Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Lebowski de bundel Profane verlichting waarover Hettie Marzak op Literair Nederland schreef: ‘Van der Sluis neemt de lezers in zijn bundel mee door zijn leven van alledag aan de hand van wat nog het meest een dagboek lijkt te zijn. Achter de gedichten, die op het eerste gezicht komisch lijken, schuilt een Weltschmerz en een gelatenheid, die de gedichten indringend maken en van een dubbele bodem voorzien. Een gelaagdheid die eerst doet lachen en dan doet huilen. Van der Sluis maakt van de lezer eenzelfde droeve clown die hij in zijn gedichten uithangt.’
In Profane verlichting komen zijn therapiesessies bij de psycholoog aan de orde die gaan over ‘de onzekerheid van de dichter, zijn verlangen naar acceptatie en de angst om afgewezen te worden.’
Zijn volgende bundel zou een vervolg kunnen zijn, want op het omslag valt te lezen:
‘Wanneer een volgende psychische instorting zich voorlopig niet lijkt aan te dienen, besluit Johannes zijn schrijftafel en canapé te verlaten. Hij meldt zich bij de lokale plantsoenendienst in Rotterdam-IJsselmonde en met de schoffel in zijn handen probeert hij weer grip op het leven te krijgen. Al snel wordt hij onderdeel van de groep bijzondere mensen die zich ontfermen over het stedelijke groen.’
Johannes van der Sluis (1981) is dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Hij debuteerde, onder het pseudoniem Giovanni della Chiusa met Een mens moet ook niet alles willen weten (2018). Het daaropvolgende Ik ben de Verlosser niet en Profane verlichting verschenen onder zijn eigen naam.
Auteur: Johannes van der Sluis
Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski
Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet
Op de pagina bezoekmaastricht.nl wordt over het Jekerkwartier gesproken als ‘dé local ervaring van Maastricht’ en ‘immer levendig’. ‘In deze wijk laat historisch Maastricht zich van z’n beste kant zien. Je komt er projecten van jonge ondernemers tegen en je kunt er een hele dag op het terras blijven zitten. Weinig wandelingen zijn zo divers als een wandeling door deze wijk.’
Dat was vroeger wel anders. In Crapuul. Kroniek van een krottenwijk uit 2022 schetst Frank Bokern een onthutsend beeld van de mensonwaardige leefomstandigheden in deze wijk tussen 1840 -1973. Het Jekerkwartier was oorspronkelijk een wijk met mooie grote panden die bewoond werden door de gegoede Maastrichtenaren. Na de afscheiding vertrokken deze bewoners naar België en begonnen huisjesmelkers de losse kamers te verhuren aan de arbeiders die Maastricht aantrok als gevolg van de industrialisatie.
Het duurde eindeloos, maar uiteindelijk ontwikkelde het Jekerkwartier zich na de Tweede Wereldoorlog tot een broedplaats van vrolijk verzet. De kunstenaars en krotbewoners en later de nozems, provo’s, hippies en krakers komen ieder op hun eigen manier in opstand tegen de burgerlijkheid van die tijd.
Daarover schrijft Frank Bokern in zijn tweede boek over deze wijk, Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet. Het is het lokale verhaal van de jaren zestig, de individualisering en de ontzuiling.
Auteur: Frank Bokern
Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2023)
Alles raak
En tot slot in deze Oogst, het bericht over een nieuwe titel uit de serie Gedundrukt van Van Oorschot: Alles raak van verhalenverteller Mensje van Keulen.
Zowel de serie als de auteur behoeven weinig toelichting. Van Keulen maakte zelf een selectie uit haar verhalen, gedichten en dagboeken. ‘In goed overleg met de uitgeverij’, zoals zij zelf toelichtte in De Taalstaat, het wekelijkse radioprogramma op NPO1 waar het allemaal om taal draait, is de definitieve selectie tot stand gekomen.
We vierden sinterklaas. Onze vier kinderen, waarvan twee met hun kinderen, waren vanuit verschillende delen van het land gekomen. Oudste dochter gaf me het boek terug, Ik nog wel van jou van Elke Geurts, dat ik in de zomer had uitgeleend. We waren er beiden enthousiast over, hoe goed het in elkaar zat. Nadat mijn dochter het over de man had gehad die niet verder wil, maar ook niet vertrekt, noemde ik de dode zwaan op de voetgangersbrug. Oh jaaa, knikte dochter. Hoe dat kleine meisje, ging ik verder, met een dode zwaan in haar armen op die voetgangersbrug staat. De blik van dochter wazigde wat. Ik zei, die zwaan die tegen de reling was gecrasht? De mistflarden en hoe heftig het meisje reageert op de dode zwaan? Hmm, zei dochter. Ik beschreef de lange witte zwanenhals, hoe die vanuit de armen van het meisje omlaag bungelde. Dochter volgde me niet meer. Ik zag het aan haar blik. En er moest ook nog koffie, chocolademelk geschonken worden.
Later vroeg ik me af of er wel sprake was van mist. Er was op dat punt in het verhaal wel veel in nevelen gehuld voor de vrouw. En die dode zwaan verwijst naar het uiteenvallen van iets, (zes jaar later het gezin). Ik denk aan W.F. Hermans die zei dat er ‘bij wijze van spreken geen mus’ zonder enige betekenis van het dak mag vallen. Dan is de betekenis van een neergestorte zwaan toch wel immens. Het kleine meisje wordt intens geraakt door het lot van de zwaan. Ik pak nu het boek er bij voor ik nog meer verzin wat er niet staat.
Op bladzijde drieënveertig staat dat het stralend mooi weer is. Mannen lopen in bermuda’s, kinderen op slippers. Vader, moeder, baby en het meisje wandelden over IJburg, vinden de dode zwaan op de voetgangersbrug. ‘Het was ondraaglijk om naar zijn witte veren te kijken, de zon die erop weerkaatste, zoals op verse sneeuw.’ Het verhaal wil dat ook het zwanenvrouwtje, dat haar man zocht, tegen de reling van de brug vloog, stierf. Nergens iets over een meisje dat de zwaan droeg.
Haar nieuwste boek, Wie is die vrouw? gaat over de ontdekking dat ex-man al jarenlang een relatie met een ander had op het moment dat hij zei, ‘Ik hou niet meer van jou’. Waarop het boek, Ik nog wel van jou ontstond. Kort na verschijning daarvan verneemt ze dat hij dus al jaren vreemd ging. ‘Ik had het heus wel kúnnen bedenken.’ schrijft ze. ‘Maar tot aan dat moment zou ik mijn leven ervoor hebben durven geven, en dat van mijn kinderen, dat het niet zo was gegaan.’ Voor het verhaal lijkt het onzinnig dit bedrog openbaar te maken, het is mosterd na de maaltijd. Zij stelt voor dat hij haar de komende jaren regelmatig een doosje goede wijn stuurt en het er dan niet meer over hebben. ‘De volgende dag al werden er drie dozen goede wijn bezorgd. De weg was weer vrij. We gingen verder.’
Maar sommige dingen laten zich niet afkopen. Er moet geschreven worden (dit boek gaat ook over schrijven). De bedrogen vrouw schrijft zich toe naar een vrouw die op zichzelf bestaat. ‘De mist tussen mij en de wereld trok (…) op.’ Geurts speelt met verschillende stijlvormen, versies van eenzelfde gebeuren. Alles om te onderzoeken hoe het had kunnen gaan, waar die vrouw toch was toen de dingen plaatsvonden. Geweldig boek!
Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.
De man die een berg werd van Grete Simkuté speelt zich af ergens in Noord-Japan en begint in 1823 op dag 0. Het verhaal behandelt het leven van de jonge boerenzoon Myo. Hij is eerstgeborene. De ouders zijn arme rijstboeren en de jongen praat niet totdat jaren later zusje Asa geboren wordt. Het zijn Myo’s gelukkigste jaren. Wanneer er hongersnood uitbreekt en de twee kinderen hun vader en moeder van nabij zien sterven, besluit de jonge Myo om met zijn zusje naar de stad te vluchten. Onderweg moet hij haar echter achterlaten. Wanneer hij terugkomt is ook zij gestorven. De jongen wordt geplaagd door schuldgevoelens, en houdt als automatisch weer op met praten. Hij wordt gevonden en onder de hoede genomen door meester Katashi, leider van een excentrieke sekte ergens hoog in de bergen. Myo ondergaat in en buiten de geïsoleerde tempel loodzware beproevingen en ontberingen om zijn lijf en geest te verschonen en te harden.
