• Waardigheid in lompen

    Waardigheid in lompen

    De buitenissige auteur Albert Cossery groeide op in Cairo en emigreerde later naar Parijs, waar hij het grootste deel van zijn leven in een hotel woonde. In Cosserys werk zijn de armen gelukkig en is het tragische lachwekkend. Dat geldt ook voor de roman De trotse bedelaars.

    Zeven Franstalige romans en een verhalenbundel schreef Albert Cossery (1913-2008), die zichzelf als een Egyptische schrijver beschouwde. Hij dacht in het Arabisch en situeerde zijn vertellingen vaak in een stad als Cairo. De trotse bedelaars verscheen oorspronkelijk in 1955 en werd nu vertaald door Rosalie Siblesz. Daarmee is het al de derde titel van Cossery die de afgelopen jaren in Nederland uitkwam. Eerder werk (zoals Grote dieven kleine dieven) kon op veel lof rekenen en het omslag staat dan ook vol ronkende aanbevelingen. Steevast hanteert de schrijver dezelfde insteek: zijn personages illustreren een bepaalde visie op de wereld. Van ‘verhaaltjesbakkers’ moest hij niks hebben.

     Over vier mannen en een femicide

    In het geval van De trotse bedelaars draait het om vier personages. Gohar, de belangrijkste van de vier, is de onthechte filosoof. Als voormalig universitair docent heeft hij bewust gekozen voor een leven zonder bezittingen en zonder werk. De hasj waar hij verzot op is, krijgt hij gratis van een vriend. Deze vriend heet Yéghen, een ritselaar en oplichter, een opportunist ook. Hij bewondert Gohar en ziet hem als zijn meester. Dan hebben we nog de jonge El Kordi; deze figuur representeert de intellectuele idealist, maar één van het slag waar het blijft bij dromen. Het vierde karakter is Nour El Dine, een afgestompte rechercheur die meer zoekt naar zingeving dan naar de moordenaar uit het verhaal.

    Want ja, er is een moord gepleegd, een achteloze femicide uit gelegenheid, op de jonge sekswerker Arnaba. Het gaat in deze roman echter niet om de vraag wie haar vermoord heeft. Cossery beschrijft direct, in hoofdstuk twee van het boek, dat dit Gohar is. Gewetenswroeging heeft Gohar niet. Hij wijdt zelfs nauwelijks een gedachte aan Arnaba. Zijn gebrek aan berouw ziet hij als een teken van morele vooruitgang. De moord was een irrationele opwelling, een zinsbegoocheling, met als drijvende kracht zijn utopische doel: een paradijselijk leven vol hasj in de cannabisvelden van Syrië. Maar hij weet al tijdens de daad dat dit doel buiten bereik ligt, want de gouden armbanden waar hij het op gemunt heeft zijn vals en gaan zijn reis derhalve niet financieren.

    De andere personages beschouwen het lot van de jonge vrouw met evenveel desinteresse. Yéghen heeft de situatie al snel door en probeert zijn vriend alleen maar te beschermen. El Kordi verliest zich in fantasieën over het redden van zijn eigen beschermelinge, een prostituee met tuberculose, die eigenlijk niks van hem moet hebben. En rechercheur Nour El Dine is vooral gespitst op de verfijnde, intellectuele moordenaar die hier aan het werk moet zijn geweest, getuige het gebrek aan een rationeel motief; eindelijk een waardige tegenstander.

    Gelukkig de bezitlozen

    Rondom dit basale plot laat Albert Cossery (‘De Voltaire van de Nijl’) zijn gedachtegoed de vrije loop. Kortweg komt het erop neer dat een mens gelukkiger is naarmate hij minder bezit en minder wenst te bereiken. De auteur wil laten zien dat armoede waardigheid bevat, terwijl rijkdom afschuwelijk is maar ook lachwekkend. Hij spot met elke vorm van maatschappelijke hiërarchie, steekt de draak met gezag, veracht werk en moet niets hebben van wat als vooruitgang bekend staat. Wanneer hij een personage laat rondlopen in ‘de Europese wijk’, dan is dat een plek om snel uit weg te komen. De achterbuurten waar de overheid zich niet waagt, gelden daarentegen als toonbeeld van het goede leven: ‘Achter de onvervreemdbare armoede en de weigering deel uit te maken van de beschaafde wereld ging een enorme kracht schuil die geen enkele aardse macht ooit zou kunnen bedwingen.’

    Cosserys ‘filosofie van de spot’ komt in dit boek weer ongezouten naar voren. Regelmatig lijkt de schrijver het zelfs helemaal over te nemen van de personages, die in feite als zijn spreekbuis optreden. Dit geeft De trotse bedelaars al snel een schematisch karakter. Zodra het punt van de schrijver duidelijk is, kent de leeservaring geen nieuwe impulsen meer. De dialogen en verhaalontwikkeling richten zich louter op het overbrengen van Cosserys levensopvatting. Die cynische en spotzieke filosofie zelf is enerzijds verfrissend en scherp. Maar het heeft tegelijkertijd ook wat onmenselijks, omdat de auteur de oeroude menselijke drang om vooruit te komen enkel met dedain beziet. Voor mededogen of het kleine gebaar is bij hem weinig ruimte. De trotse bedelaars bevat daarnaast helaas minder humor dan Grote dieven kleine dieven, waarin het wemelt van de bijtende grappen. Het dichtst hierbij in de buurt komt nog het portret van de buurman van Gohar. Dat is een beroepsbedelaar zonder armen en benen, die door zijn echtgenote beschuldigd wordt van ontrouw. Een bron van pret voor de onthechte filosoof en ongetwijfeld ook voor de schrijver.

    Geest van complexiteit

    Albert Cossery heeft een unieke stem. Mooi dat die nu ook in het Nederlands klinkt en gretig wordt opgepikt. Maar die bijzondere stem staat niet garant voor goede literatuur, zo blijkt wel uit De trotse bedelaars. De filosofie van de spot slokt hier alle nuance op. Dit geldt zeker voor de personages, die simpelweg fungeren als stromannen. Bij Cossery zijn de dingen helder, misschien het omgekeerde van wat je als Westerse lezer op voorhand verwacht, maar toch: de zaken zitten eenvoudig in elkaar.
    Tegenover de romanopvatting van Cossery, die eigenlijk een maatschappelijk-politiek schrijft, staat de opvatting van bijvoorbeeld Milan Kundera. De geest van de roman is volgens hem de geest van complexiteit. Personages zijn daarbij de peilstokken om te ontdekken wat alleen de roman ontdekken kan.

     

  • Verstrikt in zijn eigen verhaal

    Verstrikt in zijn eigen verhaal

    Het startpunt van Scotty Gravenberchs roman De ploegscharen van Deik is even somber als veelzeggend: een dronken nieuwslezer gaat viraal, en dat betekent het einde van zijn carrière. De scène vat de twee centrale thema’s van het boek aardig samen: de macht van de media en het menselijk falen.

    Tot die online uitglijder had de hoofdpersonage Deik – hij houdt niet van zijn naam maar behoudt hem toch om het hart van zijn vader niet te breken – een beloftevolle loopbaan als presentator van het ochtendjournaal. Het is de tijd van nine-eleven, of ‘nine one one’ in Deiks vocabulaire. Zijn New Yorkse vriend Mitch helpt hem aan een potentieel spectaculaire primeur over een complottheorie, maar Deiks eindredacteur wijst de scoop van de hand. Deik voelt zich miskend. Toch blijft hij bij het journaal, want het vaste inkomen is nodig voor een hypotheek. Die vaste baan kan hij vergeten als hij ontslagen wordt na dat ene bewuste filmpje. Daarmee komt hij terecht in een neerwaartse spiraal, met als culminatiepunt dat hij zich in een verduisterde kelder bevindt, schuilend van de wereld en misschien ook van zichzelf.

    Charmante schoft

    De weg naar de kelder heeft vele tussenstations. Onder andere zoekt Deik Mitch op in New York, bij wijze van een tijdelijke uitkomst als hij in Nederland steeds erger verstrikt is geraakt in een web van ongelukkige gebeurtenissen. Met een spontaan verkregen vriendin reist hij naar een plek met een bijzonder gunstig uitzicht op Ground Zero: Terwijl ik poseerde met de nieuwe torens in aanbouw op de achtergrond en Doria een foto nam, kwam er een gezin langslopen. Vader, moeder, jongetje, meisje. “Asshole,” riep de vader terwijl hij mij passeerde.
    “Good morning to you too,” riep ik.’

