• Een indrukwekkende reconstructie

    Een indrukwekkende reconstructie

    In januari 2003 zit er bij de familie van Anne Berest tussen de kerstkaarten een ansichtkaart: ‘Hij zat onopvallend tussen de andere enveloppen, als het niets was, alsof hij zich had verstopt om onopgemerkt te blijven.’ Op de voorkant staat een foto van de Opéra Garnier in Parijs. Aan de adreskant vier namen in een onbeholpen handschrift, Ephraïm, Emma, Noémie, Jacques. Het zijn de voornamen van de grootouders van moederskant, en van de tante en oom van Lélia, de moeder van Anne Berest. Zij werden alle vier in 1942 in Auschwitz vermoord. De kaart verdwijnt in een lade en de familie praat er niet meer over.

    Tien jaar later moet de zwangere Anne rust nemen om ervoor te zorgen dat haar baby niet te vroeg komt. ‘Tijdens het wachten dacht ik aan mijn moeder, mijn grootmoeder, aan de lange lijn van vrouwen die vóór mij een kind ter wereld hadden gebracht. Op dat moment wilde ik dolgraag het verhaal van mijn voorouders horen.’ Anne schaamt zich ervoor dat ze helemaal niets van hen weet: ‘Ik kende de landen niet waar ze doorheen waren gereisd, wist niet welke beroepen ze hadden uitgeoefend en hoe oud ze waren toen ze werden vermoord.’

    Reconstructie

    Zo begint het verhaal over de zoektocht naar de mensen achter de namen en naar de afzender van de ansichtkaart. Het blijkt dat Annes moeder Lélia jaren bezig is geweest met het uitzoeken van hun familiegeschiedenis. Haar studeerkamer staat vol boeken, ordners en archiefdozen. Anne: ‘Als tiener wist ik dat deze dozen op de boekenplanken sporen bevatten van onze sombere familiegeschiedenis, ze deden me denken aan kleine doodskisten.’ Op grond van documenten uit Franse archieven, getuigenissen van overlevenden uit de kampen en een paar foto’s met onleesbare bijschriften kon ze een reconstructie maken van de familiegeschiedenis. ‘Alles wat ik weet, heb ik gereconstrueerd door archieven uit te pluizen, door boeken te lezen en ook omdat ik na mijn moeders dood aantekeningen heb gevonden tussen haar spullen.’ Door documenten zorgvuldig te vergelijken kon ze feiten en data vaststellen.

    Omzwervingen

    Het boek bestaat uit twee delen. Het verhaal begint in Rusland in 1919 in de datsja van Nachman en Esther Rabinovitch. Hun zoon Ephraïm en zijn zwangere vrouw Emma en alle neven en nichten zijn uitgenodigd voor de viering van het Joodse paasfeest. Nachman leest als familiehoofd tijdens de seidermaaltijd de hagada voor, het bijbelse verhaal van de uittocht van het Hebreeuwse volk uit Egypte.
    Dan komt hij met de ernstige boodschap dat het tijd is om uit Rusland te vertrekken: ‘es’ shtinkt shlekht drek’ – er is stront aan de knikker. Hij vertelt over het toegenomen antisemitisme en de anti-Joodse maatregelen. Hij vraagt iedereen goed na te denken en besluit met: ‘Knoop dit in jullie oren, op een dag willen ze ons allemaal dood zien.’

    Nachman en Esther vertrekken naar Palestina. Na de oktoberrevolutie is Ephraïm als sociaal-revolutionair zijn leven in Rusland niet meer zeker. Hij en Emma vluchten naar Letland. Joden zijn daar niet onderworpen aan handelswetten. Net voor hun vertrek bevalt Emma op 7 augustus 1919 van dochter Myriam. In 1923 krijgt Myriam er een zusje bij, Noémie. Het gaat een tijd voorspoedig met het gezin in Riga, maar na omzwervingen via Polen en Israël vertrekken Ephraïm en Emma in 1929 met de beide meisjes en de pasgeboren Jacques naar Frankrijk. Daar worden na verloop van tijd onder invloed van de bezetter steeds meer verordeningen van kracht die de vrijheid van Joden inperken: buitenlandse onderdanen van ‘het Joodse ras’ moeten zich laten registreren, ze mogen niet meer reizen en niet meer werken ‘als zakenman, directeur en bestuurder.’ Het gezin, met uitzondering van Myriam komt uiteindelijk om in Auschwitz. Lélia: ‘Zo eindigen de levens van Ephraïm, Emma, Noémie en Jacques. Myriam heeft er nooit over verteld toen ze nog leefde. Ik heb haar nooit de namen van haar ouders, haar broer of zus horen noemen.’

    Het onderzoek voortgezet

    Het tweede deel van het boek gaat over de periode na de oorlog, de zoektocht naar de levensgeschiedenis van Myriam en het zoeken naar de afzender van de ansichtkaart. Over Myriams leven na de oorlog heeft Lélia niets kunnen vinden. Anne: ‘Ik wil mijn eigen onderzoek doen om die periode uit Myriams leven te reconstrueren.’ Zo zet zij het onderzoek (in eerste instantie nog) deels samen met haar moeder voort: ‘Mama, ik ben je dochter. Jij leerde me hoe ik onderzoek moest doen, hoe ik informatie moest controleren, hoe ik het kleinste stukje papier iets kon ontfutselen. In zekere zin maak ik het werk af dat jij mij leerde en zet ik het alleen maar voort. Die kracht die mij ertoe drijft het verleden te reconstrueren heb ik van jou.’ Anne plaatst de persoonlijke verhalen in een historische context. Al hun speurwerk leidt ertoe dat Epraïm, Emma, Myriam, Noémie en Jacques mensen van vlees en bloed worden. Anne kent nu de landen waar haar voorouders doorheen reisden. Als lezer leven we met familie mee, leren hun angsten, ambities en hun dromen kennen.

    Anne schrijft dat ze na de reconstructie beter begrijpt wie ze zelf is. Ze realiseert zich dat ze dochter en kleindochter van overlevenden is.

    La carte postale verscheen in 2021. Op de Franse uitgave staat op de omslag een grote foto van Noémie. Het boek kreeg Franse en internationale prijzen. Ghislaine van Drunen en Annelies Kin verzorgden de prima Nederlandse vertaling die in 2023 uitkwam. Op de omslag staan de ansichtkaart en foto’s uit het familiealbum en een quote uit Le Figaro: ‘Een indrukwekkende waargebeurde geschiedenis die leest als een roman.’ Dit boek verdient het om op grote schaal gelezen te worden.

     

     

  • Trauma

    Trauma

    We hadden afgesproken bij Ruby, het Chinees-Indonesisch restaurant bij ons in de buurt. ‘Ik liep al een poosje achter jullie, maar jullie waren niet bij te benen,’ zei hij. We kregen ons vaste tafeltje, achterin. ‘Dit is het bekende zwarte gat,’ zei hij. ‘Wat nu?’ Ja, wat nu? In de afgelopen zes jaar spraken R. en ik Jos Versteegen geregeld over zijn biografie in wording. De dagelijkse worstelingen, de losse eindjes, de plotse vondsten. Wat is een biografie schrijven toch een tour de force! En nu was het gedrukt en gepresenteerd in de grootste theaterzaal van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam: Hans Keilson. Telkens een nieuw leven

    Keilson schreef enkele opmerkelijke romans, had in Bussum een bloeiende praktijk als psychoanalyticus en werd op honderdjarige leeftijd wereldberoemd dankzij een recensie in The New York Times. Maar hij was ook jaloers, hield er vriendinnen op na, had woede- en angstaanvallen. En dan was er nog zijn levensloop waarin je met gemak de geschiedenis van de twintigste eeuw van nazisme, vervolging, onderduik en vernietiging terugvindt. Keilson en zijn zus overleefden, de ouders niet – een wond voor het leven. 

