• De tragiek van het alledaagse

    De tragiek van het alledaagse

    Ze zijn onhandig, wereldvreemd en komen in de meest absurde situaties terecht. Waar de personages uit Kira Wucks verhalenbundel Noodlanding in eerste instantie vooral op de lachspieren werken, komt daarna de mokerslag: het schuurt, het doet pijn wat er hier gebeurt.

    Zinderende beelden
    Kira Wuck debuteerde in 2012 met de gedichtenbundel Finse meisjes, die bijzonder goed ontvangen werd door de pers. Het eenvoudige en alledaagse taalgebruik in combinatie met de scherpzinnige en veelzeggende beelden wordt veelvuldig aangehaald. Wucks gedichten ontvouwen zich langzaam voor de lezer, alsof je laag voor laag afpellen moet voor je tot de kern van haar poëzie komt. Diezelfde directe taal en beelden die nog lang na blijven zingen vinden we terug in haar eerste verhalenbundel.

    Wuck heeft ervaring als slamdichter en dat is duidelijk terug te zien in de twaalf verhalen van Noodlanding. Alleen al de titels van haar verhalen zinderen en wekken nieuwsgierigheid op, net als de sterke openingszinnen, die onmiddellijk een hele wereld oproepen. Je voelt bijna de adempauze die Wuck na haar eerste zin neemt en de afwachtende blik waarmee ze haar publiek aankijkt. Wat gaat er door de toehoorder of lezer heen bij een zin als ‘Mijn broer Edgar werd dood gevonden met drieënzeventig hotdogs in zijn maag’ of ‘Sinds Arno door de politie wordt gezocht, woont hij weer bij zijn moeder’? Meer heeft Wuck niet nodig: zij geeft de voorzet, de fantasie van de lezer doet de rest.

    Minimalistisch absurdisme
    Zien we in deze minimalistische, licht absurdistische verteltrant de Scandinavische wortels van de schrijfster terug? Wuck is het kind van een Finse moeder en een Indonesische vader en geeft zelf aan zich thuis te voelen bij de nuchterheid en melancholie van de noordelijke landen. Ook in haar karakters zien we dat terug. Van heldendom is geen sprake in Noodlanding, haar karakters laten zich eerder omschrijven als antihelden. Allemaal zijn het einzelgängers, die zich niet willen laten leiden door wat de buitenwereld van ze denkt: de vrouw die haar man doodsimpel meedeelt dat ze een affaire heeft met de slager, de kippenboer die aan zijn lievelingskip vertelt dat hij een vrouw uit de Filippijnen laat komen of de zakenman die van de ene op de andere dag besluit van de aardbodem te verdwijnen met een vrouw die hij net een paar uur kent. Denken is duidelijk ondergeschikt aan doen, er wordt eerder meegedeeld dan meegeleefd.

    Wucks droge manier van vertellen plus de geringe omvang van haar verhalen levert algauw de vergelijking met een krantenartikel op. Van een journalist die op zoek is naar de meest obscure verhalen dan, dat wel. Maar in tegenstelling tot de journalistiek is het in Wucks verhalen moeilijk het einde te voorspellen. Al is er na het lezen van een aantal verhalen wel degelijk een constante te ontdekken: Wuck is een tikkeltje morbide. Toch roepen die zwartgallige eindes niet per se een gevoel van afschuw op, maar is er eerder sprake van verwarring en soms zelfs blijf je zelfs achter met een vaag schuldgevoel. Net nog, een paar bladzijden geleden, lachte je nog om de onbeholpenheid waarmee het personage zich door het leven beweegt en nu blijkt alles als een kaartenhuis in te storten.

    30 minuten
    Misschien is Noodlanding nog wel het beste te vergelijken met 30 minuten, de mockumentary-reeks die Arjan Ederveen in de jaren ’90 maakte. In elke aflevering van deze serie komt een variatie op de volgende zin terug: ‘er was iets, maar wat er was wist ik niet, maar wel dat er iets was, alleen niet wat dat was’. En dat is precies wat de korte verhalen van Kira Wuck oproepen, al heel snel blijkt de lezer minder grip op de situatie te hebben dan hij van tevoren dacht. Met als grote verschil dat het bij Ederveen in eerste instantie bloedserieus lijkt te zijn en bij nadere inspectie één grote komedie is, en bij Wuck de lach steeds meer naar de achtergrond verschuift en plaatsmaakt voor onbehagen.

    Geslaagd proza
    Met haar poëzie bewees Wuck al dat ze goed is in het oproepen van originele beelden. In Noodlanding laat ze opnieuw zien dat ze een interessante speler is in het Nederlandse literaire veld. Van haar nuchtere vertelstijl moet je houden – lyriek is Wuck vreemd – en ook de wat bloederige beelden die ze oproept zijn niet aan iedereen besteed, maar zeker is dat deze schrijfster met haar verhalen iets teweegbrengt. Wat dat precies is, laat zich moeilijk omschrijven, maar het is onmogelijk niets te voelen bij het lezen van Noodlanding. En twaalf keer kennis maken met een kleurrijk personage, twaalf keer in een achtbaan zitten en twaalf keer genieten van iets dat het midden houdt tussen een lach en een grimas voor de prijs van één – dat klinkt als een goed recept voor een vrije zondagmiddag, toch?

     

     

  • Herinneringen aan een afwezige moeder

    Herinneringen aan een afwezige moeder

    De relatie van moeders met hun zonen; het is een thematiek die schrijvers als Adriaan van Dis, Maarten ’t Hart en Arnon Grunberg recent heeft beziggehouden. Dat leverde heel verschillende resultaten op, maar duidelijk is steeds hoe bepalend de rol van een moeder kan zijn. Grunberg zei ooit: ‘Je hebt geen vrouw meer nodig als je een moeder hebt.’

    Moederziel van Krijn Peter Hesselink (1976) gaat over een jongeman die zijn moeder die jaren geleden uit zijn leven is verdwenen, tegen het lijf loopt. Het contact met de verwarde, dementerende vrouw schrijnt. Het lukt de jongeman, Jonathan, niet om een volwaardig gesprek met haar te voeren. Terwijl hij haar zoveel zou willen vragen.

    Verbeelding
    Deze dunne roman bevat aan het einde een soort clou, maar er is zeker geen sprake van gemakkelijk effectbejag. Hesselinks tekst is vrij geraffineerd qua compositie maar voelt (toch) authentiek aan. Het hoofdpersonage herinnert zich de gebeurtenissen die leidden tot het vertrek van zijn moeder uit het ouderlijk huis waar Jonathan met zijn vader, een studeerkamergeleerde, achterbleef. Deze flash backs worden afgewisseld met het werkelijke verhaal en vormen ermee samen een overtuigend geheel. De beschrijving van de kinderlijke fantasie van de jongere ik van de hoofdpersoon vormt het aantrekkelijkste onderdeel van dit boek.

    De sociologen Emily Keightley en Michael Pickering stellen in hun studie The mnemonic imagination. Remembering as creative practice dat de verbeelding bij het herinneringsproces van groot belang is. Zonder fantasie kan men zich niets herinneren, men geeft altijd vorm aan het eigen verleden door gebruik te maken van creativiteit en de mogelijkheid tot (her)scheppen. Dat is wat de hoofdfiguur Jonathan in Moederziel ook doet; in zijn herinneringen speelt verbeelding een grote rol. In zijn evocaties van de fantasievolle kinderwereld ligt, zoals gezegd, de kracht van dit boek, al hadden ze meer bladzijden mogen bestrijken. Hesselink laat zien dat de kindertijd niet alleen een domein van de fantasie is, maar dat ook het terugblikken erop met fantasie gepaard gaat.

