• Oogst week 22 – 2024

    Lentekind

    Al ruim voordat zijn debuut Lentekind verschijnt bij Uitgeverij Meulenhoff hebben we door o.a. zijn opiniestukken in het Parool en een interview met zijn literair agent Maaike Pereboom in de Volkskrant, al kennis kunnen maken met de jonge schrijver en regisseur (in spe) Harmen van Liemt. Een jongeman die – net als zovele anderen – tijdens de middelbareschooltijd zijn seksuele geaardheid onderzoekt. Hij komt erachter dat hij niet in een hokje past, en ook zeker niet ‘gelabeld’ wil worden.

    Als blijkt dat zijn zusje, met wie hij het goed kan vinden ernstig ziek is, deelt hij zijn worsteling over zijn seksualiteit met zijn ouders. ‘Want mocht ze komen te overlijden, dan wilde ik dat ze alles over me zou weten.’
    Zijn zus overlijdt in december 2021. Van Liemt verloor niet alleen zijn zus, maar eerder ook een goede vriend. In de stukken in de krant toont hij zich een positief mens, een die heeft leren omgaan met de vele kanten van het leven. Iemand die te rade gaat bij zichzelf, en zich ook wat betreft rouw niet in een hokje laat duwen maar kiest voor de weg die voor hem het beste werkt.

    Zijn ervaringen en gevoelens liggen ten grondslag aan de roman Lentekind, dat begin juni 2024 verschijnt

    Lentekind
    Auteur: Harmen van Liemt
    Uitgeverij: Uitgeverij Meulenhoff (2024)

    de geur van zwart

    Twee jeugdtitels van de Vlaamse Tom Marien (1979) zijn op Jong Literair Nederland het afgelopen jaar besproken: Jij bent het einde, uit 2022 en Het eerste licht uit 2023 waarover recensent Ingrid Bilardi schrijft: ‘Hij […] boetseert een wereld met woorden. Elk woord staat op de juiste plek als het gaat over betekenis, ritme en rijm.’
    In beide recensies, maar ook elders, spreken de recensenten hun waardering uit voor het prachtige taalgebruik van de auteur.

    De boeken van Marien worden vaak op een verrassend mooie wijze geïllustreerd, zo ook weer bij de geur van ongeluk, en dit keer door Pascale Petterson (1980). Gezamenlijk presenteerde dit duo begin mei 2024 de geur van ongeluk, Mariens debuut als dichter voor volwassenen. Marien noemt dit boek op zijn website ‘een duistere bundel vol graphic novels’. Het is een onderzoek naar de geur van ongeluk, waarin de gedichten van Marien over personages die volgens de flaptekst ‘vol op de rem van het leven staan’ en ‘met open ogen tegen de muur knallen’, door Petterson geïnterpreteerd en getekend zijn. Marien en Petterson leerden elkaar kennen toen ze op basisscholen creatieve workshops gaven. De meeste gedichten werden eerder gepubliceerd in literaire tijdschriften.

    Tom Marien is leraar, maakt podcasts en toneelvoorstellingen, schrijft muziek. Zijn website is een bezoekje waard.

    de geur van zwart
    Auteur: Tom Marien
    Uitgeverij: Uitgeverij Poëziecentrum vzw (2024)

    Compoun

    De Zuid-Afrikaanse schrijfster Ronelda Sonnet Kamfer (1981) is vooral bekend om haar gedichten, ze is een van de meest toonaangevende dichters in het Zuid-Afrika van dit moment. Voor haar debuut Noudat slapende honde dat in 2008 verscheen kreeg ze de Eugène Maraisprijs, een prijs die jaarlijks wordt toegekend door de Zuid-Afrikaanse Akademie voor Wetenschap en Kunst aan een debuut of werk in het Afrikaans.
    In 2010 verscheen deze bundel in vertaling door Zuid-Afrikakenner, dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Alfred Schaffer. Schaffer vertaalde ook haar drie volgende bundels en haar romandebuut Compoun, dat onlangs bij uitgeverij Wereldboek verschenen is.

    Compoun gaat over twee kinderen, neef en nicht van elkaar, die opgroeien in een harde omgeving. Ze worden opgevoed door hun grootmoeder, maar een veilige omgeving biedt zij niet. De beide kinderen gaan op zoek naar de waarheid over hun familie, die zoveel geheimen kent.

    In het themanummer ‘Writers Unlimited 2024’ van de Groene Amsterdammer van 9 januari jl. stond stond een interview met Kamfer door Maria van Dordrecht. Op de vraag wat haar ertoe aanzette om een roman te gaan schrijven na al de dichtbundels antwoordt ze: ‘Ik heb altijd al dit specifieke verhaal over deze kinderen die samen opgroeien in mijn hoofd, al voordat ik poëzie schreef. Maar ik moest wat meer leven en meemaken om dit op te kunnen schrijven.’

    Compoun
    Auteur: Ronelda S. Kamfer
    Uitgeverij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
  • Oogst week 46 -2023

    Kukuruznik

    Na het overlijden van haar ouders vindt de joodse Noa in de nalatenschap van haar vader allerlei documentatie over vrouwelijke ‘aviatrices’. Ze heeft geen idee waar de obsessie van haar vader met deze vliegeniersters vandaan kwam en gaat op onderzoek uit. Noa is een kluizenaarster, woont in een kruip-door-sluip-doorhuis op de Wallen, en is mensenschuw omdat ze is opgevoed door getraumatiseerde ouders die na de Tweede Wereldoorlog bang waren voor anderen en de buitenwereld. Spreken deden Noa en haar ouders vooral via de muziek. Muziek speelt daarom ook een belangrijke rol in deze roman.

    Bij toeval stuitte schrijfster Saskia Goldschmidt op een bericht uit 1938 over een vliegenierster. Het bleef haar bij, en stond aan de basis van deze roman waarin talloze geschiedenissen van vrouwelijke piloten de revue passeren.

    In een interview met Opium vertelt Goldschmidt dat ze met deze roman niet alleen de rol van vrouwen in de geschiedenis zichtbaar wil maken, maar ook aandacht wil vragen voor de moed van deze vrouwen om anders te durven zijn dan van hen verwacht werd. Die moed noemt ze inspirerend.

    In Kukuruznik verweeft Goldschmidt Noa’s familieverhaal over een oorlogstrauma met tal van geschiedenissen van bijzondere en moedige pilotes, van o.a. de Kukuruzniks, kleine, lichte vliegtuigjes die de Russen gebruikten om de Duitsers te bombardeerden en die vooral door vrouwen werden gevlogen.

    Noa vraagt zich af waarom haar vader haar deze verhalen zo bewust heeft nagelaten. Daar komt ze langzaam maar zeker achter.

    Saskia Goldschmidt (1954) schreef eerder o.a. De hormoonfabriek en De voddenkoningin.

    Kukuruznik
    Auteur: Saskia Goldschmidt
    Uitgeverij: Uitgeverij Meulenhoff

    Dagen van glas

    Bij uitgeverij Cossee is onlangs de nieuwe roman van Eva Meijer verschenen, Dagen van glas.
    Eva Meijer (1980) is veelzijdig, zij deed het conservatorium in Den Haag, wijsbegeerte in Amsterdam, schreef romans, novellen, essays en gedichten. In 2017 ontving ze de Halewijnprijs voor haar oeuvre, een prijs op basis van de onweerstaanbaarheid van het gepubliceerde werk. Haar werk is in meer dan twintig talen vertaald en werd meermaals genomineerd voor literaire prijzen of won deze.
    Meijer is daarnaast ook politiek actief, en ook als muzikant, kunstenaar en columnist.

    In Dagen van glas gaat het volgens de flaptekst ‘over de kernvraag van ons bestaan: wat betekent het om goed te leven? Hoe moet je je eigen bestaan betekenis geven, en wat houdt het in om goed samen te leven met anderen?’

    Ook hier op Literair Nederland aandacht voor diverse boeken van Meijer. Thomas van Houwelingen bijvoorbeeld, schrijft over Voorwaats: ‘Meijer slaagt erin een toch vrij ernstige ideeënroman zodanig licht en stijlvol op te schrijven dat de inhoud ervan niet te zwaar op de maag ligt.’

    Dagen van glas
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Gelukkige dagen

    Renée van Marissing (1979) schrijft romans, korte verhalen, essay, theater- en hoorspelteksten.

    Haar romans gaan veelal over familie: -leven, -leed en -liefde.
    Ging het in haar debuut Het waaien van mijn oma over de relatie tussen drie generaties, in Parttime astronaut over een uiteenvallend huwelijk, in Onze kinderen stond het ouderschap centraal. Met deze laatste roman stond ze op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. De jury schreef o.a.: ‘Hoewel het verhaal bij vlagen hartverscheurend is, houdt ze het elegant, licht en geestig.’

    Het onlangs verschenen Gelukkige dagen is haar vijfde roman. De waarde van vriendschap is hierin het thema. In Gelukkige dagen maken we kennis met de zesenveertigjarige Sil. Zij krijgt al jong de diagnose ‘ziekte van Alzheimer’. Haar vriendin Lina verzorgt haar zo goed en zo kwaad als het gaat, samen met Sils vrienden. Naarmate de tijd verstrijkt en woorden steeds meer hun betekenis lijken te verliezen, wordt dat steeds lastiger.

    Gelukkige dagen
    Auteur: Renée van Marissing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido
  • Boeken bieden soelaas in Japanse verhalenbundel

    Boeken bieden soelaas in Japanse verhalenbundel

    De 21-jarige Tomoka Fujiki uit de verhalenbundel De bibliotheek van geheime dromen van Michiko Aoyama werkt in de dameskledingwinkel Eden in een hypermarkt in Tokyo. Zij is ontevreden met haar bestaan en baantje. Is ze hiervoor als achttienjarige student-in-spé vanuit de plattelandsgemeente waar ze is opgegroeid naar Tokyo getrokken? Ze heeft indertijd alles op alles gezet om toegelaten te worden tot een hogeschool in de grote stad, toen dat lukte werd ze de trots van haar omgeving, maar nu overmant haar de stille angst ‘zonder doel en droom oud [te] worden.’ Door een leestip van een markante medewerkster van de bibliotheek in het Community House bij haar in de buurt komt ze tot andere inzichten. Ze krijgt de Japanse kinderklassieker Guri en Gura mee. Het blijkt dat iedereen met wie ze over dit boekje spreekt er een andere herinnering aan heeft of elementen anders interpreteert. Er zijn dus meerdere waarheden, leert ze. Ook ziet ze in dat je mensen, situaties en jezelf verkeerd in kunt schatten. Dat datgene wat zij doet niks voorstelt is háár invulling. Bovendien leert ze dat het tijd en ervaring kost om je iets eigen te maken en ergens beter in te worden. Dat geldt voor het bakken van de castellacake uit het kinderboekje maar natuurlijk ook voor haar leven. ‘Al doende leert men.’ Met Tomoka komt alles goed. Ze heeft vertrouwen in haar toekomst.

