• Oogst week 3 -2021

    Vuurtorenberichten

    In 1896 kwam postuum Record of a Family of Engineers van Robert Louis Stevenson uit. Daarin ging hij op zoek naar de verbanden tussen de verhalen van zijn vader, opa en stiefvader, die allemaal ingenieurs en uitvinders waren van vuurtorens. Hij legde zo, zoals hij het zelf omschreef, een reis af door de afgelopen eeuwen. De Mexicaanse Jazmina Barrera (1988), schrijver van essays en verhalen, had als kind eens een droom van een vuurtoren (ze had er nog nooit een gezien) aan de voet waarvan haar ouders woonden.

    Op haar vraag wat in de toren te zien zou zijn, antwoordde haar vader: ‘Enkel het skelet van een vleermuis’. Die droom en de latere kennismaking met het boek van Stevenson waren het startsein voor een reis langs vuurtorens. Het verslag daarvan, Vuurtorenberichten, is tevens een onderzoek naar haar eigen schrijverschap.

    Vuurtorenberichten
    Auteur: Jazmina Barrera
    Uitgeverij: Karaat, Uitgeverij

    De tuinen van Buitenzorg

    Ook Jan Brokken werd op het spoor gezet van een levensverhaal door een kennismaking met een kunstuiting: niet een boek (zoals vorig jaar in zijn Het eiland van Jean Rhys), maar met een muziekstuk. Hij hoorde op de radio De tuinen van Buitenzorg, een pianostuk van de Poolse componist Leopold Godowsky (1870-1936). Dat deed hem denken aan  de brieven die zijn in Nederlands-Indië wonende moeder in de tijd vóór zijn eigen geboorte in 1949 schreef aan haar Nederlandse zus. Zijn moeder was in 1935, toen ze 23 was met haar man naar Java verhuisd en in 1947, getekend door het Jappenkamp, teruggegaan naar Nederland.

    In De tuinen van Buitenzorg combineert Brokken de beschrijving van het verblijf van zijn moeder in Nederlands-Indië (op basis van haar brieven en de herinneringen van zijn oudere broers) met beschouwingen over taal en muziek, zoals die van Godowsky. De beoogde verschijningsdatum is 2 februari.

    De tuinen van Buitenzorg
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Knikkerkoning

    Kira Wuck is de dochter van een Finse moeder en een Indische vader, die elkaar leerden kennen in het Vondelpark. ‘Mijn vader schepte veel op. Hij was de beste geweest in knikkeren, in schaken en dammen en noem maar op. Hij had geen fijne jeugd gehad, maar hij vertelde altijd mooie verhalen’, vertelde Wuck onlangs in Het Parool.

    In haar eerste roman Knikkerkoning beschrijft ze haar versie van de jonge jaren van haar ouders. ‘Voor mijn boek vond ik het vooral interessant om een soort tijdgeest te laten zien waarin nog niet alles zo voorgekauwd was. Ik vind het nu soms wel heel bekrompen. Er was in die tijd meer anarchie, meer vrijheid, meer tijd om jezelf te ontplooien. Er was meer ruimte voor mensen die eigenlijk niet in het systeem passen’, zegt ze in hetzelfde gesprek. Het is een verhaal geworden over harde levens en toch een eerbetoon.

    Knikkerkoning
    Auteur: Kira Wuck
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij
  • Verhalen op het kruispunt van culturen

    Verhalen op het kruispunt van culturen

    Hoe kijk je naar de wereld als je je leven zich in meerdere, cultureel totaal verschillende landen afspeelt? Niemand kan die vraag beter beantwoorden dan Lesley Nneka Arimah (1983), een Nigeriaanse schrijfster die haar kinderjaren zowel in Engeland als in haar vaderland doorbracht om vervolgens als tiener naar de Verenigde Staten te emigreren. Haar verhalen verschenen in prestigieuze bladen als The New Yorker, Granta of Harper’s en ze wordt als een groot talent beschouwd. Uitgeverij Karaat publiceerde een Nederlandse vertaling van haar debuut Wat het betekent wanneer er een man uit de lucht valt.

    Moeder-dochterrelatie

    Het gros van de verhalen is autobiografisch geïnspireerd. In Oorlogsverhalen valt de ik-figuur meteen met de deur in huis: ‘Dit keer hadden mijn moeder en ik ruzie over wat ik op school gedaan had om voor eens en altijd te kunnen bewijzen dat Anita Okechukwu geen beha droeg.’ Aan het woord is een Nigeriaans tienermeisje uit Port Harcourt, de Nigeriaanse kuststad die bekend is om zijn olie-industrie. Na een incident op school en een ruzie met haar moeder, speelt haar vader ’s avonds een partijtje schaak met haar en vertelt een verhaal over zijn tijd in het leger. De volgende dag wordt ze als een heldin op school onthaald: ze heeft Anita Okechukwu, stichtster van een ‘meidenclub’ waarvan beha-loze meisjes worden uitgesloten, van de troon gestoten en wordt als nieuwe leidster nu geacht om ‘recht te spreken’.

    Grensgebied van culturen

    Een gespannen moeder-dochterrelatie loopt als een rode draad door bijna alle verhalen. Haar vader is weliswaar een labiele man, maar reageert toch opvallend rustig door een verhaal te vertellen. Ook die verwijzing naar de Afrikaanse orale traditie komt steeds terug. Interessant wordt het vooral wanneer Arimah het grensgebied bezoekt van de culturen waarmee ze opgroeide. Zo wordt in het vrhaal ‘Wild’ ene Ada, een Nigeriaanse jongedame die met haar moeder in de Verenigde Staten woont, tegen haar zin naar haar tante Ugo in haar thuisland gestuurd. Dat de moeder moeite heeft met het gedrag van haar vrijgevochten dochter, wordt op een pijnlijk grappige manier duidelijk:

    ‘Genoeg was die keer dat mijn moeder, die probeerde van haar hoofdpijn af te komen, de xtc vond waarvan ik dacht die slim verstopt te hebben in een Excedrin-flesje, en ik bij thuiskomst haar op de grond tapijtengeltjes zag maken. Ik ging naast haar liggen en we lachten en lachten tot zij weer nuchter werd en het lachen haar vergaan was.’

    Ada maakt in Nigeria kennis met haar nicht Chinyere, niet bepaald het braafste meisje van de klas en bovendien tienermoeder. Als ze samen naar een benefietavond gaan en Ada de Nigeriaanse gedragsregels moedwillig negeert, lopen de zaken behoorlijk uit de hand.

    Ongelukkig gesternte

    Niet alle verhalen zijn even geslaagd. Arimah vliegt weleens uit de bocht als ze haar comfort zone verlaat: ze schrijft het best over de wereld die ze kent. Het dystopische titelverhaal Wat het betekent wanneer er een man uit de lucht valt, waarin mensen hun nationaliteit op hun pols getatoeëerd krijgen en wiskundigen bizarre formules bedenken om bijvoorbeeld ‘treurnis te berekenen’, blijft niet echt overeind.

    Het hoogtepunt van deze bundel, Glory is een doorleefd verhaal met een vrij realistische setting waaruit blijkt dat Arimah het beste resultaat neerzet als ze schrijft over situaties waar ze door haar achtergrond mee vertrouwd is. Ook hier is de hoofdpersoon een jonge Nigeriaanse vrouw die in de Verenigde Staten leeft. Deze keer heet ze Glorybetogod Ngozi Akunyili – in feite gaat het in wezen altijd om hetzelfde personage in de autobiografische geïnspireerde verhalen, ook al krijgen ze een andere naam. De verwachtingen van Glory’s ouders zijn hooggespannen, maar ze wordt onder een ongelukkig gesternte geboren: De vader zag niet wat de grootvader wel zag, de sluier van onheil over Glory’s gezicht die bepalend zou zijn voor elke beslissing die zij zou nemen, en die haar onherroepelijk zou leiden naar het maken van de verkeerde keuzes, iedere keer weer.’
    En: ‘Veel dingen die ze deed waren ingegeven door een wrok waarvan ze de oorzaak niet kon aanwijzen – alsof ze geboren was om de wereld haat toe te dragen.’

