• Het huis als warboel van goede bedoelingen

    Het huis als warboel van goede bedoelingen

    Dialogen bestaan in romans doorgaans uit afgewogen zinnen. Ze staan in dienst van de loop van het verhaal en volgen elkaar in een logische opbouw op. Op het witte doek zijn dialogen al evenzeer ingekaderd. Heel vaak is de spreker en face in beeld en pakt de camera op dezelfde manier de volgende spreker waardoor de aandacht van de kijker volledig gaat naar wat er (met de bijbehorende mimiek) gezegd wordt. In het dagelijks leven gaat het zelden zo. Sprekers vergissen zich, springen van de hak op de tak, houden zich niet aan grammaticale regels, onderbreken elkaar en luisteren slecht. Bovendien zijn er voor de aangesprokene allerlei afleidingen door een TV die aan staat, de titel van een boek dat op tafel ligt, een telefoongesprek of een foto die allemaal de gedachte afleiden van wat er gezegd wordt.

    De verlossers van William Gaddis bestaat vrijwel louter uit dialogen die zich op die laatste manier ontwikkelen. Daar komt bij dat de gespreksonderwerpen van de protagonisten op zijn zachtst gezegd nogal duister, verdacht en ondoorgrondelijk zijn. Wie voor het eerst Gaddis leest kan er op stuk lopen, maar opnieuw beginnen loont. Dan krijg je door wat hier gebeurt en word je deelgenoot van het ‘werkelijke’ leven van de personages in al hun verwarring, eenzaamheid, woede, machtswellust, angsten, wantrouwen enzovoort.

    Domheid

    William Gaddis schreef vier romans die tot op heden niet in Nederlandse vertaling beschikbaar waren. Toch kan zijn naam bij een enkeling bekend zijn van een citaat dat rond (de Amerikaanse) verkiezingen of in discussies over populisme wel eens opduikt: ‘Domheid is opzettelijke cultivering van onwetendheid’ (zeer recent bijvoorbeeld in de proloog van De domheid regeert van Sander Schimmelpenninck). Het citaat komt uit de derde roman van Gaddis die als eerste in het Nederlands kan worden gelezen: De verlossers. In die roman duikt de uitspraak op in een tirade van de raadselachtige en handtastelijke McCandless over streng gelovige creationisten die de evolutie ontkennen. Het is een interessante filippica die meer aforistische zinnen bevat als ‘Geopenbaarde waarheid is het enige wapen van de domheid tegen de intelligentie’. Deze McCandless is een geoloog die ooit in Afrika onderzoek heeft gedaan en daar dominee Ude ontmoette, de grote voorman van de beweging die hij aanvalt. McCandless schreef mee aan schoolboeken over het ontstaan van de wereld, maar Ude zorgde ervoor dat zijn artikelen werden verminkt tot ze pasten in het Bijbelse scheppingsverhaal. Het is duidelijk dat de twee elkaar wel kunnen schieten.

    Gefoeter

    McCandless is ook de eigenaar van het huis waarin twee andere belangrijke personages wonen: Paul Booth, een getraumatiseerde Vietnamveteraan, en zijn vrouw Elizabeth Vorakers. Paul heeft voor haar vader gewerkt, die rijk geworden was als mijnbouwtycoon en baas van de Vorakers Consolidated Reserve (VCR), maar zelfmoord heeft gepleegd. Als het getrouwde stel ergens in uitblinkt is het in níét luisteren naar elkaar. Vooral Paul heeft er een handje van. Hij foetert Elizabeth aanhoudend uit, verwijt haar dat ze hem tegenwerkt in de schitterende onderneming die hij opzet voor dominee Ude, beklaagt zich over haar doktersrekeningen enzovoort. En daar fietst dan ook nog eens steeds haar broer Billy doorheen die een onduidelijke affaire heeft gehad met ene Sheila die het boeddhisme aanhangt en die zijn zwager maar een enorme lul vindt. Grove taal wordt niet geschuwd. Alle personages zijn wel op een of andere manier betrokken bij zaakjes als fraude, uitbuiting en verduistering, waar ze anderen dan weer de schuld van geven.

    Chaos

    Om de paar dagen duikt huiseigenaar McCandless op om op een rommelige manier te zoeken in allerlei paperassen en boeken die hij nog in het huis heeft liggen. Tijdens die bezoekjes raakt hij verzeild in de discussies tussen de anderen. In zijn inbreng tiert hij over politiek, koloniale geschiedenis, Genesis en literatuuropvattingen. Dat maakt De verlossers meteen tot een weidse roman.
    De omgeving waarin alles zich afspeelt versterkt de chaos en het spookachtige karakter. Hoewel er wel sprake is van enig tijdsverloop lijkt alles zich af te spelen op de avond van Halloween. Bovendien is er het eigenaardige huis dat het toneel vormt van alle gesprekken. Dat heet ‘Carpenter’s Gothic’. Op pagina 127 omschrijft McCandless het zelf als volgt: ‘Hele ontwerp gedacht vanuit het buitenaanzicht (…) ze tekenden alleen die buitenkant en propten de kamers er later wel in’. Fraaie gevel dus, maar aan de binnenkant een wirwar. In het huis is van alles mis. De wc zit verstopt, er wordt gedronken uit kapotte glazen en kopjes, de ramen zijn smerig, sleutels raken kwijt, er is post zoek en genoteerde telefoonnummers zijn nergens meer terug te vinden.

    Gaddis kleedt al het geharrewar en gerotzooi af en toe komisch in. Op het hilarische af is bijvoorbeeld een (wrange) scène waarin Elizabeth broccoli probeert op te warmen voor Paul, die haar juist weer eens de huid vol scheldt. En terwijl zij aandacht probeert te vragen voor iemand die met zware brandwonden in het ziekenhuis ligt, verbrandt intussen de groente: ‘Je mag die broccoli wel laten liggen’.
    Fraai is ook de scène waarin Elizabeth op haar bed naar Jane Eyre (met Orson Welles, een film uit 1943) kijkt terwijl ze beneden Paul telefonisch met dominee Ude hoort konkelen. Gaddis laat hier beelden uit de film overlopen in beschrijvingen van het telefoongesprek en de gedachten van Elizabeth, wat het geheel des te meer een gothic tintje geeft.

    Warboel

    De Nederlandse titel De verlossers lijkt te verwijzen naar wat dominee Ude en zijn volgelingen teweegbrengen. De originele titel (uit 1985) is echter Carpenter’s Gothic. Gaddis zelf verwijst daarmee naar het huis waarin zich alles afspeelt, dat als metafoor te zien valt (zie de genoemde pagina 127) voor het gedrag van de hoofdpersonen. Op pagina 232 zegt McCandless daarover bovendien nog: ‘het interieur [is] een warboel van goede bedoelingen als een laatste bespottelijke poging nog iets te doen wat de moeite waard is’. Hoe dan ook, welke belangen de verschillende hoofdrolspelers mogen nastreven, alle bedoelingen monden tenslotte uit in een tragisch einde.

    Wat een klus moet de vertaling geweest zijn. Frank Lekens strooit met formuleringen, scheldwoorden en kanonnades die de sfeer volledig recht doen. Dat is des te virtuozer omdat soms niet duidelijk is wie er aan het woord is of hoe de feiten liggen waarover men elkaar in de haren vliegt. Na een eerste lezing blijf je om diezelfde reden met veel raadsels zitten: hoe zijn alle verhoudingen precies ontstaan. Wat is er in het verleden gebeurd dat het zover kon komen. Maar ook: welke symboliek hebben de talrijke vogels in de roman. Waarom daalt op bepaalde momenten steeds een oude vuilnisraper de heuvel af, soms vergezeld van een hond. Het zijn allemaal, naast vele andere, redenen om De verlossers te herlezen. Met geduld. Dat wel.

     

  • Het bordeel van Santa María

    Het bordeel van Santa María

    Bij het Nederlandse lezerspubliek is de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994) wellicht niet zo bekend, maar in het Spaanse taalgebied is hij een veelgelezen en gewaardeerd schrijver. De belangrijkste literaire prijs in dat taalgebied is de Cervantesprijs, de Premio Miguel de Cervantes, die jaarlijks wordt toegekend. Onetti ontving de prijs in 1980.

