• Er was eens en er was eens niet

    Er was eens en er was eens niet

    Wie De gijzelaar, de derde roman van Karin Giphart doorbladert, zal opvallen dat die in verschillende lettertypes is gedrukt: een schreefletter voor de verhaallijn van traumatherapeute Julia, een schreefloze voor het levensverhaal dat dezelfde Julia, – inmiddels zelf cliënt geworden -, op moet schrijven van haar therapeut, en een cursieve letter voor de introductie tot het boek waarin moeder Julia de angst dat haar dochter Jowi iets zal overkomen tot uitdrukking brengt. En één doorgestreepte passage die wordt geschrapt omdat deze bij nader inzien volgens Julia de situatie in het lopende verhaal niet goed weergeeft, zoals Julia over zichzelf schrijft: ‘Haar hart maakt een sprongetje. Ik wil hier niet zijn, denkt ze. Maar goed, als dit het is, dan moet het maar zo zijn. Er komt een soort rust over haar. Als een warme deken. Ze voelt geen angst meer, geen stress, geen noodzaak. Alsof dit al heel lang in de pijpleiding zat. Kom maar op, denkt ze. Ik ben er klaar voor.’

    Het verkeerde been
    Karin Giphart gaat in deze roman wat betreft de verschillende typografieën verder dan wij uit haar Iets tussen broer en zus kennen. Ook in dat boek zijn zowel de Proloog als het citaat boven elk hoofdstuk cursief gezet. Maar in De gijzelaar gaat Giphart verder op dit spoor. Bovendien haakt in dit boek de ene verhaallijn knap in de andere. Het verhaal ontvouwt zich langzaam door signaalwoorden als ‘angst’, ‘makkelijke prooi’, ‘verstijven’ en ‘gijzeling’. Het zijn woorden die de lezer op het verkeerde been zetten, omdat ‘de gijzeling’ uiteindelijk anders uitpakt dan je aan het begin van het boek zou verwachten. Hierdoor wordt op een knappe manier de spanning opgebouwd en word je als lezer meegevoerd.
    Het zijn ook verhaallijnen die elkaar spiegelen. Zoals Joni’s pubergedrag lijkt op dat van de jonge Julia en Julia’s reactie daarop weer op die van haar moeder. Behalve spiegelingen, worden ook de rollen soms omgedraaid. Bijvoorbeeld wanneer Jowi cliënt wordt en wanneer op Eerste Kerstdag een oud-patiënt, de Koerd Othman Nawros op haar voicemail om hulp vraagt en ze hem, blijkbaar tegen alle gebruiken in, terugbelt. Othman, de man die er destijds al voor zorgde dat de haartjes op haar armen rechtop gingen staan, en ze jeuk kreeg tussen haar schouderbladen. ‘Alarmbellen, dat gevoel. En dat voelt ze nu weer. Ze rilt er letterlijk van.’ Zoals volgens Jowi ook asielzoekers in Ter Apel soms even bang zijn als zij, zo bang dat ze trillen, met klapperende tanden.

    Gelaagd en geslaagd
    Niet alleen de vorm van deze spannende roman, met de verschillende lettertypen,  spiegelingen en omkeringen is mooi opgezet en uitgewerkt, ook het taalgebruik draagt eraan bij dat van een buitengewoon geslaagd boek kan worden gesproken. Er zijn mooie zinnen die het verhaal, en de lezer, even afremmen omdat ze door hun taalgebruik blijven haken, zoals: ‘Julia die bij thuiskomst niets zei, maar alles keek. De waarom-ben-je-er-wel-voor-iedereen-maar-niet-voor-mij blik.’ Het doet denken aan wat Giphart, die niet alleen schrijver maar ook singer-songwriter is, zelf ‘tempo rubato’ noemt. Dat is ‘de meest onbegrepen en omstreden maat in de muziek.’ Het verhaal lijkt op die manier soms een sierlijk ingehouden rondje te maken als een schoonschaatser op de muziek.

    Diepte
    Het is ook niet alleen het opbouwen en weer inhouden van de verhaallijnen, van de spanning die zo wordt opgebouwd en weer wordt teruggenomen die tonen dat hier een schrijfster aan het werk is die haar vak verstaat. Er zit ook een diepte in het verhaal die er een extra laag in aanbrengt. Dat wordt gedaan door korte zinnetjes die een enorme lading hebben, zoals: ‘Je kunt jezelf recht in de ogen kijken. Denken en doen staan niet op hetzelfde niveau.’
    Uiteindelijk draait alles in het boek ten diepste om de interpretatie van feiten, om verantwoordelijkheid voor de medemens. En zoals Iets tussen broer en zus begint met een sprookje over het legendarische Hy-Brasil, zo eindigt De gijzelaar met de zin waarmee veel Koerdische sprookjes beginnen: ‘Er was eens en er was eens niet.’ Dit boek is er en het mag er zijn!

     

  • Rennen voor je bestaan

    Rennen voor je bestaan

    Echt waar: op de Olympische spelen in Rio treedt voor het eerst een vluchtelingenteam aan, met sporters die anders vanwege hun statenloosheid buiten spel staan; grotendeels hardlopers uit Mali en Kenia. Keita, de hoofdpersoon van Zonder Land is zo’n getalenteerde clandestiene hardloper die wil horen bij een nationale ploeg en die rent voor zijn leven. Alleen komt hij uit Zantoroland. En dat bestaat niet.
    Zonder land is een roman als een feel good movie; een kleurrijke cocktail van een boek, om van te genieten vanuit je hangmat. Lichtvoetig en vol romantische verwikkelingen, pittoreske details en spannende plotwendingen. Bevolkt door exotische personages: een statige eerste-minister die ontkent dat hij deels zwart is, een bordeelhoudster die containers verhuurt en banen biedt aan krottenwijkbewoners, een voor vervolging gevluchte oudere homoseksuele arts die voor baby’s zorgt, een invalide zwarte lesbische journaliste, en een geniale blanke jongen uit de krottenwijk met een schizofrene moeder.