    Na het proosten op de biografie zei Jos: ‘Eerst dacht ik, die theaterzaal krijg ik met geen mogelijkheid vol. En toen werd ik bang dat er misschien te veel mensen zouden komen, dat er mensen bij de deur geweigerd zouden worden vanwege de brandveiligheid. Ik sliep er nachten slecht van.’ De stress van boekpresentatie en controle behouden, ik grinnikte uit herkenning. Natuurlijk verliep de boekpresentatie voorspoedig. Er was prachtige muziek, er was een indringende presentatie van Judith Belinfante, Jos sprak de weduwe Keilson en na afloop waren er volop drankjes. Kortom: mooi programma, goed georganiseerd en uiteraard stond niemand voor een gesloten deur. Het enige dat ontbrak waren boeken. Een foutje van de boekhandel die in plaats van een paar honderd boeken, slechts een doosje met dertig exemplaren had geleverd, en dan ook nog zonder jongste bediende met pinautomaat. Excuses volgden, dat wel.

    Onder het eten vroeg ik Jos naar het proefschrift dat Keilson op late leeftijd schreef; het is één van de meest interessante hoofdstukken van de biografie. Keilson onderzocht wat er was geworden van Joodse weeskinderen aan de hand van het concept ‘sequentiële traumatisering’. Voor Joodse kinderen onderscheidde hij drie fasen. De eerste: de bezetting van Nederland, de eerste maatregelen. De tweede fase is die van daadwerkelijke vervolging, deportatie van ouders, scheiding door onderduik. De laatste fase is de naoorlogse periode, waarin de mate van veiligheid bepalend is voor het doorbreken van ‘de keten der traumatiserende elementen’. Trauma is in het leven niet te ontlopen, maar hoe je door je omgeving wordt opgevangen, bepaalt hoe het trauma in je verhardt of verzacht.

    Veelbetekenend: ‘Niet iedereen heeft door dat de oorlog voor veel mensen pas na 1945 goed is begonnen’ aldus Keilson. Deze pagina’s uit de biografie zou iedereen moeten bestuderen en onthouden. Of het om oorlog gaat of om de zogenaamde afwikkeling van ‘Groningen’, de ‘Toeslagen’,  Long Covid, of het gaat om kleiner, bijna alledaags leed zoals geen boeken op de presentatie: wees oplettend en weet wat het voor een ieder betekent als compassie ontbreekt.

     

     

    Biografie Hans Keilson, Telkens een nieuw leven / Jos Versteegen / 544 blz. / uitgeverij Nieuw Amsterdam


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. In augustus 2022 verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Oogst week 16 – 2023

    Oogst week 16 – 2023

    Stadse beestjes

    In een interview in Trouw van april 2022 vertelt (stads)bioloog Remco Daalder dat hij zich nooit verveelt als hij ergens moet wachten omdat er altijd vogels zijn. In zijn columns voor het NRC Handelsblad die hij tot december van datzelfde jaar schreef, beperkte hij zich niet tot alleen die vogels. Ook de slak, het pissebed, de salamander, de mol en nog veel meer dieren die je in de stadse omgeving tegen kunt komen kwamen aan de orde.
    Het zijn charmante, geestige en leerzame columns, afschrikwekkend ook soms. Wist u dat een vrouwtjesmuis zes keer per jaar een nest jongen kan krijgen, met zo’n zes jongen per nest, die zelf na twee maanden al geslachtsrijp zijn?, of dat het vrouwelijke rivierkreeftje, – een invasieve exoot, die we liever kwijt dan rijk zijn – , wel 600 eitjes in één keer produceert?

    Deze columns zijn nu gebundeld in Stadse beestjes dat onlangs is verschenen bij Atlas Contact.
    Stadse beestjes begint met de kokmeeuw, ’s ochtends vroeg op de pont over het IJ. Hij ziet ze wolken. ‘Ze draaien cirkels boven het IJ, steeds hoger en hoger, ze vormen samen een lange spiraal. Tot ze ineens naar beneden zeilen, zich in groepen verdelen en naar hun werkgebieden verdwijnen, een groep naar Oost, een groep naar de binnenstad, een groep richting IJmuiden, enzovoort.’

    Remco Daalder is stadsbioloog en schrijver. Hij schreef verschillende boeken. Met De gierzwaluw won hij de Jan Wolkers Prijs voor het beste natuurboek.

    Stadse beestjes
    Auteur: Remco Daalder
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    De ansichtkaart

    In Frankrijk zijn de kritieken laaiend over De ansichtkaart van Anne Berest. Achter op het omslag prijken de volgende nominaties en prijzen: nominaties voor de Prix Goncourt en de Prix Femina. Winnaar van de Prix Renaudot, de Grand Prix Des Lectrices ‘ELLE’, de Prix littéraire des étudiantes de Sciences Po en de US Goncourt Prize.

    Aanleiding voor het boek is inderdaad een ansichtkaart. Die viel 20 jaar geleden, in januari 2003 bij de auteur in de bus. Op de ene kant de Opéra Garnier en aan de andere kant de namen van een viertal gestorven familieleden. De kaart was niet ondertekend.
    Anne Berest laat de kaart jarenlang liggen, maar besluit uiteindelijk om uit te zoeken waar de kaart vandaan komt, wie hem gestuurd heeft en waarom.
    Ze schrijft: ‘Ik begon bij de namen op de kaart, mijn overgrootouders, oudtante en -oom. Wie waren zij eigenlijk precies? Mijn moeder vertelde me alles wat ze wist over onze familie en daarna schakelde ik een privédetective en een criminoloog in. Ik ondervroeg de bewoners van het dorp waar mijn familie werd gearresteerd, bewoog hemel en aarde. En ik ontdekte wat er gebeurd was.

    Dit onderzoek bracht me 100 jaar terug in de tijd en deze roman gaat over het lot van de Rabinovitchen, hun vlucht uit Rusland, via Letland naar Palestina. En ten slotte hun aankomst in Parijs, met de oorlog en de ramp die daar geschiedde. Hoe kon alleen mijn grootmoeder Myriam ontsnappen? En wat betekent deze geschiedenis voor mij en mijn gezin?’

    De ansichtkaart
    Auteur: Anne Berest
    Uitgeverij: Uitgeverij Nieuw Amsterdam

    Atman

    Hoofdpersoon in Atman is Lonnio, een conservatoriumstudent die na jaren afwezigheid terugkeert in Suriname. Hij gaat op reis naar gebieden die hij uit zijn jeugd nog kent. Hernieuwd contact met oude vrienden maakt diepe indruk, evenals de spanningen tussen verschillende etnische bevolkingsgroepen. Mede in het licht van zijn eigen, gemengde bloed zorgen al die elementen ervoor dat hij op zoek gaat naar zichzelf en het begrip Atman (Zelf, kennis van het Zelf).

    Leo Ferrier werd in Suriname geboren, kwam in 1961 naar Nederland, werd onderwijzer en studeerde piano aan het conservatorium. Na 10 jaar keerde hij terug naar Suriname. Een langdurige depressie stond zowel een carrière in de muziek als een schrijverscarrière in de weg.

    Atman werd voor het eerst in 1968 uitgegeven bij De Bezige Bij. Michiel Van Kempen, noemt dit boek ‘een van de allerbeste en opmerkelijkste romans uit de Surinaamse literatuur’.
    Van Kempen is een kenner van de Surinaamse literatuur en schrijver van De geschiedenis van de Surinaamse literatuur dat als hèt standaardwerk op dat gebied bekend staat.

