• Zachte hand

    Zachte hand

    Een boek als een zachte hand. Kan dat? Ik ben daar gevoelig voor. Dat alles zonder oordeel wordt gepresenteerd, de auteur zich niet op de voorgrond dringt, het verhaal mij toekomt. Hoe de schrijfster op elke pagina een geschiedenis met zachte hand naar voren schuift. Hier, neem het, voor jou.

    Ook de moordaanslagen in Dublin worden op deze manier naar voren geschoven. En ik neem ze aan. Het is wel even slikken hoe nuchter, precies en meedogenloos het er staat. Dit is een knappe roman over het leven op een Iers eiland tijdens ‘The Troubles’ in 1979.

    ‘Joseph McKee loopt op zaterdag 9 juni in Belfast naar de slager, vlak bij de speelhal aan Castle Street waar hij een baan heeft als portier. Hij is vierendertig jaar, katholiek en werkt als vrijwilliger voor de IRA. Twee leden van Ulster Defence Association komen op een motor vlak naast hem rijden en schieten Joseph McKee vier keer in het achterhoofd, terwijl ze flink gas geven om de schoten te maskeren.’

    Als leesclub waren we ervan onder de indruk. Het meest indrukwekkende boek tot nu voor de leesclub gelezen, klonk er. We vroegen ons niet af wat de schrijfster ons wilde laten zien. We zagen het.

    Ik fietste langs de IJssel waarvan het water met de dag stijgt. Ik dacht aan een  jongen van lang geleden, denk jaren zeventig. Vriend van  de man (toen mijn vriend). Ze speelden schaak. Na elke zet smeerde de schaakvriend een stokbroodje voor zichzelf, waarna hij het mes in zijn mond stak, het door opeen geperste lippen naar buiten trok, in een bergje boursin stak. Toen was alles zacht. Ik bedoel, je hield je oordeel voor je.

    De moorden op het vasteland lijken het leven op het eiland niet te beïnvloeden. De Atlantische oceaan als buffer. De vrouwen bakken scones, er is room en appeltaart, er wordt whisky geschonken. De dertienjarige James vangt en vilt konijnen voor in de stoofpot.

    In de film The Banshees of Inisherin, dat speelt tijdens de Ierse burgeroorlog in 1923 op het kleine, (fictief) Ierse eiland Inisherin, hebben de eilanders ook genoeg aan hun hoofd om zich om een burgeroorlog te bekommeren. Twee vrienden maken elkaar het leven tot een hel, de enige huwbare vrouw verlaat het eiland om als bibliothecaresse te gaan werken. Van over het water worden rookpluimen waargenomen, de eilanders kijken elkaar aan, zeggen, ze schieten weer, en gaan verder. Dan het besef. Dat waar ook ter wereld, we uitzicht hebben op een oorlog, erlangs leven. Dit is schrijven in een nieuwe vorm, ver voorbij aan poëzie.

    James zegt voorbij de helft van het boek:

    ‘Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte.
    Ze was jonger dan mama.
    We praten hier niet over politiek, James, zei Michéal.
    Dat is toch geen politiek, zei James. Het is een feit. Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte. Opgeblazen met een bom.’

    Er zijn alinea’s waarin zonder onderbreking van perspectief wordt gewisseld. Ik lees het, bewonderend. ‘James snoof om zijn longen vol te zuigen met de vreemde geur die ik de hele dag zou willen inademen, nooit meer naar buiten.’ Vanuit de verteller die beschrijft hoe James geuren (verf, terpentine) opsnuift, gaat het perspectief als vanzelfsprekend over naar James zelf. En ik neem het.

    Er kwam een berichtje voorbij over een gevierd Australisch schrijfster die haar literaire prijzen aan de oorspronkelijke bewoners van Australië geeft. Het voelde als belangrijks, ik kan het niet meer terugvinden.

    De Engelse kunstschilder, Lloyd en de Franse taalonderzoeker JP Masson, die aan proefschrift over de taal werkt,verstoren de orde op het eiland. James, de jongste bewoner van het eiland is gefascineerd van de schilder. Masson dwingt James haast om zijn Ierse naam, Séamus, te gebruiken. Al wat menselijk is komt in dit boek voor. Heimelijkheid, rivaliteit, verraad. Aan het eind is er een iemand die teleurgesteld wordt, een iemand die zijn belofte niet nakomt, iemand die in zijn vuistje lacht.

    Sommige boeken zijn een voorrecht om te lezen. Een boek als een zachte hand waarmee de geschiedenis van Ierse kolonisatie door de Engelsen (en hoe dat uit de hand is gelopen) gepresenteerd wordt. Dat ik Audrey Magee bij het dichtslaan van dit boek intens bewonder.

     

     

    De kolonie / Audrey Magee / vertaling Lette Vos / 390 blz. / uitgeverij Oevers (2025)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Oogst week 2 – 2026

    Moed, deemoed

    Een drijvend terras in the Donau, twee vriendinnen die met elkaar in gesprek zijn. Een van de twee, Marija wil de verschillen tussen haar ouders, beiden van Servische afkomst, uit de doeken doen om zo de nauwe Nederlandse blik op Serviërs in Nederland te verruimen. Schrijven, wil ze, over de wereld van haar jeugd. Haar vader stamde af van vechters die voor de Turken vluchtten. Naar het Dinaragebergte in Montenegro en verder, verder, richting Bosnië en Kroatië. Haar moeder stamt af van boeren die overleefden door te verdragen, zich vasthoudend aan tradities van nederigheid en dienstbaarheid. Wat als die beide werelden onder je huid zijn gaan zitten?

    Gordana Grbavci (1965-2024) groeide op in het voormalige Joegoslavïe en vluchtte tijdens de Balkanoorlog samen met haar gezin naar Nederland. Moed, deemoed schreef ze in het Nederlands, haar nieuwe taal. Helaas overleed ze, net na het schrijven van haar boek, bij een ongeluk tijdens haar vakantie. Ze werd 59 jaar.

    Moed, deemoed
    Auteur: Gordana Grbavdi
    Uitgeverij: De kleine Uil

    De kolonie

    In de zomer van 1979 reist meneer Lloyd, een Engelse schilder, naar een eilandje voor de westkust van Ierland. Zonder het te merken wordt hij gevolgd door Jean-Pierre Masson, een Fransman die al jaren op het eiland komt en de taal van de bewoners bestudeert. Deze Fransman is fel gekant tegen eilandbezoekers. Hij wil het isolement van de bewoners en daarmee hun taal beschermen. De bewoners zelf hebben echter zo hun eigen ideeën over wat zij belangrijk vinden en wat zij van het leven verlangen. Het verhaal speelt tegen de achtergrond van The Troubles, het Noord-Ierse conflict, en de aanslagen van de IRA die daar onderdeel van waren.

    Audrey Magee is een Ierse romanschrijver en journalist. Ze studeerde Duits en Frans aan het University College Dublin en journalistiek aan de Dublin City University. Ze werkte twaalf jaar lang als journalist en schreef voor, onder andere, The Times, The Irish Times, The Observer en The Guardian. Haar eerste roman, The Undertaking, stond op meerdere shortlists en werd genomineerd voor meerdere prijzen. Haar tweede roman, De kolonie, stond op de longlist van de Booker Prize en op de shortlist van de Orwell Prize.

    De kolonie
    Auteur: Audrey Magee
    Uitgeverij: Oevers

    Ontaard

    Het is 1925 en na tien jaar lang hard werken beseft Roelof dat het hem in het Drentse veen niet zal lukken zijn droom waar te maken: een eigen stukje land. Daarom schraapt hij zijn laatste geld bij elkaar, neemt hij afscheid van iedereen die hij kent, inclusief zijn verloofde en stapt in Rotterdam op de boot naar Canada.

    In 2025, precies honderd jaar later, heeft Roelofs achterkleindochter in heel haar leven nog nooit iets avontuurlijks gedaan. Dat verandert als ze de brieven van haar overgrootmoeder vindt. Wat is er met Roelof gebeurd? Waarom is hij spoorloos verdwenen in Canada? Ze pakt wat spullen bij elkaar, neemt afscheid van familie en vrienden en maakt de reis die Roelof ooit heeft gemaakt. Honderd jaar later, op zoek naar het verhaal van haar voorvader.

    Marion Bruinenberg (1989) is schrijver, journalist, zelfstandig redacteur en vertaler. Ze studeerde Rechtsgeleerdheid, Nederlandse Taal en Cultuur en Journalistiek en ging naar de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze heeft als redacteur bij de Volkskrant gewerkt en als stagiair, bureauredacteur en acquirerend redacteur bij verschillende uitgeverijen. Haar debuut, Nieuweling, kwam uit in 2022. Ontaard is haar tweede roman.