    De relatief jonge uitgeverij Kievenaar (begonnen in 2020) heeft het wederom aangedurfd een boek van Onetti uit te geven. Na Afscheid (Los adioses uit 1954) en De dood en het meisje (La muerte y la niña uit 1973) kwam vorig jaar de vertaling van Juntacadáveres uit 1964 onder de titel Lijkendrijver uit. Op stapel staat nog Voor een graf zonder naam (Para una tumba sin nombreuit 1959).
    Aangedurfd, omdat Kievenaar er niet voor schroomt ‘moeilijke boeken’ uit te geven. Van hun website: ‘We balanceren op het bekende koord op de bekende hoogte en dagen iedereen uit bij Kievenaar een dapper stapje extra te zetten. Een zin eens niet één, maar twee of zelfs drie keer te lezen. Onze boeken als moeilijk veroverbare geliefden te beschouwen. Tegemoet te komen aan dat vreemde verlangen jezelf beter te leren kennen aan de hand van degene die deze soms zelfs niet naar je uitsteekt. In de spiegel niet alleen jezelf te zien.’

    Lijkendrijver is zo’n ‘moeilijk veroverbare geliefde’. Frans Oosterholt tekende voor de prima vertaling. Dat moet een pittige klus zijn geweest; sommige zinnen in het boek moet je inderdaad vaker lezen om te snappen wat er staat.

    Kadavers en lijken

    De droom van de hoofdpersoon Larsen, die ook wel Drijver of Lijkendrijver wordt genoemd, is het opzetten van een bordeel in het stadje Santa María. Het heeft bijna twee jaar geduurd voordat er in de Raad een meerderheid voor het bordeel is. Het lukt apotheker Barthé conservatieve raadsleden te overtuigen om voor te stemmen. Hij moet dan wel plechtig beloven later het wetsvoorstel voor de kruiersconsessie in de haven te steunen. Drijver heeft in afwachting van de beslissing over het bordeel zo lang op de administratie van de krant El Liberal gewerkt. Namens de Raad wordt hem gevraagd of hij het bordeel wil runnen.
    Dat doet hij: ‘Hij was oud, ongelovig, sentimenteel; het bordeel oprichten was nu, in wezen, als trouwen in articulo mortis, als geloven in spoken, als optreden voor God.’ Barthé is slechts geïnteresseerd in een deel van de opbrengst van de exploitatie van het bordeel: ‘Ik heb niets te maken met die smeerlapperijen. U regelt alles zoals het u goeddunkt. En u geeft me elke maand vijfhonderd peso, vanaf de opening.’

    Het verhaal wordt niet chronologisch verteld. Het boek begint met een treinreis van El Rosario naar Santa María. Pooier Drijver haalt zijn drie prostituees, María Bonita, Irene en Nelly op. Het bordeel draait de eerste maanden prima.

    Anonieme brieven

    Maar het succes van het bordeel roept ook weerstand op. Al na enkele maanden circuleren er anonieme brieven. Elk onheil in het stadje wordt in verband gebracht met het bordeel. Er is een roeiboot omgeslagen in de rivier en er zijn mensen verdronken. ‘Waartoe de kerk als er een bordeel is (…) Wanneer een plaats haar zin voor eerbaarheid verliest, is het rechtvaardig dat ze ook Gods Bescherming verliest.’ Pastoor Bergner zegt in zijn preek dat hij een zondaar met de zondaren is geworden, omdat hij niet heeft kunnen voorkomen dat er een bordeel in het stadje is gevestigd: ‘Ik ben jullie priester niet meer, ik ben geen priester van Santa María. Omdat de duivel naar ons is gekomen en is opgenomen; jullie hebben hem opgenomen en ik heb dat niet weten te voorkomen.’ Hij vecht niet tegen Drijver en de vrouwen in het bordeel: ‘We vechten tegen niemand in het bijzonder; we vechten tegen het kwaad.’ Volgens hem moet Santa María ontwaken en zelf zijn zielen willen redden.

    Het blijkt dat de meisjes van de Hulpvaardige Daad de anonieme brieven aan de ‘zielen van wie jullie weten dat ze deze boodschap nodig kunnen hebben’ schrijven. Na een kerkdienst ontrollen zij een spandoek met de tekst ‘We willen kuise verloofden en gezonde echtgenoten.’ Ook de pastoor zet zich samen met de Bond van Ridders in voor het bewaken van de goede zeden. Uiteindelijk besluit de gouverneur dat het bordeel moet sluiten. De cirkel is rond: met de trein vertrekken de drie vrouwen met Drijver uit Santa María.

    Troosteloosheid

    Onetti roept in zijn werk een sombere wereld op. Hij schrijft over de beerput van ouderdom, over verrotting en angst. Zijn beeldspraak verwijst veelal naar de dood. Drijver beschouwt zijn dames als kadavers en lijken. Hij (schommelde) tussen ‘erbarmen en walging. Altijd hetzelfde met die doden. Hij zette een stap en keek nieuwsgierig naar de hand die vooruit bewoog om het rossige, verschroeide, en nog altijd geparfumeerde haar van het lijk aan te raken, dat onelegant op het bed zat.’

    Bijzonder taalgebruik

    De zinnen en de beeldspraak van Onetti zijn niet alledaags. Wat te denken van ‘de lijken die hij dreef’ en ‘En hoewel de dingen die hij dacht zich openbaarden in de wittige spuugdraad die in zijn glimlach verscheen (…)’. Nog een citaat: ‘Vergevingsgezind en grootmoedig snoof hij de verrotting van de schaarse kraakbeenderen op, keurde hij de overeenkomsten met de stank van de andere lijven die misschien net wakker waren geworden en die weldra zouden beginnen hem op te bellen.’
    Onetti schrijft lange zinnen met herhalingen, veel komma’s en puntkomma’s.  Santa María is een fictief stadje, maar Onetti heeft er een levensecht Zuid-Amerikaans stadje van gemaakt met de dorpsdokter, Díaz Grey, de apotheker Barthé, een krant, een conservenfabriek met anonieme arbeiders en een bordeel bij de rivier.

    De roman laat zich niet makkelijk lezen door de wisselende perspectieven en monologues intérieurs. De vele personen die aan het woord komen zijn niet altijd nodig voor de voortgang van het verhaal, maar wel interessant voor de sfeer en de onderlinge machtsverhoudingen in het stadje.
    Het werk van Onetti komt steeds meer in de belangstelling te staan. In Duitsland is zijn verzameld werk uitgegeven. Daar is de titel van dit boek trouwens Leichensammler. Voor de uitgever moet het commercieel een uitdaging zijn om een boek met een titel als Lijkendrijver te verkopen. Wellicht dat er daarom op de omslag een foto staat van een sensuele vrouw. En dat terwijl de vrouwen in het boek allesbehalve sensueel zijn. Verkooptechnisch zou een titel als Het bordeel van Santa María misschien beter zijn geweest. Hoe het ook zij, Onetti’s roman uit 1964 past goed in de categorie moeilijk veroverbare geliefden. De Nederlandse lezer kan dankzij uitgeverij Kievenaar (nader) kennismaken met deze interessante schrijver met een eigen signatuur.
    Advies: lees ook zijn eerdere boeken en kijk alvast uit naar de volgende vertaling!

     

  • De taal als Bermudadriehoek

    De taal als Bermudadriehoek

    Onder een brandende zon en het klotsen van de golven flaneren toeristen op de corniche langs de bars. Die kitscherige zeedijk vormt het decor voor het algemeen gevoel van gemis dat de driedelige Zweedse roman De singulariteit van de Koerdische schrijfster Balsam Karam kenmerkt. Dat gemis is bodemloos. Het woord ‘bodemloos’ mag u vrij letterlijk nemen. Met de scherpte van een sigarettenpeuk brandt Karam in de toeristische corniche een gat, waaruit stof en rookpluimen opstijgen. Achter de façade van die lieftallige zeedijk schuilt oorlogsleed, verloedering en ontreddering. Deze niet nader omschreven stad met haar corniche is ‘een gat tussen wat ontstond en had kunnen zijn.’ De setting van De Singulariteit is haast even mysterieus als de titel, en ook de inwoners van die stad zijn hoogst merkwaardig.