    Herinneren
    Hesselink schreef eerder enkele dichtbundels. Zijn eerste bundel Als geen ander dateert uit 2008. De stijl in Moederziel, Hesselinks prozadebuut, is verzorgd, maar sprankelt niet altijd. Typerend is de volgende passage: ‘Buiten was niets te zien. De straat was uitgestorven. Een eenzame lantaarnpaal hield de wacht bij het betonnen flatgebouw aan de overkant.’ (56) Dat is mooi verwoord, maar een boek als dit zou misschien nog gewonnen hebben bij een ambitieuzere stijl. Dat gebrek aan stilistische brille is echter een manco dat veel Nederlands proza kenmerkt. Hoe dan ook: dit boek is een aanrader omdat het de lezer tot mijmeren aanzet over familiebanden, over de mogelijkheid om je los te maken van de herinneringen aan de kindertijd en over de wijzen waarop herinneringen een concrete vorm in de werkelijkheid kunnen aannemen.

     

  • Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Je zal toch per ongeluk in een afgelegen hotel belanden, waar internet en een netwerk voor je mobiele telefoon ontbreken. Een ware nachtmerrie voor de moderne mens. Het overkomt Ariel Panek, de hoofdpersoon in DBC Pierre’s nieuwe roman Ontbijt met de Borgias. Hij raakt in het hotel aan de kust verzeild nadat zijn vlucht van Boston naar Amsterdam, vanwege dikke mist, in Londen is gestrand. Dezelfde dikke mist die het hotel omgordt als een nekkraag de hals van een automobilist die een whiplash heeft overgehouden aan een kettingbotsing.

    U stoort zich wellicht aan de potsierlijke beeldspraak in de vorige zin, maar dan bent u tenminste voorbereid. In Ontbijt met de Borgias zaait DBC Pierre groteske beeldspraken zoals een zwartepiet snoepgoed strooit in een kindercrèche. ‘Het hotel rook vaag naar lavendel op dode kool.’ Die geur is met enige moeite misschien nog voor te stellen. Misschien lukt het u ook nog bij het volgende beeld: ‘Een man als een broeierige valk onder de capuchon van zijn houtje-touwtjesjas.’ Maar voor ‘haar ogen fonkelden als gelei uit kraters van groen, omhoog speurend in een rookpluim’ zult u toch diep moeten gaan.

    ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ dichtte Martinus Nijhoff ooit en de lezer die deze roman ter hand neemt, doet er goed aan die aansporing ter harte te nemen. Neem de potsierlijkheid van zijn taal voor lief en grijp de uitgestoken hand van DBC Pierre. Laat u door hem leiden, door de mist en door de krochten van een gedateerd hotel waar vreemde kostgangers op u loeren. Als u het leesavontuur overleeft, wordt uiteindelijk wel duidelijk waarom de schrijver zich van die bijzondere taal heeft bediend. Of niet natuurlijk. Maar dan heeft u in ieder geval een spannende roman gelezen.

    Pierre heeft zijn boek geschreven voor de Hammer List, een literaire serie die horrorfilmproducent Hammer uitgeeft. Is het ook een griezelverhaal geworden? Nee. De roman bevat veel ingrediënten van enge films: de afgelegen locatie, verbroken verbindingen, mist, een naïeve hoofdpersoon en een aantal opmerkelijke typetjes. Je ziet Humphrey Bogart in Key Largo of Nicole Kidman in The Others. Het zijn elementen waarmee DBC Pierre zeker spanning weet op te roepen. Maar griezelen doe je niet, nagelbijten is er niet bij.

    Twee spanningsbogen bouwt Pierre in zijn roman. De eerste concentreert zich rondom de vraag of Ariel contact zal krijgen met zijn liefje Zeva. Die wacht in Amsterdam op hem en wordt met de minuut radelozer omdat hij niet opduikt. Hij probeert op allerlei manieren contact met haar te krijgen, maar zonder succes. Hoewel Zeva via de telefoon van een andere hotelgast wel sms’jes krijgt, tekstberichtjes die er de schijn van hebben dat Ariel de afzender is. De tweede intrige in de roman speelt zich in het hotel af. Er logeert een merkwaardige familie. Al snel vraagt de lezer zich af wat die zonderlingen daar te zoeken hebben. Maar echt intrigerend is de vraag of Ariel uit het web weet te blijven dat die familie om hem heen spint. Waarvan de kleverigste draad de beschuldiging is dat Ariel zich vergrepen heeft aan een minderjarig meisje dat halfnaakt op zijn kamer is aangetroffen. En wat doen die bloedsporen daar?

    Er staat niet wat er staat en herhaaldelijk zet DBC Pierre niet alleen zijn protagonist, maar ook de lezer op het verkeerde been. Dat houd je alert en geeft het verhaal reliëf. De ontknoping is verrassend en verheldert veel, maar lang niet alles. Jammer van die losse eindjes. Blijft over een spannend, vermakelijk en vlot geschreven verhaal, ondanks de potsierlijke beeldspraak.


    Ontbijt met de Borgias

    Auteur: DBC Pierre
    Vertaald door: Karina van Santen en Martine Vosmaer
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 187
    Prijs: € 18,50

  • Literaire soap in het Victoriaans Londen van 1875

    Literaire soap  in het Victoriaans Londen van 1875

    Voor iedereen die wil voorkomen dat de zonovergoten dagen aan strand of zwembad in ledigheid voorbijgaan: neem dit boek mee. Het is meeslepend en het doet je regelmatig vergeten waar je eigenlijk bent: niet in je strandstoel tussen de badgasten, maar in het Victoriaans Londen van 1875, tussen de prostituees en de heren, tussen droom en daad. Rauw, humoristisch, sfeervol en vol verrassende personages.

    ‘Ik verzoek u om alstublieft, alstublieft, ALSTUBLIEFT een vervolg te schrijven.’ Aan het begin van ons millennium was dit geen ongewone smeekbede voor Michel Faber (1960), nadat hij zijn lezers verslaafd had gemaakt aan zijn The Crimson Petal and White (Lelieblank, Scharlaken Rood). Aanvankelijk verscheen het boek als een feuilleton, passend bij de tijd waarin het verhaal speelt. Immers, in de Victoriaanse periode vierde deze literaire vorm hoogtij. De verschillende episodes vormen gebundeld een fantastische roman van 950 pagina’s.

    Michel Faber (1960) emigreerde op zijn zevende naar Australië. Hij was een negentienjarige student Victoriaanse literatuur toen hij aan dit boek begon, om het twintig jaar later te publiceren. Geheel in de stijl van de klassieke werken die hij bestudeerde, voorzag hij zijn verhaal van een alwetende verteller aan wiens arm de lezer door de straten van het negentiende eeuwse Londen wordt geleid. ‘Kijk waar u loopt. Let goed op, u zult ogen en oren tekortkomen. De stad waarheen ik u voer is groot en verwarrend, en het is de eerste maal dat u hier bent.’ Zo begint het: een veelbelovende ontgroening. Al lezende voel je je bevoorrecht dat de verteller jou heeft uitgekozen om mee op pad te mogen.

    We duiken in het leven van de negentienjarige Sugar, een intelligente en ongewone prostituee uit Londen. Zij wordt de oogappel van William Rackham, een getrouwde jongeman, die een veelbelovende toekomst tegemoet gaat als directeur van Rackham Parfumerieën. William raakt verslaafd aan Sugar en koopt een huis voor haar, onder de voorwaarde dat haar liefde exclusief voor hem is. Zo ontstijgt Sugar het leven van een doorsnee prostituee, waardoor haar maatschappelijke positie aanzienlijk verbetert. Dit heeft overigens niets met toeval te maken; het lukt haar vanwege haar karakter. Sugar is slim, leergierig, bevallig, vastberaden, knap, zelfstandig en kritisch. En voor William niet te versmaden. Tegenover de losbandige relatie van William en Sugar staat de respectvolle en verlegen relatie tussen de broer van William, Henry, en Emmeline Fox. De bonte stoet aan overige personages en het Londense decor zorgen voor een vermakelijke en sfeervolle setting.