Het oude Japan en de 21e eeuw
Deze roman neemt je mee naar een ongekende wereld in het oude Japan. Het is een meeslepend verhaal van rituelen, eenzaamheid, innerlijke conflicten, opofferingen en toewijding.
Met de stijl is iets vreemds aan de hand.
De schrijfster begint het boek met een proloog geschreven in maart 2019 in Noorwegen. Zij zit met haar vriend gevangen in een onbevredigende relatie. Ze vertrekken samen naar Marokko om daar verandering in te brengen. Maar hij gaat surfen en zij verveelt zich.
Zij schrijft zich verongelijkt in voor een yoga-retraite en leest daar ‘een boek’ met ‘weifelende’ aandacht. In het boek staat een stukje over de geest van Sokushinbutsu, een monnik die, kort gezegd, levend onder de grond gaat en daar uiteindelijk mummificeert.
De schrijfster herkent in de eenzame opsluiting haar eigen situatie (!) en gaat op zoek naar meer informatie. Ze gaat daar mee door wanneer zij weer terug zijn in Noorwegen.
Op Dag 0 lopen we plotseling op houten sandalen, met een brief in de hand, over een bemost bospad. We zijn op weg naar meester Katashi. Vanaf dat moment sleurt de schrijfster ons het verhaal van Myo in. Maar omdat schrijfster zich in de proloog vereenzelvigd heeft met het lot van de onbekende monnik klinkt haar eigen stem regelmatig door in de veelal interne observaties en schuldbewuste gedachten van de verder zwijgende Myo. Dat botst. Het taalgebruik van Myo verandert op die momenten in de taal van de eenentwintigste eeuw en verbreekt daardoor direct de betovering.
De schrijfster heeft er klaarblijkelijk voor gekozen zichzelf te pas en te onpas op te voeren; dit doet zij zo vaak dat het ergerlijk wordt.
Schrijven is schrappen
Het verhaal van Myo kent 378 dagen. Die 378 dagen zijn vaak meeslepend, hier en daar betoverend mooi beschreven. Het verhaal krijgt een buitenaards karakter wanneer je met Myo de berg op en vele bladzijden later de berg in getrokken wordt. En ook hier geldt, als zo vaak met dikkere boeken; schrijven is schrappen. Met honderd bladzijden minder had hier een debuut gelegen dat zijn gelijke niet had gekend.
Er zit een prachtige roman verborgen in dit slordige debuut. Grete Simkuté kan wondermooi schrijven, daar is geen twijfel over. Zij verdient, voorlopig althans, een ter zake kundige, strengere redacteur.
Grete Simkuté (Lithouwen 1991) is journalist. Zij woonde en werkte langere tijd in België, Noorwegen en delen van Azië.
Haar teksten over kunst, cultuur en architectuur verschenen in De Morgen, De Standaard en in Elle. In opdracht schrijft zij voor architectenbureaus, galeries en kunstenaars. De man die een berg werd is haar debuut.
Een schrijver die met een ontzagwekkend tempo gemiddeld eens per jaar een boek afrondt. Die (bijna) dagelijks een blog schrijft (in 2010 door HP/De Tijd tot beste literaire weblog van Nederland uitgeroepen), tien jaar redacteur was bij literair tijdschrift Revisor, waarvoor hij elke vrijdag een leesverslag schreef. Altijd net een boek af, of alweer aan een nieuw boek begonnen. Het schrijven houdt nooit op. Waarin hij dan toch op zijn vader lijkt, die, toen Van Mersbergen een jongen was, een stuk land van vier hectare kocht waar hij al zijn tijd en energie in stak, waar het werken ook nooit ophoudt.
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 1971) debuteerde op zijn dertigste met de roman De grasbijter bij Cossee. Daarna volgden in het hierboven geschreven tempo negen romans, drie thrillers (pseudoniem Frederik Baas), een novelle, een kinderboek in de serie Gouden boekjes, twee non-fictieboeken en in april 2022 verscheen zijn eerste auto-fictie boek, Mijn pa is nooit alleen. En zie, tijdens het uitwerken van dit interview leverde Van Mersbergen Carnaval, een levensverhaal – de persoonlijke biografie van ons volksfeest als manuscript in bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.
We ontmoeten elkaar in café Hesp aan de Amstel. Ik vertrek extra vroeg van huis, wil de schrijver, die zeer stipt schijnt te zijn, niet verontrusten. Vanachter mijn eerste kop koffie zie ik door de openstaande café deur Jan van Mersbergen zijn fiets wegzetten. Als hij binnenkomt vraagt hij, ‘Ik ben toch op tijd hè?’ In tegenstelling tot de zwijgzame mannelijke personages in zijn boeken, is Van Mersbergen een makkelijke prater. We hebben het over zijn twee laatste boeken, over auteurs van belangrijke boeken, over zijn vader en Jozef van den Berg, de poppenspeler die wegfietste van zijn vrouw en kinderen en door een lekke band strandde bij een fietsenstalling waar hij zijn kluizenaars bestemming vond. We hebben het over daklozen, eenzame uitvaart en meer.
Schrijver worden door te lezen
Op zijn negentiende verliet Van Mersbergen Brabant voor de opleiding kunstmanagement in Amsterdam. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de theaterwereld als productieleider, decorbouwer en fondsenwerver. Van huis uit geen lezer,begon hij die eerste jaren in Amsterdam alles te lezen wat hij kon vinden.
‘Ik las Honderd jaar eenzaamheid en dacht, ja, dat wil ik ook maken en ging over mijn dorp in Brabant schrijven. Ik wilde net als Márquez magisch realistisch schrijven, maar dat paste niet bij mijn achtergrond. Ik moest eerst mijn eigen stem zien te vinden. Las ik Misdaad en Straf, vond ik ook geweldig. Dan dacht ik, (lacht), ik huur hier een kamer, ga ook zo schrijven. Pas bij Steinbeck en Hemingway dacht ik, zo kan ik het ook, zo’n simpel verhaal, daar zag ik mijn familie wel in. Mijn opa heeft ook als seizoenarbeider gewerkt. Hij snoeide de griend en de wilgen. En dan droomde hij van iets simpels, een boerderijtje, konijntjes. Dat zintuigelijke is belangrijk, en altijd in de derde persoon schrijven. Dat Amerikaans afstandelijke ligt me wel.’
Voor het autobiografische boek, Mijn pa is nooit alleen, dat begin dit jaar verscheen, was er de autobiografische roman Een goede moeder. Over zijn ex-vrouw en de zorg voor hun kinderen. De moeder is niet in staat op de dagen dat de kinderen bij haar zijn, voor hen te zorgen. Hulpverlening om haar daarin te ondersteunen, schiet tekort. Uiteindelijk stopt Van Mersbergen de hulpverlening en neemt de zorg voor zijn kinderen helemaal op zich.
Een indringend verhaal, over een moeder die wel wil maar niet kan, een hulpverlening die faalt.
‘De dag dat ik in 2020 gestopt ben met hulp zoeken om mijn ex te helpen haar kinderen te kunnen zien, ben ik gaan schrijven. Een goede moeder is een roman, maar wel een die beschrijft zoals het was. Ik kreeg veel reacties van vrouwen die iets soortgelijks hebben meegemaakt, of zich erin herkenden. Een vrouw schreef dat zij ook zo’n moeder was. Dat ze haar kinderen nog wel wilde zien, maar als er een afspraak was gemaakt, belde ze toch weer af. Een andere vrouw schreef me dat ze nu een keer per week met haar dochter afspreekt om naar het park te gaan. Dat komt door het boek schreef ze. Deze roman werkt als een spiegel. Gek genoeg waren er geen vaders die zich erin herkenden.’
