• Een bevroren spraakwaterval

    Een bevroren spraakwaterval

    Kent u die film over die Franse journalist die ten prooi valt aan het ‘locked-in‘ syndroom? Zijn hele lichaam is door een beroerte buiten bedrijf geraakt maar zijn geest is intact. Anderhalf jaar lang kan hij slechts communiceren door met zijn linkeroog te knipperen. Eén keer betekent ‘ja’, twee keer ‘nee’. Dankzij een verpleegster die ontdekt dat in het vrijwel levenloze lichaam een levende geest huist, lukt het de patiënt al knipperend een volledig boek te dicteren. De Franse film, in Nederland in 2007 uitgebracht als The Diving Bell and the Butterfly (De duikklok en de vlinder) is gebaseerd op dat boek. Een waargebeurde geschiedenis.

    Een levende dode
    In Guus Bauers roman De vogeljongen, waarin we eveneens de beeldspraak van de duikklok tegenkomen, is de naamloze hoofdpersoon, tevens de verteller, er nog slechter aan toe. In de loop van zijn relaas lukt het hem tweemaal een ooglid te bewegen maar niemand die het ziet. Voor de buitenwereld lijkt hij dood, hart en longen worden kunstmatig in beweging gehouden. Maar de monitor laat zien dat de hersenen actief zijn. Dit boek geeft ons een inkijkje in zijn brein. Zijn geestelijke vermogens functioneren op volle toeren.
    De patiënt observeert en becommentarieert wat er tot hem doordringt: de dingen die hij ruikt, hoort en ziet. Dat laatste is vanzelfsprekend beperkt tot wat zijn roerloos vooruit gerichte blik waarneemt. Bovenal overpeinst hij zijn jeugd en de levensweg die achter hem ligt. Zijn ouderlijk huis, zijn schooltijd en zijn aanleg voor handeldrijven die hem tot een puissant rijk zakenman heeft gemaakt. Hij leerde al jong niemand te vertrouwen, bedenkt hij, en ‘ging voor de centen’.
    Zijn afschuwelijke toestand, een soort Cogito ergo sum als wrange grap, is het gevolg van een gewelddadige straatroof. Het hele boek voltrekt zich in de schaduw van de dood (niet alleen de zijne). Er is de onafgebroken dreiging dat ‘de stekker eruit’ zal gaan.

    173 bladzijden lang zijn we aanwezig in de hersenpan van de patiënt. In enkele tientallen korte tot uiterst korte hoofdstukken springt de aandacht beurtelings naar verleden en heden. Doordat elk hoofdstukje op een nieuwe pagina begint, bevat dit boek veel wit. Het is zodoende een korte roman. Dat weerhoudt de auteur er niet van zware onderwerpen te behandelen, of liever: aan te snijden, want diep graaft hij niet. Bauer heeft zijn verhaal doorregen met een uitgebreid netwerk van verwijzingen, symbolen en suggesties, en de summier vertelde geschiedenis heeft daar nogal onder te lijden, doordat de lezer telkens opnieuw gedwongen is niet te lezen maar te puzzelen: waar hoort dit stukje nou weer thuis in het grote geheel?

    De jeugd van de verteller werd getekend door de oorlogservaringen van zijn ouders. Moeder, Jodin, heeft het concentratiekamp overleefd; vader, militair, zat ondergedoken. Moeder wordt katholiek en trouwt, maar blijkt als echtgenote en moeder een hardvochtige en gekwelde figuur die moet worden ontzien. In kleinigheden blijft ze haar joodse afkomst trouw. Vader is een lieverd en sterft veel te vroeg. De verteller zal hem blijvend missen.

    Als de verteller mislukt op het lyceum, moet hij het huis uit. Hij gaat naar kostschool, een Rooms-Katholiek internaat. De bange voorgevoelens die de lezer op dit punt bekruipen worden bewaarheid, maar dan niet met onze verteller als slachtoffer, maar zijn vriendje, de ‘vogeljongen’ waar het boek naar is vernoemd.

