• Zonder rietpen verkommert de geest

    Zonder rietpen verkommert de geest

    Pim Wiersinga (1954) is vooral bekend als schrijfdocent. In toegankelijke boeken helpt hij beginnende schrijvers op weg. Onlangs verscheen zijn nieuwe roman Het paviljoen van de vergeten concubines. 

    Het paviljoen van de vergeten concubines speelt zich af in het achttiende-eeuwse China. De vrouwelijke tolk Cao is verbannen naar het paviljoen van de vergeten concubines omdat de Britse gezant Macartney voor wie zij moest tolken weigerde om te knielen voor de keizer. Een onvergeeflijke inbreuk op de etiquette waarvoor Vrouwe Cao zwaar moet boeten. Cao schrijft brieven aan de keizer om haar hachelijke situatie onder zijn aandacht te brengen. Ze vraagt zich in haar eerste brief af hoe zij de Drakentroon kan dienen vanuit een kerker in de Verboden Stad en smeekt om schrijfgerei: ‘Zonder de rietpen verkommert de geest, zonder papier verdorren ideeën. De Majesteit zal dit wel weten: hij is immers zelf dichter!’ Ook verwijst ze fijntjes naar haar verwantschap aan de schrijver Cao Xueqin. En met zijn roman beginnen de problemen.

    Vrouwe Cao’s brieven zijn doorspekt met formaliteiten en beleefdheden. Tradities en etiquette maken de brieven moeilijk leesbaar. De hele roman is opgebouwd uit deze brieven, die soms officiële stukken of verordeningen van de keizer zijn. Dat maakt het taalgebruik in deze roman stroef. Toegegeven; dat past bij de sfeer die de roman uitademt en het past bij de tijd en de sociale klasse waarin het verhaal speelt, maar het maakt het lezen van dit boek hard werken en geen ontspannende ervaring.

    Vrouwe Cao is een complexe hoofdpersoon. Zij is verwant aan de overleden auteur Cao Xueqin (1715-1763), wiens meesterwerk Droom van de Rode Kamer net voor het eerst in druk is verschenen. Deze roman is zo populair dat het keizerlijke hof verontrust raakt. Onlusten bedreigen het corrupte en onderdrukkende regime. De oppercensor Heshen legt zijn functie neer en sluit zich aan bij de opstandelingen. De intellectuele Vrouwe Cao, in haar jongere jaren de minnares en leerlinge van Cao  Xueqin, wordt de personificatie van de opstand tegen de keizerlijke dynastie. Haar belezenheid en welbespraaktheid vormen een gevaar voor de heersende machthebbers. En dan heeft ze ook nog eens de ambitie een roman te schrijven in de geest van haar leermeester Cao Xueqin. Ze hoopt dat haar geliefde, de Nederlandse gezant Isaac Titsing haar benarde positie kan verlichten. Boven alles wil zij bij hem zijn, maar wanneer de keizer haar verordent met hem te trouwen weigert zij. Overigens is de Droom van de rode kamer echt verschenen en heeft Isaac Titsingh  echt bestaan.

    Niet alleen het taalgebruik maakt deze roman ingewikkeld, datzelfde geldt voor het ondoorzichtige machtsspel dat gespeeld wordt. De opperraadsheer Heshen straft Cao, tot ongenoegen van de keizer. In de onduidelijke situatie van sociale onrust in het keizerrijk wordt Heshen ter dood veroordeeld door de keizer die hem op het nippertje gratie verleend. Het blijft gissen waar de werkelijke macht ligt. De verhoudingen worden niet duidelijk, vooral omdat er in de brieven, de enige informatiebron voor de lezer,  flink gemanipuleerd wordt. Bovendien, waar ligt de waarheid? Tenslotte schrijft iedereen om zijn eigen doel te bereiken. Extra complex is het dat in dit machtsspel het perspectief continu verschuift.

    Al met al gebeurt er teveel tegelijkertijd in deze roman en dat is door het archaïsche taalgebruik, de vele tradities die beschreven worden en het subtiele machtsspel nauwelijks meer te volgen. Als Wiersinga een duidelijker thematische keuze had gemaakt, bijvoorbeeld de positie van een intellectuele vrouw in het 18e eeuwse China was dit de leesbaarheid ten goede gekomen.

     

  • Nieuwsgierige mecenas in het land van de wajang

    Nieuwsgierige mecenas in het land van de wajang

    Recensie door Rein Swart

    De omslag van Schaduw van schijn licht een tipje van de sluier op over de inhoud van het boek. Het gaat om de nauwe band van de schrijver Barney Agerbeek met Rotterdam en Jakarta, dat in de koloniale tijd Batavia heette. Barney werd in Nederlands-Indië geboren.  Het gezin kwam na de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd naar Nederland. Terwijl anderen de wijk namen naar warmere oorden als Californië of Zuid-Afrika, bleef het gezin Agerbeek in een armoedige Rotterdamse wijk hangen. Barney zegt zelf dat hij niet naar de Verenigde Staten wilde omdat hij akelige berichten had gehoord over de elektrische stoel die daar in gebruik was.

    Barney was de oudste van de drie kinderen en had moeite te wennen in de Nederlandse samenleving. Hij was niet bang, maar sloeg van zich af, net als zijn vader die een keer op school kwam en de onderwijzer bedreigde omdat hij zijn zoon mishandeld had. Over de verdere ontwikkeling van Barney horen we niet, maar uit de verhalen valt op te maken dat hij opklom tot bankdirecteur en in die hoedanigheid contacten legde met de Suharto-clan in Jakarta. Hij woonde met zijn eigen gezin vier jaar als expat in Jogjakarta, waar hij opgroeide.

    Veel van de autobiografische verhalen spelen zich tijdens die periode af, maar Agerbeek begint met De wormen krijgen mij niet, misschien wel het mooiste verhaal. Het gaat over ene Vaandrager uit Rotterdam, die bij de bank aanklopt voor een lening omdat hij een hotel wil beginnen. De selfmade man die alles met eigen handen kan, wordt op de eerste pagina fraai getypeerd:

    ‘De man was lang en pezig, zag er voor zijn dertig jaar wat ouwelijk uit en keek ernstig. Zijn bovenlichaam helde iets naar voren, waardoor het leek of hij voortdurend iets onder handen ging nemen. Hij wilde een lening en vertolkte uit voorzorg de zelfgekozen rol van daadkrachtige en bedachtzame ondernemer, zoals hij zich althans zo’n karakter voorstelde. Zijn toneelstukje steunde op vormelijk taalgebruik en afstandelijke beleefdheid, maar was niet erg overtuigend, omdat hij stadsidioom sprak en iets overdreef.’

    Agerbeek verstrekt de lening maar met Vaandrager loopt het slecht af. Hij krijgt kanker en gaat dood. Hetgeen leidt tot de volgende verzuchting van de verteller aan het eind van het verhaal: ‘Had ik maar met de vuist op tafel geslagen om hem te dwingen naar het ziekenhuis te gaan. (…) En ik had hem duidelijk moeten maken dat je kankercellen niet even tussendoor met ‘eigen handen’ kunt verslaan. De wormen zouden zich kapot lachen.’

    Het volgende verhaal Uiterlijk bewogen is de langste uit de bundel en gaat over een bezoek aan een nonnenklooster in Wallonië. Daar vindt de schrijver de rust om zijn vader, zijn moeder en zijn katholieke jeugd in de jaren vijftig in Nederland te portretteren. Het vormt een mooie achtergrond voor de overige verhalen, die anekdotes bevatten over de tijd dat de schrijver in Indonesië woonde. Erotiek boeit hem. Hij werd op een zakenreis eens bijna verleid en heeft het graag over collega’s die het met de zeden niet zo nauw namen. Agerbeek is een nieuwsgierig mens. Hij krabt als het ware aan de korst van de samenleving om van alles te weten komen over de culturele veranderingen in de loop der jaren. Dat valt nog niet mee, omdat Indonesiërs een gesloten karakter hebben. Men moet tussen de regels doorlezen om hun bedoelingen aan de weet te komen. ‘Dit is het land van de wajang, van het schimmenspel.’ De titel van het boek zinspeelt daar ook op.

    Agerbeek speelt graag de mecenas in de kunstenwereld. In het laatste verhaal Scratching the surface reist hij samen met een bevriende kunstenaar uit Utrecht naar diens vrouw Ninik en hun dochters. De man woont niet met hen samen maar bezoekt hen af en toe in Jogjakarta. Op het strand praat Agerbeek met Ninik over haar vrijgevochten dochters en vraagt haar of ze geen andere man wil. Als hij een beeldschone jonge vrouw langs de branding ziet lopen die zeewier verzamelt, stapt hij samen met Ninik op haar af. Hij zou wel meer willen dan een interview en geeft haar tenslotte een fooi, maar niet zo groot dat haar man verdenking kan krijgen. Als hij weer naast Ninik op de rotsen ligt, vraagt hij zich af wat hij haar voor Ninik voelt: vertrouwelijkheid, genegenheid of verwantschap. Hij weet niet wat zij wil of wat hij wil.

