• Metamorfoses van verdriet

    Metamorfoses van verdriet

    De debuutroman Prooidier van Irene Wiersma draait om drie personages: Kirsten, haar vriend Berend, en Rudi: de man op wie ze hopeloos verliefd wordt en haar de figuurlijke afgrond in helpt. Er ontstaat een toxische relatie tussen Rudi en Kirsten, maar de relatie tussen haar en Berend is ook niet liefdevol. De twee mannen sturen haar continu en er is weinig ruimte voor Kirstens eigen behoeftes en gevoelens. Haar onzekerheid laat haar bij beide mannen blijven, en haar zelfbeeld brokkelt steeds verder af. Totdat er bijna niets meer van over is. Ze leeft haar leven ‘angstig ineengedoken, zoekend naar verlossing in de armen van anderen’.

    Kirsten is een jonge, net afgestudeerde muzikante. Ze benadert de oudere Rudi, een bekende popartiest, om te vragen of hij haar wil helpen met haar debuutalbum. Hij stemt toe, maar al gauw blijkt dat hij andere bedoelingen heeft. Hij zuigt haar mee in zijn wereld, accepteert geen ‘nee’. Hij betwijfelt elke keuze die Kirsten maakt en beïnvloedt haar zodanig dat het lijkt alsof haar hele identiteit vervormt. Ze smelt bij Rudi, vergeet bijna wie ze is. Haar gevoelens voor hem zijn zo intens dat alles ervoor moet wijken. Er ontstaat een destructieve driehoeksverhouding, waarbij Kirsten zichzelf steeds meer verliest.

    Afgebrokkeld zelfbeeld

    Tussen Kirsten en Berend vormt zich ‘een barrière van onbegrip.’ Ze geeft toe verliefd te zijn op Rudi en daarmee jaagt ze Berend behoorlijk in het harnas. Hij lijkt haar te willen kneden tot een persoon die ze niet is. Onder het mom dat hij het beste met haar voorheeft, lijkt Berend in sommige opzichten nog dominanter dan Rudi. Kirsten incasseert een bijna constante stroom van beledigingen en woedeaanvallen van Berend, haar twintig jaar oudere vriend.   Hij had qua leeftijd haar vader kunnen zijn, en zo behandelt hij haar ook regelmatig. Op enig moment komt hij haar halen alsof ze een stout kind is: ‘Jas aan, nu, ik breng je naar je ouders. […] Ik vroeg je niets, ik zei: jas aantrekken’. Hij controleert alles, alsof ze zijn eigendom is. Dit neemt zulke heftige vormen aan dat Kirsten op een gegeven moment haar telefoon en laptop aan hem moet geven zodat hij alle inkomende berichten kan lezen. De rode vlaggen lijken ook bij deze man eindeloos. ‘Mijn adem stokt, ik krimp tot formaat Duimelijntje’. Ook hier is geen sprake van liefde en hij dwingt Kirsten in allerlei bochten en tot seks. Haar schuldgevoel richting Berend neemt buitenproportionele vormen aan en laat haar bij hem blijven en hem zijn gang gaan, terwijl ze eigenlijk los zou moeten komen van beide mannen. Kirsten neemt zich dit vooral steeds zelf kwalijk.

    Vervorming naar de ander

    Het afgebrokkelde zelfbeeld van Kirsten is op meerdere plekken terug te lezen. Niet geheel toevallig zijn er verwijzingen naar De gedaanteverwisseling van Kafka. Kirsten lijkt enkel nog te bestaan in de schaduw van anderen, en transformeert en vormt zich tot een vreemd wezen: ‘Als een levend accessoire’. Alsof ze haar omgeving nodig heeft om zichzelf te definiëren. Kirsten vormt zich naar de persoon die ze voor zich heeft; Rudi en Berend bepalen haar wisselende identiteit. ‘Ik verander in een fluorescerende cartoonversie van mezelf.’ Even later is te lezen: ‘De strelingen van Rudi’s vingertoppen reduceren me tot een graatloos wezen’.   Ook in de vele liefdeloze seksscènes tussen Rudi en Kirsten is dit terug te lezen. ‘Haast teder vouwt hij me open en neemt me; alles draait om hem, precies zoals het moet zijn – de bekende degradatie tot gebruiksvoorwerp’.

    De objectiverende woordkeuzes, waarin ze zichzelf of haar lichaam degradeert tot een ding,   zijn door het hele verhaal te lezen en laten zien dat Kirstens gevoelswereld en eigenwaarde steeds verder aftakelen. Haar emotionele afhankelijkheid wordt daarmee ook fysiek beleefd. Kirsten gaat uiteindelijk in therapie en vindt zichzelf terug. Ze breekt zowel met Rudi als met Berend en krijgt een nieuwe relatie met Vincent. Die relatie is wel liefdevol, en ze verlangt ‘niet langer naar het kruipen over de bodem, naar het schaven van mijn knieën bij het aanbidden van een defect persoon.’ Hoewel ze getekend is voor de rest van haar leven, krijgt het verhaal hiermee toch een geruststellende afsluiting.

    Een literaire traktatie

    Wiersma trakteert de lezer op een prachtig taalspel. Zinnen als ‘de lamellen voor de ramen snijden de zomeravond aan repen; verlangend gluur ik naar de lucht achter het glas, naar het laatste restje licht dat gloeit aan de horizon’ laten de lezer, ondanks het zware thema, genieten van de luchtige tussenstukken. Het kost daardoor geen moeite om begrip te krijgen voor Kirsten. Hoe onzekerheid onder de huid kan kruipen, en iemand kan vervormen en van zichzelf kan vervreemden. Hoe vatbaar iemand dan kan zijn voor een ander, die een persoon kneedt tot een ding dat hij of zij amper herkent. Wiersma heeft de complexiteit van zulke gevoelens en relaties prachtig beschreven. Rauw, ongefilterd en niet te overdreven. Een indrukwekkend debuut, en een aanwinst voor het literaire landschap.