Er waren ook lezers die moeite hadden met de manier waarop de ex-vrouw beschreven werd, die in haar een slachtoffer zagen. ‘In Trouw vond een recensent het moeilijk mijn boek te beoordelen omdat één partij, de moeder, zich niet kon verweren. Maar mijn ex houdt zelf alles af. Alle hulp voor omgaan met haar financiën, regelmatig medicatie innemen e.d., houdt ze af. Afspraken zijn zo stressig voor haar, dat ze zich er niet aan kan houden. Ik moest daar weg, nu tien jaar geleden, omdat het gewoon niet meer ging. En ja, in zekere zin heb ik mijn ex gebruikt voor deze roman. Maar ik heb haar wel de verteller gemaakt van het verhaal, dat was nodig. Anders was het een afrekening geworden. Zo van, “Ze zou de kinderen naar school brengen maar deed het niet.” Dat begrip voor haar situatie moest ik ook leren. De eerste versie was naar haar toe veel heftiger. En al was het niet mijn bedoeling, het is toch een soort liefdesverhaal geworden.’
Achtergronden en personages die in elkaar schuiven.
Mijn pa is nooit alleen, is een zoeken naar de beweegredenen van zijn vader waarom hij zich zo vastbeet in dat stuk land. De beschrijvingen over het land van zijn vader doen denken aan De grasbijter, zijn eersteling. Deze roman kan qua sfeer zo in het autobiografische Mijn pa is nooit alleen geschoven worden. Er leeft een jonge man, de zoon, alleen in een huisje op het land met een paar schapen, zijn ouders zijn geëmigreerd. Hij werkt bij een fruitteler, drinkt een biertje met vrienden, haalt een schaap uit de greppel. Er speelt een verlangen naar liefde, muziek van Mendelssohn. Er gebeurt niet veel maar de sfeer is verslavend. Ook het boek De onverwachte rijkdom van Altena, kent een zelfde sfeer.
Het boek over zijn vader gaat ook over hoe men zich verhoudt tot de ander, je verantwoording voor het leven, je kinderen. Ook over zelfmoord schrijft Van Mersbergen in Mijn pa. Dat hij dat nooit zou kunnen, op die manier afstand nemen van dingen die je niet kunt handelen. Schrijvers die hij kende, Joost Zwagerman, Wim Brands, zijn uit het leven gestapt. ‘Wim was hypochondrisch, zat altijd bij de dokter. Hij zit ook in dit boek over carnaval. Dan zeg ik tegen hem, “Wim, hoeveel dagen ga je ook alweer mee carnaval vieren?” Dan zegt Wim, “Nou, ik weet het niet.” Ik mocht hem graag, en Zwagerman… Ik wordt er vooral een beetje boos van.’ Zoals Jozef van den Berg zijn gezin in de steek liet, hij heeft er bewondering voor, maar vindt het vooral nogal theatraal.
‘Alsof hij zijn laatste voorstelling had. Heel anders dan die Britse komiek, Tommy Cooper, die dood op het podium neerviel. Dat is een mooie dood. Zo gaat mijn vader ook dood, die sterft op dat land. Dat begrijp ik wel.’
‘Van mijn vader wilde ik weten waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Waarom alles gerelateerd is aan dat stuk land van hem. We komen uit een boeren- en arbeidersfamilie. We hebben beiden eenzelfde soort arbeidsethos, daarin lijken we op elkaar. Ik begrijp heel goed waarom hij alles zelf wil maken, maar waarom hij dat in zijn eentje doet, dat snap ik dan weer niet. En nu mijn ouders ouder worden, mijn vader is tachtig, maak ik me wel eens zorgen dat ze alles alleen doen.’
Voor het boek kreeg hij inzage in de aantekeningen die zijn vader al die jaren maakte. Over wat hij dag in dag uit op het land uitvoerde, over het weer, de opbrengst van het land (Laatste mais in emmers en in zak en de stellage opruimen; veel vraat aan bovenste mais en de muizen, ze lopen rond en ook rattekeutels.) het aantal eieren dat de kippen legden.
Een vader die niet aanwezig is, het is zoals het is.
Dat een vader geen openlijke belangstelling voor zijn kinderen en kleinkinderen toont. ‘Mijn vader merkte eens op dat in mijn eerste vier, vijf boeken geen vader zit. Ik zei “Ja, jij was altijd met dat land bezig.” Waarop hij mompelde, “Ja, ja.” Maar goed, ik heb er nooit last van gehad. Iedereen in die streek is afstandelijk. Ze leven voor hun boerderij maar sociaal zijn ze geïsoleerd. Toen ik eens met een vriend langskwam omdat we toevallig in de buurt waren, gaf mijn vader gelijk een soort rondleiding om te laten zien wat hij en mijn moeder allemaal gemaakt hebben. Die vriend zei, “We kwamen eigenlijk voor de koffie.” Later lees ik dat terug in zijn aantekeningen, dan ben ik wel blij dat ik daar in voorkom.’
Hij had gespeeld met de gedachte Jozef van den Berg op te zoeken, had al uitgezocht hoe er te komen. Eerst met de trein, dan een fiets huren, hij kon er zo naartoe. ‘Maar praktisch wilde ik het toch niet uitvoeren. Die man is gewoon helemaal uit geïnterviewd… Floortje Dessing was er voor haar programma Floortje blijft thuis. Zij zegt alleen maar “Wat bijzonder om hier te zijn”, en “wat is het hier leuk”. Alsof hij nog steeds optreedt.’
Ook de gedachte zoals in het boek staat: ‘Ik kan mijn pa niet vinden in een schuurtje waar een man woont die, en dat weet ik ook, als je zijn baard af zou scheren, opeens mijn vader blijkt te zijn’, hield hem er vanaf.
Wat als zijn vader naar Frankrijk was gefietst
‘Ik had wel een kapstok nodig om over mijn vader te kunnen schrijven. Mijn eerste theorie was, dat als mijn vader net als hij gewoon was weggegaan, niet dat stuk land had gekocht dat uitkijkt op zijn geboortehuis, maar gewoon naar Frankrijk was gefietst, dan hadden mijn moeder, mijn broer en ik een heel ander leven gehad. Maar dat was te hard. Mijn vader is helemaal niet weggereden in die zin. Maar aanwezig was hij ook niet. Hij heeft veel ruimte ingenomen voor zichzelf. Op afstand was hij toch aanwezig. Hij spaarde bijvoorbeeld voor mijn studie. Toen ik ging studeren, ging ik vijf keer in de week uit, dus mijn vader dacht, hij brengt al dat geld naar de horeca. Toen ik klaar was met mijn studie, heeft hij de helft van mijn studieschuld afbetaald. Hij was er dus wel mee bezig. Anders dan vaders die elke week bij het voetballen staan te kijken, maar die doen dat dan misschien weer niet.’
In Mijn pa, staat dat de schrijver bang is om alleen te zijn. Anders dan zijn vader wil hij beweging om zich heen, mensen ontmoeten. ‘Arjen Fortuin schreef eens in het NRC dat mijn boeken over stugge mannen gaan die weggaan voor iets. Toen ik hem daar over sprak, zei ik, die mannen gaan niet weg, die zoeken juist op elke pagina contact. Dat alleen zijn dat in mijn boeken gelezen wordt, ik weet niet wat dat is.’
Overlevingsdrang en het volgen van patronen
Marcus, een dakloze in het boek over zijn vader, bivakkeerde in het plantsoen waar de schrijver geregeld langs fietste. Met enige reserve benaderde hij hem, bracht hem een jas die hij over had. ‘Ik vind het bijzonder hoe iemand op deze manier in leven blijft. Ik weet niet hoe hij dat doet. Maar ik zie wel dat hij niet opgeeft. Hij is een soort eigentijdse Robinson Crusoe, heel praktisch. Er is een overlevingsdrang, maar dan totaal niet in beeld.
Kijk, Jozef van den Berg heeft zijn publiek, nog steeds. Indirect vraagt hij ook best veel van de mensen om hem heen. Toen hij niet langer in die fietsenstalling kon blijven, zeiden die mensen bij wie hij nu zit, “je kunt wel bij ons in het schuurtje”. Hij heeft daar niet zelf voor gezorgd. Dit is ook zomaar een gedachte hoor, maar Jozef heeft wel een soort vertrouwen dat het goed komt. Daarentegen moet een dakloze iedere dag zijn eten organiseren. Er moet een soort patroon in zitten om te weten waar hij zijn eten kan halen. Het is moeilijk daarover met hem te praten. Ik wilde hem niet analyseren waar hij bij zit, dat hij zijn eigen gespreksonderwerp wordt, dat wilde ik niet.’
