Verloren vader is het debuut van Sayadin Hersi (1972). Ongetwijfeld heeft hij voor deze roman uit zijn eigen ervaringen geput: Hersi’s leven vertoont veel overeenkomsten met het leven van de hoofdpersoon in de roman. Beiden zijn van Somalische afkomst en zijn vanwege de verwoestende stammenoorlog in 1992 naar Nederland gevlucht.
Verloren vader vertelt het verhaal van Bille, een zoon van een Somalische generaal, die in het onrustige Somalië woont ten tijde van de hevige oorlog, en uiteindelijk alleen naar Nederland vlucht. In Somalië heeft Bille de nodige problemen gehad: als hij zes jaar oud is, komt zijn vader hem op een dag niet ophalen van school en blijkt deze plotseling verdwenen te zijn, later wordt hij twee keer gevangen gezet en op 18-jarige leeftijd wordt hij gedwongen om mee te vechten in de stammenoorlog om de stad Kismayo te verdedigen.
In Nederland werkt Bille als inpakker van speelgoed. Het weinige geld dat hij verdient, stuurt hij naar zijn moeder, zusjes en broertje die in Kenia wonen. Vermomd en met papieren van een Keniaanse tante wisten zij destijds de grens over te steken, maar omdat zijn tante geen zoon had waar Bille voor door kon gaan, kon hij niet mee naar Nairobi. Na verloop van tijd laat hij zijn broertje Bettel overkomen naar Nederland voor een studie geneeskunde, zodat hun vader trots op hem zou kunnen zijn. Bettel raakt echter in de ban van het moslimextremisme, iets wat Bille ernstige zorgen baart. Als Bettel besluit om drie weken naar een islamitische bijeenkomst in Pakistan te gaan, een reis gefinancierd door een ‘weldoener uit Saoedi-Arabië’, is Bille bang dat hij zijn broertje aan het extremisme kwijtraakt. Hij besluit daarom in plaats daarvan samen met Bettel naar Somalië te gaan, om ‘de overblijfselen van zijn herinneringen te bekijken’. Hij hoopt eindelijk uit te kunnen zoeken wat er nu met hun vader is gebeurd, om zo hun verleden een plaats te geven.
Verloren vader is een actuele roman die inhaakt op onder andere de aanslag op het WTC en de moord op Theo van Gogh, en kritiek levert op het ‘wij- en zij-denken’ zoals dat in de Westerse maatschappij heerst. De roman is niet alleen bijzonder boeiend, maar ook leerzaam. Hersi schetst een interessant beeld van het voor velen toch onbekende Somalië. Hij heeft belangrijke hedendaagse geschiedenisfeiten van Somalië in het verhaal verwerkt, zoals de onafhankelijkheidsverklaring van Somalië in 1960, de moord op ‘verzoeningspresident’ Cabdirashid Cali Sharmarke in 1969 en het aan de macht komen van de corrupte dictator Siad Barre. Hersi zet duidelijk uiteen waardoor de oorlog in Somalië volgens hem is ontstaan: het corrupte bestuur, de honger en het tribalisme. Ook vertelt hij over het onderwijs, het leven en de gebruiken in het Afrikaanse land, beschrijvingen die gepaard gaan met Afrikaanse ‘tegelteksten’ als ‘problemen zijn van alle tijden, oplossingen ook’ en ‘uniformen zijn het kleed van gehoorzaamheid’.
Hersi hanteert een prettige, poëtisch stijl van vertellen. Zo passeren prachtige zinnen als ‘Mijn verleden overstroomt mijn hoofd, maar ik heb in dit land geen molen gevonden om het droog te malen’. Een nadeel van dit taalgebruik is wel dat de gesprekken in directe reden daarom wat ongeloofwaardig overkomen: welke jongeman zegt er nu tegen zijn broertje ‘de vreugde die ik beleefde aan mijn eerste schooluniform… Zelfs nu nog begint mijn hart hevig te kloppen’. Niet alleen de stijl van Hersi is prettig, ook de wijze waarop hij Bille’s verhaal vertelt en de sfeer in Somalië schetst, is heel intensief en levendig. Het heeft tot gevolg dat je je helemaal in Bille’s wereld waant, dat je meeleeft met Bille’s zoektocht naar informatie over zijn vader in zijn geboorteland dat niet meer zijn thuis is, en dat je Bille’s gemengde gevoelens van berusting en onrechtvaardigheid zelf ervaart als de waarheid over zijn verloren vader uiteindelijk aan het licht komt: de roman boeit tot de laatste pagina.
Tot slot toch een punt van kritiek: Hersi snijdt (te) veel verschillende verhaallijnen aan – Billes vroegere leven in Somalië, de verboden liefde tussen Bille en Najaat, Bille als asielzoeker in Nederland, racisme, het steeds opduiken van Ina Magan, het moslimextremisme – en werkt deze niet allemaal uit. Dit is waarschijnlijk te danken aan het enthousiasme van deze getalenteerde nieuwe auteur en zijn drang om alle opgedane ideeën in één roman te verwerken. Onderwerpen te over dus, die stuk voor stuk als bronmateriaal voor een nieuwe roman kunnen dienen, een roman die hopelijk niet te lang op zich zal laten wachten. Verloren vader een absolute aanrader en een veelbelovend debuut.
Dit is een boek van journalist/historicus Luc Panhuysen over de reizen van de Nederlandse avonturier Robert Jacob Gordon in Zuidelijk Afrika.
Panhuysen verdiende zijn palmares al eerder met o.a. De ware vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt. en Rampjaar 1672. Hoe de republiek aan de ondergang ontsnapte. Dat laatste boek stond op de longlist voor de AKO-prijs.??
Robert Jacob Gordon (1743-1795) is vrijwel vergeten in Nederland. Maar in de achttiende eeuw was deze Nederlander van Schotse afkomst een bekendheid. Hij maakte lange reizen door het nog ongerepte Zuidelijk Afrika en liet een fabuleuze verzameling journaals, kaarten, tekeningen en schilderijen na. Deze Atlas Gordon bevindt zich tegenwoordig in de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam. In Een Nederlander in de wildernis is een 32 pagina’s tellend kleurenkatern opgenomen met beeldmateriaal uit deze Atlas Gordon.
Gordon biedt ons een unieke blik op het tijdperk van de Verlichting, toen kolonialisme samenging met een enorme honger naar kennis. Hij was bevriend met zowel vooraanstaande wetenschappers als inheemse stamhoofden. Zijn veelzijdigheid maakt hem uniek. Hij was niet alleen VOC-militair, diplomaat en botanist maar in de wildernis noodgedwongen ook zoöloog, cartograaf en antropoloog.
De beschrijvingen van zijn hand zijn kostelijk. In 1778 bijvoorbeeld: ‘Omtrent sons ondergang sag ik met mijn sak telescoop het eerste kameeleopard: hij kwam naar ons toe in syn Coers na de rivier, somtijds stond hy stil en beweegde syn hals, op de ene dan op de nadere syde als de mast van een schip dat op see voor top en takel overhaald.’ Het gaat hier om een giraffe en Gordon schiet het dier neer, eet het vlees en legt alles van het stoffelijk overschot vast in geschrift en tekening.
Luc Panhuysen beschrijft in dit boek de persoon Gordon en zijn ontdekkingsreizen, aan de hand van origineel bronmateriaal. Wij maken zijn ontberingen en hoogtepunten mee, vanaf de eerste ontdekkingsreis tot aan zijn dramatische levenseinde, dat vrijwel samenviel met het einde van de Nederlandse republiek.
Aanvankelijk een begenadigde ontdekker ontpopt Gordon zich op zijn oudere dag toch helaas als een wat ijdele man. Temidden van zijn relikwieën van de reizen resideert hij in Kaapstad op het landgoed Schoonder Sigt en kan nauwelijks kritiek verdragen. De tijd heeft hem ingehaald, zo lijkt het.