    Open einde

    Na een mislukte rechtenstudie zit er voor Glory niet veel meer in dan een slecht betaald baantje in een callcenter, een plek waar ze de hele dag nee moet zeggen ‘zonder daadwerkelijk nee te zeggen’ tegen armlastige Amerikanen die hun huis dreigen te verliezen.  Niet alleen op Facebook creëert ze een fake versie van zichzelf – het sociale netwerk is inderdaad niet bepaald een plek waar mensen geneigd zijn om hun ware ik, met alle bijhorende zwaktes en tekortkomingen te etaleren – ook als ze het aanlegt met een ambitieuze Nigeriaanse jongeman en haar toekomstige schoonmoeder ontmoet, komt het er vooral op aan om de schone schijn op te houden. De sfeer bekoelt echter door een dramatische onthulling, waarna Arimah met een mysterieus open einde afrondt: ‘Terwijl ze naar de ring keek streden wrok en euforie met elkaar, tot een van hen de overhand kreeg en Glory een beslissing nam.’

    Verhaaltechnisch is dat een interessante zet: losse eindjes nodigen de lezer uit om na te denken over een mogelijke afloop en de diepere betekenis van het verhaal te reflecteren. De wisselvalligheid van deze verhalenbundel toontt dat Arimahs talent nog wat moet rijpen, maar er valt zeker meer van haar te verwachten.

     

  • Oogst week 48 – 2018

    De zwarte heer Bazetub

    Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) is een Duitse schrijver die tijdens de oorlogsjaren zijn land ontvluchtte en vriendschappelijke banden onderhield met Nederlandse schrijvers als Albert Helman en Hendrik Marsman. Van 1947 tot 1954 woonde hij met zijn vrouw in Amsterdam. Zijn debuut Het eiland van het tweede gezicht werd in vertaling van Wil Boesten, in 2004 een zogenaamde culthit. In De zwarte heer Bazetub (Der schwarze Herr Bahßetup, uit 1956) en onlangs ook vertaald door Wil Boesten, is een omvangrijke autobiografische roman. Thelen was namelijk ook vertaler vanuit het Portugees en in de jaren na de oorlog krijgt hij de opdracht als tolk en gids op te treden voor de Braziliaanse professor Da Silva Ponto. Deze professor moet een toespraak houden bij het Vredespaleis in Den Haag.

    Thelen loodst deze ‘heer en meester Bazetub’ door het naoorlogse Amsterdam en Den Haag.
    Ondertussen raakt de vredesconferentie van de professor steeds verder uit het zicht en worden er honderden zijpaden bewandeld, waarmee Thelen zijn opdrachtgever gerust wil stellen. Waar ze komen laten ze een spoor van verwarring na. Professor ‘Bazetub’ heeft zijn missie al lang uit het oog verloren. Thelen loodst hem door het verregende Amsterdam, zorgt dat hij anarchistische fietsers overleeft en regelt voor de professor een extra trein naar Den Haag voor een zitting in het Vredespaleis. Kortom, Thelen doet vreselijk zijn best om zijn rol als privésecretaris tot het slot dapper te volbrengen.
    De heer Bazetub – de rechtsgeleerde en minister Manuel Francisco Pinto Pereira (1889-1956) – heeft inderdaad met tolk Albert Vigoleis Thelen door de randstad gedwaald.

    De zwarte heer Bazetub
    Auteur: Albert Vigoleis Thelen
    Uitgeverij: Cossee

    Simeliberg

    Onlangs was de Zwitserse schrijver Michael Fehr (1982) in Nederland en maakte nogal indruk op het Crossingborderfestival met zijn enthousiaste vertelkunst. Naast schrijver is Fehr ook performer en woont sinds kort in Londen. Hij publiceerde drie boeken. Voor hij de roman Simeliberg af had, won hij in 2014 met een fragment uit Simeliberg al twee literaire prijzen: de Kelag-Preis en de Preis der Automatischen Literaturkritik in Klagenfurt.
    Simeliberg wordt omschreven als een poëtische krimi. Er komt een berg in voor waar lijkwagens af en aan rijden. Er is sprake van een geldschat in de la van een vereenzaamde oude boer. Diezelfde boer wordt verdacht van moord op zijn vrouw. Er is de gemeentesecretaris Anatol Griese, die als taak heeft de vereenzaamde boer in te rekenen. Hij wordt met zijn jagershoed en buitenmodel emigrantengeweer door de plaatselijke bevolking argwanend bekeken en door de betreffende instanties van het kastje naar de muur gestuurd.
    Een afspraakje bij een bevriende boerin vormt het begin van een fatale kettingreactie, waarbij Griese zich meer en meer verstrikt in zijn taak en de intrige zich (volgens de achterflap) ontrolt als een tragikomische zwart-witfilm.

    Simeliberg
    Auteur: Michael Fehr
    Uitgeverij: Koppernik BV

    Kluger Hans #35

    Literaire tijdschrift Kluger Hans kiest voor veelstemmigheid in de editie Denkmal. Met fysiek-beeldend werk: ‘Fleeting Parts’ van Milena Naef, bestaand uit marmeren beeldhouwwerken waaruit gaten zijn gehouwen die perfect rond lichaamsdelen passen (zie ook de cover). Veel bijdragen in deze editie waarin tekst en beeld een relatie met elkaar aangaan, zoals het werk van schrijfster Marjan de Ridder dat zich verbindt met het werk van kunstenares Femme ter Haar.
    Er is werk in opgenomen van jonge dichters en schrijvers die aan elkaar gekoppeld werden tijdens een residentie van een week. Mooi beeldend werk met eenvoudige, maar sterk sprekende teksten als: ‘hun kind schrijft op de muur van een toilet: ‘Bel mij als je eenzaam bent’ gaat naar huis en vergroeit daar verder met de muren(…)’. Een zeer veelzijdige editie die in de kern het thema draagt: ‘onschuldige woorden bestaan niet, onschadelijke beelden evenmin’.
    Verhalen van Annelies Leysen, Dennis Pauwels en Felix Sandon. Een editie waar je niet gauw op uitgekeken en in uitgelezen raakt.

    Kluger Hans #35
    Auteur: redactie

    Hoop over been

    De titel van de derde bundel van Joep Kuiper Hoop over been ligt dicht tegen ‘Vel over been’ aan. Dat laatste duidt op uitputting, schraalte het einde nabij en zo meer van alles wat te weinig is. ‘Hoop over been’ geeft het tegenovergestelde aan: er is hoop. Hoop, om kaalslag te omhullen, te vervullen met woorden, met poëzie.
    Hierbij een gedicht uit de bundel:

    jij was het

    ja! ik dacht dit ben jij, en jij was het
    die woord noch bon teruggaf, nooit reageerde
    op de bekentenissen van mijn wegmisbruik,
    de lijst met doden,

    jij was het
    die mij niet wilde arresteren;
    ik smeekte je, dan toch op zijn minst een
    proces-verbaal,

    een nachtje in een warme cel
    een chocolademelk eventueel, en als het echt
    niet anders kon,
    een executie hier en nu, in de sneeuw

     

    Hoop over been
    Auteur: Joep Kuiper
    Uitgeverij: Karaat
  • Korte verhalen

    Korte verhalen

    Enkele maanden geleden verscheen Mijn documenten, een bundel met 11 verhalen van de Chileense schrijver Alejandro Zambra; geboren in 1975, groeide hij op onder dictator Pinochet, die tot 1990 aan de macht was. Het wantrouwen en het onuitgesprokene tussen de Chilenen waren kenmerken van het dagelijkse leven ten tijde van het dictatorschap van Pinochet. De militaire dictatuur is voelbaar in deze verhalen maar zelden expliciet aanwezig.

    Zambra’s debuutroman Bonsai (uit 2006) werd alom geprezen. Uitgever Karaat van Luc de Rooy heeft inmiddels al het werk van deze meester-stilist vertaald. Zoals bijvoorbeeld de korte roman met de intrigerende titel Het verborgen leven van bomen (2010), over een literatuurdocent die merkt dat zijn vrouw niet terugkeert van haar tekencursus. Hij wacht de hele nacht en begint te fantaseren over een leven zonder zijn vrouw. De lezer blijft in het ongewisse over de afloop.
    Zijn hoofdpersonen zijn mannen die vaak strompelend en struikelend door het leven gaan; vaak eenzaam en alleen zijn, moeite hebben relaties met anderen aan te gaan, maar toch altijd wel een vrouw tegenkomen die ‘ze te grazen nemen’, om met de woorden van Zambra te spreken.