    Als in een emotionele rollercoaster, zo ga je door de verschillende verhaallijnen van het in vijf delen opgedeelde boek. Ben je het ene moment opgelucht dat je zelf een kansrijkere toekomst hebt dan Sugar, zo ben je het volgende moment teleurgesteld dat je niet bij haar op de koffie kunt. Om vervolgens hardop te moeten lachen om een hilarische scène in een pub of hoerenkast. Op een scherp observerende en licht cynische toon verhaalt Faber over de verschillende personages. Daarbij maakt hij gebruik van volkse dialecten, die in de Nederlandse vertaling zijn overgenomen. Dit boek heeft slechts één nadeel: aan het eind moet je abrupt afscheid nemen van je nieuwe vrienden. De wanhopige smeekbedes van lezers aan de schrijver zijn daarom begrijpelijk. We willen meer van deze literaire soap.

    Een kleine troost: in 2006 verscheen De appel. Nieuwe lelieblank-verhalen, met zeven verhalen over personages uit Lelieblank, Scharlaken Rood. Ook verscheen in 2011 de gelijknamige tv-serie in de vorm van een kostuumdrama. Of het kijken hiervan de moeite waard is, is natuurlijk de vraag. De intrigerende Sugar met haar ruwe huid gaat geheid een eigen leven leiden in het hoofd van de lezer. Faber zorgt er met zijn levendige vertelstijl voor dat we daar geen beeldmateriaal voor nodig hebben.

     

    Bronnen:

    • Lelieblank, Scharlaken Rood, Michel Faber, uitgeverij Podium Amsterdam, 16e druk, 2007, Harm Damsma en Niek Miedema
    • www.stinejensen.nl op 28 juni 2015
    • www.imdb.com
  • Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    Onmiskenbaar Scott Fitzgerald

    In de markante verhalenbundel uit 1926 De rijke jongen van F. Scott Fitzgerald passeren tijdloze thema’s de revue in een taalkundig gezien, soms wat verouderd jasje. Ook is het taalgebruik hier en daar wat koloniaal van toon. Dat is terug te zien in woorden als ‘negers’, ‘roetzwarte potige neger’, ‘miniatuurmulat’.
    Fitzgerald schrijft over thema’s als volwassen worden, het bereiken van ‘The American Dream’ en het aangaan van relaties. Maar ook de schaduwzijde van het bestaan komt aan bod in de verschillende verhalen. Zoals het verbreken van relaties, eenzaamheid, verlies en alcoholisme. Dit alles wordt met humor en op een enigszins luchtige en soms spottende manier beschreven.

    In ‘Winterdromen’ droomt Dexter over rijkdom en het hoogst bereikbare. Als 14-jarige caddie ontmoet hij het meisje Miss Jones op de golfbaan samen met haar kindermeisje. Jaren later wanneer hij inmiddels een redelijk succesvol zakenman is met een eigen wasserij, ontmoet hij Miss Jones weer. Ze geniet van het goede leven op Sherry Island een golfresort.
    Positief benadrukt wordt de tegenstelling tussen de selfmade-man Dexter, die zich op eigen kracht opwerkt en de rijkeluisjongens die onverantwoordelijk omgaan met hun erfenissen en aandelen. ‘Om hem heen leurden rijkeluiszonen op een riskante manier met obligaties of investeerden ze op een riskante manier erfenissen of ploeterden ze door de 24 delen van de George Washington Commercial Course, maar Dexter leende duizend dollar op basis van zijn universitaire graad en zijn zelfverzekerde praat en kocht zich in in een wasserij.’

    Ook in ‘Kapers op de kust’ staat de rijkere klasse centraal in de vorm van de verwende en arrogante Ardita. Dit meisje brengt haar dag lui, zonnend door op het dek van de boot van haar oom. Ze wil weglopen met een verkeerde man. Haar familie wil graag dat ze Toby Moreland ontmoet, een jongen uit een gegoede familie. Dan wordt de boot gekaapt door een ‘blanke’ jongen die samen met een groepje donkere, zingende mannen, aan komt roeien. De ironie van dit verhaal is dat het doel van Ardita, namelijk ontsnappen aan het eigen leefmilieu, totaal mislukt.  Dit omdat ze uiteindelijk toch blijft hangen in haar eigen milieu.

    Tegenover deze ‘jeugdige’, redelijk lichtvoetige verhalen, staan de zwaardere verhalen als ‘De rijke jongen’ en ‘Terug naar Babylon’. In ‘De rijke jongen’ staat de gegoede, superieure Anson centraal. ‘Anson accepteerde zonder reserve de wereld van de top van het geldwezen en de extravagantie, van scheiding en verkwisting, van snobisme en privilege. Voor de meesten van ons eindigt het leven als een compromis – zijn leven begón als een compromis.’
    Anson houdt sterk vast aan de normen en waarden uit zijn milieu. Dan wordt hij verliefd op Paula Legrende, en gaat een relatie aan op haar voorwaarden. In het begin minacht hij haar ‘emotionele simplisme’. Maar als de verliefdheid liefde wordt en diepgang brengt, besluiten ze te trouwen.
    Het verhaal kent grote tegenstellingen. Enerzijds heeft Anson een vaderlijke en begripvolle houding ten opzichte van anderen, anderzijds is er zijn grofheid en grillige en ongevoelige gedrag. Maar voor plezier is altijd ruimte. Ansons alcoholmisbruik doet de relatie tussen hem en Paula de das om.

    In ‘Terugkeer naar Babylon’ hoopt Charlie op de hereniging met zijn 9-jarige dochter Honoria in Parijs. Echter zijn schoonzus en zwager zien hier geen heil in. In het verhaal van Fitzgerald kunnen de personages geen begrip meer voor elkaar opbrengen door wederzijdse boosheid en teleurstelling.

    Scott Fitzgerald beschrijft met een scherpe blik voor de menselijke verhoudingen de lotgevallen van zijn personages. Dit alles met enige ironie en een flinke knipoog naar de leefwereld van de rijke klasse in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het levert een boeiende en veelzijdige verhalenbundel op.
    De rijke jongen

    F. Scott Fitzgerald
    Vertaald door: Jan Donkers en Jan Fastenau
    Samengesteld door: Ernest van der Kwast
    Uitgeverij Podium
    Pagina’s: 256
    Prijs: € 18,50

     

  • Knappe roman over beladen onderwerp 

    Knappe roman over beladen onderwerp 

    De debuutroman van Inge Schilperoord (1973) begint met een citaat van de Franse schrijver en filosoof Albert Camus: ‘De mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt’. Net zoals Meursault, de gesloten Franse Algerijn in Camus’ bekendste roman De vreemdeling, probeert de dertigjarige Jonathan, de hoofdpersoon in Muidhond, onopvallend zijn eigen leven te leiden, maar zit de wereld waarin hij leeft dat voortdurend dwars. Meursault en Jonathan ervaren hun bestaan als een opeenvolging van tragische gebeurtenissen waarover zij geen regie hebben. De werkelijkheid biedt geen houvast, maar is een ondoorgrondelijk moeras vol valkuilen en hindernissen.

    Aan het begin van Muidhond, de naam van de zwakke, geheimzinnige vis die Jonathan op zijn slaapkamer gevangen houdt, is Jonathan thuisgekomen van een kort verblijf in de gevangenis. Waarvoor hij is aangeklaagd, wordt pas in de loop van de roman duidelijk. In ieder geval heeft hij op een beslissend moment zijn zelfbeheersing verloren. Hij herinnert zich een buurmeisje met wie hij ‘te ver is gegaan’. ‘Nu moet ik opletten,’ denkt de gevoelige, sociaal onhandige jongeman voortdurend, alsof hij zichzelf tot de orde moet roepen.
    Jonathan probeert een ‘normaal’ leven te leiden met een baantje in de visverwerkingsfabriek. Met zijn eenzame moeder kijkt hij elke avond naar hetzelfde spelprogramma op tv, omdat ‘dat zo hoort’. Maar de verleiding is nooit ver weg, hoe fanatiek hij ook werkt aan zijn opdrachten die van hem ‘een beter mens’ moeten maken.

