• Dit boek hangt van ontmoetingen aan elkaar met een reden

    Dit boek hangt van ontmoetingen aan elkaar met een reden

    Alternatieve feiten, of uiteindelijk toch iets anders? Daar begint het mee in het in 2009 voor het eerst in het Nederlands verschenen, uit drie gedeelten bestaande Hässelby van de Noorse schrijver Johan Harstad. De toon is gezet: een man stapt resoluut de weg op. Of: ‘Mijn vader werd geschept toen hij de straat wilde oversteken, door een vrachtwagen die te hard reed’. Het gevolg is hetzelfde: ‘Het inwonertal van Zweden is zojuist met één gedaald’. Een droogkomische, wat sneue opmerking die kenmerkend is voor Hässelby, Harstads tweede boek, vóór zijn grootse Max, Mischa & het Tet-offensief, waarvoor hij in 2018 de Europese Literatuurprijs kreeg en dat geweldig vertaald werd door Edith Koenders en Paula Stevens. Stevens vertaalde ook Hässelby.

    Bertil Åberg, de vader van de ik-figuur Albert Åberg in het boek, is overleden. Zijn vader hield op een gegeven moment op vader te zijn, hij wilde zijn maatje zijn. Ze woonden in Hässelby, een betonnen voorstad van Stockholm, tot Albert naar Hong Kong vertrekt, omdat hij geen maatje wil zijn. Toevallig loopt hij Helmut Aldman tegen het lijf die hem vraagt zijn tolk te zijn als hij in Hong Kong grote delen van de Star Wars-producten wil opkopen om naar Duitsland te verschepen. Deze actie loopt op niets uit en Aldman blijkt opeens van de aardbodem verdwenen te zijn. Dat levert enkele detectiveachtige passages op over bijvoorbeeld een cliché-achtige man in regenjas middenin de nacht in de gang van het hotel.

    Ontmoetingen en verdwijningen

    De volgende ontmoeting – het boek hangt van ontmoetingen aan elkaar, en dat heeft een reden – staat op stapel. Albert ontmoet Leni in het Parc du Luxembourg in Parijs. Leni komt uit München waar ze ‘kunstgeschiedenis of filosofie of een geheel eigen mix van die twee had gestudeerd’. Opvallend is dat vertaalster Paula Stevens razendsnel en knap van idioom wisselt wanneer de vader van Leni, Anton, spreekt, je hóórt het Duits tussen de regels door.
    Dan volgt een essayachtig stukje over beeldend kunstenaar Yves Klein. Een inlasje dat kenmerkend is voor Harstad. Net zoals hij politiek getinte passages inlast die we ook uit Max, Mischa & het Tet-offensief kennen. In dit geval onder meer over de grote stakingen uit 1986 in Parijs. Na het stukje over Klein roept Harstad met even groot gemak een sprookjesachtige sfeer op: ‘Ik ging liggen met mijn rugzak over mijn hoofd (…). En toen landde een groot blad op mijn gezicht, het werd donker en ik viel in slaap’. 

    Af en toe sijpelen er zinnetjes door die, met de verdwijning van Aldman en de semi-verdwijning van Albert in het achterhoofd, je op scherp zetten: ‘Op dat moment waren we [Albert, Leni en nog enkele vrienden, EvS] sowieso al met verschillende noorderzonnen vetrokken’. Er staat de lezer dus nog was te wachten!
    De reeks ontmoetingen en verdwijningen zet zich voort. Nu met een vreemde man in een dunne, grijze regenjas (waar hebben we die eerder gezien?) met drie vlekken op de zoom. Albert verdenkt hem ervan dat hij hem volgt, maar op een dag is hij ‘als door de aarde verzwolgen’.

    Het gewone leven neemt weer zijn gangetje, de stakingen zijn voorbij. Albert gaat met zijn vriendin Leni veelvuldig naar de bioscoop en – net als in de andere boeken van Harstad – de films die ze zien worden bij name genoemd en soms kort beschreven; ook dit is niet zonder bedoeling. Dan gaat het bergafwaarts tussen Albert en Leni. De reden is, dat Albert met zijn hoofd toch weer terug was in Hässelby. Tot zover het eerste deel van het boek.

    De wolf buiten de deur houden

    In het tweede deel zetten de ‘verdwijningen’ zich voort. ‘Toen kwam Catharina. Uit Skåne’. Een moederfiguur. ‘Het duurde twee jaar voordat ik begreep dat ze niet zomaar was weggewaaid met de wind’. Als de wind die eerder een groot blad op Alberts gezicht had doen waaien. Vijf jaar later ‘verdween’ ook Alberts vader. Dat wil zeggen, hij overleed in het ziekenhuis, al dan niet resoluut de weg opgestapt of aangereden door een vrachtwagen die te hard reed. Het voelt voor Albert of hij hém verliet. Harstad neemt bij zulke situaties de clichés in boeken van een wat minder literair niveau op de hak: ‘Er hingen zware, grijze wolken boven de stad en het zou vanavond weleens kunnen gaan sneeuwen, regenen, moeilijk te zeggen. Het kon ook zijn dat er niets gebeurde. Maar dat gaf niet’. 

    Een manier van verdwijnen is ook door niet aanwezig te zijn, zoals Gustav Myrbäck, die op nummer 32 woont in de flat waar Albert een appartement heeft. Al jaren is hij niet gezien, hoewel hij wel stipt de huur schijnt te betalen. Tot Albert en zijn vriend Åke hem in de metro zien. Het blijkt de man te zijn die hij in Disko (dé disco) in Parijs had ontmoet. Dat wil zeggen: hij had gezien dat Myrbäck iemand verkrachtte en had niets daartegen ondernomen. ‘Nu kon ik de wolf niet meer buiten de deur houden’. Hier krijgt het boek een beklemmende, donkere sfeer en wordt méér dan een verhaal enkel in woorden; er komen tekeningen en foto’s bij. Waarschijnlijk gemaakt door Harstad, die ook het omslag van de Nederlandse uitgave ontwierp. 

    Fake of niet

    In het derde deel van het boek is Albert opgenomen in het Karolinska Ziekenhuis. Er komt bezoek dat óók weer verdwijnt. De politie komt en gaat alle verdwijningen onderzoeken waarbij Albert volgens hen betrokken was. Ondertussen ontsnapt hij uit het Karolinska Ziekenhuis en gaat naar München, niet toevallig de stad van Leni. Hier voelt hij zich een vluchteling, ziet Leni en maakt een afspraak met haar. Ook komt hij erachter dat Aldmann er een Star Wars-speelgoedwinkel heeft; dit was dus de stad waar hij alles naartoe heeft verscheept. Hij hééft een winkel, en hij leeft.

    Op dit punt gekomen blijkt alles fake: Aldman ontkent met Albert in Hong Kong te zijn geweest, Leni’s vader is wél directeur van BMW, al ontkende hij dat op verzoek van Leni (ze was bang dat ze qua milieu niet bij elkaar pasten). Hässelby is wel een mooie voorstad van Stockholm, al had Albert dat nooit zo gezien. Of is het toch iets anders dan fake? Er zou ongetwijfeld een andere rode lijn dan enkel ‘verdwijningen’ in het verhaal kunnen zitten en toch tot dezelfde conclusie komen: dat dit een rijk boek is, zoals alles wat Harstad daarna schreef. Maar op de een of andere manier geeft juist deze rode lijn aan waar Harstad mee speelt: het is als de boven- en de onderkant van een schilderij uit de barokperiode. Aan de onderkant speelt het dagelijkse leven zich af en aan de bovenkant de waandenkbeelden, in het geval van dit boek die van een psychiatrische patiënt.

