• Gemiste doelen

    Gemiste doelen

    Een boek vol leugens is de debuutroman van Mary Horlock en speelt zich af op het Engelse kanaaleiland Guernsey, gelegen voor de Franse kust. Horlock, geboren in Australië, groeide op op Guernsey en studeerde in Cambridge waarna ze curator werd bij de Tate Modern in Londen.

    ‘Ik heet Catherine Rozier. Noem me alsjeblieft niet Cathy, want dan spring ik. Denk maar niet dat ik bluf. Het is een val van duizend meter en ik ben wel dik, maar niet dik genoeg om terug te stuiteren.’
    Met deze eerste regels wordt de hoofdpersoon geïntroduceerd. Het is 1985 en de vijftienjarige verteller, Catherine Rozier staat nogal defensief in het leven. Een geheim in haar familie, haar overgewicht en dat ze niet geliefd is onder haar leeftijdgenoten, spelen haar parten. Op het eiland leven wel meer geheimen. Verdrongen herinneringen aan de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog zit de gemeenschap van Guernsey nog steeds dwars. En onlangs de dood van haar klasgenoot Nicolette. Haar zoektocht in de oorlogsarchieven van haar inmiddels (eveneens onder geheimzinnige omstandigheden) overleden vader, moeten haar steunen in de overtuiging dat de geschiedenis van haar familie debet is aan haar uitzichtloze leven. Was bijvoorbeeld haar oom Charles als veertien jarige jongen schuldig aan de dood van zijn vader en welke gevolgen had dat voor haar familie?

    De hoofdstukken waarin Catherine haar verhaal vertelt, worden afgewisseld met verklaringen van haar oom, twintig jaar na de oorlog geschreven en door Catherine in het archief van haar vader gevonden. De urgentie van de vraag in Catherines verhaal – Heeft ze  haar klasgenoot Nicolette over de rand van de klif geduwd?- en die in het verslag van Charles – Is het zijn schuld dat zijn vader door de Duitsers vermoord werd?-  verdwijnt nog voor het boek op de helft is. De zoektocht van Catherine, de vragen die bij haar leven (waarom bracht haar vader de oorlogsgeschiedenis van het eiland zo obsessief in kaart) en het reconstrueren van haar familiegeschiedenis, verzandt in vaagheden. Door de vele bijzaken die de auteur aanhaalt, raak je als lezer al snel vermoeid. De ‘stem’ van oom Charles lijkt veel op de ‘stem’ van Catherine maar dan in verschillende settingen.

    Halverwege verdwijnt ook de urgentie om de verslagen van de oom te volgen. Het verhaal van hem staat teveel op zichzelf waardoor het hinderlijk afleidt van het verhaal van Catherine. Lastig is ook dat elk hoofdstuk leest alsof het verhaal nog beginnen moet. De verwachting dat er iets te gebeuren staat, er iets onthult gaat worden, wordt steeds opnieuw aangewakkerd door de – dat moet gezegd – enthousiaste stijl van de auteur maar wordt nergens tot een einde gebracht. Zodat ook de hamvraag, of Catherine schuldig is aan de dood van Nicolette en onder welke omstandigheden ze is omgekomen, niet wordt beantwoord.

    Uiteindelijk blijkt Catherine haar verhaal te hebben opgetekend voor haar moeder, die ze verwijt nooit naar haar te hebben omgekeken. In de laatste alinea bekent ze: ‘O, mam, wat heb ik gedaan? Kijk naar mij en naar wat ik heb gedaan. Je zat altijd met je neus in de boeken, dus heb ik er een speciaal voor jou geschreven. (…) Alles waar jij van houdt, zit erin. (…) zelfs een verrassende wending aan het eind. Die wending is dat jij de wending mag kiezen.’ Een wat al te gemakkelijk einde waarbij het idee dat er maar een punt aan gedraaid, is voor de hand ligt. En een mooie boodschap aan de lezer: zoeken jullie het zelf maar uit. Al Catherines intenties (het eiland ontvluchten, zich te laten ontmaagden, haar moeder een lesje te lezen) hebben dus tot niets geleid. De middelen om te vluchten zijn er niet, het vriendje wil haar niet en moeder zal het boek niet lezen. En de Catherine van het begin van het verhaal is aan het einde nog steeds dezelfde onbegrepen puber. Geen leerweg, geen ontsnapping en geen loutering was er voor haar.