    Het begint rustig, met een heel gewone aardige jongen die Keita heet en die van jongs af aan al hardlopend droomt van een carrière als lange afstandsloper. We volgen hem, zijn zus en zijn ouders in hun bijna idyllische arme leven. Schoonmaken in de kerk, school, hardlopen, spelen, zingen, school, af en toe een uitje, maar wel met op de achtergrond steeds de dreiging van geweld van stammentwisten en een gewelddadig regime. Keita’s vader is kritisch journalist en graaft te diep in de duistere praktijken van de overheid – iets met mensenhandel. Het gaat mis. Moeder sterft, vader wordt opgepakt en zus wijkt met een studiebeurs uit naar Harvard. Keita lijkt geluk te hebben: hij wordt door een manager opgenomen in diens hardloopstal en meegenomen naar Freedom State voor zijn eerste echte hardloopwedstrijd. Daar neemt Keita de benen.

    Afkoopsom en losgeld
    Vanuit zijn onderduik-positie probeert Keita door wedstrijden te lopen het geld te vergaren dat nodig is om zijn manager af te betalen en zijn zus los te kopen, die alsnog in handen is gevallen van het regime. Vanaf dat moment lijkt Zonder land op hol te slaan. Het tempo gaat omhoog en het perspectief wisselt voortdurend. Keita verbergt zich in Africtown, een kleurrijke sloppenwijk voor vluchtelingen, die wordt geregeerd door eerder noemde bordeelhoudster. Terwijl hij probeert uit handen te blijven van de vreemdelingendienst wordt hij meegesleept in een verhaal dat onder meer gaat over ministers en hun bordeelbezoek, heimelijk opgenomen videobeelden, de uitzetting van een kindhoertje, een bejaarde blanke bibliothecaresse met hart voor verschoppelingen en over een affaire tussen Keita en een vrouw die – o schrik –  politie-agente blijkt te zijn.
    Veel toevalligheden (auto-ongelukje waardoor 2 karakters elkaar ontmoeten, openvallende handtas waar boek met veelzeggend titel uit steekt…) en al dan niet toevallige ontmoetingen met kwaadaardige lieden of juist mensen met het hart op de goed plaats. En uiteindelijk een happy end waarbij alle draadjes langs onnavolgbare wegen bij elkaar komen, maar alleen omdat twee personages ineens spijt krijgen van hun foute levenswandel. Moet kunnen, maar werkt niet echt.

    Sociologische bril
    Zonder land heeft beslist trekjes van een schelmenroman. Never a dull moment. Het boekt lijkt afstand te houden tot de werkelijkheid waar het naar verwijst. Vluchtelingen, sloppenwijken, stammentwisten en migrantenstromen; dat ruikt naar krantenkoppen en nieuwsitems met mensenmassa’s in verregaande staat van ontreddering. Echte mensen met echte problemen. Zonder land speelt zich echter af in het fictieve Zantoroland (zwart, arm, verscheurd door stammentwisten) en Freedom State (blank, rijk), met de multiculti sloppenwijk Africtown. Een wijk als een continent, een land als een beginselverklaring; het is slim gevonden maar te allegorisch om het rauwe realisme geloofwaardig te houden. Dat geldt ook voor de personages. Die zijn teveel type en te zeer van buitenaf gezien; eerder door een sociologische dan een psychologische bril. Het lijkt alsof Hill een matrix heeft getekend met de tegenovergestelde categorieën als blank-zwart, jong-oud, homo-hetero, gehandicapt – geniaal, doortrapt – gouden hartje, en voor ieder vakje een personage heeft bedacht. Zelfs Keita, die in de eerste hoofdstukken tot leven komt als een volhardend en ontwapenend joch, wordt uiteindelijke een type: de vluchteling die niemand vertrouwt, verkeerde prioriteiten stelt en foute beslissingen neemt.
    Het is geen vergelijk, maar toch: Achak Deng, de jongen en man die in Dave Eggers What is the what uit 2006 eindeloos wordt bevraagd over zijn jarenlange vlucht voor de burgeroorlog in Zuid-Soedan blijft je bij, omdat er geen woord verzonnen is en omdat je het allemaal hoort uit zijn mond en ziet via zijn ogen. In Zonder land wordt vergelijkbaar materiaal verwerkt tot avontuurlijke fictie. Jammer voor Keita.

     

  • Borderkitchen met Helon Habila

    Agenda

    Op woensdag 19 februari 2014, is Helon Habila te gast bij BorderKitchen in Den Haag. Hij komt vertellen over zijn roman Olie op water over de gevolgen van de vervuilende olie in Nigeria. (‘Een spannende, schitterend geschreven roman over een belangrijk onderwerp.’ – Trouw)
    Habila wordt geïnterviewd door Toef Jaeger. De voertaal is Engels

    Helon Habila (geboren in 1967) begon als journalist in Nigeria. Hij woonde in Lagos, Norwich, New York, Washington, Berlijn en woont tegenwoordig in Virginia waar hij Creative Writing doceert aan de George Mason University. Zijn romans gaan over eenzaamheid, mislukte liefdesaffaires, corruptie, geweld en het belang van de vrijheid van meningsuiting. Habila is meermaals bekroond voor zijn poëzie en proza en schreef Wachten op een engel en Measuring Time voordat Olie op water verscheen.
    Datum: woensdag 19 februari
    Locatie: BorderKitchen-salon, Kerkstraat 11, 2514 KP Den Haag
    Aanvang: 20.00 uur
    Tickets à € 5,00 zijn te reserveren via info@borderkitchen.nl of tijdens kantooruren via 070-3462355

     

     

     

  • Sober proza

    Sober proza

    Wat ik van liefde weet is een verhalenbundel van Ton Rozeman. Het zijn korte slice of life-verhalen over gewone mensen die worstelen met hun relaties en met zichzelf. De verhalen bieden inkijkjes in het leven, vaak zonder een clou. Centraal in de bundel staat de menselijke onvolkomenheid. Rozeman (1968)  laat zien hoe men met elkaar omgaat in het moderne leven: soms wreed, vaak ook vol onbegrip.