     

     

     

  • Over leugens en verwerking

    Over leugens en verwerking

    Kan je het verleden opnieuw uitvinden? Of beter nog: kan een traumatische ervaring ervoor zorgen dat je voor jezelf een volledig fictieve geschiedenis verzint? Dat is een vraag die Julian Barnes al trachtte te beantwoorden in The Sense of an Ending en ook Paul Gellings  probeert hierop een antwoord te formuleren in Terug naar de Stichtstraat en als motto gebruikt hij dan ook een quote uit Barnes’ roman. Gellings is bekend als dichter en vertaler, maar heeft ondertussen toch ook al tien romans op zijn palmares.  Net als in de vorige boeken Zuidelijke wandeling en Zomer van Icarus  speelt Gellings’ nieuwste zich af in de Rivierenbuurt in Amsterdam.

    Het verleden aangepast

    De ik-figuur keert terug naar de straat waar hij als kind is opgegroeid. Een oude vriendin, Maud Eijlander, vraagt hem om samen langs te gaan bij hun oude buurman Chris Bloemhart, die filmbeelden heeft uit hun jeugd. De verteller is tekenaar van beroep en schetst aan de hand van tekeningen zijn jeugd terug. Hoewel hij lang niet meer in Amsterdam is geweest, komen de herinneringen sterk naar boven en krijgt alles door zijn tekentalent visueel gestalte. Hij heeft wel een probleem met de versie van de geschiedenis van Chris Bloemhart, die beweert de eerste bewoner te zijn van de Stichtstraat. De ik-figuur denkt daar anders over. Steeds meer is hij ervan overtuigd dat Bloemhart zijn verleden heeft aangepast. Aangezien de oorlog in het spel was, zou een trauma aan de grondslag hiervan kunnen liggen.

    Gellings schetst het beeld van het naoorlogse Amsterdam in een zeer tekenende stijl. De – vandaag zeer begeerde – buurt van Amsterdam-Zuid, achter de Rai, de Rivierenbuurt krijgt opnieuw vorm in de tekeningen van de verteller. Heel bijzonder is de mijmerende vertelstijl waarin de ik-figuur vandaag terugblikt op zijn jeugd en probeert zijn herinneringen te visualiseren. Iedereen beleefde de oorlog op zijn manier en de beelden die bovenkomen stroken niet met de waarheden die Bloemhart poneert. Gellings graaft verder in het verleden, in de herinneringen en verhalen van buren en ouders en reconstrueert aan de hand daarvan de ware toedracht. Niet alleen het eigen verleden wordt gereconstrueerd, maar ook dat van de buren en andere bewoners van de buurt. De mysteries worden stap voor stap ontrafeld en de puzzelstukjes vallen pas op het einde helemaal in elkaar. De auteur laat uitschijnen dat het liegen van Bloemhart niet zomaar vrijblijvend is: het is zijn manier om een persoonlijk drama en trauma te maskeren en verder te kunnen gaan met het leven.

    Serene vertelling

    Gellings voert verschillende personages op, maar de ik-verteller staat natuurlijk centraal. De wijze waarop de lezer samen met dat personage in het verleden en de herinneringen duikt, zorgt ervoor dat hij zich makkelijk met hem kan identificeren. Door het ik-perspectief te gebruiken twijfelt de lezer samen met de ik-verteller aan het verhaal van Bloemhart. Ook dit personage wordt uitstekend uitgediept en druppelsgewijs toont de auteur de beweegredenen van Bloemharts leugens. Naast de goed uitgewerkte personages, is de sfeer van zijn vertelling de grootste troef. De lezer wordt helemaal meegenomen en ondergedompeld in het Amsterdam van net na de oorlog en krijgt een haarscherp beeld van het leven in de Stichtstraat. Hij roept het moeilijke herstel van na de oorlog op waarin elkeen op zijn eigen manier probeert om te gaan met zijn oorlogservaringen. Hij weet hierin mooi te schetsen hoe dit voor de een al veel moeilijker verloopt dan voor de ander. Tegen de achtergrond van dit alles houdt Paul Gellings de toon heel sereen. Nergens klinken echte verwijten door, niemand wordt veroordeeld. Ondanks alle leugens en maskeringen tracht hij een waarheidsgetrouw beeld te schetsen van een moeilijke periode in het leven van de gewone mens. De roman lijkt een mix te zijn van memoires, oorlogsverhaal en whodunnit, maar finaal is het een mooie melancholische vertelling en herleving van het verleden. De poëtische vertelstijl blijft een handelsmerk van Paul Gellings en dat maakt de leeservaring zoveel dieper.

     

     

  • Soms lieflijk en scherpzinnig

    Soms lieflijk en scherpzinnig

    Lilian Zielstra (1991) studeerde Nederlands en was gedurende twee jaar stadsdichter van Groningen. De catalogus van de nationale bibliotheek vermeldt dat ze in 2019 een bundel gedichten publiceerde, en in 2018 de bloemlezing Dichten met oma: de mooiste gedichten voor en over Groningse ouderen. Dit jaar verscheen haar nieuwe poëziebundel, Mijn dochter draagt een steen. In de nationale bibliotheek is deze nog niet te vinden. Zielstra’s debuutbundel uit 2014, Specimen, ontbreekt trouwens ook nog aan de collectie. Haar nieuwe bundel telt dertig gedichten.

    Het eerste gedicht is getiteld ‘Vader’, het laatste gedicht heet ‘De moeder de vrouw’. In de titel van de bundel wordt een ‘dochter’ genoemd. Vader, moeder, dochter … De lezer zou kunnen verwachten dat Zielstra’s poëzie dicht bij huis blijft, betrekking heeft op familie, de nabije omgeving van belangrijke verwanten. In vrijwel alle gedichten valt het woordje ‘ik’ meerdere keren. Tien gedichten beginnen met ‘Ik’: Ik was op vakantie naar de cycladen, Ik mag geen gedicht schrijven over bevallen, Ik werd in november verliefd op een boer, Ik droom elke nacht over een man … Deze poëzie is, kortom, hoogstpersoonlijk, en sluit daarmee aan op het credo van de Tachtigers: kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Een voorbeeld:

    Handen

    ‘Ik was altijd rechtshandig, maar ik verzorgde
     mijn pasgeboren kind ineens met links.

     Alles in haar kamer moest worden verplaatst en aangepast.
     De deuren klopten niet meer. Ik was in de war en mijn lief zei:

    Het komt vast omdat je linkerhand dichter bij je hart zit,
     het is een teken van je lijf dat je zoveel van haar houdt. 

    Maar ik dacht dat het kwam doordat iets in mij zich had omgedraaid
     en de andere kant uitkeek, maar achteren, waar ik gebleven was.’   

