• Inspiratie voor buitenbeentjes

    Inspiratie voor buitenbeentjes

    Recensie door Anika Redhed

    Hoeveel zeggingskracht heeft een boek uit 1973 bijna vijftig jaar later? Rubyfruit Jungle is de autobiografische debuutroman van Rita Mae Brown, geboren in 1949. Het boek is aan zijn zoveelste revival begonnen en in 2022 opnieuw uitgebracht.
    Het verhaal gaat over Molly Bolt, een geadopteerd meisje dat opgroeit op het Amerikaanse platteland van de jaren 50. Een wereld en een gezin waarin zij op geen enkele wijze past. Ze bijt van jongs af aan van zich af en laat zich door niemand de les lezen. Ook niet door haar adoptiemoeder, die op een schattig en keurig meisje had gehoopt. Maar Molly trekt liever door de velden, is ondernemend en leest graag boeken. Iets wat je als meisje niet nodig hebt.

    Dat verstand is niet belangrijk

    Op een dag, als ze met vriendjes doktertje speelt, zegt een vriendin dat Molly niet de dokter kan zijn. ‘Jij denkt wel dat je kunt doen wat jongens doen maar je wordt toch verpleegster, reken maar. En dat verstand is niet belangrijk, verstand telt niet. Het gaat erom of je een jongen of een meisje bent.’
    We volgen een deel van haar leven als kind en springen dan naar de middelbare school. Molly is een buitenbeentje. Haar familie is arm en van simpele komaf en ze wonen in een eenvoudige woning langs het spoor. Ondanks of dankzij haar plek als buitenbeentje bedenkt ze van tevoren een strategie om die jaren goed door te komen. ‘Plat denken was mijn zaak, maar plat práten leerde ik al gauw af.’ Ze kocht minder, maar betere kleding. Feestjes kon ze bij hen thuis niet geven, dus bedacht ze een andere manier: ‘Ik besloot om het geestigste kind van de school te worden. Iemand die je aan het lachen maakt moet je wel aardig vinden. Het lukte.’ Al snel behoort ze bij de populaire meisjes en krijgt van alles voor elkaar. Uiteindelijk ook een beurs waarmee ze kan studeren.

    Doorzettingsvermogen

    Ze heeft ambitie en hersens, maar ook een fel karakter en ze kiest altijd voor eerlijkheid. Hierdoor wordt ze uiteindelijk, vanwege de vrouwenliefde, van de universiteit gestuurd. In het laatste deel van het boek zwerft ze door New York waar ze probeert in een harde, door mannen gedomineerde wereld het hoofd boven water te houden. Op de filmschool lukt het zelden de goede apparatuur te lenen en ze wordt er niet serieus genomen. Ze vindt een kamertje dat ze kan betalen, maar het is enorm krakkemikkig en klein. Kennissen raden haar aan iemands maîtresse te worden voor geld, maar daar is ze te tros voor. Met allerlei baantjes en doorzettingsvermogen lukt het haar van de straat te blijven en de opleiding te voltooien.
    Molly vrijt ook met jongens, uit nieuwsgierigheid of omdat het zo uitkomt, maar verkiest vrouwen. Van jongs af aan geniet ze daar veelvuldig van. Er zitten veel vrijscènes in het boek en toch is het geen verhaal van, voor of over lesbiennes, al wordt het wel vaak op die manier weggezet.

    Nog steeds actueel

    Rita Mae Brown ziet zichzelf niet als lesbisch auteur. In het nawoord van Marischka Verbeek staat: ‘Ze gelooft dat kunst gaat over verbinding, niet over onderscheidende labels.’ De auteur zei hierover: ‘Ik vind dat [lesbisch zijn] een van de meest nutteloze en beperkende categorieën.’ Als er iets duidelijk wordt in het boek is het precies dat: hokjes zijn beperkend, nutteloos en kwetsend. Molly’s hele leven is een strijd tegen hokjes, of het nou van geslacht is, van geaardheid, van kleur, van stand of van wat dan ook. Rubyfruit Jungle is meer dan een boeiend en heftig levensverhaal. Het is vooral een boek over iedereen die een beetje anders is, een inspiratie voor alle buitenbeentjes en, hopelijk, een eye opener voor iedereen die wel binnen de hokjes van de samenleving past. ‘Ik wou dat de wereld me mezelf liet zijn. Maar ik wist wel beter, in alle opzichten,’ schrijft Rita Mae Brown. Rubyfruit Jungle is vijftig jaar na dato nog bizar actueel. Helaas.

     

  • Sprankelende verhalen die de lezer aan het werk zetten

    Sprankelende verhalen die de lezer aan het werk zetten

    Af en toe is het je gegeven een bijzondere ontdekking te doen in de wereld van de letteren. Vergeten reis van de Argentijnse dichter, schrijfster en beeldend kunstenaar Silvina Ocampo (1903-1993) is er zo een. De verhalen in deze bundel zijn stuk voor stuk pareltjes: mysterieus, verontrustend – wreed zelfs – en doorregen met zinnen en beelden van uitzonderlijke schoonheid. Ocampo, telg uit een grote en zeer rijke familie, bracht haar leven in weelde door te midden van de Argentijnse elite. Villa’s, landgoederen, bediendes, kindermeisjes, gouvernantes en verre reizen: in bijna alle verhalen is Ocampo’s geprivilegieerde achtergrond merkbaar.

    Hoewel ze later erkenning kreeg voor haar werk en diverse prijzen won, stond Ocampo voor het merendeel van haar leven in de schaduw van haar man Adolfo Bioy Casares, schrijver van de Argentijnse klassieker Morels uitvinding, en hun goede vriend, dichter, essayist en korteverhalenschrijver Jorge Luis Borges. Een tijd lang werd haar werk onterecht gezien als een mislukte poging om te schrijven als Borges. Pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd het op waarde geschat. Veel van haar verhalen gaan over het lot van meisjes en vrouwen. Of de verhalen feministisch zijn bedoeld weten we niet; Ocampo was zeer op haar privacy gesteld en gaf nauwelijks interviews.

    Beschermengelen

    Al is de setting in Ocampo’s vertellingen herkenbaar, de gebeurtenissen zijn steevast surrealistisch, soms tegen het magisch-realistische aan. Zo maken we in ‘De twee huizen van Olivos’ kennis met twee vriendinnen, de een rijk en de ander arm. Beiden vinden ze het huis waarin ze wonen lelijk. De een omdat haar huis tien kamers heeft ‘waar je nooit naar binnen mag’ en een tuin die geen frambozen geeft waardoor haar vader altijd boos is. De ander omdat haar huis ‘helemaal van blik’ is en koud in de winter. Bovendien staat het op de oever ‘tot waar het hoogwater altijd komt.’ Ze spreken af bij de omheining die hun huizen van elkaar scheidt en bij iedere ontmoeting gaan ze steeds meer op elkaar lijken. Eenmaal identiek ruilen ze van kleding en huis. Ze maken echter één grote fout: ze vergeten van beschermengel te ruilen. De beschermengelen zelf hadden niets door, zo wordt de lezer voorgehouden, die lagen op het gras te slapen. 

