• Voor mannen is 't niet erg – Anton Korteweg

    Anton korteweg debuteerde in 1971 bij uitgeverij Meulenhoff met de bundel Niks geen Romantic Agony. Veertig jaar later verschijnt bij dezelfde uitgeverij Voor mannen is ’t niet erg. Kortewegs nieuwe bundel is een bloemlezing van veertig kwatrijnen die trefzeker getuigenis afleggen van het comfortabel ongeluk van een mooie baan en een verstandige vrouw. En van het ouder worden, dat vooral. De kwatrijnen zijn merendeels geschreven in de jaren tachtig. In deze bundel komen de scherpe observaties en lichtvoetigheid van Anton Korteweg volledig tot hun recht.

    De zonnebloem werd zwart, / de schommel rot.
    Het pindasnoer is leeg, het / gras vertrapt.
    De kamperfoelie is kapot / gewaaid.
    En jij? Jij werd er ook niet / mooier op.

    Herman de Coninck over de poezie van Korteweg in De Morgen: ‘Zo lees ik in moeilijke dagen Anton Korteweg. En dan kan ik mijn geluk weer aan.’

    In de tussenliggende jaren publiceerde Anton Korteweg negen dichtbundels en drie bloemlezingen uit eigen werk. In 1986 ontving hij voor zijn poezie – als eerste – de A. Roland Holstpenning. Van 1979 tot 2009 was Korteweg directeur van het Letterkundig Museum.

    Voor mannen is ’t niet erg

    Auteur: Anton Korteweg

    Blz.: 48

    Prijs: € 17,95

    Verschenen bij: Meulenhoff

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    Zowel bejubeld als verguisd door de critici. Dit overkwam Aristide von Bienefeldt toen hij in 2002 debuteerde met Bekentenissen van een stamhouder. Met deze controversiële roman, waarin Von Bienefeldt choqueerde met expliciete homoseksuele seks, hield hij de gemoederen flink bezig. Nu acht jaar later en een drietal boeken verder is Von Bienefeldt geen onbekende meer in de literaire wereld. Toch zullen ook nu weer de meningen verdeeld zijn over zijn nieuwste roman De zus die Anna Magnani niet was.

    Een controverse zal de roman niet veroorzaken. Hiervoor biedt het flinterdunne verhaaltje geen enkele aanleiding. Maar net als met zijn debuutroman geldt: of je vindt De zus die Anna Magnani niet was helemaal niets of je vindt het geweldig. Een tussenweg lijkt nauwelijks mogelijk. Al valt er zeker op beiden kanten iets af te dingen.

    Want om met het belangrijkste negatieve aspect van de roman te beginnen: inhoudelijk stelt De zus die Anna Magnani niet was zwaar teleur. Het verhaal, als er al überhaupt gesproken kan worden van een verhaal, is chaotisch en vol idiote wendingen waar geen touw aan vast te knopen is. Hoe gekker hoe beter moet Von Bienefeldt gedacht hebben. Het resultaat is er dan ook naar: De zus die Anna Magnani niet was is een doldwaas sprookje dat uit weinig meer bestaat dan een aaneenschakeling van absurde gebeurtenissen.

    De hoofdrol in dit alles speelt Alice. Hoewel ze met haar broers en zus nog steeds in haar ouderlijk huis in Zwaanstad woont, onderhoudt ze met ieder van hen een problematische relatie. Blommia, de oudste zus, zwaait de scepter in huis en doet er alles aan om het leven van zowel Alice als de anderen zo onaangenaam mogelijk te maken. Ook Alice’s relatie met haar oudere broer Castro, met wie ze in het verleden een incestueuze verhouding onderhield, is verre van ideaal: de communicatie tussen hen verloopt al jaren alleen nog maar via ‘post-its’.

    Alice slijt haar dagen met het doen van klusjes in huis en afspraakjes met Bram, een jongen die ze eigenlijk niet kan uitstaan. Wanneer ze echter op een dag drollen in de achtertuin vindt, verandert haar saaie en voorspelbare leventje. De drollen blijken afkomstig van een Perzisch katje, die ze Brenas noemt. Alice ziet al snel in Brenas haar bondgenoot en doet er vervolgens alles aan om de kat bij zich te houden.

    Brenas is niet alleen haar vertrouweling maar door hem komt ze ook in contact met een bonte stoet vreemde en excentrieke personen die het fictieve Zwaanstad bewonen. De één nog gekker dan de ander. Zo is er weduwe Sijsjes, het echte baasje van Brenas, die een obsessieve en ziekelijke liefde koestert voor Brenas en als heilige relikwieën uitwerpselen van de kat tentoonstelt in huis.

    Met veel gevoel voor het absurde heeft Von Bienefeldt de bijzondere personages neergezet. Toch zijn het meest in het oog springend, en het grappigst, de onlogische en onzinnige dialogen tussen de personages.
    ‘De geëvolueerde medemens knikte mistroostig, op haar kruin knikte een losgeraakte krul mistroostig mee. “Ach, zo gaan die dingen. Ik heb me winkel, Antje d’r kroezen”.
    “Kroe.. wat heeft Antje?”
    “D’r kroezen. U weet wel, van die reizen op een boot. Antje is er dol op.”’

    Het kan dan ook niet ontkend worden: Von Bienefeldt is een groot komisch talent. Het is met zijn humor waarmee Von Bienefeldt alsnog overtuigt en het slappe verhaal even doet vergeten. Want hoe hard hij ook zijn best doet: een verteller is hij niet.

    In plaats daarvan is Von Bienefeldt in alles een schrijver. Een schrijver die bovendien schittert door zijn enorme eigenzinnigheid. Vergelijkingen met andere schrijvers kunnen nauwelijks gemaakt worden: Von Bienefeldt is door zijn uitgesproken stijl een eenling binnen de literaire wereld. En dat is een benijdenswaardige positie. Zijn zinnen bezitten door de mengeling van humor en ongeremde fantasie een vervreemdend soort schoonheid. Ook zijn gekke en soms erg bizarre vergelijkingen verraden zijn uitzonderlijke creativiteit.
    ‘Om 4 uur ’s ochtends was de aanleiding voor het feest even ver weggezakt als de inval van het leger van Mussolini in Ethiopië in het geheugen van de moderne Italiaanse staatsburger.’

    Helaas, kunnen schrijven is niet genoeg. Een interessant en onderhoudend verhaal vertellen los van alle versiering is minstens zo belangrijk. Zo niet belangrijker. En hierin faalt Von Bienefeldt hopeloos met De zus die Anna Magnani niet was. Verstrikt in de door hem zelf gecreëerde absurdistische werkelijkheid is hij de lezer uit het oog verloren. Maar gelukkig bieden zijn schrijfkunsten genoeg hoop voor de toekomst.

     

    De zus die Anna Magnani niet was


    Auteur: Aristide von Bienefeldt
    Verschenen bij: Meulenhoff (aug. 2010)
    Prijs: € 18,95

  • Een dramatische liefde, briefwisseling Ingeborg Bachmann en Paul Celan

    Recensie door Rein Swart

    Volgens de vertaler Paul Beers is de briefwisseling in deze Nederlandse editie heel wat toegankelijker dan de oorspronkelijke Duitse waarin als het ware elke komma achterin het boek wordt toegelicht. In deze zeer verzorgde uitgave staat het commentaar, dat wil zeggen de uitleg van namen en begrippen die in de genummerde brieven gebruikt worden, meteen na de brieven, zodat je niet steeds achterin hoeft te bladeren.