    Persoonlijke poëzie

    Naast figuren als moeder, dochter en de ik, komen nog andere protagonisten voorbij: een vorig vriendje, maar ook ‘een man die ik niet kende’ of ‘De gothicmeisjes in lunchroom Eventjes’. In het algemeen gesproken is er natuurlijk niets tegen ‘persoonlijke’ poëzie. Zielstra weet ook geregeld haar individuele sensaties en ervaringen poëtisch treffend te verwoorden. Zoals in

    ‘Mijn moeder heelt een wond’ 

    ‘Mijn moeder leerde me namen
     van wat er in de berm leeft:
     meidoorn, braam en hondsroos.

    In haar tuin woekert vrouwenmantel.
     Ze pelt de flinterdunne laag van een blad
     en legt die op mijn geschaafde knie. 

     Zo geeft ze me voor de tweede keer
     een ongeschonden huid.’

    Wat in deze gedichten ontbreekt is juist dat wat poëzie soms zo krachtig en tijdloos maakt: namelijk dat de poëtisch verwoorde impressie of sensatie het individuele ontstijgt, en algemene geldigheid verkrijgt, en daardoor ‘herkenbaar’ is voor velen in plaats van voor de dichter alleen. In het gedicht ‘Bruiloft’ van Gerrit Achterberg gebruikt de dichter de regel ‘Familie duurt een mensenleven lang’. Dit is ijzersterk: herkenbaar voor iedereen en toch tegelijkertijd – juist door de formulering – munt Achterberg een krachtig nieuw inzicht. 

    Allerindividueelste expressie

    Precies op het belang hiervan werd gewezen door de dichter Jean Pierre Rawie in een interview dat hem werd afgenomen tijdens de Nacht van de Poëzie in 2023, beschikbaar als podcast. Als Rawie in een sonnet het overlijden van zijn vader memoreert, weet hij dat zodanig te doen dat het talrijke lezers raakt in het hart, omdat het ook over het heengaan van hún vader gaat. Dus om het credo van de Tachtigers uit te breiden: allerindividueelste expressie van allerindividueelste emotie, en dan zo, dat dit ook de emoties van anderen vertolkt. 

    Of dichteres Lilian Zielstra ooit zodanig gaat dichten over haar gevoelens en belevenissen dat dit voor haar lezers ‘herkenbaar’ wordt, is de vraag. Haar gedichten zijn op zichzelf scherpzinnig en soms lieflijk. Maar echt ‘raken’ doet haar poëzie niet.

     

    Poëziepodcast Camping de Vrijheid: Veertigste Nacht Van De Poëzie • ILFU.

     

  • Getuige van toewijding als vertaler en als dichter

    Getuige van toewijding als vertaler en als dichter

    Wanneer een dichtbundel is voorzien van een voorwoord – in Dijende gronden van Anjet Daanje is dat een stevig voorwoord – is er meestal iets aan de hand. Ofwel betreft het een nieuwe vertaling van een dichter die al een tijd niet meer onder ons is, ofwel gaat het om werk dat vanwege de bijzondere totstandkoming toelichting behoeft. In dit geval is het zowel het een als het ander. Hoewel Dijende gronden goed als een zelfstandig werk gelezen kan worden, is de bundel bedoeld als bijlage bij de eveneens in mei van dit jaar verschenen roman Het lied van ooievaar en dromedaris. Voor deze lijvige en complexe roman, die speelt in het Yorkshire van de negentiende eeuw, heeft Anjet Daanje veelvuldig gebruik gemaakt van de poëzie van Emily Brontë. 

    Toen bleek dat er niet veel vertalingen voorhanden waren – en wat er was ook nog eens verouderd bleek – besloot de schrijfster zich maar zelf aan de vertaling van een aantal gedichten te wagen. Een klus die haar zodanig inspireerde, dat zij ook enkele verzen schreef in de sfeer van Brontë’s werk. In die zin had Anjet Daanje twee petten op; die van vertaler en die van dichter. Van beide taken mag gezegd worden dat haar inspanningen hebben geleid tot mooie en meer dan geslaagde resultaten.

    Ritme en rijm

    Uiteraard doet elke vertaler zijn of haar best zo dicht mogelijk bij de brontekst te blijven. Of dat ook altijd lukt, is een tweede. Zeker bij het vertalen van poëzie heeft men niet alleen te letten op inhoud, toon, woordkeus, maar ook op ritme en rijm. Daanje is het buitengewoon goed gelukt de structuur van Brontë’s gedichten, die zij terecht muzikaal noemt, trouw te blijven. Zelfs waar zij concessies heeft moeten doen om in het Nederlands een cadans te realiseren die recht doet aan het Engelse origineel. Het tellen van lettergrepen blijft nu eenmaal een punt bij poëzie, zeker als men daar in twee talen rekening mee moet houden.

    ‘Had I but seen his glorious eye
       ‘Once light the clouds that wilder me,
    I ne’er had raised this coward cry
       To cease to think, and cease to be;

    Had hij maar één keer zijn lichtend oog doen gaan
       Over de dichte nevel die mij omsloot,
    Dan had ik nooit zo laf mijn beklag gedaan
       En gesmeekt om de verlichting van de dood;’

    Doorweven draden

    Niet alleen qua vorm en structuur, ook voor wat betreft stijl en sfeer is Daanje dicht bij Brontë’s origineel gebleven. Dat geldt zowel voor de vertaling als voor haar eigen gedichten. Die zijn niet als een apart onderdeel bijeen geplaatst, maar lopen als een extra draad door het weefsel heen, daar waar ze thematisch het meest op hun plek zijn. Waar het gedicht ‘No coward soul is mine’ – vertaald als ‘Mijn ziel is van geest niet laf’ – eindigt met de volgende regels:

    ‘De Dood speelt geen rol waar u beschikt
     Niet één atoom dat voorgoed door hem wordt ontzield
     Want u bent hartenklop en levenssnik
     En dat wat u bent kan nooit worden vernield.’

    sluit Daanje aan met:

    ‘Gebouwd ben ik uit eeuwigheid
     Een dak van droom en droog
     Een fundering van onwetendheid
     Mijn wanden wolkenhoog