    Rozeman biedt onnadrukkelijk, sober proza. Hij is docent verhalen schrijven en is gespecialiseerd in korte verhalen. Rozeman stelt de stijl in zijn werk ten dienste van het ook al sobere verhaal. Er staat geen woord teveel in zijn teksten, die bedrieglijk simpel geschreven lijken. De verhalen zijn soms wrang, bijvoorbeeld ‘Paardenkop’ over een lelijk meisje dat gemeen behandeld word. Toch blijft de inhoud van Wat ik van liefde weet je niet lang bij nadat je de bundel hebt gesloten. Niet alleen het gebrek aan stilistische durf, maar ook de kortheid van de verhalen wreekt zich. In telkens enkele bladzijden vertelt de auteur wat hij wil vertellen. Voor uitgebreidere karakteriseringen, psychologische uitdiepingen, is er in deze erg korte verhalen geen ruimte, een manco dat wel voor korte verhalen in het algemeen geldt.

    De teksten van Rozeman zijn onder meer een tijdsdocument. Het verhaal ‘Wekker’ begint als volgt: ‘Drie kinderen, nooit liefde gekend. Hij een paar jaar geleden ervandoor met iets jongs, misschien maar beter ook, die klootzak. Zij probeert er iets van te maken. Project ‘’goed huwelijk’’ mislukt, blijft over ‘’goede moeder’’. De oudste ADHD, de middelste autistisch, bij de jongste hapert de hechting. Als een reddende engel rijdt ze van school naar therapie naar apotheek naar god mag weten waarheen.’ (33) Het stigmatiseren van kinderen om ze te helpen is typisch iets voor deze tijd. Het zijn de ouders die geholpen zijn bij dergelijke etiketten en pseudo-duidelijkheid, meestal niet de kinderen. Je voelt als lezer de beknellende liefde van de moeder, die haar tijd geheel ten dienste stelt van haar kinderen en zo nooit plezier in het leven kan ervaren.

    Joost Zwagerman maakt, zich baserend op een theorie van literatuurcriticus Harold Bloom, in de inleiding van De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen een onderscheid tussen Tsjechoviaanse en Borgesiaanse verhalen. Zwagerman geeft de volgende omschrijving: ‘Tsjechoviaanse verhalen, aldus Bloom, beginnen vrij abrupt, eindigen vaak plotloos en verwijzen vrij direct naar een voor ons herkenbare werkelijkheid. Borgesiaanse verhalen benadrukken dat ze eerst en vooral een taalbouwsel zijn zonder een dwingend verband met de werkelijkheid’ (10). Het proza van Rozeman valt duidelijk onder de Tsjechoviaanse verhalen. Het gaat erin om herkenning, eerder dan om verwondering.

    De verhalen in Wat ik van liefde weet helpen je inzicht te krijgen in de menselijke ervaring. Ze gaan over hoe anderen met vergelijkbare problemen als de jouwe omgaan. In die zin sluiten ze aan bij het evolutionair nut dat aan fictie wordt toegedicht in de omstreden theorie van het literair darwinisme: verhalen zijn nuttig omdat ze je doen begrijpen hoe je het leven kunt tegemoet treden in situaties die je zou kunnen meemaken.

    In Borgesiaanse verhalen daarentegen is eerder sprake van alles wat in het gewone leven niet kan. Deze verhalen zouden volgens het literair darwinisme  minder nuttig zijn, omdat ze de lezer niet voorbereiden op het echte leven. De mooiste verhalen zijn misschien die waarin beide typen gecombineerd worden: verbazing om de absurdheid van het bestaan, gecombineerd met een uitnodiging je in te leven in een ander. De verhalen van Rozeman bieden alleen het tweede.

    Dat Rozeman docent korte verhalen schrijven is, blijkt uit zijn proza. Iemand die de stiel wil leren doet er niet verkeerd aan zijn proza te bestuderen. Als je tenminste sober wilt schrijven en geen woordbarok in je teksten toelaat. Die woordbarok is immers niet zo op zijn plaats in in de Nederlandse literaire traditie (maar daarom niet per se fout). Al bij al zijn de verhalen van Rozeman goed geschreven, invoelbaar, maar uiteindelijk niet memorabel.

     

    Wat ik van liefde weet

    Auteur:Ton Rozeman
    Verschenen bij: Uitgeverij Nieuw Amsterdam
    Aantal pagina’s: 107
    Prijs: € 12,95

  • Bundel juweeltjes

    Bundel juweeltjes

    In april is van Jan Wijnen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam de verhalenbundel Verkleurde tijd verschenen, al weer de vierde van zijn hand sedert zijn debuut in 2004. Wijnen is een zeer goed schrijver, die zijn verhalen zorgvuldig componeert en beschikt over een uitgebreid arsenaal stijlmiddelen om zijn verhalen spannend te houden. De kwaliteit van alle verhalen staat op een hoog niveau. Hoewel Verkleurde tijd een verhalenbundel is, heb je sterk de neiging door te lezen en het in één adem uit te lezen.

    Het eerste verhaal, ‘los Holandeses’, gaat over een echte loser, een afkickende junkie, die terugkijkt op zijn leven en zich spiegelt aan zijn burgerlijke, want succesvolle broer. Er rest hem niets anders dan drank en wrok, zich krampachtig vastklampend aan zijn anti-burgerlijk gevoel voor eigenwaarde, terwijl hij zichzelf in zijn dromen ziet dansen als tangoster samen met Elly, de vrouw van zijn broer. De bundel ontleent ook het motto aan dit verhaal, nl. de woorden van de Argentijnse zanger Carlos Gardel (1890 – 1935): ‘Volver, Volver’, ’Ik kom, liefste, ik kom terug’.