    Ondergedoken
    Vader in de onderduik, moeder ‘ondergedoken’ in een nieuwe identiteit, de verteller opgesloten in zijn roerloze lichaam: vormen van schuilgaan domineren het verhaal. Op het internaat heeft de verteller letterlijk een schuilkelder en als succesvol zakenman zorgt hij er angstvallig voor anoniem te blijven. Geen wonder dat hij nu tot het besef komt altijd op zoek te zijn geweest naar ‘een echt thuis van thuis’. (De formulering van deze gedachte – onbeholpen vertaling van ‘home away from home‘ – laat iets zien van het teleurstellende Nederlands van dit boek, maar daarover straks.)

    Op het eerste gezicht lijkt het onderduikmotief ook te gelden voor de ‘vogeljongen’ uit de titel. Hij heet Dolf, eigenlijk Adolphus, wat voor een pal na de oorlog geboren jongetje een opmerkelijke naam mag heten, en is tot aan zijn komst op het internaat geïsoleerd opgegroeid bij een rijke, excentrieke vader, een studeerkamergeleerde, in een kast van een huis compleet met huisleraar. Dolf spreekt een eigenaardig taaltje, ouwelijk en gekunsteld à la Bommel en Bomans. Voor de verteller was hij de ‘eerste echte vriend’, die niet alleen opviel door zijn taalgebruik maar ook door zijn vogelachtige motoriek en bovenal door zijn allesbehalve gedweeë gedrag. Zijn droevige einde bezorgt de verteller een blijvend schuldgevoel.

    Waarom verwijst de titel van de roman juist naar deze Dolf? Is hij de tegenpool van de verteller, is hij een onbevreesde jongen die zijn onwil om zich gedeisd te houden bekoopt met een gruwelijk einde? Wil de auteur zijn lezers hiermee de levensles van Willem Elsschot voorhouden: ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij’? Of is dat de les die de verteller zélf juist moet trekken uit de roofoverval die hem in het ziekenhuis heeft gebracht? Want hij had een bezoek gebracht aan het graf van een joodse oudoom (de man die ooit geprobeerd had moeder over te halen haar zoon een joodse opvoeding te geven); bij het weggaan vergat hij zijn keppeltje af te zetten en de jongens die hem vervolgens aftuigen en beroven gaan zich te buiten aan antisemitisch geschreeuw: hij is dus overvallen omdat ze hem voor een Jood hielden.
    Veelzeggend, dat bezoek aan het graf. Het ophouden van het keppeltje waarschijnlijk evenzeer. Maar wát moeten we er uit opmaken? Hier en op andere plaatsen in het boek wordt gezinspeeld op dingen die niet helder worden.

    Wat blijft er van een mens over in ‘opgesloten staat’? Omzien in verwondering en daarmee basta? Dan toch maar ‘de stekker eruit’? Nee.
    Om te beginnen vertoont de verteller een ongekende levenslust. Hij gebruikt de platen van het systeemplafond waar hij eeuwig en altijd tegenaan kijkt als hulpmiddel om zijn geheugen te ondersteunen (zoals lang geleden geheugenkunstenaars door imaginaire paleizen ‘liepen’ om de inhoud van hun geheugen te activeren). Hij heeft er ook een kalender op ‘aangebracht’ en wanneer hem op een dag de datum wordt verteld, blijkt hij zich maar één dag te hebben vergist. Hier denken we onwillekeurig aan Robinson Crusoe, de archetypische Grote Geïsoleerde, die op zijn onbewoonde eiland hetzelfde voor elkaar kreeg. Kortom, een helder brein en een verwoede poging ‘erbij te blijven’, ja, sterker nog, om zijn tegenslag te benutten voor een wending in zijn leven.

