• Surinaamse tori’s in een Samwelliaanse mixer

    Surinaamse tori’s in een Samwelliaanse mixer

    Surinaamse tori’s in een Samwelliaanse mixer

    Hoe vertel je de recente Surinaamse geschiedenis zoals die werd beleefd door de ‘gewone’ bevolking van het land? De Nederlandse journalist Diederik Samwel koos voor een roman en zag zich meteen voor problemen gesteld. Hij wilde de verhalen (tori’s) van Surinamers die hij kende als uitgangspunt nemen, maar het boek mocht absoluut geen sleutelroman worden. Een land van rond 500.000 inwoners is daar te klein voor. Lezers uit Suriname zelf zouden zonder veel moeite zijn bronnen achterhalen. Jelaya werd daarom een hervertelling uit de Samwelliaanse mixer.

    Diederik Samwel, die al een paar non-fictieboeken over Suriname op zijn naam heeft staan, is redelijk geslaagd in zijn debuut als fictieauteur. Dat woord is meer op zijn plaats dan romancier.

    De belangrijkste figuren uit het boek zijn de twee schoolvrienden Dew en Stan. Ze zijn beiden verliefd op de beeldschone Jelaya. Dew is de ondernemendste van de twee. Stan lijkt een durfal, maar dat berust meer op impulsiviteit dan op een leefstijl. Hun verliefdheid op Jelaya lijkt voor allebei kansloos.
    Na de onafhankelijkheid (de srefidensi) van het land in 1975 emigreert Dew naar Nederland omdat daar betere kansen liggen dan in Suriname zelf. Stan blijft. Hij lijkt de ontwikkelingen over zich heen te laten komen. Terwijl Dew de opeenvolgende staatsgrepen van overzee beziet, staat Stan er min of meer passief midden in. Hij is in de nacht van de decembermoorden (8 december 1982) zelfs chauffeur voor de militairen die bij de gebeurtenissen in Fort Zeelandia betrokken zijn, maar hij doet geen moeite te weten te komen wat daar gebeurt. Hij hoort er een dag of wat later pas iets van.
    Jelaya blijft ook in Suriname, maar haar rol is voor de lezer lang onduidelijk. Pas als Dew, die inmiddels in Nederland een groot bouwbedrijf heeft opgezet, terugkeert naar zijn geboorteland om zijn diensten daar aan te bieden, duikt ook Jelaya weer op. In de dan komende verwikkelingen zal zij de verzoener blijken tussen Dew en Stan, die in de liefde rivalen zijn en een verschillende kijk hebben op hun land en de politiek.

    De roman heeft een heldere structuur. Hij is verdeeld in acht ‘eenheden’, die steeds gekoppeld zijn aan een maand in het recente verleden. Zo wordt een periode bestreken van maart 1973 tot februari 2012. Elk van die eenheden begint met een personage dat zich in de ik-vorm richt tot de lezer om de ontwikkelingen tussen de afzonderlijke eenheden te verbinden. Daarna volgen steeds hoofdstukjes die alternerend en in de derde persoon de geschiedenissen van Dew en Stan vertellen.

    Samwel is geslaagd in het schrijven van fictie die is gebaseerd op ware gebeurtenissen en verhalen van hen die ze beleefden. Het boek heeft voldoende stuwing en de protagonisten Dew, Stan en Jelaya zorgen door hun verschillende keuzes voor voldoende spanning en ontwikkeling. Maar, zoals gezegd, daarmee is de auteur nog geen romancier. De hoofdpersonen zijn vooral dragers van opvattingen en geen psychologisch uitgewerkte karakters. Diepzinnige gedachten of mooie beelden zijn al evenmin te vinden in Jelaya.

    Het decor is belangrijker dan de spelers. De romanfiguren zijn alsmaar bezig te vertellen wat ze meemaken en welke meningen ze hebben over hun land. Ze lijken door Samwel vooral gecreëerd om duidelijk te maken hoe lastig Suriname in elkaar zit en hoe groot de neiging onder buitenlandse (lees: Nederlandse) journalisten is om daar op een te simplificerende manier over te berichten. De journalist Samwel staat de verteller Samwel dan ook voortdurend in de nek te hijgen. Hetzij om te duiden of te verklaren, hetzij om zijn boodschap te laten klinken. Li Han bijvoorbeeld, de chinees die een winkeltje drijft in Paramaribo, legt de lezer tamelijk overbodig uit: ‘Tori is een leenwoord uit het Engels, zoals ruim een derde zo niet de helft van de vocabulaire schatplichtig is aan het Angelsaksisch’. [Een tori is] ‘vooral een verhaal waarin werkelijkheid en fantasie nogal eens tegen elkaar aan schurken om onder het genot van een goed glas een stuk of wat gemeenplaatsen door te nemen.’

    En het is de journalist Samwel die de waarschuwende vinger heft naar zijn collega’s als hij de (fictieve Surinaamse) columnist Jason laat zeggen: ‘Zonder degelijke en betrouwbare berichtgeving is het van grote afstand helemaal niet te doen om de lokale situatie enigszins in te schatten en een standpunt te bepalen. In mijn tijd in Nederland is mij opgevallen dat het vaak andersom gaat. Aan die kant van de oceaan staat het standpunt vaak al vast vóór de juiste informatie beschikbaar is’.

    Jelaya is als verhaal een zeer lezenswaardig boek van een man die van Suriname houdt, maar het is literair beslist geen meesterwerk.

     

    Jelaya
    Een Surinaamse roman

    Auteur: Diederik Samwel
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar (2013)
    Aantal pagina’s: 336
    Prijs: € 18,95

  • Verzamelde film-essays

    Verzamelde film-essays

    Buster Keaton lacht nooit is een verzameling essays over films. Grunberg schrijft op zo’n manier over de films dat het helemaal niet relevant lijkt of je deze films gezien hebt of niet want hij geeft alle informatie die je nodig hebt. Hierbij vertelt hij niet over de afloop want die is niet van belang voor het maken van zijn punt; bij de film Kids is dat bijvoorbeeld dat hij de film shockerend vindt.