    De verhalen in Mijn documenten hebben iets mysterieus en zijn niet allen even sterk.
    In het eerste verhaal haalt Zambra herinneringen op aan zijn jeugd, aan zijn vader – die hij typeert als een computer- en zijn moeder – die hij typeert als een schrijfmachine-, aan de pastoor met wie hij ‘bevriend’ raakt. Het zijn allemaal losse gedachten uit de jaren tussen 1980 en 2008 die weinig samenhang vertonen, maar die Zambra wil publiceren: ‘Ik was een leeg schrift en nu ben ik een boek.’ Maar als lezer zeggen die losse notities je niet zoveel.

    Hilarisch is ‘Familieleven’ waarin een veertiger die een beetje van het padje is geraakt, op het huis van zijn neef gaat passen. Die neef, literatuurdocent, gaat voor zijn werk voor enkele maanden naar Europa, en neemt zijn aantrekkelijke echtgenote en kind mee. Ze zijn niet echt neven, hun vaders waren dat. Mooi is hoe de oppasser zich geleidelijk aan steeds verder in de nesten werkt en in het huis een chaos schept. Wanneer het moment daar is dat de eigenaar weer naar huis komt, vertrekt de oppasser met de noorderzon en laat niets meer van zich horen.

    Het verhaal over zijn jeugdvriend Camilo die hij zeer bewondert en als zijn broer beschouwt, is ook mooi. Camilo’s vader is in 1974 door de Chileense junta opgepakt maar weet naar Parijs te ontkomen. Camilo groeit op zonder vader. Die woont inmiddels in een dorpje even buiten Amsterdam. Wanneer Camilo is omgekomen bij een verkeersongeluk, besluit Alejandro ‘de grote Camilo’ te gaan opzoeken, om een beeld te krijgen van de vader en zijn zoon. Ze kijken samen voetbal: Frankrijk tegen Chili. Het is met veel invoelingsvermogen geschreven.

    Alejandro Zambra is een meesterverteller en taalstilist. Heel precies, met veel empathie en de nodige ironie beschrijft hij het leven in het huidige Chili. Niet alle verhalen zijn even mooi, maar er staat genoeg in dat waard is om te worden gelezen.

     

  • Een boek als een magneet

    Een boek als een magneet

    Weinig boektitels dekken de lading zo treffend als dit Begrijpend lezen van Alejandro Zambra. En even weinig lezers zullen de uitdaging kunnen weerstaan om te proberen bij de multiplechoicevragen het juiste antwoord te kiezen.

    Tussen 1967 en 2002 moesten Chileense jongeren in het laatste jaar van de middelbare school een toets maken om toegelaten te worden tot een universiteit. Het taalgedeelte daarvan heette Prueba de Aptitud Verbal, en bestond uit een meerkeuzetoets met negentig vragen. In 1993, toen Alejandro Zambra de toets moest maken, was er nog niets veranderd bij schoolleiding, docenten en lesmethoden sinds twee jaar tevoren de Transición a la democracia (de overgang van dictatuur naar democratie) was ingezet. Jaren later werkte Zambra aan een roman over zijn schooljaren en besloot dat er geen betere manier was om die overgang in het Chileense onderwijs en de Chileense samenleving te beschrijven dan in de vorm van de genoemde Prueba. Zo ontstond Facsímil, in het Nederlands vertaald als Begrijpend lezen.

    Zambra’s schooljaren
    De keuze voor deze vorm is gewaagd. Anderzijds is Zambra wereldwijd al zo’n gelauwerd auteur dat hij zich een experiment als dit best kan veroorloven. Of hij hierin evenveel heeft kwijt gekund – zo hij dat al wilde – als in een gewone roman, is twijfelachtig. Door de gekozen vorm en de beknoptheid van de informatie blijft het gissen naar wat de schrijver precies wil overbrengen. Omdat we op het omslag lezen dat het boek over Zambra’s schooljaren gaat en de teksten gesteld zijn in de eerste persoon enkelvoud, kunnen we echter aannemen dat het vertelde een hoog werkelijkheidsgehalte heeft. Het hele boek staat dan ook in het teken van ‘zoeken’ naar Zambra’s werkelijkheid.

    Humoristisch
    De meerkeuzevragen beginnen simpelweg met opgaven als: “Welke term hoort in het rijtje niet thuis? Het gegeven woord is ‘Begrijpen’, de antwoorden: a) kennen, b) herkennen, c) erkennen, d) bekennen, e) vergrijpen.” Het lijkt allemaal eenvoudig, maar gaandeweg blijken de antwoorden steeds vaker ook allemaal ‘goed’ te kunnen zijn.
    Naarmate het boek vordert worden de teksten langer. Sommige teksten zijn humoristisch, zoals opgave 33: 1. Je bent op zoek naar woorden die op je naam rijmen. 2. Je bent op zoek naar woorden die op je achternaam rijmen. 3. Je naam rijmt niet op je achternaam, maar je zoekt woorden die tegelijkertijd op je voornaam en op je achternaam rijmen. 4. Je bent op zoek naar woorden die noch op je voornaam, noch op je achternaam rijmen. 5. Je bent niet gestoord. De vraag is dan wat de juiste volgorde van de zinnen is en de antwoorden a, b, c, d en e zijn allemaal 1-2-3-4-5.

    Eigen keuzes
    Nieuwsgierigheid en de hoop een begrijpelijk verhaal uit de teksten te kunnen distilleren drijven je voort te blijven zoeken naar de juiste antwoorden. Vaak zijn alle verschillende antwoorden mogelijk en zegt een goed-/foutkeuze, waar altijd wel een positieve of negatieve strekking in te ontdekken valt, meer over het wereldbeeld van de lezer dan over de schrijver en zijn bedoelingen. Met het nadenken over de antwoorden word je gedwongen je eigen keuzes, indrukken en gevoelens te onderzoeken en ook te erkennen dat pertinente overtuigingen niet leiden tot een beter begrip van andermans aangelegenheden.

    Vader-zoon
    Het thema vader-zoon komt enkele keren terug. De ene keer is een vader aan het woord, de andere keer een zoon. Constant rijst de vraag welk realiteitsgehalte deze stukken hebben, terwijl dat er eigenlijk niet toe doet. Wat Zambra verwoordt is hoe zonen en vaders elkaar kunnen zien, welke algemeen geldende meningen ze kunnen hebben over elkaar en over zichzelf in relatie tot de ander. Het zijn gedachten die vele zonen en vele vaders zouden kunnen uiteenzetten.
    Dat dit thema in het leven van Zambra speelt is wel zeker, op welke manier wordt niet onthuld. Op het einde van het boek is een tekst van zes pagina’s een brief van een vader aan een zoon. De vader lijkt zich te verontschuldigen voor de fouten die hij heeft gemaakt. Een van de opgaven is dan: “Welke is, naar jouw oordeel, de meest geschikte e-mailmap voor een tekst als deze? a) Verzonden berichten b) Concepten c) Inbox d) Spam e) Niet verzonden berichten.” Iedere keuze stemt tot nadenken, want iedere map is een gerechtvaardigde optie.

    Oordeel van de lezer
    Zambra als autobiograaf ontglipt je telkens weer, hoewel toch de indruk blijft hangen dat er een zoon is die vindt dat zijn vader tegenover hem danig is tekortgeschoten. Desondanks laat Zambra zien dat iemands handelen altijd vanuit verschillende invalshoeken bekeken kan worden, wat een bevredigend antwoord op de vragen – dat niets meer of minder dan een oordeel van de lezer is – lastig maakt.
    Tegelijkertijd spuit hij zijn gram over ‘die ouwe’, die in het betreffende stuk tekst even goed een willekeurige oudere man zou kunnen zijn bij wie de ‘ik’ als chauffeur en biograaf in dienst is. Ze gaan door Chili reizen. “Ik vroeg hem waar we zouden beginnen, in het noorden of in het zuiden. In het noorden, sukkel, in het noorden, hoe wil je nou in het zuiden beginnen. Deze teringzooi loopt van het noorden naar het zuiden.” En verder: “Wanneer hij wakker was hield hij er niet van om naar muziek te luisteren, het enige wat mocht waren de cassettes met moppen van Coco Legrand. Zo ben ik Coco Legrand gaan haten: zijn moppen, zijn stem, alles.” Hoe ongrijpbaar dit boek ook is, originaliteit kan het niet ontzegd worden. Voor de geïnteresseerde lezer is het een magneet; het laat pas los als je er flink aan getrokken hebt.

