zoals de groeiende rol van Wilders in de politiek en natuurlijk over het verloop van het ziekteproces. Maar zijn brieven worden steeds korter; de ziekte krijgt hem steeds meer in de greep.

    Als je me maar blijft schrijvengeeft een prachtig beeld van een vriendschap tussen twee mensen die elkaar waarderen, stimuleren en oprecht liefhebben: ‘…. misschien is dat wel het beste wat een vriendschap te bieden heeft, het openbreken van jezelf en je eigen denken, daarbinnen sluipen en nestelen zich de visie en opvattingen, het denken en voelen van de ander, een ander gezichtspunt, en het verruimt je, maakt je groter, breder, de wanden van je bestaan vallen weg en die ander vestigt zich – …..’.

    De laatste brief in het boekje is van Franke en dateert van 2 augustus 2010. Hij maakt hierin nogmaals duidelijk hoeveel de brieven van Uphoff voor hem betekenen: ‘…. je legt een warme deken van brieven over me die ik zo nu en dan dankbaar over me heen trek als het me allemaal te veel wordt ….’. Op 10 augustus overlijdt hij.

    Dit boekje is een monument voor een vriendschap die, mede door de mooie stijl en de soms prachtig beeldende taal waarin zij is verwoord, geen lezer onberoerd zal laten.

     

     

  • ‘Het is maar goed dat ik niemand werd’

    ‘Het is maar goed dat ik niemand werd’

     ‘Ik wilde leven, maar ik kon er nooit helemaal bij. Ik vreesde de herinneringen aan mijn jeugd, en de herinnering aan de ouderdom, en daartussen vreesde ik het roemloos zijn’.

    Titine Clement, de centrale figuur in de roman De roemlozen, leren we kennen op een cruciaal punt in haar leven: samen met regisseuse Welmoed zal ze, nog voor haar veertigste, haar doorbraak beleven als scenarioschrijfster. Of dit gaat lukken, is natuurlijk de vraag. Ondertussen leren we als lezer wel een aantal opmerkelijke figuren kennen.

    Titine is geboren in een welgesteld Haags kunstenaarsmilieu. Haar vader, ‘de beroemde kunstenaar’ en zijn muze, de snobistische, dominante en materialistische moeder, Moema, voeden hun kinderen vrij en onconventioneel op in de roerige jaren zestig. Haar broertje speelt slechts kort een rol, op zesjarige leeftijd ‘verdwijnt’ hij opeens. Moema is een theatrale, dominante vrouw, die, zo gauw de situatie zich ervoor leent, graag haar borsten en benen in de strijd gooit, bijvoorbeeld wanneer er weer eens iets geregeld moet worden voor de recalcitrante dochter. Typerend voor haar is haar uitspraak over het werk van haar man: ‘Dood ben je meer waard, veel meer!’ Geen wonder dat Titine al vroeg het huis ontvlucht en zelf probeert te overleven. Ze heeft verschillende baantjes, maar haar rol als gastvrouw voor ‘willig betalende mannen’ geeft haar de meeste vrijheid en brengt haar het dichtst bij haar ideaal van een eigen atelier.

    Het werkelijke verhaal begint als Welmoed, regisseur van een aantal succesvolle films, maar vooral al jaren veelbelovend, het leven van Titine binnenwandelt. Ze wil dat Titine het script schrijft voor haar film over de tsunami in Sri Lanka. Die film moet hun doorbraak worden, het liefst voordat ze veertig zijn. Er moet daarom binnen een jaar een producent met geld gevonden worden.
    Samen met beeldhouwer Manuel Antonio Rodrigues, alias Boi, de jaloerse, verslaafde, lusteloze ‘verloofde’ van Titine gaan ze regelmatig op pad en proberen ze hun project te realiseren. Titine moet zorgen voor een treatment, een ‘tonnenschudder’, oftewel een verkooppraatje op papier voor derden om geld te werven en producenten over de streep te trekken. Ondertussen werkt Boi aan zijn beelden voor zijn eerste expositie.
    Voor Titine was het ontlopen van haar ouders op een gegeven moment haar voornaamste levensdoel. ‘Een tijd lang kwam het me voor dat mijden een onwaarschijnlijk hoge kans op geluk bood.’  Maar helaas voor haar, blijkt zelfs hun ontmoetingsplaats, koffiehuis La Mano Maestra, niet veilig voor Moema.
    Eigenlijk heeft ze zich nooit kunnen onttrekken aan haar moeder: hoe vaak ze ook van adres wisselde, altijd wist Moema haar te vinden. Moema, vol met verwijten en gefrustreerd omdat de beroemde kunstenaar langzamerhand verandert in een zielige, dementerende oude man, laat zich niet zomaar uit het leven van haar dochter wegsturen; ze zoekt te pas en te onpas Titine en haar vrienden op.

    ‘Ieder jaar vernieuwen de menselijke moleculen zich. En hoewel die vernieuwing steeds weer tot een mens leidt, tot hetzelfde mens, is het toch een totaal nieuw mens. Waarom, vroeg ik me af, zou je een organisme ieder jaar vernieuwen tot hetzelfde? Waarom zit er geen verbetering in de nieuwe versie?’, verzucht Titine als Moema opeens weer in La Mano verschijnt.

    Terwijl Welmoed droomt over haar bioscoopfilm, Boi zich met veel zelfmedelijden en drank voorbereidt op zijn expositie, Moema een tentoonstelling als eerbetoon voor ‘De beroemde kunstenaar’ organiseert, gaat het met Titine niet zo goed: ze kotst en kotst, ze blijft maar alles uitkotsen. Dat is misschien ook niet zo gek, als we, verpakt in flashbacks, de achtergronden van Titines jeugd leren kennen. Leven met een heel beroemde vader is al niet gemakkelijk, maar belangrijker nog is de totaal verknipte verhouding met haar moeder, die vooral geïnteresseerd is in zichzelf, maar aan wie ze zich niet kan onttrekken.

    Wat het meeste opvalt in deze roman zijn de dialogen: eigenlijk luistert alleen Titine naar wat anderen zeggen. De rest luistert helemaal niet naar elkaar, men is alleen met zichzelf bezig. De personages zijn door Le Clercq niet heel genuanceerd, maar stereotiep, bijna karikaturaal neergezet. Dat is niet erg, want ze zijn wel heel herkenbaar en het levert opmerkelijke, soms bizarre, ontluisterende gesprekken en situaties op. Eigenlijk is Titine de meest normale, stabiele persoon in het geheel, ondanks de littekens die ze in haar jeugd heeft opgelopen. Dat het moeilijk is om helemaal los te komen van haar ouders, wordt aan het eind van het verhaal op een komische, maar ook ontroerende wijze duidelijk. Wel is beklemmend dat Titine over zichzelf zegt: ‘Het is maar goed dat ik niemand werd, want ze dulden niemand naast zich. Hun kinderen en het gezinsleven beschouwen zij als decor. En een decor moet niet zelf willen leven.’

    Het leven van de auteur, Justine le Clercq (1967), vertoont parallellen met dat van Titine. Ook Justine groeide op in een Haags kunstenaarsmilieu waaruit ze vluchtte. Le Clercq raakt aan lager en belandt uiteindelijk in een ontwenningskliniek. Daarna wordt ze actief in de verslavingszorg en tegenwoordig is ze docent Sociale Wetenschappen en projectmanager. Als schrijfster is ze actief voor Haags Straatnieuws en voor  het tijdschrift Blauwe Maandagen over het werk en leven van Arnon Grunberg. De roemlozen is haar debuutroman. Inmiddels heeft ze ook verhalen in literaire tijdschriften gepubliceerd.