    Dit leren en vertrouwen hebben is de blauwdruk voor alle vijf de verhalen. De protagonisten worstelen met zichzelf, komen toevallig in steeds dezelfde bibliotheek bij steeds dezelfde bijzondere bibliothecaresse terecht en krijgen van haar naast de gevraagde boeken steeds een verrassend andere leestip. Deze tip is de sleutel tot nieuwe inzichten en tot nieuw gedrag en er volgt een afgerond gelukkig eind. De bijzondere bibliothecaresse is Sayuri Komachi. Haar verschijning is opvallend: ze wordt achtereenvolgens beschreven als ‘een buitensporig grote vrouw’ […] ‘met een romp die op knappen lijkt te staan’ en een ‘hoofd zonder kin’, ‘een witte beer in winterslaap’, een vrouw ‘die op [een] panda […] lijkt’, op een ‘reusachtige rijstbal’ of een ‘Boeddhabeeld’. Haar stem daarentegen is ‘wonderbaarlijk’, ‘boven verwachting vriendelijk’; wellicht symbolisch voor het luisterende oor dat zij iedereen biedt. In haar infohokje achter haar computer zit ze voortdurend te vilten met schapenwol. Ze maakt allerlei kleine beestjes en objecten en geeft iedere klant een symbolisch vilten cadeautje mee. Zo krijgt Tomoka een koekenpannetje, dat symbool blijkt te staan voor het leren maken van de cake, maar er wordt ook een kat, een vliegtuigje een aardbolletje en een krab uitgedeeld. Voor de bibliothecaresse is het vilten therapeutisch. ‘Als je de hele tijd met een naald in een wolletje prikt wordt je geest leeg.’ Het bezoek aan haar is een rode draad door het boek die alle verhalen verbindt en de personages leert prikken in hun eigen leven.

    Hoe meer boeken hoe beter

    Natsumi uit het derde verhaal is een veertigjarige tijdschriftredactrice. Ze werkt al dertien jaar voor het vrouwentijdschrift Mila en wil heel graag bij een literaire uitgever gaan werken. Ze heeft een schrijfster binnengehaald die eerst feuilletons voor het tijdschrift is gaan schrijven en van wier werk later een roman is gepubliceerd. Het tijdschrift kreeg stijgende verkoopcijfers en de roman werd bekroond met een grote literaire prijs. Natsumi is ambitieus maar ook zwanger en daar komt de kink in de kabel. Na de bevalling wordt ze op haar werk overgeplaatst naar de afdeling Archief en Documentatie en het moederschap valt haar zwaar. Ze vertoont verschijnselen van een spijtmoeder: het is als ‘Winnie de Pooh schattig vinden en in werkelijkheid met een beer samenleven.’ Wat niet meehelpt is dat haar man Shuji ondanks beloftes vooraf altijd aan het werk is en weinig beschikbaar voor de zorg voor het kindje. Matsumi leert van mevrouw Komachi dat ze haar grootste hobbel in het leven al genomen heeft, namelijk het baren van een kind. ‘Aangezien we iets dergelijks hebben doorstaan, kunnen we alles te boven komen.’ Via en dankzij het boek van de gekende Japanse schrijfster Yukari Ishii dat zij ongevraagd meegekregen heeft leert ze nog meer wijsheden. Het gaat om ratio en intuïtie beide, om acceptatie van de wereld om ons heen en om de waarde van literatuur. Vervolgens vindt ze via-via een nieuwe baan bij een kinderboekenuitgeverij, nota bene de uitgever van het kinderboek dat zij ongevraagd meekreeg van de bibliothecaresse. Deze uitgeverij is niet alleen kindvriendelijk maar blijkt als werkgever ook moedervriendelijk. De relatie met partner Suhji en zijn inzet voor de zorg van het kind verbetert. Matsumi houdt natuurlijk toch heel veel van haar kindje en ze kan weer geïnspireerd aan het werk. ‘Hoe meer leuke boeken in de wereld, hoe beter.’

    Draadjes

    En zo gaat het in elk verhaal. De 35-jarige Makoto Urase krijgt van mevrouw Komachi een kat mee en een boek over poezen. Hij werkt als hoofd financiën bij een meubelfabrikant, maar droomt al sinds zijn tienertijd over een eigen bric-á-bracwinkeltje. Het winkeltje in de buurt waar hij als tiener graag kwam en waar hij deze inspiratie heeft opgedaan is al lang failliet en hij weet dat er geen bestaansrecht voor dit soort winkels is. Door een hobbyistische kattenboekwinkeluitbater die hij ontmoet ziet hij plotseling mogelijkheden voor een parallelle carrière. Hij leert dat je ‘van wat je niet hebt […] je doel [moet] maken’ en realiseert zich dat mentale voldoening ook vervullend kan zijn. De conflicten op zijn werk en met zijn vriendin worden opgelost en het ‘ooit’ van zijn winkeldroom wordt ‘morgen’.

    En dan de dertigjarige Hiroya. Hij is een zelfverklaarde NEET (not in education, employement or training) en brengt zijn dagen in ledigheid door, niet in het minst tot grote ontevredenheid van zichzelf. Hij wordt wakker gekust uit zijn lethargie door een boek over Darwin waardoor hij zich realiseert dat hij zelf zijn omgeving kan veranderen. Hij betuigt spijt tegenover zijn moeder, komt in de bibliotheek te werken en vormt daar de overgang naar het vijfde en laatste verhaal met als hoofdpersoon de pas gepensioneerde Masao. In dit verhaal komen de draadjes van de vier voorgaande verhalen samen.

    J-lit

    De Vlaamse vertaler prof. dr. Luk Van Haute legt in een artikel in De Gids (De jacht op de nieuwe Murakami: omtrent Japanse en on-Japanse literatuur 2009, jaargang 172) uit dat er in Japan traditioneel een strikt onderscheid bestond tussen ‘pure literatuur’ en ‘massaliteratuur’, een onderscheid dat sinds Murakami’s Norwegian Wood uit 1987 waziger is geworden. ‘J-lit’, Japanse literatuur, werd een nieuwe algemene benaming voor alle literatuur. Een ander opvallend verschijnsel in het Japanse boekenlandschap is het feit dat er de laatste decennia vele nieuwe onderscheidingen voor boeken in het leven zijn geroepen. Al deze onderscheidingen zijn publieksprijzen, waarbij dus geen beroepslezers in de jury zitten. Vooral jonge, vrouwelijke schrijvers winnen deze prijzen. ‘Jibun sagashi’, zoeken naar jezelf, is sinds de jaren negentig een leidmotief in die literatuur van vrouwelijke auteurs.

    Schrijfster Michiko Aoyama en De bibliotheek van geheime dromen passen in dit plaatje. De personages in de verhalenbundel zoeken naar zichzelf. De schrijfster ontving voor haar werk meerdere literaire prijzen en voor deze roman behaalde ze de tweede plaats van een Japanse boekhandelsprijs.

    De roman is toegankelijk geschreven in prozaïsche, ondubbelzinnige taal. Op gebruik van veel beeldspraak is de schrijfster in dit boek niet te betrappen. De verhalen zijn daardoor beslist zeer makkelijk te lezen, maar ook door de voortreffelijke taal van vertaler Elbrich Fennema. Voor de West-Europese lezer zijn er genoeg interessante typisch Japanse elementen in de roman aanwezig zoals manga, culinaire eigenheden, kersenbomen in bloei en Japanse boeken, schrijvers en dichters. Van alle tijden en alle culturen zijn de levensvragen die langskomen plus de bijbehorende zoektochten naar houvast en naar een weg in het leven.

     

     

  • Zoektocht naar waarheid

    Zoektocht naar waarheid

    In september 2022 overleed de Spaanse schrijver Javier Marías Franco op eenenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van Covid-19. Op mijn e-reader stond al een poosje zijn A heart so white. Ik was erin begonnen en weer gestopt na de heftige openingspassage en wilde het eigenlijk liever in het originele Spaans, Corazón tan blanco lezen, dat al in 1992 was gepubliceerd. Het boek werd in 1995 in het Nederlands vertaald door Aline Glastra van Loon met als titel Een hart zo blank. In 2013 gaf Meulenhoff het opnieuw uit.
    Het Spaanse nieuws besteedde veel aandacht aan Marías’ dood. Net als ze dat deden met de in 2020 overleden Carlos Ruiz Zafón, de auteur van het veel commerciëlere De schaduw van de wind. En Almudena Grandes die, ook veel te jong, in 2021 overleed. Drie grote hedendaagse auteurs in het Spaanse taalgebied allemaal kort na elkaar overleden, waarbij Javier Marías zelfs een kanshebber voor de Nobelprijs was.

    De titel Een hart zo blank is evenals eerdere boektitels van Marías ontleend aan Shakespeare. My hands are of your colour. But I shame to wear a heart so white,’ zegt Lady Macbeth. Met andere woorden, ze erkent haar schuld aan de moord op Duncan, maar ze voelt niet dezelfde schuld of angst als Macbeth en ze spreekt schande over zijn lafheid na de moord. Dit is het hoofdthema van Een hart zo blank. In hoeverre ben je medeplichtig aan iemands moord als je van de ‘daad’ op de hoogte bent. Kan je ooit écht je geliefde, ouders en andere familieleden, of vrienden doorgronden en begrijpen? Herinneringen en gesprekken worden zo vaak verschillend geïnterpreteerd, en is hetgeen niet uitgesproken wordt niet belangrijker dan wat wel gezegd wordt? Marías beschrijft de gedachtestroom van zijn protagonist in lange zinnen en neemt vaak een afslag bij een associatie die schijnbaar zijdelings met het onderwerp te maken heeft. Marías vond zichzelf een heel gewoon iemand en schreef graag over dingen die veel mensen bezighouden. ‘Wie heeft er geen geheimen? Wie heeft zich niet ooit door een geliefde verraden gevoeld of heeft iemand anders verraden.’