    Sommige verhalen tonen een wreedheid die doet denken aan de horrorverhalen van Edgar Allan Poe. In ‘Het slecht gemaakte portret’ ontmoeten we Eponina, moeder van meerdere zonen die ze ‘stuk voor stuk verfoeide naarmate ze werden geboren, als dieven van haar jeugd die niemand opsluit, afgezien van de armen die ze in slaap sussen.’ Die in slaap sussende armen zijn van het overwerkte dienstmeisje Ana. Slechts drie bladzijden heeft Ocampo nodig om het verhaal tot een even tragisch als gruwelijk einde te brengen.

    Geraffineerde stijl

    Het alledaagse weet Ocampo op een caleidoscopische manier te vervormen; niets is wat het lijkt. ‘Ze was leeftijdloos en net op het moment dat je meende een kinderlijk gezicht te zien, werden de diepste rimpels in haar gelaat en het wit van haar vlechten geaccentueerd.’ Veel van de verhalen gaan over meisjes, hun vriendschappen, hun kwetsbaarheid. Opgroeien, lijkt Ocampo te zeggen, is een gevaarlijke zaak. Gemene kinderen en ‘duivelse’ volwassenen liggen op de loer. In ‘Glazen soldering’ bijvoorbeeld zien we de angst van een kind voor de boze, straffende volwassene. ‘Er klonken demonische stappen van heel zwarte schoenen, dichtgeknoopt met veters die als ze losraakten dodelijke driftbuien opwekten […] de blote voeten stopten met springen; de voeten renden in rondjes zonder elkaar te bereiken; de rok rende achter de blote voetjes aan, strekte de armen met uitgeslagen klauwen, en een haarlok bleef hangen, haakte aan de handen van de zwarte rok, en kreten van uitgetrokken haren welden op.’ Let op de onheilspellende details: schoenen, voeten, armen, handen (klauwen!), rok – precies het blikveld van een klein kind. En dan die kwetsbare, touwtje springende blote kindervoeten tegenover ‘de voeten verpakt in de bottines van een verdorven gouvernante.’ Je voelt de rillingen over je rug lopen.

    Ocampo hanteert een zeer gerijpte en geraffineerde stijl. In een paar pagina’s weet ze een sfeer op te roepen die doet denken aan de gedichten van William Blake en John Keats (denk aan het prachtige ‘La Belle Dame sans Merci’), maar ook aan de bedwelmende roman Wuthering Heights van Emily Brontë. Dit doet ze onder meer door een mysterieuze, weelderige wereld te scheppen en knap gebruik te maken van terugkerende elementen die het gevoel van mysterie versterken: paarden, circussen en circusdieren (apen vooral), kledingstukken, hutkoffers, treinen, de zee. Hiermee toont Ocampo zich een zeer zintuiglijke schrijver: ze laat ons zien, voelen, ruiken, zelfs horen. Ieder verhaal is een schilderij haast, en verraadt een kunstenaarsoog. De zinnen zijn in balans, de woorden precies. Dit alles vraagt een aandachtig soort lezen, zoals goede poëzie dat doet. De beloning is ook hetzelfde: indringende beelden die nog lang door je geest dwalen. 

     

  • Oogst week 7 – 2022

    Vergeten reis

    De Argentijnse Silvina Ocampo (1903-1993) stamde uit een zeer bemiddeld bourgeoisgezin, waarin ze zich niet thuis voelde. Ze schopte nog al eens tegen zere benen, voelde zich het zwarte schaap, had liefdesaffaires met mannen en vrouwen, ging schilderkunst studeren bij de surrealist De Chirico en mocht, toen ze eenmaal schreef, Borges tot haar vrienden rekenen. Ze heeft tal van werken op haar naam staan, gedichten, kinderboeken en romans en korte verhalen.

    De eerste bundel met 28 sprookjesachtige vertellingen, Viaje Olvidado, verscheen in 1937 en is er nu in Nederlandse vertaling: Vergeten reis. Geen zoetsappige kost. Er staan nog al wat verhalen in over kinderen die, net als Ocampo zelf, het gevoel hebben er niet bij te horen en niet begrepen worden. Vaak zijn ze het slachtoffer van geweld door volwassenen uit hun eigen kring. In het eerste verhaal bijvoorbeeld, ‘Glazen zoldering’, levert dat zinnen vol angst op als een kind op bezoek is bij een oudtante: ‘Er was die dag niemand in de bovenwoning, behalve de lichte snikken van een meisje (dat ze net welterusten had gekust, maar dat niet wilde slapen) en de schim van een rok vermomd als tante, als een zwarte duivel met voeten verpakt in de bottines van een verdorven gouvernante’. Het schilderij van Munch op het omslag, The Gothic Girl, is dan ook treffend.  Annelies Verbeke verzorgde een nawoord.

    Vergeten reis
    Auteur: Silvina Ocampo
    Uitgeverij: Orlando

    Over de bouwkunst

    In de Middeleeuwen bestonden er geen architecten die als zodanig benoemd werden. De ontwerper en bouwkundige begeleider van een gebouw kon iedereen zijn: de toekomstige eigenaar, de handwerksman of iemand anders die verstand had van materialen en constructies. De Romeinen kenden nog wel een beroep als architect – zie de beroemde Vitruvius die al vóór Chr. over bouwen als kunst schreef – maar die leek voor de Middeleeuwers wel vergeten.

    Dat veranderde in de Renaissance toen Vitruvius werd herontdekt en in zijn spoor het beroep van architect een eigen status kreeg. Eén van de beroemdste Italianen die daarvoor opkwam was Leon Battista Alberti (1404-1472). Vanaf dan kennen we de architect als iemand die speciaal is opgeleid voor het ontwerpen van gebouwen in al zijn aspecten. Zijn beroemde traktaat De Re Aedificatoria verscheen in 2010 in het Nederlands als Over de bouwkunst. Uitgeverij Boom geeft er nu een nieuwe druk van uit onder dezelfde titel.

