• Oogst week 24 – 2022

    Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen

    In de serie Privé-domein is Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen van de Russische romancier, toneelschrijver en dichter Anatoli Mariëngof (1897-1962) uitgegeven. Het zijn de prachtig en soms humoristisch geschreven memoires van zijn kindertijd en zijn volwassenwording aan de beginjaren van de revolutie. ‘Mijn ouders kleden mij op hoogst krenkende wijze: niet in een broek, zoals het een man betaamt, maar in jurkjes, blauwe en roze,’ zo begint Mijn eeuw…

    Mariëngof kwam uit een adellijke familie en stond bekend als een dandy en een nihilist. Hij was bevriend met de populaire dichter Sergej Jesenin met wie hij de ‘imaginistische school’ oprichtte, een Russische poëziestroming en dichtersgroepering waarin de inhoud van de poëzie ondergeschikt was aan het beeld. Door fricties hield de beweging na een paar jaar op te bestaan. Het laatste imaginistische product was Mariëngofs boek Roman zonder leugens (1927), een schandaalroman omdat hij veel details over het vrije liefdesleven van Jesenin bevatte, die inmiddels zelfmoord had gepleegd. Daarna volgden nog twee schandaalromans.

    In de flaptekst van Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen staat onder meer dat het een wonder is dat Anatoli Mariëngof de Stalinterreur overleefde; hij noemde de Rode Revolutie een gehaktmolen en tijdens de proletarische gelijkschakeling wandelde hij in maatpak en hoge hoed door Moskou. De Sovjetautoriteiten zagen hem als subversief en er werd nog nauwelijks iets van hem gepubliceerd. Hij werd vergeten. Eind jaren tachtig werd zijn werk herontdekt.

     

    Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen
    Auteur: Anatoli Mariëngof
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De toekomst van het sterven

    Marli Huijer, arts, filosoof en columnist, schreef een voorlichtingsboek over dood gaan: De toekomst van het sterven. Dat sterven is aan het zicht onttrokken, concludeerde de gepensioneerde hoogleraar publieksfilosofie. Zij ziet dat ouderen graag gezond willen doorleven tot hun honderdste en dan in een klap overlijden, in dat idee gesteund door verouderingsdeskundigen en transhumanisten. In de praktijk gaat het zo niet, de aftakeling begint meestal kort na het pensioen en duurt gemiddeld een jaar of vijftien. Maar mensen hebben niet meer geleerd hoe goed te sterven.

    In Trouw van 31 mei zegt Huijer, zelf 67: ‘Ik houd niet van het woord zin − dingen hebben geen zin. Betekenis is wat je met elkaar ontwikkelt, (…) Het draait om nabije relaties. Vandaar dat heel oude mensen, van wie de vrienden, kinderen soms ook, overleden zijn, er geen zin meer in hebben. De betekenis is weg.’

    In haar boek probeert ze antwoord te geven op hoe we omgaan met de laatste levensfase, met ziektes en aftakeling en de vraag of mensen zich daarmee (willen) voorbereiden op de dood. Ze hecht waarde aan het zoeken naar het juiste moment van sterven. En als de hele samenleving steeds ouder wordt, zijn de kosten van de zorg dan nog op te brengen? Huisartsen en wijkverpleging zijn overbelast en van de 80-plussers voelt twee derde zich eenzaam. Behalve naar wat de laatste levensfase voor individuen en hun omgeving betekent kijkt Huijer ook naar de consequenties op het maatschappelijke en het politieke vlak.

     

    De toekomst van het sterven
    Auteur: Marli Huijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Toen wij vogels waren

    Toen wij vogels waren is de eerste roman van Ayanna Lloyd Banwo, Trinidadiaans schrijfster met een graad in creatief schrijven van de Universiteit van East Anglia. In een interview met Pen Transmissions zegt zij dat ze het boek schreef ‘met een inheems gevoel voor religie en spiritualiteit, waar de tijd niet lineair is, waar de levenden en de doden niet zo ver van elkaar verwijderd zijn als we misschien denken.’ Dus bevat het tijdloze thema’s als liefde, romantiek, magisch realisme, traditie en fantasie.

    In het fictieve Port Angeles, gelijkend op Port of Spain, de hoofdstad van Trinidad en Tobago, arriveert Darwin die als grafdelver gaat werken, het enige werk wat hij kan vinden en nodig heeft om zijn zieke moeder te ondersteunen. Zij hangt het rastafarigeloof aan waarin de doden de doden moeten begraven. Graf delven gaat daar regelrecht tegenin.
    Op de uitgestrekte oude begraafplaats, vol met geheimen en problemen, ontmoet Darwin Yejide. Hun beider lot zal onuitwisbaar met elkaar verbonden raken.

    Yejides moeder stamt af van de corbeaux, zwarte vogels die bij zonsondergang naar het oosten vliegen met de zielen van de doden. Zij kan met de doden communiceren en hen helpen vrede te vinden. Als haar moeder sterft, erft Yejide dit ‘geschenk’ waarvan ze niet weet of ze het wel wil. Haar grootmoeder vertelde haar verhalen over de tijd voor de tijd, toen de dieren konden praten en vredig met elkaar samenleefden. ‘Maar op een dag loopt een krijger het woud in. Hij ziet dat er volop dieren zijn om op te jagen en vruchten om te eten. Wanneer hij naar de bomen kijkt, ziet hij alleen de huizen die hij kan bouwen en (…) het land (…) ziet hij alleen wat hij kan nemen. De dieren proberen met hem te praten (…) maar hij kent hun taal niet en dus kan hij ze niet verstaan.’ Er komen meer krijgers, en boeren, en priesters. Oorlog volgt. De dieren verdwijnen en vele van hen veranderen in vogels. Volgens The Guardian echoot Dickens in dit liefdesverhaal over een doodgraver en een medium. The Observer noemt het een meesterlijk debuut en de New York Times Book Review roemt het mythische en boeiende.

     

    Toen wij vogels waren
    Auteur: Ayanna Lloyd Banwo
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Gecontroleerd uit de bocht vliegen

    Gecontroleerd uit de bocht vliegen

    In weerwil van de woorden van Dimitri Verhulst (1972) zou men – zoals wel meer verhalen en gedichten – hardop moeten voorlezen. Met een smeuïg Vlaams accent. Om zo de bandbreedte van de Nederlandse taal weer eens vol in beeld te krijgen, en ons opnieuw te verwonderen over de rijkdom en de veelkleurigheid ervan. Of het nu gaat om de klanken van een oud Polygoon-journaal, onberijmde psalmen of de liedjes van Annie M.G. Schmidt, veelkleurig is het Nederlands. Ook het Nederlands zoals Verhulst het bezigt in dit boekje.

    Verhulst vertelt het verhaal van Pol Verholst die in een lange monoloog vol flashbacks zijn leven beziet op een moment dat hij er niet langer greep op heeft. Een teloorgang die zich kort en bondig laat omschrijven: man vervuilt in dichtgeslibd huis nadat hij jarenlang zijn post niet meer heeft opengemaakt. Het heeft zo weinig om het lijf heeft dat het een format van een RTL-programma had kunnen zijn.

    Eenvoudig grondmotief

    Onder de woest boetserende hand van Verhulst, die de overdrijving niet schuwt, is het een tragikomisch verhaal geworden dat bij vlagen zo hilarisch en absurdistisch is dat het aan Monty Python doet denken. Het grondmotief is even eenvoudig als doeltreffend: het begon met iets onbenulligs, en toen liep het gruwelijk uit de hand. En hoe verder het uit de hand loopt, hoe absurder het wordt.

    De wijze waarop Verhulst de ik-figuur laat vertellen is kleurrijk en gekruid met de nodige zelfspot. En zodanig levendig dat je het gevoel krijgt de man echt te leren kennen en zijn probleem gaat begrijpen. Met vaart sleurt Verhulst de lezer door het verhaal alsof het een omvangrijk epos is. Hij laat de hoofdpersoon uitvoerig vertellen over zijn leven, zijn jeugd, zijn familie zodat men achterblijft met het gevoel een vuistdikke roman te hebben gelezen. En met verwondering. Zoveel, en zulke gedetailleerde informatie in zo’n klein boekje. Zo kan het blijkbaar dus ook.

    Teloorgang van cafeetjes 

    Zowel door de absurditeit van het onderwerp – die ongeopende post die zich maar opstapelt – als de vaart waarmee het is geschreven dreigt het verhaal meermaals uit de bocht te vliegen en moeten de serieuze thema’s steeds opnieuw uit de brij van stijlfiguren en verbale uitspattingen naar boven worden gevist. Onder al die hilariteit wordt namelijk wel degelijk een verhaal verteld. Van een tijdperk dat niet meer bestaat maar dat door velen herkend zal worden als het decor van eigen jeugdherinneringen, de jaren zestig en zeventig.

    Van vrouwen die met krulspelden de straat op gingen, of in te dunne jurkjes de melkboer en de postbode ontvingen; van cafeetjes waar het blauw zag van de rook, met kaartende en pimpelende mannen, met een biljart, en een jukebox vol hijgende Françaises.