    Boven en onderkant

    De verdwijningen vormen de verbinding tussen boven- en onderkant. Verdwijningen van personages, van politieke ideologieën en van de jeugd (gesymboliseerd door sprookjesachtige passages, een vader die maatje in plaats van vader wil zijn). De werkelijkheid van de onderkant wordt gespiegeld door een verhaal dat zich in de bovenkant afspeelt. In de verbeelding, in eerste instantie in boeken die worden aangehaald, popmuziek die wordt beluisterd, films die worden bekeken (Brazil, The Return of the Jedi, The Empire Strikes Back). In de donkere wolken die steeds meer de sfeer van het boek gaan bepalen. 

    En tenslotte in de synchroniciteit die in het boek als hint wordt gegeven. Een idee van psychiater Jung: ‘Alles hield verband met elkaar, je kon de verschillende brokstukken onmogelijk van elkaar scheiden, niets werd meer beperkt door de causaliteit’, of: ‘de gelijkenissen tussen gelijktijdige gebeurtenissen’.  Zo zie je dan achter al die verdwijningen andere verdwijningen, zoals de verdwijning van een schoolklas in Japan, of recent van de Chinese zakenman Jack Ma die in ongenade was gevallen, en zoveel meer. Ja, Hässelby is een rijk boek van één van de grootste Noorse schrijvers van dit moment.

     

     

  • Oogst week 2 – 2021

    Shuggie Bain

    De Schotse auteur Douglas Stuart (1976) wilde als jongvolwassene graag Engelse literatuur studeren, maar een van zijn leraren raadde dat af omdat Stuart uit een ‘slecht milieu’ kwam. Daarom koos hij voor The Scottish College of Textiles en werd modeontwerper, waarna hij voor verschillende grote merken werkte. De liefde voor literatuur bleef sluimeren. In 2020 verscheen zijn debuutroman Shuggie Bain. Het boek werd een enorm succes en leverde zelfs hem de Booker Prize op.

    De hoofdpersoon in Shuggie Bain is Hugh, een jongen die opgroeit bij zijn alcoholistische moeder. Ze hebben een sterke band, maar haar verslaving wordt steeds erger. Wat is er belangrijker voor haar: haar zoon of de drank? Douglas Stuart baseerde dit boek op zijn eigen jeugd, zijn moeder overleed toen hij zestien was aan de gevolgen van jarenlang alcoholmisbruik.

    Shuggie Bain
    Auteur: Douglas Stuart
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    De vooravond

    Een ander boek dat gebaseerd is op ware gebeurtenissen, is De vooravond van Rashid Novaire (1979). Geïnspireerd door zijn familiegeschiedenis neemt Novaire de lezer mee naar 1939, wanneer Adolf Hitler alle Duitse dienstbodes oproept om terug te keren naar het vaderland. De jonge dienstbode Trude wil graag in Nederland blijven, maar dat kan alleen als ze binnen een maand trouwt. Gelukkig kan ze zich verloven met Johannes. Alles lijkt goed te komen, tot hij de bruiloft steeds langer uitstelt en jonge vrouwen ontmoet boven een café. Wanneer Trudes broer Rudi op bezoek komt, dreigt de bom te barsten. Novaire schreef meerdere romans, waaronder Zeg dat we niet thuis zijn, en werd tweemaal genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.

    De vooravond
    Auteur: Rashid Novaire
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De vrouw in het maanlicht

    Uitgeverij Podium heeft besloten om het werk van Herman Pieter de Boer (1928-2014) opnieuw uit te geven. Daarom verschijnt zijn succesvolle verhalenbundel De vrouw in het maanlicht en andere zonderlinge verhalen uit 1973 weer. De Boer verhuisde in dat jaar van Amsterdam naar Giethoorn, een cultuurshock. Dat uitte zich in zijn werk: zijn verhalen zijn soms ongewoon, soms bedriegend simpel, met vaak een vleugje occultisme. De vervreemdende vertellingen, geschreven in glasheldere taal, worden al decennialang door een grote groep lezers gewaardeerd.

    De vrouw in het maanlicht
    Auteur: Herman Pieter de Boer
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    De in Den Haag geboren en in Schotland wonende schrijver Michel Faber (1960) is bekend van zijn monumentale roman Lelieblank, scharlakenrood van bijna 1000 bladzijden. Fabers oeuvre valt vooral op doordat hij thriller- sciencefiction en horrorelementen met filosofische beschouwingen combineert en nadrukt legt op uitgebreide sfeerbeschrijvingen. Nu is er Een geschiedenis van twee werelden, een jeugdboek met een sprookjesachtige setting. Het boek kent twee delen, die als volgt zijn aangeduid: ‘De eerste (iets kortere en aanzienlijk minder hachelijke) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DEZE wereld’ en ‘De tweede (iets langere en aanzienlijk hachelijker) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DIE wereld.’ Deze nogal archaïsch aandoende stijl hanteert Faber het hele boek. 

    Stel je een wereld voor waarin de letter d opeens is verdwenen. En stel je dan ook eens voor dat dit betekent dat alles waarin de letter ‘d’ voorkomt eveneens verdwijnt: drums, dromedarissen, dolfijnen, draaideuren en duffelse jassen. En stel je dan óók nog eens voor dat jij de enige bent die dit in de gaten lijkt te hebben en dat anderen je voor een zonderling uitmaken als je het ter sprake brengt. 

    Meisje uit Somaliland 

    Het overkomt de twaalfjarige Dhikilo. Dhikilo woont in het slaperige Engels kustplaatsje Cawber-on-Sands en is anders dan de andere kinderen in het plaatsje. Ze komt namelijk uit Somaliland. Dat maakt het leven van Dhikilo sowieso al ingewikkeld genoeg. Somaliland zou voor veel inwoners van Cawber-on-Sands best een sprookjesland kunnen zijn. De meesten hebben er nog nooit van gehoord of verwarren het met Somalië. Als ze besluit om op zoek te gaan naar de verdwenen letter d staat ze er dan ook aanvankelijk alleen voor totdat ze kennis maakt met een overleden professor en zijn huisgenoot mrs. Robertson. Mrs. Robertson is deels labrador deels sfinx. Samen met haar vertrekt ze naar de magische wereld Luminus waar ze het op moet nemen tegen de dictator Gamp.
    De eerste helft van het boek is genieten geblazen. Michel Faber leeft zich uit en het is te merken dat hij met veel plezier het verhaal vertelt. De wijze waarop Dhikilo als buitenbeentje wordt neergezet, de beschrijvingen van het schilderachtige Cawber-on-Sands dat betere tijden heeft gekend en de reacties van de overige inwoners op de waarnemingen van Dhikilo zijn ronduit sprankelend. 