    De foto van Deik voor Ground Zero blijft uiteraard niet zonder gevolgen.

    Met onderkoelde humor en een goed gevoel voor satire schetst Gravenberch in Deik een klassieke charmante schoft, die zichzelf niet kan helpen. Hij is aan de drank en zegt geen nee tegen drugs als de gelegenheid zich voordoet. Er schuilt misogynie in de manier waarop hij met zijn vriendinnen omgaat. Door een reeks gebeurtenissen ontwikkelt hij een achtervolgingswaan en denkt dat iedereen het op hem heeft gemunt, soms om geen andere reden dan dat hij een donkere huidskleur heeft. Wat daarvan waar en wat inbeelding is, weet hij niet meer uit elkaar te houden.

    Het epicentrum van het verhaal is een racistisch incident dat tegelijk het beste en het slechtste in Deik naar boven haalt. De timing zou niet beroerder kunnen zijn, want Deik heeft net een nieuwe baan bij een online magazine en zit vol goede voornemens: Ik mocht zeggen en schrijven wat ik wilde. Ik vroeg me af of ik nog wel iets te zeggen had, iets anders dan wat iedereen me al had horen roepen. Ik zou in ieder geval beginnen met het te herhalen. Maar dan in volledige zinnen. Zonder het gevloek, nuchter. En misschien eerst even naar de kapper.

    Het loopt anders af. Op een winterse ochtend komt hij langs een sinterklaasviering op straat. Er wordt snoep uitgedeeld. Alleen één jongen lijkt er geen zin in te hebben. De sinterklaas en een zwarte piet stappen op die jongen af, maar die steekt zijn middelvinger op. De piet valt hem aan, de jongen gaat dood. Deik speurt de piet op, die in het dagelijks leven bij de politie werkt. Er ontvouwt zich een moeizaam gesprek waarin de politieman Deik ervan wil verzekeren dat hij geen racist is. Toch publiceert Deik erover, waarna blijkt dat politie-piet verkeerde vrienden heeft die niet aarzelen Deiks leven zuur te maken.

    Raadselachtig

    Dat Gravenberch juist de sinterklaasviering voor zijn plot kiest, is niet vreemd. Al voor de eeuwwisseling publiceerde hij samen met Lulu Helder het boek Sinterklaasje, kom maar binnen zonder knecht, dat de kiem legde voor de succesvolle beweging tegen de zwarte piet. Net zoals zijn Deik was ook Gravenberch van Surinaamse afkomst en had hij een wisselende carrière als publicist, redacteur, kunstenaar en schrijver.

    In het nawoord beschrijft Pieter Hilhorst, die met Gravenberch bevriend was, hoe deze zijn leven net weer op een rijtje had toen hij onverwacht op zijn vijftigste overleed. De publicatie van zijn roman heeft hij niet meer meegemaakt. Een jaar eerder was hij naar Portugal verhuisd voor werk, maar ook om aan het boek te werken. Dat hij lang aan De ploegscharen van Deik heeft geschreven, verklaart misschien de extreem gecondenseerde manier van vertellen die geleid heeft tot een verhaal van net boven honderdvijftig pagina’s.

    Het schrappen, herschrijven en herschikken is voelbaar in het verhaal. Het resultaat is bij vlagen heerlijk absurdistisch, maar er zitten ook stukken in die raadselachtig blijven en de aandacht afleiden van de actuele thematiek. Het raadselachtige geldt zeker voor de titel, die zonder Hilhorsts toelichting een uitdaging zal zijn voor de lezer, zelfs voor de Bijbelkenners onder de lezers.

     

     

  • Leven in een mengsel van dromen en werkelijkheid

    Leven in een mengsel van dromen en werkelijkheid

    De fluistering van de sterren (vertaald door Djûke Poppinga) is een postuum verschenen verzameling van achttien korte verhalen van de Egyptische auteur Nagieb Mahfoez (1911-2006). In 1988 kreeg Mahfoez de Nobelprijs voor Literatuur, als eerste Arabische schrijver. De verhalen doken op uit zijn nalatenschap en waren bedoeld voor publicatie in 1994. Wat Mahfoez ervan heeft weerhouden om ze toen daadwerkelijk te publiceren, is niet bekend. Misschien was het de moordaanslag die er in dat jaar door moslimextremisten op hem werd gepleegd. Zij beschouwden hem een afvallige vanwege een boek uit 1959, dat in 1999 in het Nederlands verscheen als Kinderen van Gabalawi.

    Jeugd

    De sfeervolle verhalen in De fluistering van de sterren zijn een soort schetsen of impressies, vol wonderlijke gebeurtenissen, van meestal maar een paar bladzijden lang. De verhalen kennen vaak een abrupt begin en een open einde. Ze spelen zich allemaal af in een oude, arme volkswijk van Caïro, in de tijd dat Mahfoez zelf in zo’n wijk opgroeide. Mahfoez heeft bij het schrijven dus kunnen putten uit ervaringen in zijn eigen jeugd. Alle buurtbewoners kampen met ‘alledaagse’ ellende als diefstal, gokverslaving, armoede, moord en zelfverbranding.

    In de verhalen kom je tal van kleurrijke figuren tegen, zoals de alleenstaande moeder Zakiyya die de vader van haar baby blijft confronteren met hun kind. Of de ongelukkige Hasan die telkens hertrouwt met een meisje uit de buurt nadat zijn vorige vrouw is overleden. En de beeldschone Tauhieda die in de levendige verbeelding van veel buurtbewoners maar niet ouder wordt. In veel verhalen komt ook een ‘buurtsjeik’ voor, die als een soort vaderfiguur probeert het gepeupel en gedoe in de wijk in toom te houden.

    Wat de korte verhalen van Mahfoez zo bijzonder maakt, is vooral de voortdurende vermenging van werkelijkheid en bijgeloof waarin de personages leven. Voor hen is de wereld van geesten en magie even werkelijk als hun volksbuurt vol bedelaars en dieven. In bijna alle verhalen is sprake van voorspellingen, geheimen, duivels, djinns (geesten), voorgevoelens, wonderen, ceremoniën, dromen, mysteries en waarzeggers die gespecialiseerd zijn in het ‘ontsluieren van het onzichtbare’.

    De titel van het boek is dezelfde als die van het eerste verhaal. Je kunt ‘de fluistering van de sterren’ zien als een metafoor voor het web van geruchten, sprookjes, verzinsels en bijgeloof dat de bewoners van de volkswijk in zijn greep houdt. Voor elke onverwachte, vreemde of kwade gebeurtenis in hun buurt zoeken zij een verklaring in het bovennatuurlijke. De geraadpleegde waarzeggers draaien overuren.

    Besef

    De vermenging van de werkelijkheid (het alledaagse leven in stegen, koffiehuizen en illegale bordelen) en fictie (de wereld van geesten en geheimen) krijgt in een paar verhalen een bijzondere vorm. Dat is het geval op de schaarse momenten dat de buurtbewoners lijken te beseffen dat er wel degelijk een verschil bestaat tussen feiten en fictie. In bijvoorbeeld het verhaal ‘Jouw lot in het leven’, waarin verschillende buurtbewoners zonder duidelijke aanleiding in tranen uitbarsten, constateert een opgetrommelde gezondheidsinspecteur: ‘Het probleem is dat jullie het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid niet kennen’. In ‘De storm’, waarin onheilspellende kreten in de buurt een plotseling opstekende storm lijken te ontketenen, roept een buurtbewoner: ‘Behoed ons voor dromen. De werkelijkheid is al erg genoeg!’ En ‘Het einde van meester Sakr’ begint met: ‘Die nacht sloeg de werkelijkheid toe als een droom.’

    Nawoord

    Het informatieve nawoord van Mahfoez-kenner Richard van Leeuwen vormt een kwart van het boek. Daarin is te lezen dat Mahfoez, in al zijn bescheidenheid en eenvoud, in zijn land werd gezien als een groot schrijver, die zijn landgenoten met zijn werk ‘een spiegel voor de ziel’ voorhield. Hij was een grondlegger van de Egyptische romankunst en had in zijn werk altijd veel aandacht voor de ‘menselijke tragiek’. Van Leeuwen schrijft over Mahfoez’ romans: ‘Er is ook meestal een spanningsveld tussen schijn en werkelijkheid, tussen smetteloze uiterlijkheid en het verderf dat erachter schuilgaat, tussen een hoogstaand menselijk ideaal en onbedwingbare ‘lagere driften’, en tussen het streven naar integriteit en onverbloemd opportunisme.’ Hij kenschetst de nagelaten verhalen in De fluistering van de sterren dan ook als ‘onmiskenbaar mahfoeziaans’. Ze vormen dus een mooie inleiding tot de rest van het oeuvre van Mahfoez, dat slechts voor een deel in het Nederlands is vertaald.