    Een tijd waarvan Verhulst alleen maar het staartje kan hebben meegemaakt, maar die hij treffend en met een beeldrijke zintuiglijkheid laat beschrijven door zijn hoofdpersoon die een jaar of tien ouder moet zijn dan de schrijver zelf. Zodat het levensverhaal van die Pol Verholst meer in de pas loopt met de teloorgang van dat tijdperk en de opkomst van het tijdperk waarin die cafeetjes niet meer mochten bestaan.  Op kritische, vaak zelfs cynische toon vertelt de hoofdpersoon hoe dat ging in die tijd. Hoe die cafeetjes, en daarmee heel die gemoedelijke, ongeordende manier van leven aan banden werd gelegd en uiteindelijk braaf gestroomlijnd door regelgevers die vonden dat het wel mooi was geweest met dat gelanterfant op klaarlichte dag.

    Wind uit een ander hoek

    Door de automatisering en digitalisering van de jaren tachtig kregen overheden gaandeweg steeds meer greep op al die rommeligheid en kon er effectief korte metten mee worden gemaakt. Daarmee ging voor een bepaalde groep een langgekoesterde wens in vervulling: meer controle op het doen en laten van burgers, minder ruimte om te leven zoals men zelf verkiest. Wat vanaf dan in toenemende mate het conflict wordt tussen de hoofdpersoon en een maatschappij waar hij steeds meer moeite mee heeft.

    Dat is het leitmotiv van dit verhaal. Met welhaast liefkozende finesse beschrijft Verhulst hoe in de jaren tachtig de wind uit een andere hoek begon te waaien en hoe dat voor velen het leven ingrijpend en voorgoed veranderde. Pol Verholst – die in die periode aan zijn volwassen leven begint – zegt erover met wrange berusting: het werd pas geweten en gevoeld toen het te laat was.

    Meer op persoonlijk niveau vertelt de ik-figuur hoe hij daar stond, midden in de grote jeugdwerkloosheid, met zijn tandartsendiploma, samen met talloze andere jongeren die net zo hard als hij probeerden een plek te veroveren op die zieltogende arbeidsmarkt, en zich toen al afvroeg wat de zogenaamde vooruitgang – het feit alleen al dat de zoon van een postbode naar de universiteit had kunnen gaan – van de decennia ervoor hen had gebracht. Alsof hij toen al de zakelijkheid en de anonimiteit van het digitale tijdperk voelde aankomen. En de bijbehorende ontmenselijking die hem uiteindelijk zal vermalen. Ook dat is een van de thema’s in dit verhaal. De strijd van de eenling tegen het systeem. De vraag in hoeverre een overheid zich mag bemoeien met de autonomie en zelfbeschikking; in hoeverre de mens vrij is zijn eigen leven in te richten. Is een mens verplicht zijn post open te maken? Mag een mens vervuilen in zijn eigen huis zolang de ratten maar niet bij de buren door de keuken rennen? Waar ligt de grens, en wie bepaalt waar de grens ligt?

    Sterke maag

    Icoontjes op de ruggen van bibliotheekboeken geven het genre aan van wat de  lezer verder kan verwachten van een boek. Welk label er op dit boekje past, valt nog te bezien. Het zou de lezer in ieder geval kunnen waarschuwen voor de plastische wijze waarop Verhulst allerlei lichamelijke processen beschrijft.

    Van de te onderzoeken mondholtes van doden – want dat is wat de onfortuinlijke tandarts te doen krijgt als hij eindelijk werk heeft gevonden: onbekende doden identificeren – tot de tandheelkundige behandelingen bij levende patiënten, Verhulst is ongeremd expliciet. Verder komen er nog flinke hoeveelheden poep, pies en kots voorbij. Meestal hilarisch beschreven, maar je moet er tegen kunnen.

    Wat behalve het verhaal en de virtuoze taal ook beklijft, is de verwondering dat dit blijkbaar kan in slechts vijftienduizend woorden. Zelfs voor een novelle is dat aan de magere kant is, maar wellicht daardoor juist een aanbeveling om het te lezen. Hoe het ook valt, als lezer heb je er niet meer dan een paar uur voor nodig. In het beste geval wordt er genoten van een verhaal dat smaakt als een Belgisch biertje, en blijft de taal als een rijpe Passendale kaas aan het gehemelte plakken.

     

  • Oogst week 6 – 2022

    Water scheppen met een lepeltje

    Wiebe Brouwer publiceerde verhalen en essays in literaire tijdschriften als De Gids en Hollands Maandblad. Onlangs debuteerde hij bij Van Gennep met Water scheppen met een lepeltje, het verslag van de laatste levensmomenten van zijn demente moeder. Welke keuzes maak je, wat is goed als het erop aan komt keuzes te maken voor iemand die dat zelf niet meer kan? Het is schier onmogelijk, toch moeten het gedaan worden. Met de laatste dagen van zijn vader in gedachten, die met alzheimer op een gesloten afdeling van een verpleeghuis wegkwijnde, wil hij dit zijn moeder niet aandoen. Zij blijft thuis, met een heel team aan thuiszorgers zal zij tot het einde in haar vertrouwde omgeving blijven. Schrijnend is dan te ontdekken dat moeder haar eigen (vertrouwde) omgeving niet meer herkend. Ze heeft het idee dat ze in een pension zit, wil naar huis.

    Tot hoever moet er nog medische zorg verleend worden, antibiotica bij een longontsteking of niet? Het laatste jaar met zijn moeder wordt bijgehouden in een logboek door het team aan verzorgsters, briefwisselingen met de zus, een vriendin van vroeger, afgewisseld met telefoongesprekken tussen moeder en zoon vanuit haar huis gevoerd.

    ‘Ben jij dat? Hoor ik jouw stem? Wat een geluk dat je me trof. Zeg eens, hoe zijn je kinderen? En hoe is je vrouw? Ik kwam hier toevallig voor een bezoek aan je vader. Maar hij is er niet. Waarschijnlijk is hij vertrokken naar een ander adres omdat het hem hier niet beviel. (…) Ik trof hier een aardige mevrouw die gewoonlijk voor hem zorgt en die kookt nu vanavond voor mij.’

    Sterk en aangrijpend proza van een zoon die zijn moeder ziet verdwijnen.

    Water scheppen met een lepeltje
    Auteur: Wiebe Brouwer
    Uitgeverij: Van Gennep

    Wachten

    Wachten is een fotoreportage van vluchtelingen die wachten in azc’s verspreid door Nederland op de behandeling van hun asielaanvraag. Mona van den Berg documenteert al twintig jaar het onrecht dat zich in de azc’s afspeelt. Op haar vraag waarom mensen zolang moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag, werd ze overspoelt met cijfers, percentages en bureaucratie. Dit fotoboek is een reactie daarop. Foto’s van mensen die in de azc’s van Emmen, Schalkhaar, Almere, Harderwijk, Amsterdam, Den Helder, Hardenberg, Utrecht, Delfzijl, Luttelgeest, Sint Annaparochie, Heemserveen, hun leven voorbij zien gaan. De vele steden waar vluchtelingen worden ondergebracht is op zich al schokkend.

    Naast de foto’s in Wachten, zijn er gedichten en treffende passages uit de romans van Rodaan Al Galidi in opgenomen.
    In een nawoord schrijft Van den Berg: ‘Tijdens mijn rit naar azc Harderwijk mijmer ik. Het is onbegrijpelijk voor mensen in azc’s. Velen hebben hun familie al jaren niet gezien. Dit zijn mensen wier dromen en ambities verloren zijn gegaan.’

    Mona van den Berg is freelance fotograaf voor The Guardian, Vrij Nederland en Het Parool en hoofdredacteur van een serie bijlagen voor Trouw en de Volkskrant.

    Wachten
    Auteur: Mona van den Berg
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Oeverloos

    Nisrine Mbarki is dichteres, columnist, Arabisch vertaler en programmamaker voor Winternachten. Poëzie, theaterteksten en korte verhalen, van haar hand verschijnene regelmatig in literair tijdschriften als De Gids, Poëziekrant, De Revisor, Tirade en Het Liegend Konijn.

    Onlangs verscheen haar debuutbundel Oeverloos, poëzie die zich afspeelt op de rand van verschillende talen, en de gelaagdheid van het leven aanspreekt. In haar gedichten pelt ze als een archeoloog laagje voor laagje van die gelaagdheid af waardoor het aardse en mystieke, stad en natuur, reizen en stilstaan zichtbaar worden. Het is alsof ze de wereldkaart opnieuw tekent, grenzen verkent van de vrouw in haar rollen van moeder, dochter, echtgenote en schrijfster.

    Haar taal werkt even verstikkend als bevrijdend. Een debuut waarin oude verhalen van generaties terug en nieuwe verhalen samenkomen. Poëzie met een autonoom geluid.