    Pedofilie is een gevoelig onderwerp in de literatuur. Romans over pedofilie vormen al snel het middelpunt van controverse of het mikpunt van spot. Zo werd Vladimir Nabokovs Lolita aanvankelijk door uitgevers geweigerd en werd het na publicatie in 1955 in Frankrijk enige tijd verboden. In Een honger, de onlangs verschenen roman van Jamal Ouariachi, houdt de hoofdpersoon een pleidooi voor pedofilie. Volgens de recensente van De Volkskrant wordt de roman een pamflet ‘als Ouariachi schoolmeestert over het beladen onderwerp pedofilie’. Wat Muidhond zo bijzonder maakt, zijn de kennis en het inlevingsvermogen waarmee de forensisch psycholoog Schilperoord haar hoofdpersonage portretteert. Zij beschrijft hoe Jonathan met de beste intenties zichzelf dwingt elke avond enkele opdrachten uit zijn ‘therapeutische werkboek’ te maken, totdat hij ervaart hoe groot de kloof tussen theorie en praktijk is. Als hij alleen is met een meisje voor wie hij wil zorgen, maar die hij ook lichamelijk wil bezitten, blijkt het stappenplan dat hem de juiste handelingen voorschrijft waardeloos. Op dat moment hoort hij alleen zijn oren suizen en ziet hij zijn handen trillen.

    Het is knap hoe Schilperoord, die als romanschrijver weinig ervaring heeft, erin slaagt om de spanning zo geleidelijk op te bouwen als in Muidhond. In de eerste helft van de roman lees je alleen over Jonathans inspanningen en zijn gedachten en twijfels bij de vooruitgang die hij boekt in zijn ontwikkeling tot een ‘normaal mens’. Jonathan moet zijn voorkeur voor kinderen inruilen voor volwassen vrouwen, zegt de psycholoog. Hij bouwt zijn dagen vol met rituelen en verplichte handelingen, zoals het uitlaten van de hond en koken voor zijn moeder. De schema’s die hij maakt en zijn therapeutische werkboek geven hem houvast in het onberekenbare, gevaarlijke alledaagse bestaan. Maar zijn doorzettingsvermogen en optimisme worden steeds meer ondermijnd door innerlijke onrust, omdat hij inziet dat hij niet in staat is om wezenlijk te veranderen. Schilperoord maakt van Jonathan een kwetsbaar en dubbelzinnig personage dat worstelt met zijn verboden neigingen, zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

    Je leert Jonathan kennen als een zonderlinge man die niet in staat is om richting te geven aan zijn leven. Hij heeft te weinig ambitie om de visverwerkingsfabriek te verlaten en het sobere, maar overzichtelijke en comfortabele leventje met zijn moeder weerhoudt hem ervan om risico’s te nemen en zijn eigen weg te gaan. Jonathan ziet het leven aan zich voorbij glijden, hoezeer hij ook moeite doet om er grip op te krijgen en er betekenis aan te geven. Hierdoor ontstijgt hij het profiel van de verwerpelijke, veroordeelde pedofiel en krijgt hij een algemeen-menselijk gezicht.

    Muidhond

    Auteur: Inge Schilperoord
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 17,50

  • Een wonderlijk boek

    Een wonderlijk boek

    Peter Leigh heeft in het begin van zijn leven een zwervend bestaan geleid, is dakloos en verslaafd geweest aan de alcohol en drugs. Als gevolg van een ongeluk komt hij in het ziekenhuis terecht. Daar wordt hij verpleegd door Beatrice. Door haar komt hij in contact met het geloof, laat hij zijn verslaving achter zich en wordt hij dominee. Ze trouwen. Dat huwelijk is erg goed, ze zijn dol op elkaar.

    Dan geeft Peter zich op bij de USIC om uitgezonden te worden naar een andere planeet en daar het geloof te brengen aan de plaatselijke bevolking. De USIC – onduidelijk is waarvoor deze afkorting staat, het roept associaties op met de UN – is een tamelijk mysterieuze organisatie waarover, ook verder in het verhaal, niet veel duidelijk wordt. Pas halverwege het boek blijkt dat deze club een nieuwe ‘Utopische’ samenleving wil stichten zonder de mankementen van de Westerse maatschappij. De opdracht is ‘om een duurzame omgeving tot stand te brengen. Schoon water. Duurzame energie. Een team dat goed samenwerkt. Een plaatselijke bevolking die geen pesthekel aan ons heeft.’
    Daarvoor selecteert de USIC streng: Peter wordt geselecteerd maar zijn vrouw niet. Even aarzelt hij of hij zal gaan, maar samen besluiten ze dat hij die opdracht niet kan laten lopen; bovendien is het maar voor drie maanden. Vlak voordat Peter vertrekt en de ruimte in gaat, hebben ze nog een keer seks en raakt Beatrice, overigens tegen Peters bedoeling zwanger.

    Aangekomen op de planeet, door Peter Oasië genoemd, gaat hij naar het basiskamp waar hij een kamer krijgt. De mensen aan wie hij het geloof moet brengen wonen niet daar maar in wat door de aardbewoners ‘freaktown’ wordt genoemd. Wanneer Peter deze buitenaardse wezens voor het eerst ziet schrikt hij van hun uiterlijk. ‘Dit was een gezicht dat in niets op een gezicht leek. Wat hij zag was de inhoud van een walnotendop, maar dan groot en witroze. Of nee, het leek nog meer op een placenta met twee foetussen (…) die met de hoofdjes en knietjes tegen elkaar lagen. Hun gezwollen hoofdjes vormden als het ware het gekloofde voorhoofd van een Oasiër, hun geribde ruggetjes vormden zijn wangen, hun stakerige armpjes en gewebde voetjes versmolten in een wirwar van doorschijnend vlees dat wellicht – in een voor hem niet herkenbare vorm – een mond, neus en ogen herbergde.’ Peter kan ze nauwelijks van elkaar onderscheiden, dat lukt hem alleen aan de kleur van hun gewaad. Hij geeft ze namen als ‘Vriend van Jezus Een’. De communicatie verloopt ook zeer moeizaam, omdat zij geen ‘s’ kunnen zeggen: ‘waar je een ‘s’ zou moeten horen, klonk het geluid van een rijpe vrucht die met de duimen in twee helften uiteen werd getrokken.’ Aan deze wezens moet hij het geloof brengen. Hij heeft een voorganger gehad die bij de wezens al wel het geloof heeft gezaaid. Zo vragen zij aan Peter of hij het boek bij zich heeft. Op zijn vraag welk boek, antwoordt de Vriend van Jezus Een, Het Boek van de Wonderlijke Nieuwe Dingen. Dat heeft hij niet, maar Peter begrijpt dat het om de Bijbel gaat. We zijn dan halverwege het boek; wat dan nog volgt is verre van boeiend en vooral wonderlijk.

    De vertelling over het verblijf van Peter op de planeet en zijn missieactiviteiten is langdradig. Dat hij samen met die wezens een kerk bouwt en daar gaat slapen zodat hij niet terug naar de basis hoeft en steeds bij hen kan zijn, wijst erop dat Peter steeds meer sympathie voor hen krijgt. Maar waarom hij steeds meer sympathie opvat voor die vreemde wezens blijft raadselachtig. Tegelijk verliest hij alle interesse voor wat er op aarde gebeurt.
    In de tweede plaats lezen we weliswaar veel over de relatie tussen Peter en zijn medeaardbewoners op de planeet, maar die wordt niet verder uitgediept. Alleen over Peters relatie met de vrouw die hem voortdurend heen en weer rijdt van de basis naar de nederzetting komen we meer te weten.
    Interessant is wel hoe de liefdesverhouding tussen Peter en Beatrice zich ontwikkelt. Ze kunnen elkaar via ‘De Flits’ – een soort internet, maar wel gecensureerd door de USIC – brieven schrijven. In het begin missen ze elkaar enorm, vooral ook wanneer Peter hoort dat Beatrice zwanger is, maar gaandeweg begint hij zijn interesse in haar en in wat er op aarde gebeurt te verliezen. Hij wordt volledig in beslag genomen door zijn missie en de kloof met Beatrice wordt steeds groter. En wanneer op aarde op grote schaal crises uitbreken als gevolg van natuurrampen en de aarde aan het vergaan lijkt, kan dat Peter niet echt verontrusten. Door al die rampen verliest Beatrice het geloof in God en eigenlijk ook in Peter. Ze denkt dat de aarde zal vergaan en daarom smeekt ze Peter om niet terug te komen: de aarde is niet veilig meer. Uiteindelijk gaat hij toch, indachtig de laatste woorden van Mattheus: ‘Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Amen.’