‘Joris van Casteren schrijft heel mooi over zulke levens in het kader van De eenzame uitvaart in de Volkskrant. Daar is een poule van dichters voor, waarvan er steeds één bij elke eenzame uitvaart een gedicht schrijft. Dat zou ik ook wel eens willen doen. Ik schrijf wel geen poëzie, maar een stukje proza zou toch ook kunnen.’
Er is een thriller en een roman waar op dit moment aan gewerkt wordt. ‘Alles door elkaar’, lacht hij haast verontschuldigend. Over de roman spreekt hij als betreft het een bouwwerk waarvan de steigers al kunnen worden weggehaald, er enkel nog gevoegd hoeft te worden. ‘Een roman die voor tweederde staat. De verteller moet nog wat worden opgepoetst. Ik wil altijd iets onderzoeken in een boek. Mijn redacteur bij Cossee, Christoph Buchwald, vraagt altijd, hij is Duits, “Wat is in deze boek die onderzoek frage?” Ik schrijf nu over een jongen die weigert te praten. Zoals in De blechtrommel van Günter Grass een jongen weigert te groeien omdat de nazi’s aan de macht komen. Ik kijk naar mijn zoontje van vijf, hoe hij praat. Voor een roman is hij als verteller te jong. Ik zoek nog naar een vorm waarin dat wel kan. Als begin heb ik altijd wel een basis idee, weet ik waar het heen moet gaan.’
Dat hotels geschikte verhaaldecors bieden, is een wet van Meden en Perzen. Wie kent niet het Overlook Hotel uit The Shining van Stephen King? Wat te denken van het Grand Hotel Europa? En flirt Khalid Boudou in Het schnitzelparadijs niet met Van der Valk, als de Marokkaanse Nordip zich opwerkt in de Blauwe Gier? De visionair van Anja Sicking bevat eveneens een hotel met de naam van een gekleurd dier: het Roode Hert. In dit hotel vervangen technische innovaties menselijke arbeidskrachten. Het grenzeloze geloof in de technocratie beperkt zich echter niet tot deze plek.
Hoofdpersoon Roemer, die op een blauwe maandag in het Roode Hert werkte, is stervende. In een ‘vision par derrière’ beziet hij zijn leven. Als tiener zag hij dat heel de wereld moderniseerde, zonder dat er werkelijk vooruitgang werd geboekt. Zelf ontwikkelde hij als puber een dierenoog uit spontane natuurliefhebberij. Later maakte hij hier een E-bril van om emoties van gezichten af te lezen. Vooral met de beeldschone hoteleigenares Eveline Vroman hoopte hij zo contact te maken. Zodra het geld voor dit product begon binnen te stromen, was het gedaan met Roemers idealisme.
Zo bewijst Sicking dat innovaties niet zozeer door goede wil, als wel door blinde ambitie ontstaan. Meer dan aanvankelijk lijkt, ligt de focus van dit boek bij de geesteswetenschappen, juist omdat het de niet-kopieerbare geest en emoties van de mens viert. Tegelijk getuigt dit verhaal van visie. De schrijfster suggereert namelijk dat robots prachtige verhalen kunnen vertellen. Met een nieuwe vertelinstantie heft zij het onderscheid tussen wetenschap en kunst op: de robotauteur. De kwaliteit van De visionair is dus drieledig. Het levert maatschappijkritiek op technocratie, vereert de menselijke geest en verlegt de grenzen van de literatuur.
Technocratie: heilstaat of horror?
De visionair rekent af met het dogma dat technologie intrinsiek neutraal zou zijn. Op basis van dit dogma geloven technocraten namelijk dat de menselijke vooruitgang kunstmatige intelligentie nodig heeft. Weg zijn dan alle vooroordelen, driften en onrecht. Meneer Breeveld, Roemers bevlogen roboticadocent, waarschuwt de klas voor de keerzijde hiervan: ‘Wie de eigenaar is van de meest geavanceerde kunstmatige intelligentie heeft het straks waarschijnlijk voor het zeggen.’ Helaas blijft elke technologie uiteindelijk een product van mensen, met al hun beperkingen, zo predikt de docent.
Terloops stelt De visionair ons voor nog een genadeloos, voldongen feit. De technologische vooruitgang ten spijt raakt Nederland overstroomd. Op hetzelfde nuchtere toontje waarmee tegenwoordig de Watersnoodramp van ’53 wordt besproken, constateert de Roemer uit de toekomst: ‘Ze zeggen dat de nieuwe kustlijn (…) ter hoogte van Amsterdam komt te liggen.’ Haast schouderophalend accepteert hij de catastrofe. De mensen met het juiste brein gebruikten hun intelligentie voor de verkeerde doeleinden, en dan is dit dus het resultaat, zo sombert hij. Wie de ramp wílden voorkomen, kónden het niet. Wie hem kónden voorkomen, wílden het niet. En Roemer zelf dan? Die was bezig met zijn loopbaan als hooggewaardeerd wetenschapper: ‘Hij droomde ervan de nieuwe Majorana of Hawking te worden, of (…) Einstein.’ Sicking laat zien dat ambitie de mens weliswaar tot grote hoogtes stuwt, maar hem tegelijk kopje onder kan laten gaan.
Begrijp je?
De visionair buigt zich over vragen als: wat onderscheidt de mens van kunstmatige intelligentie? Zijn mensen en algoritmes niet allebei een samenraapsel van data? Is het echt zo lastig zelf mensen te creëren, zonder organisch materiaal? Roemers vriendin Zara zegt hierover tegen hem: ‘Je kunt veel namaken, maar het gaat in het leven juist om wat we niet kunnen reproduceren, om wat verloren kan gaan, om wat niet te kennen is.’ Bij monde van Zara weerlegt De visionair de misvatting dat de mens 100% te analyseren valt, hoe stellig de exacte wetenschap ook beweert dat dat wel kan. Ergens veel van weten, is niet hetzelfde als begrijpen. Roemer wandelt door het prachtige duingebied ‘zonder veel af te weten van het netwerk van fijne haarvaatjes van wortels en schimmeldraden onder zijn voeten, maar het mysterie dat hem omringde [was] wel tot hem doorgedrongen.’
Zoals de natuur de mens in vervoering brengt, doen beeldende kunst en muziek dat ook. Tijdens het pianospel van zijn vader droomt Roemer weg: ‘Terwijl hij luisterde kreeg hij het idee dat er een waarheid in deze muziek doorklonk, al kon hij onmogelijk zeggen welke.’ Wie muziek analyseert, beschrijft haar hooguit, maar vat haar nooit: ‘die bolletjes op die vijf horizontale lijnen waren niet de muziek (…), waarvan mensen soms kippenvel kregen of moesten huilen.’ In feite is De visionair een warm pleidooi voor de kunsten en het geesteswetenschappelijke Verstehen.
Robotromancier
Ondanks zijn liefde voor moderne snufjes schrijft Roemer zijn levensverhaal met pen uit op papier: ‘We denken misschien dat we iedere dag meer informatie kunnen opslaan, maar de Steen van Rosetta heeft langer standgehouden dan de meeste devices.’ Die hang naar het eeuwige leven, of in elk geval eeuwige nalatenschap, uit Roemer puur schriftelijk. Geheel kunstmatig van aard is dan weer zijn stervensproces. Als eenentwintigste-eeuwse robot laat hij al zijn organen vervangen door algoritmisch aangedreven protheses, inclusief de lichaamsdelen waarmee hij schrijft: ‘Ik weet niet waar Roemer ophoudt en ik begin.’ Langzaamaan ontstaat een nieuw soort schrijver.