    Prijzen
    Alejandro Zambra wordt gezien als een van de belangrijkste Spaanstalige auteurs van het moment. Hij won meerdere internationale prijzen, waaronder in 2013 de Nederlandse Prins Claus Prijs. Zijn eerdere boeken zijn allemaal in het Nederlands vertaald.

     

     

     

  • Versplinterd leven

    Versplinterd leven

    Vergeleken worden met Vladimir Nabokov: dat klinkt in eerste instantie vooral als een groot compliment, maar het draagt tevens een gevaar in zich – want wat als de verwachtingen van de lezer daardoor zo hooggespannen zijn dat het alleen maar tegenvalt? Het is niet moeilijk een parallel te vinden tussen Aleksandar Hemon en Vladimir Nabokov: beiden groeien op in Oost-Europa en beiden verhuizen naar de Verenigde Staten. Beide ballingen maken zich de nieuwe taal eigen en gaan in het Engels schrijven. Gelukkig is dat niet de enige gelijkenis tussen beide auteurs – de intelligente, taalsensitieve en peinzende manier van schrijven komt ook overeen. De uitgever heeft zijn hand niet overspeeld: hier is een bijzonder getalenteerde schrijver aan het woord.

    Levens
    Hemon heeft in zijn leven genoeg meegemaakt om een aardige boekenplank mee te vullen. Hij wordt in 1964 geboren in Sarajevo, wat dan nog een kleine stad in de Balkan is. Zijn jeugd bestaat uit (veelal verloren) schaakpartijen met zijn vader, potjes voetbal met zijn raja, een groepje jongens aan wie hij de eerste jaren van zijn leven zijn identiteit ontleent, jaloezie ten opzichte van zijn jongere zusje en wachten tot zijn vader terugkeert van een van zijn buitenlandse reizen. Vervolgens, als jongere, gaat hij op zoek naar de grenzen van wat mogelijk is binnen een door de Staatsveiligheidsdienst gecontroleerde samenleving. Een verjaardagsfeest, waarbij iedereen onder het mom van ‘een performance’ als nazi verkleed komt, behoort niet tot de mogelijkheden. Je laven aan alles wat westers en kapitalistisch is – in de vorm van Amerikaanse poëzie, popmuziek en jeans – wél. Na de val van de Muur, in 1989, krijgt Hemon in 1992 de kans om naar de Verenigde Staten te gaan. Het is de bedoeling dat hij daar een paar weken blijft, maar intussen verslechtert de situatie thuis in Bosnië zo erg dat zijn ouders hem aanraden te blijven. Daarmee begint het immigrantenbestaan in Chicago, dat Hemon tot op de dag van vandaag leeft.

    Identiteit
    Over al die verschillende ‘levens’ schreef Hemon essays in The New Yorker. Achter elkaar gezet vormen ze de bijzondere autobiografie van Aleksandar Hemon. In elk hoofdstuk beschrijft hij een stukje van zichzelf alsof het om een personage gaat dat hij niet zelf is. Hemon is in staat zichzelf en zijn directe omgeving scherp te analyseren, juist door die afstand te nemen. Zien we hier een erfgenaam van de Russische literatuurtheoreticus Viktor Sjklovski, die ostranenie – letterlijk ‘vervreemding’ – als hoogste doel van de kunst, en daarmee dus de literatuur, zag? Sjklovski zag in leven op de automatische piloot het grootste kwaad: op den duur wordt zelfs iets veelomvattends als oorlog normaal en verblikt of verbloost men niet meer bij een zoveelste dode. Kunst is de oplossing, zegt hij. Nooit vergeten dat de groepen waartoe je denkt te behoren slechts abstracties en illusies zijn, zegt Hemon.

    Het boek van mijn levens is een grote zoektocht naar identiteit. Alleen door je af te zetten tegen een Ander kun je een Ik construeren. Dat begint met de al eerder genoemde raja, het groepje jongens waartoe Hemon behoorde en dat in staat van oorlog verkeerde met de andere raja’s van de buurt. Vervolgens is het, zij het voorzichtig, de linkse, op het westen georiënteerde jongere tegen de Staat. Het zijn de Bosniërs tegen de Serven. Maar het is ook de immigrant tegen de Amerikaan. Want het blijkt moeilijk je thuis te voelen aan de overkant van de oceaan: alles voelt vreemd, je hele identiteit staat op losse schroeven. Of zoals Hemon het uitdrukt:

    ‘Immigratie is niets anders dan een ontologische crisis omdat je als immigrant gedwongen wordt onder eeuwig veranderende existentiële omstandigheden te onderhandelen over de condities van je eigenheid.’

    Of: ‘In metafysiek opzicht was ik wankel, omdat ik nog niet wist hoe ik moest zijn in Chicago.’

    Nieuw leven
    Hemon zoekt naar een thuis en vindt dat in de andere immigranten. Samen wonen zij in een flat in een buitenwijk van Chicago en langzaamaan beginnen de straten als hun straten aan te voelen, beginnen de koffiehuizen hun koffiehuizen te worden en worden de gezichten alledaags. Aan de rand van de samenleving ontstaat een nieuwe enclave. Toch blijft Hemon zweven in een soort ‘niemandsland’: geen Bosniër meer, nog geen Amerikaan. Het blijkt moeilijk betrokken te blijven bij zijn vrienden die in Sarajevo zijn achtergebleven, omdat een oorlog op afstand niet te vergelijken is met er daadwerkelijk middenin zitten, maar ook om de eenvoudige reden van een platliggend telefoonnetwerk. Bovendien woont Hemon nu in een land dat de Bosnisch-Servische burgeroorlog probeert te reduceren tot een eenvoudig te begrijpen probleem – wat onmogelijk is. Toch maakt ook Hemon zich schuldig aan denken in stereotypen en goed en kwaad. Zo kan hij zijn oud-literatuurprofessor, die hij tijdens zijn studententijd in Sarajevo bewonderde om zijn eruditie en bevlogen manier van vertellen, niet meer recht in de ogen kijken wanneer hij openlijk sympathiseert met de SDP, de Servische Democratische Partij:

    ‘Ik ontlas boeken en gedichten waar ik vroeger van hield – van Emily Dickinson tot Danilo Kiš, van Frost tot Tolstoj -, ontleerde de manier waarop hij me geleerd had ze te lezen, want ik had het moeten weten, ik had er aandacht aan moeten besteden.’

    Zijn verleden is aan het veranderen onder invloed van het heden, zijn verleden ligt in gruzelementen – net als de stad Sarajevo. De leden van de raja, waar het allemaal mee begon, en de vrienden aan wie Hemon later zijn identiteit ontleende, ontvluchten Bosnië en zoeken hun heil elders. Gelukkig voor ons heeft de interne versplintering er bij Hemon toe geleid dat hij ging schrijven. Om te begrijpen wat er gebeurt, om in de meest uitzichtloze situatie de humor te ontdekken, om zichzelf houvast te geven. In de taal gaat hij wonen, zoals ook Nabokov dat deed.

    Kunst
    Het boek van mijn levens gaat over zingeving, maar ook over de liefde voor voetbal, je hond en de borsjt van je grootmoeder. Het is een eerbetoon aan Sarajevo, aan Chicago. Het is een boek dat inzicht geeft in een van de ingrijpendste conflicten in Europa van de afgelopen eeuw, een boek dat laat zien hoe onbuigzaam de mens soms is, en hoe veerkrachtig op andere momenten. Het laat zien hoe onontbeerlijk taal en literatuur zijn en hoeveel schrijven kan betekenen. Voor de auteur, maar ook voor de lezer. Het boek van mijn levens beneemt je de adem en stemt tot nadenken – van op de automatische piloot lezen is geen sprake, daarvoor struikel je te vaak over de mooie zinnen en rake gedachten.