     Uitwendig gebroken gewit
     Geplamuurd en geschuurd
     Niet onontvreemdbaar mijn bezit
     Tot opzegging gehuurd’

    Romantische thema’s

    Terecht noemt Anjet Daanje Brontë’s gedichten modern voor de tijd waarin ze zijn geschreven. Wellicht vanwege de absolute eerlijkheid die Emily Brontë van zichzelf eiste, was haar schrijven zowel naar stijl als inhoud sereen en krachtig tegelijk, en bovendien van een enorme klaarheid. Vrij van de wolligheid, de krullerige overdaad waaraan menig negentiende-eeuwse dichter zich te buiten ging. Toch was Brontë op andere punten juist helemaal een kind van haar tijd. Ook in haar werk komen we de grote thema’s tegen uit de Romantiek: de dood, het sterven; het fysieke en het geestelijke – aarde en hemel, lichaam en ziel – en hoe die zich tot elkaar verhouden. Zowel in het groot als in het klein wordt hierover gedacht en gedicht: de vergankelijkheid van de natuur, de eindigheid van het menselijk leven in al z’n beperking, gebrokenheid en het lijden zelf, en wat er daarna komt.

    Het voor die periode zo kenmerkende rusteloze zoeken naar de staat waarin de mens het meest waarachtig zichzelf is: dromend of wakend, levend of dood. En in dat alles wordt door Brontë en veel van haar tijdgenoten gevraagd naar de plaats, de rol en de werkzaamheid van God, of op z’n minst toch van een goddelijke kracht.

    ‘Thus truly when that breast is cold
     Thy prisoned soul shall rise
     The dungeon mingle with the mould –
     The captive with the skies –

     Dus echt wanneer tot slot de Dood je vindt
     Slaat je gekooide ziel op de vlucht
     Zodat de kerker zich met het stof verbindt –
     En de gevangene met de lucht -‘

    Mystieke dichters

    Van de drie zusjes Brontë wordt Emily vaak gekenschetst als de meest spirituele. Niet geheel ten onrechte. Uit haar gedichten spreekt een diep en intens zielenleven dat mogelijk het resultaat is van een combinatie van factoren, al kan men zoiets achteraf nooit met zekerheid stellen. Het praktische gegeven dat zij niet getrouwd was en niet haar dagen gevuld zag met de zorg voor een huishouden en kinderen. Daarbij het feit dat ze een vrouw was en niet zoals haar broer en veel mannelijke tijdgenoten kon gaan studeren of zich anderszins academisch ontwikkelen, hoezeer ze dat misschien ook had gewenst. Vast staat wel dat zij over een filosofische inborst beschikte die nog verder gevoed werd door het feit dat zij als domineesdochter veelvuldig in contact kwam met religieuze literatuur en spiritueel gedachtengoed in bredere zin.

    Ongetwijfeld heeft dat bijgedragen aan de diepgang van haar schrijven, waarmee zij zich niet alleen onderscheidt van andere dichters van haar generatie, maar waarmee ze zich ook moeiteloos kan scharen in de reeks van mystieke schrijvers. Haar vragen naar de essentie van het leven, de zin van het bestaan; haar zoeken naar God en de wijze waarop zij dat verwoordt – deemoedig, liefdevol, compromisloos en integer tot op het bot – doen in niets onder voor sommige teksten van grootheden als Hadewijch en Augustinus. Vooral waar dat zoeken de beweging volgt van binnen naar buiten en weer terug; want waar kan God gezocht en gevonden worden, anders dan in de eigen, eeuwige ziel? En ook waar dat zoeken – zoals in elke persoonlijke ontwikkeling – gepaard gaat met het voortdurende gependel tussen angst en twijfel enerzijds, en vertrouwen en zekerheid anderzijds.

    Charlotte & Emily

    Van de Brontë’s is bekend dat zij een hechte familie vormden. Geheel daaraan getrouw, sluit Daanje haar bundel af met enkele gedichten van Charlotte Brontë en van haarzelf over deze oudere zus. Verbindend thema in deze gedichten is het sterven van Emily op dertigjarige leeftijd en wat dat met Charlotte heeft gedaan, ondanks de verschillen – en meningsverschillen zelfs – die er waren tussen beide zussen. Niettemin waren zij aan elkaar verknocht en liet Emily’s heengaan een leegte achter die Charlotte twee dagen na haar zuster’s uitvaart zo beschreef.

    ‘Ook weet je niet hoe het is om, zoals ik,
     Daar te liggen en met dof betraande blik
     Uit te kijken over levens bouwval.
    “Donker en koud en zo eenzaam, zo eenzaam,
     Hoe moet ik die sombere reis ooit doorstaan,
     Als jij me niet vergezellen zal?”‘

    Een zusterschap waarbij Anjet Daanje zich thuis moet hebben gevoeld, getuige de integriteit en fijnzinnige toewijding waarmee zij – als vertaler én als dichter – deze bundel gestalte heeft gegeven. Een prachtige aanvulling op haar roman. Maar ook als op zichzelf staand werk een fraaie aanwinst in dit genre.

     

     

  • Oogst week 16 – 2021

    De stilte van de ander

    Abdelkader Benali schreef De stilte van de ander ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei. Aanvankelijk koos het het Nationaal Comité 4 en 5 mei hem ook als spreker voor de 4 mei-lezing, een besluit dat begin dit jaar werd gemaakt om de dialoog tussen bevolkingsgroepen te versterken. Eind januari legde Abdelkader de mogelijkheid toch naast zich neer: online gingen stemmen van tegenstanders op nadat er een uitspraak van hem, over het aantal joden in Amsterdam-Zuid uit 2006, weer was komen bovendrijven.

    Die kwam hem online op grote tegenstand, beschuldigingen van antisemitisme en haatberichten te staan. Deze lezing, bestemd voor de 4 mei-herdenking werd, met een speciaal toegevoegde apologie, uitgebracht door De Arbeiderspers,.

    De stilte van de ander
    Auteur: Abdelkader Benali
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaal paard, vale ruiter

    Katherine Anne Porters (1890-1980) Pale Horse, Pale Rider werd in 1939 voor het eerst gepubliceerd bij Harcourt, Brace and Company. Deze maand verscheen het in vertaling van Molly van Gelder bij Atlas Contact als Vaal paard, vale ruiter. Het boek is een bundeling van drie van Porters korte verhalen, waarvan het titelverhaal is gebaseerd op autobiografische ervaringen: de hoofdpersoon, Miranda, wordt besmet met het Spaanse griepvirus. Ze wordt ernstig ziek en ziet in haar angstige koortsdromen haar geliefde die naar het front wordt gestuurd, de loopgraven van Europa tijdens WO I.

