• Je kunt altijd opnieuw beginnen

    Je kunt altijd opnieuw beginnen

    Het zou oneerlijk zijn om Aimée de Jongh een belofte te noemen. Hoewel ze de weg van twintig naar dertig jaar pas halverwege heeft afgelegd, heeft ze al ruimschoots bewezen wat ze kan: de lezers van Metro lezen haar strookstripje Snippers en wie haar afstudeerfilm One past two niet kent, moet die maar gauw op internet gaan opzoeken en dan zal het duidelijk zijn: De Jongh is een gerijpt striptekenaar en animator.

    Het maken van een grote beeldroman stond nog altijd op haar verlanglijstje. Nu De terugkeer van de wespendief verschenen is, kan ze ook dat afvinken. Centraal in het verhaal staat Simon, een wat tobberige man. Hij heeft uit plichtsgevoel het boekhandeltje van zijn vader overgenomen, maar de zaak dreigt ten onder te gaan. Hij krijgt een bod, maar daar wil hij niet op ingaan. Het plichtsgevoel, immers.

    De opslag van de boeken bevindt zich in een boshuis, dat ook een soort bunker is, waarin Simon zich kan terugtrekken: de buitenwereld bestaat dan niet meer. Hij is er alleen met zijn boeken. En met zijn binnenwereld. Die plaatst hem terug naar zijn schooltijd, waar hij het enige vriendje was van het gepeste jongetje Ralph. Ralph wil daar voor eens en voor altijd een eind aan maken, maar voor hij daartoe kan komen, vindt hij de dood.

    Als Simon dan ook nog eens getuige is van de zelfmoord van een vrouw, die op de rails gaat staan, is alles in hem omgewoeld. Hij voelt zich schuldig: had hij de dood van Ralph en van de vrouw niet kunnen voorkomen?

    Gelukkig is er het meisje Regina, dat hem om hulp vraagt, omdat ze voor Nederlands een werkstuk moet maken over magisch realistische schrijvers. Het magisch realisme is De Jongh niet vreemd. Haar film One past two is een variant op De laatste trein van Johan Daisne en ook in De terugkeer van de wespendief neemt het verhaal een wending die boven de aardse logica uit gaat.

    Dat had De Jongh er niet zo dik bovenop hoeven te leggen. Met dat werkstuk krijgen we al een flinke por in de ribben en aan het eind van het boek houdt Simon ook nog eens het boek Magisch Realisme in de literatuur en schilderkunst in handen. Ook Nabokovs Lolita, overigens en dat is ronduit grappig: broeierig wordt het tussen Simon en Regina nergens.

    Ook zonder de duidelijke hints had de lezer wel begrepen dat er ‘iets’ met Regina is: aan het eind van een gesprek met Simon is ze plotseling verdwenen en ze is ook erg wijs voor haar leeftijd.

    De terugkeer van de wespendief is een troostrijk boek. Het gaat over de mogelijkheid om opnieuw te kiezen en opnieuw te beginnen. Zoals de wespendief -een havikachtige vogel-, die een nieuw leven begint als zijn partner niet terugkomt. Aan het verleden is niets te veranderen, maar je hoeft niet altijd de last van je verleden met je mee te sjouwen.

    Aan het eind van het boek draait Simon de deur van het boshuis op slot. Daarmee zet hij ook een punt achter de boekhandel. Hij voelt zich niet meer gebonden aan de belofte aan zijn vader.

    Het lijkt erop dat er, wat de boeken betreft, meer meespeelt. Als kind al verstopte Simon zich tussen de boeken op de dag dat zijn vriend Ralph omkwam, en het wegduiken in zijn vogelgids was misschien ook wel een manier om zich te onttrekken aan het dagelijkse leven.

    Ook de boeken in het boshuis voeden Simons escapisme. Door de boeken worden zijn herinneringen wakker geroepen. Dat zijn niet alleen maar prettige herinneringen, maar ze voeren hem wel weg van het heden, waarin het faillissement dreigt.

    Op het moment dat Simon het boshuis afsluit, sluit hij een ontsnappingsroute. Hij kijkt naar zijn vrouw en naar de toekomst die ze samen in gaan. Hij loopt niet meer voor het leven weg

    Aimée de Jongh heeft in de De terugkeer van de wespendief geen gebruik gemaakt van kleur: alle tekeningen zijn met inkt, in zwart-wit. Karakteristiek voor De Jongh is dat de ogen getekend zijn met ‘drijvende’ pupillen, zonder dat de iris getekend is.

    Een enkele keer is het perspectief niet helemaal gelukt: bij het een blik van bovenaf, worden personen soms wel erg kort en soms heeft De Jongh de ruimte vergroot (in een klaslokaal, in een auto) om wat beter uit de voeten kunnen.  Maar eigenlijk gaat het daar niet om.