    Ontaard
    Auteur: Marion Bruinenberg
    Uitgeverij: Querido
  • Gevangen in het ijs

    Gevangen in het ijs

     

    In mijn boekbesprekingen bezie ik boeken het liefst als kunstobjecten, met esthetische en stilistische kenmerken die een bepaald effect bij mij als lezer teweegbrengen. Maar de kennis die ik tijdens mijn studie Scandinavische literatuurwetenschap heb opgedaan over Deens-Groenlandse literatuur, maakt nog altijd dat ik Deense boeken over Groenland eerst en vooral zie als culturele objecten: producten die zijn voortgekomen uit een bepaalde literaire traditie en binnen een zekere culturele context.

    Toen ik De kolde flammer van de Deense Knud Sønderby las, bekeek ik dat boek dan ook min of meer uit automatisme door een culturele lens. De Nederlandse vertaling van de gelauwerde klassieker uit Denemarken verscheen in 2023, precies 80 jaar na de publicatie van het origineel. Het boek werd in Nederland met een nogal lauw enthousiasme ontvangen en baarde maar weinig opzien. Bovendien maakt volgens de twee recensies die verschenen – in Het Parool en het NRC – ‘de liefde’ het hoofdonderwerp van deze roman uit. De besprekingen richten zich vooral op de ontwikkelingen die zich tussen de twee hoofdpersonages voltrekken en de gevolgen die hun omstandigheden hebben voor hen als koppel. Het perspectief van het boek als cultuurobject komt zo goed als niet aan de orde.

    Een rijke traditie van literatuur over Groenland

    In Koude vlammen vertrekt fotograaf Kristian voor een jaar met zijn vrouw Vera vanuit Kopenhagen naar een afgelegen Groenlands dorp. Het kost Kristian en Vera moeite om te wennen aan de veranderde leefomstandigheden en in hun zoektocht naar geluk komt hun huwelijk al snel op de tocht te staan. De verhaallijn in Koude vlammen is, hoewel met kundige hand beschreven, maar weinig spectaculair of origineel.

    Wat mij betreft schuilt de grootste literaire verdienste van Koude vlammen in de omgeving waar het boek zich afspeelt. Die omgeving bindt het boek namelijk aan een buitengewoon rijke en al bijna 200 jaar oude traditie binnen de Deense letteren: de Deens-Groenlandse migratieliteratuur. Met die term verwijst cultuurhistoricus Ebbe Volquardsen naar Deenstalige boeken waarin een Deense protagonist voor langere tijd naar Groenland vertrekt om aldaar, met wisselend succes, te integreren in de Groenlandse samenleving.

    Sinds de jaren 2000 wordt de Deens-Groenlandse migratieliteratuur – bijvoorbeeld die van schrijvers zoals Iben Mondrup en Kim Leine – gekenmerkt door een vrij radicaal antikoloniale stem als het gaat om de historische en hedendaagse banden tussen Denemarken en Groenland. Die antikoloniale kijk komt op uiteenlopende manieren tot uiting: stereotypen over de inheemse bevolking worden ontkracht, en het traditionele narratief, waarin de Groenlandse samenleving wordt weggezet als ouderwets en primitief, wordt ondubbelzinnig weersproken. Over het algemeen zijn de hoofdpersonages van deze boeken solidair met de Groenlanders en steunen zij hen actief in hun strijd voor onafhankelijkheid van Denemarken. Zo laat Rasmus Theisens boek Andre hunde (Andere honden, tot op heden niet in het Nederlands vertaald) zien hoe een Deense protagonist zich, zij aan zij met de Groenlanders, inspant om de macht van een Deense vastgoedmagnaat in een Groenlands dorp te ondermijnen.

    Subtiel tegendraads

    Koude vlammen stamt van ver voor het begin van die antikoloniale trend in de Deense migratieliteratuur over Groenland. Het is dan ook niet vreemd dat dit boek niet onder de antikoloniale Deenstalige literatuur kan worden geschaard. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat de Inuit-personages in Koude vlammen bijna allemaal aan de Denen ondergeschikte rollen vervullen. Op die manier stelt het boek een sociaal overwicht tentoon van de Denen over de Groenlanders die nergens kritisch aan de kaak wordt gesteld. Daarbij zijn de Groenlandse karakters stuk voor stuk bij-personages; het zijn de Denen die centraal staan.

    Toch is het duidelijk dat Sønderby niet bepaald een hoge pet op heeft van de Denen die zich op Groenlands grondgebied bevinden. Hij zet de Denen in Groenland neer als personages die niet in staat zijn te denken buiten de hen bekende kaders en die er daardoor niet in slagen zich aan te passen aan hun Groenlandse omgeving. Die starheid komt bijvoorbeeld tot uiting in het feit dat zij zich in allerijl vastklampen aan de etiquette die zij kennen van thuis. Ook staan de Denen erop de hun bekende functietitels, zoals ‘assistent’, ‘dokter’, ‘schilder’ en ‘ingenieur’, te handhaven, zonder dat zij daar baat bij hebben in de Groenlandse realiteit.

    Een sluimerend ongeluk

    Het is duidelijk dat het handhaven van de Deense maatschappelijke kaders in Groenland niet bepaald tot gelukkige levens leidt. De dynamiek onder de Denen in het dorp benauwt Vera en Kristian en maakt hen met de dag ongelukkiger. In hun buitenechtelijke vrijages met andere dorpelingen zoeken Vera en Kristian de grenzen van de sociale etiquette op, om zich aldus een wrang gevoel van vrijheid toe te eigenen.

    En het heeft er alle schijn van dat Kristian en Vera niet de enige Denen zijn die in Groenland met een groot ongeluk te kampen hebben. De manier waarop de verpleegster er prat op gaat dat Kristian haar, in een dronken bui nota bene, vergelijkt met een van de personages uit Dumas’ De drie musketiers verraadt hoe ongelukkig zij in werkelijkheid is. En hoewel de vrouw van de opziener haar man vertelt dat zij op haar gelukkigst is wanneer zij door het raam in de woonkamer naar buiten kijkt, wekt de dwangmatige manier waarop zij de Deense dorpelingen in de gaten houdt de indruk dat zij koortsachtig probeert grip te krijgen op een plek waar zij in werkelijkheid geen vaste grond onder de voeten krijgt.

    Het ongeluk dat bij iedereen sluimert zorgt voor onderlinge vijandigheid en sociale spanningen. Wanneer hun relatie op den duur volledig is bekoeld, realiseren Kristian en Vera zich dat ‘het niet slechter krijgen dan anderen’ het hoogst haalbare is voor hen. Zij hebben geen idee hoe zij hun eigen geluk kunnen vinden in Groenland.

    Oprechte gevoelens

    De schijnheiligheid waarmee de Denen zich in Koude vlammen door het leven in Groenland bewegen, doet denken aan de onoprechtheid die Alberto Moravia in zijn roman De onverschilligen centraal stelt voor het uitwerken van zijn personages, die tot de welgestelde adel in Italië behoren. Net als in Koude vlammen wordt in De onverschilligen getoond hoe de obsessie met het behalen van meer sociaal kapitaal dan anderen de zoektocht naar het persoonlijke geluk in de weg staat. Beide boeken laten zien dat de hyperfocus op uiterlijk vertoon van deze klasse aan hun levenswijze een allesoverheersende betekenisloosheid verleent.

    Maar waar Moravia’s personages opgesloten zitten in een milieu dat zij zelf in stand houden, worden de hooghartige Denen in Koude vlammen geconfronteerd met een groep mensen die wel degelijk een zinvol bestaan leidt. De liefde en het verdriet van de inheemse bevolking gaat door merg en been; hun gevoelens zijn oprecht, onnavolgbaar en intuïtief. Wanneer de vrouw en het kind van Groenlander Ringsted ziek worden en uiteindelijk overlijden, verbittert Ringsted volkomen. In een gesprek tussen Ringsted en Kristian legt Kristian de vinger precies op de zere plek: ‘Jij kunt tenminste nog aan ze denken. Jij kunt blij zijn met hoe jullie het hadden. Er zijn mensen die verder van hun vrouw verwijderd zijn terwijl ze nog leven, dan jij op dit moment van de jouwe bent.’

    Koude vlammen laat zien hoe de Deense personages het spartelend proberen te rooien in een omgeving die zij absoluut niet de baas zijn. Sønderby is kritisch op de Deense aanwezigheid in Groenland door te laten zien dat die voor de Denen zelf noch voor de Groenlanders profijtelijk is. Maar het boek verbergt die kritiek achter de verhaallijn tussen Kristian en Vera. Misschien deed Sønderby dat bewust, om te voorkomen dat het boek ten tijde van de oorspronkelijke publicatie in 1943 al te veel stof zou doen opwaaien. Destijds waren de antikoloniale stemmen in het Deense culturele landschap immers nog niet zo duidelijk hoorbaar. Maar door het stellen van de vraag wat de Denen daar in Groenland eigenlijk te zoeken hebben, voorafschaduwt het boek een antikoloniaal sentiment dat pas later in de Deens-Groenlandse migratieliteratuur tot volle bloei zou komen.