    Oeverloos
    Auteur: Nisrine Mbarki
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Een raak verhaal over menselijk onvermogen

    Een raak verhaal over menselijk onvermogen

    ‘Was ik maar wat banger voor de dood en minder angstig voor het leven,’ schrijft Jente Posthuma (1974) over haar vroegere zelf in een stuk voor Trouw (februari 2021). Het zouden net zo goed de woorden van de zus in haar tweede roman Waar ik liever niet aan denk kunnen zijn, of die van haar tweelingbroer. Levensangst doet hen allebei vluchten, de zus door ongeremd te googelen, de broer door zich op een ‘doordeweekse dag’ al fietsend het diepste punt van een rivier in te storten. De zelfdoding van de broer is waar het in deze roman om draait. Alle observaties en anekdotes zijn verbonden met die ene, definitieve daad en de diepe eenzaamheid die dit bij de zus teweegbrengt.

    Het verhaal is opgebouwd uit een reeks korte, heldere stukjes die zich soepel van het heden naar het verleden bewegen en weer terug. Posthuma laat de zus terugblikken op het leven van haar broer, een jeugd getekend door onverschillige ouders en pesterijen op school die, zoals veel gebeurtenissen in deze roman, terloops worden benoemd. Een bevroren hondendrol op zijn schoolbankje hier, een uitgestrekt been dat hem doet struikelen daar. Broer en zus zijn voortdurend in competitie met elkaar om wie het meeste kan en wie het meeste weet. Meestal wint de broer en staat de zus in zijn schaduw, in alle opzichten. ‘Mijn broer was beweeglijker, praatte harder, had grotere driftbuien dan ik.’ Maar zoals vaker bij tweelingen, zijn ze ook bijzonder hecht. Samen bakken ze taarten, ontdekken ze dat ze op jongens vallen en spelen ze gevaarlijke ‘spelletjes’ als ‘waterboarden’ – een scène waar de roman veelzeggend mee opent. Ook smeden ze plannen voor hun toekomst, ‘alsof het een gezamenlijk knutselproject was dat we alleen nog maar hoefden uit te voeren.’

    Aantrekken en afstoten

    Op hun achttiende verhuizen ze samen naar de stad waar ze ieder een eigen etage betrekken, zij aan de westkant van een park, haar broer aan de oostkant. Slechts driehonderd meter liggen er tussen hen in en toch is dat voor de zus een hele wereld. Na een jeugd als outsider lijkt de broer zijn leven als jong volwassene met verve op te pakken. Hij studeert net als zijn zus Engels, wordt manager in een gaybar, krijgt een vriendenkring en gaat een eigen leven leiden. Op een gegeven moment wordt het park tussen hen een hele oceaan, wanneer zij naar New York en hij daarna naar Brazilië vertrekt en ze elkaar, tot groot verdriet van de zus, een jaar niet zien. De behoeften van broer en zus lopen nooit synchroon en zo wordt het van beide kanten een voortdurend aantrekken en afstoten. Dit wordt pijnlijk duidelijk in de toespraak die hij later, na zijn terugkomst, op haar bruiloft geeft. ‘Hij zei dat het goed voelde om me met Leo zo gelukkig te zien, maar dat hij zich wel een beetje zorgen maakte om zichzelf, hoe het hem zonder mij zou vergaan. Ze was er altijd, zei hij, ook als ik dat niet wilde. […] Hij vertelde over het enige jaar in ons leven dat we elkaar niet zagen […]. Hij was blij dat hij weer bij zijn zusje was, bij mij, want soms was ik wat veel, maar als ik er niet was dan was ik echt te weinig.’

    Nadat de broer een liefdesrelatie schijnbaar plotseling verbreekt, raakt hij in een diepe crisis en ontglipt hij de zus volledig – zij begrijpt hem niet en hij kan zijn behoeften niet duidelijk maken. Opvallend zijn zijn zorgen om hedendaagse kwesties: de ondergang van het milieu, het lot van dieren in de vleesindustrie, de ontbossing van het Amazonegebied. Ook zij kan er wat van. ‘Ik schaamde me voor de uren waarin ik mezelf verloor in het zoeken naar verhalen van Holocaustoverlevenden, voor de manier waarop ik het grote leed van anderen gebruikte om mijn kleine leed te verwerken. Om de Holocaust mocht ik huilen.’ Verwoede pogingen om haar broer te bereiken in zijn laatste dagen zijn tevergeefs, een menselijke worsteling waar de wereldliteratuur bol van staat. Na de dood van haar broer slaapt de zus steeds vaker aan de andere kant van het park, in de woning die hij altijd aanhield, waar ze zijn kleding draagt en aan zijn keukentafel zit. Je voelt haar ontreddering, haar eenzaamheid – maar ook die van haar man Leo, die machteloos moet toekijken hoe hij zijn vrouw verliest aan haar dode broer. 

    Wat ze mist moet ze erbij denken

    Alles benoemen wat mooi is aan deze roman is ondoenbaar. Posthuma heeft weinig woorden nodig om een gevoel of een sfeer op te roepen. Ze schrijft rake zinnen die schrijnende beelden oproepen. Aan uitweiden doet ze niet, aan plot evenmin. Ook naamloos zijn broer en zus levensecht en kruipt hun verhaal onder de huid. In veel opzichten doet het denken aan Verdriet is het ding met veren, het indrukwekkende debuut over rouw van Max Porter. Net als in die roman zit de kracht hem in de details of toevoegingen die het verhaal diepte geven, en lading. Vooral wanneer het gaat over de zus en haar kleine, allesoverheersende obsessies. Haar aftandse, tweedehands bank in een ‘verkeerde kleur geel’ bijvoorbeeld, of haar asymmetrische gelaatstrekken; wat ze in haar leven mist, moet ze erbij denken. ‘Soms bedekte ik een klein stukje van de bank met de juiste kleur geel uit het stalenboek en dan dacht ik de rest van de bank er in die kleur bij. Soms dacht ik mijn ogen op gelijke hoogte als ik in de spiegel keek. Of ik dacht mijn broer erbij, zoals hij vroeger naast mij stond als we onze tanden poetsten, hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne.’ Het zijn dit soort combinaties – de juiste kleur geel in één adem noemen met het gemis van de broer, gekoppeld aan details – ‘hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne’ – die de tekst tot leven brengen en de lezer rechtstreeks in het hart raken.

    In eerdergenoemd stuk voor Trouw schrijft Posthuma dat de verkoop van Waar ik liever niet aan denk nauwelijks op gang kwam door de coronacrisis. Hopelijk is daar ondertussen verandering in gekomen, want dit boek verdient een groot lezerspubliek. 

     

  • Oogst week 49 – 2021

    Een geest in de keel

    Caoineadh Airt O Laoghaire is een gedicht van de Ierse Eibhlín Dubh Ní Chonaill uit de 18de eeuw. Het is een ‘keen’, een traditionele klaagzang over de dood zoals die in de Schotse en Ierse orale literatuur bekend zijn. De ‘Airt O Laoghaire’ uit de titel is de man van de dichteres, die in 1773 werd doodgeschoten. De 21ste eeuwse Ierse Doireann Ní Ghríofa (1981) kende het als kind al van school.

    In haar debuutroman Een geest in de keel is ze een moeder van vier kinderen die tussen het stofzuigen en kolven door een verweerde kopie van de klaagzang terugvindt. Ze herleest en het gedicht gaat steeds meer spoken in haar keel. Ze zet zich aan een vertaling, maar verdiept zich ook in het leven van de dichteres en zet dat af tegen dat van haar zelf. Zo wordt Een geest in de keel een confrontatie tussen twee levens die in tijd twee eeuwen uit elkaar liggen en toch een verwantschap hebben. Het boek begint en eindigt met de diverse malen als een mantra herhaalde zin: ‘Dit is een vrouwelijke tekst’.

    Een geest in de keel
    Auteur: Doireann Ní Ghríofa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Altijd weer opstaan

    Helga Schubert was tachtig jaar toen ze in 2020 de Ingeborg-Bachmann-Preis kreeg voor haar autobiografische verhalenbundel Vom Aufstehen. Ein Leben in Geschichten. Het opvallende was niet zozeer deze bekroning, want voor eerder werk sleepte ze ook al eens prijzen in de wacht, maar dat deze bundel het eerste boek van haar is dat na een stilte van achttien jaar weer eens verscheen. Ze noemde in een interview dat deze verhalen het beste waren dat ze geschreven heeft. Helga Schubert is het pseudoniem van Helga Helm.

    De verhalen in de bundel die nu in het Nederlands zijn vertaald als Altijd weer opstaan (ook de titel van het laatste verhaal) bestrijken een periode van ongeveer haar hele leven. Ze beschrijven in de ik-vorm haar tijd in de DDR en na de Wende in het nieuwe Duitsland en geven daarmee ook een persoonlijke schets van acht decennia Duitse geschiedenis. Sommige (jeugd)verhalen zijn verschrikkelijk (over haar liefdeloze moeder en over de controle door de Stasi bijvoorbeeld), andere juist poëtisch en begripvol. 

     

    Altijd weer opstaan
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika

    In Om het hart terug te brengen gaat de sinds 2004 in Nederland wonende Annemarié van Niekerk terug naar haar geboorteland Zuid-Afrika. Ze heeft op 15 augustus 2015 bericht gekregen dat haar vriend Ruben Gouws en diens moeder Tannie Hermien zijn vermoord. De twee moordenaars, twintigers, waren bekenden van Ruben. De reis terug is er niet alleen één in geografische zin, maar ook naar de tijd van haar jeugd.