    ‘De laatste plaats waar Dhikilo had gewoond voordat ze werd overgebracht naar de Engelse zuidkust was een stad die Laascaanood heette, wat klonk als een drankje op de menukaart van een oriëntaals restaurant dat je misschien wel wilde proberen, maar waar je van afzag omdat je bang was dat je het niet zou lusten, zodat je toch maar Pepsi nam.’

    Ontregelende leeservaring

    Michel Faber neemt de lezer op een mooie actieve manier mee in het verhaal. Op het moment dat je denkt dat er best veel personages voorbij komen, stelt hij de lezer gerust door op te merken dat de meesten van hen eigenlijk toch niet heel erg terzake doen. Zo serveert hij vlak nadat hij een pestend meisje ten tonele heeft gevoerd haar al snel weer af. De d-loze wereld waar Dhikilo in terecht is gekomen, is wonderlijk en onwennig, net als het lezen van dit boek. Want niet alleen ontbreekt de letter d in de nieuwe wereld van Dhikilo, maar laat de schrijver zelf ook consequent de letter d weg en dat is aanvankelijk wennen geblazen. Het is slechts één letter uit het alfabet, maar je krijgt als lezer voortdurend het gevoel dat er van alles in de tekst ontbreekt. Het is een behoorlijk ontregelende ervaring. In de tweede helft van het verhaal als Dhikilo via een magische deur de wereld Luminus betreedt, dreigt de vaart wat uit het verhaal te raken.

    Plotseling einde

    De door Faber aangekondigde aanzienlijk hachelijker tweede helft voelt nooit echt heel erg hachelijk. Het is een redelijk tam fantasy-achtig verhaal waarin de verwondering, die in de eerste helft nog aanwezig was, grotendeels uitblijft. Dhikilo en mrs. Robertson betreden een wereld die een kruising lijkt tussen De tovenaar van Oz en de Kronieken van Narnia en komen een keur aan vreemde volkeren en personages tegen die soms nieuwsgierig, soms afwijzend en soms ronduit vijandig tegenover hen staan. Zo zijn daar de Quilpen, een groep dwergachtige mannen die zowel vuil als dom zijn, de Magwitches, een stel kwaadaardige heksen en de Droods, een volk van lange elegante schepselen in elfengewaden.

    Dit klinkt allemaal erg interessant, maar écht spannend wordt het niet. Het land waar Dhikilo terechtkomt ontvouwt zich als een panorama waarin zij vooral een toeschouwer is.  Uiteindelijk komt ze de kwade dictator Gamp tegen, maar het blijft onduidelijk wat zijn motieven precies zijn. Het einde komt erg plotseling zonder dat Dhikilo daar een actieve bijdrage aan levert. Een personage dat even tevoren in de problemen was geraakt komt op onverklaarbare wijze terug in het verhaal en redt de dag. Dat voelt wat te makkelijk. Al met al is het een interessant jeugdboek met een bijzonder sterk begin, een geloofwaardiger einde had het in zijn geheel wel een stuk sterker gemaakt.

     

     

  • Oogst week 44 – 2020

    De crisis van de geest

    In de Franse reeks van Uitgeverij Vleugels verscheen een vierde kleine uitgave van Paul Valéry: De crisis van de geest. Het zijn drie cultuurfilosofische beschouwingen, geschreven kort na de Eerste Wereldoorlog. Die vernietigende strijd eindigde in 1918, maar de crisis van de Europese geest van vooruitgang was met het Verdrag van Versailles allerminst over. Gebleken was dat alle moderne verworvenheden zowel ten goede als ten kwade worden aangewend. Daarmee sneed Valéry een kwestie aan die nog altijd actueel is.

    Vertaler Piet Meeuse schreef bij het boekje ook een nawoord.

    De crisis van de geest
    Auteur: Paul Valéry
    Uitgeverij: Vleugels

    Roman 11, boek 18

    Solstad geldt als één van de meest vooraanstaande Noorse auteurs. Er werden al eerder vier romans van hem in het Nederlands vertaald en nu is er de vijfde: Roman 11. Boek 18. Onder die merkwaardige titel, die bedoeld is als eerste deel van een trilogie in wording, vertelt hij de geschiedenis van Bjørn Hansen. Hij is net vijftig geworden en vier jaar gescheiden als hij in de eerste zin van de roman op een station in Kongsberg staat te wachten met krattenvol boeken: werken van Dostojevski, Céline, Borges, Proust, Kafka, Mann en vele andere. Dat belooft wat.

    Roman 11, boek 18
    Auteur: Dag Solstad
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Jacht op de barnsteenkamer

    De germanist Jerker Spits verwierf in 2016 landelijke bekendheid met Staalhelmen en curryworst, waarin hij een cultuurgeschiedenis van Duitsland gaf in vijftien fenomenen. De opvolger is Jacht op de barnsteenkamer. De kamer uit de titel is een kabinet dat Frederik I van Pruisen ooit liet optrekken met barnstenen muurplaten. Het werd door zijn zoon geschonken aan tsaar Peter de Grote van Rusland en was lang te bewonderen in het Catharinapaleis. In 1941 werd de kamer door Hitlertroepen uit elkaar gehaald werd en afgevoerd naar Koningsbergen, waar hij door de Duitsers uit angst voor geallieerde bombardementen opnieuw gedemonteerd werd en verstopt. Maar waar? Het is sinds 1945 een met fantasieverhalen opgefleurde verdwijning die voor Spits voldoende stof opleverde voor een spannend verslag van de wederwaardigheden van het wereldberoemde kunstobject.

     

    Jacht op de barnsteenkamer
    Auteur: Jerker Spits
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Opmerkelijk debuut met essay-achtige passages

    Opmerkelijk debuut met essay-achtige passages

    De afgelopen jaren is er een golf van debuten gelanceerd waarin auteurs met wisselend succes over hun eigen leven schrijven. Een nieuwe debuutroman die deze trend volgt is Nora, of brand Oslo brand!, geschreven door de Zweedse Johanna Frid (1988). In dit autobiografische boek is Johanna ziekelijk jaloers op de ex-vriendin van haar vriend Emil en zoekt ze een diagnose die de heftige pijnen tijdens haar menstruatie verklaart. 

    Johanna is Zweeds, Emil Deens en Emils ex-vriendin Nora is Noors. De verhoudingen tussen hen zijn nauw verbonden met deze drie Scandinavische landen. Voor Johanna is Noorwegen het onbereikbare land waar alles nét iets mooier is dan in Zweden. Ze leert met moeite de Deense taal en haar communicatie met Emil verloopt even moeizaam. Als ze erachter komt dat Emil koffie gaat drinken met Nora, knapt er iets. Johanna zoekt Nora’s profiel op Instagram en is vastbesloten alles over haar te weten te komen. 

    Oppervlakkige personages

    Het begin van Nora, of brand Oslo brand! gaat erg snel. De ontluikende liefde tussen Johanna en Emil, een verblijf in het huis van zijn ouders en de ontdekking dat hij met Nora wil afspreken volgen elkaar zo vlug op dat er nauwelijks tijd is om een band met de personages op te bouwen vóórdat Johanna hoort dat Emil koffie gaat drinken met Nora. Dat Johanna en Emil verliefd zijn, is duidelijk: ‘Drie maanden is geen lange periode om verkering met iemand te hebben, maar lang genoeg om iets van de grond te krijgen wat je een veilig en mooi gevoel kan geven. Een vriendin zei dat Emil hartjes in zijn ogen had als hij naar me keek. Zelf zag ik dat niet, maar soms voelde ik aan zijn blik dat ze gelijk had. Ik had een groot vertrouwen in hem, zo groot dat het me verbaasde.’