    Porter zelf kreeg in 1915 tuberculose en verbleef in een sanatorium, waarna ze de pen opnam. Toen ze als journalist in Denver werkte, raakte ze bovendien besmet met het Spaanse griepvirus. Op het eerste oog leek die griep nog een onschuldige verkoudheid. In maart van 1918 meldt de eerste zieke zich in de VS – er is nog geen reden tot paniek, tot in augustus van datzelfde jaar de epidemie een levensbedreigend karakter krijgt – iets wat voor de hedendaagse lezer van Vaal paard, vale ruiter vast angstaanjagend herkenbaar is.

    Vaal paard, vale ruiter
    Auteur: Katherine Anne Porter
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De echo van mijn voetstappen

    Een ander boek waarin de lezer weleens akelige (symbolische) parallellen met ons heden zou kunnen ontdekken: De echo van mijn voetstappen van Daniël Dee, uitgegeven door Passage. In De echo van mijn voetstappen komt een ‘eenling’ er op een ochtend achter dat alle andere levende wezens van de aardbodem zijn verdwenen. Een overstroming zorgt er een paar dagen later voor dat hij letterlijk geen kant meer op kan, en zijn eenzaamheid zelf te lijf moet gaan. Daardoor komen existentiële vragen op, maar lijkt ook de waanzin steeds dicht(er)bij.

    Dit boek is het eerste deel van een zogenoemd Rotterdams tweeluik (Dee is oud-stadsdichter van Rotterdam), waarvan het tweede deel in het najaar van 2021 verschijnt.

    De echo van mijn voetstappen
    Auteur: Daniël Dee
    Uitgeverij: Passage, Uitgeverij
  • Gellings parafraseert de stem van de boze burger

    Gellings parafraseert de stem van de boze burger

    Waarom zouden alleen mooie plekken troost bieden? Dit vraagstuk onderzoekt Mark van Wonderen in zijn boek Treurtrips. Het is een op schrift gestelde reis door Nederland langs vergaderzalen met muren van golfplaat, spuuglelijke snackbars en bowlingcentra. Bitter garniture symphony! Met evenveel verve verwondert Paul Gellings zich over de Enschedese wijk Roombeek, die genadeloos werd weggevaagd door de vuurwerkramp anno 2000. Magnifiek verwoordt de schrijver hoe dit ongeluk tot op heden een open zenuw is in ons collectieve geheugen: ‘Op deze vlakte geen Colosseum of ruïnes als in Knossos. Er wordt een bladzijde omgeslagen, een pagina van beton in een geschiedenisboek.’ In zijn drieluik Steden van Pandora nemen Gellings’ personages nogal wat maatschappelijke verschijnselen de maat, nu eens geslaagd, dan weer misplaatst. En hoewel de verhalen Manchester, Helen en Een vlakte in de stad  los van elkaar lijken te staan, hebben ze alle drie een passieve ik-figuur gemeen. Niet voor niets citeert de auteur in zijn motto Philip Larkin: ‘So. Let me accept the role, and call / myself the circumstances tennis-ball’.

    RTL4-gehalte

    Ofschoon de titel anders doet vermoeden, gaat Manchester vooral over een omzwerving als de Odyssee. Deze tocht van Tim Nolte duurt echter slechts een paar weken en gaat geenszins over een listig genie. Ene Priscilla is vermoord in de Vechtstreek, vlakbij Tim. Om duistere redenen weigert de man die inmiddels in De Telegraaf ‘hoofdverdachte Tim N.’ wordt genoemd, zijn DNA af te staan bij de lokale politie. Hij heeft namelijk last van spookbeelden over een oneerlijke rechtsstaat, die koortsachtig op zoek is naar een zondebok: ‘Dat was geen rechter meer. Dat was een televisiedominee. (…) Dat onze rechtsstaat zichzelf niets heeft te verwijten. Dat er een onderzoek zal worden ingesteld. (…) En inderdaad, er wordt alles aan gedaan. Op papier.’ Volkomen overtuigd van de verrotting van het Nederlandse rechtssysteem vlucht Tim naar Rotterdam. 

    In een armoedige hostel treft hij hospita Dorothee aan, een excentriekeling: ‘Een vrouw die ooit een man was geweest of misschien nog wel.’ Hilariteit alom. Bij vlagen trekt de auteur het repertoire van Carlo Boszhard en Irene Moors leeg om bijpersonen te typeren. Zo zegt Dorothee over haar leven als prostituee: ‘Ja, lekker verwennerijtje. Maar een mens wordt oud en van dit bloody hotte weertje krijgt Dorothee migrainetje.’ Zoals de Bijbelse Rachab ooit Israëls spionnen uit Jericho hielp ontsnappen, zwijgt ze over haar verstekeling en zijn nautische vluchtpoging naar Liverpool. In Engeland gaat het geflirt met de commerciële omroep door. Een op sensatie beluste misdaadverslaggever treedt op als hulpsheriff, die met bravoure alle kreuken van justitie moeiteloos gladstrijkt. Oftewel: hij biedt Tim met zijn programma Argus eerherstel. Zijn optreden doet denken aan Peter R. de Vries, die wel vaker populaire dingen roept ten koste van de integriteit van het politieorgaan. In dit verhaal valt daar echter niets tegenin te brengen; een smerige hoofdagent blijkt de dader. Komt dat even goed uit.