Hij was, zoals gezegd, goed bevriend met vooraanstaande wetenschappers én met inheemse stamhoofden. Ook bekritiseerde hij fel de boeren, die de inheemsen afschoten alsof het ongedierte was. ‘Dese onse boeren zijn slechte menschen zonder enige deugt of menschlievendheid en denken dat dese wilden doodt te schieten niets is.’ Hijzelf was overtuigd van de superioriteit van de blanken, maar had een zeker respect voor de Hottentotten, Bosjesmannen en Kaffers. Hij schrijft: ‘Amuseerde my seer met de Bosjesmans dat een goed volk was.’
??Het leuke aan dit boek is, dat Panhuysen een levendige stijl vermengt met een gedegen historische studie. Dat levert veel lezenswaardigs op, ook voor de minder historisch ingestelde lezer. ??
?
Een Nederlander in de wildernis
De ontdekkingsreizen van Robert Jacob Gordon in Zuid-Afrika?
Crisis of niet, in onze tijd heeft optimisme nog steeds goede papieren. Problemen zijn uitdagingen, succes heet een keuze, en het vertrouwen in de toekomst is nog steeds onmetelijk groot. Het westerse vooruitgangsdenken is gestoeld op het opgewekte idee dat de mensheid vorderingen boekt en een gestage ontwikkeling volgt naar een steeds minder imperfecte vorm van perfectie.
Het is verkwikkend om de geest te kunnen laven een boek dat Het Nut van Pessimisme heet, met als bijpassende ondertitel en de gevaren van valse hoop. En het is niet eens van de hand van de negentiende-eeuwse aardspessimist Arthur Schopenhauer, maar van de hedendaagse Engelse filosoof Roger Scruton. Deze werd in Nederland bekend door deelname aan Van de Schoonheid en de Troost, een serie televisiegesprekken van Wim Kayzer met vooraanstaande intellectuelen, kunstenaars, wetenschappers aan het eind van de vorige eeuw. Scruton brak in die serie, waarin hij meestentijds in een gebreide trui bij het haardvuur zat, als hij zich niet bij de door hem zo geliefde vossenjacht of zelf musicerend liet portretteren, een lans voor de traditionele vorm van leven die zich sterk verbonden weet met de grond en omgeving. Hij gaf hoog op van het belang van Kunst met een grote K en van tradities. Die laatste waren er niet voor niets, want anders waren ze er niet geweest, was zo’n beetje het argument. In kunst en religie kon de hedendaagse mens ijkpunten vinden voor z’n persoonlijke ontwikkeling. Natuurlijk speelde er zo nu en dan een superieur lachje rond zijn mondhoeken als hij zijn punt had gemaakt. Maar even vaak toonde hij zich een nederig en bescheiden man, die zich de tijd had gegund grondig over de dingen na te denken. Een intrigerende filosoof, die met zijn conservatieve standpunten jarenlang onder vuur had gelegen in de academische wereld, maar sindsdien zijn gram haalde in een indrukwekkende reeks filosofische publicaties en media-optredens, zodat tegenwoordig niemand meer om hem heen kan.
Meteen op de eerste pagina van Het nut van pessimisme wordt gewaarschuwd dat het pessimisme in de titel niet op z’n ‘Schopenhaueriaans’ geïnterpreteerd moet worden. De verwachting dat we hier een zwartgallige debunking van het optimisme tout court geserveerd zullen krijgen, wordt meteen de grond ingeboord. Scruton mikt eigenlijk op de uitwassen van het optimisme: het zogeheten ‘gewetenloze optimisme’. Dat staat bij hem voor een utopisch bevlogen variant die al tot handeling in de toekomst overgaat, eer het over het verleden heeft nagedacht. Die uitgaat van de maakbaarheid van de mens en er geen been in ziet het mes te zetten in eeuwenoude tradities en consensus als deze verondersteld worden diezelfde maakbaarheid te frustreren. Scruton, die ook in dit boek zich weer van zijn eloquente kant toont, speelt graag de rationele kaart en brengt Poppers eis van falsifieerbaarheid in stelling in de strijd tegen het ‘gewetenloze optimisme’ dat zich maar al te vaak te buiten zou gaan aan niet wetenschappelijk te verifiëren doelstellingen en methodes. Dat hij het optimisme an sich niet op de korrel neemt, blijkt wel uit het feit dat hij een ‘gewetensvolle optimist’ niet als een contradictio in terminus beschouwt. Moet de gewetensvolle optimist gewantrouwd worden, ook de systematische pessimist moet buiten de deur worden gehouden. Beiden zijn evenzeer ‘doordrenkt van illusies en even destructief voor de alledaagse redelijkheid.’
Geloof, hoop en liefde mogen algemeen aanvaarde deugden zijn, maar Scruton is ervan overtuigd dat ‘hoop, wanneer die wordt losgemaakt van geloof en niet wordt afgezwakt door historische feiten, een gevaarlijke eigenschap is, die niet alleen bedreigend is voor de mensen die haar omarmen, maar voor iedereen die binnen het bereik van hun illusies verkeert.’ Gewetenloze optimisten menen dat de moeilijkheden van de mensheid overwonnen kunnen worden middels een of andere aanpassing op grote schaal. Dat de loop der geschiedenis hen keer op keer ongelijk geeft, doet er niet toe, want deze groep optimisten kenmerkt zich ook nog eens doordat zij niets van het verleden leren. Voor hen lijkt Scruton dit boek dan ook niet geschreven te hebben, want ‘de geest die ten prooi is gevallen aan de drogredenen die ik in dit boek onder de loep leg, raakt die simpelweg nooit meer kwijt.’
Hoewel Scruton aanstekelijk schrijft is het goed om zelf waakzaam te blijven, want was hij ook niet die auteur die zijn column in The Financial Times kwijtraakte nadat was uitgelekt dat hij door een Japanse tabakgigant dik betaald werd om rookvriendelijke artikelen voor de media te schrijven? Aan de andere kant moet gezegd dat Scruton hier en daar met pareltjes strooit: ‘Gewetensvolle mensen aanvaarden de wereld en haar onvolmaaktheden, niet omdat die niet vatbaar is voor verbetering, maar omdat veel van de verbeteringen die ter zake doen eerder bijproducten van onze samenleving zijn dan het doel ervan.’ Scruton hoopt in ieder geval het ‘kostbare virus van de twijfel te laten inwerken op het gepantserde immuunsysteem van de vooruitstrevende idee’.
Het verschil tussen optimisten en pessimisten wordt zichtbaar in de tegenstelling van de ‘ik-houding’, die rusteloos ‘de richting en het doel van het menselijke gedrag wil veranderen’ en daarbij enkel denkt in termen van te nemen hindernissen, in plaats van menselijke restricties, versus de ‘wij-houding” die inziet dat vrijheid verantwoordelijkheid betekent, en naar ‘stilstand en aanpassing zoekt om ons met elkaar en wereld te laten samenvallen.’ Kort gezegd gaat het hier om het in zijn hoogste versnelling najagen van illusies versus de gulden middenweg van het gezonde verstand. De ik-houding krijgt negatieve kwalificaties toegedicht, terwijl de wij-houding in zachte pasteltoetsen wordt gepenseeld: ‘de wij-houding is omzichtig. Ze ziet menselijke beslissingen als gesitueerd, als ingeperkt door plaats, tijd en gemeenschap; door gebruik, geloof en wet. Ze spoort ons aan om ons niet altijd in het gewoel te storten, maar om een stapje opzij te doen en te reflecteren. Ze legt de nadruk op restricties en grenzen, en herinnert ons aan de menselijke onvolmaaktheid en aan de broosheid van echte gemeenschappen. Haar besluiten houden rekening met andere mensen en andere tijden. De doden en ongeborenen hebben evenzeer een stem in hun overwegingen als de levenden. En tegenover het ‘druk het erdoor’ en ‘altijd vooruit’ plaatst ze het ‘iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’ Ze hangt geen alomvattend pessimisme aan, maar pleit voor een incidentele dosis pessimisme, om de hoop te temperen die onze ondergang zou kunnen betekenen. Het is de stem van de wijsheid in een wereld vol rumoer. En juist daarom hoort niemand die stem.’ De bekommernis om de doden en de ongeborenen vooral, reminisceert aan Edmund Burke, de grondlegger van het conservatisme. En het benadrukken van zaken die te vermijden zijn boven die welke nastrevenswaardig zijn, doet denken aan Kants ‘categorische imperatief’. En de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith mag bij Scruton ook meedoen, zij het niet in economische zin (want Scruton is niet zo van de vrije markteconomie), maar veeleer sociaal: als iets dat de orde in de samenleving uit besluiten en overeenkomsten laat ontstaan. Het op basis van onderhandeling tot stand gekomen ‘wij’, staat voor de onzichtbare hand van de consensuspolitiek. Weinig mensen zullen zich geroepen voelen hiertegen te protesteren, maar hoe reëel is intussen deze paradijselijke schets? Wie anders dan een clubje welgestelden op het Engelse platteland kan menen voor de verwezenlijking van dit soort idealen in de wieg te zijn gelegd? De Engelsen lijken hierbij misschien in het voordeel, want, zo verkondigde Scruton in een interview, ‘ze verkiezen redelijkheid boven de Rede. Ze proberen niet van perfectie uit te gaan. Wij zijn een probleemoplossend volk van traditionalisten dat weinig gevoelig is voor idealen of utopieën.’ De kracht van dit boek ligt niet zozeer in de remedie als wel in het diagnosticeren van de kwaal. Want daarin legt Scruton herhaaldelijk de vinger op de zere plek.