    Misschien had Agerbeek, dieper op zijn twijfel  kunnen ingaan. De verhalen zijn onderhoudend, de toon is openhartig maar de zelfontleding had scherper gekund. Door te krabben aan zijn eigen korst had Agerbeek meer van zijn innerlijk, en daarmee wellicht ook de schaduw van schijn blootgelegd.


    Schaduw van schijn

    Auteur: Barney Agerbeek
    Verschenen bij : Uitgeverij In de Knipscheer
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 19,50

  • Biografie van Curaçaose dichter Pierre Lauffer

    Biografie van Curaçaose dichter Pierre Lauffer

    Als schrijver kun je een nog zo fraaie geloofsbrief van Frank Martinus ‘Dubbelspel’ Arion op zak hebben: ‘je kunt zeggen dat iedereen die in het Papiaments goede poëzie schrijft, op de ene of andere manier door Pierre beïnvloed is’, maar daarmee is niet gezegd dat iedereen die in goed Papiaments schrijft in het gehele Koninkrijk der Nederlanden bekendheid geniet. Pierre Lauffer (1920-1981) is dan ook op de Antillen een begrip, maar daarbuiten heeft nauwelijks iemand van hem gehoord. Daar komt nu verandering in omdat de Pierre Lauffer Stichting Bernadette Heiligers heeft gevraagd het leven van Lauffer te boekstaven in de Nederlandse taal. Bernadette Heiligers heeft zich voorafgaande aan de biografie de volgende onderzoeksvragen gesteld: ‘In hoeverre valt het oeuvre van Pierre Lauffer samen met zijn leven? Wat vertelt het van de samenleving waarin hij opgroeide? En welke invloed heeft de dichter en schrijver mogelijk gehad op de taal en de literatuur van zijn land?’

    Lauffer was van de generatie van Tip Marugg en Boeli van Leeuwen, landgenoten die zich richtten op de Nederlandse taal en daarmee ook literaire bekendheid in ons land verwierven. Pierre Lauffer bewandelde een andere weg. Hij schreef in het Papiaments, een taal die cultureel gezien geen rol van betekenis speelde. Pierre Lauffer zag echter al jong de potentie en klankrijkdom van deze taal, in zijn ogen zo eigen aan de schoonheid van zijn eiland. Zijn debuutbundel Patria was ook een primeur voor het Papiaments, want het betrof de eerste dichtbundel volledig in die taal geschreven. Zijn vriend Luis Daal had Lauffer plechtig op het hart gedrukt: ‘Zolang jij je gedichten niet publiceert, ontneem je ons volk iets waar het recht op heeft.’ Dat die taal in lager aanzien stond was voor Lauffer geen reden haar links te laten liggen. Integendeel, als deze biografie ergens in overtuigt is het wel het beeld van een man die lak had aan conventies en sociale normen en liefst zijn eigen gang ging. Zijn belang voor het Papiaments was groot, maar zijn invloed was indirect. Schrijvend over de kleine man, stond hij daar zelf ver vanaf.

    Melancholie en sarcasme

    De biografie is thematische opgebouwd en volgt zoveel mogelijk een chronologische lijn. Deze aanpak komt de overzichtelijkheid ten goede, maar kent het nadeel dat feiten soms herhaald worden. De passie van Lauffer voor zijn eiland Curaçao staat centraal, het Papiaments, zijn liefde voor de vrouw, muziek. Maar ook zijn in zichzelf gekeerd zijn, zijn onaangepastheid, de man die dwars door zijn negen kinderen tellende gezinsleven heen zijn eigen weg bleef gaan, zijn sarcasme, zijn nonchalance, zijn humor, zijn melancholie komen aan bod. Weinig blijft van hem onbesproken. Daarvoor worden veel bronnen overhoop gehaald, waarvan sommigen elkaar tegenspreken. Wel zo eerlijk.

    Waar het de eigen nazaten van Lauffer betreft heeft de biografe hun ruimte voor retoucherend commentaar gegund. Want ja, als lezer gaan je oren wel klapperen als je leest hoe streng hij als vader voor zijn kinderen kon zijn (zo moest de gitaar van zijn oudste zoon eraan geloven toen deze met een teleurstellend rapport thuiskwam) en hoe zijn nukkig beleden soberheid doorwerkte op zijn gezin. Veelzeggend is ‘dat hij met 10 gulden deed wat een ander met 100 gulden deed’. Verjaardagen werden niet gevierd, want dat was immers maar gewoon een dag. En Sinterklaas kwam er ook niet in. Hij leerde z’n kinderen ‘van kleins af aan dat Sinterklaas niet bestond, want hij was niet van plan geld aan cadeautjes uit te geven zodat een nepheilige met de eer zou strijken.’ Ook lezen we hoe hij zijn kinderen dacht te harden: hij ging dan zelf in het donker in het verste hoekje van een kerkhof staan en liet zijn kinderen vervolgens één voor één naar hem toe lopen.

    De anekdotes doen het goed in deze biografie die een tikkeltje conventioneel inzet om gaandeweg over te gaan op show, don’t tell. Want er kan met zoveel woorden worden verteld dat Pierres afkeer van sociale conventies een spoor van onrust door zijn leven trok; dat zijn nonchalante houding niet een geaffecteerde poging betrof om de artiest uit te hangen, maar dat hij, waar zelfs de eenvoudige kantoorbediende niet zonder jas en gepoetst schoeisel de deur uitging, het gewoon zelf verkoos om in hemd en op arme-mensen-sandalen over straat te lopen onder het motto ‘je moet de mensen iets te roddelen geven’, maar als je mag lezen dat de dichter in de apotheek, horende dat een klant discreet naar de apotheker vraagt, buldert: ‘Geef die man toch gewoon een pak condooms!’ weet je genoeg. Vanaf dat moment komt zijn levensverhaal écht tot leven en zal die Pierre bij de meeste lezers een potje kunnen breken. Wie zo tegen de conventies gekant is, lijkt nog niet van zijn achtergrond bevrijd. Zo is Lauffer zijn leven lang belijdend Katholiek gebleven en de rijke kinderschare (elf in getal) die hij bij zijn twee respectieve echtgenotes verwekte, wijst ook op een zekere hang naar geborgenheid in tradities. Hij mocht dan geen waarde hechten aan feestdagen, hij respecteerde wel bepaalde familierituelen van zijn ouders. Frank Martinus Arion merkt daar iets over op: ‘Omdat Pierre Lauffer niet duidelijk laat blijken waar hij voor staat, kan je niet zeggen dat hij behalve een sociaal geweten ook sociale principes heeft.’

    Tweede leven eindigt in verbittering

    Echt populair is Lauffer nooit geworden, binnen het beperkte taalgebied van het Papiaments bleven de oplagen beperkt. Ook de poëtica van Lauffer blijft buiten beeld. Wel sleepte hij er een aantal prijzen mee in de wacht. Vanzelfsprekend vormde met zo’n klein afzetgebied zijn schrijverswerk geen noemenswaardige bron van inkomsten. Een vast inkomen had hij lang niet altijd, ondanks een rits aan baantjes als politieman, salesman, begrafenisondernemer, ambtenaar en leraar. Het gezin Lauffer kende dan ook periodes waarin het moest teren op het geld van de rijkere schoonfamilie. En juist met deze schoonfamilie had Pierre bonje gemaakt op de hem typerende wijze. Toen een van zijn kinderen ter communie ging, wilde hij daarbij niet opgedoft voor de dag te komen. Hij wilde het feest sober houden. Maar zijn schoonvader had juist groots willen uitpakken met feestelijke kleren en lekker eten. Niks ervan! Pierre wist het feest te saboteren door de stekker uit de koelkast te trekken opdat het daarin ingeslagen voedsel zou bederven en vervolgens de overgebleven taarten de achtertuin in te smijten.

    Op 47 jarige leeftijd liet een nieuwe liefde van achttien jaar hem nog een tweede jeugd beleven. Toch treedt aan het eind van zijn leven verbittering in. Als hij in de zeventiger jaren leraar Papiaments is moet hij vaststellen dat de nieuwe generatie zich aan die taal minder gelegen laat liggen. ‘Soms gebeuren er dingen in het leven die je melancholiek maken. Je merkt dat je vaak gestreden hebt voor dingen die niet de moeite waard zijn. Als ik mensen onder een boom zie zitten zonder verder iets uit te voeren, denk ik soms dat zij misschien wel gelijk hebben.’ Meer en meer gaat de buitenwereld hem minder interesseren tot die de proporties krijgt van zijn achtertuin. ‘Ik heb een hangmat. Als ik daarin lig, weet ik niet eens dat de wereld bestaat.’ Op 60 jarige leeftijd overleed hij tamelijk onverwacht in het ziekenhuis waar hij als diabeet opgenomen was voor een zwart plekje aan zijn voet.