    Geheimen van gewone mensen

    De plot van Een hart zo blank is vrij eenvoudig. In de openingsalinea pleegt een jonge vrouw zelfmoord tijdens een etentje in het huis van haar vader. Ze is onlangs getrouwd met Ranz en ze zijn net terug van hun huwelijksreis. Het drama van haar zelfmoord wordt gedetailleerd beschreven door de ogen van Juan, die toentertijd nog niet eens geboren was. ‘Ik wilde het niet weten, maar ik ben te weten gekomen dat een van de meisjes, toen ze geen kind meer was en kort nadat ze was teruggekeerd van haar huwelijksreis, naar de badkamer ging, zich voor de spiegel posteerde, haar blouse losknoopte, haar beha afdeed en haar hart zocht met de loop van het pistool.’ Vervolgens trouwt Ranz na de dood van zijn vrouw met haar jongere zuster en met haar krijgt hij één zoon, Juan.

    In de volgende scène is Juan met zijn vrouw Luisa op huwelijksreis in Cuba. Ooit woonde zijn vader daar ook, toen hij nog getrouwd was met weer een andere vrouw dan zijn moeder en zijn tante. Iets wat Juan op dat moment allemaal nog niet weet. Vanaf het balkon van hun hotelkamer heeft hij een vaag contact met een vrouw beneden op straat, die hem voor iemand anders aanziet. Ze blijkt in de kamer naast hen een minnaar te hebben. Vervolgens luisteren Juan en Luisa, die ziek is, onafhankelijk van elkaar naar het gesprek in de kamer naast hen over het vermoorden van de vrouw van de man. Door het hele boek heen blijft dit verontrustende gesprek Juan bij en steeds grijpt hij terug naar herinneringen: het bh-bandje dat in Luisa’s huid sneed, andere mensen die op straat wachtten en naar zijn hotelkamer gluurden, de echtelieden die samen een hoofdkussen deelden. Of gesprekken afluisteren en het gehoorde op eigen manier interpreteren. Luisa heeft de gebeurtenis in de hotelkamer destijds heel anders onthouden, bovendien had ze toen koorts. Hoever reiken geheimen, hoeveel onthoud je en hoezeer gaan details een eigen leven leiden? Juan durft Luisa bijvoorbeeld niet over zijn jeugdliefde te vertellen. Dat geheim blijft van hem. Maar wat is de waarde er nog van, zoveel jaar later?

    Wat is waarheid, wat leugen

    Op zijn huwelijksdag neemt zijn vader Juan apart en zegt tegen hem: ‘Deel je geheimen nooit met je vrouw, of wees in ieder geval voorzichtig met wat je prijsgeeft.’ Het is een vreemd gesprek dat Juan, die juist zoekt naar zekerheid en een duidelijk gevoel over de juistheid van zijn huwelijk, uit het lood slaat. Hij begint te twijfelen aan zijn huwelijk en zijn vertrouwen in Luisa.

    Na de huwelijksreis in Cuba, komt Juans werk als tolk-vertaler aan bod bij de VN en de Europese Unie. Zo leerde hij Luisa kennen, die ook vertaler is. Ook dit is een verwijzing naar het thema. Juan voelt de macht om hetgeen hij hoort en moet vertalen te manipuleren. Het zijn interessante stukken als Marías dieper ingaat op de niet-alledaagse wereld van de tolk-vertaler. Of als hij ingaat op kunst.
    Ranz, Juans vader, was tijdens zijn werkzame leven conservator in Het Prado in Madrid. Hij kent kunstenaars, kunsthandelaren, kopiisten en heeft meer dan eens gesjoemeld met de waarheid. Wat is eerlijkheid, wat is waarheid? Wat voor de een waarheid is, is voor de ander een leugen, zoals de anekdote illustreert als Ranz een kopie van een schilderij van Ingres aan een rijke bankier in Buenos Aires wil verkopen. De bankier blijft volhouden dat dit het origineel is. Ranz verzekert hem ervan dat het om een kopie gaat, maar laat de man, als hij niet te overtuigen is, het volle pond betalen. Nog nooit is er zoveel geld voor een kopie neergeteld.

    Wanneer Juan bij een vriendin in New York logeert, omdat hij acht weken als tolk voor de VN moet werken, wordt hij medeplichtig gemaakt aan haar geheim. Zij is geobsedeerd door seksuele ontmoetingen met vreemde mannen, aanvankelijk sturen de ‘dates’ elkaar video’s en vertellen ze hun verhaal. In hoeverre is dat verhaal waar? Voor Juan is het een aanleiding om terug te grijpen naar zijn eigen herinneringen en zijn eigen waarheid te reconstrueren.

    Essentie

    Uiteindelijk wil Luisa aan Ranz, haar schoonvader, het geheim ontfutselen over de oorzaak van de zelfmoord van zijn vrouw. Juan zit er niet echt op te wachten, het is immers zijn vaders geheim. Hij  mag dat bij zich houden en het is lang geleden, wellicht is de waarheid vervluchtigd. Het boek eindigt met Ranz’ verhaal en dat maakt het verhaal af en rond en geeft het boek haast een detectiveachtige allure. Toch is het Marías daar niet om te doen. De essentie van een roman zit voor hem in scènes waarbij de lezer kan denken: daar heb ik nooit over nagedacht, waarbij hij een zin ziet die hij wil onderstrepen omdat er iets staat wat hij wist en tegelijk níet wist, of niet onder woorden kon brengen. Iets wat hij herkent als een waarheid.
    Soms leeft de neiging een paar bladzijdes over te slaan. De herhaling van zinnen en gebeurtenissen in Marías’ werk wordt wel vergeleken met een muziekstuk. Het op veel manieren hetzelfde zeggen, maar steeds net weer een beetje anders intrigeert en irriteert. Toch achtervolgen de beelden, de details en rijkheid van zinnen. Ze blijven nazinderen en vragen om meer Javier Marías.

     

     

  • Thema en variaties

    Thema en variaties

    Muziek is de rode draad in Hotel Goldberg, de tweede roman van Ewa Maria Wagner. ‘Goldberg’ in de titel verwijst naar de Goldbergvariaties van Bach, de compositie waarmee Wagners protagoniste, de Nederlands-Poolse pianiste Marie is opgegroeid. Als docente aan het conservatorium van Amsterdam brengt ze al sinds jaar en dag haar liefde voor Bach over aan de volgende generatie pianisten. En toch. Er wringt iets in het muzikale leven van Marie. ‘Muziek leek slechts door mijn leven te kabbelen, in plaats van echt te stromen,’ merkt zij op.

    Marie voelt zich steeds erger verstrikt in het web van verwachtingen van anderen. Haar vriendin doet beroep op haar hulp in het restaurant dat ze samen runnen, op het conservatorium verwacht een student dat ze meewerkt aan een project en haar bejaarde vader wil dat ze hem vergezelt naar Polen, waar Marie’s tante net is overleden. Onderkoeld en precies registreert Marie wat er om haar heen gaande is. Zelf blijft ze aanvankelijk een meewerkende toeschouwer, die lijkt niemand helemaal tevreden te kunnen stellen, en zichzelf allerminst.

    Een hotel in Silezië

    Pas in Polen wordt ze gesteld voor een keuze, waarvoor ze niet kan weglopen. Ze blijkt de enige erfgenaam van haar tante, haar moeders zus Christa, en daarmee wordt ze opeens de eigenaar van een hotel in Silezië. Marie is niet goed bekend met Silezië, een gebied dat honderden jaren tot Duitsland behoorde en na de Tweede Wereldoorlog Pools werd, en toch voelt ze dat ook dat een deel van haar herkomst is.

    Wagner weet waar ze het over heeft als ze de strijdigheid tussen Marie’s Duitse grootvader en Poolse grootmoeder beschrijft. Zelf groeide ze ook op in Silezië, in een gezin vol oorlogstrauma’s. Daarover schreef zij haar sterk autobiografische eerste roman, Het Tristan-akkoord. In de nieuwe roman verbreedt ze haar radius van de familiegeschiedenis naar de geschiedenis van de plaats, de stad Pless, die even goed staat voor de gespannen verhoudingen in elk door de oorlog verscheurd oord. Wagner voert de verschillende lagen van het verhaal aan als variaties op een thema, ook letterlijk: het boek bestaat uit 42 variaties of hoofdstukken, tien meer dan in Bachs Goldbergvariaties, die ongetwijfeld ten grondslag liggen van de structuur van de roman. Toch doet het verhaal niet gekunsteld aan, eerder gecomponeerd, zoals het een schrijvende musicus betaamt; van huis uit is Wagner altvioliste.

    Ook in tante Christa’s hotel werd Bach gespeeld, en van Christa heeft Marie als kind haar liefde voor muziek gekregen. Die innerlijke band met haar tante hoopt ze te hervinden in het hotel, maar ze stuit op iets heel anders: de nagelaten schriften van haar grootvader, waarin hij verslag doet van zijn leven aan het oorlogsfront. Met de schriften krijgt het hoofdthema van het boek én van Marie – kiezen voor jezelf of leven zoals anderen van je verwachten – een nieuwe variatie erbij.

    Verantwoordelijkheid

    ‘Pas op voor geheimen,’ waarschuwt Marie’s vader, voordat hij terugreist naar Nederland. Marie blijft achter met een hotel en alle intriges die gekoppeld zijn aan Christa en haar nalatenschap. Opa’s geschriften bieden Marie een uitvlucht uit die lastige situatie, en met elke pagina raakt ze meer gebiologeerd door een geschiedenis die ze niet kende. Tot ze het punt van schok en afschuw bereikt. Grootvader heeft namelijk vooral niet gekozen: hij werd een SS’er omdat hij Duitser was, en als SS’er heeft hij, zoals zovelen, gedaan wat hem opgedragen werd, niet uit overtuiging, maar uit plichtsbesef. In haar verantwoording legt Wagner uit dat ze het personage van de grootvader losjes gebaseerd heeft op een historische figuur: de oorlogsmisdadiger en SS’er Willi Kulla, die, net zoals Marie’s grootvader, afkomstig was uit Pless en tegen het einde van de oorlog gestationeerd was in Baarn.