    Alle nadruk ligt op de verhaallijn en De Jongh weet het verhaal goed te vertellen. Het kost je geen enkele moeite om je mee te laten slepen met het verhaal en je te identificeren met Simon. De helderheid die De Jongh altijd in haar tekeningen brengt, heeft ze ook in haar manier van vertellen. Die helderheid doet trouwens niets af aan de gelaagdheid van het verhaal. Na het lezen van deze beeldroman, blijven de wespendieven nog lang boven je cirkelen.

     

     

  • De stad was van ons!

    De stad was van ons!

    In de jaren tachtig was het kraken van leegstaande panden geregeld in het nieuws, vooral als het daarna tot ontruimingen kwam. We kennen allemaal nog de namen van De Groote Keyser en de Lucky Luyk, waar met harde hand de bewoners verdreven werden. Geregeld waren er in die tijd ‘krakersrellen’. De dag dat Beatrix ingehuldigd werd als koningin, waren de woningnood en het kraken nadrukkelijk een thema. Overal zag en hoorde je de leus ‘Geen woning, geen kroning’. Hoe hard het er bij die rellen aan toe ging, is terug te lezen bij A.F.Th. van der Heijden, De slag bij de Blauwbrug.

    Na de jaren tachtig was het niet afgelopen met het kraken, maar het haalde niet meer de voorpagina’s van de kranten. Dat het kraken doorgegaan is, lezen we in de beeldroman De kraker, de agent, de jurist en de stad. Het boek volgt drie verhaallijnen, getekend door drie verschillende tekenaars, die allen met één steunkleur werken. Het verhaal van de kraker wordt verteld door journalist Moira van Dijk en getekend door Maia Matches. De kleur is rood, wat goed het verzet aangeeft van de krakers. Jasmijn Snoijink vertelt het verhaal van de agent en Aart Taminiau tekent het. Hier is de steunkleur natuurlijk blauw. De jurist wordt verteld door de al eerder genoemden, plus Marieke Aafjes. Sjoerd Kaandorp maakte de tekeningen, met een groenige steunkleur.

    Je zou het boek een documentaire kunnen noemen, maar evengoed een roman. Veel van de feiten kloppen, maar niet iedere betrokkene wilde zijn medewerking verlenen of herkenbaar in beeld gebracht worden. In zo’n geval werd er een fictief personage opgevoerd.

    Het boek begint met de ontruiming van een pand aan de Lauriergracht, in 2012, afwisselend beschreven vanuit de kraker en vanuit de agent. Daarna krijgen we te lezen wat eraan vooraf ging. Een belangrijke rol speelt daarbij de Wet Kraken en Leegstand, uit 2010, die het kraken verbood. Over die wet lezen we vooral in de verhaallijn van de juristen.
    De juristen staan aan de kant van de krakers. Ze worden met een vette knipoog geïntroduceerd als een soort superhelden, die blijkbaar het kwaad bestrijden. De bekendste naam is die van Britta Böhler, die onlangs als romanschrijver debuteerde.

    Voor het evenwicht, zou je ook graag iets willen lezen over de juristen die aan de kant van de overheid stonden. De kraker, de agent, de jurist en de stad is nu wel erg een boek geworden met sympathie voor de krakers, wat toch wat afbreuk doet aan het documentaire karakter van het boek. Weliswaar wordt in het ‘blauwe’ gedeelte wel beschreven en getekend hoe het overleg in de ‘driehoek’ (burgemeester, hoofdofficier van justitie, chef van de politie) verloopt, maar de lezer leeft meer mee met de krakers en met de juristen die hen ondersteunen.

    Het motto waarmee het boek begint, is ‘De stad is van ons!’, een kreet die verbonden is met de kraakbeweging. Zo’n kreet roept een complete wereld op, van anarchie, verzet, vrijgevochtenheid; van het bevechten van een eigen plekje in de maatschappij. Het is nu een verzuchting in de verleden tijd geworden: de stad was van ons. De kraker, de agent, de jurist en de stad toont ons de nadagen van de tijd dat krakers het voor het zeggen dachten te hebben.

    Dat is onmiskenbaar een kwaliteit van het boek: het geeft een beeld van een stad in een verwarrende periode, waarin repressie en vrijheidsdwang met elkaar botsten. Verder documenteert het boek goed het ontstaan van de Wet Kraken en Leegstand. Aan het eind van het boek is een uitgebreid namenregister opgenomen, compleet met portretten, zodat we kunnen zien hoe eenzelfde persoon er bij de drie verschillende tekenaars uitziet. Verder is er een verklarende woordenlijst.

    Er is alles aan gedaan om De kraker, de agent, de jurist en de stad tot een degelijk tijdsbeeld te maken. Bovendien hebben de scenaristen ervoor gezorgd dat het verhaal prettig leest en ook de tekenaars hebben goed werk geleverd. Dat het boek niet helemaal objectief is, is maar een klein bezwaar. Juist daardoor kan de lezer zich gemakkelijk identificeren. In de boekhandel mag het boek op twee plankjes terechtkomen. Bij de beeldromans en bij de geschiedenisboeken.