    Horlock is weliswaar een enthousiast verteller, maar ook onbetamelijk grenzeloos. Als ze in haar nawoord haar redacteur bedankt voor het beteugelen van haar ‘krankzinnige gebazel’, begrijp je als lezer wat ze daarmee bedoelt. Want veel van wat ze aan feiten en fictie ventileert is doorgeschoten gebazel waardoor Een boek vol leugens met zijn personages jammerlijk ten onder gaat. Daarnaast nemen de geschiedkundige gegevens een te prominente plaats in en bevat het boek welgeteld 64 voetnoten wat voor een roman beslist teveel is.

     

     

  • Een vader rouwt

    Een vader rouwt

     

    Een zoon krijgt meningitis en sterft binnen enkele dagen. De vader is radeloos.

    Dat is het onderwerp van deze novelle, die verrassend genoeg de overleden zoon als ik-figuur heeft. Het is het relaas van een rouwproces, beschreven vanuit het gezichtspunt van de zoon, wat het geheel meer afstand geeft, en hier en daar zelfs humor. Door deze afstand is het geen larmoyant boek geworden.

    De vader (en de moeder ook, maar het is duidelijk dat de vader hier de protagonist is) doorloopt alle stadia van rouw: opnieuw beleven van de laatste dagen, spijt over gemiste kansen, vreugde over kleine momenten van geluk in die laatste tijd, eindeloos foto’s maken van het met paarse vlekken bespikkelde lijk, twijfel over de onontkoombaarheid van het gebeurde, twijfels over de levensdrift, of doodsdrift, van zijn zoon, zoeken in agenda, dagboek en losse briefjes naar aanwijzingen die op de naderende dood zouden kunnen wijzen. Vervolgens het regelen van de uitvaart, al die praktische beslissingen, die hij niet wil nemen, omdat hij niet wil dat zijn zoon dood is. De troostrijke gesprekken met vrienden, het zich vastklampen aan allerlei toevalligheden, die de schijn kunnen wekken dat het allemaal zo heeft moeten gebeuren, en ten slotte het uitstrooien van een deel van de as boven IJsland.

    Vreemd genoeg is de stijl die van een detective, en als lezer verwacht je ieder moment een absurde of onverwachte ‘ontknoping’, die niet komt, want het boek is echt alleen maar de beschrijving van de rouw van de vader. Een rouw die, getuige het dankwoord aan het eind, is gebaseerd op de werkelijke rouw van de schrijver om zijn overleden zoon.

    De novelle is vlot en, zoals gezegd, heel boeiend geschreven. Daarom is het contrast met de inhoud erg groot. Weliswaar is het verdriet, de twijfel en het obsessieve steun zoeken bij mensen en dingen heel invoelbaar beschreven. Maar toch wordt het eentonig, hoe triest ook. Ook de boodschap aan het eind, dat er uiteindellijk toch te leven valt met zo’n groot verdriet, doet daar niets aan af.

    Samenvattend: een goed geschreven novelle, waarvan de beperking ligt in het te lang doorgaan op een thema dat al na een kwart van het boek uitgeput lijkt.

    De vertaling is opvallend levendig, met aangenaam eigentijdse dialogen.

     

     

  • Een liefde tegen de achtergrond van twee wereldoorlogen

    Een liefde tegen de achtergrond van twee wereldoorlogen

    De kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van Léon Le Gall zitten in de kathedraal van de Notre-Dame te wachten op de priester. Als fervent papenhater is dit Léons laatste geintje: zijn uitvaart moet persé in de grootste kerk van Parijs plaatsvinden en het amuseerde hem al jaren vóór zijn dood dat zijn kinderen een ruime 2,5 uur hun knieën zouden pijnigen op de harde banken in de koude kerk. De priester laat op zich wachten en de stilte wordt verbroken door het klikken van de hakken van een vrouw, die gedecideerd de halfduistere kerk binnen stapt. Zij paradeert naar de open kist en kust Léon. Daarna haalt zij een oude fietsbel uit haar handtasje en belt twee keer.