    Het is mooi dat de Stichting Pierre Lauffer deze biografie in de Nederlandse taal heeft doen verschijnen zodat men ook hier kennis kan nemen van het boeiende leven van deze man die in een uithoek van ons Koninkrijk zowel in zijn leven als in zijn poëzie z’n eigen pad ging. Ter afsluiting een poëziefragment van Lauffer in de hem zo typerende melancholische stemming:

    ‘Aldoor in tweestrijd, niet wetend wat te doen,
    schuim om mijn mond van woede, angstig
    om mijn onvermogen een besluit te nemen
    tot vertrek en dan weer luidkeels wensende
    het onbekende achter me te laten,
    terug te keren naar de buurten
    die ik als mijn broekzak ken
    en het verlaten.

    Ik weet het niet,
    geloof me maar, ik weet het niet:
    rot ik weg in steenslag dat van hitte ziedt
    of lig ik ooit, begraven als ontheemde,
    ver van mijn land, tussen een groepje vreemden?’

    Hopelijk hoeven we niet te wachten tot de honderdste geboortedag van deze dichter eer er een keuze uit zijn poëzie in het Nederlands verschijnt.

     

     

  • Vijf eeuwen politieke inspiratie

    Vijf eeuwen politieke inspiratie

     Het afgelopen jaar was in Nederland politiek ongekend woelig. Het kabinet viel, politieke carrières braken en bloeiden op en meerdere politieke partijen lagen in- of extern onder vuur. De leugen – of het ontmaskeren ervan – speelde een geheel nieuwe hoofdrol tijdens of na de verkiezingen en een nieuw kabinet kwam in een ongekend tempo tot stand. Zonder rol voor de vorstin ditmaal. En juist in dit politiek enerverende jaar zijn twee vertalingen van Niccolò Machiavelli’s (1469-1527) meest bekende werk, De Vorst, bijna vijf eeuwen oud, opnieuw uitgebracht. Eerst de vertaling van Jo Otten uit 1940 (voor het eerst met complete inleiding), daarna die van Paul van Heck uit 2006 (opnieuw bewerkt en geactualiseerd). Bovendien kwam in dit jaar de Nederlandse vertaling uit van Machiavelli’s biografie van Miles J. Unger (Ambo). Is het toeval dat al deze boeken juist nu uitkwamen of is het een teken van de blijvende waarde van Machiavelli’s adviezen als politiek kompas?

    Zowel Otten als van Heck leiden hun vertaling uitgebreid in, waarbij een duidelijk verschil in visie naar voren komt. Voor Otten is Machiavelli ‘sleutel van onze tijd’ en verklaart zijn oeuvre zowel de verdeeldheid van Europa als de gewenste koers voor de toekomst. Voor Van Heck is Machiavelli vooral een Italiaans denker uit de Renaissance, die in zijn eigen context begrepen moet worden, en voor het heden wel inspiratie maar geen verklaring biedt.

    Otten gebruikt zijn inleiding om kritiek te leveren op de politiek van zijn dagen, die van Europa een verdeeld continent had gemaakt. Deze visie leverde echter ook direct problemen op. Toen De vorst na de dood van Otten in 1940 werd gepubliceerd vond men een al te grote nadruk op het verdeelde Europa onwenselijk (Nederland viel inmiddels onder Duits regime). Het eerste hoofdstuk van Otten’s inleiding, waarin de verdeeldheid van Europa centraal stond, werd geschrapt. Pas nu, ruim zeventig jaar later, verschijnt dit hoofdstuk voor de eerste maal in druk. De boodschap die in dit hoofdstuk centraal staat is dat het leven een strijd is. ‘De hele beschaving is een strijd tegen agressie’. Na een korte periode van hoop in het interbellum bleek Europa verdeelder dan ooit, waarbij Machiavelli’s naam meer en meer werd gebruikt als legitimatie voor politiek handelen. Het aan Machiavelli toegeschreven (maar nooit door hemzelf gehanteerde) maxime dat het doel de middelen heiligt had volgens Otten in de internationale politiek meer en meer gelding gekregen.

    Een citaat in Otten’s inleiding onderstreept de relevantie van Machiavelli voor de twintigste eeuw: ‘Ik stel vast dat de leer van Machiavelli, na meer dan vier eeuwen, vitaler dan ooit is, omdat, hoewel de uiterlijke verschijningsvormen van ons leven zeer zijn gewijzigd, zich geen diepgaande veranderingen in de geest der individuen en volken hebben voltrokken’. Deze woorden zijn echter niet van Otten, maar van Mussolini, uit zijn Preludio al Machiavelli (1924). Een wrang bewijs dat twintigste eeuwse politici, in ieder geval Mussolini, Machiavelli als ‘eigentijdse’ adviseur waardeerden. Het verklaart mede  waarom Otten Machiavelli ‘sleutel van zijn tijd’ vond. Omdat het handelen van politici, bewust of onbewust, was geworteld in Machiavelli’s politieke lessen.

    Van Heck hanteert een ander vertrekpunt. Zijn inleiding is minder gericht op de relevantie van De vorst voor het heden. Sterker nog, hij verzet zich tegen het uit de context halen van Machiavelli’s politieke stellingname en het zo maar verbinden ervan aan een andere tijd. Hij licht dat zelf in een gesprek als volgt toe: ‘Werkelijk begrip van een denker of schrijver kun je m.i. alleen verwerven als je diens werk en ideeën beziet in de de context waarin zij tot stand kwamen en waarop zij een reactie vormden. Er is niet zoiets als een ‘absolute’ Machiavelli, een context-onafhankelijke Machiavelli. Er bestaat alleen een Machiavelli die leefde van 1469 tot 1527, in Florence, in een tijd dat het Italiaanse schiereiland werd overspoeld door buitenlandse legers, enzovoort. Die omstandigheden hebben Machiavelli’s identiteit als schrijver en denker bepaald, en dienen dus in elk betoog over Machiavelli verdisconteerd te worden.’ Het zijn ook die omstandigheden die kunnen verklaren waarom het voor Machiavelli zo belangrijk was te vertrouwen op de kracht van de eigen wil, non dependere da nessuno. Hij heeft dit zijn hele leven nagestreefd, om overeind te blijven in een tijd waarin er steeds andere machthebbers waren en zijn eigen fortuin als gevolg daarvan hoge pieken, maar ook diepe dalen kende. In die context een eigen onafhankelijkheid behouden, dat was Machiavelli’s belangrijkste doel. Zowel voor zichzelf als voor Italië, zo blijkt uit het laatste hoofdstuk van De vorst. Dat is volgens van Heck misschien wel belangrijkste les uit zijn werken.

    Ook in een interview in Trouw (31 oktober 2012) benadrukt van Heck de betrekkelijkheid van Machiavelli voor het heden: ‘Wat ik zijn belangrijkste les vind, is dat beleid altijd gericht moet zijn op de context. Bepaalde situaties vroegen om bepaalde oplossingen en bepaalde leiders. Adviezen voor de ene situatie kun je niet zomaar extrapoleren naar een andere situatie. En met dromen over een ideale wereld schiet je al helemaal niets op.’
    Wat overigens niet wegneemt dat Van Heck vindt dat Machiavelli, net als andere grote denkers uit het verleden, voor het heden relevant kunnen zijn. Zolang we ons maar bewust blijven dat onze context niet die van Machiavelli is.

    Hoe dan ook, of we De vorst lezen als historisch waardevol pamflet dat ons helpt het Italië van de Renaissance te begrijpen, of als sleutel van onze eigen tijd, het blijft een intrigerend politiek kleinood, dat met plezier gelezen wordt. Want wie wil nu niet lezen waarom mensen gewaardeerd worden, of leiders wel of niet mogen liegen en of een gehaat leider beter zal leiden of niet. De context waarin de lessen geschreven zijn moge bepalend zijn voor de boodschap ervan, dat doet niets af aan de tijdloze inspiratie die je eraan kunt ontlenen, ten goede of kwade.

    Het zal toeval zijn dat de publicatie van twee nieuwe Nederlandse uitgaven van De vorst in 2012 gepaard gaan met politiek woelige baren. Als Machiavelli’s lessen echt dagelijkse kost zijn voor Nederlandse politici dan had Diederik Samsom zijn politieke opponent Mark Rutte waarschijnlijk niet met een ‘Nu doet u het weer’ tot de orde geroepen, maar met een ‘Het doel heiligt niet alle middelen, meneer Rutte’. Maar dat Machiavelli en zijn De vorst na bijna vijf eeuwen nog steeds relevant en stimulerend zijn wordt door de twee nieuwe uitgaven meer dan onderstreept.