    Over de bouwkunst
    Auteur: Leon Battista Alberti
    Uitgeverij: Boom

    Hubertina

    De vrouw uit de titel van de nieuwste roman van Kristien Hemmerechts, Hubertina, werd geboren als Anna Hubertina Aretz (1893-1973). De schrijfster hoorde over haar via een archivaris van het Rode Kruis. Hubertina was een raadselachtige vrouw. In de Tweede Wereldoorlog hielp ze Joden in de onderduik, ze belandde ervoor in Ravensbrück en kwam zeer vermagerd terug. En dan zet ze zich een paar jaar later ineens in voor de Vlaamse Beweging waarin veel voormalige collaborateurs zaten. Die wending is nog maar één van de raadsel waar Hemmerechts tegenaan liep. Ze ontdekte dat er veel meer was in haar leven waarbij vraagtekens te zetten waren. Om die te beantwoorden dook de schrijfster de archieven in en las getuigenissen uit Hubertina’s leven. Onwrikbare verklaringen vond ze niet, zodat de romanvorm nodig was om inzicht te krijgen in wat er gebeurd kon zijn.

    Hubertina
    Auteur: Kristien Hemmerechts
    Uitgeverij: De Geus
  • De mens staat niet boven het dier

    De mens staat niet boven het dier

    Is De wand van Marlen Haushofer een feministisch boek? In het voorwoord bij de recent verschenen heruitgave van de Nederlandse vertaling vindt Marja Pruis dat er niet dik bovenop liggen, ‘of het zou de lichte ondertoon moeten zijn die rept van een ongelukkig gezinsleven dat achtergelaten is en vervreemding van ouder wordend nageslacht. En het feit van een sterke vrouw die overleeft, en alle angst, passiviteit en ijdelheid achter zich laat. Maar zo valt alles wel tot de baarmoeder te herleiden’. Pruis voegt er niettemin de opmerking van Doris Lessing aan toe ‘dat dit boek in elk geval alleen door een vrouw geschreven [had] kunnen worden, omdat alleen een vrouw met zoveel toewijding het dagelijks bestaan kan beschrijven als een strijd tegen al die elementen die uit zijn op ondermijning en vernietiging’. Dat lijkt Lessing goed gezien te hebben. Uit tal van analyses van De Wand die sinds de oorspronkelijke publicatie van de roman zijn verschenen, blijkt dat de feministische inslag wel degelijk meer dan oppervlakkig herkend kan worden.

    De wand is het verslag dat een niet bij naam genoemde vrouw tussen 5 november en 25 februari van niet nader genoemde jaren schrijft over een periode van tweeënhalf jaar waarin ze veroordeeld is tot een solitair bestaan na een mysterieuze ramp.

    Gladde, koude weerstand

    De vrouw is op 30 april door haar nicht Luise en haar man Hugo uitgenodigd om drie dagen in hun jachthuis te verblijven. De vrouw is dan twee jaar weduwe en moeder van twee volwassen dochters. Hugo en Luise vertrekken kort na haar aankomst nog even met de hond Luchs naar het dorp in de buurt, maar de volgende morgen ontdekt de vrouw dat ze ’s nachts niet zijn teruggekeerd. Alleen Luchs heeft zich weer gemeld. Met hem gaat ze op zoek naar de twee vermisten en stuit onderweg naar het dorp op ‘een gladde, koude weerstand op een plaats waar zich toch niets anders kon bevinden dan lucht’.  Ze noemt die onzichtbare blokkade de wand. Aan de andere kant ervan lijkt alle leven weg. Ze ziet bijvoorbeeld hoe een man bij een pomp wel zijn hand naar zijn gezicht strekt maar in die houding versteend is. Alle leven achter de wand is dood, behalve de vegetatie, zoals later zal blijken. Die zal op den duur alles overwoekeren.
    Vanaf het moment dat ze op de wand botst aanvaardt ze langzaam dat ze de enige overlevende mens is. Toch is ze niet alleen. Er zijn dieren waarmee ze zich omringt. Luchs natuurlijk, maar later ook een moederkat met de kittens Tiger en Perle, en de koe Bella en haar kalf dat door de vrouw Stier wordt genoemd. Ze ontwikkelt met deze dieren een relatie die steeds gelijkwaardiger wordt.

    Dreiging

    De roman is van aanvang af geladen met een dreiging die het verhaal voortstuwt. Doorlopend is dat de vraag hoe de vrouw en haar dieren het redden, hoe ze aan voldoende eten komen, de motivatie om door te leven en de onzekerheid of ze echt alleen zijn. De dreiging is er ook door de vraag hoe de wand ontstaan kan zijn. Af en toe zinspeelt de vrouw op een vijand die hem gewild heeft en vraagt ze zich af waar de vliegtuigen van de overwinnaars blijven. In de tijd dat ze Hugo en Luise bezocht was ‘er voortdurend sprake van kernoorlogen en de gevolgen ervan’. In de auto van Hugo zit een radio waaruit alleen wat geruis komt, zodat ze van elke informatie verstoken is. Maar vooral wordt de spanning opgevoerd door de herhaalde meldingen in het verslag die beginnen met: ‘Sinds Luchs dood is’. Het wordt duidelijk dat diens dood de reden is waarom de vrouw aan haar verslag is begonnen, maar de oorzaak ervan komt de lezer pas laat te weten in een dramatische climax.

    Het is bij dit alles interessant om te zien wanneer de Oostenrijkse Haushofer De wand schreef. Dat was in 1963. De Koude Oorlog was een feit, in Berlijn was de Muur gebouwd en er was de dreiging van gebruik van kernwapens. De toespelingen op een kernoorlog en de wand zelf lijken daarnaar te verwijzen. Een ander aspect is de opkomst in de jaren 60 van het ecofeminisme. Het wordt in Wikipedia omschreven als ‘het idee dat de maatschappelijke mentaliteit die leidt tot de overheersing en onderdrukking van vrouwen in direct verband staat met de maatschappelijke mentaliteit die leidt tot het misbruiken van het milieu’. Het legt de ‘nadruk op het belang van wederzijdse relaties tussen mensen, dieren en de aarde’. In Oostenrijk was die visie in 1963 nog nauwelijks doorgedrongen, zodat Haushofer in zekere zin als een wegbereider beschouwd kan worden.