    Het tweede verhaal, ‘Maak een foto van me, alsjeblieft’, gaat over een getalenteerd fotograaf, die een reportage heeft gemaakt over een natuurramp in Colombia. Daar heeft hij een foto gemaakt van een meisje dat al 55 uur bekneld ligt onder het puin. Met deze foto zou hij een goede kans hebben gemaakt op de World Press Photo, aldus zijn vriendin Anna, maar hij publiceert hem niet. In dit sublieme verhaal raakt Wijnen aan zoveel absurde kanten van het leven, dat het je bijna gaat duizelen.
    Alleen om dit korte verhaal al is Wijnen een geweldige schrijver. ‘“Je moet de wereld door een andere bril bekijken,” zei  Anna. “Dat meisje was heus niet langer blijven leven als je haar niet vereeuwigd had.” “Vereeuwigd’’, bauwde hij haar na. Hij zag de pijn op haar gezicht. Het was niet alleen het verdriet om zijn woorden, het was haar persoonlijke pijn, de pijn van hun relatie.’

    Het derde verhaal, ‘Goede doelen’, is ook weer zo’n juweeltje, waarin in kort bestek verschillende aspecten van de eenzaamheid worden belicht. ‘Alles ontglipt hem de laatste tijd. Hij doet wat hij kan, voor zijn dochter, zijn vrouw, zijn kleindochter, maar wie is er voor hém?’ Prachtig hoe Wijnen speelt met de verlangens van de hoofdpersoon ten aanzien van degene die er wel voor hem is, nl. zijn hulp in de huishouding, een zwarte vrouw uit Afrika. Eigenlijk schaamt hij zich voor zijn sexuele verlangens ten aanzien van haar. Hij vindt het plat en ordinair daaraan toe te geven, maar toch…… !

    Het vierde verhaal, ‘Het schilderij’, is mooi, maar in zijn thematiek wat geconstrueerd.

    Het vijfde verhaal, ‘De gelieven’, gebaseerd op een strofe uit een gedicht van J.C. Bloem, leest heerlijk weg. Het gaat over vrienden die terugblikken op hun ‘ruige, jonge en artistieke jaren’, maar van wier dromen weinig is terechtgekomen.

    Het zesde verhaal, ‘Iets met woorden’, is een ode aan de geschiedenis. De ongeneeslijk zieke Adrie wordt vanwege de begrafenis van zijn vader gedwongen terug te kijken op hun turbulente relatie en zijn relatie met de rest van zijn familie. Een klassiek thema, maar aangrijpend verwoord.

    Het verhaal, ‘Goudman, wie is dat’, sluit de bundel af.  Dit is een mooi, tragi-komisch verhaal over de breekbare hulpeloosheid van een oudere man in het ziekenhuis, die op zijn kamer opgezadeld wordt met een Vlaamse kletsmeier als buurman, maar uiteindelijk aan deze zelfde kletsmeier zijn leven te danken zal hebben.

    De korte verhalen van Jan Wijnen lijken steeds iets langer te worden, alsof hij bezig is te groeien naar een grote roman. Voorlopig blijft hij een van de beste korte verhalenschrijvers van dit moment in Nederland. Een gegarandeerd leesplezier.

     

    Verkleurde tijd

    Auteur: Jan Wijnen
    Verschenen bij: Uitgeverij Nieuw Amsterdam
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: 17,95

  • Uit het archief, 2010, 10 jaar Literair Nederland: Interview met Thijs de Boer

    Door Carolien van Welij

    In 2010 verscheen de verhalenbundel Vogels die vlees eten van Thijs de Boer. Mohana van den Kroonenberg interviewde hem. Ze spreken onder andere over het schrijfproces, de thema’s in zijn werk en de rol van humor.

    Thijs de Boer vertelt waarom hij is gaan schrijven: ‘Bijna al mijn verhalen zijn begonnen met een frustratie over iets waar ik weinig of geen controle over heb. Door erover te schrijven creëer je de illusie van controle.’

    Voor aspirant-schrijvers geeft hij ook nog een tip: ‘Toen ik lesgaf in het schrijven van verhalen heb ik mijn cursisten alleen maar films aangeraden. Kijk films herhaalde ik telkens. [..] [Voor] de verhaalstructuur, de dialogen.’

    Lees hier het interview met Thijs de Boer dat op 13 september 2010 op Literair Nederland gepubliceerd is. Vogels die vlees eten is uitgegeven door Uitgeverij Nieuw Amsterdam

     

  • Eén gedicht per dag

    Eén gedicht per dag

    Het voelt aan als een spelletje op de achterbank van de auto: bedenk zoveel mogelijk woorden met ‘val’ erin. ‘Geval’, ‘muizenval’, ‘tongval’… Dat dit ook een goed ingrediënt kan zijn voor gedichten, toont Emma Crebolder aan in haar bundeltje Vallen. Tal van ‘valwoorden’ passeren de revue in haar poëzie, die in haar toonzetting iets wegheeft van het werk van een dichter als René Puthaar.

    De basis is opvallend sober. Op de linkerpagina telkens het (naar beneden vallende) woord Vallen, op de rechterpagina een uit vijf strofen bestaande tekst. Er valt geen metrum of rijm in terug te vinden.

    Gele margriet uit de bergen,/ welgevallig je naam wolverlei.’ De valwoorden vallen ons overal in de bundel aan, ze zijn met zoveel. Misschien begrijp je in het begin niet veel van de strekking van het gedicht. Wat heeft, om maar eens iets te noemen, het beeld van de kleine knuffelvos op pagina 9 te maken met de nauwe vrouwenrok van pagina 13? Soms valt het niet mee, poëzie lezen. Pagina na pagina dringt de tekst zich aan de lezer op, en springt van het ene onderwerp naar het andere, en toch, telkens weer, die valwoorden! Bij ondergetekende viel pas op pagina 19 het kwartje: dit is niet één lang gedicht, maar we hebben hier te maken met gedichten die júíst afzonderlijk moeten worden gelezen. Het zijn telkenmale korte sfeerimpressies, vluchtige observaties. Crebolder wil niet het hele leven beschrijven in valtermen, ze wil alleen laten zien dat onze taal hiertoe rijk genoeg is. Ze maakt het de lezer geenszins gemakkelijk; betekenissen zijn schuchter en nergens vallen we met de neus in de boter. Integendeel, het is, zoals de dichteres ons meldt, ‘paarsgewijs wentelen’.

