• Oogst week 51

    Verzamelde gedichten

    De laatste Oogst van dit jaar. Vladimir Nabokov en Lolita. Veel verder komen veel lezers niet als hen wordt gevraagd naar het werk van deze grote meester. De meesten weten ook nog wel dat de schrijver meer geschreven heeft dan die ene roman die zo wereldberoemd is geworden, maar lang niet iedereen weet dat Nabokov ook een groot aantal gedichten heeft geschreven.
    Bij uitgeverij Koppernik is onlangs een tweetalige uitgave verschenen met daarin al zijn gedichten: de poëzie die Nabokov zelf selecteerde voor de uitgave Poems and Problems (1970), met zowel door hem uit het Russisch vertaalde als rechtstreeks in het Engels geschreven gedichten, maar eveneens de poëzie die zijn zoon Dimitri uit het Russisch vertaalde.

    Nabokov ontvluchtte in 1917 zijn vaderland Rusland, ging in eerste instantie in Groot-Brittannië wonen, vervolgens in Duitsland en Frankrijk en vluchtte uiteindelijk – toen de Nazi’s half Europa innamen –naar de Verenigde Staten om ten slotte het einde van zijn leven door te brengen in Zwitserland. Nabokov was ook een groot vlinderliefhebber en -kenner.
    De gedichten vormen de weerslag van dat leven: lesgeven over Russische poëzie, vlinders, schaatsen, erotiek en liefde, de Russische Revolutie, ballingschap, eenzaamheid, een Amerikaanse ijskast. ‘Wie Nabokov wil leren kennen moet zijn poëzie lezen’, aldus de flaptekst.

    Vertaler van deze gedichten is dichter en prozaïst Huub Beurskens die de uitgave ook voorzag van een voorwoord en verhelderende aantekeningen.

     

    Verzamelde gedichten
    Auteur: Vladimir Nabokov
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Metamorfosen

    Marietje d’Hane-Scheltema vertaalde al in 1993 de Metamorfosen van Ovidius.

    Na haar succesvolle samenwerking met tekenaar Floris Tilanus bij haar vertaling van de Fabels van La Fontaine, ontstond de wens om ook een dergelijke uitgave te maken van het beste uit de Metamorfosen.
    In deze eenmalige uitgave staan alle bekende mythen bij elkaar, over Narcissus en Echo, Jason en Medea, Daedalus en Icarus, Apollo en Daphne, Pyramus en Thisbe, Venus en Mars. En dat alles geïllustreerd door Floris Tilanus.

    Van Marietje d’Hane-Scheltema verscheen in 2013 het boek Alles altijd anders, Over Ovidius, hier op Literair Nederland besproken door Machiel Jansen.

    Metamorfosen
    Auteur: Ovidius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Leonardo literair

    Komend jaar is het 500 jaar geleden dat Leonardo da Vinci overleed. Het zal geen toeval zijn dat nu in Teylers Museum in Haarlem de tentoonstelling ‘Leonardo da Vinci’ te zien is, en dat er bij uitgeverij Athenaeum Leonardo literair is verschenen.

    Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling in Haarlem zijn de drie voorstudies van Het Laatste Avondmaal, waaronder het portret van Judas. Teylers Museum wijdt een speciale ruimte aan deze wereldberoemde wandschildering, die als replica op origineel formaat (4,6 x 8,8 meter) te zien is. Met daar recht tegenover een replica op ware grootte van de bijzondere versie van Het Laatste Avondmaal uit de abdij in Tongerlo.

    Niet zo bekend is dat Leonardo da Vinci (1452-1519) niet alleen een groot kunstenaar was, maar dat hij ook veel geschreven heeft. Hij heeft zelf nooit iets gepubliceerd maar na zijn dood heeft men duizenden vellen met losse invallen, annotaties, aanzetten van traktaten e.d. gevonden. Er zijn allegorieën en filosofische overwegingen, fabels en een bestiarium, voorspellingen en raadsels, grappige verhalen en fantastische evocaties, gedachten over de waarde van kennis en de betekenis van kunst. Aantekeningen vol persoonlijke herinneringen, brieven en boekenlijsten geven een bijzondere inkijk in zijn persoonlijk leven.

    De Belg Patrick Lateur, (o.a. Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren in – Vertalingen 2013 en de Homerusprijs van het Nederlands Klassiek Verbond in 2017) staat garant voor de vertaling

    De tentoonstelling in Teylers Museum is nog t/m 6 januari a.s. te zien, kaarten zijn alleen online verkrijgbaar.

     

    De volgende editie van deze rubriek verschijnt weer in de tweede week van januari 2019. En vergeet niet: met elk boek dat u via Literair Nederland bestelt, steunt u ons.

    Leonardo literair
    Auteur: Leonardo da Vinci
    Uitgeverij: Athenaeum

    Grand Hotel Europa

    Tot slot aandacht voor een boek van veel recenter datum: de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer.
    Massatoerisme, nostalgie, geschiedenis, vergane glorie, Europa in ‘beter’ tijden, de nieuwe tijdsgeest, migratie, liefdesverdriet en kunst.
    Deze nieuwe, omvangrijke roman van Pfeijffer bevat het allemaal. De uitgever noemt het op de flaptekst ‘zijn beste boek tot nu toe’:

    ‘De schrijver neemt zijn intrek in het illustere maar in verval geraakte Grand Hotel Europa om te overdenken waar het is misgegaan met Clio, op wie hij in Genua verliefd is geworden en met wie hij in Venetië is gaan wonen. Hij reconstrueert het meeslepende verhaal van liefde in tijden van massatoerisme, van hun reizen naar Malta, Palmaria, Portovenere en de Cinque Terre en hun spannende zoektocht naar het laatste schilderij van Caravaggio. Intussen vat hij een fascinatie op voor de mysteries van Grand Hotel Europa en raakt hij steeds meer betrokken bij het wedervaren van de memorabele personages die het bevolken en die uit een eleganter tijdperk lijken te stammen, terwijl de globalisering ook op die schijnbaar in de tijd gestolde plek om zich heen begint te grijpen.

     

    Grand Hotel Europa
    Auteur: Ilja Leonard Pfeijffer
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Gevoelloos ronddwalen aan de zelfkant van Kopenhagen

    Gevoelloos ronddwalen aan de zelfkant van Kopenhagen

    Echte vernieuwing is uitzonderlijk in de literatuur, eigenlijk is de eeuwige terugkeer van bepaalde oerverhalen en thema’s de regel. Met zekere regelmaat staan er schrijvers op die een jeugdig sturm-und-drang, teenage-angst of ennui verwerken in een roman. Neem bijvoorbeeld de Deen Jonas T. Bengtsson, die Sus schreef, een roman met in de hoofdrol een gelijknamig negentienjarig meisje. Zij woont alleen in een armoedige flat in een buitenwijk van Kopenhagen. Haar broer, een militair, ligt na een missie in Afghanistan met een granaatscherf in zijn hoofd in het ziekenhuis en haar gehate vader zit in de gevangenis voor de moord op Sus’ moeder. Kortom, niet alles is peis en vree in dit huisje Weltevree.

    Met korte, jachtige zinnetjes en behoorlijk veel schuttingtaal drijft Bengtsson deze nerveuze roman voort. Hij hanteert daarbij een uitgesproken anti-literaire taal. Dat kan werken, J.D. Salinger deed het bijvoorbeeld in de jaren vijftig al voor met The Catcher in the Rye. Helaas is Sus maar een flets afkooksel van Salingers legendarische Holden Caulfield, die ondanks zijn cynisme toch kon ontroeren. Het is moeilijk om veel empathie voor haar te voelen, precies omdat ze door de lethargie waarmee ze zich door het leven sleept – de enorme hoeveelheden hasj die ze rookt, zijn daar waarschijnlijk niet vreemd aan – totaal afgestompt overkomt.

    En toch is zelfs die afstomping niet het echte probleem. Een auteur als Brett Easton Ellis slaagde er in 1985 met Less than Zero nog in om een roman te schrijven over extreem afgestompte jongeren die tot het uiterste gaan om te proberen nog iets te voelen. Maar die moeite lijkt Sus niet te willen doen. Ze komt er hooguit toe om zichzelf af en toe te ‘testen’:

    De test van gisteren was geweest: Vrees.
    Angst, pijn, uithoudingsvermogen. En wilskracht. Dat zijn de dingen die ze test. Al is wilskracht niet zozeer een test als wel een constante strijd tegen de drang om alles te vergeten, je op te krullen tot een kleine stonede bol en televisie te kijken.

    Sus komt in aanraking met andere personages, maar van echt contact is geen sprake. Het is alsof ze alles en iedereen door een glazen wand ziet. De verachting die ze bijvoorbeeld voor bedelaars voelt, heeft een doel:

    Sus veracht, maar ze hoopt het op een dag te kunnen upgraden naar haat. Haat kan woede worden, en woede is het beste tegengif tegen angst, daar is ze bijna zeker van.

    Ze beweegt zich in een verpauperde Deense wijk, doodt haar tijd in een bibliotheek waar allochtone mannen hele dagen de computers bezetten terwijl gepensioneerde autochtone Denen de kranten doornemen. Contact tussen die twee werelden is er vanzelfsprekend niet.

    Angry young man Bengtsson probeert regelmatig uitdrukkelijk te choqueren, bijvoorbeeld met een van zelfhaat vergeven masturbatiescène:

    Ze spreidt haar benen. Ze wil zichzelf haten, nee, ze wil zichzelf vernederen, alsof ze nu in de leunstoel ertegenover zat. Walgelijk meisje. Walgelijk dom vleeswrijvend meisje.

    Helaas is het effect beperkt omdat in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frits van Egters, die in De avonden van Gerard Reve ondanks zijn cynisme kon ontroeren door zijn diep menselijke kwetsbaarheid, lappenpop Sus nooit echt tot leven wordt gewekt. Als gevolg van haar eeuwige apathie, die haar moet vrijwaren van angst en pijn, is haar gevoelsleven een dorre, levenloze woestijn. Dat Bengtsson het verhaal nog wat vaart probeert te geven door haar hasj te laten dealen en een pedofiel in de val lokken om een duivels plan te realiseren, verandert daar niets aan: ze blijft een personage van bordkarton.

     

  • Oogst week 48 – 2018

    De zwarte heer Bazetub

    Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) is een Duitse schrijver die tijdens de oorlogsjaren zijn land ontvluchtte en vriendschappelijke banden onderhield met Nederlandse schrijvers als Albert Helman en Hendrik Marsman. Van 1947 tot 1954 woonde hij met zijn vrouw in Amsterdam. Zijn debuut Het eiland van het tweede gezicht werd in vertaling van Wil Boesten, in 2004 een zogenaamde culthit. In De zwarte heer Bazetub (Der schwarze Herr Bahßetup, uit 1956) en onlangs ook vertaald door Wil Boesten, is een omvangrijke autobiografische roman. Thelen was namelijk ook vertaler vanuit het Portugees en in de jaren na de oorlog krijgt hij de opdracht als tolk en gids op te treden voor de Braziliaanse professor Da Silva Ponto. Deze professor moet een toespraak houden bij het Vredespaleis in Den Haag.

    Thelen loodst deze ‘heer en meester Bazetub’ door het naoorlogse Amsterdam en Den Haag.
    Ondertussen raakt de vredesconferentie van de professor steeds verder uit het zicht en worden er honderden zijpaden bewandeld, waarmee Thelen zijn opdrachtgever gerust wil stellen. Waar ze komen laten ze een spoor van verwarring na. Professor ‘Bazetub’ heeft zijn missie al lang uit het oog verloren. Thelen loodst hem door het verregende Amsterdam, zorgt dat hij anarchistische fietsers overleeft en regelt voor de professor een extra trein naar Den Haag voor een zitting in het Vredespaleis. Kortom, Thelen doet vreselijk zijn best om zijn rol als privésecretaris tot het slot dapper te volbrengen.
    De heer Bazetub – de rechtsgeleerde en minister Manuel Francisco Pinto Pereira (1889-1956) – heeft inderdaad met tolk Albert Vigoleis Thelen door de randstad gedwaald.

    De zwarte heer Bazetub
    Auteur: Albert Vigoleis Thelen
    Uitgeverij: Cossee

    Simeliberg

    Onlangs was de Zwitserse schrijver Michael Fehr (1982) in Nederland en maakte nogal indruk op het Crossingborderfestival met zijn enthousiaste vertelkunst. Naast schrijver is Fehr ook performer en woont sinds kort in Londen. Hij publiceerde drie boeken. Voor hij de roman Simeliberg af had, won hij in 2014 met een fragment uit Simeliberg al twee literaire prijzen: de Kelag-Preis en de Preis der Automatischen Literaturkritik in Klagenfurt.
    Simeliberg wordt omschreven als een poëtische krimi. Er komt een berg in voor waar lijkwagens af en aan rijden. Er is sprake van een geldschat in de la van een vereenzaamde oude boer. Diezelfde boer wordt verdacht van moord op zijn vrouw. Er is de gemeentesecretaris Anatol Griese, die als taak heeft de vereenzaamde boer in te rekenen. Hij wordt met zijn jagershoed en buitenmodel emigrantengeweer door de plaatselijke bevolking argwanend bekeken en door de betreffende instanties van het kastje naar de muur gestuurd.
    Een afspraakje bij een bevriende boerin vormt het begin van een fatale kettingreactie, waarbij Griese zich meer en meer verstrikt in zijn taak en de intrige zich (volgens de achterflap) ontrolt als een tragikomische zwart-witfilm.

    Simeliberg
    Auteur: Michael Fehr
    Uitgeverij: Koppernik BV

    Kluger Hans #35

    Literaire tijdschrift Kluger Hans kiest voor veelstemmigheid in de editie Denkmal. Met fysiek-beeldend werk: ‘Fleeting Parts’ van Milena Naef, bestaand uit marmeren beeldhouwwerken waaruit gaten zijn gehouwen die perfect rond lichaamsdelen passen (zie ook de cover). Veel bijdragen in deze editie waarin tekst en beeld een relatie met elkaar aangaan, zoals het werk van schrijfster Marjan de Ridder dat zich verbindt met het werk van kunstenares Femme ter Haar.
    Er is werk in opgenomen van jonge dichters en schrijvers die aan elkaar gekoppeld werden tijdens een residentie van een week. Mooi beeldend werk met eenvoudige, maar sterk sprekende teksten als: ‘hun kind schrijft op de muur van een toilet: ‘Bel mij als je eenzaam bent’ gaat naar huis en vergroeit daar verder met de muren(…)’. Een zeer veelzijdige editie die in de kern het thema draagt: ‘onschuldige woorden bestaan niet, onschadelijke beelden evenmin’.
    Verhalen van Annelies Leysen, Dennis Pauwels en Felix Sandon. Een editie waar je niet gauw op uitgekeken en in uitgelezen raakt.

    Kluger Hans #35
    Auteur: redactie

    Hoop over been

    De titel van de derde bundel van Joep Kuiper Hoop over been ligt dicht tegen ‘Vel over been’ aan. Dat laatste duidt op uitputting, schraalte het einde nabij en zo meer van alles wat te weinig is. ‘Hoop over been’ geeft het tegenovergestelde aan: er is hoop. Hoop, om kaalslag te omhullen, te vervullen met woorden, met poëzie.
    Hierbij een gedicht uit de bundel:

    jij was het

    ja! ik dacht dit ben jij, en jij was het
    die woord noch bon teruggaf, nooit reageerde
    op de bekentenissen van mijn wegmisbruik,
    de lijst met doden,

    jij was het
    die mij niet wilde arresteren;
    ik smeekte je, dan toch op zijn minst een
    proces-verbaal,

    een nachtje in een warme cel
    een chocolademelk eventueel, en als het echt
    niet anders kon,
    een executie hier en nu, in de sneeuw

     

    Hoop over been
    Auteur: Joep Kuiper
    Uitgeverij: Karaat
  • Zwanger van dood

    Zwanger van dood

    Een gesprek met Tommy Wieringa op het Crossing Borderfestival, een verhaal in The New Yorker, de BBC National Short Story Award; de Welshe Cynan Jones (1975) is internationaal aan het doorbreken. Nu is ook zijn debuut uit 2006 vertaald: de novelle De lange droogte (The Long Dry).

    De lange droogte beschrijft een dag uit het leven van de Welshe boer Gareth en zijn gezin. De rode draad van het verhaal is Gareths zoektocht naar een weggelopen, hoog drachtige koe. Vlucht en zoektocht symboliseren de relatie tussen Gareth en zijn vrouw, de aanhoudende meteorologische droogte van de titel is een metafoor voor haar dorre schoot.

    Het verhaal schiet alle kanten uit: het leven van Gareths vader, de migraine van de depressieve echtgenote Kate, de oorzaken van die depressie, de dierenarts die Gareths hond een spuitje geeft, Gareths getob over zijn huwelijk, zijn toekomstplannen, vooruitwijzingen naar naderend noodlot. Op het eerste gezicht lijkt niet alles altijd even relevant.

    Bovendien zijn er veel perspectiefwisselingen: in nauwelijks 100 pagina’s kruipen we in de huid van een vijftal personages en een koe. Aanvankelijk was niet duidelijk waarom dit is: is het een modieuze gril, heeft Jones te veel literaire thrillers gelezen of is er überhaupt niet over nagedacht? Het gros van deze personages komt psychologisch nauwelijks uit de verf, maar na zorgvuldige lezing blijkt dat ook niet de bedoeling: de gedachtes en gevoelens van de verschillende personages blijken leidmotieven die de thematiek telkens op een andere manier tot uitdrukking brengen.

    Het conflict tussen Gareth en Kate bevat de sleutel tot de thematiek. Gareth bedenkt dat Kate niet gemaakt is voor de boerderij. Waarom hij dat vindt blijft ongedacht. Maar wanneer Kate de geboorte van een kalf en de euthanasie op de hond overlaat aan hun dochtertje, maakt Gareths woede duidelijk dat volgens hem het boerenbestaan bestaat uit een voortdurend gedragen verantwoordelijkheid voor dood en leven; levens kunnen weliswaar niet altijd verwekt of gered worden en de dood is onvermijdelijk, maar de boer moet altijd zijn best doen om er het beste van te maken.

    Dan blijkt dat zelfs een ogenschijnlijk potsierlijke passage waarin we de zielenroerselen van de verdwaalde koe krijgen voorgeschoteld, bijdraagt aan deze thematiek: ’Vogels hipten en pikten om haar heen. Ze voelde zich bekeken’. Wanneer de koe vervolgens opstaat en botten van omgekomen soortgenoten ziet, weten we opeens niet wat de koe denkt: ‘Het was niet vast te stellen of de koe aan haar eigen sterfelijkheid dacht toen ze de botten zag.’ Maar wel aan de sterfelijkheid van haar ongeboren kalf mag de lezer aanvullen, waarna de koe ‘achteloos’ en ‘zonder reden’ verder loopt. Het is aan Gareth om de boel in goede banen te leiden. Maar Gareth loopt voortdurend achter de feiten aan.

    Deze onbeholpenheid zien we terug in de stijl die op zijn best ongepolijst is, maar meestal ronduit lelijk. Jones laat de werkwoordtijd binnen zinnen veranderen, maakt gebruik van heel veel witregels en op de eerste pagina krijgt de lezer meteen al een zin als deze: ‘[…] hoewel het nog vroeg is, zit er een belofte van hitte in de zon’. Vertaler Jona Hoek heeft het aangedurfd om alle vreemde woordkeuzes (een excentriek oud vrouwtje wordt door de postbode niet aangetroffen maar ‘ontdekt’), slordigheden (‘hoe ook zij, niemand heeft zoiets ooit gedaan’), onbegrijpelijke zinnen (‘Ze maken de grap dat de hond haar heeft leren lopen in plaats van zij’) en absurditeiten (‘voortdurend gegapte koekjes’) te handhaven in zijn vertaling, omdat het volgens hem bewuste keuzes zijn. Jones denkt zijn verhalen eerst helemaal uit, zet ze dan in één keer op papier, maar weegt vervolgens elk woord op een goudschaaltje om het verhaal zo beeldend mogelijk te laten zijn.

    Je kunt je afvragen of hij daar helemaal in slaagt, maar hoewel die ogenschijnlijk onbeholpen taal niet altijd even plezierig is, past die wel bij een schildering van het leven op het -Welshe- platteland waarin het stedelijk-romantische perspectief (idyllische wijkplaats voor het drukke, moderne leven) geen ruimte krijgt. Het resultaat: een oorspronkelijk en knap gecomponeerd verhaal waarin alle gebeurtenissen, herinneringen en gedachtes gaan over de onlosmakelijke verbintenis tussen dood en leven- zwanger zijn van de dood in de woorden van J.C. Bloem. Maar Jones zou waarschijnlijk zeggen dat er een belofte van dood in zwangerschap zit.

     

     

  • Oogst week 43 – 2018

    Om aan te raken

    Harm Hendrik ten Napel is schrijver, filosoof en boekverkoper. Zijn verhalen en essays zijn onder andere in Tirade en De Revisor verschenen, en op Klecks, dat hij in 2016 samen met zijn broer oprichtte. ‘Met Klecks willen we ruimte maken voor literaire kritiek, en dan met name die van poëzie.’

    Onlangs is van hem bij uitgeverij Querido Om aan te raken verschenen, een bescheiden verhalenbundel. Korte zinnen, zonder opsmuk. Heel doelgericht. Zo schrijft Ten Napel. Het lukt de mensen in Om aan te raken niet altijd om uit hun hoofd te komen en de intimiteit te vinden waarnaar ze verlangen. Sommigen weten niet eens dat ze hunkeren, anderen kunnen het moeilijk uitdrukken.

    Uit het verhaal ‘Ze kwam en hij toen ook’:
    Hoelang wist hij het al? Al best wel lang. Al voordat ze iets kregen? Ja, in principe wel. Ze was opgestaan. Wilde ze er nog over praten? Nu niet. Het is oké, hoor, had ze gezegd. Het is oké. Ik ga denk ik maar gewoon vroeg slapen. Bel me morgenavond. Dan praten we verder.’

     

     

    Om aan te raken
    Auteur: Harm Hendrik ten Napel
    Uitgeverij: Querido

    Pessimisme kun je leren!

    Om zijn bloemlezing aan te prijzen met werk van Lévi Weemoedt schreef Özcan Akyol het volgende:

    ‘Aan het begin van deze eeuw, toen ik nog een puisterige puber was, voelde ik een grote behoefte om in de literatuur de antwoorden op mijn levensvragen te vinden. Dat lukte niet. Hoewel ik het kunstenaarsleven leidde, inclusief een getormenteerde ziel en een geveinsde zucht naar drank, net als mijn literaire helden, duwden de meeste boeken me verder in de put. Tot ik het werk van Lévi Weemoedt ontdekte.

    De persoonlijke ellende spat van zijn poëzie, maar hij verpakt het in de liefde voor taal en ongebreidelde zelfspot, een combinatie die ik niet voor mogelijk hield. Als hij een mislukking beschreef, bood me dat troost, en moest ik ongemakkelijk lachen om mijn eigen pathetische overdrijvingen. Nog vaker deed hij me huiveren om zijn tekstuele spitsvondigheid en het superieure spel met woorden dat hij telkens speelt. De gedichten kwamen soms wat kort en eenvoudig op me over, maar er zijn maar weinig dichters die het autonoom na kunnen doen.

    Het gedicht ‘Don Juan Lul’ tors ik al ruim een decennium ingelijst met me mee naar de verschillende huizen die ik heb bewoond. Nu hangt het pontificaal in onze woonkamer. In al zijn eenvoud schetst het een beeld van iemand die ogenschijnlijk alles al heeft opgegeven. In werkelijkheid houdt de taal hem overeind. Iedereen moet Weemoedt lezen! Vandaar deze bloemlezing, die ik met veel plezier heb samengesteld.’

    Pessimisme kun je leren!
    Auteur: Levi Weemoedt
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Drift

    Haar debuut De hemel boven Parijs dat in 2014 bij Cossee verscheen, werd goed ontvangen (‘een wonderlijk eigen toon’, De Groene Amsterdammer, ‘Een droomdebuut’, Tubantia).
    Het werd bovendien genomineerd voor verschillende literatuurprijzen.

    Haar nieuwste boek Drift is bij DasMag verschenen:
    ‘Feit: een jonge vrouw trouwt met haar jeugdliefde.
    Feit: niet veel later, in het holst van de nacht, verlaat ze hem.
    Ze neemt alleen haar dagboeken mee.
    Die vrouw ben ik. Die nacht is nu. Alles ervoor en erna is een verhaal.’

    Bregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn. Ze schrijft verhalen en essays. Na De hemel boven Parijs schreef ze de essaybundel De herontdekking van het lichaam: over de burn-out.

     

    Drift
    Auteur: Bregje Hofstede
    Uitgeverij: Uitgeverij Das Mag
  • Geschiedenis van een beladen liefde 

    Geschiedenis van een beladen liefde 

    ‘Jij bent ook míjn grote liefde, Cin. Vooral daarom mag dit niet, nu nog niet, tussen ons, voor ons beiden samen. Ik zal op je wachten. En als het zover is, en je wilt me nog, zul je me weten te vinden.’

    In Cinthia Winters novelle Nietsdankussen maakt docent klassieke talen Hugo Borgman een einde aan zijn verhouding met zijn zestienjarige leerlinge Cinthia. Dertig jaar later is Cinthia, inmiddels een gescheiden vrouw van achter in de veertig, op weg naar een Zandvoorts strandpaviljoen, waar ze haar oude liefde weer zal ontmoeten. Ze is zo nerveus dat ze overweegt om te keren.

    Taboe
    Als middelbare scholier in de jaren zeventig is Cinthia smoorverliefd op haar docent Latijn en ze probeert op alle mogelijke manieren zijn aandacht te trekken. Ze bedenkt smoesjes om met hem persoonlijk te kunnen spreken en loopt elke dag langs zijn lokaal –ook als ze geen les van hem heeft- om oogcontact te maken. De docent laat zich de aandacht welgevallen, maar houdt de verliefde leerlinge aan het lijntje, wat de situatie steeds pijnlijker maakt. Ze gaan met elkaar naar het museum, waar Borgman vertelt over de Duitse kunstenaar Max Beckmann, die zijn vrouw verliet voor een twintig jaar jongere studente, en bezoeken bioscoop The Movies, ‘waar alleen artistiek en intellectueel langharig volk kwam’. In de tram worden ze door omstanders afkeurend aangekeken, want ook in de jaren zeventig was een verhouding tussen een volwassen man en een minderjarig meisje taboe.

    Van een echte relatie is geen sprake, want zover laat Borgman het nooit komen. De charmante docent krijgt ook liefdesbrieven van andere leerlingen en bovendien heeft hij al ‘een scharrel’. Nietsdankussen is geen beschrijving van de vrijheid en blijheid van de jaren zeventig, zoals Die zomer van Wanda Reisel, maar een psychologische novelle over een complexe liefdesrelatie. Zo verlangt de zestienjarige Cinthia op bepaalde momenten vurig naar lichamelijk contact met de door haar geadoreerde leraar, maar wil ze zich ook niet te snel aan hem geven, omdat ze bang is dat hij dan op haar raakt uitgekeken. Wanneer Borgman zegt dat ze hun liefde beter kunnen uitstellen, keert Cinthia zich van hem af. Na de zomervakantie blijkt hij ontslag te hebben genomen.

    Door haar directe, zintuiglijke stijl creëert Winter een levensecht portret van een grillig, naïef, rebels en naar liefde hunkerend tienermeisje. De ene keer hengelt ze naar de bevestiging van Borgman en de andere keer schoffeert ze hem met keiharde, maar gemeende uitspraken. Uit alles blijkt haar afhankelijkheid. Op subtiele wijze verbindt Winter heden met het verleden. Zo schaamt de jonge Cynthia zich voor de oogschaduw die ze heeft opgedaan. Volgens anderen is die ‘ordinair’. Wanneer ze dertig jaar later in de auto zit, op weg naar haar grote liefde, begint ze weer te twijfelen aan de oogschaduw die ze ’s ochtends heeft aangebracht. ‘Ik ben toch geen puber!’

    Niet alleen de lyrische schrijfstijl en de personages van Winter zijn gevoelsmatig en associatief. Dat geldt in zekere mate ook voor de manier waarop de gebeurtenissen in Nietsdankussen worden gepresenteerd. Heden en verleden wisselen elkaar in hoog tempo af. Wordt Borgman in de ene alinea als ‘Borgman’ aangeduid, in de volgende alinea is hij een ‘jij’ geworden. Hierdoor is Winters debuut meer een schets dan een zorgvuldig componeerde novelle. Dat is jammer, want een betere structuur had in deze autobiografische novelle voor meer afstand gezorgd, waarmee de zeggingskracht was vergroot.

     

     

  • Ze danste, viel en bleef liggen 

    Ze danste, viel en bleef liggen 

    Lena ontmoet Oksana op de boot naar Italië. Ze zijn in totaal met veertien meiden en allemaal hopen ze werk te vinden in Italië. De boot zal daar echter nooit aankomen en de meiden worden afgevoerd naar een afgelegen villa waar ze worden misbruikt en gebruikt om invloedrijke mannen te vermaken op de foute feesten die daar plaatsvinden. In de donkere kelder onder het huis hebben de meiden alleen elkaar om zich erdoorheen te slepen.

    Prima ballerina
    Lena is een Oekraïense die op het punt stond het te maken als solodanseres bij het ballet. Tijdens een noodlottige repetitie gaat het mis: Lena maakt een sprong en valt. Ze hoort de stem van haar lerares in haar achterhoofd: ‘en weer opstaan’. Maar deze keer lukt het haar niet. Ze wordt wakker in het ziekenhuis en de dokter vertelt haar wat geen danseres wil horen: ‘Het is niet waarschijnlijk dat u weer kunt dansen.’

    Vanaf dat moment zit ze elke dag op het terras bij de schouwburg. Haar toekomst, die eerst zo vanzelfsprekend leek, ligt nu volledig open. Op het terras komt ze in aanraking met Zinaïda. Ze praten, ze drinken wijn. Wat Lena dan nog niet weet is dat Zinaïda de eerste schakel is van de ketting die haar de vrouwenhandel in zal trekken. Zinaïda doet voorkomen dat ze deze zomer bij een kennis van haar oom in een restaurant gaat werken en dat ze wil dat Lena met haar meegaat. Vanaf het moment dat Lena ja zegt tegen dit aanbod, bevindt ze zich op een weg die ze nooit had willen bewandelen.

    Een verhaal in fragmenten
    Het eerste dat opvalt aan de roman Oksana is de structuur. Het boek is opgebouwd uit korte stukken tekst, soms niet langer dan acht regels. Soms is het een sfeerschets, soms een wat langere vertelling en soms een terugblik op Lena’s jeugd. Na elk stukje is de verleiding groot om het volgende deel ook nog even te lezen en voor je het weet, ben je aan het einde van het boek. De schrijver maakt ook gebruik van flash-forward. Het voordeel van deze opzet is dat het nieuwsgierig maakt. Je leest over Lena’s tijd in de villa, maar tegelijkertijd weet je dat haar nog veel meer staat te gebeuren.

    Zo’n fragmentarisch karakter hoeft geen nadeel te zijn, maar is het hier wel. Uiteindelijk moeten al die verschillende gebeurtenissen met elkaar vervlochten blijken, maar dat lukt niet altijd even goed. Zo blijft Lena’s verleden waarin de kernramp van Tsjernobyl een grote rol heeft gespeeld, te ver verwijderd van de kern van het verhaal dat gaat over de vrouwenhandel. De stukken over Tsjernobyl lijken weinig toe te voegen en aan het eind vormen beide verhalen geen eenheid.

    Het boek is Lena’s verhaal: haar geschiedenis, haar ervaringen.Ze vertelt over de feesten, wat de mannen met ze doen en over het lot van Oksana, maar het is geen pathetische vertelling. De gebeurtenissen en emoties worden niet aangedikt, maar het verhaal is bij vlagen juist zelfs analytisch, waardoor het relaas iets krijgt van een verslag. Dit komt het boek ten goede, omdat deze vertelwijze weergeeft hoe de gebeurtenissen Lena hebben gevormd.

    ‘Wij waren accessoires, die bij hun feesten en partijtjes en orgiën hoorden net als de champagne, de kaviaar en de salami, een neutrale uitwisseling van diensten en goederen, marktconform, iets bijkomstigs.’

    En weer opstaan
    In gevangenschap begint Lena na te denken over vrijheid. Ze begint na te denken over haar bestaan in de kelder van de villa en dit levert o.a. de volgende mooie beschrijving op:

    ‘Je bestaat, je bestaat zonder poespas, zonder opsmuk, zonder tierelantijn, gewoon zo, met het bij de sluiting jeukende bh-bandje, met het uitzicht op een dal, je bestaat zonder dat je je hoofd hoeft te breken over de volgende stap…’ 

    Naarmate het boek vordert zie je het perspectief van Lena veranderen: haar wantrouwen groeit, terwijl de rest van haar emoties afstompt. Ze is aan het overleven. Haar tijd in het ballet heeft haar geleerd om zowel mentaal als fysiek klappen te verdragen. De wijsheden van haar voormalige balletlerares en de gelukkige herinneringen aan haar jeugd bij haar oma, slepen haar door moeilijke tijden. Ze durft nog steeds te dromen. Ze heeft het plan om haar ervaring in de vrouwenhandel om te zetten in een ballet. Uiteindelijk zal ze dit ook doen. Niet alleen voor zichzelf en alle vrouwen die hetzelfde lot kennen, maar vooral voor Oksana, die minder geluk had dan zijzelf. Lena was gevallen, maar deze keer stond ze weer op.

     

     

  • Curieuze verzameling

    Curieuze verzameling

    De essaybundel Vijf sterren voor de gaarkeuken van Wessel te Gussinklo biedt een curieuze verzameling van clichés, feitelijke onjuistheden, denkfouten en uitingen die getuigen van gebrekkige realiteitszin en gebrekkige empathie.
    Om met de clichés te beginnen: Te Gussinklo betoont zich een rechtse ideoloog en komt met de uitgekauwde mening dat er weliswaar aardige moslims bestaan, echter: ‘de ideologische moordenaars en bedreigers zijn tegenwoordig vrijwel allemaal islamieten’. (101) Voorwaar geen sprankelend inzicht in tijden dat (extreem)rechtse politici betogen dat niet alle moslims extremist zijn, maar de meeste extremisten wel moslim (waarbij ze zichzelf als extremist blijkbaar buiten beschouwing laten). Te Gussinklo komt ook met de volgende gemeenplaats: ‘Maar ik zeg u, linkse doden, rechtse doden, doden uit het midden, het is mij om het even, het is allemaal even erg.’ (26) Dat is een visie die niet ver uitstijgt boven de inzichten van een zich politiek oriënterende puber, die ‘als eerste’ ontdekt dat het uiteindelijk weinig uitmaakt waarom mensen vermoord worden, om welke ideologie. Dood is dood. En dan wordt ook Voltaire er nog bij gehaald: ‘Ik vind uw meningen afschuwelijk, maar zal met mijn leven uw recht verdedigen uw meningen te hebben’. (29) Dit is nu niet precies de eerste keer dat deze weergave van Voltaires visie gebruikt wordt in een betoog. Bij essays zou het eigenlijk moeten gaan om verrassende, frisse invalshoeken, om een speels aftasten van wat door de essayist als waar of treffend wordt gezien.

    Onjuistheden
    Feitelijke onjuistheden in deze essays ondergraven Te Gussinklo’s autoriteit (wat Aristoteles in zijn Retorica ‘ethos’ noemt). Zo plaatst hij de Europese heksenprocessen in de Middeleeuwen (49) terwijl die vooral plaats vonden in de periode die erop volgde, de nieuwe tijd. Ook beweert hij dat Nederland kansloos verloor van Rusland op het WK voetbal van 2006 (63). Te Gussinklo bedoelt echter het EK voetbal van 2008. Een futiliteit misschien, maar toch slordig. Zoals het ook slordig is dat hij de voormalige Israëlische premier Perez noemt en niet, zoals meer gebruikelijk: Peres. (90) Ergerlijker is het dat hij beweert dat in Nederland moslims tien procent van de bevolking uitmaken (106), terwijl het in werkelijkheid om ongeveer vijf procent gaat. Als de feiten niet passen bij een clichématig verhaal over ‘islamisering’, moeten de feiten maar worden aangepast, zo lijkt het.

    Ontkenning
    En dan zijn er nog de denkfouten. Zo beschrijft Te Gussinklo een door haar dracht als moslima herkenbare vrouw in zijn apotheek door wie hij liever niet geholpen zou worden (105-116). Door in dergelijke dracht naar buiten te treden staat zij voor Te Gussinklo voor de militante vorm van de islam. Zij distantieert zich niet van allerlei extremisme en vrouwenonderdrukking. Dat is dus een denkfout, het is hetzelfde als beweren dat geestelijken die zich in onze tijd nog als priester of non uitdossen, zich niet distantiëren van het misbruik in de katholieke kerk. Je hebt als mens het recht je te kleden zoals jezelf goedacht, het is een vrije keuze, wanneer men dat ontkent heeft men geen enkel respect voor het zelfstandig denkvermogen van dergelijke mensen, zij zouden tot hun keuze worden gemanipuleerd. Te Gussinklo noemt één element van de islam (het extremisme van sommige representanten ervan) verwerpelijk (terecht) en stelt vervolgens dat alles wat naar de islam verwijst (zoals kleding) daarom niet deugt. Ter vergelijking: als er onder Nederlanders hufters zijn, betekent dat nog niet dat alles wat naar Nederland verwijst daarom fout is.

    Historische factoren
    Te Gussinklo gaat in op het Israëlisch-Palestijnse conflict. Met zijn mening daarover is op zich niet veel mis, maar hij stelt ter verdediging van Israël dat er sprake is van een ‘enorme dunbevolkte Arabisch ruimte’ en dat het daarom niet uitmaakt dat ‘dat kleine smalle streepje aan de zee’ daar niet bij hoort (93). Nu zijn er goede argumenten voor het bestaan van de staat Israel, maar daar hoort deze argumentatie niet bij. Want voor veel volkeren is precies het gebied waar men vandaan komt van belang, door geschiedenis en cultuur. Dit geldt ook voor de Palestijnen. En in ‘dat kleine smalle streepje aan de zee’ ligt bovendien een ook voor moslims belangrijke plaats: Jeruzalem. Je kunt niet zeggen: laat die Palestijnen maar ergens anders gaan wonen. Dat is een wel heel eenvoudig wegredeneren van historische, religieuze en culturele factoren, vergelijkbaar met Wilders’ standpunt dat de Palestijnse staat voortaan Jordanië zou moeten zijn. Weer ter vergelijking: voor Nederlanders zou het bijzonder moeilijk zijn als we met zijn allen ergens in Siberië zouden worden geplant en dat een ander volk dan voortaan het monument op de Dam zou beheren, de Grachtengordel, de Domtoren, de Veluwe, de Friese meren, de Brabantse vennen. Volkeren ontlenen hun identiteit nu eenmaal voor een deel aan de locatie waar ze vandaan komen. Of dergelijk op de Heimat georiënteerd nationalisme nu nobel is of niet: het is een fact of life dat velen aan hun plaats van herkomst hechten. Dit ontkennen getuigt van een gebrek aan realiteitszin.

    Acceptatie
    Zoals het ook van gebrek aan realiteitszin getuigt om niet geholpen te willen worden door een moslima in de apotheek. Het is nu eenmaal zo dat er moslims in Nederland wonen. Elke maatschappij is permanent in ontwikkeling. Je kunt Nederland niet onder een stolp plaatsen, de Nederlandse cultuur bevriezen. Juist in de door Te Gussinklo opgehemelde Gouden Eeuw (103) was er sprake van dynamiek en veranderingszin door de instroom van vele Joodse, Vlaamse, Duitse en Franse migranten. Misschien de meest Nederlandse van onze schilders, Frans Hals, had bijvoorbeeld Vlaamse roots. Onze grootste filosoof, Spinoza, had een Joodse achtergrond.

    Geen keuze
    Voor een literator is (meer dan een gebrek aan realiteitszin) een gebrek aan empathie pijnlijk. Te Gussinklo is van dit gebrek niet geheel vrij. Hij schrijft over zijn kritiek op het uiterlijk van moslimmigranten: ‘Ja maar zult u zeggen, die kleding, die hoofddoeken, die gewaden horen bij hun cultuur. Antwoord: ze zijn vrijwillig uit hun cultuur naar de onze gekomen om hier mee te doen. Ik vind het hoogst onbeleefd, ja onbeschoft om de cultuur die ze achter zich gelaten hebben alsnog aan ons op te dringen. Eigenlijk vind ik het idioot.’ (111) Te Gussinklo stelt dat ze vrijwillig uit hun cultuur naar de onze zijn gekomen. Dit nu is niet waar voor tweede en derde generatie migranten, het was de keuze van hun (groot)ouders. Kan Te Gussinklo zich echt zo slecht verplaatsen in de migrantenervaring? Weet hij niet dat het lastig kan zijn om met je identiteit te worstelen: dat het moeilijk kan zijn om tot verschillende culturen te behoren? Heeft hij echt zo weinig begrip voor mensen die proberen houvast te vinden door te hechten aan kleding en andere cultureel-religieuze uitingsvormen? Deze essayist lijkt niet geïnteresseerd in een ontmoeting met de Ander, zoals de filosoof Levinas zou opmerken.

    Mooie passages
    Is er dan helemaal niets positiefs over deze verzameling essays te zeggen? Toch wel: het tweede, minder politiek getinte deel van de bundel bevat minder ergerlijke essays over andere literatoren zoals Mulisch, Reve en Vestdijk. Maar waar de politiek getinte bijdragen irriteren, roepen deze stukken uiteindelijk niet zoveel op, de gedachtegangen van Te Gussinklo beklijven in dit tweede deel niet. Het blijft in deze essays soms onduidelijk met welke reden de auteur ze heeft geschreven. Mooi is wel de volgende passage over opgroeien: ‘Bij een kind ontstaat door ouder worden en ervaring een soort “vereilanding” van de dingen, een stolling, een steeds verder uitdijende wereld met eigen samenhangen en een eigen ordening, los van hemzelf. Niet een wereld van alleen bevrediging en angsten, verlangens en eigen onmiddellijke belangen. Het is eerder een bevreemdend en vervreemd conglomeraat, dat er is, dat bestaat en waarin hij moet leven, met de wetten waarmee hij rekening moet houden (hinderlijk en storend) en dat in de diepste wezen niets te maken heeft zijn belangen en bevredigingen.’ (151) Bevatte deze bundel maar meer van dergelijke passages, die getuigen van een eigenzinnige visie.

     

  • Op weg naar het eeuwige licht

    Op weg naar het eeuwige licht

    Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan is een essay van 357 bladzijden. De titel verwijst naar een citaat uit Genesis dat als eerste motto (van drie) fungeert : ‘Wij zullen een toren bouwen die tot in de hemel reikt en aan God gelijk zijn, en voor eeuwig bestaan. Maar God sloeg ze met vele talen en ze dwaalden weg over de aarde en keken naar de Toren van Babel niet meer om.’

    Te Gussinklo voert de lezer in zijn essay mee naar achtergronden die het lot van volken, culturen en mensen bepalen. Ieder mens maakt deel uit van een volk en een cultuur, ‘die grote machtige gestalte die ver boven de enkeling uitgaat’. Die ‘gestalte’, die ‘delirante reus’ houdt bij de landsgrens op. Daar tegenover ‘staan andere volken en de tegenkrachten die van hen uitgaan, of, […] ‘de krachten die uitgaan van andere geloven, andere culturen, die machtige tektonische platen die over de aarde schuiven.’

    In de proloog vertelt hij wat zijn bedoeling is met dit essay: ‘Naar die landen, die culturen en geloven, die composities van krachten en talenten en inzichten, die grootse gestalten met ieder hun eigen aard, hun eigen karakter wil ik u meevoeren. Hun opkomst en hun ondergang, hun grandeur en tragiek, hun verstening, hun verdorring en vergruizeling. En naar de krachten en ook de vondsten en ideeën die hen voortdreven.’

    Te Gussinklo beschrijft de opkomst en neergang van Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Nederland en Rusland. Hij begint met het Spanje van de vijftiende en zestiende eeuw, met de ontdekkingsreizen en de veroveringen van overzeese gebieden. Bij opkomst hoort optimisme, vitaliteit, ondernemingslust en expansie. Voor Spanje is de eenheid van het strenge katholieke geloof de bepalende factor. De harde inquisitie rekent genadeloos af met tegenstanders. Het is de basis van de macht van Karel V. Als hij er niet in slaagt deze eenheid te bewaren, is het gedaan met de Spaanse dominantie in Europa.

    Te Gussinklo: ‘Ik beschrijf uitvoerig dit Spaanse drama omdat het kenmerkend is voor een zich steeds herhalend model van opkomst en neergang van grote naties en culturen, door verlies aan doeleinden, versombering en immobiliteit.’
    Bij neergang ziet hij beklemming, ontmoediging, apathie en gebrek aan initiatief. Zo groeit de Sovjet-Unie niet meer, ‘versteend door zijn snel verouderende ideologie.’ Hij introduceert hierbij de term vossengedrag: de bevolking groeit niet meer en neemt zelfs af – ‘zoals ook vossen als hun territoir te klein is en het niet mogelijk is uit te breiden weinig tot zelfs geen jongen krijgen.’

    In het tweede deel beschrijft Te Gussinklo de wereldziel: ‘de niet-aflatende drang, het overweldigende verlangen van de mensheid naar het nieuwe, het andere, het verlossende en bevrijdende dat alomvattend en beslissend zal zijn en dat ik bij gebrek aan betere bewoordingen Wereldziel heb genoemd.’ Het leven, de blinde kracht achter de mensheid ‘die dringt en stuwt […] trekt naar dat ene, dat nieuwe, die ongedachte sprong.’ Dit gegeven werkt hij verder uit in het derde deel, Wij zijn gods weerschijn op aarde. De drie abrahamitische geloven – jodendom, christendom en islam – zijn, elk op hun eigen wijze, de grondslag geweest van dominante culturen. Geloven zijn ‘machtige, logge gestalten’ die ver uitgaan boven landen en volken, ‘als tektonische platen tegen elkaar opkruiend.’

    Het beeld van de ‘tektonische platen’ komt in deel vier, De nieuwe mens, terug. De Europese christelijke cultuur, of beter gezegd, de ‘westerse mensenrechtencultuur’, de cultuur van ‘Gods weerschijn op aarde’, is in verwarring geraakt. Wat komt er na de tijd van geloven en de groei? Want er moet een reden en een doel voor ons bestaan zijn: ‘het prachtige, het gelukbrengende visioen dat wenkt en roept, daar zoekt de ziel naar.’ Altijd zoeken, naar meer, het andere, het nieuwe. De nieuwe mens, de Homo Instrumenticus, is de superieur geïnstrumenteerde die met computers en internet alle kanten op kan. Hij zal vrijwel aan God gelijk zijn ‘met zijn vermogen tot zelfschepping en het vormgeven van eigen werelden.’ Het is de vraag welke van de kruiende ‘culturele aardschollen’ de dragende en beherende structuurgever zal zijn van die nieuwe wereld en zijn bewoners. De ’tektonische platen’ uit het eerste hoofdstuk komen hier terug als ‘aardschollen’.

    Te Gussinklo’s vergelijkingen zijn niet altijd meteen duidelijk. Bijvoorbeeld over de opkomst en neergang van Spanje: ‘Het is de vos en de egel uit de fabel van Aesopus: één rigide maatschappelijk model door kerk en overheid opgelegd tegenover de oneindige wendbaarheid en vindingrijkheid in de min of meer open veelvormige maatschappij van de velen.’ Hij besluit met ‘de egel die onmogelijk een vos kon worden.’ Later blijkt dat het niet gaat om de fabel van de vos en de egel, maar waar zij ieder apart voor staan. De vos is vindingrijk en sluw. Hij kan zich aanpassen aan nieuwe uitdagingen. De egel vertrouwt op zijn stekels als verdediging, de egelstelling. Het is de survival of the fittest: alleen dieren die het vermogen hebben zich aan te passen zullen overleven.
    Het is een essay over verstening tegenover vitaliteit en de onverwachte mutatiesprong naar het nieuwe. De zoektocht naar de nieuwe wereld, daar waar energie en vitaliteit naar toe gaan. Uiteindelijk gaat het om het vinden van een nieuwe staat van zijn, het vinden van de plaats waar alle beperkingen opgeheven zijn, ‘wandelend in het eeuwige licht.’

    Met dit werk past Te Gussinklo in de traditie van het literaire essay. Michel de Montaigne (1533-1592) wordt beschouwd als de grondlegger van de essayistische literatuur. Zijn Essais – letterlijk ‘probeersels’, vertaling van het Franse woord essayer – vormen een autobiografie, niet van feiten maar van gedachten. Wezenlijk daarbij is de beweging van die gedachten, de wijze waarop zijn geest zich roert. ‘Ik doe niets anders dan komen en gaan; mijn oordeel gaat niet steeds vooruit, maar schommelt, en zwerft her en der.’ (citaat gevonden bij Anton Haakman, ‘Michel de Montaigne’ In: De Revisor. Jaargang 19).

    Zo is het boek van Te Gussinklo ook een zoektocht in persoonlijke stijl. Voorzichtig formulerend, aarzelend zoekend en herformulerend –illustratief de vele tussenzinnetjes met liggende streepjes – bespreekt hij met groot enthousiasme (‘want kijk, want kijk’) zijn onderwerpen. Hij behandelt zware thema’s, maar gelukkig relativeert hij ook. Een paar voorbeelden van het tastend formuleren: ‘ach ik som maar wat op.’ En: ‘Ik vat het algemene gevoel hier maar wat samen.’ En: ‘Of nee, het is nog anders.’ En: ‘Of laat ik het anders formuleren.’

    De mix van geschiedenis, filosofie, mythologie en godsdienst is geen gemakkelijke kost, maar de (deze) volhoudende lezer – soms de draad kwijt, en dan weer terugvindend, o ja, dit is wat hij bedoelt! – wordt beloond met een boek boordevol ideeën.

    Wessel te Gussinklo (1941) studeerde psychologie in Utrecht. Hij werkte als psychotherapeut voordat hij zich toelegde op schrijven. Voor zijn debuut De verboden tuin (1986) kreeg hij de Anton Wachterprijs. Zijn tweede roman De opdracht (1995) ontving de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de ECI-prijs (in 1997: ‘een onderscheiding voor talent dat nog niet is doorgebroken’) en de F. Bordewijk-prijs. Het boek werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Vorig jaar werd Zeer helder licht (zie ook de recensie op Literair Nederland) genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2014.


    Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan

    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
    Aantal pagina’s: 357
    Prijs: € 22,50

  • Eindeloos veel vragen

    Eindeloos veel vragen

    De titel geeft het weg. Wachten op een vriend, de zojuist verschenen roman van Huub Beurskens, staat in de schaduw van Wachten op Godot. De schrijver doet er trouwens niet geheimzinnig over. In zijn boek komt het toneelstuk herhaaldelijk ter sprake, ook in de ‘Verantwoording’ achteraf: ‘Het spreekt voor zich dat gebruik werd gemaakt van Samuel Beckett’. Dat blijkt al bij de enscenering. Tijdens een wandeling over het Griekse eiland Samos, dichtbij de Turkse kust, zit Lerrie op een heuvel onder een boom uit te puffen. Fraai uitzicht over de Egeïsche zee, associaties met de Griekse oudheid. Er komt een andere wandelaar aanzetten: Hendrik. Ze kennen elkaar van vroeger, de middelbare school, maar hebben elkaar tientallen jaren niet meer gezien. Je ziet Estragon en Vladimir die bij een kale treurwilg op Godot zitten te wachten. Ook de dialoog is Beckettiaans. ‘Daar ben je dus weer’, zegt Lerrie, ter begroeting. ‘Vind je?’, antwoordt Hendrik. Absurd toneel, inderdaad.