     

  • Oogst week 8 – 2022

    De ploegscharen van Deik

    De ploegscharen van Deik is de nagelaten debuutroman van Scotty Gravenberch (1970-2020). Gravenberch was op de eerste plaats schrijver, meldt zijn broer in de Volkskrant van 9 september 2020 na Gravenberchs overlijden. Hij schreef gedichten, raps en verhalen. Geboren in Den Bosch uit een Nederlandse vader en Surinaamse moeder ging hij na de middelbare school in militaire dienst, waarna hij besloot filosofie te gaan studeren en had vervolgens allerlei banen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij werkte bij verschillende culturele instellingen, was onder meer redacteur bij het televisieprogramma Het Blauwe Licht en daarna presentator van het programma Propaganda.
    In 1998 publiceerde hij Sinterklaasje kom maar binnen zonder knecht samen met activiste Lulu Helder en stond daarmee aan de wieg van de huidige zwartepietendiscussie.

    In 2018 verscheen een voorstudie van De ploegscharen van Deik in de Revisor. Nu heeft uitgeverij Jurgen Maas de roman uitgegeven. De hoofdpersoon is een televisiepresentator van het ochtendjournaal. Zich bewust van zijn eigen paranoïde trekjes begrijpt hij nauwelijks dat mensen alles geloven wat hij als journalist voorleest. Als hij dronken fulmineert tegen doofpotten, complottheorieën, politiegeweld en opgejaagde journalisten en uiteraard de zwartenpietendiscussie gaat deze opname viral en wordt Deik het middelpunt van maatschappelijke polarisatie. Hij vlucht weg van de wereld en wil zich bevrijden van hypocrisie en leugens. Vanuit een kelder schrijft hij over uitsluiting en verzet. ‘De geschiedenis mept ons allemaal in het rond, sommigen harder dan anderen,’ zegt Gravenberch bij monde van Deik.

    De ploegscharen van Deik
    Auteur: Scotty Gravenberch
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Geluksvogels

    In 1922 stelde Luigi Pirandello zich ten taak één verhaal voor elke dag van het jaar te schrijven. De eerste novelle ging terug tot 1894, het jaar waarin hij trouwde. Toen hij stierf in 1936 had hij voor dit project 246 verhalen geschreven. In Geluksvogels is een aantal van deze novellen samengebracht.

    Pirandello had een groot psychologisch inzicht. Dat, gepaard aan – soms donkere – humor en mededogen met de mens, maakt hem tot een veelzijdige schrijver. Die veelzijdigheid is terug te vinden in Geluksvogels. De verhalen zijn onder te verdelen in surrealistisch, Romeins en Siciliaans. Zo laat hij een geëxalteerde actrice het tegen een vleermuis opnemen, toont hij Romeinse saaiheid en  kleinburgerlijkheid en maakt hij van Siciliaanse boeren groteske personages die tegen de kerk strijden. Zijn beschrijvingen van het landschap grenzen soms aan het hallucinerende.

    Pirandello schreef toneel, poëzie, romans en verhalen. Hij is vooral bekend om zijn roman Iemand, niemand en honderdduizend, een ironisch maar ook humoristisch boek. In 1934 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur. Hij is nog steeds actueel. Onderzoek naar Pirandello en zijn werk wordt onder meer gedaan door Studio di Luigi Pirandello in Rome en de Luigi Pirandello Stichting aan de KU Leuven.

     

    Geluksvogels
    Auteur: Luigi Pirandello
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jouw afwezigheid is duisternis

    De IJslandse schrijver Jón Kalman Stefánsson wordt een unieke vertelstem toegedicht, een die zweeft tussen poëzie en proza. Maar hij is meer dan dat, de stem getuigt ook van groot realisme, met details die de gebeurtenissen zich voor je ogen doen afspelen. En hij beschikt over een laconiek gevoel voor humor:
    Als de hoofdpersoon van Jouw afwezigheid is duisternis in een plattelandskerk naast een kleine fjord in IJsland wakker wordt, kan hij zich niets van zichzelf herinneren en weet hij niet wie hij is. Omkijkend ontdekt hij achter zich een man, aan wie hij vraagt: ‘Bent u soms de predikant van deze kerk?’ waarop de man antwoordt: ‘Alleen maar dat ik hier zit, maakt dat mij tot predikant? Ben je dan een bisschop omdat je dicht bij het altaarstuk zit? Ben ik een buschauffeur als ik naast de bus sta, een dokter als deze kerk een ziekenhuis zou zijn, een misdadiger of een bankdirecteur als we elkaar in een bank waren tegengekomen? En als ik dit allemaal zou zijn, hoelang ben je wat je bent, want verandert het leven niet constant wat je bent, dat wil zeggen, als je redelijk in leven bent – wanneer hou je op predikant of misdadiger te zijn en word je iets totaal anders? […] Wanneer heet iemand Dingdong of Snuffel en wat is een betere naam?’ Daarna gaat hij nog even filosofisch door.

    Even later wordt deze man de gids van de hoofdpersoon met wie hij op zoek gaat naar diens verleden. Tijdens de reis ontvouwt zich de wonderbaarlijke wereld van een fjord in IJsland. Onderweg ontmoeten ze opmerkelijke personages. Een kapitein is gefascineerd door Kierkegaard en weet alles over de filosoof, een dominee correspondeert met een Duitse dichter die allang is overleden en een vrouw op het platteland schrijft een artikel over regenwormen. Bij Stefánsson zijn gewone mensen veel interessanter en ook complexer dan ze op het eerste gezicht lijken.

     

    Jouw afwezigheid is duisternis
    Auteur: Jón Kalman Stefánsson
    Uitgeverij: Ambo Anthos
  • De reiziger

    De reiziger

    Er staat een jongeman in een oranje hesje aarzelend met een motorzaag bij de haag op de scheidslijn van onze tuin. De motor ronkt, ik open de tuindeur, roep, ‘Hey, hallo!’ Hij hoort me niet. Ik loop naar hem toe. Hij trekt de gehoordempers van zijn hoofd. Hij weet niets van hagen die niet gesnoeid mogen. ‘Dat geeft niet’, zeg ik. Het dunne snorretje waarachter een slordig litteken zichtbaar is, trilt. Zijn strakgetrokken ogen kijken me aan alsof er een oppermacht spreekt. Ik denk koffie, zeg, ‘het geeft niet, ik begrijp het, rustig maar’, (nee, niet dat laatste), als heb ik te maken met een in het nauw gedreven hinde (ook jongens zijn hindes). Hij stapt achteruit. Ik zeg nog, ‘Bedankt! Zie hem weglopen. Heb ik nu iemand weggestuurd? Denk aan mijn moeder, voor wie het gewoon was stratenmakers, huisschilders koffie aan te bieden. Ook denk ik de wereld aardig te begrijpen, volg het sociale debat, lees de kranten. Toch heb ik me nog nooit zo onwetend gevoeld als na het lezen van de verhalen van een reiziger, een cultuurverbinder. Over gastvrijheid, waarvan ik alles dacht te weten.

    In de hoofdstad van Albanië ziet de reiziger te midden van nieuwbouw op een eilandje in het midden van de rivier een traditioneel stenen huis. Waarom is dat blijven staan? Zijn gids vertelt over Albanese tradities. Dat je iedereen die aan jouw deur klopt binnenlaat. Ze te eten en een slaapplek geeft zolang ze willen blijven. In dat stenen huis woont een ouder echtpaar dat ooit hun zoon verloor, doodgeschoten door een jaloerse klasgenoot omdat hij zoende met het meisje dat hij ook begeerde. Na de moord klopte de jongen aan bij het huis, de ouders lieten hem binnen, gaven hem een maaltijd, een bed. Een andere traditie zegt dat je met je gasten mag doen wat je wil zodra ze één stap buiten de deur zetten. ‘De vader heeft zijn geweer klaarliggen. De jongen die hem zijn trots en geluk heeft ontnomen, intussen een volwassen man, verlaat het huis niet. Zo is het al jaren. En zolang de situatie niet verandert, blijft het huis daar staan.’

    Waarna dit boek over vreemdelingen, oorlog, gastvrijheid, me niet meer loslaat. Waarin ‘vreemde in eigen stad’ een andere connotatie  krijgt dan die van overlast door vluchtelingen ervaren. De weg teruggaan die de vluchteling gekomen is, dat is wat de reiziger doet.