    De vrouw is duidelijk geen Le Gall, maar toch weten alle aanwezigen meteen wie zij is.
    ‘Is het…?’
    ‘…misschien…’
    ‘Zou je denken?’
    Met deze intrigerende scène begint Alex Capus zijn roman Léon & Louise. Eén van Léons kleinkinderen blikt terug en vertelt de bijzondere liefdesgeschiedenis van Léon en Louise.

    In het voorjaar van 1918 ontmoet de 17-jarige Léon de even oude Louise. Beide zijn door het verloop van de Eerste Wereldoorlog in Saint-Luc-sur-Marne terecht gekomen. Léon werkt op het station, Louise werkt voor de burgemeester. De burgemeester worstelt enorm met de moeilijke taak om doodsberichten van gesneuvelde soldaten over te brengen aan familieleden. Op een prachtige manier wordt beschreven hoe Louise deze taak als vanzelfsprekend van hem overneemt en als vriendelijke ‘engel des doods’ het respect van de dorpsbewoners wint. De liefde tussen Léon en Louise is intens. Vrijwel meteen stelt de eigenzinnige en ondoorgrondelijke Louise een regel in: ‘Geen vragen. Ik vraag jou niets en jij vraagt mij niets.’ En omdat beide tieners zich aan deze afspraak houden, accepteren ze elkaar simpelweg zoals ze zijn. De uit Normandië afkomstige Léon mist het strand en weet Louise over te halen een weekend naar Tréport te gaan. Léons definitie van geluk is even simpel als doeltreffend: ‘Wandelen over de klippen, op het strand rare spullen verzamelen en dan een droog plekje zoeken om te slapen.’ Hun samenzijn is vanzelfsprekend. Op het strand ‘…liepen ze zwijgend naast elkaar, alsof ze een oud vertrouwd stel waren, dat elkaar niets meer hoefde te laten zien.’

    Léon ervaart een volmaakt geluk, voor hem bestaat er een leven voor Tréport en een leven na Tréport. Maar de oorlog maakt een ruw einde aan dit prille geluk. Tijdens een hevig bombardement verliezen Léon en Louise elkaar uit het oog. Beide raken ernstig gewond, denken dat de ander het bombardement niet heeft overleefd en zoeken, na een lang herstel, hun eigen weg. Léon trouwt met Yvonne. Zo gemakkelijk en vanzelfsprekend als zijn liefde met Louise was, zo hard moet hij werken om harmonieus samen te kunnen leven met Yvonne.

    ‘Hij had zich intussen ontwikkeld tot een man met enige levenservaring, en na vijf jaar huwelijk was hem bekend dat de ziel van een vrouw op geheimzinnige wijze in verband stond met de beweging van de sterren, de wisseling van de getijden en de cycli van het vrouwelijk lichaam, misschien ook wel met onderaardse vulkaanstromen, de routes van de trekvogels en die dienstregeling van de Franse Spoorwegen, eventueel zelfs met de productie van olievelden van Bakoe, de hartfrequentie van kolibries aan de Amazone en het gezang van de potvissen onder het pakijs van de antarctics.’ Kortom Léon kijkt vol verwondering naar zijn vrouw en het onbegrip is wederzijds.

    Tien jaar na het bombardement zit Léon in de Parijse metro en ziet in de trein die naast hem op het perron stopt zijn doodgewaande Louise. Een prachtige scène, die zo verfilmd kan worden, volgt. Na een blik van herkenning rijdt de trein met Louise erin in tegengestelde richting van de metro van Léon. In complete verwarring vertelt Léon aan Yvonne dat hij Louise heeft gezien en zij eist dat hij haar gaat zoeken, omdat dit nodig is voor hun huwelijk. Zoveel begrijpt ze dan wel van haar man. Léon vindt Louise terug en hun eerste ontmoeting is typisch voor de eigenzinnige Louise. De lezer wordt weer getrakteerd op een aantal prachtige en humorvolle scenes. Hun liefdesverhaal gaat verder, maar toch ook weer niet: ‘In de volgende elf jaar, acht maanden, drieëntwintig dagen, veertien uur en achttien minuten zagen en hoorden Louise en Léon elkaar niet terug, en ze bleven zonder bericht uit elkaars buurt.’