    Paul Celan – oorspronkelijke familienaam Antschel – is een kind van joodse ouders die in het concentratiekamp zijn omgekomen, Ingeborg Bachmann is de dochter van een Nazi-partijlid. Als deze dichtende dertigers elkaar in 1948 voor het eerst ontmoeten is het liefde op het eerste gezicht. Bachmann heeft in haar jeugd al afstand genomen van de overtuiging van haar vader, schrijft over man-vrouw relaties en zoekt in haar gedichten en later in haar prozawerk naar een eigen identiteit.
    Tijdens hun correspondentie die tot in de jaren zestig duurde, hadden de twee andere intieme relaties – Ingeborg was bevriend met Max Frisch, Celan getrouwd met Gisèle Lestrange -, die een ongestoorde verhouding tussen de vroegere verliefden in de weg stonden.

    De briefwisseling begint met inleidende notities vanuit Parijs en Wenen. Al gauw blijkt Bachmann boos over de vaderlijke raadgevingen van de zes jaar oudere Celan, die haar het liefst naar Parijs ziet komen. Als Ingeborg niet toegeeft aan zijn wens, wil hij de ring terug die hij haar gegeven heeft. Het incident is symptomatisch voor de verhouding tussen de twee, die elkaar niet nader konden komen door het trauma van de tweede wereldoorlog. Bachmann, die het heel druk heeft met literaire producties en vaak overwerkt is, is veel meer betrokken bij Celan dan omgekeerd. De getraumatiseerde Celan is snel gekwetst als hij zich onheus bejegend voelt en beschuldigd wordt van plagiaat.
    Helaas zijn veel brieven verloren gegaan en bestaat een fors gedeelte uit een zakelijke uitwisseling over betalingen en lezingen en kattenbelletjes zoals opdrachten aan elkaar. Af en toe vallen er grote gaten in de tijd, die tijdens het lezen niet zo opvallen. Het zou handig geweest zijn als er een jaartal bovenaan de bladzijde stond. Een reflectie op hun ontmoetingen ontbreekt, waardoor er een indirect licht op de relatie schijnt.

    De briefwisseling wordt gecomplementeerd met die tussen Celan en Max Frisch en vervolgens die tussen Ingeborg en Gisèle, de vrouw van Celan. Uit de aantekeningen van Gisèle begreep ik dat zij Ingeborg niet graag mocht, maar daarvan is niets te merken in hun correspondentie. Wellicht was er na de dood van Celan sprake van een toenadering tussen de twee vrouwen.
    Tenslotte hebben de bezorgers nog een onderscheid gemaakt in de periodes van de briefwisseling en een poëtisch nawoord geschreven, maar die konden niet verhinderen dat ik deze openbaringen over een onmogelijke vriendschap in een wat krap jasje vond zitten. Duidelijk een boek voor liefhebbers.

     

     

  • Het martelaarschap van strijders voor een andere wereld

    Het martelaarschap van strijders voor een andere wereld

    John Jude Parish is net achttien geworden in augustus 2000. Hij woont in Washington DC en houdt van skaten, surfen en wil het soefisme bestuderen. Zijn vader is advocaat, zijn moeder heeft psychotherapie gestudeerd, maar is vooral politiek actief. Volgens zijn vriendin Katie heeft hij fantastische ouders en in die augustusmaand ligt de wereld voor hem open. Na een surfwedstrijd is er nog een feest met vrienden en vriendinnen. John gaat even skaten en wordt aangereden door een automobilist. In het ziekenhuis, arm en been in het gips, wordt hij wakker met een hersenschudding. Tijdens zijn korte verblijf in het ziekenhuis maakt hij een 10-weken plan, maakt een lijst met boektitels, waarbij onder andere de Koran en werk van Kierkegaard. Ook besluit hij Arabische literatuur te gaan studeren.

    Via Internet leert hij Noor Bint-Khan kennen, hij mailt met haar over zijn plannen. Noor studeert literatuurwetenschap en werkt als serveerster in een oosters eethuisje. Zij noemt hem in een mailtje van 23 augustus een Sharia school in Brooklyn, waar klassiek Arabisch wordt gegeven. John neemt contact op met die opleiding en twee dagen later heeft hij al een uitnodiging om te komen kennismaken. Het is nog steeds augustus. Binnen drie weken is John al van zijn oorspronkelijke koers geraakt, studeren aan de Brown University, en gaat hij helemaal op in zijn nieuwe plannen. In september begint zijn opleiding. Met zijn moeder heeft hij woonruimte gezocht in Brooklyn en gaat hij eten in het eethuisje van Noor, die hij dan persoonlijk leert kennen. Vervolgens hebben zij zo regelmatig contact, dat het lijkt of zij elkaar al jaren kennen. Binnen twee weken nodigt Noor hem uit bij haar thuis te komen eten, haar moeder en broertje zijn er ook. Een moslimmeisje, die een vreemde Amerikaanse jongen thuis uitnodigt?

    Erbij willen horen

    Op school leert John Khaled kennen, diens moeder komt uit Pakistan. Hij vertelt dat hij Arabisch studeert om later in Pakistan te gaan studeren. De leraren en een aantal leerlingen zijn in het wit gekleed en John wil erbij horen, begin oktober bestelt hij ook een witte broek en een wit hemd. Zijn klasgenoten reageren niet allemaal enthousiast, zij beschouwen hem als een toerist op hun school. Noor vindt dat John wel hard van stapel loopt, met zijn studie, het dragen van de kleding, de discussies die hij met zijn omgeving voert. Tussendoor heeft hij ook fysiotherapie en gaat langzaamaan weer zelfstandig lopen. In die tijd heeft hij alleen mailcontact met zijn vroegere skate- en surfvriendinnen.

    John wordt moslim en wanneer zijn schoolvriend Khaled hem uitnodigt mee naar Pakistan te gaan, besluit hij direct om dit te doen. Het is mei 2001. Daar beleeft hij allerlei avonturen in de bergen, met groepen strijders en komt terecht bij de Taliban. Op een gegeven moment is hij verdwenen. In de Verenigde Staten zijn zijn ouders totaal ontredderd, wanneer zij op geen enkele wijze meer contact met hem kunnen krijgen. Via al zijn mailvrienden proberen zij te achterhalen, wat er gebeurd is, maar niemand kan informatie geven. In december lezen zij in de Herald Tribune een artikel over een American Taliban, ofwel een Amerikaanse student die zich bij de Taliban heeft aangesloten. Het betreft John Walker Lindh, gevonden en gearresteerd door de FBI. Zijn ouders weten niet wat zij moeten doen, proberen contact te krijgen met deze jonge man, maar dit lukt op geen enkele wijze. In mei 2002 is er geen enkel spoor van hun zoon John Jude.

    Oorspronkelijke titel American Taliban

    Pearl Abraham heeft deze roman gebaseerd op het verhaal van John W. Lindh, zij heeft onderzocht hoe het komt, dat (jonge) mensen helemaal op kunnen gaan in een totaal vreemde wereld, zij heeft zich verdiept in het soefisme en in martelaarschap van strijders voor een andere wereld. De oorspronkelijke titel American Taliban geeft beter aan waar deze roman over gaat, om de Nederlandse titel te begrijpen, moet je het laatste hoofdstuk goed lezen. In dit boek gaat het naar mijn smaak allemaal een beetje te snel. John is enthousiast, maar toch kreeg ik geen zicht op zijn echte beweegredenen om Arabisch te studeren, om moslim te worden. Het thema van dit boek is interessant, de uitwerking is wat oppervlakkig.