    Hij bezoekt een kerkhof in Tunis. Een man bij een vuurtje waarboven een koperen theepot hangt, vraagt naar zijn bedoelingen. De reiziger, ‘Mij interesseert de horizon die mensen meenemen naar Amsterdam. Ik denk dat ik ze niet goed kan ontvangen als ik die niet ken.’ De man wijst hem op een oudere dame, haar huishouden om haar heen uitgestald, stapels gevouwen wasgoed. Ze heeft vijf zoons. De moordenaar van Nice, Brahim Aouissaoui, was haar jongste, vertelt de man. Hij sprak hem wel eens, niks mis mee, tikje schichtig. Kocht zich een plek op een boot die het haalde naar Lampedusa. Daar kon hij niet blijven, met zijn laatste geld ging hij naar Frankrijk. Daar liep hij de kathedraal van Nice binnen, vermoorde de koster, twee biddende vrouwen. ‘Sindsdien doet zijn moeder niets anders dan kleren wassen en vouwen en koken voor haar jongens, die ze verbiedt een stap buiten het kerkhof te zetten. Ze mogen niet eens naar de zee kijken. Laat staan ernaartoe. Die mensen hebben geen horizon meer over.’
    Het is een van de mooiste, wonderlijkste verhalen in deze bundel, die al mijn gepolderde ideeën over gastvrijheid onder water zetten. Dan heb ik het nog niet gehad over de jongen die model stond voor de omslag van het boek. Een geweldig mooi boek dat je opnieuw wilt lezen, om het zoekende, de fijnheid van het vertellen. Te achterhalen wat de werkelijkheid is, die steeds iets rechter in beeld te krijgen.

     

    Gastvrijheid / Chris Keulemans / pag. 243 / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.

  • Literatuur als eerste levensbehoefte

    Literatuur als eerste levensbehoefte

    Allah kent in de Koran vele aanprijzingen. Om in de hemel te komen moeten moslims al Zijn negenennegentig kwaliteiten op kunnen dreunen. Dit lijkt zwaar, maar is in feite een peulenschil: orthodoxe moslims geloven dat ze de Koran van kop tot staart uit het hoofd moeten leren én reciteren. Het prachtige Allah 99, geschreven door Hassan Blasim, verdient eveneens negenennegentig loftuitingen. In dit werk spreekt de in Finland wonende Irakees Hassan met talloze vluchtelingen die in Europa verblijven. Het is niet overal ‘Wir schaffen das!’ wat de klok slaat: ‘We doen onderzoek in de ruimte en op de bodem van oceanen, maar zijn niet bereid te zoeken naar een medicijn tegen de haat die tussen onze oren zit.’

    Het is een ongekend boek, dat – door meerdere critici al beweerd – de westerse literatuurconventies doorbreekt. Maar hoe doet Blasim dat? Ten eerste laat hij personages aan het woord die het beschavingsideaal van de westerse Verlichting verpulveren. Ten tweede experimenteert de schrijver met de dialectiek uit het oude Griekenland, die tot op heden in kerken wordt onderwezen, om vervolgens tot een nieuwe religie te komen. Ten derde frustreert hij elke genrebepaling zodanig, dat de lezer wel mee moet in de versplinterde literatuur, die door oorlog en geweld verscheurde personen nu eenmaal produceren. Literatuur is voor hem bittere noodzaak en het enige geloof dat de mens nog rest.

    Bemoeienis is nog geen verbondenheid

    ‘Ladies and gentlemen, we got ‘em!’ Deze iconische woorden van republikein Paul Bremer brachten het Amerikaans chauvinisme tot uitbarsting. Ze betekenden een glansrijke overwinning van het wederom superieure Westen op de terreur: Saddam Hoessein was overmeesterd. Alleen even een democratie instellen in Irak, en je krijgt een verlicht land. Toch? Schrijfster Alia, grand dame uit de Iraakse literatuur, met wie Hassan in elk hoofdstuk vriendschappelijk correspondeert, sombert: ‘Ik raak er van overtuigd dat Irak een doodlopende weg is ingeslagen. De arrogantie van de Amerikaanse supermacht …[maakt]… het aantal messen in het land steeds groter.’ Een socialist die zijn zoon aan een autobomaanval verloor, zegt over de westerse inmenging in het Midden-Oosten: ‘Ze zaaiden chaos, waardoor ze, onder hun supervisie, een voedingsbodem voor het islamitisch terrorisme in ons land creëerden. (…) Ooit zal het Westen de prijs moeten betalen voor de ravages die het op meerdere continenten heeft aangericht.’ 

    In het ‘beschaafde’ Noord-Europa verloopt ondertussen de acceptatie van asielzoekers uiterst moeizaam: ‘Ik had het niet voor mogelijk gehouden dat ik in Finland iemand zou tegenkomen die filosofie doceert en tegelijk een racist is.’ Een van Hassans kennissen in Helsinki, Heidi, werkt voor vluchtelingenwerk en blijft de simplificatie ‘islamitische wereld’ gebruiken. Mikko, een mislukte acteur, stelt de onnozelste vragen, ondanks hun jarenlange contact. Zo ook in het café met de ironische naam De Smeltkroes: ‘Luisteren jullie naar dit soort muziek in jullie land?’ Op echte hulp en bijstand van Europeanen hoeven vluchtelingen niet te rekenen; ze zijn tijdelijke ballast en moeten snel maar weer terug naar hun land van herkomst.

    Apostel Palomar

    ‘Wat is uw enige troost in leven en sterven?’ is de eerste vraag die de Heidelbergse Catechismus stelt aan christelijke leerlingen. Door 129 vragen en antwoorden ontdekken zij de rode draad in de multi-interpretabele Bijbel en in Gods geboden. Hassan Blasim heeft zijn eigen Bijbel: Palomar van Italo Calvino. Deze dikke, besnorde goedzak vergezelt hem tijdens zijn vlucht van Bagdad naar Helsinki en fungeert als vraagbaak bij Hassans literaire project: ‘Wat vind je ervan als we de personages, zonder onze tussenkomst, laten praten?’ 

    En zo krijgt Allah 99 dus vorm. Wanneer Hassan in een impasse geraakt, zijn writer’s block opspeelt of zijn emoties hem de baas zijn, sleept Palomar hem erdoorheen. 

    Er ontspint zich een dialectisch vraag- en antwoordgesprek tussen de Irakees en zijn imaginaire vriend Palomar. Zij komen tot een meesterlijk besef: ‘Palomar hoopt altijd dat stilte meer inhoudt dan taal kan uitdrukken. Maar wat als woorden het doel zijn waar alles in het bestaan naar streeft?’ Oftewel: het woord is niet God. Het woord is tot Alles in staat. Hoe anders konden islamitische, communistische, nazistische, kapitalistische en katholieke regimes zo veel volgelingen met taal betoveren en hen overhalen tot gruweldaden? Of het nu gaat om ‘Allah is groot’, ‘Proletariërs aller landen, verenigt u!’, ‘Deutschland über alles!’, ‘The sky is the limit’ of ‘Ik ben het Licht, de Waarheid en het Leven’, woorden kunnen uitsluiten, met alle gevolgen van dien. Wellicht kan taal de mens nu eens een keer tot eer strekken. Die hoop is Hassans enige troost in leven en sterven. Literatuur is zijn geloof, de taal zijn Kerk. Iedereen is er welkom.

    Splinterliteratuur: eensgezind in ontbinding

    Hassans taalgebruik doet de mens recht door de gevolgen van diepgewortelde overtuigingen te tonen: aan stukken gereten levens. Niet alleen de personages zijn verscheurd door hun gewelddadige verleden én hun ballingschap in Europa, het boek zelf hangt bovendien van talige gruzelementen aan elkaar. Allah 99 wijst elke vernauwing tot een bepaald genre af om zo de versplintering van vluchtelingen invoelbaar te maken: eenheid ontbreekt. 

    Wanneer vriendin Alia het manuscript van Allah 99 voor het eerst leest, citeert ze de Poolse schrijver Gombrowicz om Hassan in zijn onderneming te stimuleren: ‘Schrijf twintig pagina’s zonder pauze, zet alles op papier wat er uit je pen komt, ook al is het gebazel. Laat het daarna een tijdje liggen, zodat het geheel zijn logica kan hervinden.’ En zo wordt het gebrek aan eenheid de enige logica. 