De Roemer uit de toekomst kijkt al schrijvend terug op het leven van zijn vroegere zelf: hoe hij zijn labiele vader onder zijn hoede nam in plaats van andersom, zich een plekje verwierf op de middelbare school en gepokt en gemazeld de liefde leerde kennen. Deze grensverleggende young-adultroman is het resultaat. Anja Sicking staat bekend om haar essays in Trouw over de schrijfrobot (waar Roemer aan doet denken) en levert hier een kakelvers prototype af van de robotauteur. Hieraan kunnen zelfs de techniekliefhebbers onder de middelbare scholieren hun hart ophalen. Eén van Roemers klasgenoten, Noud, citeert een Amerikaans onderzoek als volgt: ‘De grootste wetenschappers lazen gedurende hun jeugd niet Die Leiden des jungen Werthers, maar The 5th Wave of Into the Fire.’ Laten we bij dezen De visionair aan dat rijtje toevoegen!
Begin jaren tachtig had ik een winkeltje in Deventer met een vriendin. We maakten jassen van Perzische tafelkleden, broeken met hoge taille, capes van velours. Stoffen kochten we in de Jodenbreestraat in Amsterdam. Op een middag kwam er een man in het winkeltje. Hij had interesse in een cape, paste er een, kocht er twee. Zo stel je de toekomst een beetje veilig. Ik ben er vrijwel zeker van, hoewel herinneringen nogal suggestief zijn, dat die man Jozef van den Berg was. Hij speelde die dagen in de stad. Aardige man. Toen hij begin jaren negentig zijn gezin, het theaterleven verliet, dacht ik ‘Woh’, er zomaar vandoor gaan (hij wel). Doen wat je niet laten kunt. Soms denk ik aan hem, ‘Hoe zou het zijn? Zou hij nog in dat fietsenhok zitten, kluizenaar zijn?’ Daarbij zie ik dan het beeld van de man die de panden van een cape om zich heen slaat bij het verlaten van het winkeltje. Tien jaar later verliet hij dus vrouw en kinderen. Een van zijn kinderen zei nog, ‘Dat gaat zomaar niet, ik ga met je mee.’ Maar hij ging alleen, hij was geroepen door God. Dit lees ik in Jan van Mersbergens boek Mijn pa is nooit alleen.
Bij voorbaat een goed boek, om Jozef van den Berg die erin voorkomt. De man die mijn voorstellingsvermogen van ‘leven in vrijheid’, tartte. Van Mersbergen schrijft zich via verschillende kluizenaars een weg naar zijn vader, naar zichzelf. Zijn vader was een alleenganger, bouwde zich op een hectare land, buiten het dorp waar ze woonden, een eigen ruimte. Hoewel zijn vader niemand verliet, net geen kluizenaar werd. Zijn moeder bleef, zijn vader ging niet weg. Ik lees, ‘Van mensen die ervoor kiezen ergens ver van andere mensen te leven, begrijp ik helemaal niets en toch fascineert hun keuze me.’ Van Mersbergen onderzoekt het leven als kluizenaar van Jozef van den Berg, er is een boek over hem, interviews. Hij zoekt hem niet zelf op. Wel bezoekt hij een zwerver in Slotervaart, geeft hem een jas, stelt hem vragen hoe hij hier zo gekomen is. Een huwelijk, gokverslaving, huis uitgezet, niets vrijwillig.
Dat zou hij ook aan Jozef willen vragen, hoe het zo gekomen is. ‘Eigenlijk wil ik van hem weten of hij zijn thuis mist.’ Een cruciale vraag voor iemand die trouw is aan zijn mensen. Hij schrijft, ‘Hij vertrok op de fiets, volgde Gods roeping, was van plan de wereld in te trekken, maar kreeg een lekke band in het eerstvolgende dorp, en daar is hij in een fietsenstalling gaan wonen. Dat is het verhaal van Jozef: een lekke band.’ Zelf vertrok hij tien jaar geleden ook op de fiets, weg van zijn gezin dat niet meer ging. Kreeg geen lekke band, trok in bij een vriend. Een boek over de vader is altijd een boek over de zoon, en in deze, over Jozef van den Berg. Hij schrijft, ‘Het schrijven van deze autofictie is als het lopen van een estafette. De kluizenaars zijn al vertrokken, (…) geen van de voorgangers komt mij het stokje doorgeven. Kluizenaars zijn niet goed in het doorgeven van hun verhaal.’ Van Mersbergen is (goddank) geen kluizenaar. Hij geeft zijn verhaal, verhalen van anderen en wat die met hem doen, wel door. Mooi om te lezen. Ondertussen ben ik er steeds zekerder van dat het de poppenspeler was, toen, in dat winkeltje. Aardige man.
Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.
Robert Vuijsje, zoon van journalist Bert Vuijsje en vertaalster Sheila Vuijsje-Gogol, groeide op in het keurige Amsterdam-Zuid. In 2008 schreef hij de in deze buurt gesitueerde roman Alleen maar nette mensen die goed werd ontvangen maar weinig opzien baarde totdat vanuit de Bijlmer protest kwam tegen de als racistisch beschouwde tekst in het boek. Want Vuijsjes’ hoofdpersoon David Samuels, zelf joods maar vanwege zijn zwarte haar vaak gezien als Turk of Marokkaan viel op Surinaamse vrouwen, onder meer vanwege hun dikke billen. Surinaamse vrouwen zijn méér dan hun billen werd Vuijsje verweten en de landelijk opwaaiende discussie deed het boek goed: het werd 200.000 keer verkocht.
Vuijsje ging net als zijn vader de journalistiek in, met etniciteit als specialisme en dan vooral de vraag hoe huidskleur je identiteit bepaalt. Na 10 jaar huwelijk met een Surinaamse en het zien opgroeien van hun kinderen leek hem de tijd gekomen om zijn debuut een vervolg te geven. Het werd een thema-roman, deels over Joods zijn in Nederland (je toch anders voelen) maar met eigenlijk maar één hoofd-onderwerp: de onderdrukking van zwart door wit. Vuijsje vertelt in Salomon’s oordeel hoe Max Cohen, een joodse student in Amsterdam, verliefd wordt op Alissa, een Surinaamse studente uit de Bijlmer. Ze trouwen en krijgen een zoon die ze Salomon noemen. Het verhaal wordt verteld in een reeks korte scènes waar telkens het thema zwart-wit de kop opsteekt. Te beginnen met de eerste keer dat ze seks hebben:
Het is nooit goed
‘Ze waren klaar. Alissa stond op. Door een kier in de gordijnen keek ze weer naar buiten.”Moet ik hier nou trots op zijn?” vroeg ze, met haar rug naar Max toe. “Moet ik vereerd zijn dat hij met mij wil zijn? Dat een witte man opgewonden kan worden van mij? (…) Laat me je dit vragen.” Ze pauzeerde weer. “Wie was er net de baas?”
“Dat was jij.”
“Nee,” zei Alissa. “Dat was jij.” Max beschreef alle lichamelijke handelingen die ze hadden uitgevoerd en wie daarvoor de commando’s uitdeelde. Alissa onderbrak hem. “Maakt niet uit. Ja, ik speel de baas. En dan? Waarom denk je dat ik dat doe?”
Max wist het niet. “Jij neemt wat ik heb. Wit, joods, hoe je jezelf ook noemt – jij bent een witte man die komt pakken wat ik heb. Ik zet een grote bek op, maar het is nog steeds: een witte man die mij komt pakken.”‘
Obsessief anti-rassistisch
De boodschap is duidelijk: Max, de witte man is fout, wát hij ook doet of laat. Simpelweg omdat hij wit is. Als dat nu de meest eenvoudige en heldere oplossing voor de relatie tussen Max en Alissa is, kan geen lezer daar bezwaar tegen hebben. Maar Max en Alissa komen beiden uit gezinnen waar veel geruzied werd of in hun vertaling: gediscussieerd werd. Dus volgen vele hoofdstukjes waarin Max keer op keer dezelfde les moet leren: ik ben wit dus zit ik fout. Het gevolg is dat hij heel alert wordt op mogelijk disrespect van bedienend personeel als hij met Alissa in een restaurant zit, ze daarop aanspreekt en vervolgens door haar toch weer wordt terechtgewezen: ‘”Een fles plat water alstublieft,” zei Alissa tegen de ober. “Dank u wel.” En nadat de ober weg was: “Eindelijk zit ik een keer in zo’n fancy restaurant en dan doe je dit? Ben je gek of zo?” Max zei dat het hem speet. Maar ze moesten hem niet tergen. Hij was niet blind, hij zag heus wel hoe ze deden tegen Alissa en hem. “Zomaar doe je dit,” zei Alissa. “Luister dan. Je bent paranoïde.’”