     

  • Welkome polemiek

    Welkome polemiek

    De dubieuzen is een polemisch boek, waarin Alfred Birney ingaat op het belang van enkele werken van tamelijk onbekende Indo-auteurs van een eeuw en langer geleden. Met een Indo-auteur bedoelt Birney ‘een schrijver of schrijfster van gemengd bloed, zich bedienend van de Nederlandse taal en bovendien een bewustzijn van gemengde afkomst aan de dag leggende.’ (38) Volgens Birney bieden de door hem besproken boeken van vergeten schrijvers inzicht in het leven in een vele culturen omvattende samenleving. Hij bestempelt de werken van de enigmatische Dé-lilah, J.E. Jasper en Viktor Ido, deels als soap, maar juist zo’n soapproduct zou veel meer kunnen vertellen over menselijke veelsoortigheid, dan ‘gecanoniseerde werken van auteurs met een beperktere blik.’ (131) Hiermee bedoelt Birney dan Multatuli, Couperus en P.A. Daum.

    Birney geeft steeds duidelijk zijn mening, zo noemt hij Hella Haasses Oeroeg ‘overgewaardeerd.’ (19) en van Orpheus in de Dessa, een andere klassieker, van Augusta de Wit, moet hij al helemaal niets hebben. Birney betreurt de afwezigheid in ons land van een postkoloniaal debat, zoals ze dat bijvoorbeeld in Engeland en Frankrijk wel kennen. De auteur is niet positief over het geestelijke klimaat in Nederland: ‘Wij zijn al eeuwenlang racistisch, maar durven er pas sinds het begin van deze eeuw, met de opkomst van Pim Fortuyn en het internet, waar men (nog) kan spreken zonder gezien te worden, voor uit te komen.’ (11)

    De auteur begeeft zich in zijn bespreking van de raciale kwestie op glad ijs. Hij prijst Couperus die ‘vrijuit over ras en rasvermenging’ (206) schreef. Birney stelt vast dat men in het debat tegenwoordig ‘angstvallig’ over ‘etniciteit en identiteit’ spreekt. Maar Birney maakt een uitglijder wanneer hij het volgende stelt: ‘Mensen van nu die beweren dat er geen enkel verschil is tussen Hollanders, Turken, Chinezen, Indo’s en Eskimo’s begrijpen niets van raciale kwesties en zijn een verschrikking in het ‘raciale’ en ‘racistische’debat’ (48), want raciale verschillen zijn niet alles bepalend. Cultuurverschillen zijn voor een groot deel aangeleerd. De term ras kun je het best nog slechts voor diersoorten gebruiken, terwijl ook een term als natie met omzichtigheid moet worden gebruikt, die is een kunstmatige schepping. Het gaat om ingebeelde gemeenschappen, zoals de antropoloog Benedict Anderson aantoonde.

    Birney is kritisch over de hedendaagse studies naar Indische, Indonesische en Indo-literatuur. Volgens hem wordt in de wetenschap elkaar naschrijven als belangrijker gezien dan het zelfstandig lezen van boeken (194). Het bekende boek Oost-Indische spiegel van Rob Nieuwenhuys noemt hij van ‘onschatbare waarde.’ (188),  maar hij wijst er ook op dat Nieuwenhuys volgens hem slordig is en hij betitelt zijn teksten als ‘kletsproza’ (146). Birney wil dus duidelijk maken dat zijn essays en boeken over dit onderwerp een toegevoegde waarde hebben. En dat is ook zo. Bekend is bijvoorbeeld zijn publicatie Oost-Indische inkt: 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren uit 1998, die veel reacties uitlokte. Een beetje polemiek is altijd welkom in de literatuurreceptie.

    Dit nieuwe boek van Birney maakt  bepaalde teksten zichtbaar, die normaal onbekend zouden zijn gebleven. Door de samenvattingen die Birney biedt, krijgt de lezer een idee van deze boeken, zonder dat dit overigens meteen de wens oproept om de oorspronkelijke teksten te lezen.

    Birney gaat ook in op heimwee dat volgens hem ‘genetisch overdraagbaar’ is. Hij noemt in relatie daarmee de Braziliaanse term ‘saudade’, wat zou staan voor een mengeling van geluk en droefheid of een heimwee naar iets niet bestaands. (216). Heimwee en nostalgie, bijvoorbeeld naar Tempoe doeloe, de tijd van vroeger, zijn volgens sommigen universeel, anderen echter stellen dat het om secundaire, cultureel aangeleerde emoties gaat. Het lijkt moeilijk vol te houden dat heimwee in de genen zou zitten, dat het verlangen naar een terugkeer naar de eigen herkomst of het eigen verleden, iets is dat de verwekkers meegeven aan hun kinderen en dat ze al bij geboorte in zich hebben.

    Het moge duidelijk zijn dat ook dit nieuwste werk van Birney reacties oproept. En dat is goed. Hij levert met zijn uitgebreide essay een bijdrage aan het debat over de multiculturele samenleving, waarbij hij een originele, zij het niet volledig overtuigende, positie inneemt.

     

     

  • Overal een buitenstaander

    Overal een buitenstaander

    Te leven op duizend plaatsen is een biografie met ambitie. Ruim 800 bladzijden lang doet Rob Groenewegen zijn best Jo Otten gestalte te verlenen en zijn waarde voor literair Nederland recht te doen. Ondanks degelijk onderzoek, leesbare tekst en royale context lukt hem dat niet echt. Niet de biografie is mislukt, maar het leven van Jo Otten.

    Jo Otten was een matig getalenteerde, stilistisch zwakke, vaak haastige schrijver. Hij was arrogant en egocentrisch, humorloos en bang. Hij maakte twee vrouwen diep ongelukkig en was het zelf ook. Veel biografisch materiaal ging verloren in de Tweede Wereldoorlog en weinig collega’s schreven over hem na zijn dood (met Constant van Wessem als uitzondering). Ondanks de grondigheid van de biograaf vertoont het levensverhaal van Otten dan ook grote gaten.

    Desondanks is Te leven op duizend plaatsen het lezen zeker waard. Bijvoorbeeld omdat Groenewegen alle moeite doet om de wereld van de schrijver tot leven te wekken. Hij geeft een beeld van Rotterdam in de eerste decennia van de twintigste eeuw, dat zich schoksgewijs ontwikkelde tot wereldhaven. Hij beschrijft het culturele leven: het was de tijd van de filmliga, de charleston en de grammofoonplatenfeestjes, de tijd ook van nieuwe zakelijkheid, vitalisme en futurisme. Groenewegen schetst de gecompliceerde veelvormigheid van de Nederlandse literatuur uit die tijd, met allerlei avant-gardebewegingen die over elkaar heen tuimelen. En hij doet een verdienstelijke poging de waardering van Otten en vele anderen voor het fascisme en andere autoritair-populistische stromingen te begrijpen in de context van hun tijd.

    De vraag is echter in hoeverre Otten een kind was van die tijd. Zijn hele leven lang was hij een buitenstaander, zowel binnen als buiten de republiek der letteren. En dat was tragisch. Want hij wilde zo graag en hij probeerde zoveel. Hij was de zoon van een geslaagde architect in Rotterdam, groeide op in herenhuizen met personeel en behoorde tot de plaatselijke elite. Maar Rotterdam had groeistuipen en was één grote bouwput, van de havens tot de arbeiderswijken. Veel oude glorie werd gesloopt. Bioscopen, danszalen en winkelstraten verdrongen chique wandelpromenades en concertzalen. Rotterdam verpauperde ook, door de grootscheepse import van berooide plattelanders die aan de slag konden in de uitdijende haven. Otten was een gevoelige en introverte jongen. Je krijgt de indruk dat hij bang was voor die massa, die herrie en die dynamiek. Hij droomde achter gesloten gordijnen weg in teksten vol 19e-eeuwse verfijning: Wilde, Gide, Baudelaire en andere ‘elitaire’ en ‘decadente’ schrijvers.

    Tussen Baudelaire en Bordewijk
    Otten wilde kunstenaar worden, en natuurlijk was zijn vader daartegen. Die stuurde hem naar de plaatselijke hogeschool (nog net geen universiteit), die juristen en bedrijfskundigen leverde aan de Rotterdamse industrie. Otten was geen geliefd corpslid, maar debuteerde wél in de Rotterdamsche Studenten Almanak, met teksten die meer met Baudelaire dan Bordewijk van doen hadden. En hij vulde zo’n beetje in zijn eentje het kwakkelende Rotterdamsch Studentenblad. Even leek het de goede kant op te gaan, toen Joris Ivens en Arthur Lehning zich in het studentenleven begaven en de Rotterdamsche Studenten Federatie werd opgericht, die de kloof tussen corpsleden en ‘anderen’ zou moeten overbruggen. Maar al snel verlieten ze de stad, om de wereld te veroveren: Ivens als filmmaker, Lehning als Bakoenin-archivaris en oprichter van internationaal avant-garde tijdschrift i10.