    En dat is, om met Viktor Sjklovski te spreken, kunst.

     

     

     

  • Tanden als spiegels van de ziel

    Tanden als spiegels van de ziel

    De hoofdpersoon in het derde in het Nederlands vertaalde boek van de Mexicaanse schrijfster Valeria Luiselli (1983) is Gustavo Sánchez Sánchez, bijgenaamd Snelweg omdat hij veel reist. Hij volgt een cursus kunst van het veilen volgens de Yushimito-techniek. Deze komt voort ‘uit een combinatie van klassieke retorica en de mathematische excentriciteitstheorie’ – één van de vele, heerlijke onzinzinnen in dit boek. Hij ontwikkelt de zogenaamde allegorische veilingtechniek: ‘Snelweg zou de kunst van het veilen opnieuw vormgeven. Ik was geen verachtelijke verkoper van voorwerpen, maar vooral een liefhebber en verzamelaar van goede verhalen. Einde van de verklaring’.

    Dáár draait alles om in dit surrealistische boek: het verzamelen en veilen van tanden en het vertellen van verhalen over de geschiedenis ervan. Als Snelweg via een louche veiling aan het gebit van Marilyn Monroe komt, is zijn geluk compleet. Voor Snelweg zijn tanden het summum, de spiegels van de ziel, meer nog dan ogen. Snelweg veilt tien van zijn eigen tanden aan de bewoners van een bejaardenhospice. Hij dicht ze toe aan grote denkers en schrijvers als Plato, Augustinus en Borges, over wie in het boek anekdotes zijn opgenomen.

    Uiteindelijk vindt Snelweg, die zelf niet kan schrijven, Pedro Menard (Pepe) bereid om de geschiedenis van in eerste instantie zijn eigen tanden te boek te stellen. Als Pedro dit af heeft, wil Sánchez dat hij een catalogus samenstelt van zijn collectie verzamelobjecten, te beginnen met de nagels van zijn vader, de eerste collectie die Sánchez als kind al aanlegde, tot zijn paperclipsen.

    Het vijfde van de zeven delen waaruit het boek bestaat, wordt ingenomen door de biografie van Sánchez’ tanden, die Snelweg consequent autobiografie noemt. Gevolgd door deel zes, ‘een circulaire rondgang langs beroemde plekken uit Snelwegs leven’ in de vorm van negen foto’s. Deze verschillende vormen en stijlen maken het experimentele karakter van dit boek uit.

    Maar louter hieruit, of uit heerlijke onzin bestaat het boek niet. In de verzameling goede verhalen zitten diepere lagen en details verscholen. Snelweg lijkt bijvoorbeeld iets tussen aap en mens te zijn, geboren als hij is met vier premature tanden en van top tot teen bedekt met een dun laagje zwart haar, zoals terloops wordt opgemerkt.

    De vragen die Luiselli hiermee oproept, lijken te zijn: wat is echt en wat niet, wat blijft uiteindelijk, hoe slecht en echt kan een mens zijn, in leven en dood, en wat is de rol van kunst, marktwerking en geld bij dit alles? Zij doet dit in de vorm van fantasievol komisch drama dat in de ondertitel een roman in zeven afleveringen wordt genoemd. De stijl is surreëel en op z’n tijd essayistisch, gelardeerd met zwarte humor: ‘Papa heeft nu geen tanden meer. En ook geen nagels of een gezicht meer: we hebben hem twee jaar geleden gecremeerd’.

    Het is het soort vragen die de Nederlandse schrijfster Niña Weijers ook lijkt op te roepen, getuige niet alleen De consequenties, haar al even knappe en rijke roman vol verwijzingen als die van Luiselli, maar bijvoorbeeld ook in een column in De Groene Amsterdammer van 10 augustus jl. Hierin beschrijft Weijers een nauwelijks bekend schilderij van Frans Hals waarop een liggend naakt is afgebeeld. Op dat schilderij van Hals zijn de ‘borsten geschilderd alsof ze gezichtsuitdrukkingen bezitten, haar knieën geven net zo veel prijs over haar gemoed als haar kin’. Vervang borsten, knieën en kin door tanden, en je bent bij De geschiedenis van mijn tanden van de overigens door Weijers zeer bewonderde Luiselli, die zij in april van dit jaar interviewde voor De Morgen. En Weijers is inmiddels niet de enige, als we de flaptekst mogen geloven.


    De geschiedenis van mijn tanden

    Auteur: Valeria Luiselli
    Vertaald door: P. Menard
    Verschenen bij: Uitgeverij Karaat
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 19,50

  • Spel van schrijvers & geschrevene

    Spel van schrijvers & geschrevene

    Fantasie en werkelijkheid. Spaans- Amerikaanse auteurs weten al sinds de jaren ’60 hun lezers te boeien en te vermoeien met hun literair spel tussen deze extremen. Dat ook de Mexicaanse Valeria Luiselli (1983) wel van een spelletje houdt, blijkt uit De gewichtlozen. In deze roman presenteert Luiselli haar lezers een Mexicaanse vrouw. Deze schrijft op haar beurt een roman over de Mexicaanse dichter Gilberto Owen. Haar obsessie voor hem begon toen ze nog werkte voor een uitgeverij in New York en erachter kwam dat hij in de jaren ’20 in het appartement vlak achter dat van haar had gewoond. Vanaf dat moment vervaagt de grens tussen fantasie en werkelijkheid.

    Als zij jaren later als moeder van twee kinderen thuis zit, probeert ze aan de dagelijkse sleur te ontsnappen door te schrijven. Ze zegt een nacht in zijn appartement te hebben doorgebracht. Vervolgens doet ze het voorkomen alsof ze de uitgever heeft voorgelogen en zelfs manuscripten heeft vervalst om Owens werk gepubliceerd te krijgen. Er lijkt geen weg meer terug als ze schrijft:

    ‘De vertelster ontdekt dat terwijl ze een verhaal in elkaar rijgt het weefsel van haar werkelijkheid versleten raakt en breekt. De vezel van de fictie begint aan de werkelijkheid te tornen en niet vice versa, zoals dat zou moeten.’ (p. 79.)

    Met nostalgie kijkt ze terug op haar eigen verleden dat ze, geïnspireerd door de kinderlijk-absurde gesprekken met haar zoontje, begint aan te vullen en te herschrijven. Tegelijkertijd werkt ze aan de roman over Owen en terwijl ze schrijft, gaan hun levens steeds meer op elkaar lijken tot het moment dat het leven van schrijfster en dichter één is.

    De gewichtlozen is een gecompliceerde raam-in-raamvertelling. Naast het verhaal van de hoofdpersoon en haar leven, dat al vrij lastig is om te volgen door de sprongen in de tijd, loopt het verhaal van de dichter Owen. De roman bestaat uit twee delen. In het eerste deel zijn de twee verhaallijnen nog duidelijk van elkaar te onderscheiden, maar het tweede deel vraagt volledige concentratie. Heden en verleden van zowel schrijfster als dichter lopen door elkaar, fantasie en werkelijkheid gaan hand in hand en ook de twee verhaallijnen vloeien in elkaar over. Op het eind leven beide personages in éénzelfde, fictieve, wereld. Al met al is de Gewichtlozen helemaal niet zulke lichte kost als de titel doet vermoeden.

     

  • Inleiding tot de duurste orgie uit de geschiedenis

    Inleiding tot de duurste orgie uit de geschiedenis

    The Jazz Age worden ze genoemd, de jaren die volgden op de Eerste Wereldoorlog en die duurden tot 1929. Toen brak met de beurskrach van 24 oktober de grootste economische crisis van de moderne geschiedenis uit. Twee jaar daarna blikte Scott Fitzgerald in een prachtig essay terug op die jaren. Echo’s van de Jazz Age heet het. Het is samen met zijn eerste novelle Een dag in mei en een ander essay, Mijn verdwenen stad uit 1932, opgenomen in een Nederlandse vertaling die vorige maand uitkwam in de serie Moderne Klassiekers van Uitgeverij Karaat.
    De novelle verschijnt net nu in de bioscopen een nieuwe verfilming van The Great Gatsby draait, naar dé succesroman van Fitzgerald. Ook die speelt in de troebele jaren kort na de Eerste Wereldoorlog met de veteraan Gatsby in de hoofdrol.