    Atman
    Auteur: Leo Ferrier
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus
  • De schaduw van woorden

    De schaduw van woorden

    Wat gaat er door een moeder heen als haar zoon een einde aan zijn leven maakt? Vincent, de zestienjarige zoon van de Amerikaans-Chinese auteur Yiyun Li (1972), pleegde in 2017 zelfmoord, slechts enkele maanden nadat zijn moeder een boek publiceerde over haar eigen pogingen om uit het leven te stappen. Li droeg haar nieuwste roman Waar geen reden is aan hem op. Het gehele verhaal is een dialoog tussen een moeder en haar overleden zoon Nikolai.

    Hoewel er nadrukkelijk ‘roman’ op de voorkant van het boek staat, vertonen de personages veel gelijkenissen met de auteur en haar zoon: de moeder in het verhaal is ook schrijver en de zoon die een einde aan zijn leven heeft gemaakt is ook zestien jaar oud geworden. Hier speelt Li mee wanneer de moeder in het verhaal vertelt dat ze een boek schrijft over een vrouw die op haar vierenveertigste (zo oud zijn Li en dit personage ook) een kind verliest aan zelfdoding:
    ‘Ai, nu gaan mensen mij de schuld geven, zei Nikolai. Als je dat boek publiceert, zullen de mensen denken dat je die vrouw dat verhaal hebt gegeven vanwege mij.
    De mensen mogen denken wat ze willen, zei ik.
    Misschien was je die roman aan het schrijven om jezelf voor te bereiden, zei hij.
    Ik heb mijn hele carrière lang geschreven om mezelf voor te bereiden, dacht ik.’

    Roman
    Bij een boek met zo’n intiem thema in een dialoogvorm waarin het leven van de auteur zo verworven lijkt met de gebeurtenissen in het verhaal dreigt een dagboekeffect: is dit niet té intiem, is dit wel bedoeld voor vreemde ogen? De dubbele laag in het bovenstaande citaat is een herinnering dat er een schrijver aan het werk is, dat dit verhaal juist is bedoeld voor vreemde ogen. Het wordt nergens sentimenteel. Daarnaast spreken de moeder en Nikolai niet alleen over zijn zelfgekozen dood. Ze spreken over taal, proza en poëzie, bijvoorbeeld in dit citaat:
    ‘Ja, zei ik, maar gedichten en verhalen proberen te zeggen wat niet kan worden gezegd.
    Jij zegt altijd dat woorden tekortschieten, zei hij.
    Woorden schieten tekort, ja, maar soms kan hun schaduw wel het onzegbare bereiken.’

    En dat is precies wat er gebeurt in Waar geen reden is. Dit boek is een gesprek, maar het belangrijkste kan niet worden uitgesproken. Dat is het onzegbare wat een moeder voelt wanneer haar kind een einde aan zijn leven maakt. In deze lange dialoog is het in iedere zin voelbaar, zelfs wanneer de personages discussiëren over taalkwesties. Zo legt de moeder uit dat ze een hekel heeft aan bijvoeglijke naamwoorden, omdat die altijd oordelend zijn. In dit verhaal is geen oordeel aanwezig, ook niet wanneer de moeder haar zoon vertelt over zijn uitvaart.

    Door de dialoogvorm en door het gebrek aan een plot is Waar geen reden is bij vlagen vermoeiend. Gelukkig zijn de hoofdstukken relatief kort, waardoor er tijd is om even te pauzeren en na te denken over de veelgebruikte ’tegel’wijsheden (‘je kunt niets begrijpen van poëzie als je niet kunt kijken’). In ieder ander boek zou dit te veel zijn geweest, maar in dit verhaal werkt het. Misschien omdat de moeder en de zoon in een wereld zonder regels met elkaar praten. Er is geen tijd, er zijn geen dagen, niemand heeft de regie. Of misschien omdat de oneliners een houvast bieden dat de personages lijken te zoeken.

    Eerbetoon
    Het belangrijkste is dat Yiyan Li erin is geslaagd een monument te maken voor haar overleden zoon. Niet alleen voor hem, maar voor alle ouders die ooit een kind hebben verloren. Ook laat dit verhaal de waarde zien van een eerlijk, moedig gesprek waarbij er niets meer op het spel staat en tegelijk alles op het spel staat. Li is er met verve in geslaagd iets over te brengen wat we niet kunnen benoemen, waar we (nog) geen woorden voor hebben. Hiermee laat ze niet alleen haar eigen kracht zien, maar ook de kracht van verhalen.

  • We staan in het rood

    We staan in het rood

    Elke ingreep in de natuur kent zijn prijs. De moeder aller ingrepen, de uitputting van fossiele brandstoffen sinds de Industriële Revolutie, is zó grootschalig, langdurig en anoniem, dat ze weleens zou kunnen leiden tot onze extinctie. Mensen kúnnen blijkbaar niet geloven dat de natuur zich ooit zal revancheren voor de exploitatie; we onderschatten hoe totaal haar wraak zal zijn. In Het woord voor rood bewijst Jon McGregor hoe onderschatting van natuurkrachten de mens duur kan komen te staan. Voordat er een storm opsteekt en de natuur op Antarctica ‘communiceert’ binnen te blijven, trekt een drietal er tóch op uit om foto’s te maken van een majestueuze klif. De gevolgen laten zich raden.

    Behalve de superieure natuurkracht op Antarctica bezingt McGregor het lot van een man die van zijn sokkel valt: Robert (Doc) Wright. Zijn poolexpeditie verloopt catastrofaal, omdat hij dronken wordt tijdens een noodsituatie en bovendien vlak daarna een beroerte krijgt. Zijn vrouw Anna pauzeert vervolgens haar loopbaan als klimaatwetenschapper in Engeland om hem te verzorgen. Sinds zijn beroerte lijdt Robert aan afasie en bezoekt hij een zorggroep om zich non-verbaal te leren uiten.

    Het boek snijdt motieven aan die aan de kleur rood doen denken: de gevaren van de natuur, schuld en de krakkemikkige gezondheidszorg. Los van enkele stilistische missers ondersteunt de schrijfstijl van Het woord voor rood een onheilspellende thematiek: de mens staat vroeg of laat machteloos tegenover de natuur. Dit werkt McGregor uit met een originele metafoor, visueel opvallend alineagebruik en grammaticaal ontsporende zinnen.

    Red flag

    McGregor verdeelt Het woord voor rood in drie hoofdstukken: Hellen (/), Vallen (_) en Opstaan (|). In Hellen werkt Robert Wright met nieuwelingen Thomas Myers en Luke Adebayo op Antarctica. ‘Doc’ komt daar al 33 jaar en enthousiasmeert het tweetal voor het Arctische natuurschoon. Vanuit het toilet vergaapt Luke zich aan de pracht: ‘Ze waren hier nu drie weken en hij was er nog steeds niet aan gewend. (…). De woorden ontbraken.’ Inderdaad, McGregor behoeft weinig woorden om de macht van Antarctica te verbeelden. Daarvoor hanteert hij de synesthesie en een eigenzinnige typografie.