     

     

  • Lezen zonder te denken

    Lezen zonder te denken

    Het wordt weer zomer en de vakantieganger wil een boek mee op vakantie. Aan het strand of zwembad moet in de zon of onder de parasol af en toe gelezen worden. Bruin worden kost nu eenmaal tijd en voor lichamelijke inspanning is het te warm. Zo af en toe lezen aan de waterkant ontspant ook. Eindelijk is er de tijd voor een boek.

    Wat wil de vakantielezer lezen? Het liefst iets lichts, iets luchtigs, iets met spanning, een vleugje seks ? niet teveel want het is al zo warm. Zo’n lezer wil geen dikke, historische roman, poëzie of moeilijke beschouwingen. Bewaar die maar voor de herfst, de winter. Zulke genres associeert men met een knapperend haardvuur en een glas port, niet met witte stranden en brandende zon.

    Als je de vakantielezer heel eerlijk is wil hij misschien helemaal niet lezen. Het liefst zou hij op het strand een film zien, een DVD-tje kijken. Zo’n film die gedachteloos amuseert en je toch het gevoel geeft dat je naar iets met inhoud hebt zitten kijken. Maar op een scherm kijken is in de felle zon veel te lastig. Dan toch maar een boek. Het liefst een boek dat leest als een film.

    Razernij van de Argentijnse schrijver Sergio Bizzio (1956) is precies zo’n boek. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er plannen zijn om het ook daadwerkelijk te verfilmen. Het heeft spanning, een vleugje romantiek en voordat je echt verbrand bent, heb je het uit. Wat dat betreft doet het denken aan de boeken van die andere bestsellerauteur Nicolo Ammaniti (1966).

    De strandlezer wordt met een gesprek over seks het boek ingetrokken. In de eerste zin is het meteen raak. ‘Toen jij geboren werd, kwam ik net klaar.’ Rosa is vijfentwintig, Jose María bijna veertig en ze zijn verliefd op elkaar. De openingsscène draait om de vraag van Jose María, die later alleen María genoemd wordt, aan Rosa: Mag ik je in je kontje neuken?

    Zo’n provocerende openingsscène herken je uit de film. Bijvoorbeeld, Reservoir Dogs (1992) van Quentin Tarantino opent met een discussie over een pornografische interpretatie van Madonna’s Like a Virgin. Het is prikkelend, plat en in Tarantino’s film ook grappig en origineel. Bij Bizzio komt het over als een slecht gelukte imitatie.

    Het verhaal van Razernij laat zich kort samenvatten. Het begin is fel realistisch. María is bouwvakker en migrant, Rosa dienstmeisje bij een rijke familie. De twee worden verliefd en krijgen ruzie met een portier. María slaat er vrij snel en hard op los. Zijn baas ontslaat hem om die ruzie, waarop María hem vermoordt. Dan, na zo’n 40 bladzijden slaat de toon van het boek om.
    María verstopt zich op de bovenste verdieping van het immens grote huis waar Rosa dienstmeisje is. Hij houdt zich daar verborgen voor de politie, maar ook voor Rosa. Hij hoort en ziet veel wat zich in het huis afspeelt, waaronder een verkrachting en een moord. Het enige contact dat hij met Rosa heeft is telefonisch. Hij belt haar af en toe, maar verraadt nooit zijn verblijfplaats. Het einde zal ik niet verklappen, wel dat de Spaanse titel van het boek Rabia is, wat in het Spaans behalve ‘razernij’ ook ‘bezeten’ betekend.

    Het deel in het boek waarin María zich verbergt en naakt rondloopt, kan opgevat worden als een parabel van de eenzame emigrant die geen bestaan heeft in de moderne maatschappij. Zo schijnt het in Argentinië geduid te worden en het boek is er om geprezen. Heel geloofwaardig vind ik die interpretatie niet. María kiest, weliswaar noodgedwongen, voor zijn isolement, maar zijn voormalig werkgever had hij toch echt niet hoeven doodslaan. Bovendien legt Bizzio erg de nadruk op spanning en actie. De spanning zit vooral in de mogelijkheid dat María ontdekt wordt of dat Rosa in gevaar is. Van een stille, claustrofobische opsluiting is geen sprake, er gebeurt genoeg in het huis. Tijd voor bespiegelingen is er dan ook niet.

    Literair heeft Razernij bar weinig te bieden. De taal is eenvoudig, onopgesmukt. Dat hoeft zeker niet bezwaarlijk te zijn, maar hier illustreert het de nadruk op de verhalende actie. Heel soms probeert Bizzio een ‘mooie’ zin te maken: ‘de witmarmeren trap van de hoofdingang spreidde zich zo plastisch uit over de tuin dat het wel leek alsof hij was gemaakt met een slagroomspuit.’ Gelukkig blijft het bij enkele van dergelijke zinnen.

    Thematisch is het verhaal erg dun. De problemen van de laaggeschoolde buitenstaander is al heel vaak, en veel beter beschreven. Denk bijvoorbeeld aan Döblin’s Berlin Alexander Platz, Naipaul’s A House for Mr Biswas of White Tiger van Aravind Adiga. Deze boeken zijn veel rijker, subtieler en ook beter geschreven dan Razernij. En het isolement, het niet deelnemen aan de wereld, het alleen maar toekijken is onlangs nog uitgewerkt door Peter Terrin in De Bewaker, om maar een recent voorbeeld te noemen. Waar Terrin zijn thema op de vierkante centimeter uitwerkt staat bij Bizzio vooral de thrillerachtige spanning centraal. Met het uitdoven daarvan blijft er maar heel weinig over.

    Bizzio doet wel een poging literair te zijn en dat blijkt met name uit een aantal ironische passages en fragmenten. Zo opent het boek met een citaat van Wayne. W. Dyer, een Amerikaanse schrijver van bestsellers als Manifest Your Destiny, Incredible You! en Making Your Thoughts Work for You. Kortom, Dyer is een positief denker, een self help-guru en produceert het soort wijsheden waar de ‘echte’intellectueel zijn fijne neus voor ophaalt. Voor María, echter, is hij een held, hij weet niet beter, lijkt Bizzio te willen zeggen. Tijdens zijn isolement leest María veel, waaronder Readers Digest en Dyer’s Niet Morgen maar Nu! María en Rosa zijn geen intellectuelen en hebben ook niet de ambitie het te worden. Bizzio maakt dat vooral in het eerste deel van het boek duidelijk. De uitgeschreven dialogen tussen het stel hebben expres geen inhoud. Die nadrukkelijke platheid vormt naar mijn idee, het enige, redelijk geslaagde element van het boek. Maar ook hier ligt een vergelijking met Tarantino voor de hand. In zijn films kom je die nadruk op hele gewone, platte, niet verheven dialogen bijna voortdurend tegen en ook hij citeert het liefst uit B-films.