    Het eerste deel van deze ‘memoir’ zet de schijnwerpers, onder de titel Die dag, op de dag van de moord in het onooglijke boerengehucht Ida in de Oostelijke Kaapprovincie. Op die 15de augustus wordt er op de deur geklopt van de woning bij het winkeltje van de moeder. Schoolhoofd Ruben woont bij haar in huis: ‘”Wie in vredesnaam kan dat zijn op de late zaterdagmiddag?” hoort Ruben zijn moeder roepen. “Dat komt wel heel erg ongelegen”. Nu is het hún tijd samen en die laat ze zich niet zomaar afpakken.
    “Blijf maar, Mammie, ik ga wel even kijken.” Als hij langs het keukenraam loopt ziet hij ze staan, Lucy en Matoni. Een paar jaar geleden had hij ze nog in de klas.’

     

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika
    Auteur: Annemarié van Niekerk
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Vrij leven in de natuur en de tegenslag die daarbij hoort

    Vrij leven in de natuur en de tegenslag die daarbij hoort

    Tamsin Calidas en haar partner Rab besluiten Londen te verlaten om op een eiland in de Schotse Hebriden te gaan wonen. In Ik ben een eiland beschrijft ze een woelige periode uit haar leven met mooie natuurbeschrijvingen. ‘Ik houd ervan om naar het zingen van de zeehonden te luisteren, die zich baden in de bevroren warmte van de rotsen terwijl de zon de stroperige, bevroren vloed in zinkt.’ En ze geeft veel beelden en metaforen die meestal terugslaan op de natuur. 

    Omstreeks 2004 woonde Tamsin Calidas in een mooi appartement in Notting Hill in Londen. Ze had veel vrienden, topcarrière als fotograaf bij de BBC, leuke vriend met wie ze ook trouwde. Toch vervulde dat leven haar onvoldoende, ze zocht naar iets anders. Na een opeenstapeling van rampen: een zwaar ongeluk met een Londense taxi, geweld op straat, een insluiper, het lawaai en stress van de stad werd dat verlangen steeds sterker. 

    Zonder water en licht

    Tijdens een vakantie in Schotland trok een advertentie in de krant haar en haar man Rab aan. Op een eiland in de Hebriden (de naam van het eiland zelf wordt niet genoemd om privacy van auteur en de gemeenschap daar te beschermen) stond een vervallen croft (boerderij met wat land) te koop. Ze gingen kijken en het was liefde op het eerste gezicht. Wat ze kochten was een halve ruïne op een stuk land zonder water en licht en verruilden het luxe Londen voor het leven van een keuterboer. Aanvankelijk hielden ze schapen en koeien, hadden honden en een paard. Het was hard werken in isolatie omgeven door natuur en de furie van de elementen. 

    Wat dan volgt is een treurzang van tegenslagen – De eilandbewoners zijn vijandig en ze is slachtoffer van seksisme. Het weer is meedogenloos, de relatie komt onder druk te staan, de kinderwens niet vervuld, ze breekt haar beide handen, geldgebrek. En nog veel meer diepe ellende vermengd met de meedogenloosheid van het ruige klimaat.  

    Hoeveel leed kan een mens aan? Veel, als je Tamsin Calidas’ verhaal mag geloven. Is het leuk om te lezen? Na een honderd bladzijden niet meer zo. Al zijn de natuurbeschrijvingen mooi, met verrassende beelden en zinnen, maar soms is het te veel van het goede.

    Eenzijdige vertelling

    Dat ze haar man Rab buiten beeld houdt is jammer. Naar het hoe en waarom van de beëindiging van de relatie mogen we gissen.  ‘Ik wil de sleutel vinden naar die geheime gang die ons uit de brand kan helpen. Ik wil zo graag die blinkende sleutel in zijn slot steken. Elke dag probeer ik dat ondoordringbare mechaniek te doorgronden. Maar hoe harder ik het probeer hoe harder die verfijnde radertjes doordraaien, even snel en grillig als de zilte windvlagen die van zee aanwaaien. Op sommige dagen put hij je uit, die bijtende wind speelt hij met je alsof je drijfhout bent. Het doet pijn hem je onafgebroken te voelen ranselen. Ik hoop dat hij op een dag uit een andere hoek zou waaien.’ Een metafoor die slaat op haar man. Veel meer concreets komt er niet. 

    Over de eilandbewoners komen we nog minder te weten, enkel dat ze allemaal onsympathiek zijn. Niemand heeft bijvoorbeeld een naam, behalve Crystal, een oudere vrouw waar ze later mee bevriend raakt. Omdat de ik-persoon nauwelijks buiten zichzelf treedt blijft het hele verhaal nogal eenzijdig. Er is weinig dialoog weergegeven, we lezen vooral haar belevingen en gedachten, waarmee dit boek een egodocument is met een zware energie. De zwaarte van een eiland tussen Schotland en Noorwegen waar afzien door weer, wind en kou de regels bepalen. 

    Rab vertrekt en zij blijft alleen achter met de schapen, werk voor twee, zonder geld, fysiek en mentaal zwaargewond. Maar vastbesloten om te krijgen wat ze hebben wil, geeft ze niet op. In die zin is het ook een verhaal over moed en veerkracht. Calidas vindt loutering door haar vijanden aan te gaan en ontdekt schoonheid in angst.  Ze zoekt de grenzen op van menselijk kunnen, leeft op wilde planten en bessen en raakt echt in contact met de natuur en dierenwereld, zozeer dat ze zich een dier gaat voelen.

    Naar binnen gekeerd zoekt ze haar eigen loutering en komt erachter dat ze meer heeft met dieren dan met mensen. Een indringer op het eiland die verstoten wordt door de roedel. ‘Wanneer je jezelf onttrekt aan het lawaai van de moderne wereld, ontdek je niet alleen maar innerlijke wereld, maar ook een diep bewustzijn van de instincten die we zijn kwijtgeraakt. […] Onze eigen lichaamstaal aanpassen vereist oefening, maar het kan worden geleerd door zorgvuldige waarneming waarmee we een zeker begrip van dierengedrag rijker worden, en met vallen en opstaan zodat we de kans krijgen dichter bij een heleboel soorten te komen.’

    Geroepen door de zee

    Uiteindelijk wordt ze geroepen door de zee die haar genezing zal brengen, ze zwemt dagelijks, zomer en winter bij zeer lage temperaturen. ‘Toen ik mijn eigen angst voor de ruige wilde elementen kwijtraakte, begonnen vertrouwen en liefde uit andere bronnen tot mij te komen. Ik heb vele malen op de rand van deze rotsen gestaan en mijn handen hebben het uitgeschreeuwd naar de zee. Vandaag geeft ze antwoord en begint ze mij zacht te roepen.’ Dapper zoekt ze haar vijanden, de buren, op en vraagt om begrip en er komt een kentering. Ze blijft op het eiland wonen, vooralsnog alleen en heeft haar weg binnen de gemeenschap gevonden. 

    ‘In een oude mythe van wedergeboorte werd het dode land zo gelouterd van alles wat het uitdroogde, uitzoog. Ik smeed mijn eigen toekomst, wis jaren ontbering in het croften op deze brandstapel.’
    In Engeland is dit boek, net als ‘Het zoutpad’ van Raynor Winn, een bestseller waarin de auteur ‘blikverruimend blijft openstaan voor nieuwe manieren om intuïtief, lichamelijk en geestelijk in verbinding te staan met alles wat wild is om ons heen en binnenin ons.’ Veel mensen zouden het roer wel eens  willen omgooien en kiezen voor een vrij leven in de natuur zonder verplichtingen aan een baas, voor de meesten blijft het bij dromen, daarom vinden verhalen als die van Tamsin Calidas altijd wel hun weg naar een publiek.

     

  • Sciencef(r)iction

    Sciencef(r)iction

    De economische ratrace op aarde kent veel verliezers en weinig winnaars. De grootste winnaars van deze tijd, Jeff Bezos, Elon Musk en Richard Branson, tillen de ratrace naar een hoger niveau. Zij ontstijgen onze planeet voor een nieuwe krachtmeting: de ruimte koloniseren in hun geavanceerde ruimtemobiel. Marjolijn van Heemstra merkte in het NRC op dat de ruimte geen plek is om over te laten aan interplanetaire adel; er zouden regels moeten komen. Een eerste aanzet daartoe biedt Hanna Bervoets met Een modern verlangen. In deze veertien verhalen tellende bundel reserveert Bervoets er drie voor buitenaardse migratie. In groepen van vier dient de mens de onbewoonbaar geworden aarde te verlaten. Maar met wie wil je in zo’n pit reizen, gedurende veertien maanden? 