    Naar Baarn voert uiteindelijk ook het spoor van Marie’s erfenis. Tegen beter weten in heeft zij niet opgepast voor geheimen. Nu moet ze de verantwoordelijkheid dragen voor wat ze weet en haar uiteindelijke keuze maken: Amsterdam of Pless. Het is jammer dat Wagner aan het einde de verhaallijnen zo sluitend aan elkaar knoopt. Alle vragen worden beantwoord, er blijft weinig ruimte over voor ambivalentie en twijfel. Mooi is dat Wagner de muziek niet uit het oog verliest, maar de Goldbergvariaties steeds op een andere manier laat terugkomen – ook dat is al een variatie op zich.

    In een interview met het radioprogramma Nooit meer slapen legt Wagner uit hoe het komt dat ze pas begon met Nederlands leren, toen ze al een geruime tijd in het land woonde. In de internationale wereld van musici – ze speelt in het Radio Filharmonisch Orkest – worden vele talen door elkaar gesproken, met de muziek als de gemeenschappelijke taal. Die ervaring laat Wagner ook in Hotel Goldberg terugkomen, als ze de woordloze relatie tussen Marie en haar pas ontdekte, meervoudig gehandicapte halfbroer beschrijft. Dat levert gelijk de meest aangrijpende en geloofwaardige passages van het boek op.

     

  • Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt

    Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt

    Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen, een gevangeniskolonie in Drenthe. Ze heeft samen met haar man, beeldend kunstenaar Jaap de Ruig veel gereisd. De sporen daarvan zijn in haar romans en non-fictie boeken terug te vinden. Sinds haar debuutroman Sevillana (1990) bouwde  ze aan een divers oeuvre, schreef columns en reisverslagen voor de Volkskrant en publiceert regelmatig essays en opiniestukken in de NRC. Twee van haar boeken, de roman Bokkezang (1994), en het non-fictieboek Tribune van de armen (2017), werden respectievelijk in het Russisch – en Spaans vertaald. Ze reisde twintig jaar lang jaarlijks naar Roemenië, leefde waar de Roma’s leefden en schreef daar twee reisboeken over, De stilte voor het vuur (1992) en Sla een spijker in mijn hart (2006). 

    Eerst dit: Midden jaren tachtig ontmoette ik in Deventer een jong stel dat met paard en wagen door Europa reisde. Ze stopten op de kade langs de IJssel op het moment dat ik met mijn kinderen wilde oversteken. De kinderen waren verrukt van de wagen, van het paard. Zij vertelde dat ze onderweg stukjes schreef voor een blad. Zij trokken verder, wij staken de weg over. Later vermoedde ik bij elk boek dat van Mariët Meester verscheen, dat zij het was geweest die we daar ontmoet hadden. In de mailwisseling voor een interviewafspraak werd mijn vermoeden bevestigd. 

    Voor Literair Nederland spreek ik haar op een middag in december. Ze ontvangt me op hun driehoog gelegen etage in de Rivierenbuurt in Amsterdam. De ruimtes zijn rustig en minimalistisch ingericht. Boven de schouw in de achterkamer herken ik de foto van de schrijfster met een (dode) zwaan die ze met beide handen bij de hals vasthoudt ter hoogte van haar borstbeen. Het zwanelijf sierlijk naar beneden hangend, haar hoofd met opgebonden haren afgewend. Het beeld stond ooit op de cover van haar roman De overstroming uit 2003. We nemen plaats in de woonkamer, er is thee, brokken chocola op een schoteltje. 


    Waarom reisden jullie toen met paard en wagen, waar kwam het idee vandaan? 

    ‘Ik zat begin jaren tachtig op de Academie voor Beeldende Kunsten Minerva en het vijfde jaar was een stagejaar, dat mocht je naar eigen idee invullen. We bedachten toen om zelf een woonwagen te bouwen en op reis te gaan. Onderweg zou ik dan werk voor de academie maken.’
    Ze laat foto’s zien van de wagen waar ze met haar vriend (nu man) op de bok zit. Ik herken het beeld, de wagen. Ik laat weten dat ik het toen een idyllisch geheel vond. ‘Maar het was ook afzien’, zegt ze. ‘Er was geen verwarming en ruzies waren onvermijdelijk. We leefden heel dicht op elkaar, dat was best heftig. Op een binnenwand van de wagen hebben we op een gegeven moment onze relatie geschilderd, veel boze, woeste koppen.’ 


    Schreef je toen ook al?

    ‘Tijdens die reis waren op een gegeven moment mijn boeken op en ben ik zelf gaan schrijven. Een van die verhalen stuurde ik naar een tijdschrift en dat werd meteen geplaatst. Ik kreeg er honderd gulden voor, dat stimuleerde me wel om door te schrijven.’ 


    Schrijven is dus uit nood ontstaan?

    ‘Oh nee, vanaf het moment dat ik op de lagere school leerde schrijven, wilde ik dat al. Maar als kind was ik verlegen, durfde niet te zeggen dat ik schrijver wilde worden. Wist ook niet wat je daarvoor zou moeten studeren. Toen ben ben naar de kunstacademie gegaan, dat heeft me wel geholpen. Daar leerde ik een bepaalde manier van kijken.’ 

    Uit de aantekeningen die ze tijdens haar reis halverwege de jaren tachtig maakte, ontstond een boek, Een spoor van paardenmest. De onlangs overleden Maarten van Dullemen wilde het publiceren. ‘Hij was de broer van Inez van Dullemen dus ik dacht, dat zit wel goed. Het waren dagboeknotities, maar hij deed geen redactie, publiceerde het zoals ik het had ingeleverd. Daardoor is het wel heel authentiek, maar ik vind het niet goed genoeg.’


    Je derde boek was de androgyne roman Bokkezang.

    ‘Het was heel intens dit boek te schrijven, het kwam uit het diepst van mijn ziel. Het gaat over het non-binaire, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, en de manier van samenleven met dieren. Een roman waarin vrijheid, behoud van waardigheid, wellust en androgynie een rol speelden. Ik heb het ingeleverd bij Tilly Hermans die toen bij Meulenhoff redacteur was. Nadat ze het gelezen had zei ze, “Dit is beter dan het meeste dat ik binnen krijg.” Later hoorde ik dat ze met het manuscript juichend door de uitgeverij had gelopen, “Dit gaan we groot maken.” Maar de pers begreep er niets van, ze vonden het een raar boek. Het was er de tijd niet voor, terwijl ik toen dacht, “Dit is het beste dat ik in me heb.” De recensies die er kwamen, waren wel positief. Later is het bij De Slegte beland en zelfs daar (lachend) liep het niet.’ 

    ‘Maar’ zegt ze, ‘het is goed gekomen. Tien jaar later werd het ontdekt door een Russische hoogleraar die het vertaalde en werd het in Rusland uitgegeven. Er kwam een presentatie in St. Petersburg en het boek liep daar heel goed.’

    Daarna verscheen De eerste zonde, een ‘coming of age’ roman over een pubermeisje dat opgroeit in de gevangeniskolonie Veenhuizen. Ze helpt een gevangene die ontsnapt is zich te verbergen, brengt hem eten en kleren, wordt verliefd op hem.

    ‘Dat was toch wel een reactie op hoe Bokkezang ontvangen werd. Dat het niet begrepen werd, daar was ik wel van geschrokken. Daardoor ging ik een lichter boek schrijven. Maar het past ook wel bij me, dat ik steeds iets anders schrijf. Mijn toenmalige uitgever Maarten Asscher zei eens tegen me, “Jij doet bij elk boek iets anders, je zoekt steeds weer nieuwe dingen uit. Dat kan voor de lezer wel eens lastig zijn.” Maar dit is mijn manier van schrijven, ik kan niet anders. Ik ben een kunstenaar, het interesseert me niet om steeds hetzelfde de toen.’


    Wat schrijf je het liefst, fictie of non-fictie?

    ‘Fictie schrijven is wel moeilijker, maar ik doe het liever. Het is voor mij echt kunst. Maar als ik alleen fictie zou schrijven, dan zou ik teveel opgesloten zitten. Voor non-fictie ga ik op onderzoek uit, naar Amerika bijvoorbeeld, zoals ik voor het boek De Mythische oom heb gedaan, of naar Spanje, voor De tribune van de armen.’ 


    In een documentaire over de gevangeniskolonie zei je dat je daar heel gelukkig was. Dat had te maken met de ‘lammeren en de leeuwen’ die daar bij elkaar woonden. Wat bedoelde je daarmee?

    ‘Er waren daar geen contrasten, je zag die gevangenen elke dag, het hoorde erbij. Je zag dat het gewone mensen waren, je leefde in een soort symbiose met elkaar. Die eenheid vind ik heel bijzonder. In het echte leven heb ik daar wel moeite mee, dat er geen eenheid is. Daar vormde je met elkaar een gemeenschap. Ik ben altijd nog teleurgesteld hoe mensen polariseren, ook nu in deze corona tijd. Dat vind ik verschrikkelijk, dan denk ik, “leef je eens een beetje in de ander in.”’

    Begin 2020 verscheen haar achtste roman, Pingping, waarin de protagonist van de een op de andere dag breekt met haar oude leven en op zoek gaat naar een eenvoudiger leven. Een mooie gebonden uitgave met leeslint, op de titelpagina een met de hand ingekleurd vogeltje, gedrukt in een eenmalige oplage van duizend stuks. Samen met haar man, richtte ze voor deze uitgave uitgeverij Caprae op. Voor een schrijver die doorgaans haar boeken publiceert bij bekende uitgevershuizen als Meulenhoff, Balans en De Arbeiderspers, een opmerkelijke zet.  


    Waarom wilde je dit boek zelf uitgeven?

    ‘Dat was puur vanwege het onderwerp. Het boek gaat over iemand die wil uitzoeken of je minder geld kunt uitgeven en toch ‘rijker’ kunt leven. Zij maakt zich zorgen over ons leefklimaat en wil echt stappen nemen om het klimaat zo min mogelijk te belasten. Ik wilde kijken of ik dat ook in de manier van publiceren kon doorvoeren door de oplage beperkt te houden. Zoiets kon alleen rendabel zijn met een eigen uitgeverij. Het was misschien wel wat naïef, want iemand van Boekblad riep, “Hoe kun je dat nou doen, je zit bij De Arbeiderspers?!” Daar had ik niet aan gedacht, dat mensen zouden denken dat De Arbeiderspers me niet meer wilde. Maar het was een bewuste keuze. Gelukkig werd het een succes. En het was heerlijk alles eens zelf te kunnen bepalen, het omslag, lettertype. Jaap en ik hebben die kennis in huis, voor ons was het een kunstproject.’