    Zwakke bokken

    Het is dat ecofeminisme waarmee De wand doordesemd is. De relatie tussen de vrouw en haar dieren wordt steeds gelijkwaardiger. De vrouw zorgt niet eenzijdig voor de koe en het kalf, de katten en de hond, maar die hebben ook zorg voor elkaar en voor de vrouw. Dat strekt zich uit tot de dieren in het wild. Natuurlijk moet er, alleen al voor Luchs, vlees zijn. Daar beschikt de vrouw over door wild te schieten met het in het jachthuis aanwezige geweer, maar ze kiest er daarbij nadrukkelijk voor om alleen zwakke bokken te doden of stervende dieren te slachten. ‘Het enige wezen in het bos dat werkelijk recht of onrecht kan doen, ben ik’, beseft ze. ‘Liefhebben en voor een ander wezen zorgen is een uiterst moeilijke zaak, en veel moeilijker dan doden en vernietigen’. De twee moordlustigen waarmee zij in het begin van de roman te maken heeft waren de jagers Hugo en Luise; de laatste was zelfs een ‘hartstochtig jaagster’. Maar ze zijn verdwenen achter de wand.
    Het is niet vreemd dat de mannenwereld, maar ook de mensheid als zodanig, het in De wand moeten ontgelden. Mannen die een liefdeloze technocratische wereld hebben gecreëerd die zichzelf boven de natuur plaatst.

    Drie uur

    Haushofer geeft haar visie niet expliciet een christelijke connotatie. Toch is er reden om die te vermoeden. Het lijkt er namelijk op dat het getal drie in de roman een bijzondere betekenis heeft. Ze is van plan drie dagen te blijven bij Hugo en Luise. Als ze voor het eerst tegen de wand stoot staat ze drie keer op om te voelen wat zich er bevindt. Terug in het jachthuis rookt ze haar drie laatste sigaretten op.  Aan deze en tal van andere voorbeelden mag misschien niet te veel gewicht worden toegekend, maar een symboliek lijkt toch zeker te liggen in de vermelding dat het laatste middel om de tijd bij te houden, de wekker in het jachthuis, stuk gaat om drie uur ’s middags. Hij blijft voortaan die tijd aangeven. En het is eveneens drie uur ’s middags als de vrouw aan haar verslag begint. Dan dringt zich toch erg het beeld op van de kruisdood van Jezus om drie uur ’s middags (na een duisternis die drie uur aanhield).

    Haushofer roert veel meer elementen aan dan hierboven genoemd. Ze reflecteert in kernachtige zinnen over persoonlijke verantwoordelijk, angst, vrijheid en verantwoordelijkheid voor je eigen verleden bijvoorbeeld. De wand is echter vooral een roman die onder de dreiging van de grenzen waar onze omgang met de aarde oploopt nog steeds bijzonder actueel is.

    Witte kraai

    Toch blijft schrijver dezes een slotvraagje door het hoofd spoken. Als zich het drama rond de dood van Luchs heeft afgespeeld duikt een witte kraai op, die is verstoten door de zwarte soortgenoten. De vrouw weet dat deze kraai een beroep op haar doet. ‘Hij zit al op me te wachten’ staat er als laatste zin, net zoals bijvoorbeeld in voorgaande versies. In de eerste drukken luidde die slotzin (door dezelfde vertaalster)  ‘Ze wacht al op mij’, geheel conform het Duitse origineel ‘Sie wartet auf mich’. Waarom zou de witte kraai van geslacht zijn veranderd?

    De wand is terecht opnieuw uitgegeven en de uiterlijke verzorging door uitgeverij Orlando is fraai. Toch valt er in bibliografische zin wel wat op aan te merken. In het colofon wordt als Duits verschijningsjaar 1968 genoemd (het was 1963), er wordt niet vermeld dat het een herdruk is (er zijn eerder zeker al acht drukken verschenen bij drie verschillende uitgevers van dezelfde vertaling door Ria van Hengel) en bij het voorwoord van Marja Pruis valt niet te lezen dat het de letterlijke tekst is van haar recensie in De Groene van 24 februari 2010.

     

  • Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Er gaat een zekere dreiging uit van de titel van de roman Tot het water stijgt (En attendant la montée des eaux) van Maryse Condé uit 2010, dat dit jaar in Nederlandse vertaling verscheen. De vertaling van Martine Woudt is prachtig, het boek meeslepend. Er is veel rampspoed maar – tot het water stijgt en de Caraïbische eilanden verslonden worden – ook een sprankje hoop. Maryse Condé is één van de grote stemmen van de huidige Franstalige literatuur. Haar oeuvre is zeer omvangrijk, verscheiden en volstrekt eigen: zij schrijft, zoals ze het zelf in een interview onder woorden bracht, in het ‘Maryse Condees’.

    Daarmee schaart ze zich bewust niet bij de andere grote figuren van de Francophonie en claimt niet een politiek geëngageerde schrijver te zijn. Toch behandelt ze nogal splijtende onderwerpen zoals slavernijgeschiedenis, racisme, vluchtelingenproblematiek en heeft daar een geprononceerde mening over. Haar zienswijze wil ze echter niet op dogma’s baseren, maar veeleer op haar overtuiging dat de mens door zijn ontmoetingen en uitwisselingen met de ander gevormd wordt. Ook begrippen als ‘afkomst’ of ‘huidskleur’ kennen geen eenduidige definitie, maar fluctueren in tijd en plaats, permanent onderworpen aan wisselende invloeden en tegenstrijdigheden, waardoor niet voor eeuwig alles vaststaat. Reizen maakt deze blootstelling mogelijk en is dan ook voor Condé – maar ook voor haar personages –  van fundamenteel belang: je moet bewegen om de wereld te kunnen begrijpen. En dat is precies wat ook zij gedaan heeft.

    Slachtoffers en onderdrukkers in beide kampen

    Geboren in Pointe-à-Pitre op het kleine eiland Guadeloupe in een welgesteld ‘zo wit mogelijk’ zwart gezin, als laatste in een rij van acht kinderen groeit Maryse Condé op in ‘gecontroleerde vrijheid’, overladen met klassieke Franse literatuur. Er werd niet gemengd, maar kleur speelde geen rol, zegt ze over die tijd. Dat kleur er kennelijk wel toe deed, ontdekte ze pas veel later, wanneer ze in Frankrijk aan een prestigieuze school studeert. Voor de één is zwart zijn een identiteit die trots verdedigd en verheerlijkt moet worden (zoals voor de Martinikaanse dichter Aimé Césaire), anderen verzetten zich tegen het idee van een gemeenschappelijke zwarte identiteit: de Martinikaanse psychiater en denker Frantz Fanon stelde dat gekoloniseerde zwarte mensen een Europese, witte uitvinding zijn, een vloek waarvan zij zich met geweld moeten bevrijden.