    Wraakgevoelens, voorkeursposities en frustratie: ze spelen een rol in de selectieprocedure. In dit drieluik komt Bervoets’ fascinatie voor ‘Expeditie Robinson’ het sterkst naar voren en tilt ze de term ‘passief-agressief’ naar een nieuwe dimensie. Abigail schrijft haar ex Betty, die boos is omdat ze niet door haar als reisgenoot is gekozen: ‘Waar het om gaat, Betty, is dat Cory iets heeft opgegeven om met mij en twee wildvreemden een pit te kunnen delen. Van jou, daarentegen, heb ik nog helemaal niets gehoord sinds de laatste persconferentie. (…) Of ben je vooral verdrietig omdat je deze kerst wat minder cadeautjes uit te pakken hebt?’ En Bervoets kan meer: ze tovert met perspectiefwisselingen en verwoordt op unieke wijze waarom vooruitgang het verlangen niet zozeer stilt, als wel verergert.

    Heeft het al likes?

    Bervoets’ tweede verhaal in de bundel, Een van ons, gaat over een online community voor cavia-eigenaren. De ergste veroordeling die een lid kan krijgen, luidt: ‘Ongeschikt om cavia’s te houden.’ Langzamerhand neemt de sociale druk in de community DDR-proporties aan. Vooral nieuwkomers, die natuurlijk fouten maken, krijgen bakken kritiek: sla is te vochtig en veroorzaakt waterige ontlasting, met aardbeitjes maak je je beestjes dood en zo’n gloednieuw dak boven het verblijf mag mooi zijn, het zou de cavia’s ook kunnen verstikken. Daarbij blijft het niet: ‘Happy Home Kruidenhooi is erg lekker, mijn dametjes willen niet meer zonder, schreef Arletta, maar Nico greep in: dat spul zit vol rotzooi, stukjes biet en zo, dat hebben cavia’s helemaal niet nodig, dat eten ze in het wild ook niet. De wilde cavia bestaat niet Nico – daar was Donja alweer.’ De vertelster houdt bij hoeveel hartjes, duimpjes en ‘sympathiek’-buttons de berichtjes oogsten. Zo ook die van Meryam.

    Meryams zoontje pakt cavia Fowler op en laat haar vallen, geschrokken van een grasmaaier. Terwijl zij ontroostbaar bij de dierenarts zit, speculeren de forumleden erop los: ‘Wat veel van ons wisten maar niet zeiden: dit beestje was ten dode opgeschreven. (…) nu konden we er, omwille van het beestje, niet meer omheen draaien: een cavia die niet kan lopen, rennen, vluchten of spelen, heeft geen leven. Je moet het beestje laten gaan, Meryam, dat is echt het beste nu, en de dagen daarna plaatsten we stickers onder het bericht, van kleine vlindertjes en bloemen, hartjes en beertjes, zo betoonden we ons medeleven.’ Meryam doet wat haar gezegd wordt. De community-leden zijn tevreden over hun cavialievendheid: ‘die avond zullen velen van ons hun beestje uit de kooi hebben getild om onze neus te begraven in de zachte vacht van het warmbloedige wezentje, ons voornemend dat we haar altíjd zo stevig zouden vasthouden, haar nooit, maar dan ook nooit zouden laten vallen.’

    Hysteria Lane

    In ‘Koffiebar met een Duitse naam’ staat de verdwijning van een Poolse baby in een rijke buurt centraal. Wie let op het tempo, gemak en de souplesse waarmee Bervoets langs de wijkbewoners rondom het Poolse gezin scheert, krijgt de indruk dat ze een drone-perspectief hanteert. Bovendien diept ze alle personages met slechts een paar zinnen uit en geeft ze hun een gezicht, waar ze – helaas – na driekwart bladzijde alweer afstand van neemt. Hier verlegt ze de focus van de neurotische Teddy naar haar buurtgenoot Ruben, een oud-cadet: ‘Ja, ze was getuige van misschien wel iets vreselijks en nu moet ze lief voor zichzelf zijn, nu moet ze het loslaten, ze hoeft niet altijd de problemen van anderen op haar schouders te dragen, klaar nu – ze hoort de agenten bij haar benedenbuurman aanbellen. Stipt op tijd, constateert Ruben. Zij zijn op tijd en hij is op tijd, zo heeft hij het graag.’ 

    Het maakt haar verhaal tot een stilistische parel die doet denken aan De Geruchten van Hugo Claus: een roman over de terugkerende Congo-veteraan Catrijsse, over wie heel Waregem roddelt, iedere bewoner in zijn of haar eigen kenmerkende stijl. Toch herhaalt Bervoets niet slechts het kunstje van de Vlaamse romancier, die een deugdzaam lijkend dorp laat bezwijken onder zijn eigen oorlogsverleden. Bervoets laat zien hoe ontzield de ooit zo mooie wijk is: ‘Kadirs Lunchroom had plaatsgemaakt voor een koffiebar met een Duitse naam, en waar ooit Café Raap zat keek hij nu door de ruit van een winkel die kandelaars maar ook heel dure truien verkocht. De nachtwinkel waar hij ooit snoep en later sigaretten haalde was er niet meer, wel ontdekte hij een wijnwinkel, zo stond het op het krijtbord buiten: De Wijnwinkel – en daarnaast nóg een koffiebar en daarnaast nog een…’ Gentrificatie voorziet wellicht in een behoefte aan vooruitgang, de vooruitgang is gewoon niet het antwoord op onze vragen.

    Verslaafd aan verlangen

    Toch is het te gemakkelijk om Bervoets’ thematiek te versimpelen tot ‘Vroeger was alles beter’. De titel, Een modern verlangen, zegt het eigenlijk al: hoe vergevorderd de technologische ontwikkelingen ook zullen zijn, de mens blijft verlangen naar wat hij niet heeft. Een verlangen is een zucht, een zucht is een verslaving. En van een verslaving kom je niet zomaar af. Of dat verlangen nu een genetisch perfect kind belichaamt, een hond die een aanrijding met een aandenderende intercity wél overleeft of een knopje met de tekst ‘anderen uitschakelen’, zodat je de hele wereld alleen voor jezelf hebt. 

    De techniek reikt in het futuristische verhaal ‘Dag 1851′ zelfs zo ver dat de diepste wens van mevrouw De Clou niet begrepen wordt. De oude vrouw in de rolstoel wordt volledig bestuurd door een zakelijke robot-Ik van ggz en zegt met haar lichaam op zee gericht: ‘Rijden.’ Ik start de kar: ‘De rit naar het terrein duurt één uur en vijftien minuten.’ ‘- Nee, niet omdraaien. Ik wil dóórrijden, rechtdoor rijden.’ Dan treedt ‘het protocol’ in werking, wordt de patiënte gemuilkorfd en dompelt de goedbedoelende robot haar nog dieper onder in haar misère. Met Een modern verlangen logenstraft Hanna Bervoets de maakbaarheid van het leven. Het verfrissende is: dit ligt niet per se aan het leven, maar aan de mensen die naar maakbaarheid smachten.

     

  • Klimmen is verhalen maken

    Klimmen is verhalen maken

    Menigeen zal zich de foto’s herinneren die de Nepalese klimmer Nirmal Purja op 21 mei 2019 maakte van filevorming naar de top van de Mout Everest. Die drukte is op meer plaatsen een probleem. Zo laat Toine Heijmans de protagonist van zijn roman Zuurstofschuld, Walter Welzenbach, als hij een andere achtduizender in de Himalaya beklimt zeggen: ‘Het grootste probleem van deze berg is de drukte. Zoveel klimmers gaan op goede dagen tegelijk omhoog, rissen mensen in hetzelfde spoor, wachtend op de volgende stap, dat het gevaarlijk wordt. Dood gewicht (…) Traagheid als maatstaf, terwijl iedereen almaar sneller boven wil zijn.’

    Wie zelf geen alpinist is heeft waarschijnlijk het vrij stereotiepe beeld van ijzingwekkende ontberingen op weg naar heldendom en van verminkingen en onvindbare doden. Heijmans laat in Zuurstofschuld een scala aan aspecten zien: vriendschap, eerzucht, ethiek, jaloezie, commercie enzovoort, maar ook de verschillen tussen het verhaal van de klimmer en dat van het publiek. Als Walter een stuk schrijft over Toni Kurz (hij liet in 1936 op een tragische manier het leven op de Eiger omdat hij tijdens het abseilen bleef hangen in zijn touw op een hoogte waarop een reddingsteam hem niet kon bereiken – een beroemde foto ervan is in de roman opgenomen) zegt hij daarin dat alles wat later over Kurz is ‘gezegd of geschreven komt van degenen die het op afstand zagen gebeuren, of er over lazen’. Er was zo weinig bekend over hem, dat in hetzelfde jaar 1936 al een fictief dagboek uitkwam: ‘de roman als laatste redmiddel om de waarheid te begrijpen’. Die laatste woorden worden niet alleen Walter in de pen gelegd, maar ze gelden ook voor Toine Heijmans zelf. In een interview vertelde hij dat zijn boek geen non-fictie had kunnen zijn: ‘Het moest een roman worden, anders kon ik niet vertellen wat ik wilde vertellen.’.