    Het echte gevaar schuilt niet in wat de mens wél kan inschatten, maar in wat de mens níet kan inschatten. Zeker op de Zuidpool, waar de mens niet op is toegerust, geldt dit credo. Deze blindheid vertaalt McGregor in het metaforische stijlmiddel synesthesie; zintuiglijke waarnemingen lopen door elkaar heen. Oriëntatie en veiligheid worden zodoende onmogelijk: ‘de stilte was onmetelijk’, ‘Luisteren en de kou als glas’, ‘Het zonlicht kaatste in alle richtingen hard op het water.’ Zelfs de beschikking over één zintuig maakt Luke machteloos: ‘Er was geen verschil tussen één en vijftig kilometer.’

    Ondanks dit onvermogen zich goed te oriënteren, begeeft het drietal zich midden in het natuurgeweld richting een klif voor prachtige foto’s. Tegen het protocol in splitst het trio zich op en dan slaat het noodlot toe: de ijslaag op zee begint te barsten. Wanneer Thomas op een ijsschots in zee terechtkomt, vult de auteur zijn pagina’s niet meer met coherente alinea’s, maar met losse, drijvende zinnetjes, door witregels gescheiden:

    ‘De zeeluipaard was er nog steeds.

    Even boven; en weer weg.

    Hij maakte zich klein en hij had het niet koud.

    Stel dat hij moest zwemmen, hoe ver zou hij dan komen?’

    Schuld en woede

    In ‘Vallen’ volgen we echtpaar Anna en Robert na diens Arctische beroerte. Hun ongelukkige huwelijk krijgt daardoor een extra dreun. Anna ziet haar carrière aan Cambridge verdampen en zegt tegen vriendin Bridget: ‘Ik weet niet of ik wel wil dat hij naar huis komt.’ Eén voordeel is dat haar man lijdt aan afasie (spraakverlies), waardoor ze van zijn ellenlange monologen verlost is. Wie aansprakelijk is voor de ramp op Antarctica, blijft onduidelijk. Wat is er gebeurd met Thomas? Waarom greep Robert naar de fles, terwijl hij het noodcentrum moest raadplegen? Wat weet Luke, die hem beschermt? De reactie van zoon Frank spreekt boekdelen: ‘Niemand zou Robert toch zeker de schuld willen geven?’ Met de volgende vraag laat de roman zijn lezers verward achter: ontstond Roberts beroerte, dé oorzaak van Thomas’ ongeluk, dóór zijn drankgebruik, of lós van zijn drankgebruik?
    In het derde hoofdstuk Opstaan, dat draait om Roberts herstel, blijft de schuld aan hem vreten. Via communicatiestrateeg Amira biedt McGregor een humoristische blik op de Britse zorg met betrekking tot afasie. Zo laat Amira haar patiënten smiley’s aanwijzen, waarmee ze hun emoties moeten aangeven. Na de bijdrage van een patiënt over zijn ongeluk als elektricien, zegt ze: ‘Dat was vast een hele schok voor je!’ Niet alleen haar supervisor ziet dit gestuntel hoofdschuddend aan, ook de patiënten raken gefrustreerd.

    Afasie wordt wel vaker in de literatuur behandeld, want voor schrijvers is spraakverlies één van de grootst denkbare nachtmerries. De Laatkomer van Dimitri Verhulst en Hersenschimmen van J. Bernlef zijn Nederlandstalige voorbeelden waarin dit verschijnsel doorsijpelt in het taalgebruik. McGregor koppelt het fenomeen aan de woede die voorheen taalvaardige mensen voelen. Wanneer Amira tijdens het kringgesprek over Antarctica begint, vraagt ze hoe lang Robert daar verbleef: ‘‘‘Ja, uiteraard. Ja. Een, twee, drie, vier. Maan, maan. Jezus! Manen.’’ –‘‘Maanden? Vier maanden?’’ – ‘‘Ja, Jezus!’’’ Helemaal over de rooie om zijn eigen taalgebrek.

    Rode pen

    Bij de eerder genoemde synesthesie en typografie komen stijl en inhoud prachtig samen. Toch valt er stilistisch nog het een en ander aan te merken op Het woord voor rood. Te vaak kan McGregor de neiging niet onderdrukken een op zichzelf sterk beeld te verduidelijken. Bij het volgende voorval oefent een zuster bewegingen met Robert: ‘Ze vroeg of ze in een ziekenhuis waren. Hij liet zijn hoofd abrupt zakken en tilde het weer op. Dit was nu zijn manier van knikken.’ Als Amira dansers heeft uitgenodigd bij de afasiegroep, ontstaat commotie: ‘Het duurde vandaag wat langer voordat iedereen rustig zat, begrijpelijkerwijs.’ Op het moment dat de beroerte Robert overvalt, laat de schrijver hem niet alleen neervallen, maar voegt eraan toe dat hij ‘in één keer’ valt. Hoe anders?

    Dit zijn echter kleinigheidjes, of zoals Robert Wright zou zeggen: ‘Kleine geitjes’, in het licht van de relevante teneur die Het woord voor rood uitdraagt.

    Dood spoor

    Op één patiënt, de praatzieke Peter, zit geen rem. Elke bijeenkomst blijkt hij een spraakwaterval die zijn angsten voor overstromingen over zijn lotgenoten heen golft in vreemde bewustzijnsstromen: ‘‘Nou hier zijn we dan en een en al met onze handen in het water en omlaag gaan we, zie je dat, zie je dat, omlaag en weg zijn we naar de zee en ondersteboven in het water terwijl overal de bubbels op en bubbels omlaag door het water in het water terwijl we zwaaien, zie je dat?’’ Zijn ogenschijnlijk dwaze anakoloeten – grammaticaal ontsporende zinnen – verwoorden pijnlijk waar de mensheid zich bevindt.

     

     

  • Grillige thriller

    Grillige thriller

    De beste thrillers komen uit Scandinavië. In Stieg Larssons bloedstollende Millennium-trilogie bestrijdt journalist Michael Blomkvist de misdaad: hij rolt een machtig concern met nazisympathieën op en onthult de betrokkenheid van Zweedse gezagsdragers bij vrouwenhandel. Een glansrol is weggelegd voor één van de sterkste vrouwen over wie ooit geschreven is: Lisbeth Salander, de rechterhand van Blomkvist. Zij is als kind ernstig beschadigd, omdat menig curator en psycholoog zich seksueel aan haar vergreep. De discussie over het literaire gehalte van dit tot op heden zeer actuele drieluik duurt weliswaar voort, tijdens het lezen blijft geen nagelbedje onaangetast. 

    In Het licht is hier veel feller kiest de Oostenrijkse schrijver Mareike Fallwickl een andere, vaker bewandelde weg. Niet een geëngageerde journalist, maar verzuurde vrijgezel met een writer’s block is de hoofdpersoon, Maximilian Wenger. Ook dochter Zoey en een mysterieuze brievenschrijfster die Wengers schrijfdrift reanimeert, krijgen een stem. Het licht is hier veel feller is tweeslachtig, voor een roman te eendimensionaal en hashtaggerig, voor een thriller is er te weinig spanning en daarbij wil het boek literair zijn. Met de nadruk op ‘willen’. De opbouw voelt plichtmatig en voorspelbaar aan. In een poging haar mannelijke hoofdpersoon te sparen bagatelliseert ze de #metoo-discussie. En dat Zoey’s broertje Spin het aardigste personage is – een jongen die brandsticht in de zomerse villa van zijn ouders – helpt ook niet bepaald mee.