    Waarom de twee bij elkaar blijven is een stuk minder duidelijk. Bijna ieder gesprek tussen Johanna en Emil eindigt in woede of teleurstelling. Johanna begint telkens over Nora en die gesprekken eindigen steevast in een uitbarsting van haar. Later maken ze het weer goed, waarna de geschiedenis zich herhaalt. Emil weigert Nora niet meer te zien en Johanna huilt regelmatig. ‘Ik stormde de trap op. Als het leven een film was, had de regisseur hier “cut” geroepen, maar het was geen film en ik mocht mezelf fijn gezelschap houden terwijl ik luid lag te huilen op bed – een bed waarin Nora had gelegen, waarin ze misschien opnieuw zou liggen.’

    Een onsympathieke hoofdpersoon in een destructieve relatie kan erg interessant zijn, maar het probleem in Nora, of brand Oslo brand! is dat de personages in de eerste helft van het boek oppervlakkig blijven. Johanna is vooral jaloers, Emil lijkt een goedzak die om onbekende redenen bij haar blijft. Het gebrek aan communicatie zorgt voor frustratie tijdens het lezen: beide personages lijken de problemen niet op te wíllen lossen. Gelukkig gaan Johanna en Emil uiteindelijk samen in therapie. Dat maakt de personages minder passief en zorgt voor diepgang in het boek. 

    Sterke hoofdstuktitels

    Johanna is een verteller met humor: ‘Ik bladerde lusteloos in Ulysses, en bedacht dat die misschien een keer van pas kon komen onder een ongelijke tafelpoot of tegen de tocht van een kierend raam.’ Ook de andere verwijzingen naar literatuur zijn geslaagd, zoals een terugkerende vergelijking met Mr Rochester die in Jane Eyre zijn gekke vrouw opsluit op zolder. De humor, de lelijkheid en de liefde voor literatuur voelen oprecht. Het is jammer dat daar af en toe taalgebruik doorheen komt dat te gemaakt lijkt of tegen clichés leunt, zoals: ‘De lucht was bezwangerd met kwaad.’ 

    De hoofdstuktitels, zoals ‘Isak Olssons gore appartement’ en ‘Oké, dan moet ik maar een ijsje gaan neuken’, zijn sterk. Bij zulke titels verwacht je dat er iets gaat komen, rauwe eerlijkheid van Johanna bijvoorbeeld, maar de inhoud blijft vrij braaf, alsof je graffiti verwacht en in plaats daarvan een stilleven van een fruitschaal ziet. 

    Essay-achtig proza

    De rauwste gedeelten uit het boek zijn niet de passages over de relatie tussen Johanna en Emil, maar de stukken waarin ze de pijn in haar baarmoeder beschrijft: ‘Ik voelde hoe in mijn onderbuik vlees van vlees werd losgerukt, hetgeen knetterende, witgloeiende pijnscheuten veroorzaakte.’ Over haar relatie met Emil zeurt Johanna te vaak, maar iedere klacht over haar pijn is volkomen terecht. Artsen die haar steeds dezelfde, niet-werkende pijnstillers voorschrijven, bezoeken aan de Spoedeisende Hulp, onderzoeken, uiteindelijk een operatie en ten slotte veel te laat een diagnose. 

    Johanna wendt zich tot literatuur en Facebookgroepen voor begrip en informatie. Dat levert essay-achtig proza op, een meerwaarde voor deze roman. Waar ze haar problemen met Emil en Nora niet lijkt te willen oplossen, zoekt Johanna actief naar oplossingen om haar leven met de aandoening draaglijker te maken. Als ze dan toch werkende pijnstillers krijgt, sleept ze zichzelf naar sollicitatiegesprekken. Eindelijk dóét Johanna iets. Deze passages zijn niet braaf of mooi geschreven, ze voelen écht. 

    Dat maakt Nora, of brand Oslo brand! een opmerkelijke roman. Aan de ene kant brengt de relatie tussen Johanna en Emil weinig nieuws, behalve de vraag waarom die twee er niet gewoon een punt achter zetten. Het personage Emil blijft onderbelicht, maar in Johanna zit potentie: ze vertelt het verhaal over haar gezondheidsproblemen op een nietsontziende, directe manier waarin je haar noodzaak tot schrijven voelt. Daarnaast is dit boek erg goed vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen. De Scandinavische sfeer blijft behouden, het incidentele gebruik van Deense woorden voelt natuurlijk en de beschrijvingen van voedsel zijn verleidelijk. Nora, of brand Oslo brand! laat zien dat Johanna Frid kan schrijven en maakt vooral nieuwsgierig naar haar tweede roman.

     

     

  • Oogst week 39 – 2020

    D

    Michel Faber, geboren in Den Haag, maar opgegroeid in Australië en nu wonend in Engeland, nam zich na de verschijning van Het boek van wonderlijke nieuwe dingen te stoppen als romancier. Tot zijn uitgever hem vroeg om een bijdrage voor de herdenking van de 150ste sterfdag van Dickens in 2020. Dat deed hem terugdenken aan een sprookje dat hij dertig jaar eerder had geschreven maar nooit had gepubliceerd. Het was een verhaal over het meisje Dhikilo dat door een professor wordt geholpen om de letter D terug te vinden die uit de taal was verdwenen. Ineens wist Faber dat die professor Dickens zou moeten zijn. Het is een boek geworden over problemen van onze tijd – onderdrukking, censuur en vrijheid – dat doet denken aan Alice in Wonderland.

    D
    Auteur: Michel Faber
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Mrs. Degas

    Arthur Japin heeft een grote belangstelling voor kunstenaarslevens. Na Vaslav (over Nijinski) en Kolja (over Tsjaikovski) is er nu Mrs. Degas. In deze roman leeft Japin zich in in het toenemende isolement van de schilder Degas in zijn laatste jaren toen hij blind was en nog met weinigen contact had. Met zijn familie had hij geen contact. De vrouw uit de titel is de Creoolse Estelle, zijn Amerikaanse nichtje dat blind werd. Als een jonge vrouw Degas helpt zijn archieven te ordenen komen bij de schilder herinneringen terug aan Estelle die hij vaak schilderde terwijl ze aan het bloemschikken was. Het blijken pijnlijke herinneringen te zijn.

    Mrs. Degas
    Auteur: Arthur Japin
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tirade 480

    De Sovjet-Unie is uiteengevallen. Julia Khusainova gaat met haar ouders eten in hun favoriete restaurant. Haar vader vertelt ‘na een paar wodka’s dat in hal drieëndertig al vijf jaar niets werd gemaakt, die stond leeg. Mijn moeder huilde, mijn vader schaterlachte. Ikzelf geloofde er niets van: mijn vader nam natuurlijk iedereen in de maling, net als elke dubbelspion.
    Ik was ontroerd, maar ook volkomen van streek, mijn hele wereld leek ineens een wankele constructie. Ik vroeg me af wat schadelijker was: de harde werkelijkheid of de schone schijn ophouden? Wanneer moest je lijden? Wanneer mocht je eraan ontsnappen? En wanneer verloor je de balans?’
    Het is een fragment uit ‘Tsarinakapsels en metershoge grafstenen’, één van de essays in het jongste nummer van Tirade 480. Het bevat verder gedichten van onder anderen Tonnus Oosterhof en Maria Barnas, een essay van Sander Kollaard en verhalen van Langston Hughes en Samira Elomari.