    Desalniettemin kan men betogen dat de gedichten zijn gebundeld en dat we de bundel dus als bundel moeten lezen. En hier komt de zwakke plek van Crebolders Vallen naar boven: afzonderlijk zijn de gedichten vele malen sterker dan als onderdeel van een serie. Lezen we teveel van deze gedichten op een dag, dan voelen ze aan als ietwat eentonig; de valwoorden komen over als een zich herhalend trucje. De onderwerpen van de gedichten variëren wel, maar toon en ritme zijn nauwelijks verschillend – de schrijfster valt wat in herhaling.
    Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Een gedicht dat deze bundeling met succes het hoofd weet te bieden, treffen we op pagina 35: ‘De regelval ontduiken door van links/ naar rechts op te schuiven.’ Hier maakt Crebolder optimaal gebruik van haar ‘valtalent’: ze wendt de valwoorden aan om haar eigen poëzie te karakteriseren. Het is een levenslustige poëticale strijdkreet: ‘Vooruit. Pal staan bij de kantlijn./ Terug aan het front stel ik// de strofes in slagorde op.’ Nu de versregels in dit gedicht wat minder ‘springerig’ zijn van beelden, valt pas op hoe mooi deze beelden eigenlijk zijn – welke metapoëtische beeldspraak kan tippen aan regels als deze: ‘In de achter-// hoede met twee jonge regels/ angstvallig dekking zoeken’? De laatste versregel lijkt vooruit te kijken naar het slotgedicht van de bundel: dit zou ‘een finale valpartij’ moeten zijn.

    Het slotgedicht van Vallen begint inderdaad als de vijfde van Beethoven. ‘Als de valbijl-/ datum nadert’ – je zit op het puntje van je stoel. Maar de grote valfinale krijgt een andere invulling dan je wellicht zou verwachten. Dit gedicht is nagenoeg het enige is dat ‘in bundelverband’ sterker wordt.
    Al met al valt Vallen als bundel wat tegen, maar als reeks aparte gedichten bevalt het prima. Om nou te spreken van een geweldige inval, die valwoorden? Nee. Maar lees je één gedicht per dag, – één gedicht, dan is Emma Crebolders Vallen zeker een aanrader.


     

  • Niets is wat het lijkt

    Niets is wat het lijkt

    ” is het thema van de roman Het onvermijdelijke toeval. En dat geldt ook voor de uitgave van dit boek. Na een vluchtige blik op het omslag denk je een nieuwe chicklit in handen te hebben, maar als je het boek omdraait kijkt de keurige Duitse Martin Mosebach (1951) je aan. Mosebach heeft al een enorm oeuvre opgebouwd en zijn werk is met meerdere prijzen bekroond. Het onvermijdelijke toeval  (oorspronkelijke titel Was davor geschah ) is – opmerkelijk genoeg – de eerste roman die naar het Nederlands is vertaald.

    ‘Hoe was dat toen ik er nog niet was?’ vraagt de nieuwe geliefde aan de ik-persoon. Het antwoord van de man beslaat de volledige roman. Hij vertelt dat hij in Frankfurt ging wonen. Een collega van de bank nodigt hem uit om een zondagmiddag bij zijn ouders langs te komen, ‘waar “een paar mensen” zouden zijn.’ Zo wordt de ik-persoon een vaste gast op de zondagen bij het zwembad van de rijke familie Hopsten en komt hij op die manier terecht in de kringen van de Frankfurtse upperclass.

    De rol van de ik-verteller in het verhaal is marginaal. Zijn belangrijkste functie is de lezer kennis te laten maken met al die nieuwe figuren om hem heen. En dat kan hij op treffende wijze. We leren de oude Schmidt-Flex kennen, de eregast op de feestjes en ‘de natuurlijke koning van elke omgeving’, met zijn zwijgzame vrouw, sombere zoon Hans-Jörg en schoondochter Silvi. Minutieus en zoekend gaat de verteller bij die beschrijvingen te werk. Als hij de familie Hopsten wil typeren komt hij bijvoorbeeld met observaties als deze: ‘Boven villa Hopsten hing niet de muffe geur van een gezin, de generaties leefden discreet samen, het was een genoegen om naar te kijken en daar bestond ook vaak de gelegenheid toe.’ Over de opvallende gast Joseph Salam, een gezette Libanees zegt hij: ‘Hij zag eruit als een man die na vele veldslagen tot rust is gekomen en die het afsterven van de natuur niet melancholisch stemt maar het beschouwt als een ervaring van zijn eigen rijpheid.’

    Mosebach is precies in ál zijn beschrijvingen, niet alleen in die van personages. In beeldend taalgebruik, vol met metaforen, vergelijkingen en personificaties beschrijft hij de omgeving, situaties, menselijke verhoudingen en levensinzichten.

    In een prachtige sneeuwscène vergelijkt hij bijvoorbeeld de beweging van de rodelaars met de regendruppels op een rijdende trein: ‘sommigen bleven even hangen, anderen stroomden doelgericht voort en verenigden zich tot een dikkere stroom die even later weer oploste.’ Om je te laten voelen hoe nauw de zitplaats in een vliegtuig is, spreekt hij over een schoenlepel die je nodig hebt om op je plek te komen. Over de kunst van het organiseren van feestjes laat hij een personage opmerken dat je er altijd voor moet waken dat slecht gezelschap uiteindelijk goed gezelschap gaat verdrijven. En de sombere Hans-Jörg laat hij tot inzicht komen ‘dat je in werkelijkheid helemaal niet hoeft te zijn zoals je meende te moeten zijn.’ Hans-Jörg vindt pas rust als hij beseft dat hem in zijn leven nooit meer iets ergs kan bedreigen, omdat het allerergste, namelijk dat leven zelf, al plaatsvindt.

    Voor je het weet, staat je leesexemplaar vol met potloodstreepjes in de kantlijn en blijf je citaten overnemen in je notitieboekje. Mosebachs observaties zijn verrassend, origineel én herkenbaar. Soms grappig, soms mooi, maar altijd treffend. Daarnaast zijn er natuurlijk intriges, maar de plot heeft een ondergeschikte rol ten opzichte van die observaties.