De valse hoop bedient zich van een aantal drogredenen, waarvan Scruton er een zevental, die stilaan gangbaar zijn geworden in de politiek en samenleving, nader analyseert en van elk uiteenzet welke schade het de mensheid heeft berokkend. Deze drogredenen lijken de hoop te rechtvaardigen of op z’n minst de teleurstelling draaglijk te houden. Zijn voorbeelden zijn ontleend aan verschillende terreinen, maar komen hierin overeen: ‘ze tonen aan dat er aan de basis van de visie van de gewetenloze optimist een misvatting ligt die zo overdonderend evident is dat alleen iemand die aan zelfbedrog lijdt haar over het hoofd heeft kunnen zien.’ De auteur neemt hierbij de lezer graag bij de hand blijkens vooruitwijzingen als ‘dat breng ik een volgend hoofdstuk aan de orde’ of terugverwijzingen ‘zoals ik in een eerder hoofdstuk heb toegelicht’. Het maakt overduidelijk dat dit boek tenminste niet een verzameling eerder gepubliceerde essays betreft.
Als eerste houdt Scruton de ‘drogreden van het beste geval’ tegen het licht. Bij het opstellen van hun toekomstplannen gaan gewetenloze optimisten uit van het best mogelijke resultaat, zonder met een eventueel fiasco rekening te houden. Het is de geestesinstelling van een gokker. Een sprekend voorbeeld van de nefaste uitwerking van de ‘drogreden van het beste geval’ vindt Scruton in de huidige kredietcrisis. Deze crisis ziet Scruton niet als een weerlegging van de beginselen van de vrije markt, maar als een toonbeeld van hoe zaken uit de hand kunnen lopen als dit soort drogredenen het overheidsbeleid gaan bepalen. Een zekere wet uit 1977 van de Amerikaanse president Jimmy Carter eiste van Amerikaanse banken dat ze gingen voorzien in de kredietbehoeftes van de huishoudens met lage inkomens, zodat ook deze achtergestelde groep ‘het rijk van het huiseigenaarschap zouden betreden.’ In het beste geval zouden zowel de banken als de gemeenschap hiervan profiteren. Maar ja, het liep net even anders. Terwijl een ‘kleine dosis pessimisme’ eraan had kunnen herinneren dat het vertrouwen in de financiële wereld alleen gediend kan zijn met reële perspectieven inzake de solvabiliteit van de debiteuren. Scruton ontwaart hier ‘een soort verslaafdheid aan het irreële die voeding geeft aan de meest destructieve vorm van optimisme.’
Een andere drogreden die fatale gevolgen heeft gehad voor de mensheid is die volgens welke de mens vrij zou worden geboren. Deze drogreden heeft wortel kunnen schieten dankzij Het Maatschappelijk Verdrag van Rousseau. Het mag onderwerp van debat zijn of de geestelijke vader van deze drogreden nu optimist of pessimist was, voor Scruton staat vast dat Rousseau ‘de taal en het denken [introduceerde] waarin een nieuwe opvatting over menselijke vrijheid aan de orde werd gesteld, die zegt dat vrijheid datgene is wat overblijft wanneer we een einde maken aan alle instellingen, alle restricties, alle wetten en alle hiërarchieën.’
Het door Rousseau gemunte begrip hoefde alleen maar in verkeerde handen te vallen en je had de poppen aan het dansen. De gevolgen bleven dan ook niet uit: ‘De Franse Revolutie is maar een van de vele historische gebeurtenissen die ons duidelijk maken dat bevrijdingsbewegingen, waarin ze erin slagen om de staat te vernietigen, allereerst tot anarchie, en na verloop van tijd tot totalitaire terreur’ verworden. Voor Scruton is vrijheid alleen echt ‘wanneer die bezegeld wordt door de wetten en instellingen die ervoor zorgen dat we verantwoordelijk zijn voor elkaar, die ons ertoe verplichten om de vrijheid van anderen te erkennen.’ Zulke wetten hebben hun wortels in het Romeinse verleden, het ‘natuurrecht van de Romeinse juristen’. Vrij worden we niet geboren. Vrijheid is iets dat verworven moet worden. Enfin, dezelfde drogreden heeft nog meer op z’n geweten; want ook de catastrofale hervormingen in het onderwijs zijn eraan toe te schrijven. Onderwijsdeskundigen ? prachtig afgeserveerd in de bijzin: ‘dikwijls mensen die zich zo weinig in staat hadden getoond om kennis van een echt vak te verwerven dat ze in plaats daarvan maar hadden besloten te leren hoe je een zo’n vak moest doceren’- stelden in de jaren ’60 het ene rapport na het andere op waarin ze verkondigden dat het ‘bij onderwijs niet gaat om gehoorzaamheid en studie, maar om zelfexpressie en spel.’ Dit ‘progressieve onderwijs’ maakte van de onderwijzer een ‘spelmakker’, maar het noodzakelijke stampwerk en het bijbrengen van het kind van essentiële waarden van een samenleving, gebaseerd op gehoorzaamheid en restricties werden naar de prullenbak verwezen. Met als gevolg een legioen ‘narcistische kinderen’ die overgeleverd zijn aan ‘willekeur’ en voor wie de ‘hindernissen die anderen voor hen opwerpen’ een permanente ‘bron van woede en vervreemding’ zijn.
Verder laat Scruton de volgende drogredenen de revue passeren: die van de utopie (de utopist voedt zich met ‘rancune jegens hen die zich prettig voelen bij de gewone wereld van het menselijke compromis.’); die van nulsom (‘als mij is iets is mislukt, dan komt dat doordat een ander is geslaagd’) waarin Scruton het ‘derde-wereldisme’ (armoede in Afrika is het directe gevolg van Europese welvaart) en het anti-amerikanisme in de Islamitische wereld behandelt; die van de planning (de mythe dat oplossingen voor collectieve problemen van bovenaf kunnen worden opgelegd in plaats van gevonden, en dat dat vinden tijd kost). In dit hoofdstuk belijdt Scruton zijn aversie tegen de Europese Unie en de eurocraten; die van de voortgaande geest (de geschiedenis toont een onafgebroken ontwikkeling ? erfenis van Hegel ? zodat alles wat er gebeurt, kan worden toegeschreven aan de ‘tijdgeest’. Het zou een aan de wetenschap ontleend vooruitgangsdenken ten onrechte aanwenden voor de menselijke cultuur als geheel. Met als reëel gevaar dat bepaalde zaken (bijv. emancipatieprocessen) er als onvermijdelijk doorheen worden geramd, omdat ze eenmaal werden ‘aangedreven door de onverbiddelijke veranderingen van de Zeitgeist.’; die van de samenvoeging waarbij verschillende deugden samengevoegd nog deugdzamer zouden uitpakken. De leuze ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ gaat voorbij aan de tegenstrijdigheid tussen de begrippen vrijheid en gelijkheid. In dit hoofdstuk gaat de schrijver tekeer tegen positieve discriminatie en multiculturalisme.