    Overal verlies

    In dat gat woedt het verlies van dierbaren overal, in abstracte bewoordingen: een moeder zoekt naar haar dochter, dochters speuren naar hun moeder en alle inwoners hebben wel iemand kwijtgespeeld. Al deze verlorenen bestempelt Karam als ‘de vermiste’. Over de identiteit van ‘de vermiste’ komen we bitter weinig te weten. Een van de eerste zinnen luidt: ‘De vrouw is alleen, zoekt haar kind’. Dat kind is spoorloos verdwenen en haar armen waren bont en blauw geslagen. De vermiste werkte als poetskracht in een bar op de dijk, maar ging evengoed naar een demonstratie op 1 mei… Zoveel mensen kunnen ‘de vermiste’ zijn. Helaas hoeven de nabestaanden geen hulp te verwachten. In deze stad heerst de onverschilligheid. En in een donkere steeg spelen kinderen met voorwerpen en herinneringen van de vermiste, maar ‘als het verlies hier is weten de kinderen niet langer of het moeder is of zus die is meegenomen.’ Zowel de personen als de plaatsen gonzen van de onbestemdheid. Misschien is de typering over de steeg waar de kinderen wonen ook van toepassing op heel De singulariteit: ‘het is meer een toestand dan een plek.’ Het is niet de plaats waar je iets hebt verloren, maar het verlies dat een plaats is geworden.

    Uit de versmelting van algemene aanduidingen en Karams zinnelijke schrijfstijl komt het verlies van verdwenen of gestorven dierbaren, vanonder de woorden naar bovendrijven. In plaats van haar lezers zich te laten identificeren met een concrete leefwereld hanteert ze poëtische en mythologische tropen als ‘berg’, ‘gat’ en ‘palmbladeren’ om een beklemmende atmosfeer te creëren. Voor de goede verstaander verwijst de troop van de ‘corniche’ naar de zeedijk van het door oorlog en ellende getekende Beiroet. Geen toeval dat De Singulariteit zo sterk resoneert met het apocalyptische toneelstuk Kop dicht en graven van de Libanese schrijfster Hala Moughani, waarin een familie op een vuilnisbelt woont, nabij een gat met een gapend gemis. Ook bij Karam verkrijgen de muren hun reliëf door kogelgaten en betreft het hoogste en meest uitzichtloze de top van een afvalberg. Door het zinnelijke karakter van haar taal ontstaan dan zinderende passages als ‘is een vermiste ooit teruggekeerd zegt ze en gaat met haar hand over de muur en de kogelgaten in het midden van de muur – is gemorst water weer bijeengegaard en kun je verlangen naar het onmogelijke zegt ze en zwijgt.’ Dat onmogelijke is hier niets minder dan een complete identiteit.

    Vormvast

    De verbrokkeling van de eigen identiteit door het verlies van dierbaren staat ook in de twee andere delen centraal. In die delen krijgen we respectievelijk een logboek van een miskraam en het verloop van een integratieproces in Zweden voorgeschoteld. De eerste twee delen, ‘de vermiste’ en ‘de singulariteit’, spelen sterk in op een verlies dat het leven domineert. Karam laat dit manco insijpelen in zinnen als ‘straks zal het strand leeg plaats bieden’. Voortdurend lezen we dergelijke grammaticale onregelmatigheden, die de gefragmenteerde wereld en getraumatiseerde kijk daarop verbeelden. De schrijver verminkt de taal op zichzelf. Die tactiek kadert in een poëtische traditie, waarbij een dichter als Paul Celan de sonnetvorm aan flarden scheurde om de breuk van de holocaust te verklanken. De haast tastbare taal van Karam plaatst die breuk in een zinnelijke Koerdische context. Die zindering blijft spijtig genoeg niet altijd even boeiend.

    In de eerste twee delen begint dat hernemen van dezelfde poëtische beelden gaandeweg wat te vervelen. De corniche, de vermiste, de kinderen in de steeg… langzamerhand hoop je toch op een nieuwe ingeving of meer uitgesponnen anekdotes. Karams mozaïek had een grotere verscheidenheid aan tropen goed kunnen gebruiken. Dat had ook perfect gepast in de setting die Karam oproept, want doorgaans zijn de stegen van Mediterraanse steden bevolkt door vreemde lieden en mysterieuze verhalen. In het tweede deel staat dat ‘er geen ruimte tussen lichamen bestaat in de singulariteit’. Er is geen verschil tussen individuele lichamen, want Karam kiest steeds voor abstracte bewoordingen als ‘vrouw’ of ‘kind’. Zo onderlijnt ze de singulariteit van elk verlies. Die keuze om de inhoud weer te geven door middel van een abstracte vorm is niet vanzelfsprekend, maar goed gekozen. Het gebrek aan plot, dat daarvan een hinderlijke bijwerking is, laat zich echter voelen. Karams vormvastheid leidt soms tot een riedeltje dat op de zenuwen werkt. Het gebruik van nieuwe beelden en anekdotes had meer variatie in de tekst kunnen aanbrengen.

    Ongrijpbare integratie

    In het derde deel, ‘De verliezen’, brengt Karam wel veel meer variatie aan in de opbouw. Elke pagina bevat een fragment dat het leven beschrijft van een gezin, dat van zijn vaderland naar Zweden is gevlucht. In korte passages toont Karam trefzeker hun moeilijkheden om zich in dat Scandinavische land thuis te wanen. Zo is er een fragment waar de zoon aan een vriendje uitlegt dat hij geen vakantiejob kan krijgen, waarop een wederom talig ontsporende zin volgt: ‘De concurrentie is hard zegt zijn witte klasgenoot als ze door de gang naar de eetzaal lopen. Waar werk jij van de zomer dan? Vraagt je broer en hij antwoordt bij mijn vader.’ We zien een oma wier handen niet aan deze aarde gewend geraken, de zus die rotbaantjes doet en de mamma moeten ze overtuigen dat zij haarzelf eens mag trakteren op een nieuw kledingstuk. Ieder gezinslid doet zijn uiterste best om de draad weer op te pikken. Het verlies van hun thuisland maakt die draad soms flinterdun en bij momenten ongrijpbaar.

    In De singulariteit maakt Balsam Karam tastbaar hoe het voelt wanneer een ondefinieerbaar verlies het leven beheerst. Zelf is ze op jonge leeftijd van Irak naar Zweden verhuisd. Haar keuze voor de Midden-Oosterse invloedssfeer kan dus gemakkelijk verklaard worden door haar eigen levensloop. Toch is het verfrissend dat ze niet kiest voor een al te autobiografisch relaas. De radicale keuze voor een mysterieuze en poëtische abstrahering doet de taal onder onze voeten wegzakken en verdiept dit boek tot een gat: groot, vaag en onontkoombaar voor al wie zich te dicht bij de rand ophoudt. Wie waagt de sprong?

     

     

  • Wat verscholen ligt onder de oppervlakte

    Wat verscholen ligt onder de oppervlakte

    De Turks-Deense schrijfster Ayşegül Savaş woont in Parijs en schrijft in het Engels. Haar debuut Walking on the ceiling verscheen in 2019 en viel veel lof ten deel. Wit op wit is haar tweede roman en even intrigerend. Een naamloze verteller is recentelijk verhuisd naar een niet gespecificeerde Europese stad om onderzoek te doen voor haar proefschrift over middeleeuwse gotische naaktsculpturen – gering in aantal en, volgens het studievoorstel van de verteller, ‘grotendeels over het hoofd gezien.’

    Haar promotor heeft vraagtekens gezet bij het onderwerp: ‘(…) ze herinnerde me eraan dat het middeleeuwse lichaam in de kunsten een aangekleed lichaam was; als ik de standpunten omtrent naaktheid wilde bestuderen, zei ze, zou ik er beter aan doen mijn aandacht te richten op alle manieren waarop het lichaam werd verhuld, in plaats van hoe het werd onthuld.’ In uitermate beheerst en sober geschreven proza komt gaandeweg de diepere betekenis van deze woorden bloot te liggen.

    De verteller zelf blijft echter een mysterie. Veel meer dan haar bezigheden omtrent haar onderzoek komen we niet over haar te weten (zelfs niet haar gender, voor het gemak ga ik uit van een vrouw). Ze vult haar dagen met het bezoeken van musea en bibliotheken. Ze geniet van de afzondering en de rust die haar nieuwe leven met zich meebrengt, net als van het spaarzaam ingerichte appartement dat ze huurt van een in een nabijgelegen stadje wonende hoogleraar die haar een veilige haven biedt om te lezen en te schrijven. Dat wil zeggen, totdat Agnes, de vrouw van de hoogleraar, vrij plotseling komt opdagen.