    Onschuld en omgekeerd seksisme

    De ironie waarmee Gellings werkt, is ijzersterk. Tim zwerft door Liverpool, profiteert van de Britse spilzucht op straat en ergert zich aan de ‘illegale buitenlanders’ die de stoepen afstruinen. Net als hij. Zelf besteelt hij een Amerikaans gezin dat aan de Mersey dineert, want zij hebben toch geld zat. ‘Pas toen ik geschreeuw hoorde, besefte ik wat ik gedaan had,’ zegt hij nadien. Een prachtig voorbeeld van hoe een schijnheilig persoon zijn criminele gedrag rationaliseert. Als hij geweten had dat hij het ging doen, had hij zichzelf tegengehouden. Aanbeland in Manchester redt de Nederlander zijn nieuwe liefde Lynn van twee kerels, die wederom een soort manwijven zijn. Na een etentje op haar kosten blijkt Lynn ooit verkracht te zijn en daarom gaat ze niet in op de fysieke avances van Tim. Tot de vrouwelijke wispelturigheid de overhand krijgt: ‘Dan, onder het huilen, verandert er ineens iets. (…) van het ene ogenblik op het andere is bij mij alle beschaving en omzichtigheid verdwenen, bij haar alle terughoudendheid en angst.’ Naar de reden van deze ongeloofwaardige omslag blijft het gissen.

    Eenzelfde veranderlijkheid en onvoorspelbaarheid legt Helen aan de dag. Zij is de onbereikbare vrouw in de tweede, gelijknamige vertelling. Haar naam is perfect; de naamloze hoofdpersoon is nog steeds herstellende, aan het ‘helen’, van de verliefdheid op zijn studiegenote. Gellings waagt zich vaker aan woordspelerij, zoals bij de benaming van het café De Gloepe, een klanknabootsing van een stevige slok speciaalbier. De ik-figuur plaatst deze femme fatale aanvankelijk op een voetstuk, als nooit beantwoorde liefde van zijn leven. Naarmate zij zich ‘in trieste avontuurtjes’ verliest ‘met een potente maar foute Congolees’ en met een pizzabakker, stoot de dertiger zijn muze onbarmhartig van haar sokkel. ‘Er was tenslotte altijd iemand met wie ze heimelijk het bed deelde. (…) Ik had het bevrijdende gevoel dat er een gifbeker aan me voorbij was gegaan.’ De bedilzucht tart elke beschrijving, temeer daar de hoofdpersoon stiekem hoopt op een vrijpartij met haar. Die komt er, nadat de wijn rijkelijk vloeide. Hij feliciteert zichzelf met zijn bovenmenselijke bedprestaties: “‘Wat kan jij schreeuwen,’ zei ik. / ‘O, ik heb geen klachten.’ / ‘Mooi.’ / ‘En jij, secretaris?’ \ ‘Slechte vrouwen zijn altijd het beste. Vooral met een slok op.’” 

    Cafépraat versus vat der wijsheid

    Gellings parafraseert in Steden van Pandora de stem van de boze burger. De rechtstaat stapelt blunder op blunder en deugt van geen kant, vrouwen zonder steady echtgenoot zijn eigenlijk een beetje triest en de Randstad is een bolwerk van arrogantie: ‘…in de weer met peperdure lunches in gezelschap van buitenlandse auteurs en toegangskaarten voor het boekenbal, (…) ze konden zich niet voorstellen dat iemand ergens anders op deze aarde kon wonen dan aan een Amsterdamse gracht of achter het Concertgebouw,’ aldus een bijna-pensionado die ’s winters de Chinese Muur, Guatemala of Paaseiland bezoekt en de zomers barbecueënd en wijndrinkend in zijn grote tuin verpoost. 

    Gellings’ derde vertelling, Een vlakte in de stad, tapt uit een ander vaatje. Dit hoofdstuk betreurt de ‘vervinexisering’ van de Enschedese wijk Roombeek. De verteller vindt dat de panische regelzucht van de Nederlandse planologie doorslaat en ontaardt in kleurloze betonblokken. Liever zou hij zien dat dit stukje Twente zijn karakter behoudt. Hij haalt Willem Wilmink aan om deze overtuiging te bekrachtigen: ‘In de oorlog stond een stad in brand / Op Pathmos, Zwik en Hoogeland: / meer dan een halve eeuw nadien / kun je daarvan nog sporen zien.’

    Zo wint deze verteller de sympathie van de lezer. Met zijn onvoorwaardelijke liefde voor een gebutste en daardoor volmaakte plek bewijst Gellings dat Roombeek zélf een boek waard is: ‘Welke sprookjesverteller heeft hier rondgewaard? Luister naar de klank van de namen en de stad gaat open als een oud verhalenboek.’

     

  • Dystopische roman over de media

    Dystopische roman over de media

    Paul Gellings volgt in De wereld als leugen hetzelfde pad als in zijn voorgaande roman De jacht op de klaproos: beiden zijn sleutelromans. De laatste draaide, zoals een sticker op het omslag aangeeft, ‘omtrent de affaire Tuitjenhorn’, de recent verschenen roman draait rond ‘de werkwijze van redacties van kranten en talkshows’ vermeldt de achterflap.
    Al zou je in eerste instantie denken dat de auteur zijn lezers met mystieke gedachten en beelden De wereld als leugen binnen wil trekken: ‘Ik ben niemand. Niets dus’ en: ‘Ik ervaar voornamelijk leegte’. Al gauw dringt het besef door dat Gellings hier de spot mee drijft; de ik-figuur zit aan tafel bij de talkshow Midnight met Melchior (MMM), waar zojuist iemand ‘een hallucinante, mystieke roman’ heeft besproken, over een zoektocht ‘naar of confrontaties met het transcendente’. Het gaat de auteur niet om mystiek, maar om mystificaties. Niet om een transcendente wereld en ook niet om de echte wereld, maar om de wereld als leugen. Hooguit om trendgevoelige onderwerpen, zoals mystiek.

    Slecht verkopende schrijver

    De ik-figuur heet Milan Hartwich. Hij is aangenomen om een column te schrijven bij een regionaal dagblad, ‘De Klaroen’, een kopblad van het Landelijk Dagblad. De lezer weet meteen al, dat hij aan de kant gezet zal worden; de redactie heeft zogenaamd voor een ander format gekozen. Een bekend verschijnsel zoals onlangs bij radiocolumnist Philip Freriks.
    Behalve columnist is Hartwich ook schrijver van een roman en dichter in het genre ‘over een liefdesnacht met een sfinx van permafrost’. Gellings citeert een volledig voorbeeld van zo’n gedicht, dat het genre Slauerhoff lijkt te parodiëren – namelijk diens gedicht over de dichter die woont in zijn gedichten, waarbij Slauerhoffs ‘stad en woord’ bij Hartwich ‘loods of achterzaal’ zijn geworden. Hoe zot wil je het hebben. 
Dat beide boeken van Milan Hertwich nauwelijks werden besproken en slecht verkochten, zegt – je kunt erop wachten – vooral iets ‘over de pikorde binnen het bolwerk van uitgevers, jury’s, recensenten en andere inteeltplegers’.