    Condé realiseert zich dat in haar opvoeding nou net de gemeenschappelijke factor van alle gekoloniseerde volkeren weggelaten werd, namelijk Afrika. Ze vertrekt er naartoe en verblijft er twaalf jaar. In die jaren vormt ze zich een genuanceerd beeld van de derde wereld, dat ze in haar boeken steeds opnieuw bespreekt. Koloniale mogendheden mogen dan wel vertrokken zijn, hun schadelijke invloed is gebleven. Maar hebzucht, collaboratie, expansiedrang beperkt zich niet tot één kamp en is mens eigen. Intellectuele en morele misère bij de Afrikaanse leiders leidde tot militaire staatsgrepen, waaruit dictatoriale regimes voortkwamen die de gewone man zeiden te bevrijden terwijl ze juist hem in grote ellende stortten. De migranten die vandaag de dag Europa blijven bestormen zijn er het bewijs van dat deze situatie nog steeds voortduurt, zegt Condé. 

    Grande dame van de Caraïbische literatuur

    Condé is een productieve schrijfster – misschien wel te productief, zei ze met zelfspot– die meer erkenning had willen krijgen. Grote literaire prijzen, zoals de Prix Goncourt zijn aan haar voorbij gegaan, van haar eigen geboorteland Guadeloupe kreeg ze naar eigen zeggen geen waardering. Toch heeft ze in 2010 voor Tot het water stijgt, haar op dat moment twintigste roman, de Grand prix du roman métis gekregen. Deze in dat jaar ingestelde prijs beloont  sindsdien jaarlijks de Franstalige roman die waarden als  rassenvermenging, humanisme en diversiteit bespreekt.

    Maar de hoogste literaire onderscheiding kreeg ze met de alternatieve Nobelprijs in 2018, toen de reguliere uitreiking wegens interne problemen niet plaatsvond. Ergens zit ook hier iets wrangs in. Condé ziet het als haar taak van zwarte schrijver om respect en liefde voor het anders zijn over te brengen op haar lezers en om naar verbindingen te zoeken. Ze is een begenadigd verteller, die mooie frases, clichés en geromantiseerde beelden uit de weg gaat, maar de brute realiteit nuanceert door poëtische beschrijvingen, empathie voor de ‘loser’, ironie en een vleugje magisch realistisme. Deze ingrediënten maken haar verhaal toegankelijk en acceptabel voor de lezer die geboeid raakt en aan het denken wordt gezet. 

    Variaties op de thema’s geweld en verplaatsing

    De hoofdpersoon van Tot het water stijgt is verloskundig arts Babakar, van oorsprong Malinees, die het door burgeroorlogen en stamconflicten geteisterde Afrikaanse continent achter zich heeft gelaten en na veel rondzwervingen op Guadeloupe is gestrand. De roman begint op het moment dat hij tijdens een stormachtige nacht bij een bevalling geroepen wordt. De moeder blijkt zojuist overleden te zijn en Babakar besluit ter plekke zich de baby toe te eigenen. In Anaïs, zoals hij de pasgeborene zal noemen, ziet hij in een flits de kans om zijn leven, tot dan alleen getekend door verlies van dierbaren en buitensluiting, betekenis te geven. De enige constante in zijn leven tot dan is zijn overleden moeder Thecla, die hem in zijn dromen komt toespreken. Door haar blauwe ogen werd ze voor heks aangezien, een macht die ze ook na haar dood over Babakar behoudt. Hij is een milde, nuchtere man: ‘…ik was geen man met idealen. In mijn ogen bestond er geen overtuiging, geloof of ideologie die het waard was om voor te sterven.’ Door deze houding wordt hij echter een buitenstaander, een status die enerzijds afstand en wijsheid kan bieden, anderzijds een soort naïeve Candide van hem maakt, op zoek naar de beste van alle mogelijke werelden.  

    Samen met de Haïtiaan Movar, en de Palestijn Fouad (die een Libanees restaurant runt) gaan deze drie ‘ontroostbare weduwnaars’, zoals Thecla ze spottend bestempelt, op zoek naar een plek waar ze horen, ‘Wat sommige sterke geesten ook zeggen, je hebt het nodig om een land te hebben.’ De drie ontwortelden vinden elkaar op Haïti, het eiland waar de doden naast de levenden blijven leven, al zijn ze slechts voor een zieneres-medium waarneembaar. Maar naast allerlei natuurgeweld– aardbevingen, overstromingen, wervelstormen… –  heeft corruptie, haat voor buitenlanders, blind geweld en verlies van elk moreel houvast ook hier alles ontwricht. In zijn onstilbare honger naar macht heeft de mens door zijn beestachtige misdaden die hij op zijn soortgenoten begaat ‘geweld’ en ‘vluchten’ tot eeuwige thema’s gemaakt.

    Moins c’est plus/ Less is more

    Maryse Condé laat Babakar onbevangen en meelevend naar de wereld (om hem heen) kijken en wijze observaties maken, ‘Onderdrukten worden onderdrukkers, zodra ze dat kunnen, en die laatsten worden vaak slachtoffers.’ Dan weer vraagt hij zich af, ‘Gaan paradijzen niet altijd verloren door de fout van mensen?’ Babakar verwoordt Condé’s verzoenend, ruimhartig perspectief, al was het alleen al door zijn beroep van verloskundig arts, personificatie van hoop en nieuw begin.

    Toch worden deze waardevolle lessen vertroebeld door de grote drukte die in de roman heerst. Veel, te veel  personages – hoofdpersonen en talloze bijrollen – worden gedetailleerd opgevoerd met allemaal een eigen, tumultueus parcours. De aandacht versplintert, het overzicht raakt kwijt. De verhalen tuimelen over elkaar heen, raken verstrengeld en ergens ontbreekt een bindmiddel dat het epos tot een betekenisvol geheel zou maken, waardoor de wijsheid ook bij de lezer zou kunnen nagloeien.

     

  • Oogst week 19 – 2021

    Schuilen in stijl

    David Leavitt (1961), schrijver van romans en korte verhalen en enkele non-fictie boeken, tevens docent creatief schrijven aan de Universiteit van Florida, schetst in zijn nieuwe roman Schuilen in stijl met levendige pen een komisch beeld van de tijd direct na de Trump-verkiezing en van verlangens naar macht, liefde en vrijheid.