    Betoverende aanwezigheid

    Agnes is kunstschilder en neemt haar intrek in de studio boven in het appartement. De verteller beschrijft haar uiterlijk met academische precisie: ‘Ze was lang en mooi slank en droeg haar zwarte haar in een paardenstaart. Haar hagelwitte blouse liep aan een kant ter hoogte van haar middel even opvallend als nonchalant uit in een sierlijke ruche. Haar schoenen leken op adellijke muiltjes en hadden dezelfde zachte tint groen als haar broek.’ De vertellers nauwgezette aandacht voor het uiterlijk van Agnes – wier aanwezigheid ‘iets betoverends’ heeft – loopt als een rode draad door de gehele roman. Regelmatig drinken ze samen koffie en vertelt Agnes over haar leven: haar kunstenaarschap, de relatie met haar volwassen kinderen, haar huwelijk met hoogleraar Pascal, gespecialiseerd in middeleeuwse studies. Maar ook over haar jongere jaren, de komst van een beeldschone au pair die op subtiele wijze haar huwelijk ontwricht en de ondergang van een door haar als jong meisje bewonderd nichtje.

    Vooral de verhalen over haar moeizame relatie met haar dochter vormen een hoogtepunt in de roman. ‘Haar dochter zou ook kunnen opmerken dat het gezond was over jezelf te praten, diep in jezelf te kijken, om de trauma’s te ontrafelen die ze sinds haar kindertijd had meegetorst. En mocht Agnes opperen dat haar dochter was opgegroeid zonder echte trauma’s, dan zou ze waarschijnlijk te horen krijgen dat ze tot dit standpunt was gekomen door een gebrek aan introspectie, door alles wat Agnes in zichzelf het zwijgen had opgelegd.’ Deze verhalen vormen de basis van de plotloze roman. De artistieke Agnes is het middelpunt, de academische verteller haar klankbord. Agnes’ verhalen zijn even beheerst als het proza waarin zij is gegoten, met heldere inzichten over het leven, de kunst en de werking van de menselijke geest. In het begin wankelt ze slechts een enkele keer en lijkt het even, zoals de verteller opmerkt, ‘alsof ze uit haar evenwichtige rol was gevallen.’ Voelen dit soort toevoegingen soms aan als een kunstgreep om de spanning op peil te houden, bepaalde handelingen daarentegen zijn raak. Bijvoorbeeld wanneer de verteller thuiskomt na een kort reisje en Agnes in haar afwezigheid haar kamer heeft opgeruimd en haar beddengoed verschoond. Hier is het ongemak invoelbaar; er sluimert iets onder de oppervlakte en op je hoede lees je verder.

    Afbrokkelende psyche

    Stukje bij beetje raakt de verteller verstrikt in Agnes’ wereld, als een vlieg in een plakkerig web. Op geraffineerde wijze laat Savaş Agnes zichzelf blootgeven en krijgt de verteller en daarmee de lezer steeds meer zicht op de onder de mooie façade verscholen verbittering. Het beeld dat Agnes aan de buitenwereld presenteert – mooi, stijlvol, zelfbewust – blijkt in schril contrast te staan met de kwetsbare, miskende, door twijfels verscheurde en misschien zelfs gevaarlijke ziel die erachter schuilt. ‘In het zachte duister leek Agnes’ gezicht glad en verwrongen – haar brede voorhoofd dat haar koortsige ogen verzwolg, haar mond die uitpuilde onder haar neus. Het was het gezicht van een dier, bedacht ik, een wezen zonder menselijke trekken, en toch des te levendiger, maar zonder dat ik kon opmaken wat ermee werd uitgedrukt.’ In wat een duistere apotheose genoemd mag worden, houdt Agnes de verteller genadeloos een spiegel voor.

    Wit op wit is een thematisch ambitieuze en, ondanks de sobere taal, sfeervolle roman die zowel klassiek als modern aandoet. De afbrokkelende psyche die zich stukje bij beetje onthult is herkenbaar uit de gothische verhalen van Edgar Allan Poe en Nathaniel Hawthorne en bijvoorbeeld de roman The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde. Savaş kent duidelijk haar klassiekers, maar ook haar tijdgenoten. Ongetwijfeld heeft ze thuis enkele stukgelezen Rachel Cusks liggen, waaronder wellicht Cusks Contouren trilogie. Het geheel roept wel wat gemengde gevoelens op, want wat moet je als lezer met de verhalen van Agnes? En wat te denken van de koele, analytische verteller die niets van haar eigen uiterlijk en binnenwereld prijsgeeft, maar wel een duidelijk beeld van Agnes oproept? Het bezoek van hoogleraar Pascal tegen het einde van de roman lijkt aanvankelijk voor wat antwoorden te zorgen, totdat blijkt dat hij uit hetzelfde hout is gesneden als Agnes. Opheldering hoeft de lezer niet te verwachten – wel verwarring en verontrusting – en dat is maar goed ook. In goede literatuur is tenslotte weinig pasklaar of feel good. Wit op wit is een fascinerende psychologische roman, en zeer de moeite waard.

     

  • De kracht van Onetti’s mysteriën

    De kracht van Onetti’s mysteriën

    Ontgoocheling, eenzaamheid, existentie, zielenleed en verloedering: dat zijn zo’n beetje de thema’s, gevat in raadselachtige vertellingen, waar de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994) om bekend staat. Zijn boeken worden wel hermetisch genoemd en De dood en het meisje (1973) is daar wellicht de meest evidente representatie van.

    In het voorwoord schrijft vertaler Maarten Steenmeijer over Onetti’s debuutroman De put (1939): ‘In plaats van de lezer te onthalen op romantische doorkijkjes op het pampaleven of op helse avonturen in overweldigende oerwouden (…) maakte Onetti hem deelgenoot van de existentiële walging van (…) een ontgoochelde en ontgoochelende loner die in een aftandse kamer ergens in een niet met name genoemde stad aan de vooravond van zijn veertigste verjaardag de uitgebeende balans van zijn leven opmaakt.’ Daarmee is de toon gezet. Ook in De dood en het meisje is cynisme, waaruit geregeld een laconieke humor ontspruit, de tendens.

    Onetti’s boeken vertegenwoordigen niet het magisch realisme van Latijns-Amerikaanse schrijvers als Gabriel García Márquez, Isabelle Allende of José Veiga – al wil de laatste niet bij die categorie ingelijfd worden – maar een vleug van deze sfeer is in De dood en het meisje beslist aanwezig, alleen al door gebeurtenissen waarvan niet altijd duidelijk is wie ze vertelt en wat er precies is gebeurd. Ook woorden als grootgrondbezitters, nationalisten en gaucho, plus beschrijvingen van een met zilverwerk opgetuigd veulen en het gezicht van een ruiterstandbeeld dat trekken van een rund begint te vertonen, alsmede een aangekondigde dood roepen associaties op met de literaire Latijns-Amerikaanse wereld.

    Uitgestelde moord

    In de fictieve stad Santa María komt ’tevenzoon’ en notaris Augusto Goerdel bij de arts Díaz Grey en vertelt hem van zijn voornemen om zijn vrouw om te brengen. De reden is dat hij zijn ‘onsterfelijke verlangen’ naar haar, zijn begeerte, niet de baas kan en een (tweede) bevalling volgens artsen in de hoofdstad en Europa haar dood zou betekenen. ‘Voorzorgsmaatregelen’ om de seksuele gemeenschap of een zwangerschap te voorkomen zijn om godsdienstige redenen niet mogelijk en zijn vrouw ‘zou ook geen nee zeggen’. Voorlopig stelt Goerdel de aangekondigde moord uit door een paar maanden weg te gaan.

    Onetti laat een ik, die soms Díaz Grey is, een alwetende verteller en een enkele keer wij-vertellers aan het woord. Veel personages zijn afkomstig uit zijn eerdere romans. Ook de stad Santa María, ‘waar alleen de goede daden zich in het geheim voltrekken’ (in Onetti’s roman Het korte leven gesticht door Juan María Brausen), komt voor in veel van zijn andere romans en verhalen. Brausen is ‘Onze Heer’, Onze Vader die in het Niets zijt’, ‘de Stichter’ en ‘God’ en in De dood en het meisje alomtegenwoordig.

    Eigen plannen

    De Zwitserse katholieke kolonie nabij de stad is een kolonie van landarbeiders, gesticht door Europeanen die met het schip de Mayflower naar de kust van Santa María waren gekomen.

    Pater Bergner, wiens ouders evenals die van Augusto Goerdel met de Mayflower waren meegekomen, had Goerdel uit de kolonie gehaald om hem een Kerkelijke opleiding te geven, met als doel Goerdel voor zijn eigen plannen in te zetten. ‘Hij bestudeerde op zijn gemak zijn neppriester. Als het idee, het project echt uit Brausens koker kwam en geen valstrik van de Duivel was, dan speelde tijd geen rol. Hij begreep dat de jongen intelligent was, dat de onverbiddelijkheid hem in het bloed zat vanwege zijn ambitie en de Germaanse behoefte aan triomf, aan wraak.’