    Het werk heeft iets weg van een reportage, interview, dichtbundel, autobiografie, briefwisseling en roman. Ook wisselt Blasim geregeld van vertelperspectief én is hij vaag over de plaats van handeling, waardoor vaak onduidelijk is wie er spreekt en waar ‘we’ ons überhaupt bevinden. Met deze stilistische keuzes verbeeldt Blasim de identiteitsworsteling en desoriëntatie van dolende aardbewoners sterker dan welk ander woord ook maar had kunnen doen. De lezer krijgt geen kans het verhaal te begrijpen: hij kan slechts volgen aan de hand van verhalensmokkelaar Hassan Blasim, de profeet van de splinterliteratuur. 

    Afrekening

    ‘Zet mij maar neer in een jungle, dan red ik me prima.’ Je hoort het vaak genoeg als bevoorrechte mensen mijmeren over een nomadisch bestaan. Na het lezen van Hassan Blasims boek piepen ze wel anders. Een luidruchtige Australiër in een Finse bar debiteert soortgelijke quasi filosofische praatjes over de mens als zoekend, zwervend wezen. Blasim countert: ‘Zou een Nigeriaan, een Pakistaan of Irakees zich die luxe ook kunnen permitteren? Je vrouw bedriegt of verlaat je en dan besluit je in Finland te gaan wonen. De Nigeriaan zou oceanen moeten oversteken, en als hij al door de haaien werd gespaard en uiteindelijk heelhuids op zijn bestemming aankwam, zou hij alsnog een smakelijk hapje voor de haaien van het racisme worden.’ Was de wereld maar écht van iedereen.

     

  • God kan niet zonder de duivel

    God kan niet zonder de duivel

    Al maanden staat Ik ga leven van Lale Gül in de bestsellerlijsten. Haar roman is een (voorlopige) afrekening met het verstikkende Turkse gezin waarin ze werd geboren en waarin de strenge uitleg van de Islam dogmatisch is. Ik ga leven kent diverse voorgangers van in Nederland opgegroeide kinderen van niet-westerse ouders. Die trokken minder de aandacht. Ook zij deden, al dan niet in romanvorm, verslag van hun worstelingen met het geloof en de cultuur van hun ouders. Zo publiceerde Dina Perla (Portnaar) in 2017 Exodus uit de vuurtoren over haar jeugd in een orthodox joods gezin en deed Rahma El Mouden dat twee jaar later in Rahma. De weg naar mijn vrijheid over het Marokkaanse moslimgezin waarin ze was geboren. Nog verdere voorlopers waren in Nederland Maarten ’t Hart en Jan Wolkers over hun gereformeerde jeugd en de losmaking daarvan. Die laatste twee waren enigszins de inspirators voor de roman De dagen van Sjaitan van Said el Haji (1976), die in 2000 verscheen en nu, juist tijdens het succes van Lale Gül (die eveneens ’t Hart en Wolkers las), is herdrukt.

    Wolken

    In de roman van Said El Haji is de hoofdpersoon Hamid het enige in Nederland geboren kind in een Marokkaans islamitisch gezin in het fictieve Berkerode, dat duidelijk verwijst naar de woonplaats van de auteur, Berkel en Rodenrijs. Het gezin woont er met naast Hamid nog een oudere zoon, Omar – een dochter is in Marokko blijven wonen. De vader is fanatiek religieus en treedt hardvochtig op tegen zijn kinderen van wie hij verlangt dat zij trouw bidden en de Koranschool bezoeken om er de onbegrijpelijk soera’s in hun hoofd te stampen. Hamid tekent liever (wolken bijvoorbeeld, omdat figuren door Allah zijn verboden) en voelt zich meer thuis onder Nederlandse jongens. Zijn vader straft hem echter voor elke neiging af te dwalen van de islamitische leer. Hamid is daar niet tegen op gewassen en groeit op in een alsmaar groeiende angst voor zijn vader wiens wil samenvalt met die van Allah. Hij noemt Hamid een moederskindje omdat hij bij steeds troost zoekt bij zijn moeder Fatima. In zijn dromen baant Hamids wrok tegen zijn vader zich een uitweg in een alter ego als Sjaitan (Satan). In die rol gaat hij stevige discussies aan met zijn vader en de imam over het geloof en de opvoeding.

    Klokken

    Sjaitan is er met zijn vrienden Tofik en Abd Razaq op uit openlijk te shockeren. Hij drijft bijvoorbeeld de imam tot grote woede met een (vermakelijk) verhaal over Allah die de mensen verstand toebedeelde omdat hij zijn toorn niet wist te beheersen. De imam vindt het een grove belediging, waarop Sjaitan zegt: ‘Ik beledig niet, ik houd gewoon een preek, net zoals jij dat doet (…) “Vrije meningsuiting” heet dat. Wat loop je nou te zeuren, jullie doen hetzelfde vanuit jullie minaretten (…) oproepen tot het gebed is een achterhaald gebruik, man. Het stamt uit de tijd dat mensen nog geen klok hadden en niet wisten hoe laat het was (…) jij leeft nog tussen de schapen en de ezels’.
    De roman doet in sommige van die dialogen boeddhistisch aan. Het dualistische van het fundamentalisme en van misschien wel elke theïstische religie verwerpt Hamid/Sjaitan. Er is niets uitsluitend goed en al het andere slecht; die twee kunnen niet zonder elkaar en ze zijn in elk mens aanwezig, vindt hij. Daarover hieronder meer.
    Over de generatiekloof praat hij al even onomwonden. Sjaitan verwijt de oudere geïmmigreerde Marokkanen dat ze nog steeds dromen van een terugkeer naar de Maghreb: ‘En daarom is jullie er alles aan gelegen om onze integratie hier ten koste van alles tegen te gaan – omdat jullie nog altijd een terugkeer in het verschiet zien! Maar jullie kinderen leven híér en dromen niet met jullie mee. Hun enige reële basis is hier’.

    Tyfusturk

    Hoewel De dagen van Sjaitan hier en daar wat vervalt in clichés en uitleggerige zinnen (‘Het doosje vloog door de lucht over de wel twee meter hoge preekstoel (die in de hoek stond) en zou bijna een parabool hebben beschreven, indien het zich hierin niet halverwege belemmerd zag door een luie muur, die niet van wijken wilde weten’) zijn de literaire ambities toch wel herkenbaar. En geslaagd, zeker als je bedenkt dat de roman El Haji’s debuut was. Tekstueel blijkt dat uit de karakterschetsen van bijvoorbeeld de imam of de dwaas Amar en in de soms subtiele steekjes naar Nederlanders die ‘buitenlanders’ op één hoop vegen en dus een Marokkaan voor ‘tyfusturk’ uitschelden. Het geldt vooral voor de opzet van de roman: de keuze voor de alter ego’s natuurlijk, maar ook voor de compositie. Die begint met een mythisch aandoende vertelling Val der Engelen, waarin de Vader zijn laatste engel die net als in de roman Hamid heet tevergeefs probeert te behoeden voor zijn val. Ook daarin zegt Hamid al dat de wereld niet zwart-wit is: ‘Is het niet naïef te denken dat het goede over het kwade zegeviert? Is dat niet een al te oppervlakkige gedachte? Vader?’ Daartegenover staat aan het slot het Klaaglied der Verlossing waarin Hamid steeds beelden terugziet van zijn vader als een soort Sjaitan.
    Maar ook binnen de aldus omsloten roman vormen twee hoofdstukken met dezelfde titel Hedendaags weer een cirkel. In het eerste daarvan vraagt Hamid zich na een ontmoeting met de imam op zijn fiets af: ‘Ligt Sjaitan niet in de mens zelf besloten – opgesloten, vastgeketend aan de zwaarste kettingen van goedheid: God?’ In het tweede deel met die titel keert hij dit om als hij dezelfde imam in de trein ontmoet: ‘[Allah ligt] ook in hem besloten – opgesloten, vastgeketend aan de zwaarste kettingen van zijn slechtheid: Sjaitan’.

    Naïef

    Tekenend in dit verband is dat El Hajid zijn roman, ondanks alle haat jegens zijn vader, aan hem opdraagt. Die stierf in het jaar van de verschijning van de roman, 2000, maar de opdracht is in 2021 blijven staan. Nieuw is in deze herdruk een Nawoord van de auteur, waarin hij noteert: ‘Ik dacht oprecht dat mijn Marokkaanse generatiegenoten zich door mijn boek gesterkt zouden voelen om korte metten te maken met hun dubbele levens, gewetensnood en schaamte. Ze hadden niets anders te vrezen dan hun eigen angst, meende ik. En dat was naïef van mij. Wat ik onderschatte was hun loyaliteit en trots’. Een jaar na zijn debuut vlogen de vliegtuigen de Twin Towers in. Dat tastte niet alleen het Westen aan, ‘maar ook mijn interpretatie’, besluit hij.
    Die zelfreflectie laat een mildheid en relativering zien waaraan Lale Gül wellicht nog toe zal komen.