     

     


    Bjorn Lichtenberg studeerde taal- en literatuurwetenschap in Utrecht en Amsterdam. Hij werkt als bureauredacteur bij een typografisch bedrijf in Utrecht. Ook schrijft hij boekrecensies, essays en korte verhalen die hij publiceert op zijn blog: bjorninschrijfland.nl.

     

  • Verontrustend en toch lichtvoetig

    Verontrustend en toch lichtvoetig

    Waarom het kind in de polenta kookt van Aglaja Veteranyi is een roman uit 1999 en nu in het Nederlands vertaald. Het is het verhaal van een Roemeense circusfamilie op de vlucht voor het regiem van dictator Ceaușescu. Het begint met de stem van een kind, haar vragen en fantasieën. ‘Ik stel me de hemel voor. Die is zo groot dat ik meteen in slaap val om mezelf gerust te stellen. Bij het wakker worden weet ik dat God iets kleiner is dan de hemel. Anders zouden we bij het bidden voortdurend in slaap vallen van schrik.’

    De vertelster is een jaar of tien en groeit gaandeweg het verhaal uit tot een puber. Met haar moeder, stiefvader en zijn dochter zijn ze de armoede en onderdrukking in Roemenië ontvlucht en proberen met circusacts in het westen hun geld te verdienen. Moeder hangt aan haar haren in de trapeze. Stiefvader is clown, hij is een drinkebroer en voortdurend bezig met een camera om zijn vrouw en dochters te filmen. Dankzij deze rolletjes denkt het meisje dat ze is voorbestemd om later actrice te worden.

    Onveilige jeugd

    Het is geen gezellige boel in dit zigeunerachtige bestaan. De moeder doet haar best om haar dochter te beschermen, maar een veilige omgeving voor kinderen is het circus niet. De familie hoopt dat het leven beter wordt, de stiefvader schildert het westen af als het paradijs, maar keer op keer zijn de teleurstellingen groot. De man is ook gewelddadig en heeft een incestueuze relatie met zijn genetische dochter: ‘Mijn zus is ook gek, zegt mijn moeder, omdat mijn vader van haar houdt als van een vrouw.’ Dat hij de vertelster nog niet misbruikt blijkt uit de volgende zin: ‘Ik moet uitkijken dat ik niet ook gek word, daarom neemt mijn moeder mij overal mee naartoe.’ Duidelijker worden deze zaken niet belicht, maar de insinuaties vanuit het kind-perspectief liegen er niet om. Later, in deel drie verhuurt de moeder haar dochter, ze is dan twaalf, maar zegt dat ze dertien is, aan een variété-show waar ze naakt moet dansen. ‘Maar omdat ik daar te jong voor ben plak ik een behaarde driehoek tussen mijn benen. Dat idee was van mijn moeder. (…) Ik ben nog nooit door een man op de juiste plek aangeraakt. Ik denk nergens anders aan. Ik wil door twee mannen tegelijk worden verkracht.’ Heftige gedachten van een kind dat dingen hoort maar niet echt de betekenis ervan begrijpt.

    Mengeling van fantasie en realiteit

    De fantasie van het kind vermengt zich met elementen van de orthodoxe religie van de familie van haar moeder en de sprookjes die ze hoort. Tamelijk stoïcijns probeert ze de wereld te begrijpen zonder het verschil te kennen tussen realiteit en fantasie, en dat werkt betoverend, verontrustend en soms hilarisch. Zoals de traditie dat een geslachte kip moet uitbloeden voor hij in de soep mag. De familie huist in een krappe woonwagen of in een hotel met zijn allen in een kamer. Moeder slacht de kip in de badkuip. Dat is uiteraard verboden en dus zetten ze de radio hard aan. Voor meer nadruk schrijft Veteranyi soms in hoofdletters. ‘BIJ HET SLACHTEN KRIJSEN DE KIPPEN INTERNATIONAAL. WE VERSTAAN ZE OVERAL.’

    Het beeld van de moeder die hoog in de nok aan haar haren in de trapeze hangt en er jongleert met ballen, ringen en brandende fakkels is beangstigend voor haar dochter. Hoe de moeder zich voorbereidt en de onzekerheid en angst die daarmee gepaard gaan, roept een verwachtingsvolle spanning op. ‘MIJN MOEDER IS DE VROUW MET HET HAAR VAN STAAL.’

    Om hun angsten te verbloemen vertellen de zusjes elkaar verhalen over het levende kind dat in de polenta kookt, de rode draad in het boek. De vertelster, die zich identificeert met dit kind, wil weten waarom het in de polenta belandde. Was het haar eigen schuld? Door in een zak mais te kruipen en in slaap te vallen? Heeft God het kind nadat ze gestorven was in de polenta gekookt? ‘God is kok, hij woont in de aarde en eet de doden op, met zijn grote tanden kan hij alle doodskisten kapotbijten.’ Naarmate de roman vordert, onderbreekt ze het verhaal over het polentakind steeds vaker en voegt nieuwe details toe.

    Wanneer de stiefvader verdwijnt worden de zussen verbannen naar een kostschool in Zwitserland. Hier gaan de angst en ellende op een andere manier gewoon door en het verhaal van het kind dat in de polenta kookt wordt steeds gruwelijker. De zussen mogen nergens heen zonder elkaar, dat eist de moeder en als de iets oudere zus van school gaat, komt de vertelster weer bij haar moeder terug, die haar vervolgens aan de variété-show verhuurt.

    Korte zinnen en aforismen

    De zinnen zijn kort en associatief en vaak vangt een zin op een nieuwe regel aan. Tussen de tekst staan aforismen in kapitalen. Zoals: ‘IS ER ECHT EEN CIRCUS IN DE HEMEL’ of ‘DE MENSEN ZIJN GOED OMDAT ZE BANG ZIJN VOOR DE DUIVEL’. Soms staan zinnen zelfs alleen op een bladzijde: ‘MIJN FAMILIE IS IN HET BUITENLAND GEBROKEN ALS GLAS.’ Of zoals een van de veelvuldig terugkerende gedachten aan God: ‘HOE RUIKT GOD?’

    Aanvankelijk lijken deze korte statements op een trucje, maar dat is het geenszins. Het verhaal is deels autobiografisch en deze zinnen verhullen juist de treurigheid die de schrijfster als kind ervoer. Veteranyi maakte zelf deel uit van een circusfamilie die uit Roemenië ontsnapte en ze was tot haar zeventiende analfabete. Hoewel ze redelijk succesvol was in het theater en prijzen won voor deze roman pleegde ze uiteindelijk zelfmoord toen ze veertig was.

    Waarom het kind in de polenta kookt is een bijzonder gecomponeerd en authentiek verhaal dat niet in een keer volledig te bevatten valt, ondanks of misschien juist door de lichtvoetigheid. Een verhaal van een schrijnende jeugd dat een diepe indruk achterlaat.

     

  • Geestgeworden vrouwenhaat

    Geestgeworden vrouwenhaat

    Wie, of misschien zelfs wat, is er aan het woord in Susan Taubes’ Treurzang voor Julia? Een ‘grijze, onbeduidende geest’ noemt de verteller zichzelf, ergens halverwege het boek. Alleen kun je tegen die tijd, na bladzijdes vol tegenstrijdigheden, al lang niet meer op zijn woorden vertrouwen. Weet de verteller zelf wel wie of wat hij (of zij?) is? Een ‘zwarte prins’? Een ‘jaloerse echtgenoot’? De verteller verbaast zich over Julia’s lichaam — ‘Waar was het banier van haar geslacht?’ —  en toch, een paar bladzijden later stelt hij (of zij?) zich zichzelf voor als een ‘ontzagwekkende matriarch, een bijenkoningin’. Zeker is dat er iemand in Julia leeft. Een tweede bewustzijn, naast het bewustzijn dat Julia wordt genoemd. Waarom dat tweede bewustzijn daar is, kan het ons niet vertellen. 

    Julia is een levenslustig kind, nieuwsgierig en impulsief, een dartelend jong meisje. Ja, ze loopt in zeven sloten tegelijk, maar eenmaal doorweekt, met moddervlekken in haar jurk en haar vol kroos, maakt ze er het beste van. Helaas is dit niet hoe de verteller haar beschrijft. Zodra hij haar leert kennen, in haar gaat wonen, bezit van haar neemt, beseft hij dat hij haar niet mag. ‘Ze paste helemaal niet bij me, deze ongedurige, sproetige, duimzuigende, bedplassende Julia. Ze was me te mollig en te snollig; als peuter al dwaalde ze rond door de bediendenvertrekken op zoek naar vrijers van de dienstmeid. En zo wulps als ze begon te kronkelen in het bijzijn van iedere man! Ik schaamde me voor Julia.’ 