    Wat is een van de belangrijkste dingen geweest in je schrijversleven?

    ‘Ah, dat was toch wel mijn deelname aan een zesweekse reis door Europa, de Literatuurexpres. Dat was in 2000, een literaire reis van Lissabon, via Scandinavië naar Rusland en terug via Berlijn. Dichter Serge van Duinhoven en ik waren uitgenodigd namens Nederland. Het was een project van voormalige Oost-Duitsers, Literatur Werkstatt. Ze hadden meer dan honderd schrijvers uit heel Europa bij elkaar gebracht en een speciale trein gereserveerd. 

    Per land werd er een fragment uit de roman die je vooraf had ingestuurd, voor je vertaald. Ik had Bokkezang gekozen. We traden eerst op in Lissabon. Arie Pos, Portugees vertaler, had vooraf een fragment daaruit vertaald. We gingen onder andere naar Madrid, de Baltische staten en St. Petersburg. Het was razend interessant maar zes weken was ook wel lang. Voor het cultuurkatern van de Volkskrant heb ik tijdens die reis een zestal columns geschreven. Ik kreeg een mobieltje van de krant, een van de eerste mobieltjes. Dan stuurde ik via mijn laptop en die mobiel, mijn stukjes door. Ik heb aan die reis goede herinneringen en vele schrijversvrienden uit allerlei landen overgehouden.’


    Binnenkort verschijnt er een autobiografisch boek van je. Wat was de aanleiding om die te schrijven?

    ‘Het was in 1994 dat ik al besefte dat ik wel wat bijzonders heb beleefd tijdens mijn jeugd in die gevangeniskolonie, en dat ik dat maar eens moest opschrijven. Ik ben toen gaan zitten en heb alles genoteerd wat in me opkwam uit die tijd. Veel later sprak ik er met Marcel Möring over, hij zei, “Je niet kunt doodgaan zonder het verhaal, zoals het was, een keer verteld te hebben.” Alles wat ik in 1994 heb genoteerd, heb ik nu als basis voor dit boek, Koloniekind kunnen gebruiken. Herinneringen vervormen door de jaren heen, en ik was blij dat ik dit materiaal van zesentwintig jaar geleden had.’


    Hoe was het om daarover te schrijven?

    ‘Het mooie is dat door dit boek alles bij elkaar komt. Je oeuvre wordt als het ware helemaal rond. Elk boek van mij is anders, al zit er wel een bepaalde lijn in. Met dit boek ga ik terug naar de basis. In het eerste hoofdstuk beschrijf ik bijvoorbeeld hoe ik als vijfjarige over een lange rechte laan fiets. In de epiloog merk ik op dat er in al mijn boeken wordt gefietst, dat ook dit boek begint en eindigt met fietsen.’ 

    ‘Het was een besloten gemeenschap, het hele dorp was afgesloten met driehonderdvijftig bordjes ‘Verboden toegang’. De meeste mannen daar liepen in een zwart uniform. Er waren bewakers met een karabijn schuin op de rug. Als wij visite kregen werd dat van tevoren aangevraagd. Je kon niet zomaar bezoek ontvangen. 

    Het waren allemaal brave ambtenaren die daar werkten. Voor mij waren die gevangenen razend interessant. Al schrijvend aan Koloniekind, heb ik ontdekt dat zij mijn rolmodellen waren. Ik begin nu te zien, door dit laatste boek, waar mijn thematiek vandaan komt.’


    Je vader woont nog in Veenhuizen, hij is drieënnegentig. Heb je met hem over dit boek gesproken?

    ‘Nou, (lachend) hij wil hier niet zoveel over weten. Ik heb hem wel veel gevraagd over hoe het vroeger was, zonder te vertellen dat het voor een boek was. Later heb ik hem verteld  dat er een boek komt over die tijd. Dat hij er ook in voorkomt en op het omslag staat. Hij vond het goed. “Ik zie het wel,” was zijn reactie. Hij weet dat ik respectvol te werk ga. Mijn redacteur noemde het een liefdevol boek, dat was wel een opluchting.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Koloniekind, Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen van Mariët Meester verschijnt in april bij uitgeverij De Arbeiderspers.


    Kijk voor haar gehele oeuvre op Mariët Meester.nl.

    Foto auteur: Jaap de Ruig

     

  • Duizenden ansichtkaarten

    Duizenden ansichtkaarten

    Van alles wat je doet, laat zich pas achteraf de betekenis zien. Ik las Mijn beter ik, Herinneringen aan Simon Carmiggelt, dat bij verschijning in 1991 gedoe veroorzaakte onder familie en lezers van zijn stukjes. Niemand wist dat Carmiggelt een geheime relatie onderhield met Renate Rubenstein. Ze schreef er pas over na het overlijden van Carmiggelt in 1987. Dat ze de minnares van Carmiggelt was geweest, tien jaar lang, tot aan zijn dood. De naam van de man die het label ‘meest getrouwde man van Nederland’ aan zijn trenchcoat had hangen, werd volgens velen door het slijk gehaald. Ze vonden Rubenstein vals, gemeen dat ze dit uit de doeken deed. Fans verdragen geen verschuivingen in het beeld van hun idool. Rubenstein deed het omdat ze niet anders kon. Na zijn dood schrijft ze dat haar behoefte over hem te praten overweldigend is. ‘Tien jaar lang heb ik over hem gezwegen want onze verhouding was clandestien en ik zou Simon met praten hebben kunnen schaden of verliezen. Maar ik heb hem nu verloren en kennelijk eis ik postuum mijn rechten op. Maar belangrijker is dat ik hem niet vergeten wil.’ Voor dit boek putte ze uit dagboekaantekeningen en herinneringen.

    Carmiggelt was weg van de stukjes die zij schreef voor Vrij Nederland onder het pseudoniem, Tamar. In 1964 schreef hij  voor het eerst over haar in een van zijn Kronkels, ‘Tamar’ getiteld. Veertien jaar later werd ze gebeld door de latere biograaf van Carmiggelt, Henk van Gelder, die haar uitnodigde mee te doen aan de prijsvraag. ‘Wie is de echte Kronkel?’ Vijf schrijvers deden daar aan mee doen, waaronder Kees van Kooten en Rinus Ferdinandusse. Het was op verzoek van Carmiggelt zelf om haar te vragen mee te doen. Verliefdheid werd vanaf toen ingezet, al hadden ze dat zelf nog niet in de gaten.  Dan volgen de jaren dat hij haar bijna dagelijks belt. Hij schreef haar duizenden ansichtkaarten, brieven. Als hij met haar afsprak, was hij altijd te vroeg, dan wachtte op een bankje in het Sarphatipark tegenover haar huis (dat bankje, zou dat er nog zijn?). 

    Na zeven jaar zegt Rubenstein tegen hem dat ze niet meer verliefd op hem is. ‘Ik heb vanmiddag tegen S. gezegd dat ik niet meer ‘zo verliefd’ op hem ben. S. vermoedde al zoiets. Ik vind het erg dat het zo is, maar niet erg dat ik het zei want het kon niet anders.’ Later voegt ze daaraan toe, ‘Na zijn dood ben ik daar anders over gaan denken. Waarvoor was het nodig dat ik dat zei? (…) Wat ik toen kennelijk zo nodig vond zie ik nu als een grote vergissing.’ Want ze hield van hem, alleen zijn toegenegenheid benauwde haar wel eens. Ze bleven elkaar ontmoeten, wel kwamen er minder kaartjes, minder telefoontjes.
    Mijn beter ik is een oprechte liefdesverklaring
     die me na dertig jaar nogal in vertedering achterlaat. Twee beroemde schrijvers, die zoveel voor elkaar betekenden, konden elkaar niet in het openbaar zien. Na het verschijnen van Mijn beter ik, bleken zijn Kronkels gelaagder dan men dacht, was er liefde doorheen verweven, een boodschap aan haar. Waar de tijd overheen gaat, verandert alles, is er meer dan die ene waarheid. Hella S. Haasse schreef eens, ‘De waarheid zet uit naarmate we zelf groeien. Nooit achterhalen we haar.’ 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Tragedie

    Tragedie

    In 2013 begint Barack Obama aan zijn tweede ambtstermijn, maakt Koningin Beatrix bekend dat zij zal aftreden, wordt Kroatië lid van de Europese Unie, krijgt het Vaticaan een nieuwe paus, wordt het Rijksmuseum heropend, roept de Egyptische regering de noodtoestand uit, wordt de honderdste editie van de Ronde van Frankrijk gereden, zijn in een voorstad van Damascus veertienhonderd doden gevallen door een aanval met zenuwgas, is in Zwolle een zeldzame sperweruil gespot, vindt er een aanslag plaats in een winkelcentrum in Kenia met zevenenzestig doden en worden in Angola in een nacht drieduizend families uit hun huizen verjaagd om plaats te maken voor een van de futuristische projecten van presidentsdochter Isabel dos Santos. Alleen van dit laatste werd geen melding gemaakt.

    Albertina de Fatima woont in 2013 al een kwart eeuw op het schiereiland Areia Branca in de baai van Luanda samen met duizenden anderen, vissers, arme stedelingen. Ze woont met haar familie in een huis dat ze omschrijft als een paleis, is er gelukkig. Ze weet niets van de plannen van presidentsdochter Isabel dos Santos, die het eiland wil omtoveren tot, ’Baai van Luanda’, voor recreatieve doeleinden. Op een nacht wordt het eiland bezet door politie, marine en leger, zeven dagen lang. Net als alle bewoners wordt Albertina haar huis uit gejaagd, opgejaagd. Huizen worden platgewalst. Waarna de bewoners met vrachtwagens vol van het eiland worden afgevoerd en aan een zwerversbestaan beginnen.