Opnieuw zit Max fout: hij reageert obsessief anti-rascistisch terwijl Alissa gelouterd is door haar ervaring als zwarte vrouw in een witte maatschappij. En zo blijft hij altijd aan het kortste eind trekken in hun relatie. De scènetjes zijn door Vuijsje goed opgeschreven, zonder een standpunt in te nemen en zijn hier en daar schrijnend. Maar op den duur wordt het toch wat eentonig, die voortdurende obsessie met wit en zwart die Max’ leven beheerst. Het is een verademing als Alissa en hij een keer ruzie krijgen over Max’ rommelige manier van het vullen van de vaatwasmachine. ‘”Lekker hè?” zei Alissa. Net alsof ze gewone mensen waren. Niet een witte man en een zwarte vrouw, maar gewoon: een man en een vrouw. Die ruzie konden maken over dezelfde problemen als alle andere mannen en vrouwen van Nederland.’
Joods of Surinaams
Als Salomon, hun zoon, zich meer Surinaams blijkt te voelen dan joods zoals zijn vader, heeft Max opnieuw een probleem. Een zoon die eigenlijk niet je zoon wil zijn omdat hij zwart is en jij wit, en die je een kankerjood noemt, hoe ga je daar mee om? Niet dus, want alles wat je doet is fout. In het van racisme-denken vervulde leven van Max is er uiteindelijk maar één plek waar Alissa en hij echt tot rust komen: In Drenthe en dan met name op de Brink van Dwingeloo. Daar zijn ze allebei vreemd.
‘”Weet je wat een unit is?” vroeg ze. “Dat zijn wij, met z’n drieën.’” Ze bedoelde Max en zichzelf en de jongen die aan de andere kant van de tafel op zijn telefoon zat te kijken. Gezin. Werk. School. De rest was ballast. Max had zijn zonnebril ook afgedaan, met zijn ogen dicht zat hij in de zon. ‘”Je hebt gelijk,’ zei hij. “De rest zit alleen maar in de weg.” Alissa vroeg of ze hier champagne zouden hebben. Twintig jaar hadden ze erover gedaan, maar nu keken ze op dezelfde manier naar de wereld. Die shit waar ze in Amsterdam mee bezig waren geweest, al die gesprekjes over wit en zwart en joods en Surinaams – waar ging het over? ‘
De weegschaal nooit in balans
Even kan de lezer herademen. Maar als Salomon kort daarna door zijn ex-vriendin beschuldigd wordt dat hij haar verkracht heeft en daarvoor in de cel belandt, komen Alissa en Max onmiddellijk weer in de rassenproblematiek. Want Max wil niet direct geloven dat Salomon onschuldig is, terwijl moeder Alissa dat van hem eist.
‘Hoe waren zwarte mannen, in de ogen van Max? Kregen ze ongecontroleerde woedeaanvallen? Waren ze seksueel losgeslagen?’
Het leidt tot een verwijdering tussen de beide ouders en ook als Salomon’s ex bekent dat ze de verkrachting verzonnen heeft is het de vraag of ze ooit weer bij elkaar zullen komen.
‘”Ben je terug?” vroeg hij. “Weet ik niet,” zei ze. “Wij moeten praten.”‘ Dat is het eind van de roman waarmee de echtelijke discussie vooralsnog onbeslist blijft. Voor wie wil weten wát er allemaal aan mogelijke kwetsuren zijn te maken of te ondergaan in de multiculturele samenleving is Salomon’s oordeel ongetwijfeld een leerzaam handboek. Voor liefhebbers van een roman is het een wat bedrukkend kijkje in het leven van iemand die niet kan accepteren dat mensen elkaar in hokjes plaatsen op basis van opleiding, godsdienst, huidskleur, geslacht, leeftijd, gewicht enz. en daar stereotypen op plakken. En dat de fricties die dat geeft een onaangename maar onvermijdelijke consequentie zijn van de multiculturele samenleving die over de hele wereld, en dus ook in Nederland aan het ontstaan is.
Max Cohen lijkt dat – een enkel moment daargelaten – in het geheel niet te beseffen, elke relativering in huidskleur-zaken is hem vreemd. Bij een als intelligent beschreven personage is dat een gemis en het blijkt ook een forse beperking te zijn in de opzet van deze roman. Vreemd dat een socioloog als Vuijsje dit niet heeft beseft.
Voor een nieuwe Dave Eggers maakt elke boekhandel onmiddellijk ruimte vrij. De schrijver, die in 2000 met zijn romandebuut Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit de literaire wereld binnen stormde, bleef successen oogsten met onder andere Wat is de Wat (2006), Zeitoun (2009) en De Cirkel (2013). En nu is er Helden van de grens.
Eggers staat met twee benen in de maatschappelijke vraagstukken en beschrijft invoelend hoe mensen die ondergaan. Zo komt de lezer in Wat is de Wat dichtbij de Soedanese vluchteling Valentino Achak Deng en kan hij in De Cirkel griezelen bij de gedachte hoever de technologische mogelijkheden ons kunnen drijven tot handelen dat we eigenlijk niet willen.
In het zojuist verschenen Helden van de grens slaagt Eggers er opnieuw in om een deuk te slaan in een leefwijze, vooral de Amerikaanse, die voldoet aan normen die de schijn van een hoge ethiek moeten ophouden, met als knots achter de deur de claimcultuur als het fout gaat. Onder die leefwijze ligt echter de vervreemding van de mens van zichzelf.
We volgen in de Helden van de grens Josie, een jonge vrouw uit Ohio, op een trektocht door Alaska. Ze is weg bij de vader van haar kinderen, Carl, die zich druk maakt om milieu en maatschappij (hij steunt de Occupybeweging), maar geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gezin. Hun kinderen Paul van 8 en Ana van 5 zijn door Josie meegenomen zonder dat ze dat Carl heeft verteld. De kinderen kennen haar reisdoel evenmin; ze weten zelfs niet dat Carl en Josie uit elkaar zijn. De pientere Paul voelt zich ondertussen verantwoordelijk voor zijn jongere, ondernemende en impulsieve zusje.
Camper Maar er ligt meer ten grondslag aan het vertrek van Josie. De reis is niet alleen een vlucht voor Carl maar ook voor spoken uit het verleden die, naarmate de rit door Alaska vordert, voor de lezer langzaam opdoemen: een jongen, Jeremy, die is omgekomen in Afghanistan, nadat Josie hem had aangeraden zich als militair aan te melden voor uitzending; en een patiënte, Evelyn, die een schadeclaim tegen Josie heeft ingediend omdat ze als tandarts niet heeft gezien dat zij (Evelyn) een dodelijke tumor ontwikkelde. Om van een slepende rechtsgang af te zijn heeft Josie haar praktijk verkocht. Met de kinderen en een beetje geld in een fluwelen zakje dat ze angstvallig verbergt, vliegt ze naar Anchorage in Alaska. Daar huurt ze een aftandse camper waarmee ze naar haar halfzus Sam wil.
Het wordt een bizarre tocht door de wilde natuur als een soort spirituele groei naar zelfinzicht. De rit voert haar langs verlaten plekken, brengt haar oog in oog met gevaren en levert bijzondere ontmoetingen met mensen en groepjes die een beetje buiten de maatschappelijke orde lijken te staan – in elk geval buiten de orde die Josie gewend is. Daarbij komt ze voortdurend zichzelf tegen.
Moedig Haar argwaan en achterdocht spelen op als mensen juist heel vriendelijk voor haar zijn, ze neemt voortdurend verkeerde beslissingen en voelt zich de hele reis achtervolgd door Carl of een deurwaarder, hoewel ze er eigenlijk zeker van is dat niemand behalve Sam weet dat ze in Alaska rondtoert. Dat gedrag breekt haar ook bij Sam op – de halfzus die haar weer confronteert met hun vreemde voogdijgeschiedenis – want ook bij haar slaat ze weer op de vlucht.