    De essays hebben als overeenkomst dat ze gaan over de manier waarop in een film met de werkelijkheid wordt omgegaan, volgens Grunberg zodanig dat je als kijker fictie en realiteit nog maar moeilijk uit elkaar kunt houden, of omdat in de film alles zo ontzettend realistisch wordt neergezet.

    Als voorbeeld het essay ‘Catalogus van andermans tekortkomingen: Paul Haggis’s film Crash is één groot spel met raciale clichés’. Grunberg beschrijft hier de raciale clichés die in de film Crash aan de orde komen. De persoon die in de film wordt aangereden stapt uit zijn auto om te kijken wie dit ongeluk veroorzaakt heeft en ziet gelijk een ‘smerige neger die hem heeft aangereden’. In de film zitten negers voornamelijk in de gevangenis en parkeren latino’s hun auto in hun voortuin (dat schijnen latino’s te doen, aldus Grunberg). De hoofdpersonen zijn zich bewust van deze clichés, het is ‘normaal’. Filmmaker Haggis zou hiermee willen laten zien dat het de werkelijkheid is. De film zou niet bedoeld zijn om te proberen deze clichés te onderdrukken of extreem te belichten, en ook niet om te laten zien hoe slecht clichés zijn. Maar de werkelijkheid is hard, want het ís de realiteit, dergelijke clichés bestaan, aldus Grunberg. Tijdens het kijken van de film wordt de kijker zich ongemakkelijk bewust van deze realiteit. Vervolgens haalt Grunberg er nog wat andere vergelijkbare films bij, om uiteindelijk na een ietwat warrige uiteenzetting te concluderen dat ‘het wapen de angst is’.

    Een ander voorbeeld: het essay ‘Zelfs wraak komt te laat: Waarom Once Upon a Time in America onvergetelijk is’. In dit essay gaat het over de film Once Upon a Time in America waarin we volgens Grunberg daden zien waarvan de consequenties niet alleen de toekomst veranderen, maar ook het verleden. Een heel leven kan op deze manier alleen nog maar bekeken worden door het filter van één enkele daad. Er wordt in dit essay geen vergelijking gemaakt met andere films.

    Films die aan bod komen in de overige essays zijn onder andere nog Brokeback Mountain, One Hour Photo, The Apartment, The Passion of the Christ en World Trade Center. In de meeste essays wordt als een soort recensie over de desbetreffende film geschreven, en de enige overeenkomst tussen alle essays is dat ze gaan over hoe de werkelijkheid behandeld wordt in de films. Er worden geen verbanden tussen de verschillende films of essays gelegd. Dit komt waarschijnlijk omdat de essays niet voor deze bundel geschreven zijn, maar een verzameling zijn van columns die eerder verschenen in NRC Handelsblad en Vrij Nederland. 

    De essays zijn zeer beschrijvend, observerend, en weinig verdiepend. Ze lezen niet gemakkelijk weg, er wordt een actieve houding van de lezer verwacht. Je moet moeite doen om Grunbergs snelle gedachtewisselingen over de film te volgen. Hij haalt er veelvuldig andere titels bij en de stof die behandeld wordt is redelijk droog. Kortom: opletten geblazen voor de lezer. Maar hoewel hij zeer uitgebreid en zeker fraai taalgebruik hanteert, doet hij  uiteindelijk niet meer dan louter observeren. Hij beschrijft wat we zien, maar verbindt hier geen conclusies of theorieën aan. Hij gaat niet de diepte in. De lezer die geen of weinig van de films kent, krijgt na een aantal essays wel het gevoel dat het ‘meer van hetzelfde is’. In alle essays gaat het immers over de frictie tussen werkelijkheid en fictie en gaat het over Grunbergs kijkervaring, het zijn combinaties van contemplatie en filmrecensie. Concluderend kunnen we stellen dat de essaybundel interessant is voor een klein publiek, namelijk de notoire filmliefhebbers die bekend zijn met de (meeste van de) beschreven films. Deze lezer zal zich herkennen in de observaties en al dan niet glimlachend terugdenken aan de bewuste film. Je kan je afvragen of iemand  die de films niet gezien heeft, veel heeft aan Grunbergs observaties, al zit er een aantal interessante essays tussen waardoor hij of zij na het lezen getriggerd zou kunnen worden om de film te gaan zien. Anders blijft het net als luisteren naar twee mensen die praten over een boek, dat jij het niet gelezen hebt…

     

    Buster Keaton lacht nooit

    Auteur: Arnon Grunberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 256
    Prijs: € 19,95

  • Groepsportret rond de dood

    Groepsportret rond de dood

    Vrouwkje Tuinman (1974) is dichteres, romanschrijfster, journaliste en columniste. Naast een aantal dichtbundels schreef ze drie romans, Grote Acht (2005), Buurvrouw (2008) dat genomineerd werd voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs en nu dus De rouwclub (2013). Eind 2010 ontving Tuinman de Halewijnprijs voor haar oeuvre tot nu toe.

    In De rouwclub staat de dood van Harold Wezeman centraal. De 35-jarige Harold is de grote man achter popfestival Walhalla. Tijdens een bezoekje aan Lovalicious, het muziekfestival van één van de concurrenten, ontstaat paniek. Harold komt daarbij in de verdrukking en raakt in coma. Uiteindelijk overlijdt hij, maar dat gebeurt pas op pagina 88. De aanloop is wel erg lang. Het duurt ook lang voor eindelijk duidelijk wordt wat er precies gebeurd is. Stagair Joris die bij het ongeluk aanwezig was, weigert over zijn ervaringen te praten. Zijn houding en onwil worden een, niet al te consequent uitgewerkt, lijntje in het verhaal.