    Zijn leven lang bleef Otten zoeken naar geestverwanten en kringen waar hij bij kon horen, maar dat lukte zelden. Forum wees hem af, De Stem en Vrije Bladen publiceerden hem wel. Als bestuurder van de Filmliga mocht hij meedoen met de grote jongens als Ter Braak, Van Wessem en Ivens, maar hij maakte zich er onmogelijk. Otten trok op met Wagener, Stroman, Schuitema en andere Rotterdamse vertegenwoordigers van Nieuwe Zakelijkheid en socialisme, maar kon zich niet vinden in hun politieke program. Otten mocht bij uitgeverij Stols een prachtuitgave maken van liefdesbrieven van Keats, maar kreeg groot gedonder met illustrator John Buckland-Wright (nu was dat ook een onmogelijke man). Het is een constante in Ottens chaotische leven: hij kreeg gedoe, en werd afgewezen of trok zich terug.

    Literaire beulen
    Otten werd geen aanhanger van een van de vele avant-garde bewegingen, die probeerden het moderne leven te vangen in steeds weer nieuwe vormentalen; van abstract tot fotomontage, van sociaal-realistisch tot vitalistisch, van nieuw zakelijk tot expressionistisch, van reportage tot prozagedicht. Wie dat in een of andere vorm wél deden waren van Ostaijen, Marsman, Van den Bergh, Van Wessem en Bordewijk. Zelfs Nijhoff, met zijn Baudelarisme en klassieke literaire vormen, stond evident in contact met de tijdgeest. Otten zweefde er zo’n beetje tussendoor, met teksten die noch roman, noch verhaal waren, die zwenkten tussen de 19e en 20e eeuw, en tussen fictie en ego-document. Tot in de titels toe is die tweeslachtigheid te marken: Bed en wereld, Mobiliteit en revolutie, Muizen en demonen. Groenewegen betoogt dat Otten het slachtoffer werd van Ter Braak en Du Perron (de harde kern van het tijdschrift Forum), de literaire beulen van het interbellum: de ‘romantische’ Otten versus de cerebrale en rationalistische Forum-mannen. Maar de afwijzing en het gebrek aan succes lagen ook aan de kwaliteit van zijn werk.

    Opstand der horden
    Otten bleef een overgevoelige telg uit de elite die bevangen door angst neerziet op de oprukkende arbeidersmassa.

    Dat brengt een andere constante in het vizier: de enige ideologische positie die Otten blijft fascineren is die van het fascisme. Hij keurde de terreur af waarmee het in de praktijk gepaard ging, maar hij vond het wél een geschikt politiek-bestuurlijk systeem om de maatschappelijke spanningen in goede banen te leiden. Lees: om ‘de massa’ te disciplineren (en zijn eigen angst voor die massa te bezweren). Otten wijdde zijn proefschrift aan het fascisme. Desgevraagd verklaarde hij geen fascist te zijn, maar ‘internationalist’. Wél zou hij er – op zoek naar een publiek – over publiceren in niet altijd even koosjere blaadjes en erover spreken op rechts-populistische bijeenkomsten. Daar weet hij overigens maar weinig enthousiasme los te weken, want hij blijft een afstandelijke, arrogante, té goed geklede intellectueel met een zwakke stem. Zijn angst voor de massa en zijn vrees voor een grote oorlog van allen tegen allen maken hem tot geestverwant van cultuurpessimisten als Spengler (Untergang des Abendlandes) en Ortega y Gasset (Opstand der horden).

    Wat hem in het maatschappelijke leven niet lukte, mislukte ook privé. Otten trouwt met Dity en krijgt een dochter waar hij dol op is. Het huwelijk mislukt echter en hij hertrouwt jaren later met Jetty, zonder met haar te gaan samenwonen. Hij krijgt opnieuw een dochter, waar hij opnieuw dol op is, maar neemt om de haverklap en onaangekondigd de wijk naar het buitenland – Parijs, Berlijn en god-weet-waar. Het is tot op heden een raadsel waar hij precies uithing en wat hij dan deed. Da’s vreemd. Dezelfde raadselachtigheid omhult de informele vriendenclub tijdens zijn studiejaren: een groep vrienden die bijeenkwam in ‘het Prieel’; een ‘Byroneske’ locatie aan de Leuvenhaven, waar het volgens buitenstaanders niet pluis was. Men dweepte met literatuur, met het fin de siècle en de decadentie, en deed ‘dingen die het daglicht niet altijd konden verdragen’. Maar wat precies blijft onduidelijk. Groenewegen suggereert drugsgebruik, maar misschien spelen ook seksualiteit in enige vorm een rol, gezien de cultus van Wilde, Couperus en Casanova, en het werk van ‘de wereld-eroticus’ Hanns Heinz Ewers, die opzien baarde met artikelen en boeken over (homo)seks, drugsgebruik en zelfs een biseksuele vamp.

    Aan Ewers wijdde Otten een van zijn vele artikelen over een baaierd aan onderwerpen. Hij publiceerde onder meer in Den Gulden Winckel, De Nieuwe Rotterdamsche Courant en het (antidemocratische) Haagsch Maandblad. Otten werkte ook als vertaler en tolk bij de rechtbank. Hij schreef boeken over Keats, en Machiavelli, en waagde zich aan een nooit verfilmd scenario, dat hij omwerkte tot de mislukte roman De schat van de Lutine. Zelfs als broodschrijver met bijbanen had hij de financiële steun van zijn vader nodig om het hoofd boven water te houden.

    De mensen dwingen goed te zijn
    Rob Groenewegen heeft het allemaal grondig uitgezocht, opgeschreven en met gulle hand van illustraties voorzien. Da’s mooi, maar het is wrang dat je je afvraagt of Otten wel een schrijversbiografie waard is. In een afsluitend hoofdstuk gaat Groenewegen daar uitgebreid op in. Jazeker, zegt hij, want Otten is literair-historisch misschien niet zo belangrijk, maar wel echt een kind van zijn tijd, en juist in figuren van het tweede garnituur wordt een tijdperk, een culturele code en een literaire stroming vaak veel beter weerspiegeld dan in de gezichtbepalende hoofdfiguren (zoals Marsman, Ter Braak, Du Perron, Nijhoff) die zelf hun stempel drukten op die tijd, in plaats van andersom. Je zou willen dat het waar was.

    Ottens dood was wrang. Hoewel hij financieel aan de grond zat, leek hij eindelijk volwassen te worden. Het huwelijk met Jetty was minder labiel, hij had als tweede secretaris van De Vereeniging van Letterkundigen een positie binnen het literaire establishment, en vertoonde een grote productiviteit: recensies voor het Haagsch Maandblad, een ‘essayistisch-biografische schets’ Machiavelli. Sleutel van onzen tijd, inclusief een vertaling van De vorst, en het kinderboek De avonturen van Jammerpoes. Dat laatste was een jolig verhaal dat zich afspeelt in Muizenland, dat wordt beheerst door ene Muizolini….  In het Haagsch Maandblad waarschuwde hij nog in 1940 voor ‘de dwaaste oorlog van alle oorlogen’ en in een lezing combineerde hij ideeën van Mussolini, Machiavelli en Multatuli om te pleiten voor een machtsuitoefening die de mensen zou ‘dwingen goed te zijn’. Dat was een duidelijke stap weg van het fascisme, dat er van uitgaat dat de mens slecht is en ‘bedwongen’ moet worden.

    De laatste maanden van zijn leven werd Otten geplaagd door nachtmerries: ‘Ik kan je wel zeggen dat ik vannacht de bom al op mijn kop heb gevoeld’ zei hij tegen Jetty. Een paar maanden later was het zover. Op 10 mei 1940 werd Otten in Den Haag getroffen door een Duitse bom. Hij was al duizend doden gestorven.

     

     

     

     

  • Recensie door: Lodewijk Lasschuit  

    Recensie door: Lodewijk Lasschuit  

    Een roman waarin een problematische vader-zoon relatie breed wordt uitgemeten. Heel even dringt een vergelijking met Karakter van Bordewijk zich aan ons op. Echter als we verder lezen blijkt het verhaal toch een geheel andere wending te nemen. De zoon, Henri, afgeschilderd als iemand met een niet al te sterk karakter, voldoet aanvankelijk blindelings aan alle, door zijn vader aan hem gestelde eisen. Om hem doorzettingsvermogen, daadkracht, lef en mensenkennis aan te leren, wordt hij naar een door geestelijken geleid internaat in Frankrijk gezonden. In dit internaat wordt hij uitvoerig gepest door medeleerlingen, en vernederd en misbruikt door de paters. Aan deze beproeving komt abrupt een einde wanneer zijn moeder, maman, overlijdt.