    Achtbaan blijkt draaimolen 

    Fallwickls hoofdstukken lopen af van tien naar nul. Toch verloopt het verhaal in chronologische volgorde, op wat flashbacks na. Het boek anticipeert op een waanzinnig slotakkoord, waarin Wengers dubieuze verleden, de verkrachting van Zoey en de onmogelijke romance van brievenschrijfster Marlen, tot uitbarsting komen. Die climax blijft uit. Fallwickl verdeelt ieder hoofdstuk keurig in drieën en weigert dit stramien te doorbreken. Eerst mag Wenger zijn frustraties uitwasemen over zijn vergane glorie, ‘Niemand kreeg nog een halve pagina in de kranten, tenzij hij een donkere huid had en over rassenstrijd schreef.’ Vervolgens leest hij een brief van de beter schrijvende Marlen en dan sluit Zoey het hoofdstuk af met hashtags, klef als een apfelstrudel, #newhorizons, #nevermind, #loveofmylife. 

    De boeiende perspectiefwisseling geeft stof tot nadenken. Fallwickl schrijft over Wenger vanuit een hij-perspectief, terwijl Zoey en Marlen hun ervaringen vanuit de ik-vorm meedelen. Hiermee schept Fallwickl enerzijds afstand tussen het lezerspubliek en de man, anderzijds wekt ze medeleven op voor de vrouwen, beiden slachtoffers van seksueel geweld. Het boek stuurt aan op ‘female empowerment’ en uitgerekend de vrouw met de minste spreektijd, Marlen, vindt de juiste woorden: ‘Ik zou mijn tong willen afsnijden en hem boven je willen uitdrukken, zodat alles op je druppelt wat ik niet zeggen kan.’ Het is een gemis dat Fallwickl Marlen niet meer pagina’s geeft, al legt Zoey ook de vinger op de zere plek: ‘Je mag echt helemaal niets meer’, schrijven veel kerels, ‘je wordt al veroordeeld als je gewoon de deur openhoudt voor een vrouw,’ en altijd als ik zoiets lees, hoor ik (…) de stem van papa.’ En diezelfde papa krijgt de meeste spreektijd.

    Boys will be boys

    Aanvankelijk treffen we Wenger aan in een roemloze toestand: in zijn meubelloze woning, pornokijkend met de erectie van een castraat. Meer vernedering verdient een voorheen gevierde auteur niet. Als echter duidelijk wordt hoe hij met het andere geslacht omgaat, mag hij van geluk spreken er zo genadig vanaf te komen. Zijn ex-vrouw Patrizia, de moeder van beide kinderen, bezwangert hij, zodat haar carrière minder glansrijk dan de zijne blijft. Bij een etentje met zoon en dochter noemt hij een lachende vrouw aan de aangrenzende tafel een slet, hij heeft tijdens zijn huwelijk vele affaires en sneert op de Frankfurter Buchmesse dat vrouwen berekenende hoeren zijn. De reactie van zijn literair agent? ‘Geen spat veranderd, die Maximilian. Dezelfde grote bek als altijd.’ Bovendien krijgt hij bij een Tinder-afspraak de neiging zijn 27-jarige date te bespringen terwijl zij dat niet wil en drukt hij de oproep van Zoey weg, die net verkracht is. Zijn excuus is dat hij zijn inspiratie heeft hervonden, nota bene dankzij de prachtig beschreven briefvellen van Marlen. Wanneer zijn kinderen hem confronteren met zijn gedrag, schiet Wenger in de verdediging: ‘”Waar zie je me voor aan, een beest?” Spin laat de vraag onbeantwoord, en dat is erger dan welk antwoord dan ook.’ 

    Met zulke passages geeft Fallwickl haar hoofdpersoon een corrigerende tik, waar hij een flink pak slaag, zo niet een trap voor zijn kloten verdient. Ze moet halverwege het boek hebben gedacht dat een expliciete karaktermoord of afrekening met Wenger te moraliserend zou zijn. Te feministisch, te zuur. Nu is het vooral te lief. Hij maakt namelijk geheel tegen verwachting in een stormachtige comeback met een verhaal over misbruik en steelt de harten van het overwegend vrouwelijke lezerspubliek, hetgeen zijn status als sekssymbool in ere herstelt, ‘In bed schrijft hij de vrouwen.’ Hugo Claus deed dat met Ik schrijf je neer een stuk beter. Tot overmaat van ramp vindt Wenger het nodig dé grootmeester uit de Germaanse literatuur te citeren, wanneer hij in discussie is met een Vice-journaliste die hij te links vindt: ‘‘Dat is de mentaliteit van het gedogen, zoals Robert Musil al heeft beschreven.’ / ‘Wie?’ / ‘Dat was een Oostenrijkse schr… ach, weet je wat, googel hem gewoon.’’ Zo genadeloos als Robert Musil in De man zonder eigenschappen afrekent met de zelfgenoegzaamheid van de Weense jetset, zo kritiekloos portretteert Fallwickl een arrogante vrouwenhater als miskend genie. Ik betwijfel of Musil vereerd is te worden geciteerd in een vertelling die de chicklit maar nauwelijks ontstijgt.

    Achtergelaten kinderen

    In de scènes van Spin en Zoey schittert de roman. Spin haalt Zoey weg uit het bos waar zij is verkracht. Vader was bezig zijn schrijverschap te redden en moeder moest op Instagram een vegan smoothie posten in Los Angeles. Haar broer is de enige die haar begrijpt. En zij alleen begrijpt hem. Als ze bij elkaar in bed liggen, zoals vroeger, staat geschreven, ‘We zijn nog steeds dezelfde, en de pijn is dat ook. (…) ‘‘Mario,’’ zegt hij zacht, ‘‘Mario heeft gezegd dat hij van me houdt.’’ Pas nu voel ik dat mijn broer trilt.’ Even presteert Fallwickl wat Niccolò Ammaniti met Ik en jij presteerde: de eenzaamheid van achtergelaten kinderen verwoorden. 

    Zij die gebruikt en verlaten worden, zijn de ware helden van deze vertelling. Het is dan ook een hard gelag dat haar meest dominante personage, Wenger, diezelfde verlatenheid bij meerdere mensen veroorzaakt én de gebrokenheid afdoet als aanstellerij. Fallwickl had meer tekst kunnen reserveren voor de vrouwelijke stemmen, maar ze laat liever de misstappen van de machoman onderbelicht. ‘Het licht is hier veel feller’, jammer dat het licht de verkeerde kant op schijnt.

     

     

  • Pianoklanken

    Pianoklanken

    Ik las over een man die aan de overkant van de straat staat te kijken naar het huis waar hij opgroeide. Hij kijkt naar het raam van zijn vroegere kamer. Hij kijkt zolang tot hij de stem van zijn zus hoort, die roept dat ze er is, thuis is. Beneden ziet hij zijn ouders aan tafel zitten, ze lezen, of scrabbelen. Dan opent hij de kamerdeur van zijn pleegbroer, zijn zus ligt bij hem in bed. Dat wist hij niet, dat ze iets hadden met elkaar. Ze negeren hem, alsof ze slapen, hij er niet toe doet. Hij voelt het nog. Dan gebeurt er iets magnifiques, de man die naar de kamers van het huis uit zijn jeugd kijkt, loopt de trap af, het huis uit en voegt zich in de man die staat te kijken naar het huis uit zijn jeugd. Dit beschrijft Thomas Verbogt in zijn boek Als je de stilte ziet. Verbogt schrijft over de dingen die er in een leven gebeurd zijn, in zijn leven gebeurd zijn. Herinneringen als leidraad, wat blijft, en is wat blijft van enig nut voor het heden? Alles wordt herzien, gedachtegangen nagelopen, eigen oprechtheid langs de meetlat gelegd.