    Harold zelf is de grote afwezige in dit boek. We volgen zijn vriendengroep. Het verhaal wordt deels vanuit het perspectief van zijn collega en beste vriendin Emma, zijn baas Elmer en beste vriend Victor verteld. Maar er is ook een alwetende verteller die inzicht geeft in de gevoelens van anderen, zoals Harolds vader Jan. Iedereen reageert op zijn of haar eigen manier op de coma en het overlijden van Harold.
    Aan zijn ziektebed is al een tweedeling te zien: ‘De staande mensen vormden samen met het bed een soort kerststal, een heilige familie. De zittende bootsten een stille verjaardag na.’ (44)
    Ook dan is al te merken dat iedereen anders met zijn emoties omgaat. ‘ “Hij gaat het niet redden,” zei Victor met een bijna onherkenbaar geknepen stemmetje. Nee, schudden de artsen.
    Niet gaan janken, dacht Emma, in het algemeen, en richting Victor in het bijzonder. Niet alleen aan jezelf denken.’ (77).

    De artsen adviseren de machines uit te zetten en Harold te laten sterven. Het is een heel gedoe om te beslissen wie bij het overlijden aanwezig moeten of mogen zijn. ‘Emma denkt stiekum aan het woord “fanclub”.’ (82) Na het overlijden van Harold, zoon, neef, vriend, collega, is er in eerste instantie veel te doen voor de mensen die hem omringen. Eerst het geregel, dan de rouw. Dan blijkt dat deze groep mensen op Harold na, eigenlijk niets gemeen had. Er breekt zelfs een soort wedstrijd uit, voor wie het overlijden van Harold nu eigenlijk het ergste is. Maar ondanks het onderlinge onbegrip en de irriraties heeft de groep elkaar ook nodig.

    De fanclub is inmiddels een rouwclub geworden, al neemt lang niet iedereen Emma dat woord in dank af. Maar het is wel een stuurloze rouwclub. En dat terwijl festival Walhalla gewoon door moet gaan. Het delen van hun gevoelens blijkt niet gemakkelijk. Want wie heeft het alleenrecht op herinneringen? En hoe ga je er mee om als anderen jouw herinneringen vertellen, alsof zij er zelf bij zijn geweest?
    ‘Met elke anekdote werd duidelijker dat hij een andere puzzel zat te maken dan zij.’  (263) Niet alleen rouwen doe je blijkbaar alleen, ook herinneringen ophalen. Maar is dat erg? Zoals Elmer zegt: ‘Geen van ons weet alles van hem. Maar samen weten we een heleboel.’ (286)
    En dan realiseren ze zich het. Ze zijn helemaal geen vrienden. ‘De hele rouwclub bestaat alleen maar omdat Harold er niet meer is. (239) En toch domineert diezelfde rouwclub hun hele sociale leven. ‘Andere mensen dan degenen in het ziekenhuis en daarna Harolds huis doen er eigenlijk niet meer toe.'(134)

    Tuinman beschrijft het gedrag van een groep mensen en het boek is het beste te typeren als een groepsportret. Het overlijden van een vriend en de stappen die daarop volgen zijn herkenbaar, maar daardoor ook erg voorspelbaar. Vooral ook omdat er nauwelijks sprake is van een spanningsboog in het boek. Toch blijf je lezen, de groepsdynamiek boeit. Je wilt weten hoe het afloopt met Emma, Elmer en Victor. En wat erg knap is, een zwaar onderwerp wordt licht beschreven.

    De rouwclub

    Auteur: Vrouwkje Tuiman
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s : 256
    Prijs: € 18,95

     

  • Steeds bezig aan één groot werkstuk

    Steeds bezig aan één groot werkstuk

    In oktober 1954 vulde een Haarlemse ambtenaar een formulier in waarin Anton Heijboer (of Heyboer, zoals hijzelf schreef) zich liet registreren als kunstenaar. De etser en latere schilder wilde gebruik maken van de contraprestatieregeling. Die voorzag erin dat de gemeente werk aankocht in ruil voor een uitkering. Heyboer verklaarde tegenover de ambtenaar dat hij van niemand invloed had ondergaan en dat bijzonderheden over hem te vinden waren in zijn dossier in het krankzinnigengesticht in Santpoort. De ambtenaar noteerde nog dat de verklaringen op het formulier in hoofdzaak waren gebaseerd op uitlatingen van de kunstenaar zelf.

    Blijkbaar wisten ze ten gemeentehuize in 1954 al niet hoe ze betrouwbare biografische gegevens over hem op papier moesten krijgen. Dat zou niet erg veranderen. Ruim 50 jaar later verklaarde kunsthistoricus Hans Locher over Heyboer: ‘[Hij] bouwde zijn eigen gekkenhuis in Den Ilp, kon je zeggen, in het echt en in de verhalen. Er was niet zoveel verschil.’

    Locher vertelde dat aan Bert Nijmeijer, historicus en journalist, van wie zojuist een boek over Heyboer is verschenen.

    Nijmeijer, geboren in 1971, had het beeld van Heyboer dat de meesten voor ogen staat. Dat van de halvegare quasi-kunstenaar die tussen vrouwen en dieren woonde in vervallen hokken in Den Ilp, bij Amsterdam, en wiens verschijning in TV-programma’s als De Stoel vooral op de lachspieren werkte. Nijmeijers ruimere nieuwsgierigheid werd gewekt toen in 2007 een boekje verscheen van Erna Kramer. Zij leerde Heyboer kennen in 1952, was vier jaar daarna met hem getrouwd, had met hem een dochtertje Marcelle gekregen, en was in 1959 met het kind bij hem weggegaan. Heyboer maakte daarna geen deel meer uit van hun leven, maar in 2007 ontdekte Erna dat Heyboer haar in interviews doodzweeg door zijn leven in de jaren ’50 louter af te doen als ‘vijf jaar palingvissen’. Dat was haar te gortig.

    Voor Nijmeijer kwam daar nog eens bij dat rond de tijd dat Erna haar stem in geschrift verhief de geruchten steeds aanzwollen over regelmatig opduikende vervalsingen van werk van Heyboer. Daarin speelden de Amsterdamse kunsthandelaren Knubben en Simon én een mysterieuze Bijvoet een grote rol. Dat waren voor hem genoeg redenen om de geschiedenis van die ‘gek’ uit Den Ilp te reconstrueren.