Ik geloof niet dat Scruton in dit boek een van zijn stokpaardjes op stal gehouden heeft. Bij iedere optimistische misser geeft hij aan hoe het had kunnen worden voorkomen. Namelijk door … een uitgekiende dosis pessimisme gedrenkt in traditie, ofwel: gezond verstand. Scruton betoont zich een pleitbezorger van het pessimisme in de zin dat hij zich afkeert van ‘allesomvattende visioenen’, en in plaats daarvan ‘het beeld van de menselijke onvolmaaktheid voor ogen houdt’. En daarin komt het aan op ‘de gewoonte van de vergeving en die van de ironie’. Zowel vergeving als ironie aanvaarden eerder dan ze verwerpen, en zijn beide ruimtescheppend. Zelfironie is de auteur ook niet vreemd waar hij in zijn Woord Vooraf zijn vrouw Sophie bedankt ‘die met een bijzonder lastig geval te maken heeft en toch nog steeds kan blijven lachen.’ Het kan niet anders of het moet een op pessimisme gestoeld huwelijk zijn!
Na de reeks drogredenen volgen nog enkele hoofdstukken waarvan vooral Ons beschaafde heden eruit springt, waarin hij de conservatieve strategie van geleidelijkheid uiteenzet. Het boekje eindigt met het kortste hoofdstuk Onze toekomst als mens met een waarschuwing voor de toekomst: de transhumanisten, die de sterfelijke mens van vlees en bloed in de nabije toekomst vervangen ziet worden door cyborgs, met toegenomen bereik en macht en een groter vermogen. Behalve dat Scruton in kort bestek duidelijk maakt aan welke drogredenen de gewetenloze club van het transhumanisme zich gelijktijdig bezondigt, stelt hij nog eens duidelijk dat de waarde van het leven van de mens onlosmakelijk met zijn sterfelijkheid verbonden is. Beter kan men zich daarop bezinnen, dan zich te verliezen in irreële hoop. Een boek zonder abstracte of dorre passages is dan ten einde.
Het betoog van Scruton biedt ook voor wie zichzelf niet in eerste instantie als conservatief ziet, genoeg stof ter overdenking. Natuurlijk is Scutons beeld van de traditie sterk geïdealiseerd. Hij beschrijft vaak hoe het zou moeten zijn, maar of het er ook zo aan toegaat? Hij besteedt geen aandacht aan het door traditie gefaciliteerde machtsmisbruik. Af en toe schiet hij uit de bocht, waar hij bijvoorbeeld de toename van kindermisbruik toeschrijft aan de moderne gezinnen, waarin kinderen opgroeien met de nieuwe vriend van de gescheiden moeder, die allerminst genegen zou zijn het door een ander verwekte kroost te beschermen. Toegegeven: tegenwoordig zijn het voornamelijk echtscheidingen die gezinnen uiteenrukken, maar in vroeger eeuwen was het de dood die stiefvaderschap schiep. Volgens Scrutons argumentatie zou het probleem van kindermisbruik zich daar dus ook moeten voordoen. Maar hij geeft natuurlijk liever de moderne fratsen de volle laag. Het zij hem vergeven. Zijn prachtige, uitgebalanceerde stijl maakt veel goed.
In april 2010 verscheen het debuut Vogels die vlees eten van Thijs de Boer bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Literair Nederland sprak met de schrijver over zijn het ontstaan van verhalen, dat het gaat om dingen die hem bezig houden.
Waarom ben je eigenlijk gaan schrijven?
Ik kan er niet eenvoudig op antwoorden maar ik denk dat het te maken heeft met het willen hebben van controle. Als kind heb je weinig te zeggen over je eigen leven en als je het huis uitgaat lijkt dat wat toe te nemen. Maar uiteindelijk kom je erachter dat je eigenlijk vrij weinig controle hebt over de dingen die om je heen gebeuren. Over de dingen die je soms overkomen. Bijna al mijn verhalen zijn begonnen met een frustratie over iets waar ik weinig of geen controle over heb. Door erover te schrijven creëer je de illusie van controle. Je maakt een wereld waarin je veilig die onderwerpen kan onderzoeken en van meerdere kanten kan bekijken. Zoals bijvoorbeeld de macht die vrouwen hebben over het krijgen van kinderen in het verhaal Schoon. Of bijvoorbeeld hoe afhankelijk je als kind bent van je ouders in het verhaal Ratten.
Heb je controle in het schrijven, is het niet dat het verhaal zichzelf schrijft?
Ja, ik heb controle over het verhaal. Het fijne is dat je een soort God bent, dat je een wereld schept waarmee je kunt doen wat je wilt. Het voelt alsof het helemaal van jou is en dat je met niemand rekening hoeft te houden. Ik voel geen remmingen in het schrijfproces. Natuurlijk kan soms het verhaal je verrassen en je mogelijkheden laten zien die je niet direct zelf bedacht hebt, maar je hebt uiteindelijk altijd nog zelf de keuze of je daarin mee wilt gaan.
Heb je iets speciaals met het korte verhaal?
Zeker, maar vooral omdat ik me niet zolang kan concentreren. Een roman kan me vaak niet lang bezighouden omdat het vaak lang duurt te komen tot de essentie. Bij een kort verhaal ben je genoodzaakt dat snel te doen. Als ik een roman lees denk ik soms: Dat kan ik veel korter. Ik schijf vaak fragmentarisch, met zelfs nog kleine korte verhalen binnen het korte verhaal. Sylvia is daar een goed voorbeeld van. Een van mijn favoriete zinnen in dat verhaal is: ‘Elke keer als ik bid, die paar keer per jaar, eindig ik met: “Je begrijpt wel wat ik bedoel.”’ Iemand zei dat ooit tegen mij. Zo’n zin laat zoveel zien in een paar woorden.
In het begin schreef ik echt hele korte verhalen van ongeveer twee pagina’s. Later werden mijn verhalen langer omdat ik meer bewust werd van wat ik deed en ook van wat ik wilde bereiken met mijn verhalen.
Wat vind je van de status van het korte verhaal?
Het is ondergewaardeerd. Ik weet niet waarom. Vreemd eigenlijk. Alles wordt korter en sneller maar bij verhalen blijft er de behoefte naar romans. Misschien is dat omdat mensen willen ontsnappen naar een wereld waar ze langer kunnen verblijven en zijn ze dat gewend van romans. Het korte verhaal vraagt meer van de lezer. Maar vaak is de beloning van het lezen ook groter. Omdat een kort verhaal meer van je vraagt is de interactie met de lezer ook groter en word je als lezer ook meer geraakt, omdat het verhaal dichterbij komt. Maar misschien is dat alleen mijn ervaring maar.
Wie zijn hierin je voorbeelden?
Carver, Salinger, Kavin Canty, Sanneke van Hassel, Ton Rozeman en Janneke van der Horst.
Waar plaats jij jezelf hierin, hoor je ergens bij?
Ik lees zelf te weinig en ken het gehele literaire landschap te slecht om mijzelf ergens bij te durven plaatsen. Ik weet wel dat ik taal zie als een instrument om een verhaal te vertellen. Dat is waar het om gaat. Het doel is het verhaal, niet de taal. Ik wil droge, minimalistische dingen laten zien. De lezer moet het in zijn hoofd maar bij elkaar puzzelen. Ik schrijf wat ik leuk vind. En wat ik schrijf ken ik niet bij anderen.
Wat is een kort verhaal voor jou?
Het heeft iets te maken met lengte. Maar het heeft vooral te maken met de manier waarop je een verhaal vertelt. In een paar zinnen kan je iets neerzetten. Mijn verhaal Zaterdag, dat is naar mijn idee een echt kort verhaal. Geen plot maar een schets die bijna neigt naar een gedicht. Het beschrijft een paar personen op een feestje. Er gebeurt eigenlijk niks. Maar toch blijf je achter met een gevoel. Het fijne van een kort verhaal vind ik ook dat het geen begin en eind hoeft te hebben. Je pakt een stukje, dat laat je zien en dat is genoeg. Je hoeft niks op te bouwen of af te ronden.