    Onetti schrijft beide personages toe al lang te weten wat hun doelen zijn. ‘Jarenlang hebben jij en ik hetzelfde spelletje gespeeld (…) we wisten hoe we moesten veinzen,’ zegt Bergner tegen zijn leerling. ‘Jij bent niet geboren om de Heer binnen de Kerk te dienen. Daarvoor heb ik je ook niet opgeleid. De plaats voor jou die mij altijd voor ogen heeft gestaan is de wereld, Santa María en de Kolonie (… ) Maar van nut om met een of andere titel de Kerk te dienen, en met haar steun. Ik wil dat je rijk wordt (…) dat je schijnheilig en subtiel wordt (…).’

    Aldus gaat Goerdel voor de kerk in de kolonie werken en buigt zich over burenconflicten, testamenten, hypotheken, koop en verkoop en ‘leningen met rentes die werden vastgesteld door Pater Bergner of het mysterieuze Kapittel (…)’. Bergner neemt de biecht af en samen weten ze alles over de vermogens, relaties en belastingen van de kolonisten. Door Bergners bemoeienis trouwt Goerdel met Helga Hauser, de vrouw die hij in het begin van het boek voornemens is te doden.

    Raadselachtigheid

    Díaz Grey, de samenhangende factor en volgens Maarten Steenmeijer een ‘soort alter ego’ van Brausen, krijgt in een volgend hoofdstuk bezoek van Jorge Malabia. Zijn ‘als praktijkassistente vermomde monster’ laat hem binnen. Met zijn laconieke humor schrijft Onetti: ‘Ik keek hem kalm aan vanuit mijn fauteuil. Ik wist dat de leegte van mijn ogen, de kalmte van mijn rustende, roerloze handen, vingertop tegen vingertop, hem zouden doen ontploffen. Zodoende sloegen we de begroeting over.’ Malabia schreeuwt: ‘Hij heeft haar vermoord,’ en ‘we zoeken hem om hem te vermoorden maar hij had zich al verscholen.’ Vervolgens gaat het over Kaïn en Abel en over Brausen die handelde als ‘een politieke caudillo. Hij nam het op voor Kaïn bij de onderzoeksrechter (…) hing de moordenaar een preventie- en immuniteitsbord om.’ In zijn grot kijkt, vermoedelijk Kaïn, dat is niet duidelijk, naar een op hem gericht driehoekig, groen oog en denkt-praat ‘Jij wilde dat ik het zou doen en ik deed het.’

    Op het einde van De dood en het meisje hebben Malabia en Díaz Grey van een teruggekeerde Goerdel documenten gekregen waaruit zou moeten blijken dat niet hij maar iemand anders zijn vrouw heeft omgebracht. De feiten komen echter niet boven tafel.

    In Afscheid – in 2021 eveneens uitgegeven door Uitgeverij Kievenaar – roept Onetti eenzelfde raadselachtigheid op, zaait hij twijfel, als hij in een café allerlei personages laat samenkomen en roddelen over de basketbalspeler die in een nabijgelegen sanatorium wordt behandeld en ook vaak in het café komt. Ook hier blijft het gissen naar de waarheid achter de roddels.

    Onetti’s personages zijn marionetten, bewegend aan de touwtjes waar de schrijver in de vermomming van Brausen aan trekt. De dood en het meisje is geen boek om te lezen maar om te savoureren en niet alleen voor het doorgronden. Iedere spitsvondige zin is het waard te overdenken, de inhoud ervan te ontleden. Subtiel is de kritiek, op de (katholieke) kerk, de Zuid-Amerikaanse maatschappij, de Germaanse inborst – wat dat ook mag zijn – de mensheid met al haar individuen. Zelfs de revolutionairen ontkomen niet aan Onetti’s aantijgingen. Ondanks alle mystiek beschrijft Onetti een wereld waarvan hij de schijn genadeloos ontmaskert.

  • Spel met identiteit en werkelijkheid

    Spel met identiteit en werkelijkheid

    Wie de wereld van de tweede roman van de Franse filosoof, romanschrijver en recensent Maurice Blanchot (1907-2003) betreedt, denkt aan de ene kant in die van Franz Kafka terecht te zijn gekomen. Aan de andere kant proeft de lezer in deze roman uit 1942 een vooruitwijzing naar de nouveau roman van bijvoorbeeld Samuel Beckett en verder in de tijd. De invloed op Blanchots werk door met name filosofen als Hegel en Heidegger en de invloed van Blanchots werk op Emmanuel Levinas (de filosoof van de a/Ander) en Jacques Derrida (la différance) is groot, al is zijn naam voor het grote publiek minder bekend. Daar wil uitgeverij Kievenaar terecht verandering in brengen.

    Het is niet een woord als ‘gedaanteverwisseling’ van de bewaarder van een gebouw waar je oog op blijft rusten, meteen al aan het begin van Aminadab. Het is de sfeer van zowel Het kasteel als van Voor de wet van Kafka die het hele boek ademt. Dat niet alleen, ook de thematiek kent overeenkomsten, al kun je het boek van Blanchot uiteindelijk wel anders duiden. Dat is dan meteen de eigen kracht ervan.

    Licht en donker

    Aan het begin geeft een meisje aan de hoofdpersoon van het boek, Thomas, ‘een kort teken met haar hand dat leek op een uitnodiging, om onmiddellijk daarna het venster te sluiten zodat het vertrek weer in duisternis werd gehuld’. Thomas gaat het gebouw binnen en wordt rondgeleid door de bewaarder/conciërge. Deze vertelt dat iedereen binnen mag komen ‘als hij daar een reden voor heeft’. Dat wil zeggen: een appartement wil huren. Het ene appartement is nog aparter dan het andere.
    De rondleiding krijgt een wending wanneer Thomas zonder nadere uitleg aan een andere man, Dom, wordt vastgeketend en zij in een ‘met zorg gemeubileerde en aangenaam verlichte’ kamer worden ondergebracht. Blanchot speelt hier – net zoals in het vervolg van de roman – met donker en licht: de donkere vensterkamer van het meisje, de lichte kamer waarin Thomas en Dom worden ondergebracht.
    Het is ook licht dat valt op het gezicht van Dom, plus daarop nog een gezicht ‘dat door een tatoeëerder was aangebracht’. Hier speelt Blanchot, net als eerder Hegel en later Levinas, met het begrip identiteit. Het zijn allemaal details (licht/donker, een dubbel gezicht) die je aan het denken zetten over vraag of het boek ten diepste over werkelijkheid en waarheid gaat. ‘Zijn ervaring had hem al geleerd dat de bewoners van het pand niet altijd de waarheid spreken’, schrijft Blanchot bijvoorbeeld over Thomas. Het verdiept, maar kan ook afremmen, terwijl de lezer vanaf deze zinsnede nog ruim driehonderd pagina’s te gaan heeft. Pagina’s zonder hoofdstukindeling en zonder witregels om op adem te komen.

    Verschuivingen

    Zoals Dom een tweede gezicht heeft, zo spiegelen de trappen in het gebouw elkaar en worden antwoorden herhaald als waren het echo’s. Een jonge huisknecht is bijvoorbeeld maar een zwakke afspiegeling van de echte huisbedienden, sommige vrijwilligers imiteren de gewoonten van het personeel. Over identiteit gesproken! Hierdoor ‘werden ze achterbaks, leugenachtig, tiranniek!’
    Op die manier lijkt er bovendien geen sprake te zijn van vooruitgang, zoals er ook wordt vermeld dat bij de inrichting van het gebouw ‘veranderingen uit den boze’ zijn. Er vinden alleen verschuivingen plaats. Ook wat betreft de karaktertrekken van Thomas. Aan het begin laat Blanchot hem vaak diep gekwetst zijn, verbaasd, in zijn wiek geschoten of geërgerd, maar deze aanduidingen blijven gaandeweg de roman achterwege.
    De wereld van het huis is, met andere woorden, verstard, versteend. Wat er ook gebeurt, het huispersoneel en de bewoners leren er niets van. Voor rede is niemand vatbaar. Het is alleen de ervaring die ze wijzer kan maken. De huurders gaan ervan uit dat ze het hele huis huren en niet een appartement. Het zet ze aan ‘tot nieuwe woedeaanvallen en nieuwe wraakplannen, alsof [ze] diep waren beledigd door een vijand die [ze] tot in het diepst (…) had achtervolgd’.