    Maar ga er maar aan staan, als uit de aantekening van de Haarlemse ambtenaar en de ervaring van Locher al blijkt dat je nauwelijks houvast zult vinden. Dat ontdekte Nijmeijer gaandeweg eveneens. Hij heeft dan ook geen biografie geschreven, maar ‘een biografische speurtocht’. Die leidde vooral langs de bestaande literatuur en zo’n 35 ‘getuigen’ die hij interviewde. Al die verhalen heeft hij samengeweven tot een lappendeken van anekdotes, meningen, interpretaties en ruzies, die het object van zijn onderzoek helaas niet erg nader tot de lezer brengen dan in voorgaande publicaties al is gebeurd.

    Nijmeijer schrijft onderhoudend, daar niet van. Al lijkt het er soms op dat hij moeite had om weetjes en anekdotes achterwege te laten. Soms is dat storend voor de loop van het verhaal. Wat moet je er bijvoorbeeld als lezer mee dat Harry Mulisch, die in Haarlem bevriend was met Heyboer, naar Amsterdam verhuist en daar met Ed Hoornik optrekt. Het gegeven heeft geen enkele relevantie voor het leven van Heyboer die dan feitelijk al met Mulisch gebroken heeft.

    De rode draad in het boek wordt gevormd door twee componenten: de filosofie van Heyboer en zijn werk. Wat het eerste betreft blijft de kunstenaar trouw aan de diagnose die in 1951 in Santpoort al gesteld werd: ‘krankzinnigheid met Christuscomplex’. Hij bouwt zijn filosofie uit tot een systeem waarin hij zelf als een soort Christus de spil vormt met als doelstelling zijn hele leven en dat van de vijf vrouwen waarmee hij uiteindelijk in Den Ilp samenwoont tot zijn ultieme kunstwerk te verheffen. Steeds als een nieuwe vrouw bij hem intrekt moet haar ego en haar burgerlijkheid tot de grond toe worden afgebroken om met hem verenigd te kunnen worden. ‘Ik ben steeds bezig aan één groot werkstuk’, laat Nijmeijer hem ergens zeggen.

    Daarnaast als tweede component zijn werk, dat aanvankelijk in de vorm van etsen en later in schilderijen (gemakkelijker, want zo’n ding heb je veel sneller af) wordt opgetuigd uit lijnen, kruisen, cijfers en teksten die allemaal naar zijn ‘systeem’ verwijzen. Een enkeling valt ervoor, maar eigenlijk is er niemand die er een touw aan vast kan knopen. De al genoemde Locher, die in 1976 eveneens een biografie publiceerde, kende de kunst van Heyboer ‘een ongewoon dwingende werking’ toe, maar zag er toch ook niet meer in dan ‘een taal waarin bepaalde mededelingen gedaan werden’ (geciteerd door Nijmeijer). Aan zo’n heldere analyse heb je nog eens wat als je geïnteresseerd bent in wat de kunstenaar bewoog!

    Ook Nijmeijer zelf slaagt er niet in om de lezer inzicht te geven in Heyboers werk, maar anders dan Locher, valt hem dat te vergeven. Hij geeft in zijn nawoord toe dat hij te weinig kunstkenner is om daar uitspraken over te doen.

    Heyboer. Een biografische speurtocht laat zich grotendeels lezen als een amusant verhaal. Het wordt zelfs spannend als de auteur probeert te achterhalen wie de geheimzinnige Bijvoet is, die steeds opnieuw met onbekend werk uit zijn Haarlemse periode aan komt zetten. Nieuwe inzichten over leven en werk van Heyboer levert het boek echter niet op.

     

     

  • Architectuur die (n)iets terug geeft

    Architectuur die (n)iets terug geeft

    De man zonder ziekte van Arnon Grunberg gaat over een jonge ambitieuze Zwitserse architect met Indiase roots, Samarendra Ambani, voor zijn vrienden Sam. De kern van Sams identiteit definieert hij negatief. Deze wordt namelijk gevormd door ´het gebrek aan ziekte. Hij heeft geen rolstoel nodig, geen permanente verzorging, hij is heer en meester over zijn eigen lichaam.´ (8) Hierin verschilt hij van zijn jongere zus Aida, die kampt met een langzaam erger wordende spierziekte, waarvoor geen genezing is, behalve misschien via een dure methode in de Verenigde Staten. Sam is niet tevreden over zichzelf: ´De afwezigheid van ziekte in zijn leven was geen zegen, maar een verborgen gebrek. Hij had altijd genomen, zonder ooit iets terug te geven. Hij besloot een architect te worden die gaf, een genereuze architect.´ (23) ‘Hij wil geen architectuur maken die boven de mensen staat, die macht wil uitoefenen, maar architectuur die naast de mensen staat, die iets terug geeft.’  (35)

    Het boek gaat onder meer over hooggestemde idealen over kunst en cultuur en hun nut voor de mens. Grunberg lijkt te willen tonen hoe zulke idealistische denkbeelden totaal verkeerd kunnen uitpakken in een gepolitiseerde wereld vol geweld en haat. Sam wordt door Grunberg twee maal naar het Midden Oosten gestuurd. De eerste keer naar Irak, omdat hij denkt dat hij meedingt in een wedstrijd om een operagebouw in Bagdad te ontwerpen, om Puccini naar de Irakezen te brengen. De tweede maal gaat hij naar Dubai, om een enorme bibliotheek te bouwen, die alle boeken van de wereld moet bevatten. Beide keren loopt Sams reis uit op een persoonlijk drama. Hij wordt gevangen genomen en aangezien voor een spion. De eerste keer wordt hij nog verlost uit zijn gevangenschap, de tweede keer verloopt anders.