Nu over jouw werk, over je thema’s. Hoe kom je eraan?
Ik schrijf over dingen die me dwarszitten. Het is vaak iets dat me stoort, dat me bezighoudt, en dan ga ik er over schrijven.
Er gebeuren zoveel dingen in de wereld die mensen niet willen weten, niet willen zien, daar schijf ik graag over. Dat wat niet in een perfecte wereld past. De wereld is niet perfect, niemand is perfect, maar we doen ons graag perfect voor. En iedereen is zo ontzettend blasé. Als er dan iets in het leven gebeurt waardoor alles instort, dan komen we er opeens achter dat we gevoelens hebben. Veel verhalen gaan daarover: dat mensen ontdekken dat het allemaal niet zo is als ze dachten en dat ze alles een plek moeten geven. Ik maak de dingen groter in mij hoofd. Als ik bijvoorbeeld maar een klein beetje bang ben om een kind te krijgen dan maak ik het absurd groot en ontstaat een verhaal als Het kleine ding.
Het is veel erger dan de realiteit maar het is mijn manier om met de dingen om te gaan, te verwerken en een plek te geven. Dingen die ik niet zeg maar in mijn verhalen wel durf te zeggen, het zijn gedachte-experimenten.
Ik woonde ooit samen met een huisgenoot, we hadden geen bijbaan, ik was aan het schrijven, hij deed zijn eigen ding. We waren allebei voor onszelf bezig en we maakten het altijd heel laat en zagen de zon nooit. Als we wakker werden was het alweer donker. Zo ontstond Ketamine. Het is niet werkelijk autobiografisch, maar het komt wel allemaal uit mij.
Ik vind het fijn als mensen Schoon goed vinden. Dat komt omdat ik daar veel meer risico’s heb genomen in stijl en in wat ik schrijf. En ik ben heel blij dat ik Zaterdag heb geschreven, dat heeft voor mij wel wat deuren geopend; wat je kan maken in een verhaal, wat je kan doen.
Eerste sneeuw is ontstaan uit het liedje Alles in de wind, alles in de wind, nu ben ik mijn zusje kwijt in een versie van Spinvis waarbij geloof ik zijn zoontje het zingt. Zo’n lieve jongensstem, dat is zo mooi. Kwijt, je bent een mens niet kwijt, zo’n mooie zin, daarmee ben ik begonnen, ik wist niet hoe het af zou lopen. Ik heb het in een dag geschreven, heel ongewoon voor mij, normaal ben ik heel langzaam.
Vroeger keek ik heel erg veel tv. Nu niet meer, ik word er moe van. Ik dacht lange tijd dat ik mijn jeugd vergooid had door zoveel tv te kijken maar er is toch ook iets waar ik nu iets mee doe. Onbewust heb ik toch veel vertelstructuur tot me gekregen. De bogen. De beloftes die je moet inlossen.
Toen ik lesgaf in het schrijven van korte verhalen heb ik mijn cursisten alleen maar films aangeraden. Kijk films, herhaalde ik telkens. Ik denk dat films heel goed zijn. De verhaalstructuur, de dialogen. Veel geschreven dialogen zijn onnatuurlijk, er zit weinig spanning in. Je merkt dat die gesprekken niet echt gevoerd zijn. In films kom je daar niet mee weg.
Zou je zelf filmscenario’s willen schrijven?
Nee, dat ook weer niet. Ik zou me dan te veel met wat mensen verwachten bezighouden. Dat lijkt me niet wenselijk. Als ik een verhaal schrijf ben ik alleen, écht alleen. Ik heb mezelf geleerd me volledig af te sluiten, dat niemand meeleest over mijn schouder, ik oordeel pas later.
Hoe werkt jouw schrijfproces?
Ik ben een verzamelaar. Ik schrijf korte fragmenten op. Dingen die ik hoor, die vrienden mij vertellen. Dingen die ik grappig vind of dingen die me raken. Op een gegeven moment denk ik, o, dat past wel bij dat, ik maak notities maar ik ga niet elke dag zitten. Als ik werk doe ik dat thuis, op mijn laptop, aan een tafel, of in bed, bijna altijd na 9 uur ’s avonds. Het zijn periodes. Twee weken elke dag naar de bieb om te schrijven en dan opeens werkt dat niet meer, dan moet ik het weer anders doen. Mijn schrijfproces is dus ook fragmentarisch. Ik heb ooit een ateliertje gehuurd maar daar ben ik ook maar een maand gebleven.
Humor?
Heel belangrijk. Humor is belangrijk om te relativeren. In het leven, maar het werkt precies hetzelfde in een verhaal. Ik doe het op gevoel. Je kan niet continu wat slechts brengen, je moet afwisselen. Ik vergelijk het wel met een leuke test die ze ooit deden met middelbare scholieren. Er werden hun foto’s getoond van slechte gebitten. Bij het zien van foto’s met middelmatige tanderosie, gaan scholieren beter hun tanden verzorgen. Als je ze foto’s laat zien met heel slechte gebitten, met heel veel tanderosie, dan stoppen ze met tanden poetsen, dan geven ze helemaal op.
De titel van je boek, leg eens uit.
Vogels die vlees eten is een zin uit Ketamine. Het is een rauwe titel die past bij het boek. Het vervreemdt, je denkt even dat het niet klopt. Veel verhalen in het boek laten ook dingen zien die mensen het liefst ontkennen. Andere dieren eten ook vlees maar bij vogels is het iets vies, iets wat niet hoort. Maar ze maken gewoon deel uit van de natuur. Een natuur die willekeurig en soms wreed is. Net zoals de mensen in mijn boek die ook dingen doen die niet normaal zijn maar toch ook weer wel. Ik vind het een fijne titel die goed past bij het boek.
Je personages zijn niet helemaal normaal maar toch ook weer wel.
Ze laten een deel van het mens-zijn zien. Juist die kant die mensen niet graag willen laten zien. Als alles wegvalt, als alles verloren is, als het enige dat je nog over hebt is dat je bestaat. Ik wil laten zien hoe mensen kunnen zijn, vaak in donkere werelden. Ze doen door omstandigheden of onvermogen dingen die ze eigenlijk niet zouden moeten doen. Maar van binnen blijven ze ondanks alles toch goed. Ze zijn misschien niet normaal maar ze zijn wel menselijk. Daar gaat het om.
Waar ben je nu mee bezig?
Ik ben nu net weer een beetje begonnen met schrijven. Maar het zijn nog kleine aantekeningen. Kleine rare gedachte-experimenten, het is nog niet echt iets concreets aan het worden. Maar het is fijn om weer te schrijven zonder deadline. Het voelt weer als speelkwartier. Alles mag en kan.
Vogels die vlees eten/ Thijs de Boer/ Uitgeverij Nieuw Amsterdam (2010)
Deze fascinerende roman gaat over de kwetsbare Lizzy uit Great Neck, dat volgens de kaart aan de noordkant van Long Island, New York te vinden is. De term ‘verontrustend’ op de achterflap slaat de spijker op zijn kop. De joodse Lizzy is een buitenbeentje op een Amerikaanse highschool en thuis hangt nog het nodige traumatische familieverleden. Haar moeder is kil, haar vader nauwelijks aanwezig. Ze vindt troost door chocola te stelen uit een winkel en bij meneer Klein, de eigenaar van een bontzaak, die haar meeneemt naar zijn winkel.
Op verzoek van een dominee helpt ze de vrijwel blinde mevrouw Hill en steelt zilveren lepeltjes. Dat wordt door de oude vrouw, die helderziend lijkt, opgemerkt. Ze past ook op bij de kinderen van haar leraar Engels, Max Stone, die een oogje op haar heeft. Stone zet haar op een dag af bij mevrouw Hill en Lizzy krijgt hem zo ver om mee naar binnen te gaan, hetgeen geen succes is. ‘Mevrouw Hill keek hem recht aan, wat de indruk wekte dat ze hem de rug toekeerde.’ Mevrouw Hill waarschuwt Stone om zich te beheersen, maar dat neemt niet weg dat Lizzy met hem vrijt. Daarnaast heeft ze ook seks met de jonge zwarte basketballer Huddie. Die maakt haar zwanger. Het komt tot een miskraam in de woning van mevrouw Hill die verkondigt dat ze Huddie zeven jaar niet zal zien.