    Tirade 480
    Auteur: unknown
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Oogst week 37 – 2020

    Begeerte

    Begeerte (1995), de verhalenbundel waarmee Manon Uphoff vijfentwintig jaar geleden debuteerde, is afgelopen zomer heruitgegeven. Voor de heruitgave schreef Uphoff een voorwoord waarin ze de essentie van haar latere werk herleidt tot deze verhalenbundel. In haar eigen woorden zou Vallen is als vliegen (2019) de ‘ultieme uitbarsting’ zijn van de vulkaan waarvan Begeerte de ‘eerste eruptie’ was. Dit jaar werd Vallen is als vliegen genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Het boek behaalde de shortlist. Uphoff beschrijft in Vallen is als vliegen met behulp van een omfloerste, metaforische stijl het misbruik dat haar jeugd tekende. De zware thematiek van de roman, die wordt geschetst met behulp van sprookjesachtige beelden, komt in Begeerte al naar voren: de hoofdpersoon van het titelverhaal ‘hield van sprookjes, maar niet die waarin alles tot een zoet einde komt’. Uphoff verwijst naar de strijd van Andersens kleine zeemeermin, die haar vissenstaart inruilt voor echte mensenbenen, met als keerzijde van de afspraak een continue, vlammende pijn. En zo vergaat het haar personage – symbolisch, dan – ook.

    Begeerte
    Auteur: Manon Uphoff
    Uitgeverij: Querido

    De val van Thomas G.

    Nelleke Noordervliet beschrijft in De val van Thomas G. hoe een controversiële uitgave (Hedendaags fanatisme) het hoofdpersonage, uitgever Thomas Geel, van zijn geloofwaardigheid berooft. Hij sterft enkele maanden later, zijn vrouw reconstrueert de gebeurtenissen voorafgaand aan zijn dood en stelt haar ervaring op schrift, en ondertussen is een jonge journalist geïnteresseerd in Geels kant van het verhaal in de hoop op een scoop. Noordervliet onderzoekt aan de hand van de verschillende stemmen in het boek actuele culturele tendensen, waaronder trial by media.

    De val van Thomas G.
    Auteur: Nelleke Noordervliet
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Nora, of brand Oslo brand!

    Ook Johanna Frid legt in haar Nora, of brand Oslo brand! pijnpunten van deze tijd bloot. ‘Het begon allemaal met een foto.’ Het hoofdpersonage, Johanna, is jaloers op de ex-vriendin van haar vriend Emil – en laat Instagram nu net de perfecte voedingsbodem vormen voor het zaadje van die ziekelijke jaloezie van haar, als telkens beschikbare spiegel van haar ongenoegen en als podium voor de kwaliteiten van Nora, Emils ex. Bovendien wordt Johanna niet alleen geplaagd door dit gevoel van tekortschieten: haar arts ontdekt een ongevaarlijke cyste op haar eierstok en ze lijdt aan een constante pijn in haar baarmoeder. Nora, of brand Oslo brand! kreeg de Dagens Nyheters kulturpris toegekend. Het is Frids debuut.

    Nora, of brand Oslo brand!
    Auteur: Johanna Frid
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Een spannend en goed geschreven verhaal

    Een spannend en goed geschreven verhaal

    Dagdromen en nachtmerries zijn vaak het materiaal voor verhalen en romans. Laura van der Haar’s roman Een week of vier behoort tot de categorie nachtmerries. Een bange droom over de jonge alleenstaande Nederlandse moeder Ida die haar vriend is gevolgd naar Barcelona, daar door hem in de steek wordt gelaten en vervolgens ontdekt dat zij het Corona-virus heeft opgelopen. Ze belt het Spaanse alarm-nummer en dat zet een snelle reeks van gebeurtenissen in werking die haar overvallen. Ze moet direct opgenomen worden en haar baby van 3 maanden achterlaten in de handen van, ja van wie?

    Als schrijver is Van der Haar (ze schreef deze roman kort na haar eigen bevalling) helemaal in Ida gekropen, we volgen minuut na minuut de paniek die de jonge moeder overvalt als er van Spaanse overheidswege een auto onderweg is om haar op te halen en ze nog geen oppas heeft voor de baby. Want aan de aangeboden overheidsopvang wil ze haar dochtertje, haar kleine Joanes niet overdragen. ‘De kleine Joanes op die gigantische zaal (…) waar de zusters alleen maar bezig zijn met vinkjes zetten – die moet nog eten, vink, die hoeft niet meer vink vink vink. Op journaalbeelden had ze gezien hoe een van de zusters een speentje in een baby probeerde te proppen zonder zelfs maar naar het kind te kijken. Immuun geworden voor het gekrijs manoeuvreren ze zich tussen alle bedjes door.’

    In arren moede

    Ida kent in Barcelona maar twee personen en die contacten komen voort uit de postnatale yogaklas die ze volgt. Het zijn de yoga-instructrice en een andere moeder, Nellie geheten, die nogal nonchalant met het al wat oudere zoontje om gaat die zij meeneemt naar yoga. Maar Ida weet dat ook zij post-nataal is, alleen heeft haar dochtertje Cataleya de geboorte niet overleefd. Ida heeft maar 3 kwartier voordat de wagen van het ziekenhuis haar komt ophalen. In arren moede kiest ze voor Nellie maar kan haar niet bereiken en zendt  haar ten slotte maar een bericht met de dringende bede of zij enkele weken op Joanes wil passen. 

    En dan wordt ze opgehaald en in het ziekenhuis in slaap gebracht. Drie weken verstrijken, dan wordt Ida wakker en in de week die ze nodig heeft om weer enigszins bij kennis te komen probeert ze contact te leggen met Nellie om te weten te komen hoe het met Joanes is, haar lieve baby die gegroeid zal zijn en misschien al vervreemd van haar. 

    ‘Hoe groot zou Joanes nu zijn? Drie weken verschil. Een vijfde deel van haar hele leven. Weer wordt het een beetje grijs voor Ida’s ogen omdat Joanes inderdaad vijftien weken was toen ze hier aankwam, maar inmiddels dus achttien. Door heel hard haar oogleden dicht te knijpen en haar vuisten te ballen weet ze zichzelf wakker te maken, wakker te houden, wakkerder wakkerder wakkerder als kwik in een thermometer stijgt haar bewustzijn heel langzaam omhoog.’

    Onwaarschijnlijk verloop

    Hoe het verhaal van Een week of vier verder loopt is aan de lezer om te ontdekken. Natuurlijk is het nogal onwaarschijnlijk dat een moeder haar 4 maanden oude baby alleen in een flat achterlaat als de oppas-kandidaat niet direct bereikbaar is. Juist omdat Ida beschreven wordt als iemand die geheel in de zorg om haar kind op gaat zou het logischer zijn dat ze dan weigert mee te gaan met de ziekenhuiswagen totdat er een oplossing is gevonden voor haar baby. Geen chauffeur die zou weigeren te wachten. Ook lijkt het niet erg waarschijnlijk dat – tijdens het begin van de Coronacrisis – iemand die pas een dag de eerste verschijnselen van  Corona-infectie vertoont, meteen naar het ziekenhuis wordt overgebracht en daar direct voor 3 weken in coma wordt gehouden. 