    Met de keuze voor een raamvertelling creëert Mosebach de mogelijkheid zijn personages commentaar te laten geven op het verhaal zelf, en tegelijkertijd op de kunst van het verhalen vertellen en de keuzes die een schrijver daarbij maakt. ‘Het is gewoon bedacht’ verwijt bijvoorbeeld de toehoorster de verteller als die iets vertelt waar hij niet bij was, waarop het antwoord van hem luidt dat ‘bedacht’ het verkeerde woord is. Hij maakt een vergelijking met het kaartenspel patience: ‘Net als bij patience bestaat elk verhaal uit open en omgedraaide kaarten. Je komt er nog wel achter welke kaarten gedraaid waren – maar uiteindelijk is van belang dat het patience klopt.’

    Het onvermijdelijke toeval  is een ideaal zomerboek voor lezers voor wie een spannend plot geen must is.

     

     

  • Verloren levens op zoek naar liefde

    Verloren levens op zoek naar liefde

     

    Een Amerikaans auteur schrijft een roman die Engels is tot in het merg. Een roman die alle bekende vooroordelen over the British exploiteert en bovendien schaamteloos rondgraait in het magazijn met romanmotieven. Het had een kruising tussen Barbara Cartland, Evelyn Waugh en de Boeketreeks kunnen worden. Of uitermate doorsnee en onopmerkelijk. Maar Een ongewoon huwelijk van Peter Cameron is niets van dat al en vooral: onverwacht goed.

    Het begint in een uitzonderlijk natte en kille lente in 1950 in Engeland, dat nog lang niet hersteld is van de Tweede Wereldoorlog. Het speelt zich af in het dorp Harrington in Leicestershire, op een naargeestig landhuis ‘Hart House’ in een moerassig weidegebied, dat grenst aan het zompige Sap Green Forest. De bewoners bewegen zich vreugdeloos door een vrijwel tot stilstand gekomen wereld. Hoofdpersoon is de verpleegster Coral Glynn (ouders gestorven en broer verloren in de slag bij El Alamein) die naar Hart House is gekomen om de doodzieke moeder van Majoor Clement Hart te verplegen. De oude vrouw sleept zich in een morfineroes door de dag. Haar zoon de majoor weigert aan haar ziekbed te komen: ‘Mijn moeder en ik zijn al heel lang met elkaar uitgepraat’ vertelt hij Coral. Hart lijdt onder zijn oorlogswonden. Een verminkt been zit in een beugel en zijn huid is deels een pantser van littekenweefsel. Omzichtig zoekt hij toenadering tot Coral, die zich dat laat aanleunen. Eens per week doorbreekt hij zijn isolement voor een paar biertjes in de Black Swan met zijn jeugdvriend Robin. Ooit waren ze veel meer dan vrienden, maar Robin is inmiddels braaf getrouwd. Over zijn vrouw Dolly bekent Robin tegen Clement: ‘ik houd alleen van haar om jou blij te maken. Dat is mijn manier om van jou te houden.’  En dan spookt er ook nog een eigenheimerige huishoudster rond, mevrouw Prence. Zo Engels als Cluedo, – inclusief misdrijf, zo blijkt later. Uiterst Engels is ook de omzichtige manier waarop men met elkaar omgaat: de schaarse conversatie is gedrenkt in beleefdheidsformules, en bestaat voor de helft uit excuses voor wat er gezegd is of had moeten worden.

    Beurtelings gevangen
    Drie gebeurtenissen schudden het leven van Coral dooreen. Ze ziet de film ‘Een ongewoon huwelijk’ in de dorpsbioscoop – een melodrama over een man die om zijn dubbelleven te beschermen, zijn ene vrouw de dood in drijft. Dan overlijdt de moeder van Majoor Hart en er is een vreemd incident in Sap Green Forest. Coral hoort tijdens haar dagelijkse wandeling ineens gruwelijk kindergeschreeuw. Een jongen heeft een meisje aan een boom gebonden en is haar aan het martelen. Ze weigeren daarmee op te houden, want het is een spel. ‘“We zijn gevangenen” zei de jongen. “Om de beurt.”’ Later blijkt dat spel de opmaat te zijn geweest tot iets veel gruwelijkers. Meer moet daar hier niet over gezegd worden. Daar zijn twee redenen voor: ten eerste is Een ongewoon huwelijk unputdownably spannend, en die spanning moet niet bedorven worden. Ten tweede zal  niemand na een samenvatting van het verhaal geloven dat het echt heel goed is. Een ongewoon huwelijk is namelijk een opeenstapeling van romanclichés: onvervulde liefde, verholen homoseksualiteit, een buitenechtelijke zwangerschap en clandestiene abortus, maar ook een gestolen gewaande ring, een rechercheur over de vloer met lastige vragen over een gruwelmoord, een huwelijksdiner dat mislukt door een foute tafelschikking. En dan ook nog eens een happy end