    Gevangen veroveraar

    Julia verandert van een jong kind in een tiener. De vraag wie of wat de verteller is wordt steeds prangender. Het zit hem in de niet-verholen vrouwenhaat, de manier waarop Julia’s ontwakende seksualiteit veroordeeld en verafschuwd wordt, een vrouwenhaat die benauwt en schokt. Fantaseert Julia over verkrachting of is het de verteller die de puurheid waar hij zo aan hecht bezoedeld wil zien worden? Als Julia, vijftien jaar oud, op een feest een officier van de in de dertig ontmoet die haar meeneemt naar een herberg laat de verteller hem zijn gang gaan. Geen pogingen om Julia te behoeden voor wat er komt, ook niet als ze geen woord meer kan uitbrengen ‘uit angst om in tranen uit te barsten’. Ze moet de gevolgen van haar, nog kinderlijke, seksuele spel zelf dragen, terwijl de lezer met afschuw toekijkt. ‘Opeens was haar positie van veroveraarster in gevangene veranderd’.

    Ja, wie is toch die verteller? Pas als Julia trouwt, met Peter Brody, de man die haar ‘de goede Julia’ maakt, treedt hij een aantal jaar terug. In eerste instantie lijkt het zelfs even of hij ophoudt te bestaan. Hier rijst de vraag of de verteller, de geest, voor meer staat dan alleen voor zichzelf. Is hij de geestgeworden vrouwenhaat die in een patriarchale samenleving in iedereen, ook in vrouwen, huist? Dat zou verklaren waarom de verteller zich koest houdt tijdens de jaren dat Julia doet waarvoor ze in zijn ogen gemaakt is: baren, zogen, beschikbaar zijn voor haar man.

    Pas als het Julia niet meer lukt deze rol te vervullen — haar arts legt haar een wachttijd van enkele jaren op voor ze opnieuw zwanger mag worden terwijl ze nog geen zoon heeft gebaard — roert de verteller zich opnieuw. Julia voelt zich verbitterd en verdrietig, ze drinkt stiekem gin in de schuur. De verteller jaagt haar voort, van de ene naar de andere huishoudelijke taak. ‘Er viel duidelijk maar één koers te varen wilden we een schipbreuk voorkomen: ze moest een nieuwe schoonheid verkrijgen door te berusten, te gedogen, te verdragen; ze moest zich opgewassen tonen tegen de ernst van haar positie. Dit was de ware toetssteen van Julia’s vrouwelijkheid.’ Deze Julia, in een nieuw gareel gedwongen, is voor de verteller nauwelijks meer herkenbaar. Ze lijkt verdwenen, stelt hij vertwijfeld vast, het meisje, de jonge vrouw, de jonge moeder. Wie is het die een affaire aangaat met Paul Holle, wie baart er een zoontje?

    Dodelijke kritiek

    Gaat het bij een roman om de bedoeling van de schrijver of om wat de lezer erin ziet? Veel mensen hebben er behoefte aan een schrijver over zijn werk te horen vertellen, waarom anders al die interviews en boekpresentaties? Hoewel Treurzang voor Julia pas na Taubes’ dood is gepubliceerd staan we toch niet met lege handen. We kunnen haar zelfs uit het werk horen voorlezen, in deze opname van 25 januari 1966. Taubes werd in 1928 geboren als kind van Hongaarse ouders in een Joods gezin. In 1939 emigreerde ze met haar vader naar de Verenigde Staten, waar ze aan het Bryn Mawr College studeerde en een doctoraat behaalde aan Harvard. Ze publiceerde één roman, in 1969, Scheiden. Die roman gaat, volgens Deborah Levy in The Guardian (27 februari 2021), over veel meer dan het uiteenvallen van een huwelijk. ‘Misschien vooral over misogynie en hoe deze een slimme vrouw kan ontmoedigen en verdoven.’

    Het is diezelfde vrouwenhaat die Taubes ertoe leidt zichzelf te doden. Vier dagen nadat literair criticus Hugh Kenner haar werk in The New York Times afdoet als het werk van een ‘lady novelist’ en ‘a quick-change artist with the clothes of other writers’ verdrinkt Taubes zichzelf aan de kust bij Long Island in East Hampton. De herwaardering van haar werk die erop volgt, waar de publicatie van Treurzang voor Julia onderdeel van is, heeft ze dus niet mee mogen maken. Hoe schrijnend dat Atlantic Magazine haar roman Scheiden in 2024 zelfs opnam in zijn lijst van ‘The Great American Novels’ en het een herontdekt meesterwerk noemde.

    Precies zo schrijnend is Treurzang voor Julia. De verteller praat meer dan tweehonderd bladzijden lang over niets anders dan zijn ‘protegé’ en toch is het onmogelijk een beeld van haar te krijgen. Julia blijft onzichtbaar achter sluiers van vrouwenhaat. De vraag is niet alleen wie de verteller is, maar ook wie Julia is als we haar niet noodgedwongen door zijn ogen zouden bezien. Het maakt van het lezen een pijnlijke ervaring, een die het vrouwbeeld van de samenleving blootlegt. Hoeveel mensen lukt het zich daar werkelijk aan te onttrekken? Het boek voelt, vijfenvijftig jaar na dato, actueel, alsof er aan vrouwenhaat in al die decennia niets is veranderd. Geen opwekkende leeservaring maar misschien wel een geruststellende. Wie last heeft van vrouwenhaat verbeeldt zich dat niet. 

     

     

  • Oogst week 44 – 2024

    Oogst week 44 – 2024

    Waarom het kind in de polenta kookt

    In Waarom het kind in de polenta kookt van de van oorsprong Roemeense Aglaja Veteranyi (1962–2002) komt de achtergrond van de schrijfster herkenbaar naar voren. Haar familie vluchtte tijdens het regime van Ceauşescu naar Zwitserland. Omdat haar ouders beide circusartiest waren, was de familie altijd onderweg en overal een buitenstaander, met alle problemen van dien. Ze bleven niet alleen in Zwitserland, maar reisden ook door Europa, Afrika en Zuid-Amerika. Hierdoor bleef Veteranyi lange tijd analfabeet. Toen ze weer terug was in Zwitserland leerde zij zichzelf Duits lezen en schrijven. Dat werd ook de taal waarin ze schreef.

    Waarom het kind in de polenta kookt uit 1999 is haar debuut. Het was meteen een groot succes. Het is een coming-of-age roman die gaat over twee zusjes in een Roemeense circusfamilie. Zij maken zich elke dag zorgen om hun moeder die elke avond in de trapeze hangt. Om die zorgen te vergeten, vertellen ze elkaar verhalen die soms erg gruwelijk worden.

    Aglaja Veteranyi pleegde in 2002 zelfmoord

     

     

    Waarom het kind in de polenta kookt
    Auteur: Aglaja Veteranyi
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers (2024)

    Ik wens mijn huis as 

    Darja Serenko (1993) is een Russische dichter, curator en politiek activist. Zij is medeoprichter van de Feminist Anti-War Resistance (FAS)-beweging die in februari 2022 opgericht werd als protest tegen de Russische invasie van Oekraïne. Al snel had de organisatie veel aanhangers. Nog geen jaar later wordt de FAS in Rusland als ‘buitenlands agent’ betiteld, maar krijgt daarna ook de Vredesprijs van Aken 2023.
    Vanwege een bericht op social media om steun te betuigen aan Alexsej Navalny krijgt Serenko 15 dagen celstraf. In die dagen begint ze aan Ik wens mijn huis as. Momenteel woont zij in Georgië.

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee afzonderlijke delen: Meisjes en instituties (2021), dat gebaseerd is op eigen ervaringen, en Ik wens mijn huis as (2023), waarin zij haar verblijf in de gevangenis centraal zet.

    Eva Hartog gaat op 1 november a.s. in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag met Serenko in gesprek. Hartog woonde en werkte jarenlang als correspondent in Rusland. In 2023 kreeg zij te horen dat ze dat land uit moest. Ze is als journalist verbonden aan o.a. De Groene Amsterdammer en Time Magazine.

    Ik wens mijn huis as 
    Auteur: Darja Serenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Kwaidan

    Kwaidan zijn Japanse spookverhalen en legendes. De schrijver van deze bundel Kwaidan werd in 1850 in Griekenland geboren als Patrick Lafcadio Hearn. Zijn vader was Iers, zijn moeder Grieks. Na zijn jeugd in Dublin emigreerde hij op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten, werd journalist en kwam uiteindelijk als correspondent terecht in Japan waar hij het staatsburgerschap kreeg en hij de rest van zijn leven zou blijven. Zijn Japanse naam is Koizumi Yakumo.

    Kwaidan bevat huiveringwekkende spookverhalen die gebaseerd zijn op Japanse folklore maar ook vol zitten met herinneringen aan de eigen spookachtige jeugd van de auteur in Ierland. Het wordt bevolkt door allerlei angstaanjagende en enge wezens.