    De niet meer gelovige Sam wordt ertoe gedwongen terug te komen op zijn haast religieuze visie op de heilzaamheid van kunst: vroeg in de roman lezen we het volgende: ´Waar eens God zat, zat nu de kunst; een god zonder tanden vermoedde Sam, maar wel met een liefdevolle glimlach. Kunst bijt niet.´ (19) Dat is, zo blijkt, een naïeve gedachte. Als Sam naar Irak afreist doet hij dit in de veronderstelling dat het ergste daar wel achter de rug is. Hij wil helpen bij de wederopbouw. Hij ziet voor zichzelf en andere architecten een grote rol: ´Oorlog vernietigde mensen en hun huizen. Architecten bouwden huizen, zij stonden tegenover oorlog zoals de arts tegen de dood.´ (22) Volgens zijn compagnon Dave neemt Sam de architectuur echter te serieus, hij moet deze meer als spel zien, zoals een kind met zijn blokken speelt. (127)

    Sam is een leerling van de bekende architect Max Fehmer. Hij denkt soms dat hij deze kan evenaren of overtreffen. Fehmer stelt in het boek het volgende:´De kracht van een architect is zijn talent, waarvan je zijn naïviteit moet aftrekken. Je kunt er een vergelijking voor opstellen: k=t-n´ (62/63) En ook: ´De architect moet de mensen niet verbeteren, hij moet ze bij de hand nemen en leiden´ (62) Hiermee is Sam het niet eens. Het gaat bij hem steeds ook om ‘de actieve interpretatie van de gebruiker.’ (192) De architect moet niet te dwingend zijn.

    De man zonder ziekte is onder meer een roman over kunst- en architectuurvisies en hun rol in een onoverzichtelijke wrede wereld. Grunberg sprak in voorbereiding op het schrijven van het boek met diverse architecten, onder wie Rem Koolhaas. Het personage Max  Fehmer stelt: ´In onze wereld is identiteit fastfood. Architectuur moet meer willen zijn dan de tomaat op de hamburger, architectuur moet de keuken zijn waar de hamburger wordt gebakken. De architect beïnvloedt de identiteit van de gebruikers van zijn gebouwen, zijn bruggen, zijn torens. De architect is er niet alleen om mensen een dak boven het hoofd te geven, voor een dak hebben ze genoeg aan een tent, daarvoor hebben ze geen architect nodig´ (19/20). Voor Fehmer is iedere burger een architect, omdat iedereen dagelijks met architectuur wordt geconfronteerd, dit in tegenstelling tot de visies van filosofen en sociologen, waarmee mensen maar zelden in aanraking komen. (20) De architect heeft dus zowel grote invloed als grote verantwoordelijkheid.

    Sam ziet in de eerste helft van de roman een connectie tussen schoonheid en idealisme. Hij  herinnert zich instemmend een uitspraak van een docent kunstgeschiedenis die zei: ´Geen ethiek zonder esthetiek. Wie de esthetiek verwaarloost, kan vroeg of laat ook de ethiek begraven.´ (50)

    Wat later in de tekst, als hij de futiliteit van zijn Irakmissie begint in te zien, komt hij tot een hard zelfverwijt: ´Hij is naïef geweest, en naïviteit is erger dan domheid, erger zelfs dan slechtheid.´ (62). Het is een mening waarmee men het hartgrondig oneens kan zijn. Sam handelt in de rest van het boek ook niet alsof hij dit inzicht daadwerkelijk tot zich heeft laten doordringen.

    Het boek gaat minder over trauma dan misschien mogelijk was geweest. Nadat hij na zijn eerste gevangenschap uit Irak terug is in het veilige Zwitserland vraagt Sam zijn vriendin om op hem te urineren en hem ´hond´ te noemen, zoals in gevangenschap geschiedde. Echt over het gebeurde praten wil hij niet: ´Praten maakte de dingen in de regel alleen erger. Als iets genezend is, is het zwijgen.´ (101)

    De man zonder ziekte overtuigt, zonder dat je meteen Grunbergs levensvisie wil overnemen. Het aangrijpende (maar voor Grunbergwatchers niet onverwachte) einde lijkt onontkoombaar, maar als je terugleest, zie je dat toeval ook een rol speelde. Aan het einde zit verder nog een onverwachte ´twist´, als ware het boek een Hollywoodfilm. In de laatste bladzijden wordt een ander licht op Sam geworpen, zodat de rest van het boek ook anders moet worden gezien.

    In de roman wordt Westerse arrogantie (of: naïviteit) hard afgestraft. Grunberg zet de lezer aan het denken over belangrijke thema´s als identiteit, cultuurverschillen, de rol van kunst en cultuur en de werking van projecten ter wereldverbetering. De stijl is geslaagd: Grunberg weet in iets meer dan tweehonderd bladzijden zijn visie op Sam en mensen met denkbeelden als Sam indringend zonder opsmuk te tonen. Een ijzersterk boek.

     

  • De illusie van vruchten

    De illusie van vruchten

    Recensie door Sheila van Rheenen

    Een pikzwart boekomslag zonder afbeeldingen en de titel in dik gedrukte witte letters. Alsof het de openingstitel van een film op een bioscoopscherm betreft, zo dwingend werkt de kaft van Harry Vaandragers romandebuut Aan barrels. Bij het lezen van het eerste  hoofdstuk Nee wordt bijna een soundtrack met harde punkrock hoorbaar:

    ‘Nee. Nee. Nee nee nee. Het is nee, en het blijft nee. Nee. Dui-
    delijk? Niet anders dan nee. Voor altijd nee. Drie letters. N.E.E.
    Nee nee nee. Het is nee. Nee nee neeeee. Alleen nee. Nee, nog
    niet duidelijk?
    (…)’

    En zo gaat het nog acht regels door.

    De volgende acht hoofdstukken bevatten elk een monoloog. Vier mannen en vrouwen komen daarin aan het woord en piketteren zo de omtrek van een verhaal.
    Een zekere Marc zit vanwege internationale vrouwenhandel een lange straf uit. Terwijl hij met drie andere zware criminelen (‘Vrienden zijn we geloof ik niet. We zijn vennoten.’) plannen maakt voor een uitbraak, besluiten ze als tijdverdrijf het woordenboek te zuiveren van ‘alle woorden met twee linkerbenen. Mietjeswoorden. Parfumwoorden. Woorden als verzopen vissen.’
    Voor hun vluchtplannen denken ze te kunnen rekenen op de hulp van de vrouwen in hun leven. Uiteindelijk verbreken die, ieder op hun eigen manier, het contact met de mannen.