    Weer probeert Léon te leven zonder Louise en zijn leven en gemis worden in rake pennenstreken neergezet. Wat schrijft Capus toch krachtig: niet alleen Léons liefde voor Louise is ontroerend, maar ook zijn relatie met zijn vrouw Yvonne wordt indringend beschreven. De zinnen zijn mooi, de woordkeuze is sterk en Capus besteedt zorg en aandacht aan de zaken die onuitgesproken blijven, de gevoelens die niet in woorden kunnen worden gevangen. Alle personages, en vooral het karakter van Yvonne, worden scherp en trefzeker uitgewerkt. Als een kameleon stapt Yvonne moeiteloos van de ene rol in de andere: van een vrolijk zingend meisje, via een lichtelijk aangeschoten levensgenieter, naar een gekwelde huisvrouw en Griekse tragédienne. Ook haar steeds veranderende relatie met León wordt met sympathie en humor beschreven.

    Ze kennen zo hun problemen, maar toch, ondanks alles, weten ze dat ze samen al vele stormen hebben doorstaan en dat ze ook toekomstige gevaren samen het hoofd zullen bieden. Hun wederzijdse vertrouwen is zo sterk dat ze elkaar in alle rust hun gang kunnen laten gaan. Louise is aanwezig in hun leven samen, maar vormt geen bedreiging. Maar ook op dit punt in het verhaal, net als de lezer denkt dat alles duidelijk is en er een status quo is bereikt, ondergaat Yvonne weer een gedaanteverwisseling. ‘Leon vroeg zich af met welke gedaanteverwisselingen deze vrouw hem in de toekomst nog meer zou verrassen.’ Op zijn beurt is ‘Léon al een hele tijd gewend aan het idee dat hij twee vrouwen had, de een aan zijn zijde en de ander in zijn hoofd…’

    De Tweede Wereldoorlog breekt uit. Dreef de Eerste Wereldoorlog Léon en Louise voor het eerst uit elkaar, de Tweede Wereldoorlog doet hetzelfde. En zo blijft deze intense liefde er een op afstand en van verlangen. Terwijl Léon in Parijs blijft en een privé-oorlogje uitvecht met Standartenführer Knochen, vecht Louise haar eigen strijd tegen de dodelijke verveling in Frans-Soedan. Léon & Louise  is een wondermooi verhaal, een liefdesgeschiedenis die zich afspeelt tegen de achtergronden van de beide wereldoorlogen. De liefde tussen Léon en Louise staat centraal, maar de Europese geschiedenis is alom aanwezig, vaak onverwacht en schuilend in details zoals wanneer Léon tot zijn stomme verbazing Hitler in Parijs voorbij ziet rijden. Het is intrigerend en tragisch hoe Léon in beide wereldoorlogen dezelfde vrouw verliest. Je zou wensen dat dit verhaal echt gebeurd is, en de auteur prikkelt de lezer door op sommige momenten in het verhaal door te laten schemeren dat hij misschien die kleinzoon is die de tragische en komische liefdesgeschiedenis van zijn grootvader Léon en zijn onbereikbare Louise vertelt.

    Capus speelt met taal en met alles wat niet gezegd wordt. Het is een auteur waar we vast nog veel van gaan horen. En die fietsbel uit de beginscène? Lees het boek maar, het is een aanrader.

     

  • Retour Palermo – Philip Snijder

    ‘Sicilië, midden jaren zeventig. Een jong Nederlands stel – pubers nog – arriveert per trein te Palermo voor hun eerste grote buitenlandse vakantie. Ze spreken geen woord Italiaans en weten vrijwel niets van het ondoorgrondelijke eiland waarop ze hun tentje hebben neergezet. Meteen worden ze op sleeptouw genomen door leeftijdsgenoten uit de incrowd van de grote stad. Maar ze leren ook een ander Sicilië kennen: dat van een groep ongepolijste vissers uit het dorpje waar hun camping ligt. Het wordt een zomer vol overweldigende en ontwrichtende ‘Siciliaanse momenten’.

    Dertig jaar later is een van hen terug in Palermo. Hij gaat op zoek naar het standbeeld dat is opgericht voor een van de vrienden van destijds, maar stuit op heel wat meer dan dat.’