    Henry gaat op aandringen van zijn vader economie studeren. Met minimale inspanning en een totaal gebrek aan interesse in economische modellen behaalt Henri uiteindelijk de door zijn vader zo zeer gewenste doctoraalbul hetgeen op grootse wijze wordt gevierd waarna een aanstelling als directeur volgt. Tijdens het feest wordt Aline, de vriendin waar Henri al geruime tijd een relatie mee heeft, aan papa voorgesteld. De kennismaking verloopt nogal stroef, vooral omdat Aline niet katholiek is.

    De jeugd van Aline is net als als die van Henri op een naargeestige wijze verlopen doordat zij is opgevoed door valse nonnen in een internaat in Brabant. Aline probeert Henri ervan te overtuigen dat er naast een luxe leven, – waarvan de Singer Voque die hij van zijn vader cadeau kreeg, symbool staat –  andere hogere waarden bestaan. Zij praat met hem over transcendente meditatie, over een leven in een ashram in India en over haar spirituele ervaringen. Henri is niet bijster geïnteresseerd.

    Wanneer Aline korte tijd later aan Henri vertelt dat zij in verwachting is, trekt het bloed weg uit zijn gezicht en stamelt hij onverstaanbare woorden en wordt duidelijk dat hij met de nieuwe situatie geen raad weet. Zijn vader weet dat wel want nadat hij eerst in woede is ontstoken en zijn veto heeft uitgesproken over een eventueel huwelijk, bezoekt hij Aline. Hij kondigt aan dat er geen sprake kan zijn van een blijvende verbintenis tussen haar en zijn zoon en biedt haar een groot bedrag als afkoopsom aan. Aline weigert verontwaardigd en verdwijnt uit het gezichtsveld van vader en zoon. Henri doet wekenlang te vergeefs naspeuringen om achter haar verblijfplaats te komen.

    Nadat Aline voorgoed uit zijn leven is verdwenen leidt Henri een eentonig leven dat gekenmerkt wordt door overmatig drankgebruik. Tijdens een schemerig feestje ontmoet hij Bernadette, een leeghoofdig meisje dat een flink aantal jaren jonger is dan hij en dat erg is gesteld op luxe. Ook zij valt niet in de smaak bij de oude heer maar ook Henri zelf ziet het zinloze van deze relatie in en Bernadette verdwijnt vrijwel geruisloos van het toneel.

    Als Henri’s vader kort daarna ernstig ziek blijkt te zijn bespreken zij samen de nalatenschap waarbij is vastgelegd dat een kostbaar schilderij zal toekomen aan het tot nu toe onopgespoorde kind van Aline. Na de dood van de oude potentaat gaat het bergafwaarts met het onroerend goedconcern van Henri. Een faillissement is onvermijdelijk en het kostbare schilderij kan maar ternauwernood gered worden uit de klauwen van de aasgieren die op de openbare verkoping zijn afgekomen.

    Henry gaat een nieuwe relatie aan, deze keer met de zakenvrouw Christine en hij denkt uiteindelijk zijn levensvervulling gevonden te hebben in de schilderkunst. Een bevriend echtpaar blijkt de in India in een ashram geboren dochter van Aline geadopteerd te hebben. Al met al een heel vreemd einde van een soms nogal onwaarschijnlijk verhaal. Bepaald storend in dit boek is dat er op bijna iedere pagina wel een ‘sjekkie’ wordt gedraaid of gerookt en verder draagt het platvloerse taalgebruik waarmee diverse lichaamsdelen worden aangeduid, ook niet bij aan de literaire kwaliteit.

     

    De voorbestemming

    Auteur: Hans van Hartevelt
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer (2011)
    Aantal pagina’s: 246
    Prijs:  € 17,90

  • recensie door: Sunny Jansen

    recensie door: Sunny Jansen

    recensie door:

    ‘Hugo is dood.’
    De Surinaamse auteur Ruth San A Jong valt met de deur in huis in haar verhalenbundel De laatste parade. Het kan de lezer niet ontgaan: dit boek gaat over de dood. Of liever gezegd, over sterven en omgaan met de dood, want ‘Weten dat je gaat sterven is lastig. Dood zijn niet.’ In negen verhalen schetst de auteur een beeld van doodsbeleving in de Surinaamse cultuur. Het is een divers beeld, ze voert haar lezers langs de geheime rituelen bij de lijkwassing, de problematiek van bijvrouwen en de mysteries van winti. Moord, zelfmoord, euthanasie, kindermisbruik, verkrachting: de verhalen hebben stuk voor stuk zware, sociaal gevoelige onderwerpen. Maar toch wordt de verhalenbundel nergens zwaarmoedig of deprimerend en dat is knap. Maar helaas raken de verhalen ook niet.

    In het eerste verhaal De laatste parade is Hugo dus dood. ‘Hugo heeft geleefd, als eigenaar van het bestaan.’ Maar ondanks dat verdriet niet bij zijn levensstijl paste, zijn Hugo’s weduwe en dochter ontroostbaar. Het verhaal begint veelbelovend. Ruth San A Jong schrijft direct en zonder dingen mooier te maken dan ze zijn. Met humor worden Hugo’s leven en heengaan beschreven. ‘Het heeft enige tijd geduurd voor de dokter verscheen om te verklaren dat het niets had uitgemaakt als hij eerder was gekomen.’ Helaas komt de slotscène als een deceptie. Te grotesk en te schreeuwerig eindigt wat een indringend verhaal had kunnen zijn.

    Ruth San A Jong wisselt haar directe schrijfstijl af met mooie zinnen en sprekende beelden, die de lezer af en toe een glimlach ontlokken. Op andere momenten zijn haar observaties scherp. ‘Deze ruikt niet zo, omdat ik haar okselstick heb leren gebruiken’, zegt een blanke mevrouw over haar zwarte hulp. Af en toe is er, ondanks de alom aanwezige dood, ook een komische noot te bespeuren, zoals in De onderbroek. Hoofdpersoon Mieke heeft een nijpend probleem als haar minnaar bij een ongeluk om het leven komt. ‘Ik moest naar het mortuarium zien te gaan en een gebruikt onderbroekje in zijn kist leggen. Als ik het niet zou doen, zou zijn geest me ’s avonds komen kwellen.’ Miekes dilemma’s worden raak en met humor beschreven. ‘Het was verwarrend of het nu een vaak gedragen schóne onderbroek, of een gedragen en dus vúíle onderbroek moest zijn.’

    Inferno had de gunstige uitschieter in de bundel kunnen zijn. Het onderwerp is confronterend. Een dochter beschrijft de verschrikkelijke omstandigheden waarin haar moeder in de isoleercel van een inrichting opgesloten wordt. Maar helaas raakt ook dit verhaal niet echt. De auteur schrijft direct, maar schept tegelijkertijd afstand. Als lezer mis je betrokkenheid, sympathie voor haar bonte gezelschap aan hoofdpersonen. Niet één hoofdpersoon gaat voor de lezer écht leven. In haar onderwerpkeuze toont Ruth San A Jong een grote sociale betrokkenheid, maar helaas is die betrokkenheid niet te voelen bij de hoofdpersonen. En dat is jammer, de verhalen en vooral de onderwerpkeuzen leenden zich er goed voor.

    De Surinaamse Ruth San A Jong (1970) startte in 2008 de Schrijversvakschool Paramaribo. Een jaar eerder werd haar verhaal De onderbroek opgenomen in de verhalenbundel Waarover we niet moeten praten. Het verhaal De laatste parade was een van de winnende inzendingen voor de Kwakoe Literatuurprijs in 2002 en nu debuteert zij dus met een eigen verhalenbundel onder dezelfde titel. Het zijn negen aardige verhalen, maar ook niet meer dan dat.

    De laatste parade

    Auteur: Ruth San A Jong
    Verschenen bij: Uitgeverij In de knipscheer
    Aantal pagina’s: 109
    Prijs: € 16,50

  • Water dat niet meer bewoog – Extaze 2011 – 0

    In een tijd dat het voortbestaan van literaire tijdschriften op losse schroeven staat verscheen in april het nieuwe literaire tijdschrift Extaze. Dat getuigt van lef, maar niet zonder reden. De inhoud is  van een gehalte waar je stil van wordt, en geniet. Hemelbestormers uit liefde en passie voor de literatuur, Haagsche literatuur wel te verstaan. Zelf vonden ze het ook een gotspe, om de literatuurgod van Nederland te tarten, want zo voelt het toch wel. Als ware Titaantjes willen zij de (Haagse) literatuur een kontje geven. Hup naar boven, bestorm die hemel.