    Door de gekozen vorm blijven concrete ontmoetingen tussen de personen voor de lezer onzichtbaar. Hiermee benadrukt Vaandrager het isolement van deze eenlingen, opgesloten in hun denkwereld, ieder in de afzondering van hun eigen hoofdstuk. De monologen zijn vaak radicaal grof en weerzinwekkend, maar toch ook wonderlijk magnetiserend. Mooi is het hoofdstuk Moeder waarin een dementerende actrice uithaalt naar de tijd:
    ‘Mijn edelgeboren zoon lust je rauw. Hoe sluw je ook bent, Marc is sluwer. Ik hoef hem niet te souffleren. Hij zal het droggruis van achter je huig zuigen. De waanzinnen uit je ogen slaan.
    (…) Hij zal je doden Slachter. Geloof me. Dag Slachter. Dag.’

    Vaandrager gaf zijn boek op het binnenblad als ondertitel ’n Braakbal.
    Dat woord geeft de werking van zijn proza goed weer. Bijna instinctmatig scheiden de personages hun meest geheime, meest verwerpelijke gedachten af alsof het lichaamsvreemde materie is die moet worden opgegeven. Aan de lezer de taak om uit die braakbal van testimonia een gaaf verhaal te pluizen. Maar misschien moet die dat niet willen. Wellicht is het niet per ongeluk dat de plot van Aan barrels niet voldragen wordt.
    Met ‘braak’ bedoelt Vaandrager namelijk evengoed: onbezaaid, onbevrucht.
    ‘Misschien moeten we die droogdoos taal nog eens volspuiten met nieuw zaad’ suggereert één van de personages.
    Afbreken of braakliggen? Het is de kernvraag van Vaandragers personages die in hun existentiële vacuüm voortdurend schommelen tussen destructiviteit en fatalisme. Aan barrels begint met een gedicht uit Cascando, een hoorspel  van Samuel Beckett. Het blijkt het dwingend motief waarop Vaandrager zijn variaties schreef:

    ‘why not merely the despaired of
    occasion of
    wordshed
    […]
    is it not better abort than be barren
    […]’

    Ook in meer letterlijke zin zijn levensvatbaarheid en vruchtbaarheid terugkerende motieven in Aan barrels. Mannen en vrouwen zijn gesteriliseerd, onvruchtbaar, impotent of frigide. Er zijn buitenbaarmoederlijke zwangerschappen en in de laatste monoloog sterft iemand ongeboren. Het enige personage dat op dit gebied niks mankeert, schept op over seks met meisjes die te jong zijn voor een eisprong. Vrolijk makend is het allemaal niet en soms vliegt Vaandrager echt uit de bocht. Dan is zijn taal niet langer functioneel bloot maar stompzinnig plat:

    ‘De vrouwenhandel verderfelijk? Flikker op. Nichtenpraat. Vrouwenhandel is oké. Voor mij zeker. Altijd poen. Altijd sex drugs en rock ’n roll. En vooral spanning. Kan niet zonder. Wil niet zonder. Neukeleuk toch?’

    Al is hier een zware crimineel aan het woord, geloofwaardig is zijn stem niet. Is dit dezelfde man die op zijn gevangenisbed de Dikke van Dale uitbeent? Daartegenover staan lyrisch zeer sterke passages die niet zouden misstaan in een klassiek drama. Prachtig is de monoloog van een vrouw over Andreas, haar afdrijvende vrucht: ‘Mijn vrucht is een mes. Een scherp glimmend mes. Gewet in mijn sappen. Ik voel het. Diep binnenin. Kan niet bewegen. Mijn lijf, mijn lemmetkind. (…)’

    Niemand wordt geboren bij Vaandrager, want bestaan is al erg genoeg. Dat gegeven van de vruchteloze bevruchting wordt in zijn handen een woedende demonstratie die  honderdzevenenzeventig bladzijden duurt. Met zichtbaar genoegen beukt hij de taal aan flarden om te bewijzen dat de vrucht van zijn daad niets anders kan zijn dan een windei, een ‘tjokvol niets’.

    Hoe zou Aan barrels het als toneeltekst doen? De vergelijking met het werk van Heiner Müller dringt zich op, hoewel die met zijn zelfverklaarde ‘constructief defaitisme’ anders dan Vaandrager, een evenwicht vond tussen het radicalisme van zijn teksten en de dramatische context waarin hij ze plaatste.

    ‘Wie heeft de beste tanden
    Het bloed of het steen’, vraagt een ik aan het eind van Müllers Landschap met Argonauten.

    In Aan barrels lijkt die vraag de enige leidraad voor de mannen en vrouwen op weg naar hun eigen onverteerbare, onvermijdelijke niets.

     

     

  • Als slaap een munteenheid was, was hij aan het eind van de maand miljonair

    Als slaap een munteenheid was, was hij aan het eind van de maand miljonair

    Recensie door: Thalita van Basten

    Dinges doet niets, Dinges is nergens in geïnteresseerd, Dinges wil niet werken, Dinges wil de deur niet uit en Dinges wil eigenlijk niet eens opstaan. Uit huis gezet door zijn ouders gaat hij in Parijs bij zijn oude studievriendin Stephanie wonen. Na een mislukt baantje bij een amusementsbedrijf zwelgt hij met huisgenoot Bruno in het nietsdoen. Blij als een kind is hij als hij op zijn 25e verjaardag zijn uitkering krijgt; de overheid als mecenas die zijn luiheid financiert. De dagen worden versleten met slapen, tv-kijken, masturberen en wat slap ouwehoeren over vrouwen.