    Laura van der Haar lijkt hier de geloofwaardigheid van het verhaal geofferd te hebben aan de begrijpelijke schrijversbehoefte spanning op te wekken. Spannend is het verhaal zeker, goed geschreven ook. En ontroerend waar het de troetelzorg van Ida voor haar kind betreft en de paniek die haar overvalt als ze Joanes in de steek moet laten. 

    Dat de Corona-crisis vroeg of laat literaire kinderen zou baren, daar kon men gif op innemen (niet dat dat ooit aan te raden is). En hier is dan – na Wim Daniëls Quarantaine en de Coronakronieken van Daan Heerma van Voss- de derde.

     

     

  • De kracht van een nylonkous

    De kracht van een nylonkous

    Je hebt landkaarten waar je langs imaginaire plekken kunt trekken. Zoals een kaart die een plattegrond biedt van het mentale welbevinden van mensen: je wandelt via de rotonde van het goede gesprek naar het huis van zin of slaat de weg van het verlangen in. Topografisch mijmeren. Sla je Dragman open dan zie je eenzelfde levensweg uitgetekend: ‘August Crimp en de reis naar mijzelf’. En zoals dat vaak gaat met levenswegen, er zijn zijpaden, doodlopende steegjes en een kluwen aan gedachten. Wie ben ik? Wat ben ik? Met zelfs een spoorlijntje ‘terug naar het begin’. Vanzelfsprekend loopt dat lijntje dood. Er is geen terug. Wel veel verwarring.

    En dan is Dragman, de nieuwste graphic novel van Steven Appleby, nog niet eens begonnen. Dragman biedt een boeiende mix van genres. Het gaat over superhelden. Het is een thrillerachtige detective, in de verbindende teksten zit je in het hoofd van een moordenaar die het op travestieten heeft gemunt. En je volgt de worsteling van een gewone man die graag vrouwenkleren draagt en een huiselijk leven leidt met vrouw en kind. August Crimp heet hij. Het bijzondere aan hem is dat hij superkrachten heeft als hij vrouwenkleren draagt. Dragman zwiert en vliegt op zoek naar onrecht in de stad. Net als Batman – niet geheel toevallig de favoriete superheld van Appleby – heeft ook Dragman een maatje: Doggirl, een meisje dat zich kan transformeren tot een gevaarlijke hond. Alleen niet getekend in een stijl die je bij superhelden verwacht. Je zou Appleby’s tekeningen eerder cartoonesk noemen, eenvoudig, met een vloeiende cameravoering die zijn ervaring met het maken van animatie verraadt.

    Geheim leven

    Maar eigenlijk is het superheldenbestaan voltooid verleden tijd voor hem als het verhaal begint, en ook het dragen van vrouwenkleding heeft hij tot het minimum beperkt: heel soms is hij bij een vriendin waar hij in drag een paar uurtjes in huiselijke sfeer doorbrengt. Crimp leidt een gewoon leven, een gewoon leven waar gewone geheimpjes zijn. Hij zet zijn pruik af en spreekt de lezer aan, een tekst verdeeld over enkele plaatjes, waardoor de woorden ook meer impact krijgen: ‘Mijn naam is Crimp. August Crimp.’  Dit klinkt als James Bond. Alleen het vervolg is minder Bond: ‘En ik leid een geheim leven. Nou ja… iedereen toch? Ik loop graag rond in vrouwenkleren.’ Bij de laatste zin is hij van vrouw weer naar man omgekleed. Nog even veegt hij voor de spiegel de lipstick van zijn lippen voor hij terug naar zijn echtgenote gaat. Het is een leven dat Appleby zelf ook lange tijd heeft geleid.

    Crimps leven van kleine geheimen wordt door twee gebeurtenissen doorbroken. Zijn vrouw heeft bij het opruimen van de zolder de inhoud van één van zijn geheime dozen gezien: vrouwenkleding, foto’s van Crimp in drag en heel veel knipsels. En de oppas van hun kind vraagt hem om hulp. Nee, ze vraagt Dragman om hulp om de zielen van haar ouders terug te vinden – want door een gebeurtenis uit het verleden weet ze dat Crimp eigenlijk Dragman is.

    Stukje bij beetje onthult Appleby niet alleen hoe Crimp voor het eerst zijn voorkeur voor vrouwenkleding vond en ontwikkelde, maar ook hoe Dragman kennismaakte met Doggirl – ze is weer van de partij bij dit nieuwe avontuur – en waarom Dragman uiteindelijk zijn superheldenbestaan afzwoor om een gewoon leven te gaan leiden. Ondertussen gaan de moorden door, verkopen mensen hun zielen voor een hoop geld (zij leiden vervolgens een leeg leven van vakanties en sleur). Het ligt er niet duimendik bovenop, maar alles heeft betekenis bij Appleby. De superheldenclub, waar Doggirl Dragman introduceert en laat kennismaken met andere superhelden, is op een verborgen locatie. Het is een geheim genootschap waar je niet zomaar binnen komt. De superhelden zien eruit als superhelden maar leiden buiten de deuren van het genootschap een ander bestaan. Het lijkt een verwijzing naar plekken waar drags en homoseksuelen lange tijd ook slechts in het verborgene bij elkaar konden komen. In deze club sluit Dragman vriendschap met Hindsight, het meest ontroerende personage in deze strip.

    Nylonkous

    Als Crimp zich de dag herinnert dat hij Dragman werd, zie je een verveelde puber op een zondagmorgen die met zijn handen tussen de kussens van de bank zoekt en daar toevallig de nylonkous van zijn moeder vindt. Hij trekt de kous aan en vliegt door de ongekende kracht die de kous aan hem verleent, direct tegen het plafond. Je anders voelen geeft kracht, maar doet ook pijn.

    Dat switchen in de tijd, herkenbaar aan de inkleuring van de tekeningen en soms ook de lijnvoering als er een herinnering in een herinnering is, maakt Dragman tot een bijzondere leeservaring. Het superheldenlijntje en het lijntje van de moordenaar worden vakkundig aan elkaar geknoopt, maar belangrijker is dat Dragman, naakt en ogenschijnlijk verslagen door zijn vijand, zichzelf terugvindt: ‘Ik ben nooit erg goed geweest als man. En ik denk niet dat ik me ooit echt vrouw zal voelen. Ik ben iets anders (…). Ik ben ik.’ Die woorden, dit inzicht, geven Dragman de kracht om weer op te staan.

    Persoonlijk

    In het nawoord wordt duidelijk hoeveel er voor Appleby op het spel stond en hoe persoonlijk dit boek is. Appleby wilde geen geheim leven meer leiden, noch voor zijn/haar vrouw, noch voor de kinderen. ‘Ik wilde dat ze opgroeiden met een beeld van hun vader als een compleet mens, en niet als iemand met een enorm geheim dat op een dag toch wel zou uitkomen. (…) In 2007 ging ik mij continu kleden als een transvrouw, en ik heb al jaren geen kledingstuk voor mannen meer aangehad. Ik probeer ik te zijn en voel me goed bij mijn vrouwelijke uiterlijk, maar laat me nog wel Steven noemen. Daar bestaan toch zeker geen regels voor?’