     

     

  • Oogst week 15 – 2021

    Het eigenlijke

    De Duitse schrijfster Iris Hanika (1962) won de LiteraTour Nord-prijs en de EU-prijs voor literatuur met haar roman Das Eigentliche, in het Nederlands vertaald als Het eigenlijke door Jantsje Post.
    Het ‘eigenlijke’ betekent voor iedereen iets anders. Voor Hans Frambach, de hoofdfiguur in deze roman, zijn het de misdaden in het nazitijdperk waar hij na de oorlog niet mee leven kan. Hij werkt als archivaris bij het Instituut voor ‘Exploitatie van het Verleden’ in Berlijn maar overweegt een andere baan te zoeken.

    Voor zijn enige vriendin Graziela stond verbijstering over dit oorlogsverleden centraal – totdat ze een man ontmoet die haar begeert en vanaf dat moment zoekt ze ‘het eigenlijke’ in de vleselijke liefde; een concept waar ze nu aan begint te twijfelen.
    Is het het nationaalsocialisme dat verantwoordelijk houden voor hun ongelukkig zijn? Of is het hun eigen onvermogen waardoor ze geen geluk vinden? Iris Hanika laat zien hoe misdaden uit het verleden tot op de dag van vandaag een rol spelen in het leven van anderen. Met een belangrijke rol voor de professionalisering van het herdenken, en waartoe dit kan leiden.

     

    Het eigenlijke
    Auteur: Iris Hanika
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Chinatown

    Uit Ronelda S. Kamfers (1981) vierde, tweetalige bundel Chinatown, spreekt een activistische en overtuigende taal. Er zit woede in haar gedichten, evenals ironische humor. Kamfer dicht over haar geschiedenis van complexe familieverhoudingen, hoe je een dochter opvoedt in het Zuid-Afrika van nu. Ronelda S. Kamfer zegt de helft van haar leven op zoek te zijn geweest naar een vorm van feminisme die ook over haar en de vrouwen uit haar gemeenschap gaat. ‘Mijn moeder en ik hadden de stille afspraak dat ik met mijn leven zou doen wat ik zelf wilde. Ze keek dan ook niet op toen ik zei dat ik wilde schrijven. De enige waarschuwing die zij me gaf was: ‘As jy besluit wat jy gaan skryf, moenie skryf vir ’n gat nie.’ (Als je weet wat je gaat schrijven, vrkloot het dan niet.)

    Haar moeder kan tevreden zijn, er is integendeel iets ‘vrkloot’. Met deze uitdagende bundel confronteert ze op vaak luchtige wijze haar lezers met de realiteit van marginalisering, armoede en geweld, alles  beschreven vanuit haar eigen ervaringen. Daarnaast bevat Chinatown ook intieme gedichten over liefde, familie en ouderschap. Kortom, een zeer uitgesproken bundel.

     

    Chinatown
    Auteur: Ronelda S. Kamfer
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Stilte is mijn moedertaal

    De Eritrese schrijver  Sulaiman Addonia (1972) vluchtte in 1976 met zijn familie naar een vluchtelingenkamp in Soedan, waar zijn vader vermoord werd. Met zijn moeder en jongere broer verhuisde hij naar Jedda waar hij zijn jeugd doorbracht. In 1990 vroeg hij asiel aan in Engeland en sindsdien woont hij in Londen. Hij debuteerde met de roman Als gevolg van liefde waarin hij over zijn eigen ervaringen schreef over het leven in een vluchtelingenkamp.

    Zijn tweede roman Stilte is mijn moedertaal gaat over Saba, een jong meisje dat met haar familie hals over kop moest vluchten en speelt eveneens in een vluchtelingenkamp. Ze komen terecht in een Oost-Afrikaans vluchtelingenkamp. Het leven daar is hectisch en onveilig voor een jong meisje. Dan is er ook nog Hagos, haar zwijgende broer die ze beschermen moet tegen de gangbare normen. Broer en zus weigeren zich te schikken in de rol die hen wordt opgelegd. Aan de hand van intrigerende personages onderzoekt de schrijver wat het betekent om een man of een vrouw te zijn. Wat het betekent een individu te zijn wanneer je geen thuis of toekomst hebt.

    Addonia analyseert hoe het kan dat een samenleving in staat is de oorlog te verklaren aan haar eigen vrouwen. Hij vertelt de verhalen die nodig zijn om te overleven in een vijandige omgeving.

     

    Stilte is mijn moedertaal
    Auteur: Sulaiman Addonia
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Egotripper met een ‘hondenfluitje’

    Egotripper met een ‘hondenfluitje’

    Het overgrote deel van de Nederlandse bevolking zet Thierry Baudet graag weg als een narcistische aandachtsjunk zonder programma. Hij bewijst echter voortdurend dat hij daarmee niet kan worden afgeserveerd. In zekere zin geldt voor iedereen – zowel voor zijn vóór- als tegenstanders – wat Chris Aalberts in de slotalinea van zijn De partij dat ben ik. De politieke beweging van Thierry Baudet vaststelt over leden van Forum voor Democratie, die hun eigen ideeën pas kunnen volgen door hem te negeren: ‘Ze kunnen wel doen alsof Baudet niet bestaat, hij bestaat wel. Baudet is de partij’.  Je kunt hem links – of liever: (extreem)-rechts – laten liggen, maar hij is er. Hij wurmt zich in beeld, trekt zijn mond open, bespeelt de media. Maar vooral: hij trekt kiezers.

    Eind vorig jaar verschenen twee boeken over dit fenomeen: Mijn meningen zijn feiten van Harm Ede Botje en Mischa Cohen en De partij dat ben ik van Chris Aalberts.
    Dit tweede boek bestrijkt de periode van de opkomst van Baudet in 2014, toen nog als leider van de denktank Forum, tot het begin van de implosie van de partij eind 2020 (Aalberts vermeldt nog de onthulling in HP/De Tijd over racistische appberichten binnen de jongerenafdeling, maar zijn boek was al verschenen toen de tot JA21 leidende scheuring plaatsvond met de daarop volgende leegloop).

    Aalberts is een insider. Hij schreef al eerder over de aantrekkingskracht van rechts, zoals in Achter de PVV en in De puinhopen van rechts. Hij maakt in 2014 onderdeel uit van de denktank van Forum, maar drijft er al vrij snel van af. Niettemin blijft hij partijbijeenkomsten, presentaties en ‘borrels’ bezoeken en volgt hij van zeer nabij activiteiten van Forum voor Democratie in het land. De eerste jaren is hij welkom, al krijgt hij wel kritiek op artikelen die hij schrijft voor onder andere de website ThePostOnline. Dat slaat de laatste jaren om tot hij in 2020 door Baudetadepten wordt bedolven onder hatemails en verwensingen op internetfora naar aanleiding van zijn boek.

    Jaguar

    Het relaas van Aalberts biedt vooral een beeld van miscommunicatie, egotripperij, machtswellust en kretologie zonder argumentatie. Machtswellust en miscommunicatie niet alleen van Baudet overigens. Ook de meer naar het midden neigende Henk Otten maakt er soms een potje van. In de eerste jaren wordt de dienst volledig uitgemaakt door Thierry Baudet, Henk Otten en Jeroen de Vries die in hun partij-Jaguar het land bereizen en alle besluiten nemen. Om vervolgens te merken dat Baudet daarna toch zijn eigen plan trekt. Het is het patroon dat Forum voor Democratie (lees Baudet) de komende jaren steeds zal volgen. Een sterk voorbeeld zijn de moeizame pogingen om deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen in 2018, die uiteindelijk alleen in Amsterdam van de grond komen, maar al meteen conflicten opleveren omdat Baudet zwaait met nationale ambities waar gemeentebesturen niets over te zeggen hebben.