    Vanuit de behoefte de literaire leemte van de stad Den Haag te vullen, is Extaze ontstaan. Of beter: Extaze moet Den Haag weer op de literaire kaart zetten. Deze is in eerste instantie weggelegd voor Haagse schrijvers en daarnaast staan ze open voor Nederlandstalige schrijvers van waar dan ook.

    Gesprek met filosofen

    Filosoof Tom Domisse schreef een essay over liefde en ironie. Hij  voert een gesprek  met Goethe en Schiller dat van commentaar wordt voorzien door Thomas Mann. Mann noemde Goethe de meest omvattende, alzijdige dilletant die ooit geleefd heeft. Dit alles omkaderd door Faust, opgevoerd in de Koninklijke Schouwburg door het Nationaal Toneel. Hoe de Faust, het theaterstuk en Faust als persoon nog steeds confronteert als de ultieme kunst van sterflijkheid. Een essay dat vervolgd wordt in het volgende nummer van Extaze, zo belooft Domisse.

    Kees Schuyt (auteur van J.B. Charles/W. H. Nagel, 1910-1983), schreef, De wind steekt op: het wonderlijke van het gewone. Een essay over de Haagse schilder-dichter Willem Hussem (1900-1974). Hussem was een meester in het poëtische miniatuur: ‘Mensen zijn wolken / waar zij komen / betrekt de lucht’.
    Schuyt beschrijft  met enthousiasme het dubbeltalent van Hussem. Waarbij het zeldzaam is dat in beide kunstvormen, schilderen en dichten, het hoogste niveau wordt bereik, zoals bij Hussem het geval was.

    Van radiomaker en schrijver Wim Noordhoek, een stuk over het kunstenaarschap van Van Eeden, Het Den Haag van Marcel van Eeden. Marcel van Eeden (1965) maakt beeldboeken en zijn werk siert deze Extaze. Het is van een wonderlijke realiteit die aan een verleden doet denken dat om de hoek ligt. Noordhoek zegt daarover: ‘Van Eeden fossiliseert het recent verleden.’ Zo is het, zijn tekeningen lijken versluierde, stenen beelden van een levendige werkelijkheid. Als ansichtkaarten die nooit verstuurd worden. Noordhoek is aanstekelijk beeldend in zijn taalgebruik om te duiden wat het werk van Van Eeden hem toont.

    Haagse roman

    Filosoof en journalist Jan-Hendrik Bakker, schreef een prettige analyse over het heden en verleden van de Haagse roman, Verstilling en ondergang (De erfenis van de Haagse roman). Bakker gelooft, in tegenstelling tot anderen, dat de Haagse roman niet dood is. Hij schrijft dat in de stereotype Haagse roman adel een belangrijke rol speelt. Evenals verveling, onbestemde verlangens, moord en andere misstappen. ‘In de Haagse roman gingen welgestelde families langzaam ten onder, kwijnden jonge dames weg en hield men er kleverige zondes op na.’ Hiermee ‘Eline Vere’ van Couperus in herinnering roepend. Hij eindigt met te zeggen dat Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje nooit in Den Haag geschreven had kunnen zijn. Want: te grappig en schaamteloos extravert. ‘Hier waart nog steeds de geest van Eline rond. Alles moet bedekt blijven, een beetje dubbel, met de gordijnen dicht. Wij lijden in stilte. Totdat ze ons vinden in ons boudoir en iemand daarover dan een verhaal vertelt …’

    Het verhaal van schrijfster Nicolette Smabers De hellehond. Een vrouw verliest haar tweeling broer op de dag dat ze elkaar zouden treffen aan het strand om de sterfdag van hun moeder te gedenken. Ze gaat alsnog naar hun afspraak, waarbij de  repeterende gesprekken en handelingen tussen haar broer en zichzelf in haar hoofd schrijnend zijn.

    Van Kees ’t Hart het vermakelijke stuk, Rondhangen. De schrijver opent met, ‘Verreweg het beste is rondhangen, maar dan ook echt rondhangen. Rondhangen zonder reddingsboeien. Bedacht rondhangen is het einde van rondhangen.’ Begint ’t Hart aldus, wat volgt kan gelezen worden als een handleiding om het ultieme rondhangen onder de knie te krijgen. Het beste is dat je daarbij je ogen open hebt. En dan bedenken dat je je ogen open hebt en ergens naar kijkt. ‘Voor de televisie kijken naar een programma dat je niet wilt zien en blijven rondhangen omdat je rond bent gaan hangen. A is B.’

    Indisch Den Haag

    Kees Ruys (biograaf van Aya Zikken) schreef een uitgebreide en boeiende inleiding over het leven en werk van F. van den Bosch (1922-2001). Het verhaal Goupil van F. van den Bosch leest als een biecht. Van den Bosch beschrijft zijn jeugdjaren in Nederlands Indie, het leven als kind op straat en zijn omgang met een Indische jongen waar hij een onbestemde angst voor heeft maar toch bevriend mee raakt. En wat er allemaal in het ongezegde leeft dat als voelbare bovennatuurlijke kracht uit het verhaal naar boven komt. Een persoonlijk verhaal is het. Van den Bosch is een schrijver die voornamelijk voor zichzelf schrijft om de heftigheid van- en de veelheid aan herinneringen te kunnen ordenen. Daarna kwam altijd de schaamte.

    Het korte verhaal De man, de vogel en de hond van Yolande de Kok leest als een choreografie voor een man, een hond en een vogel. Met een onverwacht dramatische afloop. Verder bijdragen van Gertrude Kunze, Peter J. van Dijk (kort verhaal), Paul Steenhauer, Gilles Boeuf en Didi de Parijs gedichten, Wim Willems en Cor Gout een inleiding op respectivelijk Twee brieven van Tjalie Robinson en Twee brieven van Willem Bijsterbosch en Rob H. Dekker schreef een opmerkelijk essay over de in 2010 overleden schilder-muzikant Captain Beefheart. Beslist een tijdschrift dat iets in beweging brengt, nieuwsgierig maakt naar een vervolg.

     

    Extaze 2011-0, Water dat niet meer bewoog
    Redactie: Cor Gout, Els Kort en Kees Ruys,
    Uitgeverij In de Knipscheer
    Prijs € 15,00

     

  • Recensie: Rivier de Brantas – Alfred Birney

    Recensie door: Rein Swart

    Pover verslag van een bezoek aan grootmoeders graf

    Birney schrijft al vanaf 1987 boeken en de laatste drie, inclusief Rivier de Brantas, gaan over rivieren: Rivier de Lossie (2009) en Rivier de IJssel (2010) gingen aan dit boek vooraf. In beide boeken komen dezelfde thema’s aan de orde, die ook in dit boekje weer opgepakt worden, zoals muziek en het koloniale Nederlands Indische verleden. Misschien zullen ook de lemma’s grootouderverering en culturele verschillen door de bibliotheek genoemd worden.

    Wat betreft de inhoud het volgende: de hoofdpersoon, een Nederlander van Indische komaf, wordt door een studievriend gevraagd voor hem in te vallen tijdens een optreden in de Nederlandse ambassade op Java. Dat biedt hem de gelegenheid om nog eens het graf van zijn grootmoeder te bezoeken. Zij was erg op de jongen gesteld en hij op haar, maar hij weet niet veel van haar. In zijn hotel in Jakarta ontmoet hij de pokdalige celliste Myra die ook aan het concert meedoet. Zij kent zijn ‘zus’ Maudi, die in Yogyakarta woont en dezelfde grootmoeder heeft als de hoofdpersoon, maar een andere grootvader. Myra, die zelf van Chinese komaf is, stelt voor om in de dagen na het concert een bezoek aan haar te brengen. Op weg naar de ambassade halen ze een schrijver op die een beleefdheidsvoordracht gaat houden en later met hen meereist. Tijdens het feestje op de ambassade speelt de hoofdpersoon, anders dan hij van plan was, Venezolaanse walsen die goed in de smaak vallen.

    Het blijft vervolgens onduidelijk waar het verhaal naar toe gaat en wat de onderliggende vraag is. Er wordt veel – teveel voor zo’n dun boekje – uitgeplozen in de familiegeschiedenis, waarin een belangrijke plaats wordt opgeëist door de koloniale opa Albert, een Schot met een Nederlands paspoort, die in Indië zijn huishoudster tot bijvrouw nam en door de norse, agressieve vader van de hoofdpersoon die na de oorlog naar Nederland vertrok omdat de koloniale grond hem te heet onder zijn voeten werd. Veel meer dan schetsen zijn het echter niet. Een antwoord op de vraag of de hoofdpersoon meer informatie over zijn oma heeft verkregen, wordt niet gegeven.