    ‘Luanda raast op volle snelheid in de richting van de Grote ramp. Acht miljoen mensen die schreeuwen en huilen en schaterlachen. Een feest, een tragedie. Alles wat er maar kan gebeuren, gebeurt ook. Wat niet kan gebeuren, gebeurt ook.’
    Na de krantenberichten over Luanda Leaks deze week, kon ik niet anders dan Het labyrinth van Luanda, van de Angolees/Portugees schrijver José Eduardo Agualusa erbij pakken. Een roman uit 2009, gesitueerd in Luanda 2020. In een land dat de burgeroorlog die van 1975 tot 2002 duurde, nog steeds niet te boven is. Waar chaos ruimte biedt aan verstrengelde belangen en arme bevolkingsgroepen niet meetellen. De wereld die Agualusa beschrijft in Het labyrinth is complex, bizar en wonderlijk en wordt op een of andere manier inzichtelijker gemaakt door de Luanda Leaks. 

    Albertina woont nu met vier andere families in een hutje van bij elkaar geraapte golfplaten op een oude vuilnisbelt in het centrum van Luanda. Het stinkt er, vliegen en ratten zitten overal. Als Albertina wil baden, wacht ze tot de mannen naar buiten gaan om te voetballen. Op het eiland waar ze woonde, woont niemand meer. Wat doet de tijd met misstanden uit het verleden vraagt een man zich af in Het labyrinth: ‘Alles is veranderd, zelfs het verleden. (…) Wat had u anders verwacht, je kunt geen nieuwe toekomst opbouwen zonder eerst het verleden te veranderen.’
    Wie de wereld wil leren begrijpen, wil weten hoe een Nederlands baggerbedrijf betrokken kon raken bij een Angolees schandaal, leest deze ingenieuze roman van Agualusa, naast de Luanda Leaks. Met het inzicht, komt de verandering.  

     

    Het labyrinth van Luanda / José Eduardo Agualusa / vertaling Harrie Lemmens / Meulenhoff


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Vooruitgang

    Vooruitgang

    Ik moest aan Honder jaar eenzaamheid denken. Dat kwam door de toestand in Venezuela waar ze het al dagen zonder elektriciteit moeten stellen. In Trouw stond een artikel Langzaam rot alles weg in Venezuela. De verslaggever merkt op dat vlees, vis en andere bederfelijke waar niet meer verkrijgbaar zijn. Winkels en markthallen zijn onverlicht. Er wordt geplunderd, de plunderaars worden gewelddadig gestraft. Door hyperinflatie werden er voor de stroomuitval al geen bankbiljetten meer gedrukt, door de stroomstoring is pinnen niet meer mogelijk. Een man die een tros bananen koopt (‘een beetje groene’) moet beloven dat hij het eens zal betalen. Venezuela krult zich gedeeltelijk om Colombia, waar de schrijver Gabriel García Márquez vandaan komt en er begin jaren zestig Honderd jaar eenzaamheid schreef.

    Ik ben aanhanger van de gedachte dat afhankelijkheid eens bekocht moet worden. Als er één radartje uitvalt van het systeem waar we ons dagelijks leven op bouwen, zakt de boel in elkaar. Zoals een brug het niet lang houdt zonder die ene moer die het lostrillen van onderdelen moet tegengaan.
    Ik pak het boek erbij. ‘Vele jaren later, voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendia denken aan de lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs dat de verrotting van bederfelijk voedsel zou tegengaan.’ Deze openingszin deed me toen beseffen dat een ijskast ooit een toekomstdroom was. De derde zin, ‘De wereld was nog zo jong dat vele dingen nog geen naam hadden en om ze te noemen, moest je ze aanwijzen met je vinger.’ verleidde me onherroepelijk tot doorlezen. Nog steeds, als ik deze zin lees, scherpt het mijn blik, alleen nu meer op het verleden waar het voorheen op de toekomst was gericht.

    De geschiedenis als tijdsbubbel waarin alles aanwezig is dat nodig is om het leven in beweging te brengen, ten goed of ten kwade. Waar soms wat van zolder wordt gehaald dat er eerder (ongewenst geacht of uit de mode) naartoe was verbannen maar toch weer dienst kan doen. In Honderd jaar eenzaamheid herhaalt de geschiedenis zich voortdurend zonder werkelijke vooruitgang of verbetering. De eerste generatie Buendia begint met Kolonel Aureliano, die na de dood van zijn grote liefde, de oorlog ingaat en tijdens zijn omzwervingen zeventien vrouwen zwanger maakt. Alle zeventien bevallen ze van een zoon, Aureliano genaamd. Vijf generaties later verliest de laatste Aureliano zijn vrouw tijdens de geboorte van hun zoontje. Hij raakt aan de alcohol en verwaarloost zijn zoontje, dat sterft. Daarmee eindigt het verhaal.

    Het artikel in de krant eindigt met de observatie van een vrouw die een paar zakjes ijs voor drie dollar per stuk koopt bij een vrachtwagen. Door gebrek aan functionerende ijskasten deden ijsblokjes bijeen gehouden in een zakje, het weer goed. De vrouw kan, dankzij het geld dat familie haar vanuit het buitenland stuurde, een paar zakjes kopen. Onder de verzuchting ‘Net de Middeleeuwen’ loopt ze ermee weg. In Venezuela bijt de vooruitgang zichzelf in de staart.

     

    De 73e druk van Honderd jaar eenzaamheid verscheen in 2017 bij uitgeverij Meulenhoff, vertaling Mariolein Sabarte Belacortu en C.A.G. van den Broek.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Lustwandeln in het Tiergartenpark

    Lustwandeln in het Tiergartenpark

    Het staat er bijna zakelijk tussen de citaten die in het Deutsches Wörterbuch (DWB) de betekenissen van het woord Frucht illustreren: ‘Met dit woord zou Jacob Grimm zijn pen helaas voor altijd neerleggen. de rest, tot het einde van de hier uitgewerkte letter, is mijn werk. Weigand’ (Weigand is een van de taalkundigen die het werk aan het DWB hebben voortgezet). Die zakelijke vermelding krijgt een ontroerend kader in Grimms Wörter van Günter Grass. Zijn boek is een biografie van Wilhelm en Jacob Grimm, een verslag van het ontstaan van het DWB, van de ontwikkeling van de Duitse taal én een terugblik op Grass’ eigen leven in één. De roman is er nu in het Nederlands als De woorden van Grimm. En dat is een bijzondere prestatie. Maar daarover later.

    Een liefdesverklaring is de ondertitel van Grass’(mogelijk laatste) boek: ‘Mijn land doet me pijn, ik walg ervan, maar ik ben verknocht aan zijn taal’, schrijft hij. En dat blijkt uit alles. Hij schrijft bijna vertederd over de samenwerking van de twee broers, die op hem als kind al indruk maakten met hun sprookjes (het idee voor Oskar in De blikken trom komt voort uit Klein Duimpje) en over de manier waarop zij de lemma’s voor hun woordenboek samenstelden. Tegelijk trapt Grass nog eens tegen veel kopstukken uit de recente Duitse geschiedenis, die hij ook al niet spaarde in De rokken van de ui en De box, de twee autobiografische voorgangers van De woorden van Grimm.

    DWB
    Voor alle duidelijkheid: het DWB is het Deutsches Wörterbuch, het meest uitgebreide lexicon van de Duitse taal. Het werd in 1838 door de gebroeders Grimm begonnen en was in 1960 klaar. Het is wat de wordingsgeschiedenis betreft dan ook vergelijkbaar met het WNT, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, bij ons. Dat werd in 1851 begonnen en pas in 1998 voltooid.

    De woorden van Grimm telt negen hoofdstukken. De titels ervan verwijzen naar de letters A, B, C, D, E, F, K, U en Z van het DWB. De eerste zes (tot en met F) beschrijven het leven van Jacob en Wilhelm en hun werk aan het woordenboek tot het moment dat Jacob in 1863, werkend aan Frucht, ‘zijn pen helaas voor altijd’ neerlegt, een paar jaar na de dood van zijn jongere broer in 1859, die toen op het punt stond aan Durst te beginnen.

    Grass springt vervolgens naar de letters K, U en Z. Daar heeft hij verschillende redenen voor. De K (geredigeerd door de vroegere corrector van de twee broers, Rudolf Hildebrand) verscheen eerder dan de delen over de G, H, I en J (allemaal) en biedt Grass de mogelijkheid uit te leggen hoe het werk van de broers meteen na hun dood werd overgenomen. Maar het lijkt ook een politieke keus: hij kan daardoor bij Krieg uitweiden over oorlogen waaraan hij zelf herinneringen heeft. Voor de hoofdstukken U en Z kiest hij om de afloop van het DWB-project te kunnen beschrijven.

    Calèches en chaises
    Grass laat het niet alleen bij een koppeling van hoofdstukken aan de letters als opstapjes naar fases in het ontstaan van het woordenboek; hij past ook zijn taalgebruik aan de behandelde letter aan. Zo beschrijft hij in het derde hoofdstuk (over de C) hoe de broers vaak wandelden in het Tiergartenpark in Berlijn om daar inspiratie op te doen. Daar was van alles te zien aan ‘voortrijdende calèches en chaises: in stadse cercles wordt commentaar geleverd op wisselingen in het cabinet, ook vermoedt men conspiratief een complot’ enzovoort.

    Grass brengt de broers Grimm levendig dichtbij. Hij probeert zich voor te stellen hoe ze, ieder in hun eigen werkkamer, in één huis (dat van Wilhelm, die getrouwd was) in de weer zijn met het verwerken van kaartjes waarop ze herkomst van woorden, betekenisveranderingen en gebruik in de loop van de geschiedenis hebben genoteerd. Af en toe roepen ze een vraag naar elkaar. Ze houden ook van de buitenlucht en als ze zich vertreden in het Tiergartenpark, mengt Grass (die zelf in de buurt ervan woont) zich in hun gesprek. Het wordt ons duidelijk dat Jacob en Wilhelm onafscheidelijk zijn, maar ook hun eigenzinnigheden hebben. Zo is de ongetrouwd gebleven Jacob ‘met zijn vrees voor vieze woorden en zijn levenslang volgehouden afstand tot het vrouwelijk geslacht’ soms te preuts naar Wilhelms zin. Dezelfde Jacob moet niks van Franse leenwoorden hebben en dat zorgt vooral bij de C voor de nodige leemtes, constateert Grass.

    Hoofdletterloos
    Jacob is het ook die de hoofdletters afschaft aan het begin van een nieuwe zin (zie het citaat van Weigand in de aanhef van deze bespreking) en bij zelfstandige naamwoorden. Ofwel in de woorden van Grass: ‘die alle substantieven tot de kruinhoogte van werkwoorden en adjectieven besnoeide’.