    Provincie

    Nog schrijnender is wat er rond de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 2019 gebeurt. Het zijn de verkiezingen die Forum met daverende cijfers wint; een overwinning die Baudet viert met zijn befaamde ‘Uil van Minerva’-speech. Al snel blijkt dat die verkiezingen Baudet alleen interesseerden omdat de gekozen Statenleden later de samenstelling van de Eerste Kamer bepalen. Baudet is vooral blij omdat zijn partij nu in de Senaat de grootste wordt. De provincies interesseren hem niet. De gekozen kandidaten hebben nauwelijks politieke ervaring en krijgen steeds vaker het gevoel dat ze alleen vanwege hun loyaliteit aan de grote leider op de lijst zijn gezet om zo zijn partij in de Eerste Kamer te katapulteren. Zijn thema’s zijn landelijk. De provincies kunnen daar niets mee. De Statenleden hebben bovendien geen enkele ervaring met de pers.
    Aanvankelijk bereikt Baudet wat hij wil. Zijn partij wordt de grootste in de Eerste Kamer. Maar drie maanden later is hij al een kwart van die meerderheid kwijt door – andermaal – egotripperij, machtswellust en gebrek aan communicatie.

    Verwarring

    Aalberts gaat in zijn boek uitvoerig in op de ophef die ontstaat door uitlatingen van Baudet die grote verdeeldheid zaaien. Aanvallen op zijn opmerkingen over ‘homeopathische verdunning’, het Tribunaal van Neurenberg, het lagere IQ van niet-witten, de boreale zuiverheid, het behoud van de Nederlandse cultuur enzovoort dringen Baudet voortdurend in een rol waarin hij onderbouwing moet leveren. Dat kan hij vrijwel nooit. Hij verzint wetenschappelijke onderzoeken of beschuldigt zijn aanvallers van idiote verdraaiingen van zijn woorden. Hij trekt zijn beweringen nooit in, en bij evident ongelijk volgen geen excuses maar een switch naar een zogenaamd bredere achtergrond die de nepnieuwsmedia volgens hem willen ontkennen. Terwijl hij zijn critici in zo’n geval alleen maar bevestigt in hun opvatting dat hij redeloze onzin uitslaat, vervreemdt Baudet zijn fanatiekste aanhang niet. Die blijft hem trouw omdat hij de verwarring in stand weet te laten. Critici spreken in dat verband over ‘hondenfluitjes’, zoals in het geval van ‘boreaal Europa’. Baudet legt op vragen van de pers uit dat ‘boreaal’ niets anders betekent dan ‘noordelijk’, terwijl hij donders goed weet dat de term in extreemrechtse kringen een codewoord is voor arisch en blank – en het door die kringen ook zo begrepen zal worden.

    Overcompensatie

    Met zijn boek geeft Aalberts een consistente en heldere beschrijving van de geschiedenis van Forum voor Democratie die voor veel lezers wat meer achtergrond geeft bij wat zij al weten. Hij spaart daarbij ook de media niet. Die lijken zo geschrokken van wat ze allemaal niet hadden zien aankomen toen Pim Fortuyn tegen alle verwachtingen in enorm populair werd, dat ze nu uit een drang naar overcompensatie alle bewegingen van rechts nauwkeurig volgen. Zoals al opgemerkt: negeren kan nauwelijks. Baudet is er. En de angst van de media iets over het hoofd te zien, weet hij geraffineerd te bespelen.
    Toch stelt De partij dat ben ik ook teleur. Het boek is nauwelijks meer dan een chronologische weergave van gebeurtenissen sinds 2014. Verhelderend, maar niet diepgaand analyserend. Wie zou willen weten hoe Baudet geworden is wie hij nu is en wat hem de macht geeft om de partij niet alleen te leiden maar hem ook te zijn, krijgt daarop geen afdoend antwoord. Zijn gedrag en globaal ook zijn inspiratiebronnen worden beschreven, maar niet wat hem vóór 2014 gevormd heeft. Het is jammer dat Aalberts niet, zoals Harm Ede Botje en Mischa Cohen in Mijn meningen zijn feiten wel doen, ingaat op de persoon van Baudet van vóór dat jaar.

     

     

  • IJzingwekkende kou

    IJzingwekkende kou

    De oostenwind joeg zaterdagnacht fluitend de sneeuw rond het huis. In de ochtend lagen bergen sneeuw. Er reden geen treinen, auto’s bleven op de plaats waar ze geparkeerd waren. We waren bereid thuis te blijven. Ik zette koffie. Vanaf de bank keek ik met mijn handen om mijn koffiekop naar de witte tuin, door niemand betreden. De winters van vroeger keken mee. Toen sneeuwdagen zich vulden met dromen, idealen, omdat er niets anders te doen was. Als mijn koffie op is leun ik voorover, denk aan een houtvuur. Vraag me af waarom ik in hemelsnaam de kachel heb verkocht. In Russische verhalen is er altijd een houtvuur. Ik denk aan het verhaal Jermolaj en de molenaarsvrouw van Toergenjev. Armina is een vrijgekochte lijfeigene, trouwde met de molenaar. Geen fijne man. Op een koude avond klopt een Russische heer met zijn jager aan bij de molenaar om een slaapplaats. Ze worden geweigerd. Slaan buiten hun kamp op. De jonge molenaarsvrouw komt erbij: ‘Op een omgekeerde tobbe zat de molenaarsvrouw voor het vuur en praatte met mijn jager. Zij steunde de ellebogen op de knieën en hield het hoofd in haar handen. Jermolaj legde spaanders op het vuur.’

    Ik vertel Mijn Lief dat de buren nu echt uit elkaar zijn, ik had het op Face book gezien. Dat hij niet meer wilde, is weg gegaan. Hoe moet dat nu met de kinderen zeg ik. De molenaarsvrouw in het verhaal van Toergenjev sprak over de koeien van de buren, er heerst een ziekte. ‘bij vader Iwan zijn beide koeien doodgegaan … De Heer zij genadig!’  Waarna het gesprek stilviel. Ik keek naar de besneeuwde tuin. Naast me ligt de bundel van Lamia Makaddam. Ik moet aangesproken worden, wakker gekust. Door Lamia Makaddam, die over ijzingwekkende kou spreekt, en winters die op elkaar lijken.

    ‘Om een mij onbekende reden
    wil ik jullie over een ijzingwekkende kou
    op een winteravond vertellen.
    Over het monster van de stilte.
    De duisternis hangt als wolken van stof onder het plafond.
    Ik raak mijn mond aan en vind mijn lippen niet
    en mijn stem lijkt mij verlaten te hebben.
    In de diepte slaapt warm geluk.
    Van wie is dit litteken?
    En wie echoot dit verdriet?

    Als ik op een dag poëzie schrijf
    is het omdat iemand huilde ver weg
    en ik met een vernietigende kracht schreeuwde
    omdat de deur de vingers beknelde
    van een kind ergens op de wereld.
    Dit verdriet is het enige wat ik met jullie kan delen.
    Het is wat ik met alle liefde deel. 

    Alle winters lijken op elkaar.
    Winters die op jou lijken en winters die niet op jou lijken.
    Winters die hier of aan de andere kant van de wereld zijn.
    Als je vingers trillen, schrijf dan niet op deze plek.
    En als het gemis in je hart woont,
    dan weet je dat tenminste iets het vult.
    Schrijf vanuit de duisternis
    die het leven minder wreed maakt.’ 

    Buiten sneeuwt het onophoudelijk, het is een mooie dag om gedichten van Lamia Makaddam te lezen.

     

    Uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf / Lamia Makaddam, vertaald door Abdelkader Benali / 68 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, geeft wekelijks een kijkje in haar boekenkast.

     

     

     

  • Het land van de schone schijn

    Het land van de schone schijn

    De discussies over de EU-begroting voor 2021 in november 2020 werden niet zozeer getekend door financiële discussies als wel door kritiek van Hongarije en Polen op de opvatting dat landen die de rechtsstaat schenden minder geld uit Brussel moeten krijgen. De Hongaarse premier Orbán sprak van politieke chantage. Hij had het daarbij alleen over de verwijten van andere landen over het migratievraagstuk, maar Hongarije is op meer fronten bezig met de afbraak van de rechtstaat. In de onlangs verschenen bundel essays en verhalen Waar woont de haat? komen louter Hongaarse schrijvers aan het woord. Ze geven van binnenuit commentaar op wat er in hun land gebeurt. En dat is een zeer verhelderende aanvulling op wat via de westerse pers tot ons komt.