    Retour Palermo

    Auteur: Philip Snijder
    Verschijnt bij: Uitgeverij Mouria (24 febr. 2011)
    Prijs: € 17,50

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Miguel Syjuco’s eerste roman won de Man Asian Literary prize terwijl het nog maar een manuscript was. Dat komt zelden voor. William Faulkner lukte dat lang geleden. De jury had het over een ‘eindeloos verhaal, onderhoudend en vol humor.’

    Syjuco (1976) werd geboren in Manilla. Na omzwervingen door Australië en een wild leven in Parijs, woont en werkt hij nu in Montreal. Ilustrado is inmiddels in Amerika en Frankrijk een gigantische bestseller geworden. Dat is op z’n zachtst gezegd merkwaardig want zo toegankelijk is dit werk nu ook weer niet.

    Het verhaal begint met een lichaam drijvend in de Hudson rivier in New York. Het is Crispin Salvador, een Filippijnse schrijver. Een controversiële figuur in de Filippijnen die menig boekje zou gaan opendoen over de handel en wandel van de elite, hun listen en lagen, het gokken, de corruptie en andere schandalen. Crispin had een grote schare vijanden in zijn land. Daarom gelooft Syjuco niet in zelfmoord.
    Het manuscript van Crispins meesterwerk The Bridges Ablaze, een roman waar hij jaren aan heeft gewerkt, verdwijnt rond de tijd van zijn vermeende zelfmoord. Onze gids in dit wonderland weet van het bestaan van dit werk. Zijn poging het werk terug te vinden leidt uiteindelijk naar de plot van het boek. De zoektocht doet in de verte aan de queeste van een Odyssee denken.

    Het is niet verwonderlijk dat Bindervoet en Henkes samenwerkten met Michele Bernard om het boek te vertalen en te hertalen. Zij vertaalden immers Finnegans Wake van Joyce.
    Om Ilustrado te vertalen lijkt me geen eenvoudige opdracht. Het boek staat bol van postmodernistisch taalgebruik, maar ook de verhaallijnen lopen als guirlandes dooreen. Er zijn verhalen in verhalen, maar ook veel verwijzingen naar echte situaties en personen, inclusief naar de schrijver zelve. Verder zijn er in het verhaal opgenomen essays, stukken krantenverslag, e-mails, stukken interviews enz. Het virtuoze van deze schrijver is echter dat hij ons in een oogwenk weer in het verhaal terugzet. Wat dat betreft staat hij ook in de Zuid-Amerikaanse traditie van meestervertellers als Cortázar en Borgess. Cortázar poogde in Rayuela, een hinkelspel, een literair experiment te voltrekken. Dat leidde tot een boek dat bestaat uit cut-ups. De lezer kon de genummerde fragmenten vervolgens zelf tot een verhaal smeden. Een methode, die ook al door William Burroughs was gehanteerd. Maar dat leidde bij veel lezers tot een ontzettende vermoeidheid. Waar was het verhaal gebleven? Syjuco houdt zelf de regie en ondanks zijn spiegelspel met de realiteit laat hij het verhaal nergens ontsnappen. Het verhaal is weliswaar een spiegelland vol verrassingen maar het leest ook als een spannend jongensboek voor liefhebbers van hoogstaande literatuur. Bovendien bevat het veel humor. Maar het is ook een geschiedenis van de Filippijnen, en een verhaal over de ambities van een schrijver. Bovendien worden we op een spannend moordmysterie getrakteerd, dat uiterst ingenieus in elkaar zit.

    De jubelende reacties in grote Amerikaanse en Engelse kranten op de achterflap doen aanvankelijk wat gezwollen aan. In The Observer staat: ‘Een roman die vergeleken wordt met het werk van Haruki Murakami, David Mitchell en Roberto Bolano.’
    Wie het boek heeft gelezen zal dit echter beamen. We hebben hier te maken met meesterwerk. Een goede keuze van de uitgever om het hier uit te brengen.