    Grass grijpt de besproken lemma’s aan om er zijn 20ste-eeuwse beleving op los te laten en fantaseert over woorden die de Grimms zouden hebben moeten opnemen als ze in zijn tijd hadden geleefd. Dat biedt hem de gelegenheid zijn bekende politieke standpunten nog eens te debiteren. Over democratie en corruptie bijvoorbeeld. Maar ook over betekenisveranderingen, zoals die van het woord entartet, of haperingen in de voortgang van het project ten tijde van het nazisme en later de splitsing van het land in een DDR en een Bondsrepubliek.

    De woorden van Grimm is voor lezers die van woordenboeken en woorden houden een heerlijke speeltuin. Het plezier kan nog eens worden vergroot door af en toe zelf trefwoorden in het digitaal beschikbare DWB (http://woerterbuchnetz.de/DWB/) op te zoeken. Speelsheid kenden ook de broers zelf,  die het prachtige lustwandeln opnamen, dat in de vertaling al even mooi ‘spelemeien’ is geworden.

    Onvertaalbaar
    Alle lof tenslotte ook voor vertaler Jan Gielkens. Hij is de eerste die het is gelukt om deze roman van Grass – die hem zelf unübersetzbar noemde – in een andere taal over te brengen. Hij ontving er onlangs terecht de Filter Vertaalprijs 2016 voor.

    Dat vertalen ging waarlijk niet vanzelf. Neem de F. Fabel is ‘fabel’, maar de meeste Duitse F-woorden hebben een Nederlands equivalent met een V: Frucht wordt ‘vrucht’, frei wordt ‘vrij’. Gielkens vond de oplossing door veel Duitse woorden te handhaven, ook in citaten, zonder daar spastisch mee om te gaan. In het zesde hoofdstuk beginnen veel woorden dan ook met een V, tenzij er geen Nederlands V-woord voor bestaat. Faden wordt dan ook geen draad, maar blijft onvertaald.

    Daardoor is veel dartelheid in het origineel van Grass behouden. Eén voorbeeld, waarin Gielkens soms voor treffende vertalingen kiest en soms het origineel laat staan, is de volgende passage uit hoofdstuk 4 (D), waarin Grass vertelt hoe de broers zich soms afsloten voor de dagelijkse werkelijkheid van een woord – in dit geval Demokratie – dat ze beschreven:

    Daher, oder dahero, wie es im barocken siebzehnten Jarhundert hieβ, rürht das wankelmütige Dasein der Demokratie. Dadurch ist der Dauerstreit gesichert. Das war schon so, als Demokratie noch als umstrittenes Wunschwort galt. Weshalb die Brüder Grimm, um sich als dauerhafte Stubengelehrte ein möglichts windstilles Daheim zu sichern, sorgsam Distanz zum Dafür und Dagegen ihrer Zeit warten.

    In zijn versie handhaaft Gielkens dahero, Dafür en Dagegen en vertaalt hij tegelijk Wunschwort door het fraai bedachte ‘droomwoord’:

    Daaro – dahero in het Barok-Duits van de zeventiende eeuw – komt het wankelmoedige bestaan van de democratie vandaan. Daardoor is zij verzekerd van doorlopend geruzie. Dat was al zo toen democratie nog een omstreden droomwoord was. En daarom bewaarden de gebroeders Grimm, om als doorgewinterde kamergeleerden een zo windstil mogelijk domicilie te hebben, zorgvuldig afstand van het dafür en dagegen van hun tijd.

    Prachtig!

     

  • ‘Voor ons bestond er geen buitenwereld’

    ‘Voor ons bestond er geen buitenwereld’

     

    Geheel in de traditie van de joodse storytellers, als Isaac Singer, Amos Oz, Chaim Potok die door het vertellen van magische verhalen kracht putten om de verschrikkingen van pogroms en wereldoorlogen aan te kunnen, vertelt Ausubel het levensverhaal van haar Roemeense grootmoeder die halverwege de Tweede Wereldoorlog wist te vluchten naar de Nieuwe Wereld. Zij woonde in het lange tijd vergeten dorpje Zalischik, in het onherbergzame Noord-Roemenië. Dit dorpje werd destijds gesticht door overlevenden van de laatste pogrom. In 1939, als dit verhaal begint, woonden er 9 joodse families, zo’n 100 inwoners, die bijna geheel van de buitenwereld waren afgesloten. Er was geen tempel, maar alleen het huis van de genezer om samen te komen voor de Sjabbat. Ausubel kruipt als de 11-jarige Lena in de huid van haar grootmoeder en vertelt haar levensverhaal. Het is een soort parabel geworden waarin herhaaldelijk de vraag naar de bedoeling van God aan de orde komt, en het diepe verlangen naar de komst van een Messias.

    Het boek begint met de brief aan de moeder van Ramona Ausubel. De brief is niet gedateerd en niet ondertekend.

    ‘Lieve Chaya,

    Ik zit met jou op schoot bij het raam. (…) Hoewel je nog maar een paar dagen oud bent, is je verhaal, ons verhaal, lang geleden begonnen. Ons verhaal is er een dat ik ken, zowel de dingen die ik met eigen ogen heb gezien als de dingen die ik niet heb gezien. Die kennis zit ergens in mijn botten, ergens in mijn hart. Op een dag zullen jouw kinderen vragen wat er is gebeurd en dan zul jij een nieuwe versie vertellen, en op die manier zal het verhaal blijven voortleven. De waarheid ligt in het vertellen. (…)

    Het begon in 1939 bij de noordgrens van Roemenië, op een klein schiereilandje omarmd door een troebele rivier. In die tijd waren de dagen stil en vredig.’

    Daarna lezen we het verhaal van de wereld voordat Chaya bestond.

    Tijdens de viering van de Sjabat, als de genezer een oud krantenartikel voorleest, dat gedateerd is op 3 september 1939 en dat gaat over de nadering van de oorlog, horen de dorpelingen plotseling een geweldige dreun, gevolgd door een explosie. Niet ver van hun dorp is een testbom gegooid. Ze gaan op onderzoek uit bij de rivier. Er spoelt een levende vrouw aan, in het vervolg ‘de vreemde’ genoemd. ‘Wie bent u?’ vraagt men. ‘Niemand zei het woord profeet, maar iedereen dacht het.’ Het is dan ook vanzelfsprekend dat deze vreemde de leiding krijgt en neemt en Lena heeft meteen een band met haar en legt de anderen uit wat de vreemde bedoelt met ‘we beginnen opnieuw’. Men besluit een perfecte nieuwe wereld te gaan scheppen en de oude, boze buitenwereld buiten te sluiten. De link naar de bijzondere titel van dit boek is duidelijk. Als een bang kind dat op het punt staat ontdekt te worden, besluit het hele dorp ‘verstoppertje’ te spelen. Ze voeren dit plan heel rigoureus door!

    De dorpelingen willen zich niets meer van de oude tijd herinneren. Klokken, radio’s e.d. worden in de rivier gegooid. Voor het verleden is geen plaats meer. Ze beginnen hun eigen nieuwe wereld waarvan we het complete scheppingsverhaal te lezen krijgen. Zo zijn ook de hoofdstukken genoemd. De eerste dag, de tweede dag, enz. Het verhaal wordt steeds fantasierijker en ongelooflijker en op de vijfde dag vindt er zelfs een herverdeling van de kinderen plaats. Lena gaat naar haar kinderloze oom Hersh en zijn gestoorde vrouw Kayla en accepteert zelfs, hoe intelligent zij ook is (!), dat zij daar alle stadia van het kind zijn opnieuw moet meemaken. Van baby tot huwelijk…. Gelukkig wel in sneltreinvaart! Lena speelt het spel mee. ‘Ik had een nieuwe wereld bedacht; nu zat er niets anders op dan hem te overleven.’ De deur van het huis van haar eerste ouders zit op slot. Lena wordt uitgehuwelijkt aan Igor, de onnozele, nietszeggende, dromerige oudste zoon van de bankier. Hoe oud is Lena dan? Twaalf? Igor is vijftien. Voor de 2e keer in haar leven wordt Lena doorgegeven. Dit zal niet de laatste keer zijn.

    We maken een tijdsprong. Salomon die geboren is als eerste baby in de nieuwe wereld is vier jaar. En er is een tweede baby, ook een zoon, zonder naam. Lena en Igor zijn de gelukkige ouders.

    De vreemde heeft al het nieuws van de wrede buitenwereld steeds buiten het dorp weten te houden, maar ontdekt dan dat de juwelier nog een radio heeft en ’s nachts heimelijk naar het BBC-nieuws luistert. Ze luisteren voortaan samen en doen meer dan dat. Lena betrapt hen en is woedend. ‘De metalige geur van de liefde kleefde aan haar huid.’ Een van de vele fraaie zinnen!
    Het vertrouwen in de vreemde is weg. Het was een leugen. De hele nieuwe wereld stort in elkaar. Het is het einde van een mooi verhaal dat bijna vier jaar duurde.

    Hierna krijgt het verhaal een andere wending. Het is niet meer mogelijk om buiten de werkelijkheid te leven en Lena vlucht met haar kinderen. We volgen haar op een gruwelijke tocht waarop zij veel offers moet brengen. Op haar weg naar de echte Nieuwe Wereld komt zij erachter dat de oorlog al enige tijd voorbij is ….. Waren haar offers dan niet nodig geweest?

    Tijdens haar tocht ontmoet zij in de trein naar Odessa een oude vrouw. Zij legt Lena uit:  ‘Ik weet dat God bestaat, want – nou ja, kijk maar om je heen. Alleen God kan een plek bedenken die zo krankzinnig en zo prachtig is als deze. Maar het probleem is dat hij geen ja en geen nee zegt. (…) God houdt gewoon van een goed verhaal’. En de wijze Lena voegt er aan toe: ‘Meer nog dan van goed of slecht moet onze God hebben gehouden van contrast.’

    Na een wekenlange bootreis komt Lena in het veilige Amerika aan en wordt liefdevol opgenomen door een joodse familie. Ontroerend is dan de volgende passage: ‘Ik had het gevoel dat ik naar mezelf stond te kijken, op de tweede dag van de wereld, voordat alles was veranderd. De schok sidderde door mijn huid. “Tralala”, zongen alle geesten, “er is hier niemand, behalve wij allemaal.” (…) Ik was de vreemde en dit was mijn thuis’.