    De kont van Poetin

    Orbán wordt in de opgenomen stukken één keer genoemd. Dat is het geval in het bijtende Syrisch fragment van de classicus Gergely Péterfy uit 2015, die als journalist de Hongaarse politiek al jaren kritisch beschouwt. De titel van dit stuk verwijst naar een citaat van de Grieks-Syrische schrijver Lucianus van Samosata (2de eeuw na Chr.) die stelde dat de mensen verzot zijn op leugens; ze luisteren beter naarmate een verhaal van de onwaarheden aan elkaar hangt. Dat is precies wat Péterfy de Hongaren ziet doen. Hoe kon het, vraagt hij zich af, dat de West-Europese landen groeiden naar samenwerking en solidariteit nadat ze de monsters van oorlogen en nazisme hadden verslagen terwijl Hongarije (en andere postcommunistische staten) na de val van de Muur in 1989 ‘met ongekend succes juist die monsters weer nieuw leven inbliezen? (…) Ons land is gek geworden zoals een hond in een flatje op drie hoog, moederziel alleen achtergelaten toen zijn baasjes op vakantie gingen’.

    De grote meerderheid van de Hongaren is niet meer in staat om feiten van meningen te onderscheiden en het woord democratie lijkt niet méér te betekenen dan de vrijheid om allerlei onzin te spuien. De regering is in naam het verdedigingsschild van het Westen, maar haar leden verdedigen alleen ‘hun geld, de waanzin van hun achterban en de kont van Poetin’. Jegens vluchtelingen is er niet zozeer sprake van racisme als wel van jaloezie, gaat Péterfy verder. Waarom hebben zij wel smartphones en Adidas-schoenen en een mooi gebit? De Duitsers nemen de vluchtelingen op omdat het ze helpt bij de verwerking van hun historische schuldgevoel. Zo niet de Hongaren. Die hebben geen benul van schuldgevoel omdat het ontstaan van zo’n gevoel onmiddellijk in de kiem wordt gesmoord.

    In elkaar geflanste krotten

    Een fraai voorbeeld van wat Hongarije onder de rechtstaat verstaat lezen we in Het delict dakloosheid uit 2013 van de dichter Ákos Szilágyi. Orbán en de zijnen verdedigen zich met de bewering dat ze de fundamentele rechtsregel dat niemand strafbaar is zonder voorafgaande wettelijke bepaling wel degelijk toepassen zoals dat in elke rechtsstaat gebeurt. Maar in de praktijk gebeurt dat op een schandalige manier. Hongaren hebben recht op een menswaardig uitzicht op een mooie en schone omgeving, lijkt het uitgangspunt. Wég daarom met daklozen en armoedzaaiers in hun lompen en in elkaar geflanste krotten. Dus wordt een wet ingevoerd waarmee iedereen die zijn armoede tentoonspreidt strafbaar is. Dat is gewoon gelijkheid, redeneert men: we verbieden de arme sloeber net zomin als de rijke miljardair gewoon een huis te kopen of te huren. En zo gaat het voort in ‘het Hongarije van de schone schijn’, fulmineert Szilághyi. Na de armen zijn de vluchtelingen, de werklozen, de verslaafden, de zigeuners en de bejaarden aan de beurt om op die manier te worden aangepakt.

    Cynisme

    De bijdragen van Szilágyi en Péterfy zijn de meest venijnige, maar de bundel Waar woont de haat? is van een grote veelkleurigheid en diversiteit aan stemmen. De samenstellers hebben de verhalen en essays ondergebracht in drie thematische delen, het eerste over de identiteiten van Hongaren, het tweede over de haat en intolerantie jegens vreemdelingen en andersgeaarden en het derde over fysiek en geestelijk geweld tegenover kwetsbare groepen. Vooral in dat laatste deel zitten de venijnige en cynische stukken: de twee hiervoor genoemde, maar bijvoorbeeld ook Geluk van de dichteres Virág Erdös over grove mishandeling van vrouwen.
    Sommige zijn licht van toon en zelfs humoristisch, zoals Er was eens… van de schrijfster van sprookjesachtige boeken Aliz Mosonyi in het eerste deel. Van haar zijn acht grappige maar scherpe sprookjes ter lengte van één alinea opgenomen.

    Het niveau van de bundel is over het geheel genomen hoog. Toch springen er enkele verhalen uit, zoals het prachtige 1945 (Terugkeer) uit 2004 van schrijfster Gábor T. Szántó. Hierin wordt een klein dorp waaruit in de oorlog de joden zijn verdreven in 1945 bezocht door twee van hen die een groot aantal kisten uitladen uit een trein en ermee door het dorp rijden waar ze angstvallig worden begluurd door bewoners die hun bezittingen hebben geconfisqueerd en nu hun geweten voelen knagen. Het verhaal is zo beeldend beschreven en qua thematiek zo boeiend dat het niet helemaal verrassend in 2017 met groot succes door Ferenc Török werd verfilmd onder de titel Homecoming.
    Een tweede verhaal dat vooral raakt om zijn mededogen en zelfreflectie is het essay Arbeidsliederen (1990) van de ook in Nederland succesvolle Péter Nádas. Hij beschrijft daarin zijn persoonlijke ervaringen met een rechtse Hongaarse bouwvakker tijdens het bouwen van zijn huis.

    Waar woont de haat? (de titel van de bundel is gelijk aan één van de opgenomen stukken in het tweede deel) is een boeiende verzameling die veel duidelijk maakt over in Hongarije levende opvattingen, maar ook getuigt van een springlevende en geëngageerde literatuur. Het enige dat we er op zouden kunnen aanmerken is dat opvalt dat alle opgenomen auteurs (bijna) 50 jaar of ouder (György Konrád – 1933-2019 – is de oudste) zijn.
    Je zou na deze bundel zo graag willen weten hoe een nieuwe generatie naar haar land kijkt.

     

     

  • Oogst week 47 – 2020

    Oogst week 47 – 2020

    De partij dat ben ik

    Onlangs verscheen De partij dat ben ik van politicoloog Chris Aalberts bij Uitgeverij Jurgen Maas. Het is het relaas van vijf jaar Forum voor Democratie, van de oprichting van de denktank in 2015 tot de partij die FVD nu is. De ophef en controversie rondom Thierry Baudet spelen een prominente rol: zo benoemt Aalberts de steeds extremere denkbeelden van de partijleider, zijn afnemende populariteit na het conflict met voormalig partijlid Henk Otten (die volgens Aalberts de stille kracht op de achtergrond was), en de huidige problematiek binnen de gelederen. Case in point: eerder dit jaar publiceerde HP/De Tijd screenshots van controversiële WhatsApp-gesprekken tussen JFVD-leden. Gisteren, op 17 november, berichtten de Volkskrant en NRC Handelsblad dat de vermeende klokkenluiders inmiddels zijn geroyeerd.

    De partij dat ben ik is het tweede boek over Thierry Baudet in korte tijd. In oktober verscheen Mijn meningen zijn feiten, geschreven door journalisten Harm Ede Botje en Mischa Cohen. In een dubbelrecensie in de Volkskrant werden de boeken bestempeld als ‘weinig vrolijk stemmende kronieken’, die desondanks de ‘snelle opkomst van Thierry Baudet’ van context voorzien. Zolang er sprake blijft van ophef is het laatste woord nog niet over hem geschreven.

    De partij dat ben ik
    Auteur: Chris Aalberts
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Mijn lieve gunsteling

    Marieke Lucas Rijneveld en vertaler Michele Hutchison ontvingen (Rijneveld als de eerste Nederlandse schrijver in de geschiedenis van de prijs) dit jaar de International Booker Prize voor de Engelse vertaling van De avond is ongemakThe Discomfort of Evening.

    Mijn lieve gunsteling kan als het vervolg worden gelezen: de veearts die in De avond is ongemak wordt geïntroduceerd zou zomaar de verteller van Mijn lieve gunsteling kunnen zijn. Hij tekent, tegen de achtergrond van een beklemmend religieus boerenmilieu, zijn verboden liefde voor een jong meisje op.

    Mijn lieve gunsteling
    Auteur: Marieke Lucas Rijneveld
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het glanzend zwart van mosselen

    ‘Dieper doordringen in gebeurtenissen, kunstwerken en ideeën – dat is de belangrijkste reden waarom ik het schrijven van essays altijd interessant heb gevonden. Door te schrijven ontstaat er een nieuw inzicht, een inzicht dat je pratend of alleen maar denkend niet kunt bereiken. Al schrijvend daal je dieper af,’ stelt Oek de Jong in zijn essaybundel Het glanzend zwart van mosselen, die verscheen bij Atlas Contact.
    Het boek bevat niet eerder gebundelde cultuurkritische stukken van zijn hand, en De Jong legt deels de autobiografische dimensie bloot van zijn veelgeprezen romans.

    Zwarte schuur, zijn meest recent verschenen roman, werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2020 en op 12 november van dit jaar bekroond met de Boekenbon Literatuurprijs.

    Het glanzend zwart van mosselen
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact