• Speelse kijk op gevoelens

    Speelse kijk op gevoelens

    Vorig jaar kwam Het grote boek van alle emoties van orthopedagoog Steven Gielis en illustrator en schrijver Louise Marie Leuwers uit. Hun boek is verschenen bij uitgeverij Lannoo en gemaakt binnen de community ‘Mama Baas’. Dat Vlaamse collectief is in 2015 gestart door twee moeders die zochten naar een manier om opvoedingsvragen te bespreken met andere opvoeders en deskundigen.

    […]

    Het grote boek van alle emoties is een heerlijk blader- en kijkboek. Het is bijzonder speels ingericht, fantasierijk geïllustreerd en optimistisch van toon. Maar vooral: het prikkelt tot actie en tot gesprek met leeftijdgenoten en met ouders. Niet alleen moeders hopelijk. Want zoals Mama Baas over zichzelf zegt: ‘Mama Baas werkt met een vaste poel van mama’s (en papa’s!), elk met een verschillend profiel: getrouwd, gescheiden, bewust alleenstaand, met kinderwens of al mama van één, twee, drie, vier… kindjes’.

    Een boek voor iedereen dus.

    Illustraties: Louise Marie Leuwers

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Smaakvol en leerzaam verhaal over hygiëne

    Smaakvol en leerzaam verhaal over hygiëne


    Wie in Frankrijk wel eens een bourdaloue, de perentaart met amandelcrème, heeft gegeten zal bij dat woord niet meteen denken aan een plaspot. De taart is genoemd naar banketbakker in de rue Bourdaloue in het 9dearrondissement in Parijs. Die straat draagt de naam van de in de 17de eeuw befaamde jezuïet Louis Bourdaloue, die zo lang, maar ook zo boeiend kon preken dat de kerkgangers geen woord wilden missen. Dames brachten, voor het geval ze tijdens de mis hun plas niet konden ophouden, van thuis een sauskommetje mee om hun behoefte daarin op te kunnen vangen. Ook zo’n kommetje werd een bourdaloue genoemd.  Het wordt beschreven en getekend in Het mooiste boek van grote viezigheid van Piotr Socha en Monika Utnik-Strugata. Naar de populaire taart verwijzen de schrijvers dan weer niet. Het had een grappige toevoeging kunnen zijn aan dit boek vol amusante verhalen over hoe de mensheid in verschillende werelddelen en culturen en in opeenvolgende eeuwen gedacht heeft en denkt over hygiëne in al zijn facetten.

    Grafisch kunstenaar Socha, die voor de prachtige tekeningen zorgde, maakte dit boek samen met mode- en liftestylejournalist en kinderboekenschrijfster Utnik-Strutaga. Ze zijn beiden Polen, wat soms te merken is aan de aangehaalde voorbeelden uit de geschiedenis van hun eigen land.
    Laat meteen duidelijk zijn dat de auteurs hun onderwerp zeer serieus nemen. Dat begint al met de opdracht waarin Socha schrijft: ‘Ik draag dit boek op aan de ontwerpers en bouwers van het water- en rioolnetwerk. Hun werk maakt ons leven veel aangenamer, hoewel we daar nauwelijks bij stilstaan’.

    Dampen

    Natuurlijk valt er te lachen om de komische situaties die in Het mooiste boek van viezigheid beschreven worden, maar de beide auteurs plaatsen die steeds in een breder verband. Ze proberen begrijpelijk te maken welke wetenschappelijke en religieuze opvattingen en welke praktische omstandigheden ervoor zorgden dat mensen destijds handelden zoals ze handelden: de keuzes van de mensheid kunnen op onze lachspieren werken, maar ze waren vaak wel degelijk ingegeven door toen aangehangen opvattingen van hygiëne.
    Een goed voorbeeld daarvan is de gewoonte die een tijd lang heeft bestaan om je niet te wassen. Toen de pest Europa in de 14de eeuw teisterde was het lang onduidelijk dat de ziekte werd verspreid door bacteriën die via ratten en vlooien worden overgebracht en dat alleen antibiotica kan helpen. Zolang die kennis er niet was vluchtten mensen in geloof dat de pest een straf van God was en beweerden geleerden dat het ging om giftige dampen die via de poriën het lichaam binnendrongen. Warme baden zorgden ervoor dat die poriën wijd open kwamen staan voor die dampen. Dus was het gevaarlijk om je te wassen. Eeuwen daarvoor was baden lang populair, denk aan de Romeinse en Turkse badhuizen, maar na de pest zou het nog drie eeuwen duren voor poedelen opnieuw als iets weldadigs werd gezien. Zet dat maar eens naast onze rubberen wegwerphandschoenen, ontsmettingsmiddelen en wasinstructies rond Covid, zo tekenen de schrijvers op.

    Paarden

    Het mooiste boek van grote viezigheid
    laat zien dat de mensheid zich vóór de komst van riolering maar moest zien te behelpen. Het is één van die dingen waar we – zie de opdracht van Socha – ‘nauwelijks bij stilstaan’. We kunnen ons met enig leedvermaak voorstellen wat een stank er geheerst moet hebben in het paleis van Versailles zoals dat in de tweede helft van de 17de eeuw werd bewoond. Maar wat wil je als je met tienduizend mensen aan personeel woont in een gebouw van zevenhonderd kamers waar niet één toilet is. Jazeker, men kende wel toiletstoelen (zitmeubels met een pot erin om de uitwerpselen op te vangen), maar daar waren er maar driehonderd van. En waar moesten die potten geleegd worden? Het was een eind lopen naar de beerput. En hoe moest die op zijn beurt weer schoongemaakt worden?
    Iets vergelijkbaars deed zich voor in steden toen daar in de 19de eeuw het vervoer flink toenam. Vervoer dat vrijwel alleen plaatsvond met karren en koetsen die door paarden werden getrokken. De auteurs vermelden dat in Manhattan bijvoorbeeld 150.000 paarden over straat liepen die ieder 12 kilo mest per dag produceerden dat gewoon bleef liggen omdat er nog geen voorzieningen voor vuilafvoer bestonden.

    Schrijnend

    Socha en Utnik-Strugata komen evenzeer met voorbeelden uit niet-westerse landen, waar overbevolking en armoede zorgen voor de rampzalige gevolgen door een gebrek aan georganiseerde hygiëne. In Azië en Afrika moeten grote aantallen inwoners het stellen zonder latrines. En als er al toiletten of rioleringen zijn, is er weer geen waterzuiveringsinstallatie. De auteurs laten de schrijnende tegenstellingen zien in India: een land met de derde economie ter wereld (na China en de VS) en zelfs een eigen ruimtevaartprogramma, maar ook een land waar bijna de helft van de bevolking geen toegang heeft tot een toilet. Gevolgen: een groeiend aantal infecties en kindersterften en, met de Ganges, een van de smerigste rivieren ter wereld. Een groot deel van de bevolking wast zichzelf erin, spoelt er de was en ziet het afval van fabrieken en steden voorbijglijden. De Ganges bevat bovendien naar schatting tweehonderd ton aan ontbindende menselijke resten.

    Het mooiste boek van grote viezigheid is inderdaad, naast vermakelijk, een ernstig boek. Die beide kanten zijn voorbeeldig gedoseerd. De schrijvers hebben een onderhoudend boek geproduceerd dat de toon luchtig houdt, vooral in de prachtige bladvullende illustraties, maar het 21ste-eeuwse kind ook laat zien hoe belangrijk hygiëne is voor onszelf en onze wereld. Een boek ook dat in zijn benadering van vroegere tijden en andere culturen bewijst dat we het verleden niet lacherig kunnen afdoen; we hebben zelf nog genoeg te doen!

     


    Literair Nederland is bezig met het opzetten van Jong Literair Nederland. Om alvast in de stemming te komen, zullen er zo nu en dan recensies over kinder- en jeugdboeken op Literair Nederland verschijnen. Wij zijn nog op zoek naar recensenten. Ben je bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken en lijkt het je leuk ze te recenseren, laat het ons weten of stuur alvast een proefrecensie op!  mohana@literairnederland.nl of carolien@jong.literairnederland.nl

     

  • Thea Beckmanprijs voor historische jeugdroman ‘Verboden te vliegen’

    Thea Beckmanprijs voor historische jeugdroman ‘Verboden te vliegen’

    Martine Letterie heeft met Verboden te vliegen het beste historische jeugdboek van het jaar geschreven, over een meisje dat opgroeit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens de jury vertelt de schrijfster ‘vol warmte’ over het leven in een groot gezin.

    De prijs werd zaterdag door de jury toegekend, evenals de Jonge Beckman, de prijs voor het beste historische jeugdboek volgens lezers, ging naar Schaduw van de leeuw van Linda Dielemans.

    De Thea Beckmanprijs is sinds 2002 de prijs voor het beste historische jeugdboek. In eerste instantie onder de naam Historisch Nieuwsblad Bontekoeprijs en Archeonprijs, in 2004 werd de prijs vernoemd naar Thea Beckman (1923-2004), die talloze jeugdboeken schreef. Aan de prijs is een geldprijs van duizend euro verbonden, wie de Jonge Beckmanprijs wint, krijgt vijfhonderd euro.

    De overige genomineerden waren: Inez van Loon met Mathilde, ik kom je halen (Clavis); Kathleen Vereecken met Alles komt goed, altijd (Lannoo); Dolf Verroen met Niemand ziet het (Leopold).

     

     

  • De engelen van Pervijze

    De engelen van Pervijze

    Ivan Petrus Adriaenssens is gegrepen door de Eerste Wereldoorlog. Dat resulteerde in een reeks boeken, waaronder de beeldroman Afspraak in Nieuwpoort. Dat boek is gebaseerd op drie echte levens: dat van een Belgische, een Franse en een Britse soldaat. Ze ontmoeten elkaar in de loopgraven en doen daar een belofte, die tot ver na de oorlog nagekomen zal worden.

    Ook het nieuwste boek van Adriaenssens neemt ons mee naar het front in de Eerste Wereldoorlog. Elsie en Mairi is, net als Adriaenssens vorige boek, gebaseerd op het leven van werkelijk bestaand hebbende personen. In dit geval zijn dat Elsie Knocker en Mairi Chrisholm, twee eigenzinnige vrouwen, die elkaar kennen van The Gypsy Motorcycle Club. Mairi is nog maar achttien jaar oud als de Grote Oorlog uitbreekt, Elsie is twaalf jaar ouder. Ze melden zich als vrijwilliger voor Dr. Hector Munro’s Flying Ambulance Corps. De vrijwilligers moesten voor hun eigen uitrusting zorgen. Mairi verkocht haar motor om aan geld te komen.

    Met deze groep steken Elsie en Mairi over van Engeland naar België. Ze worden gestationeerd in Gent en daarna in Veurne. Natuurlijk zijn ze niet de enige vrouwelijke verplegers, maar voor die tijd is het wel opmerkelijk dat ze zelf de ambulances besturen.

    De twee vrouwen zien dat te veel soldaten overlijden tijdens het vervoer van de gewonden naar het hospitaal en daarom besluiten ze een verbandpost aan het front in te richten, in Pervijze, slechts vijftig meter achter de linies. Daardoor moeten ze de groep van Hector Munro verlaten. Ook moeten ze fondsen aanboren om wat ze nodig hebben te kunnen bekostigen.

    Daarom gaan ze af en toe terug naar Groot Brittannië om lezingen te geven. Ook wordt er een boek gepubliceerd op grond van hun dagboeken: The Cellar-House of Pervyse. Ook dat moet helpen om geld op te halen.

    Dat boek heeft Adriaenssens ongetwijfeld geholpen bij het maken van zijn getekende documentaire. Daardoor zit zijn verhaal dicht op het leven van ‘de engelen van Pervijze’. Achter in het boek verantwoordt hij zich voorbeeldig. Sommige personages zijn gefictionaliseerd, maar de feiten en data omtrent Elsie een Mairi kloppen.

    Binnen het boek zoomt Adriaenssens af en toe uit, als hij het perspectief legt bij de journaliste die het boek schrijft dat gebaseerd is op de dagboeken van Elsie en Mairi. Dat geeft ook de lezer lucht: die ziet dat oorlog niet alleen bestaat uit bombardementen, doden en gewonden, maar dat er ook nog een ander leven was, met dagelijkse beslommeringen.

    De tekeningen van Adriaenssens zijn niet altijd soepel als hij bewegingen moet weergeven, maar eigenlijk is dat geen probleem. Je bent al gauw zo geboeid door het verhaal, dat je daar niet bij stilstaat. In de decors zullen de gebouwen, al dan niet verwoest, ongetwijfeld kloppen. Ze zijn met aandacht getekend en Adriaenssens zal zich ook wat dat betreft gedocumenteerd hebben.

    De kleuren zijn, net als in Afspraak in Nieuwpoort, vrij donker, wat nog eens versterkt wordt doordat op sommige bladzijden de tekeningen afgedrukt zijn op een zwarte achtergrond. Het roept de sfeer op van oude foto’s, wat bijzonder passend is.

    Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Nog steeds is er, ook in de stripwereld, veel belangstelling voor deze periode. Tardi liet de oorlog zien in als zijn smerigheid in boeken als Loopgravenoorlog en De grote slachting en de afgelopen jaren kwam in drie delen De oorlog van Alan uit, dat laat zien wat soldaten deden als ze niet aan het vechten waren. Andere titels zijn Ypres Memories van Philippe Glogowski en Aan het front van Morvan en Kordey.

    Elsie en Mairi is een mooie aanvulling op deze boeken, doordat het de oorlog beschouwt vanuit het perspectief van de hulpverleners en de moeilijke omstandigheden toont waaronder zij moesten werken. Het is een standpunt dat past bij Adriaenssens, die zijn ogen niet sluit voor de onmenselijke kanten van de oorlog, maar vooral ook de menselijke kant wil benadrukken. Hopelijk is hij nog lang niet uitgeschreven en uitgetekend over dit onderwerp.

     

    Elsie en Mairi
    Engelen van Flanders Fields

    Auteur en tekenaar: Ivan Petrus Adriaenssens
    Verschenen bij: Uitgeverij Lannoo (2013)
    Aantal pagina’s: 132
    Prijs: € 19,90