    Het is bekend. Het wachten op Godot duurt eindeloos, hij komt niet opdagen, communiceert met de wachtenden via een jongetje dat met boodschappen heen en weer wordt gestuurd. Bestaat Godot eigenlijk wel? Is hij een hersenspinsel? Van die onzekerheid over de werkelijkheid heeft Beurskens handig gebruik gemaakt om zijn roman dramatische lading te verschaffen. De beide vrienden verblijven ieder aan een verschillende kant van het eiland en wisten dat niet van elkaar. Ze gaan bij elkaar op bezoek en halen herinneringen op aan hun lang vervlogen vriendschap, hun vriendinnen, hun schooltijd op een katholiek internaat en tegelijkertijd monsteren ze elkaar met een zeker wantrouwen: wat heb je met me voor? Wat voor iemand ben je geworden? Hendrik is alleen, Lerrie is met zijn echtgenote Blanche. Maar op het eind denk je: is dit allemaal echt gebeurd of heeft het zich afgespeeld in de fantasie van Hendrik? Bestaat Godot?

    De herinneringen zijn flarden en ze komen in fragmenten langs, met enige moeite zijn er de verhalen uit te distilleren die de roman stutten. Bij Beurskens lopen feit en fictie door elkaar, uit overtuiging, waarschijnlijk. Hij heeft uitgesproken opvattingen over bepaalde aspecten van het schrijverschap: de dingen die je beschrijft moeten op serieuze waarneming zijn gebaseerd. Dat geldt met name voor beschrijvingen van natuur, plant en dier. Op Samos is er veel te zien, we worden geïnformeerd over gele vlinderbloemen, citrusstruiken, salie, bladsprietkevers, veldsprinkhanen, cicades, schildluizen, schorpioenen, amandelbomen, steenuiltjes, egels, glasslangen, scolopendra’s – niet noodzakelijkerwijs in die volgorde. Maar ondanks al die nauwgezetheid komen we opmerkelijk weinig te weten over de aard van die beestjes en bloemetjes, dat maakt de opsomming nogal vrijblijvend. Ook over het eiland kom je weinig te weten, behalve dat het er fraai is, maar dat kun je in iedere toeristenfolder lezen. En een natuurvorser als Beurskens zou toch iets meer moeten vertellen over de condities van het klimaat, het weer, de temperaturen, de kleur van het zeewater. Een bijzondere verdienste van Darwin was nu juist dat hij zo’n scherp oog voor de context had.

    Het mengen van feit en fictie blijkt ook in sommige herinneringen. Zo worden we geïnformeerd over Henk Krol, oprichter van de Gay Krant en politicus: hij was medeleerling van Hendrik en Lerrie en werd van school gestuurd, vermoedelijk wegens homoseksuele praktijken. Hendrik realiseert zich dat hij destijds nooit had begrepen dat Krol van de school verdween om andere redenen dan ‘nijpende Brabantse familieomstandigheden’. ‘Hij is nu actief in de landelijke pensionadopartij’, stelt hij vast. Curieus, deze aandacht. Wat wil de schrijver ermee zeggen? Krol speelt in het boek verder geen enkele rol en komt ook niet meer ter sprake. W.F. Hermans zou de schrijver gewezen hebben op de overbodige aanwezigheid van een ‘witte pater’.

    Deze stijlfiguur, gevoegd bij de soms absurde, maar soms ook gekunstelde, houterige dialogen, maakt het moeilijk om te bepalen op welk niveau je Wachten op een vriend moet waarderen. Moeten we alles serieus nemen? Gaat het om de inhoud van het verhaal van de vriendschap? Om de manier waarop die bloeide en later verdween? Om wat er is voorgevallen waardoor een breuk ontstond? Wie zich daarin verdiept, heeft wat speurwerk te verrichten: Beurskens neemt het niet zo nauw met chronologie of plot. Je zou het ook kunnen zoeken in de stemming, de mediterrane sfeer van het Griekse eiland, de innerlijke monologen van oudere mannen die hun leven en zonden overdenken. Wachten op een vriend is dan inderdaad het wachten op verlossing of bevrediging, het antwoord op de vraag of het leven wel de moeite waard is geweest. Beckett wist die grote achterliggende vragen met overtuiging te stellen, precies maar ook vol ironie, humor, en intelligentie. Een dergelijke virtuositeit is Huub Beurskens helaas niet gegeven.

     

    Wachten op een vriend

    Auteur: Huub Beurskens
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik (2015)
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 17,50

     

  • Het hart van de wereld geraakt

    Het hart van de wereld geraakt

    Albert Camus meende dat de enige vraag die ertoe doet, die van de zelfdoding is. Mensen die vinden dat het leven zinloos is en zichzelf toch in leven houden, zijn volgens hem helden, (levens)kunstenaars.

    Nu komen in de roman Bruiloftslied (1949) van de Zweedse schrijver Stig Dagerman (pseudoniem van Stig Halvard Jansson, 1923-1954) geen kunstenaars voor, maar boeren, slagers en zwervers. En een enkele zelfmoordenaar of potentiële zelfdoder. Toch is één van hen, Ville, hoe je het ook wendt of keert een held die het leven tegemoet treedt als Sisyphus bij Camus. Ville zag een spin zijn web weven, tussen twee dennen in. Zoiets had hij nog nooit gezien: ‘Ik blijf liggen tot hij klaar is, dacht ik. De spin spon en spon, hij was nooit klaar. Die spin redde mijn leven.’ Een sprookjesachtig gedeelte op driekwart van de roman.

    Bruiloftslied is een roman die veel stijlen in zich bergt. Soms lijkt het inderdaad op een sprookje, maar is het bij nader inzien een surrealistische nachtmerrie, zoals de omschrijving: ‘Hij staat op de drempel, hij heeft een stuk van de maan bij zich, denken ze. Dan zien ze vrijwel meteen dat ze het verkeerd gezien hebben, het is niet de maan die hij bij zich heeft, het is een stuk van de dood.’

    Zo’n alinea leest anders in de wetenschap dat Dagerman, één van de grootste auteurs uit Zweden, zichzelf van het leven heeft beroofd. Hij heeft een klein oeuvre nagelaten, waaronder het genoemde boek Het verbrande kind (1948) en de verhalenbundel Natte sneeuw (1955). Bruiloftslied, dat door David Grävling mooi is vertaald en nu pas in het Nederlands is uitgebracht door de kleine uitgeverij Koppernik, is zijn laatste boek.

    Het verhaal zelf is eenvoudig. Dagerman beschrijft hoe 24 uur wordt beleefd in een arm Zweeds dorp. Een slager, Westlund, staat op het punt te trouwen met de jonge boerendochter Hildur. De dorpsbewoners, en Westlund, zetten het op een zuipen met alle gevolgen van dien. De bruid raakt zwanger van een zwerver, de bruidegom gaat met de meiden die hij in dienst heeft naar bed en zijn dochter uit het eerste huwelijk wordt  door een zwerver verkracht.

    De roman is geschreven in gecondenseerde zinnen, soms zonder persoonsvorm of werkwoord. ‘Zinnen’ die slechts uit één woord bestaan, zoals Jeroen Brouwers ze op gelijke voet omschreef in zijn essay De levende stilte van Stig Dagerman (uitg. Meulenhoff, 1985): ‘Bedreiging. Wantrouwen. Jaloezie. Ontrouw. Drank. Geweld. Haat.’ Of zinnen die na een punt gewoon verdergaan: ‘Het is inderdaad kwart voor. Vier dus.’ Juweeltjes van zinnen:  ‘’t Is moeilijk als niemand het begrijpt. Iemand moet toch wakker zijn als alle anderen slapen. De slapeloze, moeder Palm, zei weliswaar de dominee, is iemand die niet op God vertrouwt. En of zij nou vertrouwt, maar wat met hem daarboven die niemand heeft. In het donker hoort ze hem zijn gedachten weven, donk-donk, een geluid dat alleen zij kan horen. Maar op een nacht, zo weet ze, zal die weefspoel stilstaan. En God zij hem genadig die dan niet wakker is.’

    Dagerman schrijft afwisselend in alledaagse en poëtische taal. Alledaags zoals: ‘Maar hij bent klein. En hij is groot’, en: ‘Op het land staan moeders zonnebloemen met het hoofd gebogen.’ Of poëtisch zoals ‘Terwijl God het licht als honing over het dak spreidt’ en: ‘Ze is zo kwaad dat ze trilt, haar neus vliegt een beetje.’ Soms zijn het zinnen die niet alleen spaarzaam zijn met woorden en gevoelens, maar ook even stug als de boeren die Dagerman beschrijft.