    Bizzio heeft echter geen Tarantino script geschreven. De ironie van de leeg- en platheid is te weinig aanwezig om het boek te redden. Het is wel een boek dat María waarschijnlijk graag gelezen zou hebben. In een dialoog met Rosa vraagt hij haar waarom ze alleen TV kijkt en nooit leest.
    ‘Dat komt omdat lezen meer moeite kost dan televisiekijken.’
    ‘Waarom? Om te lezen hoef je alleen maar te zitten of te liggen, net als bij tv-kijken.’
    ‘Maar je moet je hoofd gebruiken.’
    ‘Niet waar! Je kunt heel goed lezen zonder te denken.’
    En dat is precies de ervaring die dit boek achterlaat. De vakantielezer zit gebakken.

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Twee dagen nadat Kees Fens overleed op 14 juni 2008 ging de documentaire Erfgenaam van een lege hemel in première. Filmer Hans Keller portretteerde de literatuurcriticus en P.C. Hooftprijs winnaar aan het eind van zijn leven. De film begint als Fens de Chassékerk in de Amsterdamse wijk de Baarsjes binnenkomt. De kerk, gebouwd in de jaren twintig in de stijl van de Amsterdamse School, staat in de Amsterdamse buurt de Baarsjes waar hij opgroeide in de jaren 30 van de vorige eeuw. Toen leefde de kerk en ook God was nog niet ‘hulpbehoevend’. De Chassékerk ligt er in de documentaire uitgewoond en leeg bij. De glorietijd van het katholicisme is voorbij. Nu is, in de woorden van Fens, de ‘hemel in scherven naar beneden gekomen’.
    Mooie scherven voor Fens waren de kathedraal in Chartres, de basiliek van Vezelay maar ook de poëzie van Petarca. Voor hem was het katholicisme veel meer dan een religie. Het was het instituut dat hem kennis deed maken met zeventien eeuwen cultuurgeschiedenis. Voor Fens waren die scherven schitterende juwelen die je met de lijm van je de verbeelding tot een eigen hemel kon reconstrueren.

    Er komen in deze tijd wel meer hemeltjes in scherven naar beneden. Eén ervan is het hemeltje van de literatuurkritiek. Vroeger was een literaire criticus iemand waar tegenop werd gezien, waarop door schrijvers werd gevloekt en die een plaats in de literaire wereld had. Gerard Reve wenste de kritiek nog ‘bloedkanker achter het hart’ toe. Jeroen Brouwers schijnt een aantal jaren na een slechte kritiek van Fens niet meer hebben durven schrijven (wat Fens trouwens speet). Het gezag van de criticus is aan het verdampen. De boekenbijlagen verdwijnen uit de kranten, die met dalende oplages kampen. Nog geen jaar na Fens’dood besloot ‘zijn’krant, de Volkskrant, de boekenbijlage Cicero de nek om te draaien. (Je bent achteraf nog blij dat hij het niet heeft hoeven meemaken.) In plaats van krantenbijlagen is er het internet, en sites als deze waar goedwillende amateurs stukjes schrijven die, als ze al gelezen worden, nooit het gezag zullen krijgen die in het verleden de krantenstukken hebben gehad.
    Kees Fens was één van de laatste grote critici en bij de Volkskrant denken sommigen met weemoed aan hem terug. Het dreigt stiller te worden rond zijn nagedachtenis en daarom hebben de redacteuren Arjan Peters en Erik van den Berg een keuze gemaakt uit nog ongebundelde stukken die, op één na, in de periode 1969-1977 in de Volkskrant verschenen. Hun weemoed is meer dan begrijpelijk. Het is navoelbaar.

    Fens schreef boekrecensies voor de Volkskrant tot 1977. Toen had hij er genoeg van om de middelmaat van de pas verschenen literatuur van commentaar te voorzien. Nieuwe boeken verschijnen, worden besproken en verdwijnen dan meestal weer snel . Wat blijft is zeldzaam. Hij voelde zich benauwd worden in het harnas dat de waan van het seizoen hem oplegde. Liever wijdde hij zich aan boeken die hij zelf koos, ook zelf kocht en die vaak verrassend afweken van wat op dat moment actueel geacht werd.

    De bundeling van de Volkskrantstukken in het pas verschenen De hemel is naar beneden gekomen, behoren bijna allemaal tot de recensies van boeken die Fens niet zelf uitzocht. Veel van die titels zijn of geheel vergeten of zo ver naar de achtergrond verdwenen dat je je afvraagt of iemand ze ooit nog lezen zal. Bijvoorbeeld, ik zal niet gauw Wie nu geen huis heeft van Maartje Luccioni (De Bezige Bij, € 14,50) lezen. Ook de dagboeken van Cees Buddingh (opnieuw De Bezige Bij en weer € 14,50) zal ik links laten liggen. Maar de kritieken van Fens zijn het lezen na al die jaren nog wel waard. Dat komt ook omdat hij de bespreking van een boek dat hij middelmatig of slecht vond, voorzag van een lange, essayistische inleiding in een poging het stuk te redden. Dat is vaak verbazend goed gelukt. Deze recensies wijken af van zijn latere, meer beschouwende stukken die later onder de titel In het voorbijgaan verschenen zijn.

    Misschien is elk afzonderlijk stuk dat in De Hemel is naar beneden gekomen is opgenomen niet eens zo bijzonder. Het zijn scherfjes die pas als je ze allemaal bij elkaar neemt een stukje literatuurhemel tonen. Er doet zich bij de lezer ook een meetbaar effect voor. Wie veel Fens leest krijgt last van wat ik maar het ‘Fens-effect’ noem. Het bestaat hieruit dat je wilt lezen, vooral veel wilt lezen. Je wilt lezen in de boekenkast van Kees Fens.

    Fens’ leven en gedachten waren doordrenkt van literatuur en hij had de gave dat over te brengen. Alsof het een prettige ziekte was kon hij je door middel van zijn stukken er mee besmetten. Hij onderwees, zonder op de knieën te gaan zitten. Hij legde niet uit maar wees op dingen die hem opvielen en die hem raakten. Zijn recensies zijn vaak ingebed in een beschouwing en nooit bedoeld om alleen de inhoud van het besproken boek weer te geven. Recenseren was voor hem meer dan het bespreken van dat ene boek. Als het goed was moest er ook iets over literatuur in het algemeen in doorklinken. De waan van het seizoen moest overstegen worden.
    Een aantal stukken in de bundel heeft betrekking op boeken die wel overeind zijn gebleken. Fens is dan op zijn best. Het eerste voorbeeld in De hemel... is De anonieme poëzie van Jan Hanlo over de Verzamelde gedichten van Hanlo. Op mij had het een meetbaar Fens effect: ik heb Hanlo weer eens uit de kast gehaald. Een ander hoogtepunt is de bespreking van de heruitgave van Gorters Verzen, uit 1977. ‘Misschien nooit in onze taal is er zoveel geforceerd met zo veel resultaat.’

    Fens is bijna altijd leesbaar, maar tot mijn verbazing zijn er een paar stukken vrij taai. Een recensie van De Taal der liefde van Gerard Reve uit 1972 is getiteld Op de grens van wat in ernst zegbaar is. De titel doet al een moeilijk leesbaar stukje vermoeden en dat blijkt te kloppen. De vervelendste zin uit dat stuk gaat als volgt: ‘En zowel de gedrevenheid van de spreker als de zwaarte van de opgave de liefde in taal te maken, verklaart de intensiteit van de monoloog, waarin ook de angst voor een te snel bereiken van het hoogtepunt en daarmee, de intrede, van de vervreemding en leegheid, meespreekt.’ Een ander voorbeeld van een taaie zin is uit de recensie van het hierboven genoemde boek van Luccioni: ‘Wanneer stilistische middelen door veroudering van werken zelfstandige zaken zijn geworden, ontstaat er een discrepantie tussen die middelen en datgene wat er in uitgedrukt wil worden: stijl en taal hebben nog nauwelijks inhoud.’
    Zulke zinnen verbazen bij Fens omdat hij meestal zo zorgvuldig en helder schrijft. Ze zijn, als je de hele stukken leest, ook nog wel te begrijpen en de laatste is bovendien onderdeel van een erg aardig betoog over de veroudering van boeken. In de 61 stukken (255 bladzijden) die deze bundel telt zijn ze gelukkig zeldzaam. De latere stukken zijn wat lichter van toon en ook de humor komt steeds beter uit de verf. Zo ontwikkelt Fens zich in dit boek steeds meer in de richting van de man die je je herinnert.

    Het meest verbazingwekkende stuk is uit 1974 en heet Van het duister naar te licht, waarin Fens twee kinderboekschrijvers neersabelt. Het is voor Fens’ doen ongehoord hard en de beginzinnen zijn al meteen raak: ‘Aan veel auteurs van kinderboeken is een slecht schrijver verloren gegaan. Daar kunnen de literatuurcritici blij mee zijn, maar de kinderen zitten er mee.’ Vervolgens wordt eerst Jaap ter Haar op grond van zijn stijl geknipt en geschoren en moet daarna Thea Beckman’s Kruistocht in Spijkerbroek er aan geloven. ‘Een boek als dit is in feite voor niemand, dacht ik. Maar het is al aan zijn tweede druk’. Inmiddels ligt de zesentachtigste druk in de boekwinkels.

    Het Fens-effect treedt vooral op als de voorkeuren van Fens aan het licht komen. De middeleeuwen, de Engelse cultuur, de poëzie en de vele facetten van de liefde voor literatuur. Er zijn leuke stukken over de boekhandels van Engeland, (met name Blackwell’s in Oxford, ‘de efteling voor intellectuelen’), over Leo Vroman, The book of Kells, van Deyssel en nog veel meer. De belezenheid van Fens en de moeite die hij altijd nam om er meer over te willen vertellen dan hetgeen hij net gelezen had, wakkeren je verlangen om meer te lezen aan.

    De weemoed die ik in de inleiding van Van den Berg en Pers meen te lezen, kun je navoelen als je het boek uit hebt. En je stelt je ongeveer dezelfde vraag die Jan Blokker na de dood van Fens stelde: ‘Maar hoe moet een nieuwe generatie krantenlezers nu nog vertrouwd raken met Augustinus en de andere kerkvaders, met Dante, met Oscar Wilde en met de poëzie van Lucebert? ‘ Dat is inderdaad een probleem.

    Stilstaan en treuren bij de dood van Fens doe je bij het indrukwekkend laatste stuk. Het was ook Fens’allerlaatste. Het is uit 2008, enkele dagen voor zijn dood geschreven en verschenen in de Volkskrant op de dag dat zijn begrafenis plaatsvond. Het is een bespreking van een nieuwe vertaling van Petrarca’s Liedboek. ‘Het hooggebergte van de poëzie’, merkt Fens op en hij citeert, zelf ziek en met de dood voor ogen zijn zo geliefde dichter:
    Bezie niet mij maar zie mijn Schepper aan,
    niet wat ik ben, maar Zijn gelijkenis,
    dan gaat een zo laag mens U aan het hart.

    Op zo’n moment is de hemel even heel en hoef je aan scherven niet meer te denken.

    De hemel is naar beneden gekomen
    Een keuze uit de literaire nalatenschap
    Auteur: Kees Fens
    Verschenen bij: Uitgeverij Meulenhoff
    Prijs: € 18,95

  • Maatschappij kritische geluiden

    Maatschappij kritische geluiden

    De wereld is vol van betweterige mensen (meestal wat oudere mannen of vrouwen) die het allemaal zo goed weten. Politici, journalisten en literatuurcritici verkondigen ongebreideld hun mening in boeken, tijdschriften en in televisieprogramma’s. Vaak worden van achter de borreltafel allerlei problemen in de wereld opgelost. Doet José Saramango daar aan mee? Het is weliswaar een oude mopperpot maar hij heeft daar maar al te vaak reden voor en het is zonder meer duidelijk dat het zijn bedoeling of in ieder geval zijn wens is, om aan de door hem gesignaleerde misstanden een einde te maken. In diverse stukken van zijn dagboek laat hij zijn licht schijnen over het conflict dat sinds jaar en dag bestaat tussen Israël en de Palestijnen waarbij bij de lezer de vraag zal rijzen of hij zich wel breed genoeg heeft georiënteerd.

    Ook dit verhaal heeft een andere kant. De kritieken zijn soms heel scherp maar niet zonder humor, Saramago heeft vaak de lachers op zijn hand. Overal waar de rechten van de mens in het geding zijn springt hij in de bres. Rassendiscriminatie is hem een gruwel en hij brengt nog eens in onze herinnering hoe destijds Rosa Parks in een bus in Montgomry, Alabama weigerde haar plaats af te staan aan een blanke medepassagier en hoe Martin Luther King protesteerde tegen haar arrestatie en de daarop volgende gevangenisstraf. Hij schrijft: ‘Zonder Rosa Parks was Barack Obama waarschijnlijk nooit president van de Verenigde Staten geworden’.

    De kritiek op het Vaticaan is ongezouten. De Rooms Katholieke kerk wordt vergeleken met de Titanic, ze zinkt langzaam maar onverbiddelijk. ‘Het bezoek aan religieuze rituelen is sterk aan het afnemen.’  ‘Kardinalen, bisschoppen en ook de paus parasiteren op de zak van de burgermaatschappij.’ Dit soort uitspraken zorgen natuurlijk voor nogal wat opschudding maar de Nobelprijswinnaar Saramago schijnt het zich te kunnen veroorloven, zijn atheïstische overtuiging is onwrikbaar.

    Veel aandacht wordt er besteed aan de ontmoetingen met literaire- en politieke vrienden, sommigen daarvan vallen onder beide categorieën. Enige bekendheid met de Portugese literatuur is een vereiste om alle dagboekfragmenten op juiste waarde te kunnen schatten. Ook het politieke bedrijf en de maatschappelijke toestanden in Portugal worden hier en daar belicht. Allerlei  crisissen worden beschreven maar vooral, de morele crisis. José Saramago is vaak cynisch, toch is hij een mens. die alles op waarde weet te schatten.

     

  • Muziek en liefde, een pas de deux

    Muziek en liefde, een pas de deux

    Recensie door Rein Swart

     

    In deze novelle, die uitgebracht wordt als roman, hebben de drie hoofdstukken dezelfde indeling als in het muziekstuk Appassionata, dat in het tweede hoofdstuk door hoofdpersoon Derek Hugo op de piano ten gehore wordt gebracht: allegro assai, andante con moto, allegro non troppo. Het is veelbetekenend dat zangeres Nina Roussseau in het begin van het tweede hoofdstuk tegen Derek Hugo zegt dat hij het andante te zoet speelt, met te weinig dreiging.
    We hebben dan al ruimschoots kennisgemaakt met deze Derek, die ons in het eerste hoofdstuk al heeft ingelicht over zijn liefdes en muziek. Hij heeft nooit de stap naar concertpianist kunnen maken, maar zich tevreden moeten stellen met het begeleiden en doceren van anderen. Zijn liefdes zijn niet duurzaam geweest. Hij heeft het bed gedeeld met vele mooie vrouwen, waaronder een mooie celliste die hij niet kan vergeten.