    Straf en wraak

    Op een gegeven moment vindt er een aardbeving plaats en een deel van het plafond bedelft veel mensen en dingen. Een straf die aan duistere machten wordt toegeschreven. Onder de overlevenden zijn huisbedienden die hun werk direct weer oppakken met onnozel overkomende werkjes, te midden van alle puinhopen, zoals het afvegen van een tafel.
    Dit staat in schril contrast tot wat de huisbedienden óók gewoon zijn te doen: ‘zich van bepaalde huurders ontdoen, door hun verblijf buitengewoon ongemakkelijk te maken.’ Die bepaalde huurders zijn ernstig ziek. Geen wonder dat ze de huisbedienden haten. Deze zijn overigens uit alle bewoners van het huis gerekruteerd.
    Beide elementen, het afvegen van de tafel en het rekruteren uit de bewoners, doet denken aan wat in dezelfde tijd dat Blanchot de roman schreef in de concentratiekampen gebeurde: mensen die de straat met een tandenborstel moesten reinigen en bewaarders die onder de joodse kampbewoners werden gerekruteerd.

    Eén van de ziekenverzorgsters heet Barbe. Thomas verbeeldt zich ‘dat als hij haar jurk maar kon aanraken, hij onmiddellijk de slaap zou vatten’. De zieken zijn niets zonder haar. Ze brengt licht, waar de huisbedienden donkerte scheppen. Barbe heeft een boodschap voor Thomas, of was het Dom? Ze beschrijft zichzelf als tussenpersoon, die een beroep kan ‘doen op andere krachten’ dan de hare. Ook ziet ze zichzelf als ‘een nederig dienstmeisje’. Sommige omschrijvingen roepen reminiscenties op aan de Bijbel, namelijk aan Maria, de moeder van Jezus van Nazareth. Net als overigens de titel van het boek, die verwijst naar figuren uit het Oude Testament, maar ook de naam is van een broer van Levinas, die in een concentratiekamp werd vermoord.

    Van boven tot onder

    Barbe kent het huis van boven tot onder en dat is iets dat Thomas ook tot doel heeft: ‘contact te leggen tussen de mensen hierboven en ons’, tussen hemel en aarde of misschien zelfs de onderwereld. Waarbij aangetekend dat op de bovenste verdieping niemand woont en het eigenlijk de bedoeling is dat Thomas zijn bestemming ergens in de souterrains vindt, waar bij werkelijk thuis en vrij kan zijn. Ook hier is er sprake van een veelzeggend detail: de trappen leiden allemaal naar beneden. Geen trap gaat naar boven.
    Uiteraard kun je boven en beneden ook interpreteren als respectievelijk verstand en geest. Met de rede heeft Thomas als gezegd niet veel op, met ervaring des te meer.

    Aminadab is een intrigerend boek, voor avontuurlijke lezers, filosofisch ingestelde lezers, lezers die van Kafka of het surrealisme houden. Méér dus dan je misschien op het eerste gezicht zou denken. Lof aan de vertaler, Peter Bergsma, en aan de uitgever van deze roman.

     

     

  • Een basketballer aan de verliezende hand

    Een basketballer aan de verliezende hand

    Het is weinig gebruikelijk om de bespreking van een novelle of roman te beginnen met opmerkingen over de stoffelijke drager van het verhaal. Afscheid van Juan Carlos Onetti geeft daar door enkele opvallende details aanleiding toe. Zo valt op dat de ontwerper van de boekomslag en de maker van de afbeelding daarop in het colofon een verwijzing krijgen naar ander werk van hen, wat op een bijzondere manier recht doet aan de presentatie van het boek. Daarnaast valt op dat het papier een robuustheid heeft die je de pagina’s traag doet omslaan. Alsof je gedwongen wordt je eerst te realiseren wat de zojuist gelezen tekst te zeggen heeft voor je verder bladert in deze al uit 1954 stammende, maar niet eerder in het Nederlands vertaalde novelle.
    De jonge uitgeverij Kievenaar uit Heveadorp nodigt op haar site lezers uit haar boeken te ervaren als ‘moeilijk veroverbare geliefden’. Het werk van de Urugyaan Onetti is daar een fraai voorbeeld van. Na Afscheid verschijnt daar van hem ook nog De dood en het meisje. Wie Afscheid heeft geproefd wordt meteen benieuwd naar die volgende uitgave.

    Brieven

    Afscheid is inderdaad een novelle waarop je verliefd raakt zonder dat je direct kunt verklaren waarom. In elk geval dragen daar aan bij de mysterieuze sfeer en de ambigue stem van de verteller, de uitbater van een winkel, annex café en postkantoor. Hij woont al vijftien jaar in het dorp. Zijn verhaalstem suggereert dat er gaat gebeuren wat hij voorvoeld heeft, maar wat dat is blijft tot het eind duister. Dan claimt de winkelier enigszins verrassend zijn gelijk, maar is dat terecht? Bovendien incorporeert deze verteller in zijn verhaal opvattingen en beweringen van anderen, zoals een verpleger – de roddelaar in deze geschiedenis – en een kamermeisje, waarbij de lezer zich steeds afvraagt of hij ze wel correct weergeeft.

    De centrale figuur in Afscheid is een beroemde Argentijnse basketballer (de center van een internationaal team) die het dorp van de winkelier bezoekt omdat hij lijdt aan tuberculose en een opname in het sanatorium hem misschien kan redden. Hij verblijft er afwisselend in een hotel en een chalet van Portugese zussen op een berg, blinkt vooral uit in zwijgen en wekt bevreemding omdat zijn lievelingsplek de vuilnisbelt van het hotel is. Hij komt in de winkel om er een biertje te drinken terwijl hij naar de bergen kijkt, en om de post op te halen van twee vrouwen die hem regelmatig schrijven. De ene vrouw doet dat in blauw handschrift, de andere in getypte bruine enveloppen. De brievenstroom stopt als de twee vrouwen zelf vrijwel tegelijkertijd de basketballer bezoeken.

    Wie geloof je?

    Zowel de winkelier als de basketballer, de verpleger en de twee vrouwen krijgen in de novelle geen naam, terwijl de auteur kwistig met namen strooit van inwoners die er in veel mindere mate toe doen en soms zelfs maar een enkele keer figureren: een serveerster, de Portugese eigenaressen van het chalet, het kamermeisje of een postbode. Onetti is daarnaast behoorlijk precies in de beschrijving van hotels en het stratenplan van het dorp. Op die manier geeft hij de achtergrond van de personages een realistische gedaante terwijl het overige in raadselen en dromerigheid gehuld blijft.

    Het boeiende aan de manier waarop het verhaal verteld wordt is dat we als lezer aanvankelijk geneigd zijn de winkelier te geloven, maar daaraan beginnen te twijfelen als hij te nadrukkelijk de andere stemmen als roddelaars wegzet. Wat mogen we geloven? Onetti daagt de lezer uit zijn eigen verhaal samen te stellen. Om tot zijn verrassing aan het einde te merken dat hij (althans bovengetekende, maar waarschijnlijk vele anderen) er toch ingetuind is. Je voelt je na lezing gedwongen je af te vragen waardoor je je laat leiden, niet alleen in dit verhaal, maar ook in het verhaal dat je dagelijkse leven is en, ja, ook: de dagelijkse nieuwsvoorziening.

    Verleden

    Naast dit alles zijn er de door Onetti prachtig verwoorde observaties van de winkelier die allerlei psychologische betekenissen toekent aan gebaren en houdingen van personages en hun zwijgen: ‘Zonder vreugde, maar opgewonden, kon ik nu de breedte van zijn schouders verklaren en de overdreven nederigheid waarmee hij ze kromde, die opgekropte wrok in zijn ogen, die niet alleen voortkwam uit het verlies van zijn gezondheid, van een manier van leven, van een vrouw, maar vooral uit het verlies van een overtuiging, van het recht om trots te zijn’.
    Fraaie zinnen zijn het vaak, ook in de Nederlandse vertaling van Arie van der Wal, zoals deze: ‘Ik stelde me voor hoe de man na de omhelzing op een drafje naar het hotel liep, zich bewust van zijn postuur, van zijn vermoeidheid, van het feit dat het bestaan van het verleden afhangt van de hoeveelheid heden die we eraan geven’.