    Hoewel Michel Faber een gerenommeerd schrijver is, is deze halve sf-roman maar matig boeiend. Daarvoor staan er te veel wonderlijke dingen in die niet in een context worden geplaatst en evenmin in de loop van het verhaal betekenis krijgen. Bovendien worden zij ook nog eens lang uitgesponnen wat tot verveling leidt.
    En dan is er nog de thematiek: een religieuze missie op een buitenaardse planeet die door een mysterieuze organisatie wordt geëxploiteerd om er een soort Utopia te stichten. Het beeld dat Michel Faber evenwel van Oasië schetst, komt niet over als een wenselijke alternatieve samenleving, ook al omdat die nauwelijks wordt ingevuld. Centraal staan de missieactiviteiten van Peter en die missie lijkt nu niet een erg dominant kenmerk van een utopische maatschappij.

    Er worden in het boek te veel zaken aan de orde gesteld die impliciet blijven. Dat is soms goed voor een verhaal, maar in dit geval niet. Zo blijft die organisatie, de USIC, in nevelen gehuld, evenals haar selectiebeleid en haar doelstellingen en passeren de mensen die op de basis wonen en werken de revue, maar vooral als ze in de kantine gaan eten. Nergens wordt duidelijk wat ze precies doen, ja, iets technisch, of wat ze van hun missie vinden. Zo is de sympathie die Peter ontwikkelt voor de Oasiërs niet te begrijpen en waarom dat ten koste moet gaan van de relatie met zijn vrouw evenmin. Zo zijn er vele voorbeelden te geven, die het lezen van het boek ongemakkelijk maken.

     

     

  • Ze zien het beest, maar niet de angst

    Ze zien het beest, maar niet de angst

    ‘We woonden in de stad die papa Leeuw het naamloze gat noemde’. Het is de eerste zin van de tweede alinea van Alleen met de goden, de nieuwste roman van Alex Boogers. Hij roept direct de troosteloosheid op van de omgeving waarin Aaron Bachman, in wiens leven we worden meegezogen, opgroeit. Aaron is 9 jaar als de roman begint. Hij groeit op in achterstandsbuurten en is het enige kind in een ontwricht gezin. Zijn moeder geeft hem dagelijks te verstaan dat haar leven gelukkiger zou zijn geweest als hij nooit geboren was en zijn vader zit in de gevangenis omdat hij iemand in een woedeaanval dood heeft geslagen. Hoe kun je in zo’n situatie als kind het hoofd boven water houden?

    Schrijver Boogers noemt in interviews Alleen met de goden zijn ‘eindboek’. Hij woont en werkt in Vlaardingen, ‘het naamloze gat’ uit de roman. Zijn nieuwste roman is min of meer zijn ultieme samenvatting van wat hij eerder schreef over het milieu waarin hij zelf opgroeide. Hij verwerkte er bijzonder veel autobiografisch materiaal in dat in zijn eerdere boeken ook al het thema vormde, maar dan in verbrokkelder vorm, zoals de vechtsport en het leven aan de zelfkant in Het waanzinnige van sneeuw en in Lijn 56.

    Van blurbs op boeken moet je je vaak niet teveel aantrekken, maar in dit geval slaat die de spijker op de kop. Die karakteriseert het boek als ‘een coming-of-age roman’ waarin Boogers’ thema’s samenvloeien: ‘verstoorde familierelaties, liefde en verlating, vechten om te overleven, schrijven om te groeien.’

    De vader wordt door Aaron ‘papa Leeuw’ genoemd. Omgekeerd noemt hij Aaron ‘Tijgerwelp’. Om het leven aan te kunnen en alle vernederingen de baas te kunnen zul je moeten vechten, prent Leen de jongen in. Aaron is erbij als papa Leeuw op de drempel van zijn huis een man in elkaar slaat die een tas bij zich heeft met een boek erin. De klap is zo hard dat het slachtoffer het niet overleeft. Leen gaat de gevangenis in en zijn zoon blijft achter bij zijn moeder, die hem voortdurend vernedert en afgeeft op haar man. ’s Nachts droomt Aaron van gevaartes die hem dreigen te vermalen en die hij probeert te bezweren door ze op te schrijven in schriften die hij angstvallig voor de buitenwereld verbergt. Liever dan thuis zoekt Aaron zijn heil op straat of bij de buurkinderen Olivia en Ronald. Hij vervalt in een leven van banale seks en straatgevechten. Er is een lichtpunt voor de jongen als hij, in een poging niet afhankelijk te zijn van zijn moeder, een baantje krijgt in een kennel. Daar ontdekt hij dat hij een ontembaar lijkende hond – hij noemt hem Otis, naar zijn lievelingszanger Otis Redding – handelbaar weet te maken omdat hij iets van zichzelf in het dier herkent. De hond lijkt het enige wezen dat hém echt begrijpt.

    Zijn moeder etaleert één trots wél: ze wil dat Aaron niet, als andere buurjongens, laaggeschoold blijft. Ze wil hem op de mavo. Vanaf dan begint een leven waarin Aaron ankers vindt die hem houvast bieden. Op school is er de muziekleraar Broere, die zelf in de ogen van de directie niet van onbesproken gedrag is, maar voor Aaron wel de enige door wie hij zich begrepen voelt. Hij voorziet hem van boeken (onder andere The Sun Also Rises van Hemingway) die hem leren hoe krachtig taal kan zijn.

    Aaron blijkt aanleg te hebben voor kickboksen en hij vindt ook daar een gids die weet wat voor slag jongen hij is. Beiden, de muziekleraar en de kickbokstrainer Art, houden Aaron voor waar zijn talenten liggen en wat voor weg hij te gaan heeft. En er is nog een derde persoon die hem een spiegel voorhoudt, zijn fysiek grotendeels afwezige opa, die zijn eigen weg gaat en Aaron begripvolle brieven schrijft. Ook hij stuurt hem boeken, over Japanse samoerai, waaruit hij zal leren ‘met zwaard en pen’ te vechten.

    Ondertussen rijgen de ruzies zich thuis aaneen. Met moeder valt bijna niet samen te leven en onder invloed van wat Aaron hoort over zijn vader kantelt zijn beeld van hem van dat van een vechtende leeuw naar dat van een lafbek.

    Aaron boekt als kickbokser grote successen – ook hier komen we Otis Redding weer tegen, wiens A Change is Gonna Come zijn opkomstmuziek wordt bij wedstrijdgevechten – , maar toch gaat hij zich steeds eenzamer voelen. Hij wordt toegejuicht als “Het beest”; hij wordt op handen gedragen. Maar niemand lijkt de kwetsbare, bange jongen te zien die in dat beest huist:

    Ik hou niet van de massa (…) Ze zien het beest, maar niet de angst. Ze zien de kracht van mijn stoten, de drift, en de knock-outs, maar niet het verlies. Ik verlies, zelfs als ik win, want in de ring heb ik maar met één tegenstander te maken, en niet met die gruwelijke blinde massa, die haar oordeel klaar heeft, die niet kan wachten om te zeggen dat ik er niet toe doe.

    Dezelfde angst speelt hem parten als hij Nadine ontmoet, de eerste vrouw die hem laat zien dat liefde iets anders is dan hij uit pornoblaadjes en in zijn spelletjes met Olivia heeft opgedaan. Hij kan zich niet aan haar overgeven.

    Boogers beschrijft in zijn roman het leven in een asociale omgeving door de ogen van een jongen van zijn 9de tot zijn 23ste jaar. Dat doet hij bijzonder inlevend en geloofwaardig waardoor je je als lezer voelt rondlopen in de harde werkelijkheid van Aaron Bachman.

    Alleen met de goden is een rauw boek. Maar ook een hoopvol stemmend boek. Het is bovendien een liefdevol boek, waarin voelbaar wordt hoe ieder mens in dit milieu gebukt gaat onder klappen en onvermogen.