    ‘Veel mensen beginnen spontaan te kokhalzen’ als ze aan die jaren terugdenken, tekent Fitzgerald in 1931 in zijn Echo’s op, ‘maar schrijver dezes kijkt er al met nostalgie op terug’. De Jazz Age viel dan ook samen met het succes van zijn schrijversschap. In 1917 had hij dienst genomen in het leger toen de VS troepen naar Europa stuurden om daar in te grijpen in de Eerste Wereldoorlog. Maar voor het Fitzgeralds beurt was, was de vrede getekend. Hij hoefde niet meer in actie te komen en zag zijn voormalige maten die wel uitgezonden waren terugkeren met onder andere de vraag voor welke vrijheid ze eigenlijk gevochten hadden. Tegelijk keken ze met een begerig oog naar de welvaart die in Amerika mogelijk was en die tot nu toe buiten hun bereik was gebleven. Met hen groeide een generatie op die totaal niet in politiek was geïnteresseerd. ‘We waren het machtigste land. Wie kon ons nog vertellen wat modieus en wat amusement was?’, poneert Fitzgerald in Echo’s. Alles veranderde in snel tempo en in het kielzog van de jongeren gaven de ouderen zich over aan de vrijheid om te genieten van dans en jazz, seks en drank. Dat laatste illegaal, want in Amerika gold de Drooglegging, een verbod op alcohol. Het leven was ‘als de wedstrijd in Alice in Wonderland, er was een prijs voor iedereen’. Maar toen kwam de krach van 1929: ‘Iemand had het verknald en de duurste orgie uit de geschiedenis was voorbij (…) omdat zijn voornaamste kenmerk, het grenzeloze vertrouwen, een enorme klap kreeg toegedeeld’.

    Het was ook een klap voor Fitzgeralds schrijversschap. Dat was zozeer verbonden met de Jazz Age, dat ook dat zo goed als eindigde. Hij schreef alleen nog commerciële verhalen, filmscripts en een enkel essay.

    Een dag in mei ontstond aan het begin van de Jazz Age, in 1920. De auteur van het zeer informatieve nawoord, Luc de Rooy, noemt de novelle ‘venijniger, sarcastischer, tragischer’ dan zijn latere werk. En dat kan de lezer alleen maar beamen.
    We volgen in kort bestek (de novelle telt amper 90 pagina’s) de woelige gebeurtenissen in New York op 1 mei 1919, de eerste keer sinds de oorlog dat er weer een Dag van de Arbeid werd gevierd. Er breken rellen uit, die de opmaat zouden worden voor de ‘roaring twenties’.
    Voor die rellen baseerde de auteur zich op een werkelijke gebeurtenis, de ‘May Day Riots’ die op die dag plaats vonden in Cleveland. Daarin raakten soldaten en studenten slaags en trad de politie hard op. Fitzgerald zag ze als de ontlading van de oorlogstijd, die een uitweg zocht in onbegrensd feesten.

    In Een dag in mei volgen we zeven jongeren, studenten en soldaten, die met elkaar op de vuist gaan rond een campusfeest, het Gamma Psi-bal. Fitzgerald beschrijft de confrontatie door de ogen van die zeven personages die er ieder op een of andere manier in verzeild raken. Ze staan symbool voor de tegenstellingen in het sociale leven. De volgzame tegenover de losbandige, de arrivé tegenover de man in de goot en de socialist tegenover de patriot. In kernachtige karakteriseringen rijzen ze scherp voor je geestesoog op. Daaraan draagt bij dat het perspectief in de elf hoofdstukken van de novelle voortdurend verandert, waardoor we een al beschreven gebeurtenis even later vanuit heel andere ogen zien. De personages tuimelen lallend, zichzelf vergooiend, maar ogenschijnlijk genietend door het verhaal. ‘Ogenschijnlijk genietend’, want de tragiek en de leegte in hun leven zijn steeds voelbaar. Dat is de kracht van de novelle. Die wordt niet alleen bereikt door de compositie van het verhaal, maar ook door het taalgebruik en de compacte stijl. De absurditeit wordt ten top gevoerd als de personages Peter Himmel en Philip Dean de deurbordjes IN en OUT van restaurant Delmonico’s rukken en die voor hun borst hangen om zo de stad in te gaan. Om vervolgens in het Biltmore Hotel enkele van de andere personages elkaar te zien aanvliegen:

    Maar voor meneer In en meneer Out was deze gebeurtenis niet meer dan een bont, regenboogkleurig onderdeeltje van een gonzende, doordraaiende wereld.
    Ze hoorden luide stemmen; ze zagen de zwaarlijvige man springen; het beeld vervaagde plotseling.
    Toen waren ze in een lift die omhoogging.
    ‘Welke verdieping wenst u?’ zei de liftbediende.
    ‘Maakt niet uit’, zei meneer In.
    ‘De bovenste verdieping’, zei meneer Out.
    ‘Dit is de bovenste verdieping’, zei de liftbediende.
    ‘Dan moet je er nog een verdieping op laten zetten’, zei meneer Out.
    ‘Hoger’, zei meneer In.
    ‘De hemel’, zei meneer Out.

     

    Tien jaar na de uitbraak van de roes donderde Amerika in elkaar.

     

    Een dag in mei

    Auteur: F. Scott Fitzgerald
    Vertaald door: Charles Bors en Mon Faber
    Verschenen bij: Uitgeverij Karaat (2013)
    Prijs: € 16,90

  • Het vervormende aspect van de nostalgische herinnering

    Het vervormende aspect van de nostalgische herinnering

     

    Manieren om naar huis terug te keren van de Chileense schrijver Alejandro Zambra (1975) gaat over herinneringen en de grenzen tussen feit en fictie, over het combineren van fantasie en het echte leven tijdens het schrijfproces. Een op de schrijver lijkende literator vertelt onder meer over zijn jeugd. Hij bespreekt de non-politieke houding van zijn ouders tijdens het regime van Pinochet, een houding waar hij later kritisch over is. Zambra schrijft dat het niet onproblematisch is dat de ik-figuur (in navolging van zijn ouders) niet goed en niet slecht was: ´het was moeilijk dat te zijn: niet goed en niet slecht. Ik vond dat dat eigenlijk betekende dat je slecht was.´ (80)

    De stijl van Zambra is niet gekunsteld. Deze stijl is dienstbaar aan het vertelde en kan als sober worden omschreven. Soms is het uit veel korte hoofdstukjes bestaande boek grappig, al is het eerder een ernstige roman, dan een komische.

    Zambra gaat onder meer in op het vervormende aspect van de nostalgische herinnering: ´Waar je ook kijkt is er wel iemand die banden aanhaalt met het verleden. We herinneren ons liedjes waar we nooit echt van gehouden hebben, we komen onze eerste vriendin opnieuw tegen, klasgenootjes met wie we nooit echt bevriend waren, en mensen die we vroeger uitkotsten ontvangen we met open armen.´ (73/74) Het eigen verleden wordt mooier gemaakt dan het eigenlijk was, de herinnering wordt herschikt en opgepoetst. Zo schept men een fundament voor het positief beleven van het zelf in het heden.

    De auteur verwijst hier en daar naar andere schrijvers en stelt zo de fictionaliteit van zijn verhaal aan de orde. Zo citeert hij Tim O´Brien: ´Wat zich aan ons geheugen vastklampt dat zijn die kleine en vreemde fragmenten zonder begin of eind.´ (176)  Herinneren is een oproepen van flarden en flitsen uit de eigen geschiedenis. De schrijver kan deze vervolgens componeren tot iets nieuws. Zambra spreekt  hierbij van ´arbitraire selectie´ (176). Volgens hem biedt fictie vanwege deze selectie een keerzijde van het beleefde in het eigen bestaan: ´Daarom is een boek altijd de andere zijde van een ander immens en zeldzaam boek. Een onleesbaar en echt boek dat we vertalen, dat we verraden met gangbaar proza als voorwendsel.´ (176)

    De visie van Zambra is bijna steeds interessant. Slechts een enkele keer komt hij met een  vondst die niet zo origineel is. Zo schrijft hij: ´Omdat we een boek zo graag wilden lezen, dachten we dat wij de aangewezen persoon waren om het te schrijven. We waren het zat erop te moeten wachten dat iemand het boek zou schrijven dat wij graag wilden lezen.´ (181) Dat is een denkbeeld dat ook in andere teksten vaak wordt gegeven als motivatie voor het schrijven.