In deel 2 wordt Huddie door zijn vader Gus, een kruidenier, bij een oom in Alabama gebracht. Zijn brieven aan Lizzy worden door de oom verscheurd. Lizzy is inmiddels weer terug op school en plaagt Max die ziek is van de liefde. Tijdens de uitvaart van mevrouw Hill denkt Lizzy iets wat duidelijk iets over haar gemoedstoestand zegt:
‘Mevrouw Hill was niet meer dan een aanleiding voor een plechtigheid, en de plechtigheid van deze hele wereld die niet die van Elizabeth was en niet voor haar openstond, de wel zeer voor de hand liggende waarheid dat deze plek niet haar thuis was, evenmin als het huis van haar moeder haar thuis was, dat haar enige thuis het krukje van mevrouw Hill en het smalle bed van Huddie waren geweest, deed Elizabeth ineenkrimpen en bracht haar aan het huilen, tot een van de dames naast haar haar vriendelijk en nieuwsgierig een kanten zakdoekje overhandigde, dat Elizabeth probeerde te gebruiken zonder het vies te maken of er haar neus in te snuiten.’
Als troost en dank krijgt Lizzy de zilveren lepeltjes van de dochter van mevrouw Hill. In plaats van in te gaan op de uitnodiging van Max om, voordat ze naar de universiteit gaat, de zomer samen door te brengen gaat ze samen met haar enige vriendin Rachel, die ook een beetje vreemd is, op reis.
Zo kan ik doorgaan, met deze prachtige opeenvolging van gebeurtenissen, gevat in mooie beelden, zoals Max Stone die zijn vrouw, op haar verzoek, begraaft op het strand terwijl ze praten over het dodelijk ongeluk van hun oudste zoon.
Over het karakter van Lizzy dit veelzeggende citaat: ‘Elizabeth zou voor Rachel een hele nacht hebben gereden, een nier voor haar hebben afgestaan, haar ontvoerders hebben doodgeschoten en haar door een bevalling hebben geloodst, maar ze had Rachel maar tweemaal gebeld sinds deze drie jaar geleden uit Kenia was teruggekeerd; Rachel had geen tijd voor een trouweloze vriendin en Elizabeth kon gewoon niet beter.’
Ook sterk is de volgende zinsnede aan het einde: ‘Ik wilde veiligheid en rust en boeken en dat heb ik nu allemaal, maar het voelt nu niet zozeer aan als eenvoud of zelfs als de succesvolle exploitatie van extreem schaarse bronnen, als wel als een reizende voorstelling van de Druiven der gramschap.’
Amy Bloom schrijft intelligent, ontroerend en aangrijpend proza met veel vaart. Hoewel de zinnen soms, zoals in het citaat over de uitvaart van mevrouw Hill, ingewikkeld en lang zijn, zijn de overgangen tussen tekst en dialoog flitsend. Typerend voor haar boek zijn de evocerende titels van de hoofdstukken. Ditzelfde geldt voor haar onlangs verschenen verhalenbundel Waar de God van liefde is. Een zeer overtuigende roman over hoe liefde zich kan manifesteren.
De meeste verhalen in Zwartwaterkoorts spelen in Amsterdam en kennen de hoofdstedelijke gemoedelijkheid, humor, tegendraadsheid en vrijheidszin, zoals belichaamd door Stutijn die tot ergernis van zijn buren de reigers vanaf zijn balkon voert. Het zijnin deze verhalen vooral ouderen met hun eigen wijze – om niet te zeggen eigenwijze – manier van omgaan met hun omgeving.
Het eerste verhaal is een goede illustratie: het is sfeervol, sappig en het opent origineel met vogelliefhebber Stutijn, die met de kraai Scheffer op zijn schouder zijn andere vogels voert. Stutijn is een scharrelaar, slecht ter been, met een huisbaas die hem weg wil hebben. Op weg naar de Albert Cuyp om voedsel voor zijn beesten te kopen loopt hij zijn oude makker Joop tegen het lijf die hem uitnodigt voor een kop koffie. Ze halen herinneringen op aan de tijd dat ze met vossen door de stad liepen. Stutijn probeert voorzichtig de verhouding van zijn moeder met de vader van Joop aan de orde te stellen. Joop laat hem foto’s zien en Stutijn vindt het vreemd dat Joop zulke deftige foto’s bezit voor een kind van een oudijzerhandelaar. Pas in een ander verhaal wordt daarover meer duidelijk.
Niets is wat het lijkt in deze verhalen. Zo vertelt Stutijn in dit verhaal aan een andere kennis dat zijn vrouw overleden is aan de zeldzame ziekte zwartwaterkoorts. Men verbergt over het algemeen iets voor de anderen. Er komen in de verhalen personen voor die een andere identiteit hebben.
De oudere Loes uit De perzikboom vindt dat ze in haar huwelijk altijd aan lichtzinnigheid tekort is gekomen en slaat na de dood van haar man de jonge Harry aan de haak. Bij het paardenrennen wordt Harry door een kennis aangesproken met Jack. Hij praat zich eruit door net te doen alsof zijn bijnaam in vroeger jaren Jack Daniëls was.
Boekenwurm Leo bezit in In kalf gebonden een vervalst paspoort. Hij steelt daarmee dure boeken, ter compensatie, omdat een studiegenote met een ander in het huwelijk trad. Leo doet tegenover bekenden alsof het goed met hem gaat. Met korte zinnetjes geeft hij in zijn hoofd commentaar op een ontmoeting met een vroegere studiegenote, die het object van zijn begeerte goed kende: ‘Dat zei hij wel vaker.’ ‘Voor dit soort gevallen had Leo zijn verhaal paraat.’ ‘Reizen deed het altijd goed.’
Rascha Peper strooit en passant nieuwe informatie door de verhalen, die nieuwe wendingen en verrassingen opleveren. Dat gebeurt op een natuurlijke manier, die net zo ongedwongen overkomt als het commentaar dat Leo zelf op zijn situatie geeft. Net zo verrassend is het dat verschillende verhalen elkaar schampen en dat soms dezelfde lieden optreden, die je als lezer begroet als oude bekenden, zoals Joop, de oude makker van Stutijn, die in de Pijp woont en daar een garagebedrijfje heeft.
In In de familie zorgt Louis zorgt voor papegaai Kolo van zus Sophie, die op vakantie naar Australië is. Kolo legt echter het loodje legt. Louis komt bij Joop voor een gelijkende papegaai. Joop toont hem zijn foto-album. Louis ziet een foto van de minnaar van zijn moeder, een man die op Roland Topor leek. Op het einde van dit verhaal komen we te weten dat Joop het fotoalbum op een rommelmarkt heeft gevonden.
In Vrijdag ziet Hilde die op de begrafenis van haar overleden minnaar Thomas opeens ene Carla, die ook wel eens een vriendinnetje van Thomas zou kunnen zijn. Omdat de vrijdag hun gezamenlijke dag was, haar man afwezig is en ze zich alleen voelt, nodigt ze bovenbuurman Stutijn uit om bij haar te komen eten. Het mooie is dat Peper in het midden laat wie die Carla nou is. Ze laat de lezer ermee zitten waardoor het verhaal juist in het hoofd blijft hangen. Een genot om te lezen, deze levendige verhalen met een aangename lengte van zeker dertig bladzijden.
Ton Rozeman schreef twee verhalenbundels en een novelle. In de aanloop naar Het weekeind van Het Korte Verhaal, Hotel van Hassel, een uniek internationaal literair gebeuren in De Balie in Amsterdam, interview ik hem over zijn korte verhalen.
Je hebt een site, ShortStory.nu, met als ondertitel: omdat korte verhalen geweldig zijn. Wat is er zo geweldig aan het korte verhaal?