    Boogers schrijft bovendien boeiend, bijna luchtig, en met een inktzwarte humor, waardoor de werkelijkheid zich des te naargeestiger opdringt. De vele monologues intérieurs laten je in de huid van Aaron kruipen. Die monologen zijn vaak erg mooi verweven in de chronologie van het feitelijke verhaal, waardoor sommige hoofdstukken juweeltjes van vlechtwerken van verhaallijnen zijn. Tenslotte is er het spannende plot, waarin duidelijk wordt waarom de vreemde bezoeker destijds door papa Leeuw in elkaar werd geslagen en wat er in die tas zat die de bezoeker bij zich had.

     

  • Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    De Haarlemsche Courant schreef in 1906 over Van oude menschen. De Dingen die voorbijgaan: ‘Couperus’ nieuwe roman is het ‘boek van wroeging’. Zestig jaar geleden heeft Takma den man zijner minnares vermoord, daartoe gedreven door het aansporen der vrouw.  Die misdaad heeft hen saamgebonden voor àltijd, beheerscht hun verder bestaan.’ De families Takma, Dercks en Steyn de Weert zijn verbonden door een groot  geheim.

    In Klimtol werkt een gebeurtenis uit het verleden ook door in het heden.  Het is klimtolspeler Ludo die een geheim meedraagt.
    De roman speelt in het vissersdorpje Paternoster aan de ‘Weskus’ van Zuid-Afrika, in de Karoo, de ‘plaats van weinig water.’ De tijd is de jaren zestig en het heden, net voor de dood van Nelson Mandela.

    Stian is de zoon van een waterfiskaal, een ambtenaar die belast is met het toezicht op irrigatie en waterverbruik. Als zijn vader een John Deere aanschaft, een tractor met ‘dichtbijmekaarwieltjes’, krijgt hij een houten jojo van de dealer: ‘Kijk wat hij voor jou heeft achtergelaten, het is een jojo, kijk, Stian, er zit een touwtje aan /…/’

    De jongen oefent uren met zijn jojo en hij maakt zich truuks eigen. Na zijn diensttijd kiest hij ervoor als ‘roodjasje’ door het leven te gaan. Als officiële vertegenwoordiger van Coca-Cola-jojo’s rijdt hij met zijn Opel van dorp naar dorp om zijn showtjes te geven. ‘ ging zijn jojo.’ De klimtol is een toverding in zijn hand.

    Zijn vader is niet enthousiast over de klimtolspelerij van Ludo:  ‘Maar dat is geen baan,’ ‘Allemaal leuk en aardig, maar wat heeft het voor nut?’ Maar de jongen ‘zag hoe werken vernedert en koos voor spelen.’

    Hij treedt op als Ludo Loeloeraai. Er is een schaamte in hem over zijn speelsheid, zelfs over zijn aangenomen naam die ik speel betekent. Andere entertainers beschouwen hem als een onderkruiper omdat hij voor een Amerikaans bedrijf werkt, ‘de klimtolkampioenschappen zijn één grote reclamecampagne voor de frisdrank met het geheime recept’. Het was de truuk van de Amerikanen: vermom werk als spel.

    Bij een van zijn ‘gigs‘ is er opeens een fotografe: ‘Dan ziet hij haar / …/ Algauw speelt hij alleen voor haar, terwijl zij lachend, aanmoedigend en uitdagend met haar camera voor het podiumpje rondkruipt.’ Zo snel als ze is gekomen, zo snel is ze ook weer verdwenen.

    Ludo rijdt in de nacht een kind aan… ‘Toen is het gebeurd: zijn hele leven kantelde en dat kwam door het achterom kijken – wie heeft me gezien? Ik kan nog wegkomen! Dat heeft alles veranderd. Dat moment.’ Is dat Noodlot of de vloek van de klimtol?

    Het geheim dat hij met zich meedraagt: ‘het geheim van de bloedvlek bij Tweefontein had zich dieper in hem teruggetrokken. Hij moest denken aan het bijgeloof van oude mensen: als je een lange doorn in je voet krijgt en hij breekt af en je peurt hem er niet uit met een naald waarvan je eerst de punt boven een kaarsvlam hebt schoongebrand, dan trekt het hart die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Volgens John Steinbeck moet elke man een plek hebben en Ludo’s plek is voor zijn huisje aan de Weskus. Hij is als de man uit De oude man en de zee van Hemingway: ‘Hij denkt aan zichzelf en het ene dunne boek dat hij steeds weer herleest, het ritme van de zinnen is als zijn jojospel en in de cadans ervan herkent hij het ritme van de klimtol en de zekerheid van een goede worp, en hij is de oude man in het verhaal en hij zal de vis naar de haven brengen, en hij denkt al in dat ritme. Al is de vis bij aankomst kaalgevreten, hij is de oude man en hij brengt hem binnen.’

    Ludo denkt terug ‘aan zijn eerste klimtol en de bruine hand van zijn vader die hem uit zijn broekzak haalde nadat hij hem van de verkoper van de John Deere had gekregen om later aan het zoontje Ludo te geven, en hij weet nog hoe hij zijn hand uitstak en de jojo van zijn vader aannam en hoe die in zijn handpalm lag alsof hij ermee geboren was. Zo, dacht Ludo, is het leven van onverantwoordelijk spelen begonnen, een leven waarin truuk op truuk is gevolgd /…/.’  Het ongeluk komt steeds terug in zijn gedachten. ‘Het bloed zat nog vers aan zijn handen, maar wat hem nog het meest geschokt had dat hij na de moord op het kind (ja, hij weet wat nalatigheid en opzet is en wat het verschil is tussen een ongeluk en een moord) beter speelde dat hij ooit had gespeeld.’

    Met wie kan hij zijn verhaal delen? Hoe moet hij het Noodlot behagen?

    Het jojospelen geeft hem rust. ‘Dat is wat de jojo / … / betekent, hoe je hand er stabiel van wordt en hoe het spel patronen tekent waarin je orde vindt die je beschermt tegen de chaos en de drukte van dingen. Hij weet dat elke truuk een spinnenweb is en binnen het spinnenweb heeft elke draad zijn functie, het is een veilig web en als je het eenmaal onder de knie hebt, ben je tevreden en een poosje gaat het goed met je, dan kun je je truuk oefenen en erin wegkruipen alsof jij de spin bent en het web je hele wereld is.’

    Maar het loeit in zijn hoofd, want het ongeluk draagt hij als een last met zich mee. ‘Het voelt in zijn hoofd alsof een witte haai een school robben binnenzwemt /…/ De haai zwiept rond, hapt links en rechts, slingert schreeuwende robben uit de zee omhoog en naderhand drijven er half opgegeten dieren uit de zee omhoog en zwemt de haai verveeld weg van de donkerrode plas in het water.’

    Het verhaal krijgt een nieuwe wending als hij vanuit Londen bezoek krijgt van een jong meisje dat ook jojo speelt. ‘Ik heet Doris Steyn en in London ben ik Dipping Doris. Ik jojo.’ Zij haalt hem over samen met haar een vintage jojotour in Europa te doen.

    De roman is ook het verhaal van Snaartjie Windvogel, van de dode kreeftinspecteur en van adelborst Eenslie Maree. De diverse verhaallijnen meanderen door het boek en komen uiteindelijk op een knappe manier bij elkaar. Voor allen geldt: ‘We dragen allemaal een last met ons mee, nietwaar?’

    Het boek staat vol met schitterende zinnen en beelden. Mooi is dit:  ‘Zijn vader stond in de keuken, blies zijn koffie koud, goot hem op het schoteltje en slurpte uit het schoteltje terwijl hij over de koffie heen met een knipoog naar Ludo keek.’

    Het gaat over hoe nieuws zich verspreidt in een kleine gemeenschap : ‘In dit dorp valt een verhaal als een lucifer in droog gras en het knettert een pad open alsof er veel wind achter het vuur zit.’

    De zinnen hebben een mooie cadans, veelal zijn ze met elkaar verbonden door ‘en’: ‘Hij loopt tot aan het water en hij heeft geloof en is lichtvoetig.’