    ‘Ik vraag me af wat ik meen van wat ik zeg’, denkt de man die zijn best doet de ander niet voor het hoofd te stoten. Hij denkt graag dat het goed is zoals ‘het’ is gegaan, onmachtig zijn ongenoegen te uiten. Ik denk aan een bevriend stel in Friesland, die er alles aan deden hun ecologische voetstap tot minder dan een minimum te beperken. Dat deden ze met een diepe ernst. Ik bezocht ze tijdens een strenge winter, had een trui aan met een dubbele rand bij de hals waardoor het leek of ik twee truien over elkaar droeg. De vriend, zuinig met complimenten, zei dat ik me goed gekleed had, kijkend naar de hals van mijn trui. Ik zei, ‘Ha, ja, dat lijkt maar zo. Dit is gewoon een dubbele rand aan de trui zelf.’ De vriend begon plots te lachen, hard te lachen, sloeg zich daarbij op de bovenbenen. Ik grijnsde wat mee. Later in de trein naar huis voelde ik verontwaardiging.

    De man die staat te kijken naar zijn vroegere huis denkt vaak ‘Lul’, als zijn pleegbroer hem weer eens heeft afgewezen. De man denkt sowieso meer dan hij zegt. ‘Time seems to pass. The world happens, unrolling into moments, and you stop to glance at a spider pressed to its web.’ Dit citaat gaat vooraf aan zijn dubbelroman Onze dagen en Het ongeluk uit 2007. Het geeft aan hoe ongrijpbaar de dingen voor de schrijver zijn. Alles lijkt de man, die staat te kijken naar zijn vroegere huis, te ontglippen. Weemoedig word je ervan, weemoedigheid als pianoklanken die op een herfstnamiddag door een open raam over straat uitwaaieren.
    In een interview zei Verbogt, ‘Ik schrijf over de melancholie van iets wat niet is doorgegaan, de aanwezigheid van iets wat afwezig bleef.’ Daarover schrijft hij raadselachtige verhalen die altijd iets raken. Prachtig boek, verrassend slotstuk!

     

    Als je de stilte ziet / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam (2020)
    Citaat uit: The Body Artist van Don DeLillo


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Oogst week 21 – 2020

    De naam van de wereld

    In De naam van de wereld van Denis Johnson heeft de hoofdpersoon, Michael Reed, zich gaandeweg opgewerkt van leraar Maatschappijleer op een middelbare school tot universitair docent aan een Faculteit der Geesteswetenschappen.

    Johnson neemt het academisch reilen en zeilen op de hak en zijn schijnbaar lethargische personage ook, ‘Ik gaf kleine werkgroepen, vroeg slimme, ongerichte studenten boeken te lezen die ik zelf al gelezen had en luisterde daarna hoe ze werkstukken blootstelden aan de kritiek van de rest van de groep. Met andere woorden, ik voerde niets uit.’

    Reed draagt een groot verdriet met zich mee: zijn vrouw en dochter zijn overleden als gevolg van een auto-ongeluk. Als zijn dienstverband beëindigd dreigt te worden, spreekt Reed nieuwe contacten aan en begint hij opnieuw richting te geven aan zijn vastgelopen leven.

     

    De naam van de wereld
    Auteur: Denis Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De smaak van wilde peren

    Er is meer buitenlandse literatuur geoogst: De smaak van wilde peren, van Ewald Arenz. In deze roman draait het om de bijzondere vriendschap die tussen de personages Sally en Liss ontluikt.

    De jonge Sally schopt overal tegenaan, Liss is juist rustig en beheerst – iets wat duidelijk ook in hun vertelstijl wordt weerspiegeld, vlak voor ze elkaar ontmoeten in een wijngaard en Liss om Sally’s hulp vraagt.

    De smaak van wilde peren is het eerste boek van Arenz dat naar het Nederlands is vertaald.

    De smaak van wilde peren
    Auteur: Ewald Arenz
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Maanscherf

    Laurens van den Broek (1989) schreef met Maanscherf zijn debuutroman: een roman waarin hij vader-zoonverhoudingen, reizen en de voorspellende kracht van natuurverschijnselen met elkaar verbindt.

    Het hoofdpersonage, ex-ornitholoog Alphonse (of kortweg Fons) van Felius, reist af naar Les Sept Îles om de populatie jan-van-genten die daar leeft nader te onderzoeken. Langzaamaan lijkt zijn rationele inborst te worden aangetast.

    Het idee voor Maanscherf kreeg gestalte tijdens zijn deelname aan het schrijfkamp van Das Mag, in 2014. Naast schrijver is Van den Broek ontwerper.

    Maanscherf
    Auteur: Laurens van den Broek
    Uitgeverij: Palmslag
  • Oogst week 9 – 2020

    Verdwijnpunt

    Een narratief over verdriet of pijn wordt vaak in de vorm van een queeste of sprookje gegoten, een reis die positief eindigt. Natuurlijk is dit niet representatief: het kan voorkomen dat de pijn niet verdwijnt of dat het verdriet niet minder wordt. In Verdwijnpunt onderzoekt Wytske Versteeg (1983) ‘de verschillende facetten van pijn en de gevolgen van geweld en machteloosheid’. Geen sprookjes, maar een zoektocht naar ‘wat het betekent om te leven en kwetsbaar te zijn’.

    Versteeg schrijft essays, romans, scenario’s en recensies. Haar roman Boy stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs en voor haar gehele oeuvre werd de Frans Kellendonkprijs in 2019 aan haar toegekend. Op dit moment geeft ze les in fictie aan de Hogeschool Artez.

    Verdwijnpunt
    Auteur: Wytske Versteeg
    Uitgeverij: Querido

    Orkaanseizoen

    Fernanda Melchor (1982) is een Mexicaanse auteur en journalist. Orkaanseizoen is haar tweede boek en haar eerste werk met een Nederlandse vertaling. In 2019 won ze met Orkaanseizoen zowel de Internationale Literatuurprijs als de Anna Seghers-prijs. In dit boek is de Heks, een persoon in transitie, vermoord. Door wie is niet belangrijk, het draait om de vraag waarom.

    De Heks bleek onderdeel uit te maken van een gruwelijk, arm dorp waarin huiselijk geweld, ongewenste zwangerschappen en drugsmisbruik orde van de dag zijn. Eén van de grootste problemen van Zuid-Amerika is geweld tegen en moord op vrouwen. Juist daarover gaat Orkaanseizoen en Melchor gebruikt woest proza met diepgaande personages om dit verhaal te vertellen.

    Orkaanseizoen
    Auteur: Fernanda Melchor
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Als je de stilte ziet

    In Als je de stilte ziet lukt het de hoofdpersoon niet om een goede band op te bouwen met zijn pleegbroer. Hij weet niet hoe het komt, maar het geheim dat tussen hen in staat blijft hem de rest van zijn leven achtervolgen. Dit levert een filmisch geschreven en ontroerend verhaal op ‘over verlangen, vluchtigheid en betekenis geven aan het leven’.

    De voor Thomas Verbogt (1952) kenmerkende lichte, melancholieke verteltoon komt prachtig tot zijn recht in Als je de stilte ziet. Naast romans schrijft Verbogt ook humoristische korte verhalen, columns voor De Gelderlander, toneelstukken en cabaretteksten. Elsbeth Etty noemde hem ‘een meester van de dialoog’.

    Als je de stilte ziet
    Auteur: Thomas Verbogt
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
  • Oogst week 14

    Asja en de astrologe

    Deze week in de oogst drie vertaalde romans en wel vanuit het Bulgaars, Amerikaans en Russisch en reisverhalen van een Nederlandse auteur.