    De bespiegelingen over herinneringen zijn boeiender dan het verhaal an sich, al is de beschrijving van een jongetje van negen dat zijn politiek actieve buurman bespiedt, omdat een vriendinnetje hem dat heeft gevraagd goed beschreven. Het laat je je afvragen wat de impact is van het leven in een dictatoriaal land, wat Chili toen nog was, op een kind.

    Manieren om naar huis terug te keren (vertaald door Luc de Rooy) is een toegankelijk en lezenswaardig boek. Het doet je nadenken over het verband tussen politiek en literatuur, over de rol van schrijven in het leven van een schrijver en over de grenzen tussen waarachtige herinneringen en de vormgeving of vervorming ervan in fictie.

     

     

     

  • Overtuigend debuut

    Overtuigend debuut

    Valse papierenvan de Mexicaanse schrijfster (met ook Italiaanse roots) Valeria Luiselli (1983) is een intrigerende bundel essays. Na een wat aarzelend beginessay, bespiegelingen over haar tocht naar het graf van Joseph Brodsky in Venetië, vindt Luiselli een eigen geluid en worden haar teksten eigenzinniger. Het levert mooie formuleringen op. Zo lezen we het volgende over het uithollen van de schedelruimte tijdens een mensenleven: ‘We worden gevuld geboren – gevuld met grijze stof, met water, met onszelf -, en in elk van ons vindt continu het trage, alchemistische erosieproces plaats. Boven onze nek dragen we een functionerende groeve met ons mee, vol fragmenten die beetje bij beetje vergruizelen.’ (79) Of dit nu werkelijk is zo als het gaat, doet niet echt terzake. Het is een beschrijving die bijblijft.

    Het schrijfproces vergelijkt Luiselli met restaureren: ‘Restaureren: gaten opsmukken die de boormachine van de tijd in elk oppervlak achterlaat. Schrijven, daarentegen, is een omgekeerd restauratieproces. Een restaurateur vult gaten in een oppervlak waarvan al een min of meer af beeld bestaat; de schrijver werkt vanuit de scheurtjes en de gaten. In die zin lijken de architect en de schrijver op elkaar.’ (102) Zo zit deze bundel vol met treffende formuleringen.

    Luiselli slaat soms ook wel de plank wat mis. Zo schrijft ze over lege ruimtes: ‘Misschien is het slechts een ontische uitdrukking, zouden de Heidegerianen zeggen over een ontologische, wortelgeschoten voorwaarde die onmogelijk te veranderen is: horror vacui tot uitdrukking gebracht in het oculair amusement en het mentale tijdverdrijf van het vullen van ruimtes.’ (106) Zulke obscure taal heeft de schrijfster niet nodig. Nee, dan kan ze beter schrijven over haar uiterlijk: ‘Ik zie de vele gezichten waaruit ik ben samengesteld. De stamboom van mijn gelaatsuitdrukkingen, de familegeschiedenis van elk gebaar. Een lijn markeert de blijdschap van mijn moeder, zware oogwallen de vermoeidheid van mijn vader, het attent voorhoofd heb ik van beiden. Dan de kromming van de lip: de vergissing van een van mijn grootmoeders; een blik die herinnert aan de overzeese eenzaamheid van een van mijn grootvaders; een gebaar dat voorkomt uit de vroege dementie van mijn tante.’ (112)

    Thema in Valse papieren is onder meer het leven in de grote stad (Venetië, Mexicostad, New York) en de rol die taal speelt bij de duiding ervan. Luiselli gaat in haar tekst ook in op het fenomeen ‘flaneur.’ In het oeuvre van de filosoof Walter Benjamin, die haar inspireerde, staat dit begrip voor de opmerkzame, maar niet per se betrokken grootstedelijke observant uit de moderne tijd die het wandelen tot levensstijl heeft gemaakt en alles wat hij passeert in zich opneemt. Luiselli voegt hier het concept van de ‘fietsganger’ aan toe: ‘de flaneur die zich op twee wielen voortbeweegt zal de juiste afstand houden om in de stad zowel medeplichtige als getuige van de stad te worden.’ (53) De tijden van de wandelende flaneur zijn volgens Luiselli voorbij: ‘Behalve degenen die gewoon nog met hun hond uit wandelen gaan, de kinderen die van school terugkeren, de alleroudsten en de straatverkopers, heeft niemand in de hedendaagse stad het recht een slentertempo aan te nemen,’ (50) constateert ze met spijt.

    Interessant is wat Luiselli over de begrippen melancholie, nostalgie en (de Portugees-Braziliaanse term) saudade te berde brengt. Het begrip saudade omschrijft ze in een omtrekkende beweging, waarin ze in feite geen bruikbare definitie geeft, maar wel de sfeer die het woord overbrengt weet te treffen. Ze schrijft: ‘Saudade, waar de pijn te horen is in de samenklank van twee klinkers, doet denken aan die dingen die tegelijkertijd mooi en verdrietig zijn: zeeschepen, treurwilgen, wierook, hagedissen.’ (62) Saudade kan misschien het best worden omschreven als een zowel plezierige als verdrietige herinnering vol emotie en verlangen aan een al dan niet fictieve tijd die voorgoed voorbij is. Melancholie was volgens de schrijfster in de twintigste eeuw geen geestestoesand van de dichter meer, ‘maar een verachterlijke karaktertrek, een divanhysterica niet waardig.’ (63) Freud banaliseerde het verschijnsel. Nostalgie is dan weer ‘het bastaardkind van de melancholie.’ (61)

    Luiselli lijkt niet erg positief over nostalgie: ‘Er is een Paseo de los Melancólicos in Madrid en een Rua de Saudade in Lissabon. Maar er is nergens, – gelukkig maar, want dat zou van slechte smaak getuigen – een Laan der nostalgici.’ (70). Voor Luiselli (en velen met haar) is nostalgie iets waarvoor je je geneert. Dat het begrip in feite niet wezenlijk verschilt van saudade, lijkt haar te ontgaan. De negatieve connotatie die voor haar aan het begrip nostalgie kleeft, voorkomt mogelijk dit inzicht.

    Luiselli haalt er in haar tekst vele grootheden uit de de wereldliteratuur bij, maar ze doet dit functioneel zonder te veel te pronken met haar belezenheid. Ze neemt de lezer voor zich in als ze haar eerste kennismaking met Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust beschrijft: ‘Ik begreep bijna niets van het Frans en bleef uren hangen bij een paragraaf waarin ik me probeerde voor te stellen wat bougie, quatour en écailles betekenden.’(84) In de rest van de tekst is ze voldoende overtuigend, dat ze deze ontboezeming wel aandurft. Het persoonlijke aspect maakt deze essays bijzonder. Zo neemt de schrijfster ons mee naar haar kindertijd, waarin ze tunnels in de achtertuin groef en kostbaarheden in de gaten verborg, voor toekomstige kinderen. Met dergelijke mededelingen tilt Luiselli de speelse tekst ver uit boven gortdroge literair-filosofische essays die schrijven over thema´s als taal, vertalingen, identiteit en stedelijke omgeving ook had kunnen opleveren. Minpunt aan dit door Merijn Verhulst vertaalde boek, overigens ingeleid door Cees Nooteboom, is dat het wat dun is. Het is uitzien naar een uitgebreider essayboek van deze schrijfster.

     

  • Nasmeulend vuur 

    Nasmeulend vuur 

    Recensie door Heleen Rippen

    De opening van de roman Het grote vuur, voor het eerst in het Nederlands vertaald, lijkt een zinnelijke klassieker: ‘De laatste keer dat ik met Silvia naar zee ging, kleedde ze zich tussen de jeneverbesstruiken om. Ik zag hoe ze vooroverboog en het badpak langs haar rood-bruin verbrande benen afstroopte; haar gezicht verborgen achter haar haren’.