    Het is een verzameling verhalen geworden die inmiddels tot de Japanse klassiekers behoort. Kwaidan is door Barbara de Lange vanuit het Engels vertaald, en is voorzien van een nawoord door Jannie Regnerus. Specifieke Japanse begrippen worden in noten onderaan de pagina toegelicht.

    Kwaidan
    Auteur: Lafcadio Hearn
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)
  • Juweel van een roman over verliezers in het Duitse interbellum

    Juweel van een roman over verliezers in het Duitse interbellum

    Zelden zoveel slampampers bij elkaar gezien als in de roman Mensen naast het leven van de jonggestorven Duits-joodse auteur Ulrich Alexander Boschwitz (1915-1942). Slampampers maar ook overlevers. De roman werd in 1937 gepubliceerd, niet in het Duits, maar in het Zweeds. Boschwitz verliet Duitsland in 1935, emigreerde naar Zweden, waar hij de roman op zijn tweeëntwintigste schreef. Blijkbaar kreeg hij het Zweeds in korte tijd onder de knie. Hij vluchtte in 1939 naar Engeland, werd er kort geïnterneerd en daarna per boot naar Australië gedeporteerd. In 1942 kwam hij om het leven toen de boot, waarop hij van Australië naar Engeland terugvoer, werd getorpedeerd. In 2018 werd Mensen naast het leven pas voor het eerst in het Duits vertaald. Onlangs is het juweeltje in een uitstekende Nederlandse vertaling van Irene Dirkes door uitgeverij Oevers uitgebracht.

    De roman speelt zich af in Berlijn in de beginjaren dertig, een verschrikkelijke tijd, voorafgaand aan het nazitijdperk. Boschwitz geeft een verbijsterend portret van een aantal werklozen, steuntrekkers en randfiguren die slachtoffer zijn geworden van hun gemankeerde opvoeding, opleiding en gezinssituatie en proberen te overleven in een wereld waarin er voor hen geen werk is. Deze mensen zijn op de een of andere manier met elkaar verweven en komen uiteindelijk in de apotheose van de roman samen in een café met de misleidende naam De Vrolijke Jager.

    De slampampers en overlevers

    De oude bedelaar Fundholz leeft van de pfennigs die hij bij elkaar bedelt, slaapt in een vochtige kelder. Een dikzak die de naam Tonnetje draagt, sleept hij uit mededogen overal met zich mee. Tonnetje heeft alleen belangstelling voor eten en slapen, spreekt in gebrekkige zinnen (‘Tonnetje honger’) en is een blok aan zijn been. Fundholz is, zoals de auteur zegt, een vogelverschrikker, ‘niet gekleed maar omhangen’ en al enkele malen wegens landloperij opgepakt. Hij probeert uit handen te blijven van de politie die hem van de straat wil hebben en onderbrengen in een werkkamp. Via Fundholz krijgen we inzicht in de strategie van de beroepsbedelaar, komisch maar ook mensonterend.

    Dan heb je Grissman, een lafhartige werkloze, die zich te goed voelt voor eerdergenoemden. Hij bezint zich op het plegen van een grote misdaad waardoor hij rijk kan worden om zich uit zijn beklagenswaardige toestand te bevrijden. Grissman heeft geen enkel zelfvertrouwen, omdat hij denkt dat hij zelf de oorzaak is van zijn werkloosheid. Hij is naarstig op zoek naar een vriendin.

    De chique hoer Minchen Lindner zit goed in de slappe was vanwege het herenbezoek dat zij iedere avond ontvangt. Zij is de enige met wat zelfvertrouwen. Zij onderhoudt haar aan lagerwal geraakte vader die door malversaties in zijn werk als gerechtsdienaar in de gevangenis is beland en daarna aan het zuipen is gegaan. Prachtig laat Boschwitz zien dat de snor van haar vader het toonbeeld is van gezag en positie in het begin van de twintigste eeuw (Kaiser, officieren). Deze snor wordt in de gevangenis afgeschoren. Boschwitz begrijpt de symbolen van zijn tijd.

    Tenslotte is er nog de blinde man Sonnenberg, die zijn handicap heeft opgelopen in de Eerste Wereldoorlog. Hij houdt zich in leven met de verkoop van lucifers en het spelen op de trekharmonica. Heel mooi beschrijft Boschwitz de psychologie van de aalmoesgevers: ‘Als ze Sonnenberg tien pfennig gaven, dan wilden ze niet alleen hem helpen, ze wilden tevens investeren in het nobele gevoel ruimhartig te zijn.’ Sonnenberg reageert zijn eigen frustraties af op zijn vrouw Elsi, die bang voor hem is en van hem af wil. Dat leidt tot prachtig geschreven afschuwelijke scènes van een in zijn woede bijna stikkende blinde man die zijn vrouw verrot scheldt en fijnknijpt en daarna spijt heeft.

    Zij die het gelag betalen

    Boschwitz beschrijft zijn hoofdpersonen ironisch en vol mededogen. De schrijver laat zien dat deze mensen het slachtoffer zijn van maatschappelijke en economische ontwikkelingen die niet door hen veroorzaakt zijn. Tussen de verhalen over de mensen door besteedt hij aandacht aan thema’s als rationalisatie, de term die toentertijd gebruikt werd voor de strikte tijdsbeschrijving van het productieproces, waardoor arbeidskrachten werden opgedreven tot hogere productie in dezelfde tijd en mensen zonder werk kwamen te zitten. De term rationalisatie werd internationaal gebruikt en had in de jaren dertig eenzelfde verachtelijke klank als voor sommigen de term ‘globalisering’ nu.

    De roman bevat prachtige scènes waarin de hoofdpersonen met al hun gebreken worden getoond. Het gaat stuk voor stuk om mensen die in hun leven spreekwoordelijk het gelag moeten betalen, maar daar zelf weinig of niets aan kunnen veranderen. De roman blinkt ook uit in scènes waarin bepaalde opvattingen worden geridiculiseerd. Zo wordt de onnozele Tonnetje op een bankje in het park door een vreemdeling, genaamd Müller, getrakteerd op beschouwingen over de ware schuldigen van de malaise in de wereld: de joden en de vrijmetselaars, zoals dat al in de Protocollen van Zion staat vermeld. De man oreert over mensen als Ludendorff, de generaal die van mening was dat Duitsland in de Eerste Wereldoorlog een dolk in de rug was gestoken door het thuisfront, met name door joden. Hij praat ook honderduit over vrijmetselaars als Schiller en Goethe. Tonnetje denkt dat het om groentes gaat die hij nog nooit heeft gegeten, want hij eet enkel koolrapen, zijn lievelingsgerecht. Als Müller hem vraagt of hij een vrijmetselaar is en Tonnetje uit angst ‘ja’ knikt, is dat voor de man de bevestiging dat die vrijmetselaars overal zitten. Hij loopt boos weg en Tonnetje blijft peinzend achter: ‘Schiller, dacht hij, hoe zou dat smaken? Hij had de zoetige smaak van gedroogde pruimen nog in zijn mond. Of dat Schiller was? Hij zou het niet weten.’ Alleen al deze en vele andere schitterende scènes maken het lezen van dit boek tot een genot.

    Ook schrijft Boschwitz prachtige beschouwingen, bijvoorbeeld over wat honger met mensen doet: ‘Honger is de beste kok wordt gezegd, maar ook een uitstekend kalmeringsmiddel. Mensen die wekenlang niets te eten hebben zijn in de meeste gevallen bereid de onjuistheid van hun standpunt in te zien. Meningen en opvattingen worden vale schimmen wanneer je ze niet kunt voeden.’

    Vernietiging van ‘hele volksstammen’

    Aan het einde van de roman komen alle hoofdpersonen van de roman samen in café De Vrolijke Jager. Het café is de pleisterplaats van een groep pooiers die om de politie te misleiden doen alsof ze een zangkoor zijn. Een van de pooiers is Mooie Wilhelm, een jongeman van 26 die bij toeval in het beroep terecht is gekomen. Hij wil eruit, probeert een normale baan te vinden en besluit de pooiersvergadering van zijn beslissing op de hoogte te stellen. Maar zijn goede bedoelingen worden doorkruist door de harde realiteit. Er breekt namelijk een gevecht uit tussen de oersterke blinde harmonicaspeler Sonnenberg en de slapjanus Grissman. De schrijver gebruikt vele bladzijden om de confrontatie tussen deze kemphanen te beschrijven. Het is de apotheose van een boek waarin de beschrijving van de gevoelens van de vechtersbazen samengaat met algemeen maatschappelijke beschouwingen. De confrontatie tussen Sonnenberg en Grissman is een onvermijdelijke, gewelddadige botsing tussen twee mensen die door de omstandigheden vervreemd zijn van het gevoel dat ze nog enige betekenis hebben in de samenleving. Deze confrontatie geeft Boschwitz aanleiding te filosoferen over de totale vernietiging van ‘hele volksstammen’. Volgens de auteur is het te verwachten dat in de volgende jaren nog andere vernietigingen zullen plaatsvinden. Er is een alomvattend gevecht aanstaande waar iedereen bij betrokken zal worden.