    Heimwee

    Toch wilde Heijmans, die zelf al lang niet meer klimt, de talloze grote ervaringen uit de bergsport opnemen. Hij kiest als verteller daarvan zijn hoofdpersoon Walter (19) die bevriend raakte met Lennaert (Lenny) Tichy (21). Ze studeerden beiden in een stad die wat weg heeft van Nijmegen waar Lenny Walter de eerste klimtechnieken leerde op de pijlers van de (Waal)brug. Het voelde voor Walter alsof hij er zijn ‘bestemming vond’. Op de kamer van Lenny laafde hij zich aan de verzameling biografieën van bergbeklimmers ‘alsof ik heimwee had’. Ze gaven hun studies op en vertrokken naar Chamonix aan de voet van de Mont-Blanc waar hun echte berggeschiedenis begon. Ze maakten samen een aantal tochten, tot Lenny ermee stopte, trouwde, kinderen kreeg en uiteindelijk een bedrijf ging leiden in Voorburg. Walter bleef zijn grote liefde, het klimmen, trouw.

    Zuurstofschuld gaat over de vriendschap tussen de twee voormalige studenten en over vriendschap in het algemeen. Het grote verhaal daarnaast wordt gevormd door de ervaringen van Walter tijdens de beklimming van een Himalayatop die te identificeren valt als de Cho Oyu in Tibet. Omdat Walter de hele bibliotheek van Lenny in zijn hoofd heeft zitten kan hij zijn gedachten steeds illustreren met aansprekende voorbeelden uit het alpinisme. Bieden die op zich al meer dan voldoende stof voor een boeiend relaas, in het persoonlijke verhaal van Walters eigen beklimmingen wordt de spanning nog eens te meer opgevoerd. Dat doet Heijmans in een vernuftig geconstrueerde opzet van de roman met veelzijdige filosofische en ethische beschouwingen; je wilt de rake zinnen daarin voortdurend aanstrepen.

    Verhalen maken

    Walter beklimt de Cho Oyu in een tijd dat het alpinisme steeds idioter lijkt te worden. Alle toppen zijn al bedwongen en met dat gegeven worden de meest absurde nieuwe doelen gesteld: zonder zuurstof naar boven, een nieuwe route naar de top, de snelste tijd neerzetten, als oudste, als jongste, als gehandicapte de top bereiken, de ‘seven summits’, de zeven hoogste bergen, veroveren in zo kort mogelijke tijd, ja zelfs op een mountainbike de berg op. En ondertussen worden de bergen begraven onder het afval en alsmaar luxere (basis)kampen met helikopterplatforms, winkeltjes, een ziekenhuis, warme douches en restaurants.
    Te midden van al dat geweld beklimt Walter de berg solo, vóór de groepen uit. Onderweg krijgt hij tegen zijn zin te maken met de Canadees Monk Sanders, die voortdurend selfies loopt te maken voor zijn sponsor. Toch ontstaat er een band. De twee raken zelfs op elkaar aangewezen. De dialogen tussen hen zijn juweeltjes in de roman. Zoals die over de populariteit bij het publiek van films over bergbeklimmers: ‘Wij maken verhalen. Dat is wat we doen. Verhalen die ze stiekem op hun kantoorcomputers bekijken tijdens hun lange, bange dagen op het werk (…) Het gaat ze niet om ons, maar om zichzelf. Wij brengen ze naar een plek die ze zelf nooit bereiken (…) Wij nemen ze die tocht uit handen, geven ze de mogelijkheid om over zichzelf na te denken.’

    Contragewicht

    Dialogen ook over het klimmen waarbij je door een lijn met elkaar verbonden én van elkaar afhankelijk bent: ‘Lenny reguleert mijn zwaartekracht, ik reguleer de zijne, dat is wat vrienden doen. We zijn elkaars contragewicht, zoals bij een schuifraam dat half openstaat: je ziet niet waarom het in de sponning blijft hangen maar het gebeurt’ en: ‘Het is een scheef evenwicht; onze vriendschap moet uit balans zijn, anders is het geen vriendschap meer’. Hij haalt de beklimming van de Mount Everest door Norgay Tenzing en Raymond Lambert aan, een jaar vóór Hillary met Tenzing de top zou bereiken. Lambert was er zo slecht aan toe dat ze op 237 meter onder de top besloten terug te keren. ‘Ze wilden allebei niet dat de ander zou sterven (…) Ze keerden om op gevoel, ze wilden elkaar niet kwijt’. ‘Ze waren vrienden’, zegt Walter. Tenzing en Hillary waren dat volgens hem niet. Zij waren sahib en sherpa, heer en sjouwer.

    Lenny heeft Walter bij een vroegere beklimming uitgelegd wat zuurstofschuld is: ademen brengt je uit balans. Daarom is het soms nodig te klimmen zonder dat te doen. Pas daarna zuig je je longen vol. ‘Je klimt op zuurstofschuld’. Het blijkt vele pagina’s verder tevens een metafoor voor wat klimmen met de alpinist doet: ‘dat niet de tijd die je in de bergen doorbrengt belangrijk is, maar de tijd erna (…) Elke beklimming is ingedikte tijd die later goedgemaakt moet worden’.

    De hoofdstukken in Zuurstofschuld dragen bijna allemaal als titel een hoogte in meters. Ook het laatste, dat bestaat uit een lege pagina. Dat is niet zonder betekenis want de lezer die dan terugbladert naar een eerder hoofdstuk met dezelfde titel wordt geconfronteerd met een onderliggende spanning die hem bij eerste lezing ontgaan zal zijn. Ineens wordt duidelijk wat werd bedoeld met de ooghoek waarin Walter Lenny zag. En waarvoor de rode thermosfles stond.
    Zuurstofschuld bevat meer suspense dan je aanvankelijk vermoedt.

     

     

  • Mensen op zoek naar verbinding

    Mensen op zoek naar verbinding

    Mensen gaan relaties aan. Met zichzelf, anderen, dieren en voorwerpen. Soms zorgen deze relaties voor wringende situaties, onbegrip, ongemak en zelfreflectie. Wat zeggen die relaties nu eigenlijk over onszelf? Een modern verlangen is de nieuwe verhalenbundel van Hanna Bervoets. Een aantal van deze veertien verhalen uit de bundel verscheen in literaire tijdschriften en bijlages zoals Das Magazin, De Morgen en Vrij Nederland

    In Een modern verlangen worden menselijke verhoudingen en communicatie op verschillende manieren, in verschillende scenario’s onder de loep genomen. En dat doet Hanna Bervoets op een voortreffelijke manier met een altijd vernieuwende blik. 

    In deze bundel weet zij een groots verhaal te vertellen: dat van het menselijk verlangen naar contact. Dit verlangen beschrijft ze in verschillende settingen en tijden. Zo zijn er verhalen met een futuristische, maar niet ondenkbare inslag, maar ook gebeurtenissen ‘van vroeger’ met herkenbare situaties voor iedereen die vroeger bij buurmeisjes en -jongetjes ging spelen. 

    Verrassende perspectieven

    Soms speelt de auteur met het afwisselen van verschillende perspectieven. Zoals in Een koffiebar met een Duitse naam waarin het perspectief als een estafettestokje wordt doorgegeven en de alledaagse omstandigheden van de vertellers het raam vormen voor een bizar en duister verhaal. De verschillende blikken op dezelfde situatie zorgen ervoor dat de vaart erin blijft en dat de vertelling een prachtig einde kent waarbij alle puzzelstukjes in elkaar vallen. De lezer blijft vervolgens niet alleen achter met de spanning van het overkoepelende plot, maar heeft ook inzicht gekregen in de structuren van een buurtgemeenschap en in hoe de verschillende levens elkaar, plus de algehele situatie an sich beïnvloeden. 

    Emotionele scènes

    In het onderzoeken van de verschillende manieren waarop mensen met elkaar omgaan weet Bervoets niet alleen verrassende vormen van communicatie te gebruiken als leidraad voor het verhaal (zo wordt er in één verhaal uitsluitend via forum posts gecommuniceerd, of speelt de buurt-Whatsappgroep een grote rol), maar weet ze met de inhoud van deze communicatie precies de vinger op de zere plek te leggen. De emoties achter de woorden van de personages worden feilloos voelbaar dankzij de zorgvuldig opgezette scènes en slim uitgedachte dialogen. 

    Een kritiekpunt hierbij zou kunnen zijn dat de dialogen soms wat houterig, onnatuurlijk en te beladen aanvoelen. Dat is vooral het geval bij het verhaal Kerstmis in de ruimte III waarbij de personages op een dusdanig existentiële manier met elkaar praten dat je je afvraagt of ze van tevoren ingestudeerd hebben wat ze willen zeggen om extra gewicht aan hun woorden te geven. 

    Evenwichtige verhalen vullen elkaar aan

    Desalniettemin weegt dit kleine punt van kritiek niet op tegen het evenwicht tussen de drie verschillende delen van Kerstmis in de ruimte. De verhalen vullen elkaar aan in het gemeenschappelijke onderwerp van een ruimtereis maar zijn alle drie even verrassend. Ook hier geldt weer dat Bervoets kiest voor een bijzondere manier van vertellen. Zoals de briefvorm waarin Kerstmis in de ruimte I zich afspeelt of het verloop van tijd in Kerstmis in de ruimte III, dat van heden naar verleden verteld wordt waardoor men de personages steeds beter begrijpt. Dit verhaal leent zich er dan ook voor om twee keer gelezen te worden: een keer van voor tot achter zoals het bedoeld is en één keer van achteren naar voren zodat men de door Bervoets zorgvuldig opgebouwde band tussen de personages Anton en Frank nog meer waardeert. Hierdoor krijgen de verschillende aspecten van de vriendschap, die gebaseerd lijkt te zijn op het motto “door dik en dun”, nog meer impact.