    En de landkaarten? Appleby is er gek op. Je kunt op Appleby’s website uren vertoeven in The land of Steven Appleby, een naakte man als eiland, met opvallende heuvels ter hoogte van de borst, een stadje in de penis en een doolhof in de hersenpan.

     

  • Geweldig verhaal van niet-menselijke vertellers

    Geweldig verhaal van niet-menselijke vertellers

    Wat kunnen geitenwollen sokken, een slowjuicer of het dagelijks brood ons vertellen over een woongroep waarvan de leden geloven dat zij kunnen leven van licht en die daar zo ver in gaan dat een van hen sterft door ondervoeding? Een heleboel, zo blijkt uit de debuutroman Wij zijn licht van Gerda Blees. Eerder publiceerde zij de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet en de poëziebundel Dwaallichten. In haar nawoord schrijft Blees dat ze zich heeft laten inspireren door het nieuws over het overlijden van een vrouw in een Utrechtse woongroep. Het was een opmerkelijk bericht en dat geldt zeker ook voor de roman die Blees geschreven heeft. Een fictief verhaal, schrijft ze, dat gezien moet worden als het product van haar verbeelding. 

    Wij zijn licht is niet alleen een product van de verbeelding, het is het product van een enorme verbeeldingskracht en een groot inlevingsvermogen. Het verhaal wordt verteld door 25 vertellers en de meeste daarvan zijn niet menselijk. Blees slaagt er prima in om van dode, normaal zwijgende voorwerpen en abstracties geloofwaardige personages te maken. Ze laat een cello of de twijfel net zo makkelijk aan het woord als de buren of ouders. Cognitieve dissonantie en sinaasappelsap zijn net zo geloofwaardig en reëel als de raadsvrouw of familieleden. 

    Compleet beeld

    In treffende, humoristische en soms ook beklemmende bespiegelingen maken we kennis met de leden van de woongroep Klank en Liefde, de wijze waarop zij samenleven en hoe zij geleidelijk aan het eten van voedsel afzweren.
    De nacht neemt als eerste het woord. Het is de nacht waarin Elisabeth door uitputting en ondervoeding sterft in het bijzijn van de drie andere leden van de groep. Zij roepen geen hulp in. Muriël en Petrus zijn op dat moment nauwelijks meer in staat hun eigen beslissingen te nemen. Zozeer staan zij onder invloed van Melodie, de manipulatieve leider van de groep en zus van Elisabeth. En zij zegt dat het goed is wat er gebeurt. De arts en de rechercheurs die de zaak onderzoeken, denken daar anders over. De overgebleven drie leden van de woongroep worden gearresteerd op verdenking van dood door schuld. 

    De door Blees gekozen entiteiten die het verhaal vertellen, hebben een gemeenschappelijke en voor het verhaal belangrijke eigenschap. Door hun aard kennen ze de leden van de woongroep bijzonder goed. De cello waar Melodie als jong meisje op speelt, voelt wat er in haar omgaat en het huis is uiteraard getuige van wat er zich in de woongroep afspeelt. Hierdoor zijn ze in staat de leden van de groep bijna van binnenuit te belichten. Tegelijkertijd geven zij hun eigen kijk op groep en individuele leden en de keuzes die gemaakt worden of beter gezegd, die door Melodie aan de anderen worden opgelegd. Hiermee geven zij de blik van de buitenstaander weer. Samen geven ze een compleet beeld en tonen ze op een fascinerende manier de discrepantie aan die er bestaat tussen hoe de woongroep naar zichzelf kijkt en hoe de buitenwereld hen ziet.

    Vermakelijke gretigheid

    De voorwerpen en abstracties zijn de stille getuigen die hier ineens een stem krijgen en daar maken ze volop en met graagte gebruik van. Ze doen dat in zinnen van soms een halve bladzijde lang, met een uitschieter van drie en een halve bladzijde. Het geeft het verhaal een cadans van noodzaak, alsof alles wat in de aanwezigheid van Melodie niet gezegd kon worden er nu in één ruk uit mag komen. Niet alleen vertellen de entiteiten over de ontwikkelingen binnen de groep, ze vertellen ook met een vermakelijke gretigheid over zichzelf, soms op een wat verongelijkte toon. Zo is het huis er niet blij mee dat het tot plaats delict is verklaard en de sigaretten weten wel dat ze niet gezond zijn, maar ze vinden het onjuist dat vergeten wordt dat ze de mens ontspanning brengen. Het is bovendien een slimme manier om relevante informatie te geven over het verleden van de groepsleden. Zo weet het dagelijks brood te vermelden dat Muriël er vroeger gek was op was en Melodie daarentegen vanaf het begin een moeilijke eter.

    Een eigen taal

    De eerste zin van het boek spreekt al direct tot de verbeelding: ‘Wij zijn de nacht’. Wij. Het verbinden van de meervoudsvorm van het werkwoord aan een zelfstandig naamwoord dat in het enkelvoud staat, houdt Blees heel het boek vol: wij zijn de raadsvrouw, wij zijn dementie, wij zijn de twijfel. Hiermee creëert zij een eigen taal en een eigen vorm. En het werkt. Is het op de eerste bladzijde nog even vreemd, daarna voelt het als een natuurlijke grammatica en ga je er makkelijk in mee. Taal is rekbaar, als je er maar goed mee omgaat. Blees doet dat. Ook met de eerder genoemde lange zinnen heeft ze geen enkele moeite. Ze lopen als een trein, zijn goed leesbaar en ontsporen niet. Blees laat zien welke mogelijkheden taal biedt aan een creatieve, inventieve en durvende geest. 

    Het consequent en geloofwaardig doorvoeren van de wij-vorm mist zijn uitwerking niet. Door de meervoudsvorm worden met name de voorwerpen en abstracties die aan het woord zijn groter en veelomvattender. Het tilt ze als het ware boven zichzelf uit. ‘Wij’ is alom aanwezig en omringt het gebeuren. Het is niet zomaar de beschouwing van een enkeling, maar van een groep, van 25 groepen, en dat legt meer gewicht in de schaal dan de individuele mening of observatie van een ik. Op deze manier kan het verhaal genuanceerder en veelkleuriger verteld worden, waardoor Blees de valkuil van rechtlijnig en te gemakkelijk oordelen vermijdt. Bovendien beschouwt de woongroep zichzelf als wij. De raadsvrouw constateert over Melodie: ‘… cliënte spreekt overwegend in de eerste persoon meervoud’ en Melodie zelf zegt:  ‘… wij zijn een groep. Wij zijn niet vier losse mensen.’ De buren zien het als volgt: ‘Als één persoon zag je ze door de wijk bewegen. Zij, die Melodie, voorop, en de anderen erachteraan.’