    ‘De energie van de interactie met het instrument, de manier waarop de strijkstok wordt gehanteerd als een wapen – degen, zwaard ? en de uitdagende wijdbeense zit.’

    Aan het eind van het eerste hoofdstuk krijgt hij een verzoek om de – door de zelfmoord van haar vriend en de moord op haar begeleider en minnaar – getraumatiseerde, zeer bekoorlijke diva Nina Rousseau op de piano te begeleiden.
    Het intense contact tussen de twee musici wordt mooi beschreven. De langharige, blonde, in blauwe tinten gestoken Nina wil eigenlijk niet meer optreden en zeker geen liefdesverhouding combineren met haar zangkunsten. Als Derek haar overhaalt om toch de draad weer op te nemen, moet hij beloven dat hij haar met geen vinger aanraakt. De onderhuidse spanning bij Derek tijdens openhartige gesprekken over de grenzen van hun verhouding is duidelijk voelbaar. Liefde en muziek, kan dat samengaan? In het begin van dit boekje wordt die vraag, tegen de algemene opvatting in, bevestigend door Derek beantwoord.

    ‘Vrouwen en muziek vormen een bedenkelijke combinatie, gelooft men. Het schijnt het één of het ander te moeten zijn. Onzin. Ik heb er een studie van gemaakt. Je hoeft maar terug te gaan naar Mozart om het tegendeel te bewijzen. (…) Of naar de ziekelijke Chopin, die overigens nooit te zwak was om ‘iets in het gaatje van jouw Des grote terts te steken.’ Of Schumann met zijn uitvoerige ‘vingeroefeningen onder rokken’, om maar te zwijgen van de lustige Liszt die geen vrouw met rust kon laten.’

    Naarmate Nina en Derek vaker samen bijeen zijn om een concert in te studeren, voelt Derek meer voor Nina dan alleen seksuele begeerte. Een ongestoord verloop van hun intieme verhouding wordt, behalve door de belofte van Derek, bemoeilijkt door de roodharige en gepassioneerde Carla, moeder van twee leerlingen, die zich als een bliksemafleider tussen hen wringt. Ook de achtergrond van de huidige Zuid-Afrikaanse maatschappij met veel geweld en misdaad staat een voorspoedige verhouding in de weg.

    Af en toe blikt de verteller vooruit, bijvoorbeeld door te zeggen dat de keuze voor een diner in een bepaald restaurant niet gelukkig was geweest en voegt daarmee spanning toe. De afwikkeling wordt vertraagd doordat Brink er nog van alles bijhaalt, maar toch is het einde spannend.
    Het kleine formaat en de harde kaft deden me denken aan een boekenweekgeschenk. Ik weet niet of ze dat in Zuid-Afrika kennen, maar dit boekje zou, vanwege de sfeer, spanning en inhoud, in die reeks goed passen.

     

  • Mathilda Savitch voert de lezer terug naar de dertienjarige die hijzelf was

    Mathilda Savitch voert de lezer terug naar de dertienjarige die hijzelf was

    Ik wil onuitstaanbaar zijn. Ik wil onuitstaanbare dingen doen en waarom niet? Saai is saai is saai is mijn leven.’ Met deze tegendraadse uitspraak begint de roman, Mathilda Savitch van Victor Lodato. De verteller is de dertienjarige Mathilda. In simpele heldere spreektaal richt ze zich rechtstreeks tot de lezer, die vanaf de eerste pagina wordt meegevoerd in haar gevoelswereld. En daarmee in de onzekerheid en kwetsbaarheid van een dertienjarige en haar verdriet over de dood van haar zus Helene. Volgens Mathilda is Helene door een onbekende man voor een rijdende trein geduwd. ‘De enige persoon die ooit in mijn dromen voorkomt is de man die haar duwde, maar die heeft niet eens een gezicht. Soms zijn het alleen dromen van treinen.’

    Het gezin Savitch is ontwricht door de zelfmoord van dochter en zus Helene, bijna een jaar geleden. De ouders hebben genoeg aan zichzelf. Ze lezen. En hebben geen aandacht voor Mathilda.  Haar mooie opstandige puberobservaties geven pijnlijk duidelijk bloot dat iedereen volledig langs elkaar heen leeft. Mathilda’s moeder vraagt,’Heb je niets te lezen?’ Mathilda: ‘Alweer boeken. Ik kan wel gillen. Ik bedoel ik hou best van boeken maar ik hoef er niet mijn levensdoel van te maken. ‘Ik zit gewoon te denken,’ zeg ik tegen haar.’

    Centraal staat zus Helene, waarover niet gesproken mag worden. Met name de moeder is afwezig, apathisch bijna. Ze drinkt teveel en raakt meer en meer de weg kwijt. Mathilda lijkt vooral geïntrigeerd door haar gestorven oudere zus. ‘Helene was 16 op het eind. Bijna 17, op een paar maanden na. Helene en Mathilda, een verschil van dag en nacht was de beroemde uitdrukking.’ Ze zoekt dingen uit over haar zus. Uit nieuwsgierigheid en omdat Helene het haar niet meer kan vertellen. Er waren jongens in ‘t spel. ‘Helenes vriendjes zagen er bijna allemaal hetzelfde uit. Ze hadden donker haar. Ze waren mager maar ze hadden schouders. Ze hadden bijna nooit boeken bij zich. Ze waren arrogant. Je kon niet ontkennen dat ze knap waren. Helene was geen heilige. Had ik je die indruk gegeven? Ze had beslist een lichaam.’

    Langzamerhand krijg je als lezer in de gaten dat er meer speelt rondom de dood van Helene. Want wie is de geheimzinnige Louis, Helenes laatste vriendje. En welke rol speelt hij ten aanzien van de dood van Helene. ‘De interessantste is een jongen die ik nooit heb ontmoet, de jongen van het laatste half jaar. (…) Hij heet Louis. LDM@blueforest.com. Ik ben bijna een beetje verliefd op hem en ik weet niet wie hij is.’

    Keerpunt in de roman is het moment waarop Mathilda het wachtwoord weet te kraken van Helenes e-mailadres. Het sleurt Mathilda in de wereld van haar zus. Een wereld waarin ze wordt geconfronteerd met waarheden die ze eigenlijk niet wilde weten en met waarheden die ze al wist maar had toegedekt met haar eigen interpretatie van de gebeurtenissen. Langzamerhand worden de laatste levensdagen van Helene ontrafeld. Voordat Helene zelfmoord pleegt, heeft ze knallende ruzie met Mathilda. ‘Helene huilde de laatste ochtend. (..)’Toen ze zei dat ze zich van kant wilde maken lachte ik haar bijna in haar gezicht uit. ‘Waarom doe je het dan niet?’, vroeg ik. ‘Waarom doe je het dan niet gewoon.’ Het schuldgevoel tezamen met de coming-of-age van Mathilda heeft Lodato prachtig verwoord.