Bovenop die bekommernissen is er ook nog eens de grote bosbrand die juist tijdens haar verblijf Alaska teistert en haar uiteindelijk van de laatste hechting aan materie geneest.
Daartussendoor confronteren de kinderen Josie door hun gedrag met haar falen als moeder. Tot aan het slot van deze roadnovel het inzicht doorbreekt, eerst tijdens een verblijf bij een muziekgroep en daarna in een soort parabel vol donder en bliksem. In een onstuimige klimpartij door de woestenij valt alles voor Josie, Paul en Ana tenslotte op zijn plek: ‘ze wilden moedig zijn, wisten dat er geen andere keuze was dan moedig te zijn, dat er niets groters was dan moedig zijn. Op dat ogenblik begreep Josie dat in plaats van een moedig mens te zoeken – en daar was ze al jaren naar op zoek, besefte ze – het veel beter was om mensen moedig te maken. Ze moest geen integere, moedige mensen zoeken. Ze moest ze maken.’
Lafbekken Het is een directe terugverwijzing naar het begin van de roman als Josie net in Anchorage is geland: ‘Dus waar waren de helden? Ze wist alleen dat waar zij vandaan kwam de mensen lafbekken waren. Nee, er was één dappere man geweest en zij had aan zijn dood meegewerkt. Eén moedige man die nu dood was. Iedereen nam maar en nam maar en Jeremy was dood. Zoek iemand voor me die dapper is, vroeg ze de donkere bomen buiten. Iemand met inhoud, eiste ze van de bergen daarachter.’
Het zijn ingrediënten voor een breed en diepmenselijk verhaal. Toch wil het Eggers maar niet lukken om de lezer in deze nieuwe roman blijvend mee te slepen. Om het maar eens simpel te zeggen: het boek had wel wat dunner gekund om er juist scherper in te hakken. Nu is de zoektocht naar zichzelf in de ongerepte natuur soms wat te zweverig en te soft en leidt de opeenstapeling van voorbeelden van Josie’s wantrouwen, onzekerheid en verkeerde keuzes eerder af dan dat ze lezer dichter bij haar brengt. Maar dat heeft er misschien mee te maken dat Helden van de grens ook wel erg Amerikaans is.
Najaarszonnewende-meezingmiddag Dat zit hem primair in de keuze voor Alaska als gebied waar de reis zich afspeelt. Die staat heeft voor de Amerikaan de lokroep van het land waar nog wildernis te vinden is en de natuur nog zuiver is. Er is moed voor nodig om er te wonen omdat Alaska zo haaks staat op alle zekerheden en opgeblazenheid van de Amerikaanse burgermaatschappij. Waarover Eggers ook nu weer hilarisch schrijft, bijvoorbeeld als het gaat over de spagaat van moeders die willen werken en tegelijk 24 uur bij hun kinderen moeten zijn, zelfs bij activiteiten op school:
‘Maar die andere ouders met hun oordelende blikken, wanneer werken die? Het is hun baan om al die activiteiten bij te wonen. Dat is hun werk, impliceren ze en ze laten ook doorschemeren dat jij en jouw reële werk oké zijn, maar ook treurig en nalatig. Maar dat zeggen ze niet. Ze zeggen: het geeft niet als je er niet bij kunt zijn, bij de najaarszonnewende-meezingmiddag en de eindewintersleeliederenbraderie-en-hapjesdag. Helemaal niet erg van dat ouder-en-kind-badmintondubbel-lentelichtjesavondfestijn (…) Hoeft niet, hoeft niet, hoeft niet, geeft niet, geen probleem, al ben je natuurlijk een egoïst en gaan je kinderen naar de verdommenis.’
Nee, dan Alaska! Daar bestaat deze tweestrijd niet.
IJspriester Er zit een mooie verwijzing naar de betekenis van Alaska in de ‘ijspriesterogen’ van Paul. Vermoedelijk zinspeelt Eggers daarmee op pater Bernard R. Hubbard (1888–1962), die in het begin van de 20ste eeuw veel aan het beeld van Alaska als ongerepte wildernis heeft bijgedragen en die door zijn ontdekkingstochten de bijnaam ‘The Glacier Priest’ kreeg.
Een andere mooie vondst is dat Josie ook fysiek in haar uitgeleefde camper meedraagt wat ze juist dacht ontvlucht te zijn. Zo zijn er de problemen met de toiletafvoer, die de lezer doen denken aan Carl wiens darmen zo opspeelden dat hij voortdurend op de wc zat. En in de camper vindt Josie oude nummers van het tijdschrift Het Westen van Weleer, waarin ze steeds de rubriek ‘Vervaagde sporen’ leest. Daarin zijn mensen op zoek naar familie en hun verleden. Josie, die zelf geen familie heeft (haar vader en moeder zijn al vroeg uit de ouderlijke macht ontzet en broers of zussen heeft ze niet; Sam is alleen halfzus vanwege dezelfde voogdijvoorziening) leest in het blad juist steeds die rubriek.
Eggers betoont zich in Helden van de grens opnieuw een scherpe en humoristische analyticus van de verhouding tussen de mens en de maatschappelijke ontwikkelingen. Maar mag het ietsje minder breedvoerig?
Laten we één ding voorop stellen: het gaat in dit boek om de ‘I’ en minder om ‘Dick.’ De I is de schrijfster zelf, Dick is haar geliefde, de Engelse cultuurcriticus Dick Hebdige. Chris beschrijft zichzelf als even bleek, en met dezelfde doordringende blik zoals ze op foto’s staat uit de tijd waarin ze debuteerde (1997). Ze is Chris Kraus, de mislukte filmmaker die na vijf jaar, en een avond bij Dick, weer in staat is een verhaal te schrijven. En daar na twintig jaar een cultstatus mee bereikt.
Brieven Het eerste deel van het boek bestaat uit brieven die Chris én haar echtgenoot Sylvère Lotringer aan Dick faxen. Een opvallende keuze, want stond de briefroman niet, althans volgens de filosoof Jürgen Habermas, voor ‘de opkomst van de bourgeois literatuur’? Dit boek is het tegenovergestelde en neemt er in woord en daad nadrukkelijk afstand van.
In de brieven komt belangstelling naar voren voor ‘wat mensen samen doen’, meer dan voor ‘wie ze zijn.’ Het zijn in tekst omgezette levens, een distillaat van gevoelens voor elkaar, ‘in principe (…) een soort kunstwerk’ (Sylvère) of ‘een casus’ (volgens Chris). Performatieve filosofie, noemt ze het. In ieder geval, zegt een vriendin van Chris, ‘veel verknipter dan gewoon maar een affaire hebben.’
De lezer bekruipt het gevoel dat alles voortspruit uit verveling en onrust. Alles vervormt heersende conventies, met een behoorlijke dosis humor. ‘Ze [dat is Chris, EvS] las Harlequin-romannetjes, schreef in haar dagboek en krabbelde tekeningen over haar liefde voor Dick in de kantlijn van Sylvères geliefde exemplaar van Heideggers La question de la technique.’
Essays In de brieven die in het tweede deel zijn opgenomen, zijn ook essayistische stukken verweven. De brieven van Chris aan Dick worden langer, steeds langer en de aanhef ervan steeds korter. Niet zo vaak lees je meer ‘Lieve Dick’ maar: ‘LD’, en soms ontbreekt welke aanhef dan ook.
Chris ontleedt eerlijk haar gevoelens voor Sylvère ten opzichte van die voor Dick: ‘Ik kreeg een relatie met Sylvère opdat ik zag hoe ik hem kon helpen zijn leven op orde te krijgen. Ik voel me tot jou [Dick, EvS] aangetrokken omdat ik zie hoe je me kan helpen mijn leven te ontrafelen…’. Dat laatste doet ze.