    Aan het eind van het boek schrijft Lena een brief aan haar nieuwe Amerikaanse baby, Chaya. ‘Chaya, wat leven betekent in een taal die er misschien niet meer toe deed’ zo lezen we. De eerste alinea van de brief is hetzelfde als die van de beginbrief tot en met ‘De waarheid ligt in het vertellen…’. Daarna richt zij zich rechtstreeks tot haar baby en verwondert zich erover dat de afstand tussen verdriet en vreugde zo klein is. Ze besluit haar brief: ‘Nu lig je te slapen in je mandje, Je kan over van alles dromen, werkelijk alles. Moeder’.

    Alle verschrikkingen zijn voorbij. Een welkom in weer een nieuwe wereld!

    Een opvallende parallel met de joodse Tora is dat Ausubel dezelfde indeling hanteert. Vijf delen, samen 26 boeken. Vanaf de komst van de vreemde en het scheppen van de nieuwe wereld tellen we eveneens 5 delen en 26 hoofdstukken. En Ausubel kiest er eveneens voor om de titel van elk hoofdstuk te beginnen met ‘Het boek van …’. Bijvoorbeeld: ‘Het boek van de rivier, ‘Het boek van het begin, opnieuw’, zoals in de Tora.

    Ausubels boek blijft lang in je gedachten. Niet alleen door het thema van de Holocaust maar zeker ook door de manier waarop dit bizarre vluchtverhaal verteld wordt, in een prachtig proza dat getuigt van kinderlijke eenvoud, onschuld en rijke fantasie van een jong meisje. Ondanks alle gruwelijkheden en vreselijke ontberingen, blijft Lena positief, en lijken hevig verdriet en onmenselijke acties haar niet te raken. De woordkeuze blijft te allen tijde simpel en puur, geen schokkende taal, maar desondanks zijn de vele beschrijvingen even beeldend als een schilderij. En dat verraadt het meesterschap van Ausubel,

    Een absolute aanrader voor liefhebbers van Jiddische literatuur!

    Ramona Ausubel studeerde aan de University of California en publiceerde korte verhalen in o.a. The New Yorker. Hiermee won ze diverse literaire prijzen. Ze baseerde deze roman op de geschiedenis van haar eigen familie. Haar grootmoeder ontvluchtte het geweld van de Tweede Wereldoorlog.

     

  • Nog niet helemaal af om de wereld in te gaan

    Nog niet helemaal af om de wereld in te gaan

    Een niet bij naam genoemde jongeman bewoont met acht andere bewoners een dolfijnvormig complex van 767 appartementen. Hij heeft geen noemenswaardige dagbesteding, geen vrienden en staart veel uit het raam van zijn appartement. Zodoende ziet hij dat zijn overbuurman er een wel heel vreemd nachtleven op na houdt. Hij raakt geobsedeerd door deze nachtelijke escapades van zijn buurman en achtervolgt hem meerdere nachten – haast even behendig als de achtervolgde zelf – tot de achtervolgde hem ontglipt en hij het nakijken heeft. Zelf doet hij er nog drie jaar over het dolfijncomplex te verlaten.

    Een andere jongeman, Balthasar Tak uit het gelijknamige verhaal, gaat op reis. Enigszins onvoorbereid neemt hij een vliegtuig naar een niet nader genoemd land waarvoor hij vier keer moet overstappen. Een vliegreis van even zoveel duizenden kilometers. De reden van de reis is niet bekend. Balthasar gebruikt zijn stem zo weinig dat als hij spreekt, hij zich afvraagt of hij wel gehoord wordt. Hij wordt belaagd door sprinkhanen, en ziet ze overal, ook waar ze niet zijn. Ze prikken op zijn huid als de vermeende ogen in zijn rug. Als hij uiteindelijk zijn bestemming bereikt (er blijkt toch een doel te zijn), een hotel in een toeristenoord, begint hij zich langzaam te conformeren tot een insect, totdat het lot ingrijpt en het verhaal een totaal onverwacht einde bereikt.

    De jongeman Paul, in Luchtkasteel is een nogal met zichzelf ingenomen neuspeuteraar, daarbij een slecht gastheer, ooit kampioen kogelstoten en doet er alles aan zich ongeliefd te maken. De mensen om hem heen gebruikt hij puur voor eigen doeleinden. Hij lokt zijn (verwaarloosde) hartsvriendin Ronja naar Parijs waar hij woont en bouwt daar een ‘luchtkasteel’ waarin hij haar ertoe verleiden wil met hem naar het platteland te vertrekken en een gezin te stichten. Maar daar denkt zij duidelijk anders over. Het verhaal kent een vermakelijk en hilarisch einde.

    In het laatste verhaal Kraaien in de schoorsteen, gaat een jongeman op weekendbezoek bij zijn moeder die in een afgelegen bos woont. Zijn moeder is een eenzame, wat bevreemdende vrouw evenals de zoon. Het hele verhaal staat in het teken van de (schijnbaar) dode kat Antoon, waar hij vanaf zijn kinderjaren mee opgroeide en die meer voor hem betekende dan enige vriendschap met wie dan ook.

    De verhalen in Nestvlieders intrigeren, werken verrassend maar vooral bevreemdend. In twee korte verhalen en twee novellen, leven de hoofdpersonages buiten de werkelijkheid en beschikken over nogal wat onaangename trekjes zoals in Balthasar Tak. Een contactvrezende jongeman heeft doorlopend keelontsteking en diarree. Kwalen die hij heeft ontwikkeld door slecht ‘onderhoud’ op zichzelf te plegen. Zo droogt Balthasar zich na een bad nooit af. ‘En als hij dan direct een T-shirt over zijn hoofd zou aantrekken en het daarna weer uittrok en in de lucht zou houden, dan zou hij menen dat het shirt eerst moest drogen.’ Dit klinkt onzinnig en levert verlies van het geschetste karakter op. Maar hij gaat nog verder: dat T-shirt houdt hij dus aan, vochtig en wel. En daarom groeien er schimmels en puisten op zijn rug die eruit zien als kraters op een landkaart. Hij heeft last van roos, zijn haar stinkt naar een nest bedorven eieren en na een hele pagina onwelriekende beschrijvingen komen we onderaan terecht bij de onderbroek die eens in de twee weken verschoond wordt. In die onderbroek is het helemaal een zootje: ‘(…) dan zien we vlak onder de eikel een gele halo.’ De afstand tussen lezer en personage is daarmee beslecht en zal zich amper weer herstellen.

    De stijl van Merijn de Boer doet soms denken aan de oubollige en surrealistische vertelstijl van Biesheuvel. Het verhaal Balthasar Tak vertoont een gelijkenis in sfeer met Een overtollig mens van deze auteur. Een kort verhaal waarin Johan Knipperling aan zijn (nimmer voltooide) proefschrift werkt. Het grote verschil echter is, dat Knipperling vanaf de eerste bladzijde een gezicht heeft en sympathie wekt, in al zijn onaangepastheid. Balthasar blijft daarentegen op afstand en wekt eerder antipathie op door de vele gedetailleerde beschrijvingen.

    In een van de eerdere verhalen van De Boer Uit liefde voor Vestdijk (jammer genoeg niet opgenomen in deze bundel) heeft de hoofdpersoon een onbedwingbare tic. Wanneer hij nerveus is, krabt hij zich obsessief aan zijn linkeroorlelletje waardoor het knalrood wordt. In een passage waarin hij geconfronteerd wordt met een, door hem teleurgestelde vrouw, hangt hij passief onderuit in zijn stoel en begint prompt aan beide oorlelletjes te krabben. Als een onmondig kind hangt hij onderuit gezakt in die stoel met zijn handen aan beide oren. De vrouw kijkt hem aan alsof hij gek is. Een werkelijk gênant moment in zijn leven maar voor de lezer zo ‘getimed’ verteld dat het hilarisch en zeker op de lachspieren werkt.

    Dat ontbreekt in de verhalen in Nestvlieders, momenten van hilariteit die tot humor leidt en de enkel poging daartoe mislukt. De personages blijven in abstracte karakterschetsen hangen en komen niet tot leven. Storend is dat er geregeld vooruit gelopen wordt op de gebeurtenissen. Alsof de lezer eraan herinnerd moet worden dat er ‘ergens’ nog een potje op het vuur staat. Waar dan overigens niets mee gebeurt. Zoals in het verhaal Kraaien in de schoorsteen (waar letterlijk een potje op het vuur staat). De zoon klimt op het dak om de schoorsteen te onderzoeken. Kort daarvoor heeft hij een pannetje met linzen opgezet. De volgende gedachte: ‘De linzen die aan het droog koken zijn schieten hem niet door het hoofd’, zijn duidelijk bedoelt om de lezer erbij te houden maar werken averechts en mislukt in hilariteit. Het ontkennen van een gedachte, omdat de lezer zich dat zou kunnen afvragen en dat in het verhaal gebruiken (als om de lezer tegemoet te komen) getuigt van teveel mededogen met de lezer en maakt het verhaal week. Zinnen als: ‘Naast de deur lag opgerold het luchtbed, met uitgeblazen longen te wachten op de volgende gast’, werken storend; want te bedacht.

    In Luchtkasteel is de verteller een vrouw maar omdat haar denk- en observatie wijze uit hetzelfde vaatje getapt wordt als waar de mannelijke vertellers uit de andere verhalen uit putten, lukt het niet dit personage als vrouw te beleven. En nog meer dan in Balthasar Tak is Paul een onaangepast figuur met etterende puisten over heel zijn gezicht waaruit hij de pus met zijn tong likt wanneer deze zich in de beurt van zijn mond bevinden terwijl hij met zijn beoogde levensgezellin de ontbijttafel deelt. De Boer heeft zich met zichtbaar genoegen laten gaan in dit soort beschrijvingen. En dat is jammer want de verhalen hebben iets bijzonders, zijn tegen het surrealistische aan, maar dat alles ligt bedolven onder een vloedgolf aan details. Ondanks dat de fantasie van Merijn de Boer groots is en hij weet hoe hij een verhaal moet vertellen, is alles in Nestvlieders iets te dik aangezet.

    ‘Nestvlieders verlaten terstond na het uitkomen het nest en kunnen gedeeltelijk voor zichzelf zorgen.’ Zo ook de verhalen van De Boer; als echte nestvlieders kunnen ze behoorlijk op zichzelf staan, maar zijn nog niet helemaal af om zelfstandig de wereld in te gaan.