    Het is 2016. Een groep vrienden zit in de tuin van een luxueus huis bijeen en wacht op de scones die uit de keuken moeten komen. Donald Trump is pas verkozen als president. Gastvrouw Eva, bekend om haar royale ontvangsten en liefde voor het decoreren van haar huis, vraagt de gasten wie aan Siri durft te vragen hoe Trump vermoord kan worden. Want de politieke ontwikkelingen brengen onrust en de veiligheid en vrijheid uit het milieu van ‘welgestelde progressieve New Yorkers’ worden bedreigd. Tijdens een reis naar Italië haalt Eva haar man Bruce over om een vervallen appartement in Venetië te kopen, waarmee ze onbewust aan aantal gebeurtenissen in gang zet waarover ze geen controle meer heeft. Met de Italiaanse mogelijkheid om aan de Amerikaanse politieke sfeer te ontsnappen stapt Bruce uit zijn comfort-zone, recht in allerlei onaangename ontwikkelingen. En dan volgt er ook nog een totaal onverwachte liefdesaffaire.

     

    Schuilen in stijl
    Auteur: Leavitt David
    Uitgeverij: De Harmonie

    DODE MEISJES

    Door de coronacrisis is het geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd toegenomen, meldden de Verenigde Naties vorig jaar. Volgens het online magazine One World sterft in Nederland elke tien dagen een vrouw door huiselijk geweld, waarmee we het slechter doen dan de zogenaamde macholanden. En De Groene Amsterdammer berichtte in maart jongstleden dat vrouwen in de politiek hatelijke en agressieve tweets ontvangen over hun stem, lichaam, religie of huidskleur. Misogynie en frustraties van (meestal) mannen komen steeds vaker naar buiten. Femicide (of feminicide) is een woord dat wereldwijd ingeburgerd begint te raken. Ook de Argentijnse schrijfster en intellectueel Selva Almada (1973) gebruikt het in haar boek Dode meisjes. Het verscheen in 2014, het jaar waarin in Argentinië tientallen vrouwen werden vermoord. Die lijst heeft Almada opgenomen in haar boek dat nu in een Nederlandse vertaling is uitgebracht door Uitgeverij Vleugels. Centraal staan drie ongestraft gebleven vrouwenmoorden uit de jaren tachtig die plaatsvonden in het Argentijnse binnenland. Op realistische en tegelijkertijd poëtische wijze combineert Almada de onderzochte feiten van de moorden en het dagelijks geweld tegen vrouwen met persoonlijke teksten en verhalende fragmenten.

    DODE MEISJES
    Auteur: Almada, S.

    Tot het water stijgt

    Op Guadeloupe wordt de Malinese arts Babakar geroepen bij een overledene en een pasgeboren baby. De bij de bevalling overleden vrouw  was een Haïtiaanse vluchtelinge. Wie moet er nu voor het kind zorgen? Babakar besluit haar mee te nemen, want ‘zijn kind, waar hij tevergeefs naar had gezocht, werd hem hiermee teruggegeven,’ zo weet hij zeker. De ook bij het overlijden geroepen directeur van de gemeenteschool ziet dat anders. ”We zijn hier niet… in Darfur!’ protesteerde de ander beledigd, alsof de kwestie zijn eer aantastte. ‘We zijn op Guadeloupe. Zo gaan de dingen hier niet! Guadeloupe is net zoiets als Frankrijk. We hebben wetten. Je adopteert een kind niet zomaar. Je doet een aanvraag, je wordt op een lijst gezet, je wacht op je beurt.”
    Babakar vindt dat het kind, dat hij Anaïs heeft genoemd, recht heeft op echte familie en gaat samen met goede vriend Movar naar hen op zoek in het door politieke chaos overheerste Haïti. Onderweg ontmoeten ze de Libanese kok Fouad. Afrika, de Antillen en Haïti komen samen in de onverbrekelijke vriendschap die de drie mannen sluiten.
    Schrijfster, hoogleraar en pleitbezorger van het Panafrikanisme Maryse Condé (1937) won in 2018 na een publiekspeiling de alternatieve Nobelprijs voor Literatuur, die dat jaar door interne problemen niet werd uitgereikt. Ze heeft tientallen boeken op haar naam staan.

    Tot het water stijgt
    Auteur: Maryse Condé
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • De wereld op zijn kop

    De wereld op zijn kop

    In de roman Piranesi van Susanna Clarke zegt de ik-figuur op een gegeven moment ‘Op de Wereld leven alleen Mijzelf en de Ander’. De rest van de mensheid bevindt zich in een andere wereld of is dood. De Ander, die uit die andere wereld komt en af en toe in de beschreven Wereld verblijft, is op zoek naar Grote en Geheime Kennis. Piranesi zelf is bezig een Catalogus aan te leggen van alle Standbeelden die hij tegenkomt in de Wereld of het Huis, wat praktisch hetzelfde is.
    Het Huis is vol leven, vooral met vogels, vissen en vegetatie, die tot voedsel en het maken van een vuurtje dienen. De plaats van andere mensen lijkt te zijn ingenomen door de Standbeelden, die levensecht worden beschreven. Zo is ‘de Tuinman oud en gebogen’ en oefent een Vrouw ‘haar beroep van bijenhouder uit’. Behalve een Catalogus aanleggen, houdt Piranesi zich ook bezig met het bijhouden van een dagboek, en dat is wat we te lezen krijgen. 

    Heden en verleden

    Piranesi (1720-1778) was een bekend Italiaans graficus en architect. Iedereen heeft wel ergens in het geheugen zijn Carceri (Kerkers) opgeslagen. Zo niet, dan hoef je maar aan een tekening van M.C. Escher te denken, en het is duidelijk: beiden waren kunstenaars die zich verloren in een tijdloze fantasiewereld waar trappen overal en nergens naartoe leidden.
    Piranesi heeft visioenen, van een wit glanzend kruis bijvoorbeeld. ‘Witheid als een vlammende witheid; hij verlichtte de Muur van Standbeelden achter zich’. Piranesi begrijpt niet wat hij ziet, ook niet toen hij zag dat het kruis een albatros was, die spoedig werd gevolgd door een tweede en een kleine albatros. Hij probeert de vogels te redden, door een nest voor ze te bouwen, waar de Ondergelopen Zalen goed voor waren. ‘In de Periferie (…) zijn de wateren ondiep, stilstaand en bedekt met waterlelies, maar middenin zijn ze diep en verraderlijk, vol met afgebroken Metselwerk en verdronken Standbeelden’. 

    Het Huis is deels ondergelopen ten gevolge van de stijgende zeespiegel. In De wereld op zijn kop vallen verleden, heden en toekomst samen, waardoor de roman wel het etiket ‘magisch archaïsme’ krijgt opgeplakt. De taal werkt daaraan mee, die doet soms magisch en dan weer archaïsch aan. Dit is in de vertaling van Jacqueline Smit in stand gebleven: ‘Over deze Zaal – de Zaal op welks drempel ik nu stond, de Zaal die gevuld was met Wolken – had ik niets vastgelegd’.
    Je zou de verschillende taalregisters kunnen vergelijken in termen van de Standbeelden die Clarke beschrijft: dan weer barok en maniëristisch, met door kreten van woede of angst vervormde Gezichten à la Caravaggio, dan zijn het classicistische beelden, die juist een afstandelijke kalmte uitstralen. 