    Terug naar Couperus. ‘O, hoe pijn, fyziek pijn deed dat soms, die stekel in het vleesch van haar hart.’ In Klimtol: ‘het hart /trekt/ die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Klimtol is een rijk boek, een boek met diverse hoofdpaadjes en veel kurkentrekkerpaadjes.’
    Een prachtige, sfeervolle roman.

     

  • Verhalen die de zintuigen prikkelen

    Verhalen die de zintuigen prikkelen

    Verhalen uit Istanbul (2014) is een bloemlezing van de verhalen die Sait Faik Abasiyanik (1906-1954) schreef tussen 1934 en 1954.
    De eerste verhalen zijn uit de jaren dertig van de vorige eeuw, de latere uit de jaren veertig en vijftig. De verhalen zijn chronologische gerangschikt. Ze spelen zich af in Istanbul en op de Prinseneilanden in de zee van Marmara.

    In beeldende taal vertelt Sait Faik – zoals hij in Turkije veelal wordt genoemd – bijvoorbeeld over een bezoek aan ‘Het tweede huis van zijn vader’. Zodra je een boerenhuis binnenstapt ruik je natuurlijk hooi en ook wel gedroogde mest. Naast de geuren van de boerderij beschrijft hij het interieur met een mooie vergelijking: ‘een kelim uit Kocaeli lag in het licht van de petroleumlamp vochtig rood op de grond als een vreemde plas borrelende marmelade.’ Over de maaltijden van toen: ‘gebraden eend, in de jus gekookte tarwe en griesmeelkoek met boter.’

    Faiks verhalen gaan over vissers, arbeiders in de haven, een vrouw die geen geld heeft om haar overleden man te begraven, sleepschuiten, de gaskachel in het koffiehuis. Wat telkens opvalt in de verhalen is de aandacht voor de details en de bijzondere beeldspraak. In het verhaal ‘De zijden zakdoek’ houdt de verteller de wacht bij een fabriek waar zakdoeken van zijde worden gemaakt. Toch slaagt een dief erin zo’n zakdoek te stelen, maar op zijn vlucht maakt hij een (bijna) dodelijke val. ‘De portier wrikte zijn stijf dichtgeknepen vuist open. In zijn hand sprong een zijden zakdoek op als een fontein.’ In de slotalinea: ‘Tja… puur zijden zakdoeken van goede kwaliteit doen dat. Je kunt ze in je hand fijnknijpen en kreuken wat je wilt, zodra je je vuist opendoet, springen ze op als het water in een fontein.’

    De verhalen lijken uit de losse pols verteld, maar bij nadere bestudering valt op hoe knap ze in elkaar zitten. In ‘De heistelling’ zijn vijf mannen bezig met heiwerk in de haven. Salih loopt er de kantjes vanaf, tot ergernis van een van de anderen, Abdurrahman. ‘Je denkt toch niet dat ik in dat theater trap? Ik laat het echt niet op me zitten. Straks verlies ik mijn humeur en schop ik je zo de zee in.’ Salih weet door zijn connecties en zijn ‘eigen achterbaksheid’ onder zwaar werk uit te komen. Hij doet alsof hij zich vreselijk inspant bij het hijsen van het heiblok, maar ‘de aderen in zijn hals zwollen niet op.’ Abdurrahman keek zijn collega priemend aan. In zijn ogen gloeit wrok en drift. De verteller voegt toe: ‘Salih stond over de zee uit te turen, onverschillig zoals onbeschofte mensen zijn.’ Bij een volgende heipoging lezen we: ‘Salih vond het niet meer nodig zijn gezicht te vertrekken.’ Het verhaal komt tot een climax: Abdurrahman trapt zijn collega inderdaad de zee in. Salih, die niet kan zwemmen, is in zo’n tien minuten verdronken.

    In ‘Ik kan niet naar de stad’ gaat Sait Faik in op de vraag waarom hij schrijft. ‘Waarom dwingt alles vanavond me om aan tafel te gaan zitten en iets op papier te zetten? /…/ Of ik nu op de veerboot sta te wachten of me voor iets loop te haasten, ik schrijf.’ De schrijver in gesprek met de lezer.

    De verhalenbundel bevat een uitgebreid nawoord van Murat Isik. Hij vertelt waarom hij Sait Faik Abasiyanik in zijn hart heeft gesloten. Door zijn verhalen, zo schrijft hij, krijg je het gevoel dat je Sait Faik persoonlijk kent. Hij komt naast je zitten in een koffiehuis in Istanbul en begint te vertellen over haar inwoners en over het soms harde dagelijkse leven.
    In geuren en kleuren vertellen, dat is wat Sait Faik Abasiyanik kan als de beste.

    Sait Faik is maar 48 jaar oud geworden. Een jaar voor zijn dood is hij benoemd tot erelid van de Mark Twain Society vanwege zijn betekenis voor de moderne literatuur. Hij is vooral bekend geworden door zijn korte verhalen. In 1959 is zijn huis op Burgazada, een eiland vlakbij Istanbul, ingericht als museum, het Sait Faik Abasıyanık Museum.

    De Atheneum Boekhandel vroeg vertaalster Hanneke van der Heijden de eerste zinnen van haar vertaling toe te lichten. Ze legt uit dat het vertalen van Sait Faik is als het maken van een mobile, waarin alles los lijkt te zweven, waarin je zinnen alleen aan een stokje knoopt als het echt niet anders kan, en waarin de lezer pas na een tijdje ziet dat al die losse onderdelen toch met één koord aan het plafond verankerd zijn.

     

     

  • Oogst van de Week 21

    Door Carolien Lohmeijer

    Het is goed nieuws dat er in deze tijd, tegen het tij in, nog mensen zijn die hun nek durven uitsteken en een uitgeverij oprichten! Een mooi voorbeeld daarvan is natuurlijk Uitgeverij Schokland die inmiddels met haar reeks Kritische Klassieken haar bestaansrecht meer dan heeft bewezen.

    En nu is daar ook uitgeverij Koppernik, die sinds half december 2013 bestaat. Op hun website is te lezen wat zij willen uitgeven: ‘de eigenzinnige boeken, de buitenbeentjes van de literatuur, boeken die gedurfd zijn en uitdagen, in ieder geval afwijken van de momenteel overheersende cultuur van het midden.’ Op dit moment gaat dat nog maar om één titel, Zeer helder licht. Maar dat is wel gelijk een boek van Wessel te Gussinklo, winnaar van o.a. de Anton Wachter- en F. Bordewijkprijs. En een boek dat je meteen het verhaal intrekt. Het boek begint als de iets aan lager wal geraakte 31-jarige Wander zijn nog geen 20 jarige vriendinnetje – een meisje uit een keurig, welgesteld gezin – thuisbrengt. Veel te laat echter naar de zin van haar moeder. Hoe keurig ook: mama, gekleed in roze kamerjas, stormt de straat op, begint te vloeken en te tieren, slaat en bespuugt Wander en molesteert zijn toch al krakkemikkige auto. Het is een begin waarna je dóór wilt lezen.
    Zeer helder licht, Wessel te Gussinklo, Uitgeverij Koppernik, € 17,50

    Verhalen uit Istanbul

     

    Wie met Turkeye en Istanbul kennis wil maken moet Verhalen uit Istanbul van Sait Faik Abasıyanık (1906-1954) lezen. Deze auteur geldt als een van de grondleggers van het korte verhaal in Turkije. Door zijn grote inlevingsvermogen en beeldende observaties zijn de verhalen van Sait Faik Abasıyanık verrassend tijdloos. Sait Faik Abasıyanık vertelt indringende verhalen over menselijke verlangens en frustraties. Zijn mooiste verhalen werden voor deze bundel vertaald door Hanneke van der Heijden.
    Verhalen uit Istanbul, Sait Faik Abasiyanik, Uitgeverij Podium, vertaling door Hanneke van der Heijden, € 19,50