    Sciencefiction in het alledaagse

    Een andere gemeenschappelijke deler in veel van deze verhalen is het futuristische of sciencefiction-achtige tintje. Zo deinst Bervoets er niet voor terug om veel voorkomende zaken en problemen als depressie, ziekte, rouw en verlies te plaatsen in een bevreemdende setting. Zoals in het verhaal De doos waarin een man zichzelf blootstelt aan gruwelijke pijn om zijn sombere gedachtes in een ander perspectief te kunnen plaatsen. Of zoals in het verhaal Dit is hoe vlierbessen ruiken waarbij de hoofdpersoon de ontmoeting met andere mensen naar believen aan en uit kan zetten. Deze vervreemdende elementen versterken de dingen die iedereen herkent en meemaakt in zijn of haar leven. Dat zorgt voor een andere manier van kijken; je blik wordt op het bijzondere in het alledaagse gericht. Deze eigenaardige situaties benadrukken de onderliggende en primaire emoties die we allemaal herkennen en ervaren, zoals onzekerheid, angst, pijn, woede enzovoort. Het zet de lezer aan het denken: hoe ver zou je bijvoorbeeld willen gaan om van je lijden verlost te worden zoals in De doos? En hoeveel recht op leven hebben chronisch zieken als het gaat om overleving zoals in Kerstmis in de ruimte III? Hoe zoek je naar nieuwe middelen van communicatie als je je zicht en gehoor verliest zoals een personage in Ganzen

    In alle veertien verhalen toont Hanna Bervoets het verlangen van de mens naar contact, naar verbinding. Het is knap hoe ze telkens in een korte tijd een wereld neerzet die dankzij de manier van vertellen, ondanks het sciencefictiongehalte, logisch voelt en waarin je als lezer de persoonlijke geschiedenis van een personage bijna denkt te kennen, ook al is deze onverteld. Daarmee laat elk verhaal de lezer voldaan achter zonder vragen over plot of personage. De enige vraag die wél opkomt is: hoe sterk is mijn eigen moderne verlangen naar verbinding?

     

  • Wraak via pretparken

    Wraak via pretparken

    In de tweede roman van Emma Curvers, Melktanden, gaat ik-verteller Lon samenwonen met Philip, iets waar haar moeder, gescheiden van haar vader en wat mannen betreft aardig gedesillusioneerd, weinig heil in ziet. Het stel is eind twintig en verhuist naar een nieuw appartement met geheel nieuwe huisraad, wat de opmaat naar een langdurige en standvastige relatie moet zijn.

    Aan hun voorliefdes geven ze zich graag gezamenlijk over. Philip (componist en geluidsontwerper) heeft een zwak voor all-you-can-eat-restaurants en Lon (filmstudent) voor achtbanen. Ze delen alles samen, waaronder hun wensen. De achtbanen worden een ‘bindmiddel’ en Lon wil naar het ‘belangrijkste land op het gebied van achtbanen’, de Verenigde Staten, een plan dat door Philip wordt omarmd. ‘Hoe groter het idee dat ik opwierp, hoe aantrekkelijker het hem leek. “Natuurlijk moeten we naar Amerika, de bakermat van all-you-can-eat. We moeten eigenlijk alle achtbanen van Amerika testen.”‘ Een maand lang zullen ze de honderd belangrijkste achtbanen aandoen waarvan de auteur de namen aansprekend opsomt. Met de lichtvoetigheid van twee tieners stellen ze vast wie wat op reis doet.

    Auteur Emma Curvers heeft inderdaad met een vriendin een reis langs een aantal Amerikaanse pretparken en achtbanen gemaakt. In een interview in De Groene Amsterdammer van mei dit jaar zei ze over de vergelijking tussen de twee parken Disneyland en Six Flags: ‘Ik hou van de kunstmatige wereld van Disneyland. Six Flags heeft echt geweldige martelmachines van achtbanen. Maar het is een vreselijk, vies park vol tongzoenende pubers en goor eten.’ De opgedane ervaringen heeft ze vakkundig in Melktanden verwerkt.

    Barstjes, onzekerheden, weerstand

    Ondertussen bepaalt Philip hun leven. Lon volgt, is bang dat ze ‘zal tegenvallen’, wellicht overgehouden aan een gezinsproblematiek waarover Curvers eerder schreef in haar, gedeeltelijk autobiografische, eerste roman Iedereen kan schilderen. Philip houdt van feesten, is vaak ’s avonds weg. Lon houdt er niet van, werkt overdag en hoopt dat met het samenwonen hun dag- en nachtritmes synchroon gaan lopen. Om hun leven meer gezamenlijke structuur te geven nemen ze een hond. ‘En zoals elke mascotte, zou de hond er ook voor ons zijn als er even geen samenhang tussen ons leek te bestaan.’

    Curvers schetst een relatie met alle vrijheid en mogelijkheid tot ontplooiing voor een man en vrouw die ondanks hun verschillen een sterke band lijken te hebben. Ze laat zien hoe er kleine barstjes ontstaan, waar de onzekerheid binnensluipt en toont de – vooral door Lon ervaren – onderdrukte weerstand tegen een wens van de ander.

    Lollig bedoeld?

    Philip maakt een bucketlist van leuke dingen die hij nog wil doen voor hij oud is en Lon constateert dat het allemaal dingen zijn waarin zij geen enkele rol speelt, vooral omdat de lijst steeds langer wordt en zelfs het woord trio verschijnt. ‘Philip en zijn lijst zouden misschien wel verdergaan zonder mij, de vrouw zonder wensen.’

    Lon ontfermt zich behalve over het huishouden ook over hond Frans. Ze is zorgzaam, geeft hem wat hij nodig heeft. Daarom stoort het als Curvers het eerst denigrerend over ‘het lekkende beest’ heeft als Frans nog niet zindelijk is. Later geeft Lon hem een dikke, met de post gekomen envelop om op te kauwen. De envelop met een vrouwelijk handschrift was aan Philip gericht, een onheilsteken voor Lon. Curvers beschikt over een behendige pen en originele stijl waar de humor niet ontbreekt, maar dit doet wat vreemd aan. Is het lollig bedoeld om een hond op een pak papier te laten kauwen?

    Ze had al sloffen aan

    Op de feestjes waar Philip heengaat is ook een Andere Vrouw. Lon is boos en verdrietig, wat ze behalve met af en toe een misprijzende opmerking niet uit. De illusie moet in stand blijven, praten zou die verstoren, minnares Xenia wordt knarsetandend aanvaard. Via Philips browsergeschiedenis zoekt Lon informatie over de rivale. ‘Hoe meer ik over haar te weten kwam, hoe meer het voelde alsof ze bij Philip en mij in huis was komen wonen. Ze zat op onze nieuwe hoekbank, ze had al sloffen aan. Ze droeg een huispak van velours. Ze praatte over haar stage […] ze haalde met gemak ieders sterrenbeeld aan om gebeurtenissen te verklaren. En ik deed niets, behalve afwachten.’

    Eigenaardige wending

    Via een vrijwilligersorganisatie komt ze in aanraking met de oma van Xenia. Dat biedt een opening naar een mogelijkheid tot wraak. Niet Philip maar de oma, Louise, gaat mee naar de Amerikaanse pretparken want deze dame zal autorijden in plaats van Philip. Zelf rijdt Lon niet. Helaas zet Curvers de zevenenzeventigjarige nogal clichématig neer: Afhankelijk, met een rollator in een aanleunwoning, ziektes en pillen, klagerig, en aan het begin van de reis botst ze met de gehuurde auto op een andere. Nogal tegenstrijdig met hoe Louise op reis op gegeven moment haar eigen gang gaat en zich weinig aan Lon gelegen laat liggen. De irritatie slaat bij beiden dan ook toe.

    Op het einde van het boek nemen de gebeurtenissen een eigenaardige, in eerste instantie onbegrijpelijke, wending. Lon wordt door de schrijfster neergezet als een soort misdadigster die haar medereiziger aan grote gevaren heeft blootgesteld. Alsof een scherp denkende vrouw, ook al is ze oud, niet in staat is haar eigen beslissingen te nemen en weloverwogen keuzes kan maken over wat wel of niet binnen haar bereik ligt.

    Kunstgreep

    Curvers weet helder te schetsen hoe twee mensen vrolijk een relatie aangaan, hoe er ondanks alle goede bedoelingen en voornemens toch de klad in komt, hoe mensen elkaar niet goed genoeg blijken te kennen en elkaar onvermijdelijk teleurstellen. De manier waarop ze vervolg geeft aan de neergang van de relatie is echter een kunstgreep die ze niet in de hand houdt. Het verhaal over de Amerikaanse pretparken en achtbanen lijkt belangrijker dan het verdiepen van de karakters of het einde van een relatie. De personages blijven aan de oppervlakte en samen met de vreemde afloop laat het verder prettig lezende boek een onvoldaan gevoel achter.