    De Bulgaarse journaliste en schrijfster Ina Vălčanova, won met haar derde roman Asja en de Astrologe in 2017 de EU-Literatuurprijs. Een boek in twee (geestige) monologen van twee vrouwen wier levens elkaar voor korte tijd kruisen. Asja is slordig en impulsief vrouw. Al joggend breekt ze zich het hoofd over hoe ze haar leven een andere wending kan geven. Dan krijgt ze een raadselachtig telefoontje van een collega.

    De tweede brouw, Radost is net gescheiden en woont weer in een flat in Sofia waar ze opgroeide. Ook zij gooit haar leven om. Ze mediteert, loopt hard, maakt haar eigen beautyproducten en verdiept zich in de astrologie. Met haar collega Asja, zo blijkt, heeft ze een speciale astrale band. Asja hangt iets boven het hoofd en Radost moet ingrijpen.

     

    Asja en de astrologe
    Auteur: Ina Valcanova
    Uitgeverij: De Geus

    De zwijguren

    In De zwijguren. Vijftien literaire reisverhalen en een zeeslag volgt E. de Haan de voetsporen van wereldberoemde schrijvers en dichters. Aan de hand van briefwisselingen, notities en dagboeken traceert hij hun leven en sterven. Door tijdelijk dezelfde paden te bewandelen haalt hij het verleden naar zich toe. De ene keer betreft het Samuel Beckett in Hamburg, waar hij het Duits leerde spreken, of John Keats in Winchester, mijmerend over zijn geliefde Fanny Brawne. Lord Byron maken we in Genua, Venetië en Navarino mee. Joseph Brodsky, Ezra Pound en Frederick Rolfe treffen we aan op een Italiaans eiland. Maar ook minder grote goden als Trakl, Klopstock en Choukri of vergeten talenten als Mohr, Waggerl en Blecher komen aan bod. De Zwijguren rakelt geschiedenissen op die anders ongehoord zouden blijven. Elk verhaal wordt voorafgegaan door een foto van een historische plek, gemaakt door de schrijver zelf en door Judith Heinsohn. 

    E. de Haan (1957) is het pseudoniem van Peter de Rijk, redacteur en docent Creatief schrijven. De Haan debuteerde in 1996 met de novelle Vonk en schreef later ook gedichten. Ik belde mijn muze (2003) was zijn debuutbundel. De tweede, Scheren zonder spiegel verscheen in 2011. Gedichten dan hem werden opgenomen in De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, door Ilja Leonard Pfeiffer samengesteld.

    De zwijguren
    Auteur: E. de Haan
    Uitgeverij: Knipscheer,

    Een zekere vrijheid

    Margaret Wilkerson Sexton is geboren in New Orleans waar ook haar debuutroman Een zekere vrijheid speelt. Ze studeerde Creative writing en Rechten.

    Een verhaal over drie generaties te beginnen in de jaren veertig in New Orleans met Evelyn, oudste dochter uit een welgestelde familie, gaat met de zoon van een conciërge – wiens dromen groter zijn dan zijn mogelijkheden – in zee. Ze krijgen een dochter, Jackie, die eenmaal volwassen de carrière van haar man ziet ontsporen door de economische crisis in de jaren tachtig tijdens de Reagan-jaren. Haar man raakt verslaafd en Jackie staat alleen voor de opvoeding van hun zoon T.C.
    In 2011 worstelt New Orleans met de nasleep van orkaan Katrina en T.C. wil een nieuwe start maken. Maar dat blijkt zelfs in de eenentwintigste eeuw niet eenvoudig voor een zwarte jongeman in het zuiden van Amerika.

    ‘This luminous and assured first novel shines an unflinching, compassionate light on three generations of a black family in New Orleans, emphasizing endurance more than damage.’ Zegt de  New York Times Book Review.

    Een zekere vrijheid
    Auteur: Margaret Wilkerson Sexton
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Voorbij het geheugen

    Dichteres en schrijfster Maria Stepanova is een belangrijk persoon binnen de literaire scene in Rusland. Voorbij het geheugen is een familiegeschiedenis, over haar joods-Russische familie die bestond uit artsen, architecten, bibliothecarissen, accountants en ingenieurs. In de twintigste eeuw, waarin jodenvervolging, onderdrukking en moord schering en inslag waren, bleef haar hele familie ongedeerd. Haar voorouders overleefden alle verschrikkingen van de twintigste eeuw. Dit verbaasde haar en deed haar zich afvragen: Wie of wat getuigt van mensen en dingen die verdwijnen? Zijn herinneringen aan het verleden wel te bewaren? Hoe slaan de grote gebeurtenissen van de twintigste eeuw neer in het geheugen van de mensen van nu? Op welke manier moet Stepanova zichzelf verhouden tot de voorbije levens die ze bestudeert?

    Met Voorbij het geheugen schreef Maria Stepanova een bijzonder boek dat wel doet denken aan het werk van auteurs als Nabokov, Sebald en Sontag, maar vooral een zeer eigen stem heeft.

    Een mooie lijst met boeken waar we de komende week weer mee voort kunnen.

     

    Voorbij het geheugen
    Auteur: Maria Stepanova
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Literaire kritiek en vergeten critici

    Literaire kritiek en vergeten critici

    Er zijn heel wat proefschriften over literaire kritiek geschreven. Het bekendste is wel de doorwrochte dissertatie van J.J. Oversteegen waarin de opvattingen over literatuur rond Forum (1931-1935) zijn geanalyseerd. Behalve de poëtica van Ter Braak en  Du Perron – de voormannen van het tijdschrift – en hun medestanders komt de visie van hun opponenten ter sprake. De literaire recensenten en essayisten in het interbellum – zo is te lezen in Oversteegens boek uit 1969 – keken elkaar voortdurend op de vingers. Talloze polemieken werden gevoerd zoals de pennenstrijd tussen vrijdenker Ter Braak en de katholiek Van Duinkerken.

    We kunnen die jaren tussen de wereldoorlogen misschien wel de tijd van de literaire verzuiling noemen. Katholieken hadden hun eigen tijdschrift en ook protestanten evengoed als de ethisch humanisten rond Dirk Coster. Een verzuiling die ervoor zorgde dat telkens wanneer men elkaar in de haren vloog ‘de letteren knetterden ’ (om met Jeroen Brouwers te spreken).

    Wie de literaire geest in onze literatuur vergelijkt met die van na pakweg 2000 kan niet anders dan een schrikbarend verschil constateren. Zelden nog worden polemieken gevoerd nu de kolommen voor boekbespreking almaar ingeperkt zijn. Evenmin is er nauwelijks plaats voor diepgravende recensies.
    In het interbellum was dat gelukkig anders. Naast tijdschriften als Forum en Opwaartsche wegen, het orgaan van de protestanten, waren er ‘algemene’ tijdschriften voor ‘boekenvrienden’ zoals Den Gulden Winckel en Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. De recensenten bemiddelden als het ware tussen auteur en lezer en gaven zich met hart en ziel aan die taak over. Ze wezen de weg in boekenland dat niet minder dan tegenwoordig dagelijks met nieuwe uitgaven werd overspoeld.

    Over dit type kritiek in het interbellum verscheen onlangs de boeiende Groningse dissertatie van Ryanne Keltjens. Boekenvrienden heet haar studie en is gebaseerd op de recensies van drie vergeten maar in hun tijd gezaghebbende critici: Gerard van Eckeren, Anthonie Donker en Roel Houwink.