‘Het korte verhaal biedt ontzettend veel mogelijkheden. Het is een speeltuin waarin je kunt experimenteren. De vrijheid is groot, je hebt geen schema nodig, je hoeft geen lijnen uit te zetten, je kunt to the point zijn. Net als met poëzie kan je heel veel kanten op en je tegelijkertijd toch tot de ziel beperken. Dat ongeplande openstaan voor gewone dingen die zich zomaar aandienen, het alledaagse bijzonder maken, dat vind ik heel boeiend. Bovendien kent het korte verhaal maar nauwelijks een tijdverloop. Je hebt geen overbruggingen, ook niet in plaats, wat je in een roman vaak wel hebt. Je hoeft nergens naar toe, je bent er al. Het korte verhaal is echt iets van deze tijd, ik begrijp die voorkeur voor dikke romans niet helemaal.’
Maar het korte verhaal heeft in Nederland, anders dan in Amerika, toch maar weinig aanzien?
Ik vind de status van het korte verhaal in Nederland heel positief. De kritiek bespreekt het en uitgeverijen durven hun nek uit te steken met verhalenbundels, ook als ze weten dat ze er maar een paar honderd van zullen verkopen. Joost Zwagerman heeft zich ingespannen met zijn bloemlezingen, er staat een nieuw literair tijdschrift KortVerhaal op stapel, Hotel van Hassel, een internationaal weekeind in Amsterdam rond het korte verhaal, dat zijn toch allemaal mooie en hoopvolle ontwikkelingen. De status is in orde maar de lezers kopen vooral die dikke romans.
En daar ga jij met jouw site wat aan doen?
Ik wilde het korte verhaal promoten. Ik kan wel zielig doen, roepen dat er te weinig aandacht voor is, hoewel dat achteraf erg meevalt, maar ik kan ook iets doen, proberen een bijdrage te leveren. Vandaar.
En blijkt het zinvol?
Zeker. Het kan natuurlijk altijd actiever, beter, maar ik ben zeer tevreden. Ik krijg veel aandacht. Uitgeverijen sturen en masse hun verhalenbundels toe, ze werken mee aan het verloten van bundels via mijn site, schrijvers en vertalers zijn graag bereid om hun werktijd te geven aan interviews. Ik heb veel bezoekers en ben blij met alle aandacht en tijd die mensen eraan geven.
Hoeveel tijd ben je er zelf aan kwijt?
Zes tot acht uur per week, meer nog… ik loop weer achter met mijn e-mails. Al die boeken lezen, dat kost veel tijd, al krijg ik zo nu en dan hulp met intensieve besprekingen van verhalen.
Terug naar het korte verhaal. Wat is naar jouw idee een kort verhaal precies? Waaraan moet het voldoen?
Dat is gelukkig niet te definiëren. Studenten vragen me vaak hoe lang een verhaal mag zijn. Dan roep ik maar iets omdat ze een antwoord willen. 10.000 woorden, maar dat slaat nergens op. Het korte verhaal is allerminst een korte versie van een roman. Maar ook daarop zijn weer uitzonderingen, als ik denk aan de verhalen, de miniromans, van Alice Munro: tijdverloop, sprongen… Ook op andere terreinen zou ik het niet kunnen definiëren. Niets ligt vast. Hoewel… soms, als ik lees, vraag ik me af: ‘Is dit eigenlijk wel een kort verhaal?’ Dan word ik dus geconfronteerd met het feit dat ik wel degelijk een sjabloon heb. Maar hoe dat er precies uitziet?
Mijn verhalen laat ik zeer op tijd ophouden, en ook pas heel laat in het proces beginnen. Waar mensen zeggen, het is dringend, het is vijf voor twaalf, daar zou ik willen beginnen en niet eerder. Van vijf voor twaalf tot een voor twaalf is mijn korte verhaal. En al die ellende die ervoor is geweest waardoor het vijf voor twaalf-gevoel is ontstaan krijg je vanzelf wel mee.
Een kort verhaal is voor mij het uitdelen van een klap. Een sympathieke, goedbedoelde, leerzame klap. Niet altijd leuk maar het moet wel gebeuren.
Je noemde Alice Munro, wie zijn je voorbeelden?
Ik heb het schrijven geleerd via Raymond Carver. Dat alledaagse, prachtig. Tot die tijd leefde ik in tweestrijd: literatuur was voor mij Jan Wolkers, heel vitaal, heel mannelijk. Ik was zijn tegenpool, daar zat ik mee. Wolkers is groots, meeslepend, geen geneuzel. In Carver ontdekte ik geneuzel op het hoogste niveau. Geen mensen uit een stuk, geen hoofdpersonen zoals in Turks Fruit, en toen dacht ik: hé, er is voor mij ook een markt.
Nu lees ik bijvoorbeeld Lydia Davis’ korte verhalen, net ontdekt. Vlak voor je neus gebeuren er dingen en ik heb het niet gezien. Ontwrichtende verhalen zijn het. Ze is heel confronterend. Ze ziet dingen die ik achteraf ook wel zie maar ik heb ze nooit opgeschreven. Zij is veel verder en veel beter dan ik ben.
Wat ziet ze dan bijvoorbeeld?
Ze zit in de bus Foucault te lezen maar ze begrijpt er eigenlijk niks van. Af en toe streept ze toch maar iets aan en ze vraagt zich dan af of ze dat doet omdat het belangrijk is of omdat dat het enige is dat ze snapt. Dat herken ik. Ik heb dat ook, maar ik heb het nooit opgeschreven. Daarom is ze verder, zij schrijft het wel op. Ze is op een aangename manier ontluisterend. Ze weet me keer op keer te confronteren met dingen die ik ook al had gezien.
En dichter bij huis?
Sanneke van Hassel. Zij kan ook zo goed kijken. In die zin is ze een voorbeeld voor mij. Bij elk verhaal dat je van haar leest lijkt het alsof het autobiografisch is, maar dat kan niet. Heel goed vind ik dat. Toen ik haar interviewde vroeg ik haar: wat heb je vandaag gezien? Wat je dan hoort, heel mooi, ze doet veel met decor en omgeving. Dat komt door dat oog dat ze heeft. Heel leerzaam. Ik laat haar altijd aan mijn studenten lezen.
Nu jouw werk. Je verhalenbundels zijn zeer goed ontvangen. Je debuut, Intiemer dan seks (2001) werd genomineerd voor de Debutantenprijs en bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003. In 2004 verscheen Misschien maar beter ook, dat genomineerd werd voor de longlist van zowel de AKO- als de LibrisLiteratuurprijs en de Dif/BNG Prijs. Hoe was dat, die aandacht?
Ik kon er toen niet zo goed mee omgaan, ik vond het erg verwarrend ook al was het positief. Opeens was er een buitenwereld waar je rekening mee moet houden. Je hoeft natuurlijk helemaal niks maar ik dacht, daar ga je je toch toe verhouden, heel moeilijk om naast je neer te leggen. Ik voelde het ook als een soort verplichting, om verhalen te schrijven, om een bepaald genre te schrijven, om bepaalde thematiek te hanteren.
En bij mijn tweede boek vroeg ik me af: ben ik de kritiek wel voldoende aan het negeren? En als je je dat afvraagt ben je er natuurlijk mee bezig.
Hoe gaat dat nu?
Ik heb nu het idee, als ik me niet vergis, dat ik mijn eigen weg aan het gaan ben, los van het feit of ik de kritiek aanvaard of negeer. Maar misschien zijn het alleen maar wijze woorden en voelt het uiteindelijk toch nog anders.
Heb je het gevoel dat er mensen over je schouder meelezen, voel je je vrij te schijven wat je wilt?
Ja, ik voel me vrij. Ik heb de schrijversvakschool gedaan, daar heb ik al zoveel dingen gebruikt uit mijn privé-leven -en dat ook aan mensen laten lezen- dat ik die vuurdoop wel heb gehad. Ik heb toen al mensen dusdanig verward en tegen me het harnas ingejaagd dat ik sindsdien verlost ben van mijn privé-omgeving. Ik vrees niets meer en kan alles gebruiken. Het kan ook niet anders, als je bepaalde dingen niet durft op te schrijven kan je niet werken.