    Juan Carlos Onetti werd in 1909 in Montevideo (Uruguay) geboren, woonde een tijd lang in Buenos Aires (Argentinië) en stierf in 1994 in zelfgekozen ballingschap in Madrid. In de Latijns-Amerikaanse literatuur werd en wordt hij als een grootheid gewaardeerd door schrijvers als Vargos Llosa, Bolaño en Córtazar, maar in Europa is hij veel minder bekend dan die bewonderaars. Hij schijnt nauwelijks pretenties te hebben uitgestraald, zo lezen we in een uitvoerige Engelstalige biografische schets van J. Blitzer die op de site van uitgever Kievenaar te vinden is: ‘Woorden verschijnen bij Onetti in vreemde en onwaarschijnlijke combinaties, altijd op zoek naar mogelijkheden terwijl hij de zekerheid beperkt. Zijn ficties en correspondentie getuigen van zijn onoverkomelijke afstandelijkheid. In interviews was hij net zo: hij sprak langzaam, onderbrak zijn opmerkingen met lange pauzes, nam midden in een zin een eindeloze trek aan een sigaret en verviel in een verdwaasde monotone toon. Zoals de Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina ooit zei [naar aanleiding van een interview met Onetti]: “Ik had nog nooit iemand met zo weinig nadruk over literatuur horen spreken.”’

     

     

  • Oogst week 42 -2022

    Last

    Het belangrijkste thema uit het werk van de Nederlandse, van oorsprong Surinaamse schrijfster Ellen Ombre (1948) is de mens die tussen twee totaal verschillende culturen terecht komt. Dat wordt vooral duidelijk in haar roman uit 2004 Negerjood in moederland.
    Ombre werd in 1948 in Suriname geboren en verhuisde in 1961 naar Nederland. Zij zocht jarenlang – veelal tevergeefs – naar nieuwe feiten over het vroege Surinaamse Jodendom omdat zij waarschijnlijk net als haar hoofdpersoon Lot uit haar nieuwe roman Last een nazaat is van de zogenoemde Negerjoden. Dit waren afstammelingen van de plantagehouders, veelal Sefardische Joden, en hun tot slaaf gemaakten die woonden in een zeventiende-eeuwse landbouwkolonie, Jodensavanne.

    Lot raakt in Last geïnteresseerd in deze bevolkingsgroep en de geschiedenis van Jodensavanne en zet, in navolging van haar overleden vader diens onderzoek naar het begin van het Surinaamse Jodendom voort. In de persoon van ene Erwin Nassy, de laatste rasechte Sefard in Paramaribo, stuit ze juist op het einde ervan.

     

    Last
    Auteur: Ellen Ombre
    Uitgeverij: Nijgh & van Ditmar (2022)

    Witte schuld

    Toen de Britse schrijver Thomas Harding (1968) erachter kwam dat zijn voorouders  geprofiteerd hadden van de slavernij, wilde hij daar meer over weten. Wat begon met het stellen van wat vragen binnen de familie, werd al snel een breder onderzoek naar de rol van Groot-Brittannië in de geschiedenis van de slavernij. Harding ontdekte tot zijn schaamte dat die rol heel anders was dan hij altijd op school had geleerd. Hij wist niet beter dan dat Groot-Brittannië tot de tegenstanders van de slavernij behoorde en dat het land zich juist vooral had ingezet voor het afschaffen daarvan. In zijn gesprekken met afstammelingen van de tot slaaf gemaakten bleek dat zij de echte rol wel goed kenden.

    Zijn ontdekking en zijn onderzoek waren voor Harding de aanleiding om Witte schuld te schrijven. Daarin vertelt hij het verhaal van een slavenopstand in 1823 in een voormalige Britse kolonie, het huidige Guyana. De opstand begon op een kleine suikerplantage en groeide uit tot het begin van de afschaffing van de slavernij in het Britse rijk.
    Harding vertelt het verhaal vanuit het perspectief van vier personages: de tot slaaf gemaakte Jack Gladstone, de missionaris John Smith, de kolonist John Cheveley en de politicus en slavenhouder John Gladstone, vanaf de aanloop naar de opstand tot aan het rechtbankdrama dat erop volgde.

    Witte schuld
    Auteur: Thomas Harding
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2022)

    De singulariteit

    Dichter en vertaler Hans Kloos (1960) was zo enthousiast over het Zweedse origineel van De singulariteit van Balsam Karam (1983) dat hij maar meteen begon met het vertalen van drie fragmenten waarmee hij de boer opging. Hij wist uitgeverij Kievenaar te overtuigen van de kwaliteit van dit boek en inmiddels is De singulariteit daar verschenen.
    De wellicht onbekende Uitgeverij Kievenaar schrijft op hun website over de uitgeefplannen:  ‘Reken de komende jaren op veel proza en iets minder poëzie, op werk van voornamelijk buitenlandse schrijvers uit heden en verleden, wit, zwart, halfbloed, en vertrouw erop dat we […] er niet voor zullen terugdeinzen een bij tijd en wijle vertwijfeling en verwarring zaaiend mensbeeld te presenteren.’

    De singulariteit (een singulariteit is volgens Wikipedia ‘in het algemeen een ongewoonheid, iets waar de normale regels of wetten niet meer geldig zijn of niet meer toegepast kunnen worden.) bestaat uit drie verschillende delen. In alle delen gaat het om vrouwen die een groot verlies geleden hebben. De vrouwen hebben allemaal met elkaar te maken, maar wat, dat wordt pas duidelijk in de loop van de roman.

    Kloos noemt De singulariteit ‘een wonderlijk, prachtig boek’. De van oorsprong Iraans Koerdische Karam woont sinds haar zevende in Zweden en schrijft in het Zweeds. Op de site van literair tijdschrift Terras staan drie fragmenten, elk uit een ander deel die een indruk geven van de inhoud van het boek en de stijl van de auteur. Ook op de website van Hans Kloos is meer informatie te vinden.

    De singulariteit
    Auteur: Balsam Karam
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar (2022)
  • Oogst week 18 – 2022

    K.L. Reich

    Niets ten nadele van de ontwerper van het omslag, maar het wekt afkeer op. Dat komt omdat er gebruik is gemaakt van het beeldmerk dat op tal van zaken stond die afkomstig waren uit het nazikamp Mauthausen. De letters K.L. Reich staan voor Konzentrationslager Reich. Voor de auteur van K.L. Reich, de Catalaanse schrijver Joaquim Amat-Piniella (1913 – 1974) was het een afbeelding die hij dagelijks zag tijdens zijn gevangenschap in Mauthausen.

    In deze semi-autobiografische roman verhaalt Joaquim Amat-Piniella over zijn ervaringen als gevangene in bijna vijf jaar naziconcentratiekampen. Hij doet dat aan de hand van diverse personages, van wie een aantal gebaseerd is op zijn vrienden.

    Het alter ego van de schrijver overleeft door pornografische tekeningen te maken voor de SS. Door zijn ogen zien we hoe de kampen werken: het corrupte netwerk van de kapo’s, de statusverschillen onder de gevangenen, het uitroeiingssysteem van de nazi’s, de systematische ondervoeding.
    Ondanks deze mensonterende omstandigheden proberen de Spanjaarden in kamp Mauthausen zich te organiseren in een verzetsbeweging die als voornaamste doel heeft de gruwelen van het concentratiekamp te overleven en zich te wapenen tegen de ‘kampgeest’, het morele nulpunt van het naziconcentratiekampsysteem waarnaar de gevangenen voortdurend dreigen af te zakken.

    Voordat hij in juni 1940 door de Duitsers in Frankrijk gevangengenomen werd en naar Mauthausen werd gedeporteerd studeerde Joaquim Amat-Piniella rechten. Die studie brak hij bij het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog af om in dienst te treden van het leger van de Republiek. Hij vocht aan diverse fronten en stak aan het einde van de burgeroorlog met een heleboel andere Spanjaarden de Franse grens over. Met zijn arrestatie tot gevolg.

     

    K.L. Reich
    Auteur: Joaquim Amat-Piniella
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    Honger

    Deze maand verscheen bij uitgeverij Oevers een nieuwe vertaling van de Noorse klassieker Honger van Nobelprijswinnaar Knut Hamsun. Honger staat op de lijst van de honderd belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur. Dat is een lijst die in 2002 werd samengesteld op initiatief van de gezamenlijke Noorse boekenclubs op basis van de inzendingen van honderd schrijvers uit 54 landen. Het is overigens een wat gedateerde lijst, de meest recente boeken op die lijst komen uit 1995 (De stad der blinden van José Saramago) en 1985 (Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez).

    In deze autobiografische roman schrijft Hamsun over de bittere armoede, honger en wanhoop van een jonge schrijver die vanaf 1880 een aantal jaar in Kristiania (Oslo) woonde.
    Het is niet alleen de honger die de hoofdpersoon kwelt, maar ook de mentale pijn die hij ervaart bij zijn gevecht om een plaats in de maatschappij en in de liefde. Hamsun verwerkt in Honger zijn eigen ervaringen uit een aantal zeer koude winters.