    Twee publicaties, een recente en een ‘gedateerde’, verdienen eveneens om voor het voetlicht te worden gebracht. Kort vóór de verschijning van Boekenvrienden verraste Emma Crebolder met de gedichtenbundel Opsnuiven. De meeste verzen vertrekken vanuit een geurgewaarwording die meevoert naar het (verre) verleden, de tijd die Crebolder in vorig werk via andere ingangen heeft aangeboord. Ter illustratie een ‘poëticaal’ gedicht, een gedicht met een literatuuropvatting zoals een criticus die in een boekbespreking zou hebben kunnen neerleggen:

    ‘Ruiken is vooral aan geluid
    en witte schemer diep in
    onze hersenstam gedreven.
    Soms ontwaken de geuren
    van meconium en biest die
    de boreling omvingen. Odeur
    ontwaren van darmpek en
    moedervocht is woordeloze
    taal ontginnen die
    uitweg zoekt in poëzie.’

    Boekenvrienden herlezen graag hun lievelingsboeken, die lang niet altijd bij iedereen bekend zijn. Hoeveel prachtige oeuvres zijn er niet in de Nederlandse literatuur met slechts een klein lezerspubliek? Oeuvres die veel meer aandacht verdienen maar niet in de ‘algemene’ smaak vallen. Het gaat hier niet louter om literatuur met ‘lagen’ of subtiele en betekenisvolle verwijzingen. Familieberichten van Chantal van Dam verscheen in 1999 en kreeg bijval van critici in weekbladen en landelijke kranten. In deze ‘gelaagde’ en toch toegankelijke roman is net als in de gedichtenbundel van Emma Crebolder tijd een hoofdmotief.

    Ook in haar ander werk, Het maggischip met eveneens een familiegeschiedenis, vloeit verleden over in heden. Zo schrijft zij: ‘Nog altijd word ik, als ik op een perron sta te wachten en er raast een trein voorbij, meegenomen naar een klein Italiaans station in de jaren zestig.’ Zulk associatief verband in een doodgewone zin met een herinnering is ook (onopvallend) aangebracht tussen (grotere) tekstgedeelten. In Van Dams verhaalwerkelijkheid hangt alles samen en ontmoeten we een herschapen wereld. Een kenmerk van ‘echte’ literatuur en tevens een te weinig gehanteerd kritisch principe in de uitgedunde boekenkolommen anno 2018.

     

     

  • Lessen in lezen

    Lessen in lezen

    ‘Reading is a majority skill but a minority art,‘ schrijft Julian Barnes. Dit is toepasselijk voor Hoe lees ik? van Lidewijde Paris. Want iedereen kan een boek lezen, maar het doorgronden ervan, het begrijpen wat een auteur ermee bedoeld heeft, is nog niet zo gemakkelijk. Kennis van hoe verhalen in elkaar zitten, helpt daarbij. Met Hoe lees ik? maakt Paris deze kennis toegankelijk voor de gewone lezer, zonder te vervallen in droge analyses. Het is een prettig geschreven gids vol handvatten om meer uit boeken te halen met mooie voorbeelden uit moderne verhalen en klassieke romans.

    Lidewijde Paris (1962) is ruim 25 jaar actief in het boekenvak, onder andere als boekverkoper, journalist, redacteur en uitgever. Haar leeservaring en enthousiasme voor fictie wil ze met een groter publiek delen in Hoe lees ik? In drie delen bespreekt ze een aantal literaire middelen die schrijvers inzetten om hun verhaal te vertellen. Basisbegrippen als motief, thema, perspectief en verteller komen aan bod in het eerste deel. Ook gaat ze in dit deel in op het verteltempo en hoe een auteur spanning creëert: welke passages worden uitgebreid verteld en aan welke zaken besteedt de verteller nauwelijks aandacht? Het fijne aan Hoe lees ik? is dat Lidewijde Paris niet alleen op dit soort begrippen ingaat omwille van de analyse, maar juist laat zien hoe je daardoor als lezer bij het verhaal betrokken raakt of hoe je daardoor de betekenis van een verhaal kunt duiden.

    Na het eerste deel dat vooral over de structuur van verhalen gaat, bespreekt Paris in het tweede deel de meer of minder expliciete stijlelementen, de ’toeters en bellen’, zoals ze het zelf noemt. Denk onder andere aan beeldspraak en symboliek. In het derde deel gaat het om de context van de literatuur. Hierbij bespreekt ze opvattingen over hoe literatuur eruit zou moeten zien en wat de functie ervan is. Terecht benadrukt Paris dat niet alleen schrijvers hier ideeën over hebben, maar lezers net zo goed. Ook gaat ze in op het referentiekader van de lezer. Omdat iedere lezer zijn eigen opvattingen en referentiekader heeft, leest iedereen ook anders en vindt iedereen andere dingen opvallend aan een verhaal. En dat is prima. Herhaaldelijk benadrukt Paris dat het gaat om mogelijke leeswijzen; er is geen goed of fout: ‘Overigens vind ik dat iedereen mag lezen zoals hij of zij wil. Wil hij lezen om geraakt te worden, om troost te vinden of even met het hoofd bij andere dingen te zijn: geweldig! Maar misschien brengt mijn visie nieuwe leesideeën of -mogelijkheden.’

    Breed publiek
    Met dit boek heeft Paris duidelijk een introductie willen geven tot de verhaalanalyse. Ze maakt de begrippen op toegankelijke wijze duidelijk en ze maakt daarbij steeds gebruik van sprekende voorbeelden, van Max Havelaar tot De Da Vinci Code. Uiteraard kan ze hierin niet volledig zijn, maar af en toe versimpelt ze iets te veel.

    Met de betrouwbaarheid van de verteller zit het bijvoorbeeld iets ingewikkelder dan Paris het hier doet voorkomen. Ze omschrijft de onbetrouwbare verteller als: ‘degene die mij het verhaal vertelt, vertelt niet alles’. Maar bij het beoordelen van hoe betrouwbaar een verteller is, gaat de lezer niet alleen uit van volledigheid van het vertelde, maar juist ook van zijn eigen normen, waarden en verwachtingen. Het is slechts een kleine kanttekening bij een prima inleiding.

    Door de opbouw legt Hoe lees ik? niet alleen goed uit, maar heeft het ook een instructief karakter. Paris introduceert een bepaald begrip, geeft een romanfragment of kort verhaal en licht vervolgens toe hoe je met het besproken begrip betekenis kunt geven aan het verhaal. Vaak spoort ze haar lezers expliciet aan om bij het lezen van de voorbeeldfragmenten bewust te letten op de besproken literaire middelen:

    ‘Lees en probeer uit te vinden wat voor perspectief en verteller hij heeft gekozen. Waar en wanneer krijg je signalen ‘waar het eigenlijk over gaat’? En bij wie ligt je sympathie? Wie heeft gelijk?’

    Op die manier kan iedereen zijn eigen lezing vergelijken met die van Lidewijde Paris. Dit maakt Hoe lees ik? ook interessant voor geschoolde lezers voor wie de uitleg van de literaire begrippen niet per se nodig is. Voor hen ligt de waarde in de uitwerking van Paris’ lezing.

    Zo heeft dit boek wat te bieden voor een breed publiek, maar de focus ligt toch vooral op de gewone lezer zonder voorkennis van de structuur en de ‘toeters en bellen’ van literatuur.

    Maar gaat al die analyse niet ten koste van het gewone leesplezier? Integendeel, stelt Paris: ‘een schrijver die zo veel moeite heeft gedaan mij niet rechttoe rechtaan iets over te brengen, verdient het dat ik op onderzoek uit ga naar zijn aanwijzingen. Het mag wat training vergen om een natuurlijke artistieke argwaan te ontwikkelen, maar als die er is, wordt een tekst steeds rijker.’ Juist door zich op de gewone lezer te richten is Hoe lees ik? een ideale gids voor iedereen die het lezen tot kunst wil verheffen.