    Bruno echter komt tot inzicht en verlaat dit troosteloze leven. Dinges wordt door Stephanie verzocht in zijn kamer te blijven waar hij verzinkt in een soort autisme, een monastieke retraite. Zij is niet gevoelig voor zijn ongeluk, heeft genoeg van zijn schimmige gedrag in huis en zegt hem de huur op. Bij het zoeken naar andere woonruimte zorgen zijn vragen als: ‘Hoe denken de buren over partnerruil?’ en ‘Als ik u in mijn mond laat pissen, krijg ik dan korting?’ ervoor dat hij niet wordt uitgekozen als huurder. Liever geen huis om een goede reden dan om geen reden, is zijn motto.

    De lamlendigheid lijkt zich als een net om Dinges heen te sluiten totdat Bruno hem binnenloodst in de autobranche.

    Het boek leest snel, mede door de hoofdstukjes van maximaal 3 bladzijden. De zinnen zijn kort en direct. Het verhaal is beeldend geschreven waarbij de lezer de gedachten van Dinges goed kan volgen. Dinges is vooral grappig omdat hij regelmaat de spot drijft met zijn eigen gedrag.  Dinges staat in tweestrijd; moet hij zelf zijn leven veranderen of wachten tot de verandering vanzelf komt. Bruno zorgt uiteindelijk voor de verandering:
    ‘Ik ken je. Je zit almaar braaf te wachten tot het gaar in je bordje valt en dan kom je mekkeren dat het aan je neus is voorbijgegaan. Maar anderen de schuld geven, dat is te makkelijk. Je bent een verwende rotaap die nooit de mouwen heeft opgestroopt. Kom terug op aarde, Baudelaire! Vind een baantje, maakt niet uit wat het is, en hou op met dat nuffige gedoe onder voorwendsel dat je gestudeerd hebt.’ (p. 185)

    Dinges komt te werken in de autobranche, een vakgebied waar hij niets vanaf weet. Hier wordt hij door de leiding op een kansloze plek neergezet in de organisatie. Na twee intensieve cursusweken is hij goed genoeg bevonden om de brochures uit te delen. Auto’s verkopen is echt te hoog gegrepen, vindt men. Echter, één ding kan Dinges heel goed: observeren.

    Tegenwoordig kan men alles bereiken wat men wil. The sky is the limit. Voor Dinges is dit te veel. Hij wil geen keuzes maken. Bang om de verkeerde keuzes te maken. Monnery geeft deze boodschap duidelijk door.  Als je niet opvalt, word je vergeten. Als je geen naam hebt, leef je niet. Je bent jong, je bent vrij, maar te veel vrijheid zorgt voor lamlendigheid. Monnery laat zien dat je alles kunt bereiken wat je wilt, als je er maar voor gaat.

    Het is een humoristisch boek over een jongen die geen raad weet met zichzelf. Een jongen die weet dat hij een schop onder zijn spreekwoordelijke kont moet hebben. In deze maatschappij waarin alles moet kunnen, is het niet verkeerd ook eens te lezen over de wanhoop die dit kan opleveren. Zijn lusteloosheid zal voor weinigen herkenbaar zijn; toch laat het de lezer nadenken over zijn eigen leven. Zijn we wel gelukkig met alle keuzes die we gemaakt hebben? Hebben we invloed op de keuzes? Het geluk kan afhankelijk zijn van een kop of munt.

    ‘Mijn toekomst zou een kwestie van kop of munt zijn. Ik haalde een geldstuk uit mijn zak en legde het op mijn pols. Bij munt zou ik naar huis gaan en in bed kruipen tot de huisbaas me op straat zou zetten. Kop betekende dat ik terugging naar de stand en koos voor de carrière van autoverkoper die voor me klaar lag. Met afgemeten beweging liet ik de munt opvliegen in een duizelingwekkende reeks acrobatische figuren. Ik zag hem buiten adem omlaag komen, in een lijf-aan-lijfgevecht met de regendruppels. Het lot leek even te aarzelen en maakte toen zijn keuze.’ (p. 282)

    Jong, vrij en lamlendig is het debuut van de 32-jarige Monnery. Hij publiceerde eerder verhalen in het tijdschrift Décapage.

     

  • Mysterieus verhaal die de lezer in spanning houdt

    Mysterieus verhaal die de lezer in spanning houdt

    In de vierde roman van Robbert Welagen, Porta Romana, lezen we het verhaal van de Zwitser Emilio Lastrucci. Deze tweeënvijftigjarige man lijdt aan geheugenverlies. Erger nog: hij kan zich op wat sporadische flashbacks na niets meer herinneren van zijn jeugd. Daarom besluit hij terug te gaan naar zijn geboortestad Florence. Hij bezoekt hier plaatsen en personen die hem mogelijk meer duidelijkheid kunnen geven over zijn jeugd: het huis waar hij is geboren, een vroegere vriend, zijn tante. De bezoekjes leveren echter weinig op, in plaats van het vinden van oplossingen komt hij juist voor meer raadsels te staan. Want wie is bijvoorbeeld de vrouw door wie Emilio telkens achtervolgd lijkt te worden? Heeft zij iets te maken met zijn jeugd? En de auto met Zwitserse nummerplaat, die telkens weer in zijn buurt opduikt wanneer hij door de Italiaanse stad wandelt?

    Er ligt een mysterieuze sluier over dit verhaal die niet alleen de hoofdpersoon van het boek maar ook de lezer in spanning houdt. Deze spanning zorgt ervoor dat je – bijna met ingehouden adem – verder leest. Tot op de laatste bladzijde blijft ze voelbaar. Lastrucci probeert grip te krijgen op de gebeurtenissen door de stad aandachtig in zich op te nemen: hij staat stil bij alle plaatsen en straatnamen van Florence die hij tegenkomt. Hij absorbeert deze als het ware, in de hoop dat ze hem wat houvast zullen geven zodat zijn geheugen langzaam terug zal komen. Naast geheugenverlies heeft Emilio ook erg last van angsten: zijn geheugen is immers verdwenen na een ongeval. Dit ongeval heeft zich voltrokken toen hij probeerde te vluchten omdat hij bestolen werd van zijn spaargeld. Hij is bang dat dit nog een keer gebeurt, en vraagt zich af hoe zijn belagers wisten van zijn spaargeld. Wordt Lastrucci wellicht ook in Florence door zijn belagers achterna gezeten?