In al mijn boeken zijn privé-elementen aan te wijzen, niet dat het helemaal autobiografisch is, maar ik heb vaak zonder enige terughoudendheid materiaal uit mijn omgeving gebruikt.
De enige die ik uitleg heb gegeven is mijn moeder. Zij vindt het lastig te zien dat privé-elementen opduiken maar dat de verhalen tegelijkertijd niet kloppen met de werkelijkheid. Nu is ze eraan gewend en weet ze dat haar zoon allerlei dingen opschrijft die wel met ons gezinsleven te maken hebben maar toch ook weer anders zijn. Ze kan er nu mee omgaan, ze kan het aan haar vriendinnen uitleggen.
En je vader?
Mijn vader had er niet zoveel mee. Hij las eigenlijk nooit. Ik vraag me opeens af of hij mijn werk wel heeft gelezen. Misschien heeft hij een poging gedaan. Hij was wel trots maar op een nogal ‘onbruikbare’ manier. Inhoudelijk kon ik er niet met hem over spreken. Hij had ooit een radio interview voor me opgenomen waarin ik veel over mijn privé-leven vertelde en ook over wat er daarvan in mijn verhalen terecht is gekomen. Zijn reactie: ‘prachtig, het paste precies op een bandje’.
Na jouw twee verhalenbundels heb je een novelle geschreven, Nu gaat het gebeuren. Is het korte verhaal voor jou via de novelle een opstap naar die dikke roman?
Nee, zeker niet. Tjechov bleef naast zijn korte verhalen altijd toneel schrijven. Carver schreef naast zijn verhalen gedichten. Ik denk trouwens dat het korte verhaal eerder een opstap zou kunnen zijn naar poëzie.
Is poëzie iets voor jou?
Ja, zeker, ik houd erg van poëzie. Ik lees het niet dagelijks maar ik heb er wel degelijk iets mee. Ik schrijf zo nu en dan gedichten, in Tirade heeft eens een prozagedicht van me gestaan. Maar of er ooit een bundel komt, ik weet het niet, ik sluit het in elk geval niet uit.
Heb je een verschil ervaren tussen het schrijven van een verhaal en een novelle?
Dat vind ik lastig om te beantwoorden. In elk geval vind ik het moeilijker om een kort verhaal te schrijven dan een novelle. Het is veel ‘ongeplander’, grilliger. Het moeilijke is dat je een moment als een bliksemflits probeert te doorgronden, het kan leven of niet. Als het eenmaal leeft is het oké, anders moet ik het wegleggen en het later weer oppakken, of helemaal opnieuw beginnen.
Een van de verhalen uit mijn debuut heb ik in twee dagen tijd met migraine geschreven, andere verhalen weer in maanden. Ik kan wel gedisciplineerd zijn maar dat dóórschrijven is bij korte verhalen soms erg lastig terwijl ik heb ervaren dat me dat bij het schrijven van de novelle goed afging.
Waar komen je verhalen vandaan? Hoe begin je?
Mijn thematiek is altijd aanwezig, van daaruit hoef ik niet te denken, dat is hoe ik ben en hoe ik kijk, mijn oog moet ergens op vallen. En ik gebruik graag bekende decors. Mijn vader lag veel in het ziekenhuis. Ik ken de omgeving van het ziekenhuis dus goed en kan het als decor voor mijn verhalen goed gebruiken. Dat vind ik makkelijk, dan hoef ik er niet zo over na te denken. Ik gebruik ook vaak huizen die ik ken, dan weet ik waar alles ligt. Dan kan ik erdoor heen lopen en beweeg ik me gemakkelijk, dan hoef daar in elk gaval geen energie meer in te steken.
Ik schrijf van het begin naar het eind, altijd, en ik weet niet waar ik naar toe ga. In mijn debuut dacht ik het eind telkens te weten maar het klopte nooit. Bij mijn tweede boek dacht ik, het komt wel, en dat was ook zo. Ik vergelijk het wel met plakplastic, daar kaftte ik vroeger op school mijn boeken mee. Je moet het vanaf het begin heel goed gladstrijken, als je in het begin bubbeltjes hebt dan kun je beter maar ophouden, dan wordt het ellende.
Een eerste pagina moet visionair zijn. Als ik tevreden ben met een eerste pagina dan zit het DNA er al in, dan komt de rest wel. Het verhaal groeit. Je kunt niet iets máken, je kunt het alleen laten groeien. Ik houd er niet van als je ergens naar toe moet, als er iets opgelost moet worden, als er iets groots te gebeuren staat, iets dramatisch. Ik merk bij mijn studenten dat ze vaak aan het eind iets prachtigs willen laten gebeuren. Dat ergens naar toe werken, dat wil ik niet, het is het kind met het badwater weggooien. Je bent al ergens, je bent al iemand. Van daaruit gebeuren er dingen, vaak wordt dat veronachtzaamd.
Het niet durven weten, dat is belangrijk. Als je dat erkent dan levert dat veel mooi materiaal op.
Je thema’s zijn herkenbaar, je schrijft over relaties, de breuk daarin, goede bedoelingen, ouders…
Ja, dat zijn de stier en de rode lap, ik duik erin, dat zijn dingen die me heel erg aantrekken. Ik ben gefocust, ik ben er gevoelig voor, het is zelfonderzoek. Soms vergroot ik angsten uit, dan denk ik, stel je voor dat ik dat zou doen, ik doe het niet maar stel je voor… Dat vind ik interessant.
Mijn thematiek is zeer autobiografisch. Mijn term daarvoor is thematisch-autobiografisch. Vervolgens geef ik er wel mijn eigen draai aan.
Het slotverhaal van mijn tweede bundel, Alsof ik met vakantie ga, waarin een echtpaar met kind uit elkaar gaat, is het meest autobiografische. Pas veel later heb ik het op kunnen schrijven. Ik leg niet uit waarom ze uit elkaar zijn, dat vind ik niet zo interessant. Dat leer ik ook aan mijn studenten: maak het niet te logisch. Ik vind het niet spannend als een stel uit elkaar gaat omdat ze niet meer van elkaar houden. Maar als ze nog wél van elkaar houden maar toch uit elkaar gaan, is dat voor mij psychologisch gezien heel interessant. Dat ambivalente heb ik ook bij het overlijden van mijn vader gevoeld, wat zowel een tragisch gemis is als een grote opluchting. Ik wil hem in die ambivalentie durven zien en niet de ongemakkelijk kant maar wegstoppen. Dat zijn mooie dingen om als schrijver te onderzoeken en te vergroten. Die onhandige, onduidelijke gevoelens waarvan je eigenlijk niet wilt dat je ze hebt, daar wil in wroeten. Met die ambivalentie ben ik nog lang niet klaar. Dat is een bron.
Wat doe je verder?
Ik zit in het bestuur van de Vereniging voor Letterkundigen en ik geef les aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. En mijn site natuurlijk.
Maar ik ben ook weer aan het schrijven en dat doet me goed. In de tijd dat ik veel andere dingen doe voel ik me onzeker. Als ik niet schrijf voel ik me overgeleverd.
Er komt dus weer een nieuw boek.
Ja.
Een bundel?
Dat laat ik graag in het midden. Ik vind het griezelig om te praten over werk dat nog in wording is maar ik ben, zoals ik net zei, gelukkig weer goed bezig na er een tijdje uit te zijn geweest.
Wanneer?
Ik ben traag maar ik denk wel dit jaar. Ja, zeker, dit jaar!
Ton Rozeman (1968) is docent aan de Schrijversvakschool en hoofdredacteur van de website ShortStory.nu.
Van Ton Rozeman verschenen bij LJ Veen de bundels Intiemer dan Seks (2001), bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003 en genomineerd voor de Academica Debutantenprijs 2002, en Misschien maar beter ook (2004), genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuur Prijs en longlisten AKO Literatuurprijs en Libris Literatuur Prijs
In 2007 verscheen bij Nieuw Amsterdam de novelle Nu gaat het gebeuren.