    Heel vroeg in zijn verhaal vraagt de verteller zich af: ‘Heb ik nog tijd om mijn leven te herschikken?’ Hier en daar in het verhaal vinden we aanwijzingen van wat hem voor ogen staat. Maar wat kan hij beginnen?
    Tegen het einde lijkt zich een allereerste begin van herstel aan te dienen. En, minstens zo belangrijk, de patiënt krijgt eindelijk zijn dochter op bezoek en ook zijn oude moeder. Wanneer dochterlief vertelt dat haar oom opnieuw heeft geopperd ‘dat de stekker er eigenlijk uitgetrokken zou moeten worden’, is moeders reactie afdoende: ‘Niet zolang ik leef’. De vrouw die hem uit huis verbande is nu zijn beschermengel: ‘Laten we hem de tijd gunnen’.

    Tot zover het minutieus geconstrueerde verhaal en het boeiende onderwerp – waar Bauer zoals hierboven gezegd veel te weinig mee doet.
    Het Nederlands dat Bauer schrijft is formeel en stijfjes. Zijn dialogen zijn slecht. (Een piepklein voorbeeld: ‘De kleinzoon van de oude beheerder, daar nu zelf aan het werk, zoekt me nog weleens op’, aldus moeder, wier spreektaal wordt onderbroken door een stukje uitleg van de auteur, iets wat hij vaker doet.) Ook staan er veel taalfouten in het boek, rare woorden, spelfouten: ‘rockkostuum’, ‘bewijslast’ i.p.v. ‘bewijs’, ‘des kinderen lot’, ‘kostwinnaar’. Een gloeiendhete douche heet ‘een verzengende moesson’, alsof het in de tropen kokend water regent.

    Ronduit storend is de onontwarbare chronologie van de jeugdherinneringen. Aanvankelijk krijgen we te horen: ‘Een nieuwbouwwijk in de jaren zestig. Ik ben zeven jaar’. Dat biedt de lezer een, weliswaar zeer ruim, oriëntatiepunt wat betreft de ‘vertelde tijd’. Op het lyceum zit hij één jaar of twee. Toch is onze held pas elf als hij daarna naar het internaat gaat. Erg onwaarschijnlijk. (De hele lagere-schooltijd ontbreekt. Is bij het herschrijven hier iets fout gegaan?)
    Op het lyceum heeft een klasgenootje een rekenmachientje; die waren pas in de loop van de jaren 70 voor particulieren beschikbaar. Op het internaat heeft de verteller een walkman; die kwam echter pas in 1979 op de markt. Beide verwijzingen naar de schooljaren kunnen niet allebei kloppen. Ergens in de jaren 60 is er sprake van ‘gevaarlijke RAF-leden’; de RAF bestond toen nog niet.
    Voor de lezer die deze jaren heeft meegemaakt is de warboel irritant. Jongere lezers zullen de anachronismen waarschijnlijk niet opmerken.
    Natuurlijk kunnen we dit alles op het conto van de verteller schrijven, wiens geest dan kennelijk tóch niet in puike toestand verkeert, maar gezien het beeld dat de auteur ons schetst van zijn hoofdpersoon is dat niet de bedoeling. Mocht er een tweede druk komen, dan moet hier de stofkam door.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Recensie: Zeesteen – Janneke Holwarda

    Recensie door: Karel Wasch

    Zeesteen kreeg de ECI kwartaalprijs en dat maakt dit debuut bijzonder. Toen ik de reviews van dit boek op de achterflap zag kreeg ik een wee gevoel. Het zoveelste boek over een naar gezin met een godsdienstwaanzinnige vader. Ik had al gebaald van Siebelinks epos (Knielen…) en ook Gerbrand Bakkers boek kon me nauwelijks bekoren. Maar het lezen van dit debuut van Janneke Holwarda is mij bijzonder goed bevallen. Dat komt in de eerste plaats door haar ingehouden, sobere stijl. De gedachten van de hoofdpersoon, het meisje Mirjam, zijn neergezet in korte pregnante stukken. ‘(…) Grappige kennismaking. Je kent me nog niet. Ik ben niet grappig. Ik ben ernstig en dwars. Ik ben als dwarsligger geboren.(…)’ Het verhaal zelf wordt trefzeker in de tegenwoordige tijd opgedist. ‘(…) Ze kan nu weggaan. Iets in haar zegt dat ze weg moet gaan. Iets anders zegt dat ze moet blijven. Als ze weggaat was alles voor niets. Misschien was het ook wel beter dat hij al iemand heeft. Dat maakt het makkelijker.(…)’