    Honger verscheen in 1890. In Nederland verscheen het voor het eerst in 1905 in een vertaling door Jeanette Gorter-Keyser, daarna in 1976 in een vertaling door Cora Polet. Nu, in 2022 is een vertaling verschenen door Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders.

    Honger
    Auteur: Knut Hamsun
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Wit op wit

    Op de website van uitgeverij Kievenaar is te lezen dat ze boeken uitgeven ‘van vreemde vogels van onvaste bodem, van dames- en herenschrijvers die eigen werelden hebben geschapen omdat die juist iets draaglijker zijn dan de al bestaande.’
    Dat belooft wat!

    Een van hun titels is het onlangs verschenen Wit op wit van de Turkse schrijfster Ayşegül Savaş. In 2020 verscheen van deze auteur Lopen op het plafond waarin een bijzondere vriendschap ontstaat tussen een jonge Turkse vrouw en een wat oudere Britse schrijver. Beiden zijn openhartig in de talrijke persoonlijke gesprekken die ze hebben.

    Ook in Wit op wit krijgen we een beeld van de hoofdpersonen door de gesprekken die zij samen voeren. Een jonge studente gaat in de grote stad wonen om er onderzoek te doen. Ze huurt een appartement bij Agnes die kunstschilder is en er vaak niet zou zijn. Dat pakt anders uit. Agnes is er heel vaak en beiden hebben uitvoerige gesprekken. Over haar achtergrond, haar familie, haar huwelijk en haar kunst. Het begint erop te lijken dat Agnes kwetsbaarder is dan ze zich voordoet en het wordt duidelijk dat stabiliteit in een leven heel betrekkelijk en teer is.

    Van is Ayşegül Savaş is eerder werk verschenen in The New Yorker, The Paris Review, Granta, The Guardian, The Dublin Review. Ze woont en werkt in Parijs. Momenteel werkt ze aan een bundel essays’s.

    Wit op wit
    Auteur: Ayşegül Savaş
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar
  • Oogst week 14 – 2022

    Filter 29:1

    Filter, tijdschrift over vertalen, brengt elke editie verhalen die uit de ervaringspen van vertalers zelf komen. Vertalen is een kans je te verdiepen in een werk dat nog niet eerder door taalgenoten gelezen werd. Daar komen verhalen uit voort. In deze editie, met het thema ‘De geuren van het voorbije jaar’, wordt er teruggeblikt op vertaaljaar 2021. Schrijver Daniël Rovers doet in een column verslag van zijn eenmalige vertaalervaring. Hij waagde zich ooit samen met vertaler Iannis Goerlandt aan een vertaling van David Foster Wallace’s (nagelaten) roman The Pale King. Wat hij ontdekte was, dat vertalen niet is, er een toegankelijke tekst van te maken. Vertalen is een mentale krachttoer om ‘je over elk woord, elke zin van een compleet boek te willen buigen’, een werk dat nooit ophoudt. En ook, ‘een vertaler is net als de schrijver, nergens zonder een meedogenloze corrector.’

    Wat je eraan overhoudt is in het geval van Rovers naast een hernia ook een speciaal oog voor vertalingen gekregen. Want, concludeert hij, ‘het is een voorrecht als je een tekst in de oorspronkelijke versie kunt lezen, maar als ze niet in je moedertaal is geschreven (en heus, je Engels is minder uitgelezen dan je denkt) zie je talloze nuances over het hoofd.’ Ook kan hij nu oprecht genieten van een ‘vlekkeloze vertaling – dat zijn er verrassend veel, als je nagaat hoeveel moeite het kost om zelfs maar één pagina perfect te krijgen.’ Met bijdragen van Ton Naaikens, over onder meer het redden van woorden; Janne van Beek, met een ‘objectieve wetenschappelijke’ maar begeesterde analyse van de vertaling van Bluets. Bespiegelingen in blauw van Maggie Nelson door Nicolette Hoekmeijer. En meer, veel meer voor geïnteresseerde lezers die vertaalde literatuur willen lezen.

     

    Filter 29:1, De geuren van het voorbije jaar
    Koop hier: Bazarow ISBN 9789493183117

    Filter 29:1
    Auteur: Ton Naaikens, Michiel Krielaars, Miek Zwamborn e.a.
    Uitgeverij: AFdH uitgevers

    Afscheid

    Van de novelle Afscheid, van de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994), luidt de eerste zin: ‘Ik zou willen dat ik van de man, de eerste keer dat hij de winkel binnenkwam, alleen zijn handen had gezien; traag, bedeesd en onbeholpen, bewegend zonder veel vertrouwen, lang en nog niet gebruind, verontschuldigden ze zich voor hun ongeïnteresseerde manier van doen.’
    Deze zin roept vragen op, maakt nieuwsgierig. Zo suggereert, ‘de eerste keer dat hij de winkel binnenkwam’, dat de man er vaker kwam. Degene die in de winkel was, zag zijn handen, maar vermoedelijk zag hij meer van deze man, dingen waarvan hij/zij later wenste ze niet gezien te hebben. Er spreekt spijt uit deze zin, maar waarvan? De beschrijving van die handen laten een hele persoonlijkheid zien, en waarom waren ze ‘nog niet gebruind’?

    Afscheid gaat over een succesvolle basketbalspeler die met tuberculose wordt opgenomen in een sanatorium. De aanwezige gasten vertrouwen hem niet, roddelen over hem. De verteller – de man van de eerste zin – brengt met verwondering en genegenheid het doen en laten van de sportman in herinnering. Er komen brieven voor hem, hij ontvangt bezoek van twee vrouwen (maar wie zijn dat?). Flarden van gesprekken, observaties en de herinneringen van de verteller creëren een mysterieus netwerk van onwaarschijnlijke relaties die spelen in het Argentinië van de jaren vijftig.

    Onetti werd geboren in Montevideo en stierf in ballingschap in Madrid. Ondanks dat hij een solitair schrijver was, behoort hij met García Márquez, Jorge Louis Borges en Mario Vargas Llosa tot de vier belangrijkste schrijvers van Latijns-Amerika. Mario Vargas Llosa was een bewonderaar van Onetti, noemde hem een groot meester van de moderne novelle. Volgens Vargas Llosa schreef hij een proza dat niemand beoefende en introduceerde Onetti als eerste Spaanstalige schrijver het modernisme in zijn verhalen.

    Met jaarlijks een uitgave van een van zijn zeven korte romans, wil Uitgeverij Kievenaar deze schrijver herintroduceren. Afscheid is de eerste van deze uitgaven.

    In een interview op Youtube spreekt Vargas Llosa (Spaanstalig) vol enthousiasme over het werk van Juan Carlos Onetti.

    Afscheid
    Auteur: Juan Carlos Onetti
    Uitgeverij: Uitgeverij Kievenaar

    Een onverwachte broederschap

    De roman Een onverwachte broederschap van de Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf, beschrijft een situatie waar we heden mee te maken hebben, ‘de schipbreuk van de beschaving’. Spelers in de roman zijn Alec, een perstekenaar met een uitstekende staat van dienst en een schrijfster van een cultboek die zich beiden, onafhankelijk van elkaar op een afgelegen eiland in de Atlantische Oceaan hebben afgezonderd. Ze hebben amper contact met elkaar, tot zich een groot elektriciteit-storing voordoet en communicatie met de rest van de wereld onmogelijk is. De wereld blijkt op de rand van een kernoorlog te staan. De schipbreuk der beschavingen lijkt een feit. Wie gaat de wereld redden?

    In deze roman komt de wereld tot stilstand en die resoneert met de wereld waarin we nu leven. In een interview in de NRC zei Malouf daarover: ‘We zijn op het moment beland dat we ons moeten afvragen wat voor wereld we willen. De wetenschap en de techniek hebben grote hoogten bereikt, maar er is geen wereldorde meer die die naam waardig is. De wereld kan niet meer functioneren met landen die politiek bedrijven vanuit identiteitsdenken; dat leidt tot de ondergang. We hebben al onze verbeeldingskracht nodig om ons voor te stellen hoe de wereld eruit moet gaan zien, hoe hij geleid moet worden. We móéten onze manier van met elkaar omgaan veranderen, anders gaan we ten onder.’ Een belangrijk boek!

    Een onverwachte broederschap
    Auteur: Amin Maalouf
    Uitgeverij: Uitgeverij Davidsfonds