    Birney heeft mogelijk nooit gehoord van het adagium show, don’t tell want hij laat weinig zien, ruiken of voelen, maar schetst in korte zinnen, die soms warrig aan doen zoals over de tijdsperiode na het concert, zijn impressies van dit uitstapje. Een later gesprek tussen de ik-figuur en de schrijver wordt als volgt samengevat:
    ‘De hele geschiedenis passeerde in die ene nacht de revue, vanaf de Portugezen via de VOC naar de Bataafse Republiek, toen het Engelse tussenbestuur dat een soort preutsheid importeerde, en daarna het Nederlandse cultuurstelsel als de zwaarste melkkoe die ooit voet aan wal had gezet op Java en de andere eilanden van de Indonesische Archipel.’
    Fraai is de beeldspraak niet en zoiets valt vaker op. De lezer wordt niet meegenomen, ook niet als de hoofdpersoon in zijn hotel een tantrische massage krijgt en daar weinig meer over weet te vermelden dan dat een frêle meisje hem voor het eerst van zijn leven liet ervaren wat tantra was. Het boek is rommelig en onzorgvuldig geschreven. Zo wordt er pas door de ik-figuur over het verzamelen van zand van grootmoeders graf gesproken, als hij al van de begraafplaats weg is en vertelt hij maar niet aan de koster dat hij zijn sandalen begraven heeft na wijselijke samenspraak met Myra. Ook de dialogen zijn niet sterk.

    Het lijkt erop dat Birney vooral uit zijn aantekeningen heeft geput, die heeft bewerkt en ingedeeld in vijftig korte paragrafen. Wat ontbreekt is een goede compositie. De vloek die op de familie rust en het kruis dat de hoofdpersoon met zich mee draagt, komen onvoldoende tot uitdrukking. Het zou boeiend zijn daarvan een meer zintuiglijke en op de beleving gerichte neerslag te lezen.

    Rivier de Brantas

    Auteur: Alfred Birney
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer
    Prijs: € 16,50

  • Vaar naar de vuurtoren – Klaas de Groot

    De staatkundige verandering van Sint- Maarten, Curaçao, Bonaire, Saba en Sint- Eustatius, net als De Wadden allemaal eilanden binnen het Koninkrijk der Nederlanden, is voor Uitgeverij In de Knipscheer aanleiding geweest om een nieuwe bloemlezing uit te geven, getiteld Vaar naar de vuurtoren. In deze bundel met ruim honderd gedichten, brengen de auteurs hun liefde voor de twaalf weliswaar Nederlandse, maar toch zeer verschillende eilanden onder woorden.

    Bijzonder is de meertaligheid van deze bloemlezing. Binnen het Koninkrijk zijn immers al minstens vier talen officieel: Nederlands, Papiaments, Engels en Fries. Die talen zorgden voor de ondertitel van de bundel: Eiland, Isla, Island, Eilân.

    Samensteller Klaas de Groot ging in de literatuur op zoek naar eilandgedichten, geïnspireerd door zijn reizen naar elf van de twaalf eilanden. Rottum staat nog op zijn verlanglijstje. Hij ontdekte dat over alle genoemde, ja zelfs over de onbewoonde zoals Rottum en Klein Curaçao, in de loop der tijd heel wat dichters hebben geschreven.

    Bij de samenstelling keek hij vooral naar werk dat het eiland als plaats laat zien, ook als plek in het hart. Het hart spreekt duidelijk hoorbaar in het volkslied en daarom zijn, voor zover mogelijk, de volksliederen van de afzonderlijke (ei)landen opgenomen.
    Vaar naar de vuurtoren bundelt gedichten van bekende en onbekende dichters, ook  van zeer jeugdige. Niet de namen waren het meest belangrijk. Het ging om de eilanden en het gevoel dat zij losmaken. En het beeld dat is ontstaan.

    O.a. gedichten van de  groten van overzee: Albert Helman, Charles Corsen, Boeli van Leeuwen, Frank Martinus Arion, Oswin Chin Behilia, Pierre Lauffer, Elis Juliana, Wycliffe Smith, Nydia Ecury, Lucille Haseth, Deborah Jack, Carel de Haseth, Henry Habibe, Walter Palm;
    en van het land Nederland:  Boudewijn Büch, Sjoerd Kuyper, Driek van Wissen, Kees Stip, Tsead Bruinja, Jan Campert, Gerrit Krol, Theun de Winter, J. Bernlef, J. Slauerhoff, Ivo de Wijs, Freek de Jonge.

    Klaas de Groot was leraar Nederlands, ook op Aruba en Curaçao. Beschouwend werk van hem is onder meer opgenomen in de essaybundel Drie Curaçaose Schrijvers in veelvoud. Recent schreef hij over Terschelling in het Hermans-magazine.

    Vaar naar de vuurtoren

    [ Eiland, Isla, Island, Eilân ]
    Gedichten over 12 eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden

    Samenstelling en nawoord: Klaas de Groot
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer
    Prijs  € 18,50

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    De cover van het boek ziet er weinig aantrekkelijk uit met zijn feloranje kleur en onduidelijke en vreemde foto.

    En toch, wie deze gebreken even vergeet, ontdekt dat Jacques Thönissen een bijzonder verhaal heeft geschreven. Thönissen beschikt namelijk over een grote verbeeldingskracht die hij met verve naar zijn hand heeft weten te zetten. Het resultaat is een spannend maar ook ongrijpbaar verhaal waarin bovennatuurlijke zaken een cruciale rol spelen.

    Op een dag vindt de hoofdpersoon, een jonge zojuist afgestudeerde kunstenaar, een portretje van een jong meisje op een rommelmarkt. Het portret blijkt geschilderd te zijn door zijn eigen vader. Wanneer de jongen zijn vader het werkje laat zien, zakt deze bij de aanblik ervan in elkaar en overlijdt. De jongen is vastbesloten om uit te zoeken wie het afgebeelde meisje is. Hierbij wordt hij geholpen door Sirene, een meisje dat hem van kinds af aan bezoekt in zijn dromen.

    De zoektocht naar Devah, zoals het geportretteerde meisje heet, brengt de jongen naar Lviv in de Oekraïne. Hij ontdekt dat Devah hier opgenomen is in de plaatselijke psychiatrische kliniek en dat er meer blijkt te zijn tussen hen beiden dan de jongen in eerste instantie kon vermoeden. En alleen hij kan Devah helpen om weer gezond te worden. Langzaam wordt het geheim ontrafeld en blijkt er meer achter het portretje schuil te gaan. En wat heeft Sirene met dit alles te maken? Maar dan slaat Devah op de vlucht. De jongen kan niet anders dan haar gaan zoeken. Een dwaaltocht door verschillende Europese landen is het gevolg.

    Het magisch realisme, waar dit boek onder valt, is een genre dat in de Nederlandse literatuur op weinig populariteit kan rekenen. Boeken zoals Devah, waarin de geheimzinnigheid vrij spel heeft, zijn dan ook op één hand te tellen. Of dit iets te maken heeft met de aard van de Nederlanders durf ik niet te beweren, maar het blijft vreemd dat in andere landen dit soort boeken volop worden geschreven. Denk alleen maar aan Spaanstalige schrijvers als Gabriel García Márquez en Isabel Allende, beiden belangrijke vertegenwoordigers van het magisch realisme.

    Net als zijn illustere voorgangers is ook Thönissen een meesterverteller. Hij laat op overtuigende wijze zien dat er meer is tussen hemel en aarde en dat de dingen niet gebeuren zonder reden. Ook heeft hij zijn verhaal omgeven met een prettig uitgebalanceerde raadselachtigheid en ontvouwt het verhaal zich op precies het juiste tempo. Thönissen neemt de lezer mee in een wondere wereld zonder te haasten of te verwachten van de lezer dat deze het bovennatuurlijke als waar aanneemt.

    Thönissen is overduidelijk niet over één nacht ijs gegaan bij het schrijven van Devah. Het is hierom des te betreurenswaardig dat Thönissen er niet in is geslaagd om voor zijn woorden de juiste vorm te vinden. Het klungelige verheven stijltje dat hij zich eigen heeft gemaakt is een pijnlijke en krampachtige poging om zijn verhaal meer aanzien te geven. Hopeloos is hij op zoek geweest naar de juiste toon en een manier om fraaie volzinnen uit zijn mouw te schudden.

    Er schort helaas echter meer aan het taalgebruik van Thönissen. Op sommige momenten lijkt Thönissen niet te weten wat hij wil en haalt hij zijn woorden uit verschillende taalregisters. Het ene moment schrijft hij op een wijze die doet denken aan spreektaal, het andere moment vervalt hij weer in zijn verlangen om voor een taalvirtuoos door te gaan . Onvergeeflijk zijn ook de vreemde en onjuiste wisseling van tijden en zijn neiging om gebeurtenissen af te raffelen.

    Devah
    Auteur: Jacques Thönissen
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer (2010)
    Prijs: € 19,50