    De luiken voor de ramen
    Het is een mirakel hoe Cameron tussen de klippen van gothic novel, sociale satire en damesroman doorzeilt, en ook dat zijn boek niet even grauw en armoedig is als de levens die het beschrijft. Dat lukt hem ten eerste door zijn stijl. Een ongewoon huwelijk is uiterst geserreerd geschreven: drooggekookte taal met af en toe een glimpje poëzie. Zo vertelt majoor Hart aan Carol dat hij niet wil verbitteren en verzuren: ‘Ik voel het nu al, iets of iemand in mijn binnenste die van kamer naar kamer gaat, alle deuren sluit en overal de luiken voor de ramen doet.’ De dialogen zijn strak geregisseerd. Onder de beleefde zinnen woelen verdrongen verlangens die af en toe aan de oppervlakte komen. Hart vertelt zijn vriend Robin over zijn gevoelens voor Coral: ‘“Geluk zou ik het niet willen noemen. Opluchting misschien. Een gevoel dat er iets is tussen ons. Een soort band veronderstel ik.” “Liefde misschien”, zei Robin.  “Zover wil ik niet gaan”, zei Clement. “Nee, dat weet ik. Zo ver ben je nooit gegaan.”’ Vervolgens zijn daar de personages: te onhandig verlangend naar geluk, te zeer opgesloten in hun scheef gegroeide levens om ze niet meer te gunnen dan ze ervan weten te maken. Met Carol Lynn als onbetwiste heldin die op een gegeven moment alle illusies laat varen, niets meer verzwijgt of omzeilt en bereid is daar de gevolgen van te aanvaarden. Daardoor worden gebeurtenissen in gang gezet die ook andere personages op een nieuw spoor zetten. En dan is er het verhaal dat zich scène na scène, systematisch ontvouwt. Voorspelbaar, ben je geneigd te zeggen, totdat blijkt dat de optelsom van kleine gebeurtenissen grote gevolgen heeft. De laatste kunstgreep van de meester is dat het boek niet blijft steken in plat realisme. Het boek is strak gecomponeerd, en de microkosmos van Hart House is een planmatig afgeronde wereld. Daardoor gaan bij voorbeeld de gruwelscène in het bos, of een verhaallijn over een ring sterk symbolisch werken. Ze laden de roman op met een diepere betekenis, die van doen heeft met het recht op geluk, de moed om zijn (haar) verlangen te volgen en de liefde die de leugen achterhaalt. Een ongewoon huwelijk is spannend, ontroerend en mooi. Als het bij herlezing over een paar jaar nog zo goed is, is het een meesterwerk.

     

     

  • Wat een geluk – Gerry van der Linden, feestelijke presentatie 24 mei

    Gesignaleerd door de redactie

    Wat een geluk is de negende dichtbundel van Gerry van der Linden. In deze bundel onderzoekt Van der Linden sporen uit haar verleden, die zij opnieuw gestalte geeft door ze tegen het licht van het heden te houden. Daarbij zichzelf en anderen niet sparend. Haar gedichten, die zich vaak kenmerken door absurde humor, gaan over de liefde, het ouder worden, het onder ogen zien van wat ooit was en wat blijft. ‘Poëzie is een kruisverhoor,’ schrijft zij in het titelgedicht dat te vinden is op de website van Gerry van der Linden.

    Gerry van der Linden (1952) is dichter, schrijver en docent poëzie & schrijftraining aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Zij werd in 1977 ontdekt door Remco Campert en publiceerde sindsdien acht dichtbundels, een novelle en twee romans. Met Wat een geluk,  viert zij haar 35-jarig dichterschap.

    De dichtbundel wordt donderdag 24 mei gepresenteerd in Perdu tijdens de viering van Van der Lindens 35-jarig dichterschap waarbij o.m. de dichters F. Starik en Els Moors, muziekanten Polar Twins, Arjan Amin en Luan van der Linden present zullen zijn om het feest luister bij te zetten. Martin Mooij zal het eerste exemplaarin ontvangst nemen.

     

    Donderdag 24 mei van 19.30 tot 21.30 uur
    Perdu, Kloveniersburgwal 86, Amsterdam.
    Toegang: gratis

    U kunt zich voor de presentatie aanmelden via mrenting@nieuwamsterdam.nl

    Van der Linden werkt aan een korte verhalenbundel waarvan enkele zijn gepubliceerd in o.a. Hollands Maandblad nr 5 (2005) en het zomernummer 2011 6/7.

  • Gedichten voor mensenkinderen

    J.C. Bloem heeft het in één van zijn gedichten over ‘Moeilijk gewoon geluk’. Zeker in poëzie is dat een precaire zaak. Kitsch en wezenloosheid liggen op de loer. Hoewel: Gorter (Verzen 1890), Leo Vroman (maar lang niet altijd) en zelfs Gerrit Achterberg (bij vlagen, in Hoonte) wisten er wel weg mee. En Sjoerd Kuyper. De bloemlezing Het heelal van jouw hart levert het bewijs.

    Sjoerd Kuyper is beroemd als kinderboekenschrijver en musicaldichter, maar minder bekend als dichter voor volwassenen. Binnenkort mag hij de driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs voor kinder- en jeugdliteratuur 2012 ophalen – en terecht, gezien het dertigtal kinderboeken dat hij publiceerde (waarmee hij al een hand vol Griffels, een Vlag en Wimpel en nog zo wat binnenhaalde). Hij won een Musical Award voor zijn teksten voor Turks Fruit en een Emmy voor het scenario voor De jongen met het mes. Veel minder aandacht kreeg hij voor zijn negen bundels gedichten voor grote mensen. In Het heelal van jouw hart brachten vrouw en schilderes Margje Kuyper en vriend en schrijver Thomas Verbogt de 47 mooiste gedichten bijeen. Margje leverde bovendien het omslagschilderij en Thomas schreef een Inleiding. Die gaat over vriendschap en geluk, en over blije dagen vol bier en jenever in Bakkum en Bergen – waar Kuyper woonde dan wel woont. En het gaat over zijn poëzie: ‘Ik ken geen schrijver in Nederland die zo mooi over geluk kan schrijven. Over de eenvoud van geluk, over de dynamiek van geluk, en ook over het breekbare van geluk. (…) Je krijgt er een ontzettend goed gevoel van.’ Gezellig. Als dat maar goed gaat.

    Van Gorter doordrenkt
    Neem nu het titel- en openingsgedicht, met regels als ‘Ik wil wonen / op een ster / in het heelal / van jouw hart’ en ´En de nacht viel en de kinderen / sliepen in hun zoete geur / en wij dronken nog een whisky / op het stoepje bij de deur.’ Het is, hoe zeg je dat, een onverdunde idylle die zich naadloos voortzet in de dood: ´En we maakten nog één reisje, / het heelal in voor het eerst, / en we vreeën voor het laatst daar / in Hotel De Kleine Beer.’ Nijntje is verliefd, zegt de zure man in mij. Meer een lied dan een gedicht, denk ik vervolgens. Een goed gemaakt lied (uit Turks fruit, zegt Google), dat in heldere taal zonder tierelantijnen inderdaad een goed gevoel oproept. Zo zijn er meer, ook zonder liedtekst te zijn: ‘Rije rije rije, ik en jij en / jij en ik en ik blijf altijd bij je.’ Of, in het van Gorter doordrenkte ‘Liedje van God’: ‘Ik wou ik was / het licht / op je gezicht, / wit in het blauw. Ik hou van jou.’ Niks mis mee, en onmiskenbaar poëzie voor volwassenen, maar is het ook volwassen poëzie?