    Zoektocht naar de Ander, naar kennis

    Het beschrijven van die beelden door Piranesi staat lijnrecht tegenover de zoektocht van de Ander naar kennis. Het gaat de Ander om oude kennis, die de mensheid volgens hem is kwijtgeraakt. Een zoektocht die gelijk opgaat met de constatering van de Ander, dat Piranesi zijn geheugen aan het kwijtraken is.

    Dan is er nog een derde personage, een Profeet. Een oude man en leraar van de Ander, die hij Ketterley noemt. De Profeet waarschuwt de Ander, zoals de Ander juist Piranesi waarschuwt voor een mysterieuze figuur die hij 16 noemt, wat in zou kunnen houden dat er nog vijftien of meer mensen in de Wereld of het Huis wonen.
    Tot zolang Piranesi hem/haar nog niet heeft ontmoet, herleest hij zijn oude dagboeken, waarin hij veel biografische aantekeningen over kunstenaars maakte, die leefden in een wereld die erg aan de zijne doet denken. De Ander omschrijft die wereld als een nachtmerrie, met ook nog eens de dreiging van een Grote Vloedgolf van Bijbelse proporties, maar het loopt allemaal anders af dan gedacht. Alles speelt zich af in een wereld op zijn kop, waarin goed, kwaad wordt, en andersom.

    Babel en Jorge Luis Borges

    Om te beginnen is de Wereld of het Huis een omschrijving waar het verhaal De bibliotheek van Babel van Jorge Luis Borges in meeklinkt. Hierin wordt de Wereld of het Huis het Heelal of de Bibliotheek genoemd. De Bibliotheek bestaat uit cellen (de carceri van Piranesi!), zoals het Huis uit Zalen bestaat. Eindeloos en naar de verten reikend. De ik-figuur bij Borges is op zoek naar ‘misschien de catalogus van de catalogi’, zoals Piranesi een Catalogus samenstelt. Zoals bij Borges boeken staan opgesteld, zo zijn dat bij Clarke Standbeelden, maar beide – boeken en beelden – hebben te maken met oude tijden of talen, met kennis en wijsheid.

    De Amerikaanse architectuurhistoricus Reinhold Martin heeft in een artikel aangetoond, dat er een conceptuele relatie bestaat tussen dit verhaal van Borges en Piranesi’s serie Carceri. Het narratief is hetzelfde: het verleden dat wordt bevroren en een crisis van de moderniteit, hetgeen hij een ‘negatieve utopia’ noemt, zoals Susanna Clarke’s wereld als ‘magisch archaïsme’ wordt omschreven. Er wordt een spel gespeeld met binnen en buiten, lichaam en geest, droom en nachtmerrie, kennis en wijsheid, goed en kwaad, inclusie en exclusie, werkelijkheid en fantasie en alles wat ‘anders’ is, een gegeven van alle tijden.

    Susanna Clarke speelt dit spel op vernuftige wijze mee. De metaforen van zowel Piranesi, Borges als Clarke mogen duidelijk zijn: ze spreken van eenzaamheid, het zonder herinneringen leven, en van verontrusting.
    Clarke heeft Piranesi en Borges opnieuw uitgevonden. Tot in de détails van een wit glanzend kruis aan toe. Dat heeft zij op een dan weer droge, dan weer gevoelvolle wijze beschreven, groots en fantasievol. Een prestatie van formaat. Een boek om je in te verliezen, zoals Piranesi en Escher dat in hun wereld deden.

     

     

  • Een mysterieuze Schotse lerares

    Een mysterieuze Schotse lerares

    Is het geoorloofd een literair werk te beoordelen op de sympathie of juist antipathie die de personages oproepen? Vraag een doorsnee lezer naar zijn oordeel over een boek, en vaak zal die als argument aanvoeren dat hij of zij zich zo goed kon inleven in de personages, of er net een hekel aan had. Toch zijn de meest beklijvende personages uit de wereldliteratuur geen onkreukbare helden of doortrapte slechteriken, maar moreel dubbelzinnige mensen van vlees en bloed die juist opvallen door hun kwetsbaarheid en hoegenaamd niet onfeilbaar zijn.

    Zo ook juffrouw Brodie, de protagoniste uit De beste jaren van juffrouw Brodie uit 1961, dat vaak wordt genoemd als het beste boek van Muriel Spark (1918-2006). De licht excentrieke Schotse schrijfster bracht de Tweede Wereldoorlog door in Zimbabwe en keerde na een mislukt huwelijk terug naar Groot-Brittannië, waar ze debuteerde. Eind jaren 60 zou ze naar Italië verhuizen om daar te blijven tot haar overlijden.

    Vreemde lerares

    Met die juffrouw Brodie, een lerares aan de Marcia Blaine School in Edinburgh die op handen wordt gedragen door haar leerlingen, de ‘Brodie-meisjes’, is iets vreemds aan de hand. Nu eens roept ze sympathie op met haar non-comformistische levenshouding en onderkoelde tongue-in-cheekhumor, dan weer stelt ze het humeur van de lezer danig op de proef met haar bij momenten onuitstaanbare gedrag en dubieuze standpunten en uitspraken. Zo kan Jean Brodie af en toe charmerend overkomen, bijvoorbeeld door haar reactie op een poster met de slogan ‘Veiligheid voor alles’: Maar veiligheid komt helemaal niet voor alles. Het Goede, de Waarheid en Schoonheid komen voor alles.’

    Twijfelachterig wordt het wanneer ze haar manipulatieve aard laat zien (‘Geef mij een meisje op een leeftijd waarop ze nog gevormd kan worden en ze is de mijne voor het leven!’), maar ze verspeelt vooral veel goodwill met haar onomwonden fascistische sympathieën. Het boek speelt in de jaren dertig, en Brodie noemt bijvoorbeeld Mussolini ‘een van de grootste leiders ter wereld’, kiest de kant van Franco in de Spaanse burgeroorlog en bestaat het zelfs om na de Tweede Wereldoorlog aan een oud-leerlinge te zeggen dat ‘Hitler wel wat ondeugend was geweest’, alsof het om een belhamel ging. In het conflict met schooldirectrice Mackay zouden die fascistische ideeën haar uiteindelijk haar baan kosten, al bleef juffrouw Brodie ervan overtuigd dat dat maar een voorwendsel was en dat vooral haar onconventionele opvoedingsmethoden het lerarenkorps een doorn in het oog was.