    Mathilda Savitch voert de lezer terug naar de dertienjarige die hijzelf was. Te groot voor de kindertijd en te klein voor de grote buitenwereld. Maar als dertienjarige heb je tevens een originele kijk op het leven. Ongehinderd door conventies en met je eigenwijze wijsheid in pacht. ‘Iedereen heeft twee levens. Je leven tussen de mensen en daarnaast je geheime leven. Je vissenleven.’(..)‘Ik heb veel gezien. We hebben allemaal veel gezien. Kevin en Anna en ik, en alle anderen die midden in de toekomst zitten zonder dat we een kant opkunnen. Wij zijn anders. Wij zijn jullie niet. Maar waak over me, goed? Dat is het enige wat ik vraag, Waak alsjeblieft over me.’

    Victor Lodato woont in Tucson en in New York en is een succesvol toneelschrijver. Voor zijn theaterstukken ontving hij verschillende prijzen waaronder ? voor zijn stuk 3F,4F – de Roger L. Stevens Award. Zijn romandebuut Mathilda Savitch is inmiddels in acht talen vertaald.

     

  • Saramago lezen tegen de tijdgeest

    Saramago lezen tegen de tijdgeest

    De Nederlandse musea bevinden zich in een identiteitscrisis. Ze lijken niet te weten waar hun eigenlijke taak ligt: bij kunst of bij entertainment.’ schreef Janneke Wesseling in het NRC-Handelsblad van zaterdag 30 oktober. Verscheidene musea kiezen niet meer voor tentoonstellingen die gewijd zijn aan een kunstenaar, maar laten zich door een kunstmarketingbureau adviseren overzichtstentoonstellingen te maken met titels als Bloemen van verlangen, vier eeuwen bloemen in de kunst. En dan komen de mensen.

    Het is een droeve knieval voor de commercie die niet slechts de musea maken. De uitgevers raken moeilijke boeken aan de straatstenen niet kwijt. Toen José Saramago de Nobelprijs voor de Literatuur ontving in 1998, had Meulenhoff net alles van de schrijver verramsjt. Net zoals het Querido verging toen onlangs Elfriede Jelinek de eer te beurt viel, zij hebben nog geprobeerd de lading terug te halen. Saramago verzet zich ostentatief tegen ‘leesbaarheid’; hij biedt de lezer geen houvast buiten de inhoud om. Er zijn geen tussenkoppen, de hoofdstukken zijn lang, interpunctie is anders dan de lezer gewend is. Saramago’s zinnen waaieren breed uit, dialoog kent geen speciale opmaak. Voor Saramago geen Bloemen van verlangen.

    Plato’s Grot

    Saramago heeft een hekel aan gemak, en aan snelle lezers. Het boek Het schijnbestaan verscheen in 2000 in Portugal en een jaar later bij Meulenhoff. Het boek draait om een oude pottenbakker, zijn dochter en haar man. En ‘het Centrum’. De schoonzoon is bewaker bij het Centrum, een ultramodern koop- en wooncomplex in de stad. Gemak voor de consument, alles in dienst van de bewoners en het winkelend publiek. Het Centrum heeft een poosje vaatwerk van de pottenbakker afgenomen, totdat het hem meedeelt dat er in de moderne tijd niet langer vraag is naar zijn materiaal. De schoonzoon staat promotie te wachten, binnenkort zal hij ‘inwonend’ bewaker zijn, en krijgt hij een flat in het Centrum. Zijn vrouw wil haar vader meenemen, maar de pottenbakker ziet dat vooralsnog niet erg zitten, hij hangt aan het oude leven, het ambacht. De dochter van de pottenbakker verzint nieuwe nering: ze ontwerpen 6 beeldjes en verven deze en bieden ze aan. Tot hun geluk ziet het Centrum ze zitten en bestelt er twaalfhonderd. Vader en dochter verdiepen zich in nieuwe pottenbakkerstechnieken, ontwerpen mallen, zoeken de juiste samenstelling van het klei, hoop ontvlamt dat het oude leven het niet voorgoed tegen het nieuwe zal moeten afleggen. Nog twee personages spelen een belangrijke rol in hun leven: de aangelopen hond met de naam Gevonden en een weduwe in wie de vader een door hemzelf moedig ontkende interesse heeft.

    Een wonderlijk geheim

    De eerste proeflichting van de beeldjes wordt uiteindelijk niet voldoende geacht, de vader verhuist mee naar het Centrum, omdat alleen achterblijven op de pottenbakkerij geen optie is. In het Centrum blijkt op zekere dag een wonderlijk geheim te zijn ontdekt, de vader waagt zich in de spelonken van het enorme gebouw en ontdekt wat de leiding angstvallig tracht te verhelen: zes lijken, vastgeklonken, kijkend naar een muur, ergens achter hun rug de resten van een vuur. Meteen is duidelijk: de Grot van Plato, deze mensen zagen alleen hun schaduwen. Vader , dochter en schoonzoon keren spoorslags terug naar de pottenbakkerij, het oude leven, de weduwe en de vader consumeren hun liefde. Een nieuwe toekomst. Punt.

    José Saramago schetst in deze allegorische vertelling de verwording van de moderne mens: de nieuwe wereld waarin alles op consumptie gericht is, de verzorging van de wieg tot het graf krijgt gestalte in het Centrum: ‘Dit is de gelegenheid om te verklaren dat de wegen van het Centrum ondoorgrondelijk zijn, wat het aan de ene kant wegneemt, geeft het er aan de andere kant bij, Als ik me niet vergis wordt dat van die ondoorgrondelijke wegen gezegd van God, merkte Cipriano Algor op, Dat komt vandaag de dag praktisch op hetzelfde neer, ik overdrijf niet als ik zeg dat het Centrum, als de perfecte distributeur van materieel en geestelijk goed die het is, uit zichzelf en in zichzelf, uit pure noodzaak, iets heeft voortgebracht dat, hoewel bepaalde, gevoeliger vormen van orthodoxie hier aanstoot aan kunnen nemen, van goddelijke aard is, […]

    De gevangenis als evenbeeld van het gewone denken

    Dit monstrum van efficiëntie staat eigenlijk heel schematisch tegenover het huishouden van de pottenbakker en zijn dochter, een liefde op afstand en een aangelopen hond. Saramago verhult in zijn parabel niets, hij is de alwetende verteller die de lezer meldt wat de hond voor gedachten heeft bij de bezigheden van zijn baas, de schrijver spreekt de lezer aan en gooit er wat beschouwingen doorheen die van geen van de personages komen. De Nobelprijs winnaar heeft niet de minste uit de kast gehaald om de doodsheid van de nieuwe wereld aan de kaak te stellen: Plato en zijn Grot. En van de schrijver hoef je het heus niet op te gaan zoeken, in het motto laat hij weten wat de bedoeling is: ‘Een vreemd tafereel beschrijf je daar, en vreemde gevangenen, Ze lijken op ons. Plato, Politeia, Boek VII’ (voor meer: home.student.utwente.nl/j.w.dijkshoorn/grotefilosofen/plato/grot.html )De uitgever doet er een schepje bovenop: de Portugese titel A Caverna komt op het omslag als Het schijnbestaan.