    Het was de bedoeling van de auteur om ‘het hart van de wereld te raken.’ Hij was er onzeker over, of dat was gelukt. Maar dat is de vraag niet meer. Bruiloftslied is een indrukwekkend boek. Geen page turner, maar één om langzaam te proeven, en te genieten van het mooie taalgebruik en dito vertaling.


    Bruiloftslied

    Auteur: Stig Dagerman
    Vertaling: David Grävling
    Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
    Aantal pagina’s: 245
    Prijs: € 18.50

  • Eindelijk verlost of voor eeuwig verdoemd?

    Eindelijk verlost of voor eeuwig verdoemd?

    Jaren was het stil rond hem, mààr hij is er weer, Te Gussinklo (1941) – onmiskenbaar – met Zeer helder licht, zijn derde roman.

    Een veelbelovende start van de nieuwe uitgeverij Koppernik! Met deze eigenzinnige, meervoudig bekroonde – maar ook bekritiseerde – auteur haalt ze niet de eerste de beste in huis. Zijn debuut De verboden tuin (1986), een roman die zich afspeelt op de drempel van de puberteit waarin de negenjarige Ewout het verlies verwerkt van zijn kinderlijke samenhang met de wereld, werd bekroond met de Anton Wachterprijs. Met het meesterwerk De opdracht (1995), waarin we dezelfde Ewout – inmiddels 14 jaar en volop puber – nauwlettend volgen op een zomerkamp in zijn vergeefse pogingen geliefd en populair te worden, sleepte hij de F. Bordewijk- en de Van der Hoogtprijs in de wacht én werd hij ook nog eens genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Naast genoemde romans verschenen de novelle Het engeltje (1996) en een aantal essaybundels, waarvan Te Gussinklo in Aangeraakt door Goden – een mengeling van autobiografie en essayistiek – op indrukwekkende wijze de zoektocht naar de wortels van zijn bewondering voor  Mulisch en Sartre verwoordt (inspiratiebronnen voor zijn schrijverschap).

    Met Zeer helder licht maken we een sprong vooruit in de tijd. Dit keer geen (pre-)puberale Ewout maar een jongeman, Wander genaamd, in de hoofdrol. Wederom een gevoelige, eenzelvige ziel – gemodelleerd naar de schrijver – met veel te hoge verwachtigen van zichzelf en het leven. Lijdend aan zijn eigen (vermeende) misluktheid in een wereld waarin hij zich allerminst thuis voelt. Een wereld die evenzeer wordt gevreesd als veracht.‘Mislukking, alles in mijn leven verwees daarnaar, wat ik ook aanvatte, wat ik ook probeerde, alles mislukte, brak af bij mijn handen.’

    Het zijn de zeventiger jaren. Wander- 31 jaar – gesjeesde student psychologie, probeert zich te herpakken om alsnog wat van zijn leven te maken. Drugs, drank en hoerenvertier heeft hij voor eens en altijd afgezworen. Schrijver wil hij zijn. Want dáár in het schrijverschap – zo luidt zijn stellige overtuiging – wacht hem de bevrijding, de geboorte van zijn ware zijn. Groots en scheppend zal Wander leven, in de gló-ó-ó-ria! ‘Literatuur is de grootste, de hoogste, de koningin van de kunsten, want die laat zien wie we zijn, die laat het gevecht zien om te bestaan, om te overleven in de afgewende, onherbergzame werkelijkheid die niet is zoals wijzelf, die wij bekleden, die wij stofferen met cultuur om haar herbergzaam te maken. En het gevecht om onszelf vorm te geven, onszelf te scheppen tussen al dat andere en al die anderen. Het gevecht om niet misvormd te raken, verpletterd, verwrongen.’ 

    Tja, groot zijn Wanders dromen, zoveel kleiner de daden: geen letter staat nog op papier.  Maar dan kruist Hanna zijn pad. De oogverblindende, 12 jaar jongere ‘lieve lieve Hanna’. Zijn muze, zijn ‘leeuwtje’. De godin van het licht die hem als geen ander begrijpt, de maagdelijke studente uit een keurig milieu. Zijn geluk kan niet op. Voor haar wil hij schrijven, meer dan ooit.  ‘Ik ben het boek […] Voor jou schrijf ik het, nu ik je eindelijk gevonden heb, voor jou. Jij bent mijn muze, pas dan zal ik echt degene zijn die jij liefhebt.’ Begint met Hanna dan eindelijk het lang gedroomde leven?

    Radeloos is Wander, als we op de openingspagina kennis met hem maken. De avond ervoor heeft hij voor het eerst Hanna weer gezien nadat hun relatie op de klippen is gelopen. Tegen de hevige tegenwerking van haar welgestelde ouders (lees: hysterische taart van een moeder, venijnige bulldog van een vader) die hem ver beneden de waardigheid van dochterlief achtten, bleek de relatie helaas niet bestand. Thuisgezeten, in zijn krakkemikkige huisje, vraagt hij zich af hoe zich van de ondergang te redden. Vluchten wil hij, maar ook weer niet, want ‘daar komt geen einde aan’. Bewegen lijkt een betere optie, want ‘het maakt de dingen kleiner omdat ze iets terloops krijgen, niet kunnen groeien door de kracht, het voedsel dat ze aandacht geeft.’ Oke, dus hup naar buiten. De afgrond bezweren. Maar in hemelsnaam waar moet hij heen?

    239 Pagina’s lang worden we hierna meegesleurd in het stuwmeer van Wanders gedachten, emoties, observaties en overwegingen. Werkelijk niets van de kolkende binnenwereld van deze afgewezen ziel blijft de lezer bespaard. Er is geen ontkomen aan. Te Gussinklo dwingt je mee te spartelen in gepijnigde zielekrochten, megalomane opvlammingen, tedere droomgedachten, hysterische razernij, obsessief verlangen en uitvergrote schrikgezichten. Soms – hoe aangenaam – mogen we ook even deinen op het gladde oppervlak maar ja, je zou als schrijver geen Te Gussinklo heten als je uiteindelijk niet toch weer kopje onder gaat. Of erger nog, door koude golven genadeloos wordt uitgespuwd.

    Toch is Zeer helder licht geenszins zware kost. Met zijn indirecte observerende schrijfstijl bezit Te Gussinklo het talent om in het heetst van de strijd onverwacht geestig uit de hoek te komen waardoor de meest bizarre taferelen ontstaan. Hilarisch is de scène waarin Hanna’s moeder zich in volle razernij vergrijpt aan het portier van Wanders Renaultje, en zwaar over de top die waarin ze hem met haar roze pomponnetjespantoffel probeert af te rossen. Zowel komisch als schrijnend is de op de zolderkamer van zijn vriend gearrangeerde bedscène vol onvermogen waarin Wander – uiterst voorzichtig als minnaar – het genot probeert te vergroten door haar een beetje te helpen ‘haar hand begeleidend als een onderwijzer die een achtergebleven leerling bij het schrijven helpt, samen de pen vasthoudend, letters vormend, woorden…’ waarop Hanna na onverrichte zaken afstandelijk verzucht ‘Oef, wat ben je zwaar.’ En hoe ijselijk kan een kennismakingsbezoekje aan toekomstige schoonouders wel niet zijn? ‘“Kom”, zei hij zijn armen op de leuning van zijn stoel leggend teneinde zich te verheffen. “U zult wellicht elders verplichtingen hebben.” ‘ Zo wordt oogappels vriendje nog eens keurig netjes afgeserveerd. Wanders noodlot lijkt hiermee voltrokken. 

    Te Gussinklo schrijft gedetailleerd, breed uitwaaierend en bezeten. Geen mooischrijverij, maar oh, wat gaat er allemaal wel niet om in dat hoofd. Kronkelende zinnen, vol second thougths en een kwistig gebruik van leestekens. Soms ontvouwt zich in een enkele zin een hele geschiedenis. ‘Hoewel, meer geld nu ik niet meer dronk, geen drugs gebruikte en de kleine erfenis – van mijn dode vader; omgekomen in de oorlog, en van mijn dode moeder; plotseling overleden aan een dubbele longontsteking – waarvan ik moest leven minder belastte.’

    In het verhaal gebeurt feitelijk niet zoveel. Het is dan ook niet de strakke verhaallijn of het boeiende plot dat maakt dat je zijn werk wil – nee moet! – lezen. Het zijn de minutieus uitgewerkte aaneengeregen reflecties op het denken en op het intermenselijk verkeer die de lezer vervoeren en iets pijnlijk moois, iets groots laten ervaren. Zo ook – zij het wel minder indrukwekkend dan in zijn eerdere romans – in Zeer helder licht.