    Volwassen worden tijdens interbellum

    Kortom, Jean Brodie is een mysterieus personage dat de lezer in opperste verwarring kan achterlaten, nu eens inspirerend, dan weer irritant aanmatigend (‘Wanneer jullie kindertjes maar eens naar me wilden luisteren, zou ik de crème de la crème van je maken’). Toch gaat dit boek niet alleen over haar. De Brodie-meisjes spelen een even belangrijke rol en illustreren eigenlijk in welk klimaat meisjes volwassen werden tijdens het interbellum. De beste jaren van juffrouw Brodie dateert van 1961, dus in feite van vlak voor de opkomst van de jeugdcultuur, de popmuziek en de seksuele bevrijding. Voor de Brodie-meisjes was die tijd nog ver weg, zij groeien in deze coming-of-ageroman nog op met zeer dominante rolpatronen en krampachtige ideeën over seksualiteit, wat aan leiding geeft tot veel zenuwachtig gegiechel over ‘geslachtelijke gemeenschap’ in dit boek, of aandoenlijke scènes waarin twee jongedames het hebben over een beeld van een Griekse god ‘met niks aan’ of enkele schoolmeisjes op onkuise gedachten worden gebracht door de op en neer bewegende naald van een naaimachine.

    Met het eindoordeel over dit grillige en raadselachtige boek kun je alle kanten op. Gelukkig is er ook nog Sparks lichtvoetige humor, die de roman op smaak brengt: Het scheikundelokaal rook afwisselend naar de Kanonspoort van de winterse wandeling met juffrouw Brodie, naar de bunsenbranders en naar de zoete herfstrook die van de eerste verbrande bladeren naar binnen dreef. Hier, in het scheikundelokaal – dat nadrukkelijk niet laboratorium mocht worden genoemd – heetten de lessen ‘proeven’, wat iedereen het gevoel gaf dat zelfs juffrouw Lockhart niet wist wat eruit zou komen en dat tussen hun aankomst en hun vertrek in het lokaal alles zou kunnen gebeuren en dat de school in de lucht zou kunnen vliegen.’

     

     

  • Oogst week 3 – 2020

    Bowie's Boekenkast

    Ook mensen die niet zo bekend zijn met de muziek van David Bowie, weten vast wat een markante man het was. Dat hij heel veel las, zal echter niet iedereen weten. Hij zou ‘lezen’ zelfs genoemd hebben als zijn ultiem idee van geluk.

    Welke boeken hebben hem het meest beïnvloed? Bowie stelde zelf, drie jaar voor zijn dood, een lijst samen van boeken die zijn leven hebben veranderd. Dat zijn dus niet per se de boeken die hij het mooiste vond, maar juist die hij het belangrijkste en meest invloedrijk vond voor zijn leven, en die dus die iets over hem vertellen. Deze lijst is tijdens de grote ‘David Bowie Is’ tentoonstelling al gepubliceerd en ging toen meteen ‘viral’.

    De lijst in op internet al in te zien. Er staan beroemde boeken op van beroemde schrijvers, maar ook minder beroemde werken van (minder) beroemde auteurs.
    Per boek is een kort essay opgenomen over inhoud en auteur, je krijgt suggesties over welk (Bowie)-nummer je daarbij het best kunt beluisteren en nog vervolg-leestips. Het boek wordt daarmee een schier eindeloze lijst.

    Uitgeverij Orlando speelt slim in op Bowie’s lijst met o.a. de publicatie van De beste jaren van juffrouw Brodie (december 2019) van Muriel Spark en Circusnachten van Angela Carter (januari 2020).

    Bowie’s boekenkast is geïllustreerd door Luis Paadín.

    Bowie's Boekenkast
    Auteur: John O'Connell
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Leugenaar

    Een van de grootste vertalers uit het Hebreeuws was Shulamith Bamberger (1947 – 2018). Zij was geboren in Israël en verhuisde als jonge vrouw naar Nederland waar zij vertaalkunde ging studeren. Zij vertaalde o.a. proza van onder meer David Grossman, Alon Hilu en Hila Blum, maar vertaalde o.a. ook Arthur Japin, Harry Mulisch en Willem Elsschot vanuit het Nederlands naar het Hebreeuws.

    Ook Leugenaar van Ayelet Gundar Goshen (Tel Aviv, 1982) heeft zij vertaald.

    Leugenaar gaat over de vriendelijke, altijd dienstbare, 17-jarige ijsverkoopster Noefar Sjalev.
    Als op een dag een beroemde zanger haar beledigt, loopt zij de zaak uit. Hij gaat haar achterna in de veronderstelling dat ze er met zijn geld vandoor gaat. ‘Noefars gil alarmeert de buurtbewoners en tot haar verbazing is iedereen ervan overtuigd dat de man haar seksueel probeerde lastig te vallen. En zij besluit hen dat te laten geloven. Met zwarte humor en diep inzicht in de menselijke aard beschrijft Leugenaar hoe een klein leugentje een groot verschil kan maken. In een wereld van mediahypes en alternatieve feiten laat de schreeuw van een meisje een hele stad twitteren.’

    Leugenaar is in verschillende landen een groot succes en zal ook verfilmd worden.

     

     

    Leugenaar
    Auteur: Ayelet Gundar Goshen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vuurgeesten

    Prachtige recensies kreeg het boek Vuurgeesten van de van oorsprong Zuid-Koreaanse schrijfster R.O. Kwon. Het is een debuut waar de schrijfster tien jaar aan schreef voordat ze het goed genoeg vond, maar daarna denderde het dan ook de bestsellerlijsten in.

    Vuurgeesten gaat over twee jonge mensen, Phoebe en Will, waarvan er één vanuit een schuldgevoel in de ban raakt van een sekte. De ander kent de aantrekkingskracht van het geloof, maar heeft er mee gebroken en worstelt vervolgens met de leegte die dat veroorzaakt.
    De religieuze groepering waarbij Phoebe zich aansluit wordt geleid door een charismatische oud-student met een twijfelachtig verleden en radicale opvattingen. Als de groep een aanslag pleegt en Phoebe verdwijnt, stelt Will alles in het werk om te achterhalen wat er gebeurd is

    Michael Cunningham zei over dit boek: ‘Spannend, angstaanjagend en diep ontroerend; een juweel van een boek. Het beste dat ik in lange tijd gelezen heb. Kwon heeft haar naam gevestigd.’

     

     

    Vuurgeesten
    Auteur: R.O. Kwon
    Uitgeverij: De Arbeiderspers