    Giovanni, een Italiaanse journalist beschrijft een zonnige augustusdag met Silvia. Maar al snel blijkt deze liefde een spel met het onmogelijke. Het is een verliefdheid die op een ziekte lijkt, hij lijdt eraan.
    ‘We gingen naar huis en de volgende dag zei ze dat ze niets meer van me wilde weten. Ik bleef alleen achter en dagenlang at ik niets, op fruit en kliekjes na. Het enige waar ik nog behoefte aan had was naar buiten te gaan en te wandelen’.
    Hij zal haar pas eind december terugzien. Silvia heeft dan een telegram gehad waarin ze wordt verzocht om met spoed af te reizen naar haar ouderlijk huis in Maratea, een badplaats in de provincie Basilicata.
    Ze vraagt Giovanni mee te gaan naar het zuiden. Eigenlijk beveelt ze hem met haar mee te gaan. Meegaan of niet, voor Giovanni is het niet eens een keuze. Want wat we willen wordt bepaald door hoe we diep van binnen zijn, door ’wat er in ons bloed zit’ volgens Giovanni.

    Een typerende uitspraak van Silvia is: ‘Ik kan niet verliefd worden, maar jij geeft me hoop’. Daarom nemen ze op kerstochtend de trein naar Maratea en wordt in de roman door beiden beurtelings verslag gedaan van het verblijf in het geboortedorp van Silvia.

    In het huis wonen de moeder van Silvia, haar stiefvader Dino, de tienjarige Giustino en de twee bedienden Catina en Peppe. Giovanni wordt gedurende de paar dagen die ze in het huis doorbrengen, langzaam ingewijd in de familiegeheimen van Silvia.

    De jonge Giustino blijkt op sterven te liggen en daarom is Silvia ontboden. Silvia zegt hierover:
    ‘Te veel dingen waren vermengd met die dood, waardoor ik het niet echt besefte. Geboorte, dood, alles, ook de meest ontstellende gebeurtenissen, leken willekeurig plaats te vinden. Er was een vuur dat altijd brandde en geboorte, dood, oorlogen en overstromingen gingen op in die vlammen. Ik zei: ‘Catina, hier sta je altijd in het vuur’.
    ‘Een groot, groot vuur’ zei Catina. En gedurende de nacht voelde ik dat mijn moeder brandde, dat Dino brandde en dat ik ook weer had vlamgevat’.
    Huis en haard bieden meestal beschutting en warmte. In Silvia’s familiehuis knettert niet alleen de haard, de bewoners doen dat ook.

    Als er iets ambigu is, is dat wel vuur. In het vuur kijken is het leven en tegelijkertijd de vernietiging zien. Alle kamers, de bewoners, hun maaltijden, gesprekken en hun zwijgen zijn zo beklemmend en dubbelzinnig beschreven dat je steeds meer van een spookhuis gaat spreken. Elementaire tegenstellingen als warm en koud en stad en platteland worden gebruikt om de eenzaamheid, de vervreemding en de onmacht van de bewoners voelbaar te maken.

    Stiefvader Dino, ook wel ‘de advocaat’, bestiert dit huis en noemt de familie een bolwerk tegen de dood. Door het overlijden van Giustino (betekent: ‘de rechtvaardige’!) blijkt dat hooguit een tijdelijke waarheid.
    Daags na de begrafenis van Giustino blijkt opnieuw dat het familievuur je kan verminken en dat deze familie zelfs een synoniem voor vernietiging en dood is.
    Giovanni blijft niet lijdzaam toezien. Bij wijze van test, om te zien of en hoe ze reageert, valt hij Silvia letterlijk aan en bijt haar in haar nek.

    Aan het einde van de roman is Giovanni veranderd. Zijn blik is gekanteld omdat hij doorziet dat Silvia hem heeft gebruikt om de verschrikkelijke waarheid van haar familie onder ogen te zien. Een familieschandaal heeft haar zo ingrijpend beschadigd dat ze zich aan niemand meer kan binden. Vroeg in de morgen ontvlucht Giovanni het huis richting zee.

    Deze roman heeft trekken van een psychologische thriller en zou zich uitstekend lenen voor een Fellini-achtige verfilming.
    De Nederlandse vertalers Evalien Rauws en Luc de Rooij schreven een fraai nawoord waarin zij veel achtergrondinformatie geven over Pavese en Garufi en de geschiedenis van deze roman.

    Het manuscript werd een paar jaar na de zelfmoord van Pavese in 1950, door Italo Calvino, schrijver en vriend van Pavese, gevonden. Op het omslag stond Viaggio nel sange (Reis door het bloed). Calvino zorgde voor de eerste Italiaanse uitgave in 1959, getiteld Fuoco Grande.
    De vertalers hebben er nu Het grote vuur van gemaakt. Die titel is wat beperkt. Groot vuur zou massiever en daardoor toepasselijker zijn voor het verhaal van Giovanni en Silvia dat tenslotte in meerdere opzichten allesverzengend is.

    Het co-auteurschap van Cesare Pavese en de tien jaar jongere Bianca Garufi was destijds niet bepaald een strakgepland en stabiel project.
    Ze werkten beiden voor de gerenommeerde Turijnse uitgeverij Einaudi en startten in het najaar van 1945 met de eerste hoofdstukken. Pavese schrijft de hoofdstukken waarin Giovanni aan het woord is en Garufi schrijft die waarin Silvia haar verhaal doet. Tussendoor hebben ze een stormachtige relatie, maar de liefdes van Pavese waren altijd kort en ongelukkig. Zo ook deze. Garufi wijst een huwelijksaanzoek van Pavese af en daarna corresponderen ze verder over de roman. Eind februari 1946, nadat hij van haar per post het zevende hoofdstuk heeft ontvangen, schrijft Pavese het volgende:

    ‘Lieve Bianca,

    (…) Op het ogenblik ben ik ten onrechte geobsedeerd door de persoonlijke ‘onthulling’ die jouw hoofdstuk bevat – de wrede dingen die de domme wreedheid van Silva me laat doen. Ik wist, toen ik met dit boek in zee ging, wel dat deze onderneming alle etter die wij in ons hebben, naar buiten zou brengen, en ik ben niet bang voor woorden maar ik weet ook dat die woorden een onderbewustzijn uitdrukken dat voor ons een niet alleen literaire betekenis heeft gehad en heeft.’

    Is de roman onvoltooid en dus ook ongepubliceerd gebleven omdat er tussen beide schrijvers geen ‘verder’ meer was? Die vraag maakt dit onafgemaakte boek met terugwerkende kracht zo raadselachtig en schrijnend. Andere nasmeulende vragen zijn: in hoeverre schreven de auteurs over zichzelf?
    En wat beoogden ze precies met deze roman behalve het voelbaar maken van de zwaarte van het verleden?

    Paveses oeuvre is in hoge mate autobiografisch en Garufi was een belangrijke vrouw voor Pavese; de vertalers noemen haar zelfs zijn muze. De titel van zijn lievelingsboek Gesprekken met Leuco verwijst rechtstreeks naar haar, want Leuco is ‘wit’ in het Grieks, net als Bianca wit in het Italiaans is.
    Van en over Pavese is veel terug te lezen in de postume uitgave van zijn brieven en dagboekfragmenten opgenomen in Leven als ambacht.
    Over Garufi weten we dat ze werk heeft gemaakt van haar verleden. Ze ging in psychoanalyse en werd zelf psychoanalytica.

    Bekend is dat de uitgave van Fuoco Grande destijds veel stof deed opwaaien in Italië. Of Garufi, die in 2006 overleed en Pavese dus ruim een halve eeuw overleefde, ooit de behoefte voelde om iets over hun (schrijf)relatie te openbaren is misschien te achterhalen in haar nog onvertaalde vervolgroman Il Fossile uit 1962. Haar correspondentie is onlangs ook voor het grote publiek beschikbaar gesteld.

    Wie door nasmeulende brokstukken van deze roman nog geestelijke nazorg nodig heeft, doet er goed aan het voorwoord van de filosofe Patricia de Martelaere te lezen in Leven als ambacht en haar essay over Pavese’s dagboek in Een verlangen naar ontroostbaarheid.

    Pavese zag het leven als een wreed spel waarin alles al voorbeschikt is. De Martelaere weet Paveses frustraties en de soms huiveringwekkende vooruitwijzingen naar zijn eigen dood hanteerbaar te maken en bijna troostrijk te beschrijven.