    OnschuldVeel dichter bij huis, gewoon op het schoolplein in Alphen aan den Rijn leren Dennis Captein en Martine de Bruin elkaar kennen. Er onstaat een vriendschap. Na verloop van tijd komt Martine bij Dennis op bezoek met de vraag of hij een boek wil schrijven over haar. Martine blijkt het slachtoffer van incest, ze vertelt dat ze jarenlang door haar grootvader is misbruikt. Ze heeft tot dan gezwegen. Eerst uit angst, later uit schaamte. Onschuld is het resultaat van dit verzoek. Het is een roman geworden, gebaseerd op feiten, maar aangevuld met fictie.
    Dennis Captein studeerde Journalistiek en Rechten, is in het dagelijks leven uitgever en daarnaast actief als columnist voor het AD. Onschuld is zijn eerste roman.
    Onschuld, Dennis Captein, Uitgeverij Nobelman, 320 pagina’s, €19,90

    De zangbrekerTot slot is er een nieuwe roman van de van oorsprong Uruguaanse schrijfster Carolina Trujillo (40) (De terugkeer van Lupe García) verschenen. De schrijfster woont al zo’n 20 jaar in Nederland, schrijft ook in het Nederlands, maar daarmee is het Nederlandse er wel af en nemen Zuid-Amerikaanse taferelen het over.
    Trujillo is een rasverteller. In De zangbreker neemt zij de lezer mee naar haar geboortestad Montevideo voor een ‘onvergetelijke ontmoeting met onalledaagse personages.’
    De zangbreker,, 320 pagina’s, € 19,95

     

     

     

  • Buitenstaanders in de hoofdrol

    Buitenstaanders in de hoofdrol

    De verhalenbundel Tien december van George Saunders werd in januari van 2013 door The New York Times uitgeroepen tot het beste boek van 2013.  De 10 bijzondere, zeer verschillende en soms absurdistische verhalen stellen niet teleur; integendeel, in deze bundel is ieder verhaal een boeiend en confronterend inkijkje in de Amerikaanse maatschappij, met een hoofdrol voor buitenstaanders.

    George Saunders (1958) is een Amerikaanse auteur, journalist en docent, die voor zijn korte verhalen, novelles, kinderboeken en essays al diverse prijzen heeft ontvangen. Voor Tien december ontving hij de Story Prize 2013 en de Folio Prize. Hij wordt door critici al jaren geprezen, maar zijn echte doorbraak kwam met deze verhalenbundel.

    Saunders plaatst ‘zijn buitenstaanders’ steeds in heel verschillende decors, bijvoorbeeld in een benauwend gezin waar uitzonderlijke regels gelden in Ereronde, in een traditioneel gezin met te weinig inkomen voor de vele uitgaven en schulden in De semplicadagboeken, in een bedrijf waar angst de boventoon voert in Mijn ridderlijk fiasco, in een futuristisch farmaceutisch laboratorium in Ontsnapping uit de spinnenkop, of in een conservatief stoffig provinciestadje zoals in Thuis. In eenvoudige maar rake bewoordingen worden argeloos de meest desolate, angstaanjagende, benauwende omgevingen geschetst. Eén gegeven vormt een rode draad in deze bundel: geen van de personages is te benijden. Ze worden niet geaccepteerd, ze zijn beschadigd – door opvoeding of oorlogsverleden – of behoren tot de sociale onderlaag van de maatschappij. Toch doen ze wanhopig hun best om er wel bij te horen of om zich staande te houden.

    Het zorgvuldig gekozen vertellersperspectief trekt de lezer in het hoofd en in de gedachtestroom van de personages; je bent getuige van alle beschouwingen, emoties, oordelen, plannen, fantasieën en, niet onbelangrijk, alle afwegingen die worden gemaakt. In ieder verhaal zorgt Saunders voor tegenstellingen: goed versus slecht, succesvol versus kansloos, jong versus oud, aangepast versus onaangepast. Dit zorgt voor betrokkenheid en spanning, als lezer weet je immers welke gevoelens en rechtvaardiging er leven bij de personages.

    Het verhaal Puppy is een mooi en goed voorbeeld van dit alles. Twee moeders willen het beste voor hun gezin en voor hun kinderen. De moeder die met haar zoon en dochter op weg is om een puppy te kopen leeft materieel gezien in welstand, maar is beschadigd door haar opvoeding. Het gevolg daarvan is dat ze haar kinderen ontzettend verwent en geen grenzen stelt aan hun gedrag. De verkoopster van de pup leeft in erbarmelijke omstandigheden, met een tirannieke man en een gehandicapte zoon. Het verhaal wordt als het ware verteld door de gedachten die beide vrouwen hebben waarin ze beiden hun beslissingen en gedrag rechtvaardigen. Humoristisch is de beschrijving van het gedrag van de verwende kinderen, die de bril van pa van zijn neus slaan en hun Nintendo bij moe tussen de ribben stoten. Schrijnend is de manier waarop de moeder haar gehandicapte zoon vastgebonden in de tuin laat spelen. De ontmoeting van beide dames zorgt voor een onverwachte, tragische wending.

    In het verhaal Ontsnapping uit de spinnenkop is er sprake van een futuristische omgeving: een laboratorium waar farmaceutische experimenten plaatsvinden. Proefpersoon Jeff, gevangen vanwege een moord in zijn studententijd, krijgt stoffen toegediend die zijn emoties beïnvloeden. Onder invloed wordt hij, in verschillende sessies, verliefd op twee andere proefpersonen met wie hij, zo lang de stoffen werken, seks heeft. Wanneer later gemeten wordt of de kunstmatige emoties invloed hebben op latere beslissingen, neemt ook dit verhaal een verrassende wending.

    Van sciencefictionachtige sfeer is ook sprake in het verhaal De semplicadagboeken.
    Dit verhaal is in de vorm van een dagboekverslag, met bijbehorende korte, krachtige zinnen, van de vader van het gezin. Hij en zijn vrouw willen voor hun dochter graag een verjaardagsfeest geven dat goed genoeg is om haar ‘erbij’ te laten horen. Maar eigenlijk kunnen ze het helemaal niet betalen, zelfs niet wanneer ze een grote prijs winnen. Voor het feest kopen ze bij een tuincentrum S-meisjes. Deze meisjes zijn statusbepalende tuindecoraties: ze hangen met dunne lijnen- door het hoofd- een meter boven het grasveld in de tuinen van welgestelden. Het zijn allemaal piepjonge meisjes uit arme landen die op deze manier geld voor hun families willen verdienen. Een originele metafoor voor huidige onderdrukking, vrouwenhandel, etc. Ook hier zorgt een onvoorspelbare beslissing voor de cruciale wending in het verhaal en is er sprake van een moreel vraagstuk.

    Tot slot het titelverhaal: Tien december. In dit verhaal komen alle kenmerken samen. Er worden twee heel verschillende werelden geschetst door de gedachten van de twee hoofdpersonen: de fantasiewereld van een jongetje, spelend bij een meer en de verwarrende wereld van een oude, zieke man. Beide werelden worden heel geloofwaardig door de monologues intérieurs van beide personages. Op een verrassende manier ontmoeten ze elkaar en ook dat heeft onverwachte gevolgen. Op een luchtige manier wordt jong tegenover oud gezet, en fantasie versus harde realiteit.

    De manier waarop Saunders ons een spiegel voorhoudt door middel van trieste figuren in een harde wereld, maakt deze bundel de moeite van het lezen meer dan waard.  Klassenverschillen, wanhopige pogingen om aansluiting te vinden, acceptatie, vertwijfeling, het zijn de actuele thema’s die in deze bundel te vinden zijn. De tegenstellingen, de onverwachte wendingen en het onvoorspelbare zorgen voor een juiste dosis spanning om te willen doorlezen. Voor de personages uit de verhalen, de losers, de mensen aan de onderkant van de samenleving, voel je al snel sympathie en begrip. Ze worden door Saunders herkenbaar, geloofwaardig en soms ontroerend neergezet. Ze hebben allemaal hun eigen redenen en rechtvaardiging en in feite zijn het allemaal goede mensen met de beste bedoelingen. Deze bundel met zijn sympathieke personages kan zeker mee in de vakantiekoffer.