En dat niet alleen, want door het werk van Dick te lezen probeert ze ook hem beter te leren kennen. Maar hij verbreekt ‘de verbinding’, zoals Kraus het noemt. Pal voor ze veertig jaar wordt en tot het besef komt dat ‘mannen (…) nog steeds de levens van vrouwen verpesten.’ Vanaf dat moment begint ze zich een beetje voor te laten staan op grote kunstenaars die ze ooit ontmoette, zoals Louise Bourgeois, en gaat ze zich verdiepen in haar joods-zijn (‘Jij bent de Cowboy, ik ben de jid’) en, in een uitvoerige brief c.q. prachtig essay, in de joodse kunstenaar R.B. Kitay.
Gevoel en ratio
Op die manier gaat ratio in het tweede deel van het boek een grotere plaats innemen dan in het eerste deel, waarin gevoelens de overhand hebben. Ook qua taalgebruik, waarin filosofische vaktermen binnensluipen. Het zijn essays die zijn geschreven met als enige doel haar gedachten te scherpen. ‘Begrijp of sterf’, citeert ze Wittgenstein. En begrijpen betekent bij Kraus niet alleen zichzelf, en andere schrijvers begrijpen, maar voor alles dat wat ze als ‘het meest interessante ter wereld’ beschouwt: datgene wat tussen vrouwen gebeurt, ‘want het is het minst beschreven.’ Of zoals de kunstenares Hannah Wilke, die ze citeert, meende: ‘Als vrouwen erin gefaald zijn “universele” kunst te maken omdat we gevangen zitten in het “persoonlijke”, waarom maken we dat “persoonlijke” dan niet universeel en tot onderwerp van onze kunst?’
Een vraag die ook het antwoord aanreikt waarom je je als lezer van deze intieme en persoonlijke brieven geen voyeur hoeft te voelen. De conclusie is gerechtvaardigd, dat dit boek na twintig jaar nog niets aan urgentie heeft verloren. Een schrijfster komt door een affaire haar writers block te boven en geeft openlijk en op humoristische wijze vrouwelijke gevoelens prijs op een manier die ze een performatieve daad noemt. Het leven als kunst, kunst als het leven zelf.
De laatste lach was in 1997 het prozadebuut van R.A. Basart en de recensenten wisten er niet goed raad mee. Een boek dat niet te vergelijken was met bestaande boeken en vooral indruk maakte door het inventieve taalgebruik. ‘Literaire hoogstandjes’ was de beschrijving die de dienstdoende recensenten als vanzelf in viel. Na negentien jaar stilte verschijnt nu De verzoening, en die kwalificatie dringt zich opnieuw op.
De verzoening is een maalstroom van vreemde, vaak hilarische gebeurtenissen, van vreemde, vaak komische personages die heel precies worden beschreven, en tezamen een grabbelton van literaire fragmenten vormen. Het behoort tot de boeken die je het best in kleine hapjes kan lezen omdat dan de taalvaardigheid en het uitdrukkingsvermogen van de schrijver het best tot hun recht komen. Daarbij kan je als lezer ook telkens een willekeurig hoofdstuk nemen, omdat het geen ontwikkeling kent, noch qua verhaal noch qua personages. Alles gaat uiteindelijk om het Heilig Hart College te Kortenhoef, waar veel in de roman figurerende personages iets mee van doen hebben.
Directeur doctor Gé Koridon wil fundamentele veranderingen aanbrengen in de onderwijstraditie van het Heilig Hart College, maar verdwijnt in zijn eigen redeneringen als hij de onderwijsstaf toespreekt. Gelukkig heeft hij steun aan onderwijsconsultant Marian Hahn, die het lanceren van vernieuwings-platitudes als beroep heeft. De onderwijsstaf is natuurlijk tegen de plannen en ook de leerlingen laten weten liever ouderwets onderwijs te willen hebben. Dat zou een spannend conflict kunnen opleveren, een echt eigentijds verhaal. Maar daar heeft Basart – alhoewel goed thuis in de onderwijswereld – de pen niet voor opgepakt. Het Heilig Hart college is niet meer dan de spil waar toevalligerwijs zijn personages omheen draaien en de vreemdste avonturen beleven.
Buien van schrijfdrift Het boek bevat negen delen, waarvan sommige in twee hoofdstukken verdeeld zijn, in totaal 13 tekstgedeelten. Basart voorziet ze niet alleen van titels maar ook van data die in het algemeen wel iets met de beschreven gebeurtenissen van doen hebben maar mogelijk ook aangeven wanneer hij ze in een bui van schrijfdrift op papier heeft gezet: vanaf zomer 2004 via september, november, winter 2004 en voorjaar 2005 tot de zomer van dat jaar.
In 2010 verscheen een met enthousiasme ontvangen voorpublicatie van 8 pagina’s in de Dietsche Warande & Belfort. Dat zal hem aangemoedigd hebben. En er volgde nog een duwtje. In 2011 ontving Basart van het Letterenfonds een werkbeurs van € 12.000 ‘voor proza’, dus vermoedelijk om De verzoening af te ronden, want ander proza van zijn hand is niet verschenen. Maar pas nu, in 2016 verschijnt het dan eindelijk.
Caleidoscopisch En het resultaat is een verbale caleidoscoop. Wie kent nog de caleidoscoop? Het is een kijker die daarin gelegde voorwerpjes veelvoudig weerspiegelt en zo telkens wisselende figuren vertoont. Met name als de kijker rondgedraaid wordt. Basarts weerspiegelde voorwerpjes zijn een tengere Thaise postbode, een grote buurman, een overheersende school-directeur, twee echtgenotes, diverse leraren, fotograaf Bob Tak (‘Een naam als twee snelle stompen in de maagstreek’) en nog een dozijn andere komende en gaande personen.
Als de schrijver zijn caleidoscoop draait, vallen de stukken in een ander, tamelijk lukraak, maar altijd vrolijk patroon. De personages vermaken zich meestal kostelijk, en de lezer ook, als hij maar niet probeert enige logica of verhaal in De verzoening te vinden. Het zijn losse scènetjes, aanstekelijk beschreven.
Een voorbeeld: ‘Heb ik nou altijd willen weten,’ riep hij zo luid als hij kon. ‘Hoe zo’n ding heet! Plofstamper zou ik zeggen!’ De stratenmaker keek op; hij was bezig met de aanleg van een klinkerpaadje, dwars door het plantsoen. ‘Iets als pneumatische plofstamper,’ vervolgde de dokter. Hij wees op het apparaat, dat de werkman inmiddels had uitgezet. ‘Of trilstamper,’voegde hij er zachter aan toe.’Al zult u ’t zelf wel anders noemen. U heeft er vast een andere naam voor,’ besloot hij bijna fluisterend. (…) ‘Monumentje,’ zei de stratenmaker. Hij verwijderde zijn gehoorbeschermers; de dokter herhaalde zijn vraag. ‘Dat noemen we een wakker. Of kikker.’
Dadaisme Het dadaisme heeft in Nederland nooit veel aanhang gehad. Met Paul van Ostaaijen en later het tijdschrift Babarber (van Bernlef en K. Schippers) hebben we het zo ongeveer wel gehad. Maar met R.A. Basart krijg het een nieuwe representant. Zijn roman is één en al chaos maar op elke pagina trakteert hij de lezer op woord vernuftigheden die geregeld de lachspieren kittelen:
Een paar juweeltjes op willekeurig gekozen pagina’s:
‘Terwijl we slalomden langs groepjes rarbarberende wachtenden.’
‘Hij maakte het geluid van telegraafdraden in een western, een gestadig zachtzoemend gejammer.’ ‘Toen doken twee mannen op, een dikke en een dunne, die zich recht voor ons aan de oever installeerden (..) Terwijl hij grote gele ballen in het water wierp zei de dunne: “Als ik iéts weet, Freek, dan is ’t wel van toeten en blazen.”’
‘Ze liep door een nauwe gang, tussen sproetige rozen en een haag van hoge bleekpaarse asters, de asters werden door bijen omzwermd, een trillende metalen snaar, ze kopte tegen appels aan diep doorbuigende takken.’
‘Ze zwegen tweestemmig.’
‘De dagen waren snotterig en bitter als andijvie.’
Laten we hopen dat ondanks het caleidoscopische karakter van zijn proza, De verzoening de goedkeuring van menig lezer zal kunnen wegdragen. Wegsjouwen zou R.A. Basart daar misschien van maken. Of wegslepen. Of – wie weet – wegstuiteren.