    Waarom het boek Zeesteen heet komen we op pagina 60 te weten, de gestorven broer David wijst Mirjam op haar achternaam Dijkema. De boerderij staat op een plek, waar eerst water was en een dijk. Hij vertelt haar dat de familie afstamt van Zuiderzeevissers. En dat zij een meisje was dat leefde op de bodem van de zee, heel mooi. Hij bedenkt steeds nieuwe namen voor haar: Zeedruppel, Zeester en tenslotte Zeesteen. En ze is een keer bijna verdronken. Dat incident speelde zich af toen ze haar vlieger bij zee liet vliegen. Ze werd de pier opgetrokken en liet vlak boven zee pas los. Hierna was ze bijna verdronken, letterlijk een zeesteen geworden dus. Maar ze overleeft.

    Mirjam gaat om te studeren naar de stad. Ze ontworstelt zich aan het milieu van een gezin in Andijk in West-Friesland. De vader is bollenboer. Er is een zoon overleden. De ouders zijn bezorgd, de andere kinderen in het gezin hebben al littekens opgelopen, al dan niet fysiek. Mirjam huurt een kamer bij een tante in de grote stad, waarschijnlijk Amsterdam, en gaat studeren. Ze heeft als hobby fotograferen. Het fototoestel geeft haar de mogelijkheid de wereld buiten te sluiten en alleen door haar eigen sluiter soms toe te laten. Of zoals Janneke Holwarda laatst in een interview prijsgaf: ‘Ik heb Mirjam een camera gegeven omdat ze zo deel kan nemen aan de werkelijkheid en er toch buiten kan blijven, omdat ze met beelden uitdrukking kan geven aan die dingen waarvoor haar de woorden ontbreken en omdat ze zo kan vastleggen, vasthouden, voor altijd.’

    De tante houdt haar inmiddels nauwlettend in de gaten. Ze ontmoet de jongen Bart, een cello spelende conservatoriumstudent. Hij is ouder dan zij is en heeft – helaas voor haar – al een vriendin. Hij begrijpt haar, is teder en voelt haar aan. Het is de eerste man, die met haar slaapt en dat wordt erg mooi beschreven, teder, eerlijk. De tante Bea, waar ze een kamer heeft, verraadt haar wanneer ze een nachtje wegblijft. De ouders zijn er tegen dat ze een andere kamer gaat huren bij een andere studente. Ze weten ook wel dat Mirjam meer vrijheden wil. Ze zet door nadat haar vader haar heeft bedreigd. Vanaf dat moment gaat de verhouding met Bart een nieuwe fase in. Tegelijkertijd wordt het steeds moeilijker voor Mirjam om hem te delen met zijn vriendin, die ze niet kent, ook niet wil kennen. Uiteindelijk gaat hij een tijd op vakantie en na zijn terugkeer gaat de verhouding uit. ‘(…) Als hij aarzelt zegt ze het nog een keer. Ga weg. Meen je het? Ze zwijgt. Wacht. Hoort hoe zijn voetstappen zich langzaam verwijderen.(…)’ Mirjam zelf verbreekt de verhouding en wordt ziek, ziek van verdriet, maar ze herstelt zich. Ze volgt de jongen nu van een afstand en maakt alleen nog foto’s van hem terwijl ze haar haar laat knippen in het model van de vriendin, die ze van een afstand ziet en nooit heeft gesproken.

    Het eind van het boek is mysterieus. Wat gebeurt er nu met haar? Maar deze recensent gaat het niet verklappen. Een erg mooi verhaal zeer krachtig en persoonlijk opgeschreven, balancerend langs de dunne lijn van kitsch en literatuur, maar ademend en eerlijk. Ik ben erg benieuwd naar de volgende roman van dit zeldzame talent!

    Zeesteen

    Auteur: Janneke Holwarda
    Verschenen bij: Uitgeverij Marmer
    Prijs: € 16,95