    Door deze profetische laag stijgt het boek uit boven het niveau van een komisch en bizar verhaal en dringt Boschwitz door in de kern van de tot ondergang gedoemde samenleving van zijn tijd.

     

     

  • De vrolijke waanzin van Hamsuns honger

    De vrolijke waanzin van Hamsuns honger

    Schrijven om te overleven, in letterlijke zin. De naamloze verteller uit Knut Hamsuns Honger (1890) weet er alles van. Deze zonderlinge figuur moet in de straten van Kristiana, het huidige Oslo, in mensonterende omstandigheden zijn kostje bij elkaar scharrelen. Op visionaire wijze beschrijft Hamsun wat alle soorten honger met een mens doen. Hij doopt je onder in de hersenspinsels, wanen en hallucinaties van een man op het randje van de dood, het scherp van de snede en de drempel van genialiteit. Uit dit wankele evenwicht schept hij een psychologische tour de force die zijn gelijke niet kent. De hertaling van de hand van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders, uitgebracht bij uitgeverij Oevers (2022), brengt deze klassieker weer helemaal bij de tijd.

    Bij verschijning veroorzaakte Honger al flink wat opschudding omdat de details rechtstreeks uit de persoonlijke ervaringen van Hamsun kwamen. Alle hemeltergende details over de honger zijn daarom des te levensechter, hij overwoog om anoniem te publiceren omdat hij zich schaamde voor de armoede. In de tijd voor zijn doorbraak kon Hamsun nauwelijks rondkomen en had hij al zwervend allerlei luizenbaantjes. De honger die aan de ingewanden van de hoofdpersoon knaagt is meer dan alleen de fysieke variant, hij is net zo hongerig naar literaire erkenning en liefde. In Honger is Hamsun op zijn top, je vindt nergens anders de combinatie van rauwe wanhoop en enorme intensiteit die zichzelf kannibaliseert. Wie het spoor van elke gril van de hoofdpersoon volgt eindigt al net zo duizelig.

    De vinger van God

    Gedreven door een staat van delirium schrijft de hoofdpersoon de meest wonderlijke artikelen die hij voor een paar centen aan kranten verkoopt om niet van de honger om te komen. Tegelijkertijd lijkt hij de honger nodig te hebben om te kunnen schrijven. Zijn meest creatieve momenten heeft hij vaak als hij zich in de greep bevindt van de ‘vrolijke waanzin’ van de honger. Naast het verzinnen van artikelen liegt hij uit nieuwsgierigheid aan de lopende band alles bij elkaar. Hamsuns hoofdpersoon wordt alle kanten op getrokken en is even gevoelig als een emotionele seismograaf. Zijn lot leidt hem net als Job tot een serie rancuneuze aanklachten aan het adres van God: ‘God had zijn vinger in mijn zenuwstelsel gestoken en behoedzaam en nauw merkbaar de verbindingen wat verstoord. En nu had God zijn vinger weer teruggetrokken en kijk, er waren wat vezels en tere worteldraadjes van mijn zenuwen aan die vinger blijven zitten. En zijn vinger, die Gods vinger was, had een gapend gat achtergelaten en wonden in mijn hersenen waar zijn vinger was geweest.’

    De lezer krijgt weinig informatie over de werkelijke omstandigheden van de hoofdpersoon. Alleen zijn verpletterende armoede is duidelijk en een zeker plezier dat hij schept in het schofferen van met name de politie en de middenklasse. Door zijn sterke plichtsgevoel kan de hoofdpersoon moeilijk hulp accepteren en maakt hij het zichzelf erg lastig. Hij wil bijvoorbeeld zelden giften aannemen. Hij is een vat vol contradicties en dat maakt hem zo ongrijpbaar. Tussen de regels door ontstaat een beeld van een man die vroeger een vermogend leven moet hebben gehad maar die nu bestaat bij de gratie van de goede gunsten van zijn hospita en de grillen van een redacteur. Zowat al zijn bezittingen heeft hij al naar de lommerd gebracht. Als de nood echt aan de man komt gebeurt er vaak iets wat de nood tijdelijk opheft, maar nooit voor lang. Dit maakt het ook een verhaal over het belang van kunst creëren als levensbehoefte in extreme omstandigheden. De ficties van de uitgehongerde schrijver functioneren als een ontwrichtend gegeven. In het ontdekken hoever hij hiermee kan gaan stelt Hamsun vraagtekens bij de goedgelovigheid van de lezer. Want hoeveel is verzonnen en hoeveel is echt?

    Buitenstaander

    Ten prooi aan wrede recollecties zwerft de hoofdpersoon in armoedige staat over de straten van de hem vijandige stad. Tot op het bot vernederd komt hij meerdere keren afzienbaar dichtbij de ondergang. Naast de constante armoede is de andere rode draad het meisje dat hij Ylajali noemt, die drie keer terugkomt in het verhaal. In deze wanhopige verhouding is geen plaats voor een echte romance, daarvoor is de hoofdpersoon te zeer gebonden aan zijn ‘kletspraat en boekentaal’. Zij ziet in hem eerst een losbol, maar als hij zijn werkelijke toestand aan haar beschrijft schrikt ze en is hij opeens een gevaarlijke gek. Door zijn wispelturige gedrag is hij veroordeeld tot de positie van eeuwige buitenstaander.

    De speciale gevoeligheid van de zenuwlijder is het bijzondere onderwerp van Hamsun. Nooit krijgt de lezer een vinger achter het karakter van de hoofdpersoon, hij ontglipt elke beschrijving en karakterschets. Altijd maar balancerend op de rand van een inzinking bestaat hij in de eeuwige ironie van Kierkegaard. Of op de rotspunt die Dostojewski beschrijft in Misdaad en straf. Hij kan op een gegeven moment zijn wanen nauwelijks meer van de werkelijkheid scheiden. Of zijn gekte echt of gespeeld is laat Hamsun aan de verbeelding over. De oververhitte stream of consciousness van de fantasierijke hoofdpersoon zorgt voor een wervelend relaas.

    Verschil vertaling

    Net als Hamsuns vitale elan de literatuur nieuw leven inblies zet de vertaling van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders (2022) de brontekst weer op scherp. De vorige Nederlandse vertaling van Cora Polet dateert alweer uit 1976 en wijkt op belangrijke grammaticale punten af van de nieuwe vertaling. Het verschil is opvallend te noemen. Polet wijzigde bijvoorbeeld geregeld de verspringende werkwoordtijden en de grillige interpunctie omdat deze als storend werden ervaren. De wilde expressieve stijl van Hamsun wordt bij Polet op deze manier enigszins beknot en in banen geleid.

    In het nawoord van de nieuwe vertaling wijzen de vertalers op de innerlijke onrust die weerspiegeld wordt in de tekst. Die onrust gecombineerd met de buitengewone precisie van Hamsuns taalgebruik zijn kenmerkend voor het effect dat hij probeert te bereiken. Juist het wisselen van tegenwoordige en verleden tijd weerspiegelt de onbetrouwbaarheid van de verteller en zijn wispelturige invallen. Dit heen en weer springen in tijden en aanspreekvormen is dus niet alleen belangrijk voor het ritme van de tekst maar behoudt ook de originele bedoeling van de auteur. Dat redigeren is het karakter van de roman wijzigen. De gekte lijkt opeens minder willekeurig en het manische tempo is niet meer zo bezeten. Ter illustratie volgt hier hetzelfde fragment uit beide vertalingen:

    1976: ‘De honger had zijn aanval op mij nu ingezet. Ik zat te kijken naar het witte zakje dat bol scheen te staan van glanzend zilvergeld en spoorde me zelf aan te geloven dat er werkelijk iets inzat. Ik zat stijf rechtop en wilde dat ik het juiste bedrag zou raden-‘

    2022: ‘Nu kreeg de honger me te pakken. Ik keek naar dat witte zakje alsof het bol stond van de zilveren munten en zweepte mezelf op te geloven dat er echt iets in zat. Ik daagde mezelf hardop uit het bedrag te raden-‘

    De vertalers van de nieuwe vertaling hebben geprobeerd het ritme van de teks zo getrouw mogelijk te volgen om zo de innerlijke spanning te behouden. Het zijn juist die elementen die van Hamsuns roman een wegbereider van het modernisme maakten. Hij wilde de lezer volledig doen ondergaan in die razende gedachtestroom. Daarnaast is de woordkeuze in de nieuwe vertaling iets moderner en directer. Hamsun was minder geïnteresseerd in de standaard roman maar wilde iets nieuws scheppen, zijn individu laat iets van het essentiële mysterie van menszijn zien in al zijn onsamenhangende complexiteit. Iets wat hij in zijn volgende roman, Mysteriën, des te sterker zou treffen in de figuur van Nagel.