    De media


    Ook literaire prijzen en hun jury’s krijgen ervan langs. Herken je in Louise Huppeldepup niet Louise Fresco? Net als het succes van Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door, van Trien Uittenbroeck (Griet Op de Beeck?). 
Maar net als je denkt dat je in het personage Myra Melchior, de talkshow-presentatrice, Eva Jinek kunt ontwaren, stapt Jinek zelf het verhaal binnen. Zou Myra Melchior dan mede zijn gebaseerd op Nadia Moussaid? Leuk om proberen te achterhalen, al gaat het daar niet echt om – voorop staat dat de lezer in de maling wordt genomen. Helemaal.
    Toch komen er genoeg ‘echte’ dingen voorbij, zoals het essay De Nieuwe Revisor van Jeroen Brouwers. Achterin het boek zijn ze op een rijtje gezet. Pastiche en echt grijpen in elkaar, als de Ripolinmannetjes op een verfblik.

    Biografie


    Zinnen als ‘Stofgoud viel door de roestende bladerkronen, en de zon legde haar hand in mijn nek’ lijken in eerste instantie het verhaal af te remmen, wat je als lezer zowel positief (moment van reflectie) als negatief (stijlbreuk) kunt ervaren. Maar dan komt de aap uit de mouw. Wanneer Gellings Hartwich op een boekenbal beschrijft: ‘Ik was een wandelende stijlbreuk in mijn vliegeniersjack en spijkerbroek’. Al omschrijft Myra Melchior, met wie hij een one night stand heeft, het als ‘bestudeerde nonchalance’. Net als echt en nep grijpen ook stijl en stijlloosheid in elkaar.
 Melchior verzoekt Hartwich een biografie over haar te schrijven, die alle roddels over een affaire tussen haar en Hartwich de kop in moeten drukken. Dat ook dit niets wordt, net als de columns, blijkt uit enkele mooie, sprookjesachtige hoofdstukken over een rodondendronbos en een heks die daar woonde en paart met wolven en beren. Hoofdstukken die – de lezer raadt ook dit snel – het begin van Hartwich biografie van Melchior zijn. Zij is not amused. Met het voorschot (zwart geld van Melchior) vlucht Hartwich per taxi naar het oosten van het land, het sprookjesbos in.

    Dystopie

    Deze mooi vertelde hoofdstukken – die naast het liefdesverhaal vol seks, drugs, rock ‘n’ roll en de vileine satire op het literaire leven staan – nuanceren het toch wel al te eendimensionale verhaal. Een verhaal dat geplaatst kan worden in de traditie van de dystopische roman, zoals Fahrenheit 451 van Ray Bradbury, die Gellings trouwens ook noemt. 
Hoe kom je nu verder. Daarvoor zou je bij een ideeënroman moeten zijn, met minder clichématig uitgewerkte personages (het heroïnehoertje dat op de achterbank slaapt van Hartwichs auto). Maar daaraan ontbreekt in dit boek misschien de vaart. De keus is aan de lezer.

     

  • Oogst week 47 (2018)

    Zijnsvariaties. Verbovelden

    Gelijktijdig met de uitreiking van de eerste Sybren Poletprijs, -een oeuvreprijs van een Nederlandstalige auteur die schrijft in de geest van Polets werk– is vorige week de bundel Zijnsvariaties Verbovelden van Sybren Polet verschenen.

    Zijnsvariaties Verbovelden is een bundel die is samengesteld uit handgeschreven versies van voltooide gedichten die postuum gevonden werden en nog niet eerder gepubliceerd zijn. Als eerbetoon aan de dichter geven de Polet-Stichting en Uitgeverij Wereldbibliotheek deze bundel uit met facsimiles van het handschrift en de door Elice de Gier en Laurens Ham bezorgde tekst.

    Vorige week, op 18 november 2018, werd de Sybren Poletprijs 2018 uitgereikt aan dichter, roman- en theaterschrijver Peter Verhelst. Vanaf nu wordt de prijs elke drie jaar uitgereikt.

    Polet zelf zou blij geweest zijn met deze winnaar. De jury haalt in het juryrapport zìjn woorden die hij over het werk van Verhelst schreef in Crito, ik ben de literatuur nog een haan schuldig, een bundel notities uit 1986:

    open of opengewerkte structuren als uitvalbases naar zich uitdijende periferieën, permanente overschrijdingen van eerder, door anderen of zelf gestelde, grenzen, het ontkennen van te centralistische uitgangspunten via middelpuntvliedende constellaties nadát – vaak tevergeefs – een centrum gezocht werd of centra werden ontworpen.’

     

    Zijnsvariaties. Verbovelden
    Auteur: Sybren Polet
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek (2018)

    Wat doen wij hier?

    De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson (1943) zal op 15 december 2018 de openinglezing houden op de Nexus-conferentie ‘The Battle Between Good and Evil’.

    Robinson, filosoof, theoloog en professor Creative writing en bekend van o.a. van de romans Gilead, Thuis en Lila, wordt als een van de meest toonaangevende religieuze denkers van onze tijd beschouwd.

    Haar meest recente boek is Wat doen wij hier? ‘In een roerige tijd waarin we volgens Marilynne Robinson tussen links en rechts heen en weer worden gesleurd in een draaikolk, vraagt ze zich af wat het betekent om mens te zijn.
    Dankzij haar kennis van theologie, geschiedenis en literatuur brengt zij een verloren verleden in verband met het heden, en schenkt zij aandacht aan grote levensvragen als: waarom bestaan wij, hoe moeten wij leven? In prachtig proza pleit ze voor het omarmen van de ideeën van grote denkers, en reflecteert ze op het hedendaagse politieke klimaat en op geweten, geloof, geluk, liefde, schoonheid en wat het betekent om te leven.’