    Boeken van troost
    In zijn Roland Holst-lezing uit 2003 vertelt Kuyper hoe hij door de dood van een vriend na vele jaren teksten voor kinderen, weer eens grotemensen-poëzie wilde schrijven. Na veel geworstel verscheen op het papier ‘een taal die helder was als water, voor ieder kind te begrijpen. Het leken woorden die in de poëzie voor volwassenen waren uitgestorven.’ Het is niet alleen de taal waardoor kinder- en volwassenenboeken tegenwoordig van elkaar verschillen, volgens Kuyper: ‘kinderboeken gaan altijd over de lezer. Zelfs als in een gedicht het woordje ‘ik’ opduikt, is die ‘ik’ de lezer van het gedicht, niet de schrijver. Literatuur voor volwassenen daarentegen gaat altijd over de volwassen auteur.’  De hedendaagse dichter, zo las hij in de krant, maakt poëzie ‘die met satanisch plezier de taal afbreekt, vergruist, drevelt en met voorhamers bewerkt…’ (Het logische vervolg op Luceberts ‘ik heb daarom de taal / in haar schoonheid opgezocht / hoorde daar dat zij niet meer menselijks had / dan de spraakgebreken van de schaduw.’) Kuyper doet daar niet aan mee. ‘Op het moment dat bijna alle anderen zich grimmig op de chaos stortten,’ ging hij ‘moedig voort op het gebaande pad’ en bleef ´boeken van troost´ schrijven ´voor kinderen en volwassenen, al werden ze sindsdien dan ook kinderboeken genoemd.´ Ik citeer nog steeds uit zijn lezing, omdat die verheldert waar hij staat en wat hij beoogt. Troost bieden, met de schoonheid van klare taal, in herkenbare teksten, zonder rijmangst of stameldwang, voor lezers die zich durven te herkennen in de ‘ik’. En als iemand dat geen volwassen poëzie vindt, dan is dat maar zo.

    Hemel van geurend hout
    Het heelal van jouw hart bevat niet alleen liefdesgedichten. Het gaat ook over een jongeman wiens vader de deur uitvond. Over de Noordenwind, die zo graag lid wilde worden van ´Mooi waaien´ en daarin slaagde door de eekhoorn ’te doen’. Het gaat over een verlegen restaurant, over het huis van de dichter (op kippenpoten), of over ´een hemel van geurend hout´ met vers gras voor de konijnen en water voor de goudvis (voor de huisdieren van zijn kinderen). Aangenaam absurd. In andere gedichten sluipt het ouder worden binnen (‘Na de pleuris’) en onvermijdelijk de dood, zoals in het afsluitende ‘Zo’n dag’. Ook daar blijft Kuyper monter. Hij kijkt uit naar ‘het laatste feest, / waarop wij samen vieren dat het mooi was / om jij en ik en ik en jij te zijn geweest.’

    De titel van Kuypers Roland-Holst lezing was ‘Dichters dansen niet’. Wie de eerste regels van ‘Het heelal van jouw hart’ leest begrijpt wat hij bedoelt: ‘Ik wil altijd blijven dansen, lief, / dansen zolang ik leef.’ Het zij hem gegund. Het mooiste vind ik een van de oudere gedichten. Best idyllisch al, maar ook bevreemdend en ontregelend:

    ‘Er was een tijd

    Er was een tijd, niet lang geleden, waarin ik

    Botten had die zacht waren als zijde. De meiden

    Giechelden, ze wogen me en schommelden mijn wieg.

     

    Er was een tijd dat ik mocht denken: kijk, ik ben

    Van marsepein. En als dat niet beviel, dan dacht ik:

    Kijk, zilverpapier. Of een kaars, dan kon ik branden.

     

    Jongen en meisje tegelijk. Ik zoende m’n eigen handen.’

     

     

  • De geschiedenis van Suriname – Hans Buddingh

    Gesignaleerd door de redactie

    Eind vorige maand verscheen De geschiedenis van Suriname van Hans Buddingh’. Een boeiend standaardwerk over vier eeuwen Surinaamse geschiedenis. Een belangrijk boek waarmee de huidige ontwikkelingen in perspectief geplaatst kunnen worden.

    Wat een model dekolonisatie had moeten worden, was jammerlijk mislukt. Suriname werd in 1975 onafhankelijk. Nog geen vijf jaar later pleegden militairen een staatsgreep. Daarna bepaalden de Decembermoorden, drugshandel, een binnenlandse oorlog en economische teloorgang ons beeld van het voormalige Nederlandse rijksdeel. In 2010 werd Desi Bouterse, veroordeeld wegens drugsdelicten en hoofdverdachte in het Decembermoordenproces, de democratisch gekozen president van Suriname.

    De fascinatie van buitenstaanders voor Suriname is er altijd geweest. Op een kaart werd de ‘wilde kust’ eind 16e eeuw aangeduid als ‘het wonderbaer ende goudrijcke landt’. Slavenhandelaren met hun menselijke lading en plantagehouders maakten van Suriname een wingewest,maar werden ook geconfronteerd met een heftige strijd van weggelopen slaven. Na de afschaffing van de slavernij volgde vanaf eind 19e eeuw immigratie van Hindoestaanse en Javaanse contractarbeiders ten behoeve van de plantage-economie, te midden van sociale spanningen en een roep om autonomie.

    Hans Buddingh’ studeerde economie en is als redacteur verbonden aan NRC Handelsblad. Hij bezocht voor deze krant veelvuldig Suriname. In 1994 schreef hij met Marcel Haenen het onthullende en geruchtmakende boek De danser over het Surinaamse drugskartel en de banden met de Colombiaanse maffia.

     

    De geschiedenis van Suriname

    Blz: 576
    Prijs: € 29,95
    Verschenen bij Nieuw Amsterdam