     

  • Oogst week 27 – 2021

    Een modern verlangen

    Hanna Bervoets (1984) is auteur van onder meer romans, scenario’s, korte verhalen, essays en toneelstukken. Haar boeken worden regelmatig genomineerd voor belangrijke literaire prijzen. In 2017 kreeg ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Dit jaar schreef zij het goed ontvangen boekenweekgeschenk Wat wij zagen, waarvan de vertaalrechten al voor het verschijnen aan zeven landen werden verkocht. Vrijwel gelijktijdig verscheen Een modern verlangen, een bundel met veertien korte verhalen over, op het eerste gezicht, gewone mensen, vaak met een licht ironisch tintje.

    Alles in deze verhalen draait om menselijke relaties terwijl de personages zoeken naar hun plek in de wereld.

    Een modern verlangen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Osebol

    De Zweedse journalist Marit Kapla (1970) woont in Göteborg, maar komt oorspronkelijk uit Osebol, een plaatsje dat vierhonderd kilometer bij Stockholm vandaan ligt. Als tiener verliet ze het dorp en als volwassen vrouw keert ze er terug om het leven van de inwoners in kaart te brengen. De meeste bewoners zijn naar de stad vertrokken, de winkels zijn gesloten en verkeer is niet welkom op de toegangsweg naar het dorp.

    In Osebol vertelt Kapla de verhalen van de volwassenen die er nog wél wonen. Het resultaat is een meeslepende, poëtische ode aan het Zweedse platteland. In Kapla’s thuisland werden meer dan twintigduizend exemplaren van Osebol verkocht.

    Osebol
    Auteur: Marit Kepla
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De Parelduiker

    Op de cover van De Parelduiker de prikkelende vraag: ‘Kreeg Elisabeth Eybers terecht de P.C. Hooftprijs?’ Dat zou je toch denken, voor wie hem toegewezen krijgt die ook verdient. Jurist en letterkundige H.U. Jessurun D’Oliveira vraagt zich af, met de uitreiking van de in Zuid-Afrika wonende Nederlandse dichte Alfred Schaffer, die in het Nederlands schrijft, hoe het heeft kunnen gebeuren dat in 1991 de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eylbers deze prijs kreeg terwijl de reglementen dat eigenlijk niet toestonden; zij schreef in het Zuid-Afrikaans. En hoe het kan dat de P.C. Hooftprijs nooit aan een Vlaming, die toch in het Nederlands schrijft, werd toegekend.

    Van Lieneke Frerichs, waarvan onlangs de biografie van Nescio is verschenen een bijdrage over Japi, de hoofdpersoon in De uitvreter. Lang werd er gespeculeerd wie daarvoor model stond. Frerichs onderzoekt de verschillende speculaties, zoals die van Schrijver Eelke de Jong en K. Schippers, die in de Haagse Post van november 1971 de naam van ene Arie Rezelman noemden als zijnde ‘mogelijk model’ voor de uitvreter. Interessant stuk met verrassende uitkomst.

    Een stuk over een vergeten bloemlezing, UitverkorenVerhalen en gedichten over vervolgde mensen, (1979) samengesteld door onderduikster en verzetsstijdster Beccy de Vries. Ellen Krol vraagt zich af waarom deze bloemlezing met bekende en onbekende auteurs over de Jodenvervolging vergeten is. En wie was Beccy de Vries eigenlijk?

    Verder een stuk van Peter Daerden over de Waalse schrijver Conrad Detrez, die in de jaren zeventig als radioreporter in Lissabon belandde: het theater van een wedergeboorte, gedrenkt in verlangens naar gebronsde jongelui, de poëzie van Pessoa en de onoverkomelijke saudade. Jelto Drenth schrijft over de operaheldin en mannenverslindster Lulu van Frank Wedekind. Vic van de Reijt gedenkt journalist Igor Cornelissen (1935-2021). En enkele vroege gedichten van Doeschka Meijsing.

     

     

    De Parelduiker
    Auteur: Eindredactie: Hein Aalders
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Dit boek moet iedereen lezen

    Dit boek moet iedereen lezen

    Dit gaat niet over grasmaaien. Hoe lees je poëzie van Ellen Deckwitz is een vervolg op Olijven moet je leren lezen. Een cursus genieten van poëzie uit 2016. Van deze laatstgenoemde uitgave verschenen in korte tijd zeven drukken. En Dit gaat niet over grasmaaien uit najaar 2020 is ook al binnen een half jaar drie keer herdrukt: alle reden tot vreugde dus. Deze ‘opvolger’ maakte Ellen Deckwitz omdat ze merkte dat poëzie dynamisch is en onder invloed van veranderende omstandigheden telkens opnieuw vragen kan oproepen en nieuwe inspiratie teweeg kan brengen. Wat in de cursus uit 2016 niet aan de orde kwam krijgt nu een herkansing. 

    Opvallend is dat ‘genieten van poëzie’ blijkbaar is versoberd tot ‘het lezen van poëzie’. Wie goed oplet ziet dat in dit boek ook meer nuchtere aspecten van de dichtkunst aan de orde komen. Waarom er gedichten worden geschreven na een ramp, bijvoorbeeld. Of waarom poëzie helpt om te praten. Of waarom je door poëzie kunt ontdekken dat je niet gek bent. In 21 hoofdstukken van gemiddeld zes pagina’s gaat Ellen Deckwitz in op deze en andere vragen. De hoofdstukken zijn lichtvoetig geïllustreerd en van een duidelijke structuur voorzien. Elk hoofdstuk prijkt bovendien met een typografisch uitgelichte quote die – behalve door de vormgeving – de aandacht trekt door prikkelende woordkeus of stelligheid. Bijvoorbeeld:

    Wat je in teksten vindt en waardeert, is altijd afhankelijk van wie je op dat moment bent, wat je leeservaring is, wat je nodig hebt.’

    Of:

    ‘Er is een enorme ontroering wanneer je poëzie leest waarvan je het gevoel krijgt dat ze speciaal voor jou is geschreven.’

    Goeroe met zelfspot

    En dan de literatuur zelf die voorbij komt. Als ik goed heb geteld wordt in kort of ruim bestek verwezen naar het werk van een zeventigtal auteurs, van Rodaan Al Galidi tot Joost Zwagerman en van de Bijbel tot Delphine Lecompte. Ook enkele buitenlandse dichters en schrijvers zijn vertegenwoordigd, met namen als Simone de Beauvoir, Philip Larkin, Sylvia Plath en Warsan Shire, die haar poëzie ook via Instagram verspreidt. Een mooi podium: Deckwitz signaleert dat velen op Insta voor het eerst een gedicht lezen dat hun niet meteen het gevoel gaf dom te zijn. Tenslotte geeft Ellen Deckwitz aan het eind van veel hoofdstukken in een cursief gedrukte paragraaf heel concrete suggesties voor verder lezen.      

    De zelfbenoemde gedichtenevangelist Ellen Deckwitz is voor het antwoord op de vraag ‘hoe lees je poëzie’ een heerlijke ambassadeur: ze schrijft origineel, persoonlijk, met humor, begrijpelijk en toch nergens ooit zouteloos of truttig. Ze kiest haar voorbeelden goed en overtuigend … en met zelfspot, wat altijd goed is, zeker voor een goeroe. Voor het hoofdstuk ‘Hoe weet ik of een gedicht slecht is’ neemt Deckwitz een ongepubliceerd gedicht van zichzelf als uitgangspunt. 

    Vlinders

    ‘De vlinders fladderen verloren rondjes,
     ze hebben dit ongeliefd lichaam verlaten,
     degene die ze wegzond, houdt opeens terstond
     de mond, van verdriet kan ze niet meer praten.
     Het vuur in haar hoofd is wreed gedoofd.
     Wapperende wezens waaiden het uit,
     Dit is de laatste kans weet ze nochtans
     De zorg om de vliesdunne vleugels verbruid.’ 

    Aanstekelijke werkwijze

    In een destructieve analyse van dit gedicht, werkt Deckwitz vervolgens toe naar de stelling dat dit vers alleen maar dóét of het een gedicht is. Wat op zich wel weer mooi gezegd is. 

    Het woord dat Deckwitz’ werkwijze karakteriseert is: ‘aanstekelijk’. Zo gauw je een hoofdstuk uithebt van Dit gaat niet over grasmaaien wil je een gedicht gaan lezen of naar een bundel of bloemlezing grijpen. Beter kan niet, toch? Eigenlijk zou iedereen in Nederland met enig gevoel voor taal en literatuur dit boek moeten kopen en alle anderen zouden het dan van de overheid cadeau moeten krijgen, zomaar.’ Omdat het goed voor je humeur is, omdat het je aanzet tot nadenken, tot een keertje extra kijken en tot je gedachten en associaties de vrije loop laten en met aandacht volgen welke kant die opgaan.