     

     

  • Filosofische en empatische avonturen roman

    Filosofische en empatische avonturen roman

    Recensie door Fred Lens

    Jean-Baptiste Andrea (1971) is een recent literair fenomeen. Hij begon in 2017 met romans te schrijven en elk boek dat er van hem verscheen werd gelauwerd en bekroond. Zijn vierde roman, Waak over haar uit 2023 werd bekroond met de prestigieuze Prix Goncourt. Dat Andrea eigenlijk copywriter en regisseur is, voelt de lezer ook in het instant verfilmbare Duivels en heiligen, een jongensboek voor alle leeftijden, met alle ingrediënten die een jongensziel kunnen beroeren. Hij voert de lezer naar stations, luchthavens, de maan en een  luguber bergklooster.

    Het is ontroerend hoe het hoofdpersonage, Joe (van Joseph) als oudere man terugblikt op zijn Oliver Twist-achtige ervaring in een colditzklooster, maar ook op de pianolessen van zijn veeleisende privéleraar en gewezen virtuoos Rothenberg.

    Einde van een jeugd

    ‘Je moet niet proberen te spelen zoals ik, maar zoals jezelf’, of: ‘Eindelijk beginnen je handen te beven’ en ‘In muziek (van Beethoven) is ritme het belangrijkst’ zijn enkele van Rothenbergs instructies. Dat ritme ontdekt Joe ook bij zijn vriendje Henri in ‘Sympathy for the Devil’.  En jaren later feliciteert Thelonious Monk in New York Joe met zijn pianospel. Maar muziek verzacht niet alles. ‘Een musicus is in staat de zachtste muziek te spelen nadat hij zijn vrouw en kinderen heeft geslagen’ aldus Eerwaarde Sénac over zijn vader, die hem verbood de piano in het weeshuis aan te raken.

    Joe’s beide ouders en zijn ‘onverdraagbare’ zusje stierven op 2 mei 1969 om 18.14 uur in een vliegtuigcrash. Hij is dan bijna 16 en noemt dat het uur waarop zijn jeugd eindigde en een ongeneeslijke ziekte van ‘wees zijn’ hem trof. ‘Wees ben je voor altijd’. En inderdaad, de moeder van zijn beste vriend Henri laat hem zelfs niet meer binnen. ‘Een wees is ongeneesbaar’. Ook onder de wezen zelf, ‘De grote natie van de Vereenzaamden’ bestaat een hiërarchie. De belangrijkste zijn de wezen van zeer rijke gezinnen die een geprivilegieerde opvang krijgen. Alle andere wezen gaan naar afgelegen locaties waar ze niemand storen. Zo belandt Joe in ‘De Grens’, een gewezen priorij in de Pyreneeën, gescheiden door een honderd meter hoge flank van Spanje. Daar beleeft hij ‘jaren van zwarte regen’, en merkt dat ‘Alle wezen’ bevende handen hebben en ondervindt hij dat ‘De beste manier om te overleven, is te verdwijnen’.

    Geen duivels en heiligen

    Neen, dit is geen aanklacht tegen door katholieke religieuzen bestuurde internaten. Het blijft een avonturenroman waarin de psychische en fysieke terreur gelukkig nooit voor blijvend letsel zorgt. Het sadisme van surveillant ‘Kikker’ die de kleine bedplassers met een ‘pismantel’  terroriseert en de perfide sancties van eerwaarde Senac vormen slechts het decor van een jongensboek met gewaagde ontsnappingspogingen. 

    De sadisten zijn toch het resultaat van ‘monsters die monsters maken’, geen duivels dus. En bij de jongens geen heiligen, maar haantjesgedrag, verraad, ‘Ieder voor zich’. Tegelijk beschermen ze de epileptische Momo en zijn ezelknuffel. Momo op zijn beurt waakt bij Joe wanneer hij dagenlang hoge koorts heeft. En het broederschap het Nest (La Vigie) met Vos, Edison en Sinatra doen voor de 9-jarige Alzix alsof ze voor Russische raketten op wacht staan. Alzix neemt dan weer de schuld op zich voor de verdwenen encyclopediebladzijde en pleit zo Joe vrij.

    Spannende pageturner

    Joe moet Rose, de dochter van meneer De Graaf, mecenas van het weeshuis, pianoles geven. Zij is een verwend kind en ze kunnen elkaar amper luchten of zien. ‘Haat voedt zich net zoals het gebed met stilte’. Maar geleidelijk krijgen ze gevoelens voor elkaar en besluiten samen uit te breken, zij uit haar burgerbestaan, hij uit het weeshuis. Joe’s gevaarlijke ontsnappingspoging langs zeer hoge en loshangende dakgoten mislukt echter. Hij wordt verraden en als straf voor twee maanden in afzondering opgesloten. Elk contact met Rose is dan verbroken, maar Joe zal heel zijn leven proberen haar terug te vinden. Dank zij de turnleraar Rachid en de klusjesman Etienne, maar vooral dankzij hun intense fysieke training slagen de leden van het Nest erin om op een ongemeen spannende manier uit het weeshuis te ontsnappen. Duivels en heiligen is een spannende pageturner, romantisch, humoristisch, en filosofisch.



  • En weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam

    En weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam

    Als Johannes, hoofdpersoon van Ochtend en avond van de Noorse Nobelprijslaureaat Jon Fosse, wordt geboren steunt zijn vader, de visser Olai, met zijn hoofd in zijn handen op de keukentafel. Hij mag niet bij de bevalling in de kamer ernaast zijn; de aanwezigheid van een man brengt ongeluk, weet vroedvrouw Anna: een man hoort niet aan een kraambed, zoals een vrouw niet in een vissersboot hoort.
    Johannes zal zijn kind heten, denkt Olai, en hij zal visser worden, net als hij: ‘Terwijl zijn moeder Marta schreeuwt en pijn lijdt, zal hij zijn intrede doen in deze koude wereld en daar zal hij dan alleen zijn, gescheiden van Marta, gescheiden van alle anderen, daar zal hij alleen zijn, altijd alleen, en dan zal hij, als alles voorbij is, als zijn tijd is gekomen, vergaan en tot niets worden en weer daarheen gaan waar hij vandaan kwam, uit het niets en naar het niets, dat is de loop van het leven’.
    We zitten in het korte deel 1 van Ochtend en avond.

    Mantra

    In het tweede deel sterft Johannes. Het thema van de eenzaamheid keert terug: ‘alles is één en tegelijkertijd verschillend, het is één en toch dat wat het is, alles is gescheiden en niet gescheiden en alles is rustig’.
    Dit tweede deel is nog meer dan het eerste geschreven als een vertelling uit een schimmenrijk. De zinnen hebben geen interpunctie. Er zijn slechts af en toe komma’s en vraagtekens als deel van een gedachte. Regels beginnen met een hoofdletter, maar verspringen en gaan dan zonder hoofdletter verder:
    ‘Ach jee, is het zo erg zegt Peter
    en dan pakt Peter Johannes bij zijn arm’
    In dialogen gaat de directe rede ineens over in de indirecte en verspringen perspectieven in één zin. Maar vooral: formules en gedachten worden alsmaar herhaald als een soort mantra. Deze repetitieve stijl werkt dromerig en meeslepend. Je kunt je als lezer niet onttrekken aan de hallucinatieve vertelstijl; je drijft erop mee, zoals een vissersboot op zee.

    Krabben

    De ochtend uit de titel staat voor de geboorte, de avond voor het sterven. Hoe dicht die intrede in de wereld en het verlaten ervan bij elkaar liggen wordt nog eens versterkt doordat het tweede deel juist op een morgen begint. Johannes ‘ontwaakt’ met een gevoel dat alles anders is: ‘Hij voelt zich opeens zo licht, alsof hij geen gewicht meer heeft, denkt Johannes’, die op zijn oude dag juist stijf was en kraakte in spieren en botten. Ineens hoeft hij ook niet meer over te geven, zoals hij sinds de dood van Erna elke morgen bij het opstaan moest.
    Vanuit zijn huis stapt hij de dag in en gaat naar zijn boot waar hij zijn oude vissersmaat Peter ontmoet, die al lang dood is. Hij besluit samen met hem de zee op te gaan om krabben te vangen, zoals ze vaak deden. Daarna willen ze de beste vangst, zoals altijd, verkopen aan juffrouw Anna Petterson, die ook is overleden. Op hun gezamenlijke tocht zien ze ook Marta, Johannes’ moeder, en Erna, zijn vrouw: ‘Hoe is het mogelijk?’, vraagt hij zich af – ze leven toch allemaal niet meer. Niemand van Johannes’ leeftijd is meer over, zelfs schoenmaker Jakop is dood.