    Ilustrado

    Auteur:  Miguel Syjuco
    Vertaald door:
    Verschenen bij: Uitgeverij Mouria
    Prijs: € 19,95

  • Liever een slanke nimf dan een verlepte hoer

    Liever een slanke nimf dan een verlepte hoer

    Deze verhalenbundel, die ook duidelijk op het omslag zo genoemd wordt, bestaat uit twaalf verhalen. Er zit klaarblijkelijk ook nog een systeem in, want het vierde, de achtste en twaalfde verhaal hebben als titel: De derde, De tweede en De eerste persoon.De vijf eerste verhalen vond ik nogal los uit de pols geschreven, achteloos, waarbij vaak verhalen in en naast andere verhalen voorkwamen, zodat ik me afvroeg of ik wel te maken had met Ali Smith, maar achteraf was het misschien een kwestie van wennen aan haar vervreemdende stijl.

    Waar kort verhaal begint komisch met twee mannen in een café die het verschil bespreken tussen een roman en een kort verhaal, terwijl de vrouwelijke ik-figuur meeluistert. Een kort verhaal wordt voorgesteld als een slanke nimf, een roman als een verlepte hoer. Dit verhaal ontwikkelt zich tot een soort lezing, waarin de schrijfster het presteert om zomaar over te schakelen naar een ander verhaal over de nimf Echo.
    ‘Nu volgt een kort verhaal over een nimf waarvan de meeste mensen denken het al te kennen.’

    Het tweede verhaal Kind gaat over een bijzonder kind dat plots bij een vrouw in het winkelwagentje zit, en loopt mooi rond.
    Cadeau gaat het over het gebrek aan contact tussen mensen in een bar tijdens de kerst. Een vrouw luistert toe, vlucht vervolgens naar haar auto, maar kan beneveld door de whisky niet wegrijden en bedenkt een verhaal om te verbroederen.
    ‘Stel je voor dat we in dat café allemaal met elkaar hadden kunnen opschieten, mensen die echt iets te vertellen hadden, met elkaar hadden willen praten.’

    De derde persoon zwenkt door de seizoenen. Aan het eind volgt een uitleg.
    ‘De derde persoon is een ander paar ogen. De derde persoon is een voorgevoel van God. De derde persoon is een manier om een verhaal te vertellen. De derde persoon is het weer tot leven wekken van de doden.’

    In Fidelio en Bess mixt ze twee opera’s door elkaar, maar veel klopt er niet van.

    Vanaf het zesde verhaal herkende ik weer de Ali Smith uit haar romans: vervreemdend, verrassend en bedwelmend.
    In Geschiedenis van een geschiedenis schrijft een meisje een werkstuk over de terechtstelling van een koningin. Zelf heeft ze een moeder die zich vreemd gedraagt en haar verwaarloost.
    Geen uitgang gaat over een fantasie dat er in een bioscoop een nooduitgang is die nergens op uitkomt. Het is bijzonder hoe Smith zo’n idee weet op te bouwen tot een beklemmend geheel.
    In De tweede persoon zit een stel elkaar in de haren. De vrouw vindt de man spilzuchtig en omgekeerd vindt de man de vrouw een betweter.
     

    Ik weet iets wat jij niet weet gaat over een strijd van een zieke jongen tegen een speelgoedbeer. Die strijd volgt op een consult van zijn moeder met een tarotlezeres, die een kaart daarover trekt.
    Grift gaat over een ruzie van een vrouw met haar veertien jarige zelf, onder andere over het woord grift.

    In Schrander, temperamentvol, luxueus wordt een vreemd pakje bezorgd bij een vrouw die pillen slikt en die zich zorgen maakt over de bijwerkingen daarvan.

    De eerste persoon tenslotte gaat over een spelletje dat een ouder stel speelt rond hun ontmoeting. De vrouw is zoals steeds de ik-figuur. Fantasie en werkelijkheid lopen op een intrigerende manier door elkaar heen.
    ‘Ik snap het, zeg ik. Ik heb het eindelijk door. Je bestaat in mijn fantasie. Dit zijn mijn bedenksels. Je bestaat niet echt.
    O, zeg jij. Maar als jij nou eens in míjn fantasie bestaat?’

    Ali Smith schrijft met weinig pretenties, op een manier die inspireert. Ze laat zien dat er meer mogelijkheden zijn, dat we ons niet hoeven vast te leggen bij het bestaande. Er zijn vele wegen, die we kunnen gaan. Er is vrijheid, fantasie en verwondering, daarvan getuigt de tegendraadse Schotse ook in haar verhalen.