    Vindingrijk en gedurfd

    In een boek dat zo genuanceerd en vernieuwend het verhaal vanuit verschillende hoeken belicht, is het bijna logisch dat ook het verhaal zelf er iets over te zeggen heeft. Dat dit werkelijk gebeurt, verrast wel degelijk. ‘Wij zijn het verhaal’ is de meest onverwachte, vindingrijke en gedurfde stem. Een stem bovendien die nog wel het een en ander te melden heeft. Over de schrijver en de mogelijkheden die ze niet benut heeft en over de lezer die onzorgvuldig leest en er zijn eigen interpretaties maar op los laat. Het is een humoristisch en brutaal hoofdstuk, passend in een boek waarin de lezer geregeld direct wordt aangesproken. Dit maakt hem tot deelgenoot en nodigt uit tot overdenken. 

    Wij zijn licht is een geweldig boek. Het is creatief, vindingrijk, vermakelijk, brutaal en verrassend. En het klopt. De opvallende vertelwijze is niet zomaar een trucje. De gekozen vorm draagt bij aan de inhoud en maakt het mogelijk om over dit toch lastige onderwerp te vertellen zonder dat het zwaar of eenzijdig wordt. Tegelijkertijd is Blees er goed in geslaagd het onbegrijpelijke handelen van Melodie en haar volgers ook voor minder spiritueel ingestelde lezers inzichtelijk te maken. 

     

     

  • Voorlezen

    Voorlezen

    Eind maart ontving ik een berichtje van de schrijfster wiens boek hier voor me ligt. Rauwe wortels ernaast, in stijl met de levensvisie van de personages in het boek. Wordt er wijn geschonken in een goed verhaal, drink ik een wijntje. Ik ontmoette haar in 2018 voor een interview over schrijven en haar verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. Een titel die ook heel goed had gepast bij deze roman. In dit boek doen de personages er alles aan om niet toe te geven aan hun hongergevoel, licht en muziek zal hen voeden. Als een van hen door uitputting sterft, volgt een politie onderzoek. De huisgenoten worden opgepakt, gedurende enkele dagen ondervraagd. Er wordt vooral gevraagd of ze het niet hadden zien aankomen, de dood van hun huisgenoot. Nee, ze hadden het niet zien aankomen, want aan doodgaan dachten ze niet.

    Het was een ingesproken berichtje. Ze vertelde dat ze de drukproeven van haar boek aan het doornemen was, dat deed ze altijd hardop lezend. Toen kwam het idee om voor iedereen in haar telefoonlijst een fragment in te spreken. Ze vroeg of ze een stukje uit haar roman mocht voorlezen, terwijl ik gretig, ‘Ja, leuk’, zei, praatte ze door. Mijn stuk begon bij hoofdstuk 10. ‘Tien’, zei ze. En na een korte pauze, ‘Wij zijn een vlinder. Een prachtige, pasgeboren vlinder die woont in het hoofd van Muriël. Minimaal eens per dag, maar meestal vaker, kruipen wij uit onze cocon naar buiten en vouwen onze vleugels open in het zonlicht, (…).’

    Elk hoofdstuk begint met ‘Wij zijn…’. ‘Wij zijn de plaats van delict’, ‘Wij zijn een cello’, ‘Wij zijn twijfel’. Vanuit voorwerpen, plaatsen of stemmingen wordt steeds een ander licht geworpen op wat er gebeurd is. Elke ‘Wij’ is een sprekend orgaan. Al lezend beweeg ik mee met elke schijnwerper die ze op de situatie richt. En dan, in hoofdstuk 17, wordt de lezer buitenspel gezet, schrijft de schrijver zichzelf erin, ‘Wij zijn het verhaal. Langzaam en voorspelbaar stevenen wij op onze afloop af – de climax, of de anticlimax, dat valt nog te bezien. Wij vermoeden dat het een anticlimax wordt, als de schrijver zo door blijft gaan. We snakken naar (…) een onverwachte wending, een nieuw personage (…) maar de schrijfster heeft blijkbaar andere dingen aan haar hoofd.’

    De roman is gebaseerd op een krantenbericht uit 2017, over de dood van een van de huisgenoten van een woongroep die leven van licht. Het had een behoorlijk zweverige kant op kunnen gaan met dit boek. Ik had geen idee, maar weet wel dat het kunstenaarschap van deze experimentele schrijver vooralsnog onmetelijk groot is.

    De schrijfster speelt met situaties, met de lezer, met vooroordelen, omstandigheden, met zichzelf als schrijver. En het werkt indringend. Gisteravond nog, begon ik zomaar – ik wilde een tweede bordje Indiase curry opscheppen –  van honderd terug te tellen naar nul. Een beproefd trucje van de arme Muriël in het boek, dat ze toepast als de behoefte aan eten te groot wordt. Mij hielp het niet.

     

    Wij zijn het licht / Gerda Blees / Uitgeverij Podium (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, doet het even zonder het OV maar kan niet zonder een goed verhaal.

  • Oogst week 24 – 2020

    Een week of vier

    Een alleenstaande moeder woont in een stad die ze nog niet goed kent en raakt besmet met een dodelijk virus. Een ziekenhuisopname kan haar leven redden, maar haar baby moet dan achterblijven bij onbekenden die ze niet vertrouwt. Als ze niet gescheiden wil worden van haar baby, is er slechts één andere optie: vluchten. In de op het coronavirus geïnspireerde roman Een week of vier beschrijft Laura van der Haar (1982) de consequenties van de keuze die de moeder maakt.

    Laura van der Haar publiceerde eerder de dichtbundel Bodemdrang en de roman Het wolfsgetal. Ze is een winnaar van het Nederlands kampioenschap Poetry Slam en schrijft daarnaast voor onder meer De Speld en Vice.

    Een week of vier
    Auteur: Laura van der Haar
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Fantoomliefde

    Laura Freudenthaler (1984) wordt gezien als hét literaire talent van Oostenrijk. Ze schreef eerder een verhalenbundel en een roman, maar haar internationale doorbraak kwam pas na de publicatie van haar derde boek Fantoomliefde, naar het Nederlands vertaald door Jan Bert Kanon. In 2019 won ze met dit boek de EU Literatuurprijs.

    Fantoomliefde gaat over Anne, een pianiste die al twintig jaar samenwoont met Thomas. Wanneer ze een sabbatical neemt, gaat alles mis: piano spelen lukt niet meer en voor het boek dat ze wil schrijven krijgt ze geen letter op papier. Tot overmaat van de ramp is Thomas steeds vaker weg en Anne vermoedt dat hij vreemdgaat. Dit levert een intense roman op waarin de hoofdpersonen steeds verder van elkaar vervreemden.

    Fantoomliefde
    Auteur: Laura Freudenthaler
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Sempre Susan

    De Amerikaanse auteur Sigrid Nunez (1951) doceert creative writing aan de Boston University. Ze schreef verschillende romans en korte verhalen en won in 2018 een National Book Award voor haar roman De vriend.

    Op haar vijfentwintigste kreeg ze een baantje als typist voor de beroemde essayist Susan Sontag. Zo leerde ze Sontags zoon kennen, David Rieff, die nog bij zijn moeder woonde. Nunez kreeg een relatie met hem, trok bij hen in en Sontag werd haar grote voorbeeld.

    Sempre Susan, naar het Nederlands vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap, bestaat uit herinneringen van Nunez aan deze periode. Het is een intiem verslag van de band tussen een beginnend schrijver en een groot intellectueel.

    Sempre Susan
    Auteur: Sigrid Nunez
    Uitgeverij: Atlas Contact