    Met Peter deelt hij op de boot zijn herinneringen en twijfels, waaronder die bijzondere dat zijn collega-visser hem redde van de verdrinkingsdood toen de door Johannes uitgeworpen vishaak niet wilde zinken. Hij herbeleeft het opnieuw nu ze weer krabben willen vangen voor juffrouw Petterson. Terwijl Johannes zich erover blijft verbazen duidt Peter die scène met de vishaak: ‘De zee wil je niet meer’.

    Beelden

    Ochtend en avond zit vol met Bijbelse en mythologische beelden. Er zijn de gedachten over God bijvoorbeeld. Johannes was het wel eens met wat schoenmaker Jakop hem ooit vertelde: ‘De God van al die mensen die de waarheid erkenden, dat was geen God voor deze wereld, ook al was hij er ook, er waren nog andere goden’. En niet voor niets is Johannes visser, zoals de evangelist van die naam (lees de column van Jan Kloeze hierover). Er dringen zich daarnaast mythologische beelden op. Zo doet Peter die Johannes overvaart denken aan Charon, de veerman die de overledenen naar het dodenrijk voer. En nog zo’n scène: als Johannes in het tweede deel zijn huis verlaat om naar Peter te gaan ziet hij Erna in de deur staan (‘Ja, je moet nu voorzichtig zijn op zee, zegt ze’) en besluit hij niet meer om te kijken’. Wie moet hier niet denken aan de mythe van Orpheus en Eurydice?

    Prachtig is de laatste dialoog van Peter en Johannes over hun bestemming. Johannes wil weten of de overtocht gevaarlijk is:
    ‘”Gevaarlijk is een woord, waar wij heen gaan bestaan geen woorden”, zegt Peter
    “Doet het pijn?” Zegt Johannes
    “Waar wij naartoe gaan bestaan geen lichamen, dus pijn bestaat ook niet”, zegt Peter
    “Maar de ziel, doet het pijn in de ziel?” Zegt Johannes
    “Er bestaat geen jij of ik waar wij heen gaan”, zegt Peter’
    Ochtend en avond is een novelle om je op mee te laten drijven en stil in op te gaan, een overweldigende meditatieve leeservaring.

     

     

  • Zonder woorden

    Zonder woorden

    In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit is de aanvang van het evangelie van de apostel Johannes. Niet toevallig is Johannes ook de naam van het hoofdpersonage in Ochtend en avond, de recente novelle van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. En is het niet zo dat Johannes ook een visser was, ja zo is het, Johannes was ook een visser, net als de Johannes van Fosse. En na het begin volgt het eind zoals na de ochtend de avond moet komen. En als in de avond de dood onherroepelijk is geworden, schrijft Fosse, zullen de woorden waarmee alles begon verdwijnen. Is dat een typische schrijversgedachte? Is het niet zo dat voor een schrijver alles begint en eindigt met woorden? Ja, zo is het.

    Bovenstaande is een (onbeholpen) poging om het poëtische metrum van Fosses novelle te imiteren. Hij stelt vragen en beantwoordt deze in vrijwel dezelfde bewoordingen. Ochtend en avond is mede daarom eigenlijk geen novelle, maar een prozagedicht. Er ontbreken leestekens, de zinnen lopen eindeloos door en springen naar volgende regels zonder kapitalen te gebruiken. Het is een interne monoloog waarin Johannes zich afvraagt hoe het kan dat hij zich als oude man ineens weer lenig en fit voelt. Hij ontmoet allang gestorven vrienden en geliefden, weet dat ze dood zijn, maar vergeet dat ook weer, al ziet hij wel dat hij bijvoorbeeld een steen dwars door zijn oude vriend Peter heen kan gooien en voelt hij de kou in de hand van zijn overleden vrouw Erna.

    Johannes gaat dood, maar komt onder de hand van de schrijver juist tot leven. Moeiteloos laat hij af en toe het perspectief verspringen, bijvoorbeeld naar Johannes’ jongste dochter, die het dichtst bij hem woont en na de dood van zijn vrouw een beetje op hem toeziet. Vader Johannes noemt ze hem. Door haar ogen zien we hoe hij op zijn sterfbed ligt. In de slaap gestorven, zo lijkt het. Maar wij weten beter. Johannes is klaarwakker gestorven.

    In Ochtend en avond staat de geboorte van Johannes voor de ochtend. Die geboorte wordt in het eerste hoofdstuk beschreven in dezelfde stijl, in een overeenkomstig gedachtenspel. Maar nu is Olai het hoofdpersonage, de vader van Johannes. Olai verwacht veel van zijn zoon, groot geluk doorstroomt hem als het kind zich aankondigt, maar hij mag niet bij de geboorte aanwezig zijn. De vroedvrouw weerhoudt hem ervan. Juist daarom is die vaderlijke verwachting zo aanstekelijk. In het tweede deel laat Fosse Johannes in een kort fragment op deze manier denken aan zijn vader: ‘(…) tussen hem en zijn vader boterde het immers niet zo, en daarna kwamen er nog twee kinderen, Signe en de kleine Olai, ja, want uiteindelijk moest hij toch een kind naar zijn vader vernoemen, denkt Johannes, (…)’. Dat komt binnen, vooral als je zelf vader bent van een zoon en zoon van een vader. In de ochtend van het leven spelen mooie verwachtingen een hoofdrol. Als de avond is gevallen, blijkt het vaak anders te zijn gegaan en rest slechts het zwijgen.

     

    Ochtend en avond / Jon Fosse/ vertaling Marianne Molenaar / uitgeverij Oevers


    Jan Kloeze is schrijver, begin maart debuteerde hij met de roman Starfighter.

  • Oogst week 19 – 2024

    Alle omhelzingen

    Duitsers komen weliswaar uit het land van de dichters en denkers, maar hun zuiderburen kunnen er ook wat van. Dit jaar zou de Oostenrijkse dichteres Friederike Mayröcker 100 jaar zijn geworden. Dat redde ze helaas net niet, omdat ze in 2021 stierf. Nauwelijks een eeuw oud, maar haar nalatenschap geldt voor de eeuwigheid.

    Dit jaar verscheen de Nederlandse versie van Von den Umarmungen op de markt, vertaald door Martinus Nijhoff-Vertaalprijswinnaar Ton Naaijkens. Hij schreef ook het nawoord van Mayröckers dichtbundel: Alle omhelzingen.

    Geheel in lijn met de lijfelijke titel ervaart Mayröcker schrijven als een fysiek proces. Ze verkeert tijdens deze activiteit in een roes waar ze nooit uit raakt. Abnormaal vindt ze deze bijna hallucinante trance. En de Duitstalige literatuur mag haar dankbaar zijn voor deze abnormale neiging tot extase: ze geldt als grootheid van de Oostenrijkse letterkunde.

    Alle omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: m10boeken

    Duivels en heiligen

    Jean-Baptiste Andréa schrijft behalve fictie ook filmscenario’s. Zijn literaire debuut Mijn koningin leverde hem direct 12 prijzen op, maar de grootste won hij dit jaar: de Prix Goncourt, de heilige graal in Frankrijk. Met Des diables en des saints, door Martine Woudt vertaald in Duivels en heiligen, vestigt Andréa zich definitief tussen de grote namen van de francofone literatuur.

    Duivels en heiligen gaat over de geïsoleerde eenling. Het boek vertelt over een nare jeugd, waarin onbedorvenheid van een jong mens keihard wordt afgestraft door de harde buitenwereld. Vanuit een keur aan registers sleept Andréa de lezer door het verhaal heen en laat hem geen moment los: zwaar op de hand, dichterlijk, laconiek, raadselachtig… maar altijd subtiel en verleidelijk.

    Hoe cliché een moeilijke jeugd ook klinkt: niet wát een schrijver vertelt, doet ertoe, maar de vertelwijze. Filmschrijver Andréa begrijpt dit. Alles is al eens verteld, niet elke manier is toegepast…

    Duivels en heiligen
    Auteur: Jean-Baptiste Andréa
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Cassandra

    Op 24 maart 2007 verdween Cassandra van Schaijk spoorloos, om op 14 april diezelfde lente dood te worden gevonden in de Noorderplassen. Ze was nog geen achttien jaar oud. Behalve misdaadjournalist Peter R. de Vries proberen andere schrijvers koortsachtig dit mysterie te ontrafelen. Onder hen Niña Weijers.

    Als echte misdaadjournaliste, niet met botte bijl maar met prettige pen, dook Weijers in deze nooit opgeloste zaak. Inmiddels is haar boek Cassandra bekroond met de E. du Perronprijs, die de Universiteit Tilburg elke twee jaar uitreikt.

    Niña Weijers kon deze zaak die nooit officieel werd gesloten, maar niet loslaten. Ze zag hoe een onafgemaakt verhaal de levens van alle betrokkenen ontwricht. Bijna twintig jaar later blijft Cassandra’s noodlot onopgehelderd. Femicide? Wie zal het zeggen. Ieder slachtoffer verdient hoe dan ook een eerbetoon als dit.

    Cassandra
    Auteur: Niña Weijers
    Uitgeverij: Atlas Contact