    Welagen weet in Porta Romana, net zoals in zijn vorige romans weer de juiste taal te kiezen: de zinnen die hij gebruikt zijn kort, beeldend en luchtig, maar ook vol raadsels en ze ademen een mysterieuze spanning uit. De manier van schrijven doet daarom erg denken aan zijn eerdere roman Lipari, waarin hij ook poëtische zinnen gebruikt en waarbij hij eveneens gedurende het hele verhaal een luchtigheid over de tekst heen legt. De drukkende warmte die in de zomer van Emilio’s zoektocht in Florence boven de stad hangt, is eveneens bekend uit Lipari, en contrasteert op mooie wijze met de luchtigheid van de zinnen. De raadselachtigheid en het mysterieuze kennen we nog goed uit Verre vrienden. Ook hierin riep het verhaal naarmate het vorderde bij de lezer juist meer vragen dan antwoorden op. Kortom: Porta Romana is een feest van herkenning voor de fans van Welagen. De terugkerende elementen in zijn romans, namelijk de raadselachtigheid die tot op de laatste bladzijde over het verhaal blijft hangen, de luchtige, poëtische taal die hij bezigt, en ten slotte de beklemmende benauwdheid waar je als lezer door bevangen wordt, maken het ook deze keer weer tot een zeer aangename leeservaring.

    De gedetailleerde beschrijvingen van Florence moeten voor de kenners van deze stad ten slotte een leuke toevoeging zijn. Moet men dan toch een minpuntje aan deze roman noemen, dan is het dat het boek slechts 160 bladzijden telt. Veel te gauw naar je zin sla je als lezer de laatste bladzijde om, terwijl je zou willen dat het allemaal veel langer zou duren… Vol raadsels en vertwijfeld blijf je achter, waarna je uitgebreid de tijd hebt het gebeurde, en vooral het niet-gebeurde, te overdenken.

     

     

  • Recensie door: Marjolein Paalvast

    Recensie door: Marjolein Paalvast

    Het is winter 1986. Een dode Zuid-Afrikaanse jongen wordt onder het ijs vandaan uit de Amsterdamse grachten gevist. Hoe komt hij daar? Waarom ziet hij eruit als een skinhead, maar draagt hij ook een nichterig buideltasje? In zijn tweede roman, Zacht als Staal, laat Richard de Nooy zien hoe een moeder na zijn overlijden haar zoon pas echt leert kennen. En daarmee zichzelf…

    Alma Nel reist van Zuid-Afrika naar Amsterdam om het lichaam van haar zoon Staal op te halen. Wanneer zij probeert Staals leven en dood te reconstrueren ? ‘Ek wil weet wie hy nou eintlik is’ ? zijn diens vrienden weinig toeschietelijk: ‘Ze werd gecondoleerd door slagers, bakkers, caféhouders en kledingverkopers, maar ze merkte dat de sympathie steeds hartelijker leek te worden naarmate ze verder verwijderd raakten van de kapsalon. Alsof de mensen die Staal minder goed kenden haar een warmer hart toedroegen. Toen de steen haar te zwaar werd vroeg ze: ‘Het Staal sleg oor my gepraat?’

    De (fictieve) herinneringen in Zacht als Staal zuigen je als een trechter mee in de wereld van ‘Prinses’ Staal, een 20-jarige, homoseksuele jongen uit het Zuid-Afrikaanse dorpje Zeerust, die halverwege de jaren ‘80 kennismaakt met het Amsterdamse homocircuit. Het is door het grote verschil in opvattingen over homoseksualiteit tussen deze twee werelden, dat Alma Nel op pijnlijke wijze met zichzelf wordt geconfronteerd.

    Als er één ding is dat De Nooy prachtig onder woorden brengt, dan is het wel dat mensen schuilen achter vooroordelen. De roman wordt bevolkt door de meest uiteenlopende personages: van politiechef tot piloot, van kappersnicht tot cokedealer. Als lezer kun je niet anders dan deze figuren in je hart sluiten. Dat geldt niet alleen voor Alma Nel, die in het verleden ver, heel ver is gegaan voor de ‘herconditionering’ van Staals homoseksuele geaardheid. Ook de nietsontziende cokedealende reus Hantrop blijkt meer dan menselijk wanneer hij betrokken raakt bij Alma Nels zoektocht naar het leven van haar overleden zoon: ‘Hij keek Alma even aan. “Heb je verdriet?”
    “Ja.”
    “Moe?”
    “Ja.”
    “Kom. Kutregen.”
    “Gaan jy my beroof?”
    De reus glimlachte. “Niet hier.”
    “Op ‘n warm, droë plek, asseblief.”
    “Goed idee,” bromde Hantrop en nam Alma’s koffers van haar over.’

    De verwarring, dubbelzinnigheid en de taalgrapjes die ontstaan doordat Alma Nel en Staal Zuid-Afrikaans spreken ?‘ “Hand erop?”, zei de reus en stak zijn hand uit. “Hallo Hantrop, ek is Alma.” De reus begon te lachen als een onwillige motor […]’? zorgen ervoor dat de zware thema’s die het boek behandelt luchtig en prettig leesbaar blijven. En dat is hard nodig ter compensatie van het schuldgevoel dat, naarmate het boek vordert, zwaarder op Alma Nel en daarmee op de lezer gaat drukken. Zo is De Nooys taalgebruik buiten vlot en origineel ook functioneel.

    Coming of age-roman, detective, tijdsdocument: De Nooy heeft met Zacht als Staal een knappe combinatie gemaakt van elementen uit verschillende genres. De soms hilarische herinneringen die elkaar afwisselen maken dat je Staals verhaal van verschillende kanten en vanuit verschillende culturen beziet. In het spoor van Alma Nels kruistocht pas je als lezer langzaamaan de puzzelstukjes in elkaar; wat overblijft is een mentale foto van Staal, die nog lang op je netvlies gebrand staat.

    Zacht als Staal
    Auteur: Richard de Nooy
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar ( 2010)
    Prijs: € 17,50