     

    Wat doen wij hier?
    Auteur: Marilynne Robinson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2018)

    De wereld als leugen

    Paul Gellings vertelt op zijn website waar zijn nieuwe boek De wereld als leugen over gaat:

    ‘Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshowpresentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen. Volgt een spel van aanhalen en afstoten en uiteindelijk een wonderlijke biografie die Myra’s woede wekt en Milan zelfs op niet mis te verstane bedreigingen komt te staan. Hij beseft dat er in zijn geval geen scheidslijn meer loopt tussen bovenwereld en onderwereld en dat hij een passend antwoord moet zien te vinden op zijn netelige situatie.
    Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Met name schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak. Tijl is een soort grote broer, een mentor, die Milan geregeld aan het denken zet en hem ook probeert te behoeden voor het wespennest waarin Milan zich heeft gestoken door zich met iemand als Myra Melchior in te laten.
    Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden…’

    De wereld als leugen
    Auteur: Paul Gellings
    Uitgeverij: Uitgeverij Passage (2018)

    Revisor 21

    Tot slot aandacht voor Revisor nummer 21, waarin nieuw werk is verschenen van Alejandra Costamagna, Elisabeth Tonnard, Gilles van der Loo, Jens Meijen, Victor Frölke, Merel van Slobbe, Jilt Jorritsma, Han van der Vegt, Nikki Giovanni, Mathijs Deen, Miek Zwamborn, Roman Helinski en Marieke Lucas Rijneveld.

    Revisor 21
    Auteur: Revisor
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Een urgente roman 

    Een urgente roman 

    Het is met De morfinetrilogie van Paul Gellings als met de discussie over de vraag of het glas halfvol of halfleeg is. Wie elk van de drie boeken (Verbrande schepen, Augustusland en De jacht op de klaproos) apart leest, zal geïmponeerd zijn door rake karaktertekeningen. Wie ze echter achter elkaar leest, zal opvallen dat de personages enigermate uitwisselbaar (b)lijken te zijn. Dat komt niet omdat sommige personen in verschillende boeken voorkomen, zoals Esmee, de vrouw met sinustrombose (een ‘kraamhoofd’) uit Augustusland die in De jacht op de klaproos een patiënte blijkt van de hoofdpersoon. Het komt eerder omdat sommige karakters, zoals bijvoorbeeld de twee rechercheurs die in De jacht op de klaproos de vrouw van de overleden patiënt verhoren, wat sjabloonmatig zijn neergezet. Tot die conclusie kom je, als je het glas als halfleeg beschouwt.
    Als je uitgaat van een halfvol glas, zal de lezer er waarschijnlijk niet over vallen en iemand als de stagelopende co-assistente uit De jacht op de klaproos sterk uitgewerkt vinden. Een jonge vrouw die soms tegen de diagnoses van de huisarts van de oude stempel in durft te gaan, slagvaardig is, ambitieuze plannen heeft om hoogleraar te worden, met een ‘toontje van vrouw van de wereld, die het allemaal wel bekeken heeft, die weet wat ze wil en iedereen wel eens verbluft zal doen staan.’

    Alle drie de delen van de trilogie hebben, zoals de overkoepelende titel al zegt, morfine als overeenkomstig thema. De klaproos in het laatste deel slaat op ‘de roos van Morpheus’, het extract van de bloem van de onschuld met zijn ‘nachtelijke, zwarte kanten.’ Niet voor niets wordt in alle boeken wel ergens een citaat van Baudelaire opgevoerd, de schrijver op wie morfine zowel een goede als een slechte uitwerking had. En gejaagd wordt er op een huisarts die met een hoge dosis (andere zeggen: overdosis) morfine het ondraaglijk lijden van één van zijn patiënten wilde verzachten.

    De laatste roman van de trilogie is gebaseerd op de geschiedenis van Nico Tromp, huisarts in Tuitjehorn, in het boek respectievelijk Stefan Mandema en Polderveld genoemd. De geschiedenis is bekend: de terminale kankerpatiënt Theo Spaansen (in het boek Wouter Langedijk) kreeg van zijn bevriende huisarts een hoge dosis morfine en dormicum toegediend. Een stagelopende co-assistente meldde dit bij haar begeleider van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam. Deze speelde de zaak door aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die de arts schorste en het Openbaar Ministerie inschakelde. Deze startte een strafrechtelijk onderzoek met als aanklacht: moord. De arts stortte in en pleegde uiteindelijk zelfmoord.
    Een commissie onder leiding van oud-vicepresident Carel Bleichrodt van de Hoge Raad concludeerde dat het AMC terecht de arts niet had verzocht zijn mening te geven. Het betrof ‘een zeer uitzonderlijke situatie.’ Wel werden kanttekeningen geplaatst bij de onderlinge communicatie tussen de instanties en de buitenwereld.

    Gellings weet in deze sleutelroman de gang van zaken op een invoelende en spannende manier te vertellen. De arts wordt geschetst als een gewetensvol man: ‘Geen dienst toch komen.’ Het verhaal ontvouwt zich langzaam, met goed gedoceerde vooruitblikken en toespelingen: ‘Dit is iemand op wie ik kan leunen als het nodig is, dacht ik nog’, aldus Stefan Mandema over co-assistente Anemone van Loenhout. Waarbij kan worden opgemerkt, dat de anemoon in de kankerwereld symbool staat voor hoop op herstel.
    Het wordt de lezer op tal van manieren mogelijk gemaakt je in de situatie van de huisarts in te leven: ‘Toen ik de oprit voor de praktijk opdraaide, besefte ik me met een schok dat me geen enkel detail van de rit was bijgebleven. Alsof de auto mij op eigen kracht naar huis had gebracht, terwijl ik er alleen maar in zat, handen aan het stuur, verder elders.’

    De roman is ten diepste een aanklacht tegen wat Gellings omschrijft als de managers-cultuur van bijvoorbeeld het AMC. Hierin ligt tenslotte nog een overeenkomst met de andere romans uit De morfinetrilogie. Daarin komen personages voor als een vrouw die aan de poten van een collega of een meerdere zaagt, een meerdere die zijn ondergeschikte niet over de situatie hoort en besluiten neemt. Wie herkent het niet: realiteit en (angst)dromen, die elkaar niet alleen in De jacht op de klaproos maar ook in de werkelijkheid afwisselen? Gezien de thematiek in enge en ruime zin (euthanasie en managers-cultuur) heeft deze roman, deze aanklacht een grote urgentie.


    De jacht op de klaproos

    Auteur: Paul Gellings
    Verschenen bij: Uitgeverij Passage
    Aantal pagina’s: 190
    Prijs: € 18,90