    De moderne wereld ontneemt de mens het echte leven en leert hem genoegen te nemen met een suggestie. Deze wereld is ingesteld op het bevredigen van wat deze moderne mens denkt dat zijn verlangens zijn. In het Centrum gaan bezoekers naar een ruimte waar ze een illusie van het weer kunnen krijgen: ‘Toen keerden we om en meteen begon het te sneeuwen, eerst hier en daar wat vlokken als katoenpluizen, daarna steeds dikkere, ze vielen voor ons neer als een dicht gordijn waardoor we elkaar nauwelijks meer zagen […] uiteindelijk kwamen we bij de kleedruimte en daar scheen een stralende zon. […]’

    Nu is Saramago een communist, dat kan nog in Portugal, en dit boek vormt samen met De stad der blinden en Alle namen een drieluik waarin de schrijver zich kritisch over het tijdsgewricht uitlaat. En een communist is de krachtigste beschimper van consumptie in de kunst. Saramago is de Bertold Brecht van vandaag, hij weigert de lezer vermaak, heeft een boodschap en wil kunst niet aanbieden aan mensen met popcorn in de hand. Vervreemding heeft het volk nodig, ze moeten weten wat er gebeurt, niet in slaap gesust worden door machten met andere belangen. ‘WE ZOUDEN U ALLES VERKOPEN WAT U NODIG HEBT, ALS WE NIET LIEVER HADDEN DAT U NODIG HEEFT WAT WIJ U TE VERKOPEN HEBBEN’ zoals de schrijver zijn analyse van de tijdgeest bondig samenvat in een slogan van het Centrum. We denken vrij te zijn.

    Ontketening

    Alles in Cipriano Algor, de vader, verzet zich tegen het nieuwe leven, hij verkiest op het bankje naast zijn oven te zitten en vreest niets meer dan een ruimte zonder ramen die open kunnen, maar die verder geheel op gemak is ingesteld. In Alle namen gaat een ondergeschikte van een enorm burgerlijke standarchief ondanks alle voorschriften op zoek naar een persoon achter een fiche, gaat ook weer heel allegorisch op zoek naar de mens achter het nummer. Een kritische houding ten aanzien van de maatschappij komt in dit oeuvre niet bedillerig of zeurderig over, daarvoor is zijn taal te groots, daarvoor zijn Saramago’s literaire middelen te overtuigend. Houd op u door het Centrum van boeken te laten voorzien die u eigenlijk niet wilt lezen. Lees eens iets dat langere tijd bij je blijft, geen overzichtstentoonstelling over bloemen door de eeuwen heen, maar het weerbarstige werk van een kunstenaar.

     

     

  • Een licht en op zichzelf staand ongeluk

    Een licht en op zichzelf staand ongeluk

    In de beste verhalenbundels gebeurt er iets tussen de verhalen door dat de verhalen verbindt. Niet per se een gemeenschappelijk thema, dat de lezer gaandeweg gaat ontdekken, minder nog pesonages die door verschillende verhalen lopen. In de beste verhalenbundels valt de bundel samen te vatten zoals een roman samengevat kan worden, als een ordening in de wereld op basis van een aantal verhaallijnen, sterk door de stijl ondersteund.

    In James Salters verhalenbundel Laatste nacht maken de welopgeleide, niet zeer uitzonderlijke, ongeveer middelbare hoofdpersonen die waarschijnlijk aan hun zoveelste belangrijke relatie bezig zijn iets mee dat van een beetje tot zwaar teleurstellend is, ontluisterend en dat ze confronteert met de gang van het leven. Of hoe hun eigen gesteldheid daar voorgoed een verontrustende zwaai aangeeft.

    Psychisch landschap

    Tot zover zouden het ook wel verhalen van Raymond Chandler kunnen zijn, Donald Barthelme of Flannery O’Connor, Jumpha Lahiri of welke goede (Amerikaanse) verhalenverteller dan ook. James Salter heeft een stijl die speciaal voor verhalen heel effectief is, een half woord geeft hij en de lezer moet de andere helft  maar zien te vinden. De opbouw is altijd zo dat slechts met het omslaan van de pagina’s langzaamaan duidelijk wordt hoe de vork in de steel zit, niet speciaal in de ontwikkeling van de handeling, maar meer in het psychisch landschap van de personages.

    Als in veel Amerikaanse korte verhalen speelt dialoog een beslissende rol. Het bijzondere van deze vertaling van Ronald Cohen is dat je niet steeds blijft denken: had ik de Amerikaanse uitgave maar. De vertaling van dialoog in deze bundel is heel natuurlijk. De onbepaaldheid van de dialoog vervolgens, is een belangrijk middel in de stijl van Salter. Hij geeft de lezer de gelegenheid een nauwkeurig beeld te krijgen van personages en situaties door ze maar zeer omcirkelend te beschrijven, en door ze te laten spreken zoals mensen dat doen: meer bedoelend dan zeggend, met zo nu en dan hilarische zinnen die geen vervolg krijgen als: ‘Ik geloof wel dat je met één man teveel naar bed kunt gaan’. En dan is er nog iets zeer krachtigs aan de eerste zinnen van deze verhalen, vaak toch het probleem in dit genre. Veel ruimte is er niet, dus het moet informatief zijn, maar anderzijds vereist de lichte weerzin van de lezer om na net een verhaal uitgelezen te hebben – en dus een wereld verlaten  te hebben – dat die introductie meteen verlokkend is, inkapselend. Vanaf de eerste zin moet de lezer deel uitmaken van het verhaal.

    ‘Philip trouwde met Adele op een dag in juni.’ of ‘Ze was klein en had korte benen, en haar lichaam had zijn vormen verloren.’of ‘Er lagen verfrommelde servetten op de tafel, wijnglazen met nog een donker bodempje erin, koffievlekken en borden met stukjes hard geworden brie.’ of ‘Toen ze het restaurant uitkwamen wilde Leslie bij haar thuis nog iets gaan drinken, het was maar twee straten verderop, een groot, oud flatgebouw met glas-in-loodramen beneden en uitzicht over Washington Square.’

    De lezer moet de suggestie krijgen in die eerste zin, dat hij de helft van het verhaal al kent; de illusie van een keerpunt in een grote roman. Een verhalenbundel als een roman met hoofdstukken uit verschillende levens.

    Het beste aan korte verhalen

    In het titelverhaal helpt een man zijn vrouw die ernstig ziek is met haar geplande zelfmoord. Met een etentje vooraf zoals je dat verwacht op zo’n omineus moment met twee flessen witte wijn van 575 dollar. Want wat moet je anders? Waarbij om de spanning te breken een gemeenschappelijke vriendin aanwezig is. Pijnlijk is het goede woord. Een goed woord voor het gemiddelde gevoel waar de lezer mee achterblijft, na elk verhaal. Niet de pijn, maar het gevoel dat pijn met zich meebrengt als je de pijn zelf wegdenkt, een licht en op zich zelf staand ongeluk. Zoals in het titelverhaal letterlijk gebeurt, betrapt de lezer in de levens van Salters personages deze beperkte mensen, die we zelf zijn. In een kort pijnlijk moment is het leven eigenlijk vol schaamte, waaruit je wegloopt en waarvan je weet dat het erbij hoort en dat het steeds onvermijdelijker wordt. Zulke momenten zijn hier in tienvoud bijeengebracht. Salter draait de verwachting van de lezer voortdurend om, zoals de ‘laatste nacht’ van de zieke Marit die toch uiteindelijk meer de laatste nacht van haar behulpzame man lijkt te zijn, als bedrieger.

    Dit is een verhalenbundel die behoort tot het beste dat er aan korte verhalen verschijnt in Amerika. Salter is een meester van het genre, en een superieur stilist. Je snakt na het laatste verhaal naar meer.