• Oogst week 18 – 2019

    Partizaan Winter

    Partizaan Winter is het debuut van de Italiaanse schrijver Giacomo Verri (1978). Het verscheen oorspronkelijk in 2012 en is nu in een vertaling van Lilian Lotichius bij uitgeverij IJzer verschenen. Partizaan Winter vertelt over de gebeurtenissen uit 1943 in en rond het geboortedorp en de woonplaats van de auteur, Borgosesia.

    Aan de hand van drie sleutelfiguren vertelt Verri het verhaal van de vrijheidsstrijd van partizanen tegen het fascisme in de oorlogswinter van 1943. De drie personages raken op hun eigen manier verwikkeld in de oorlogsgebeurtenissen met als dieptepunt de represaille door het fascistische en berucht wrede Tagliamento-legioen voor de moord op twee van hun kameraden door de partizanen. Na een nacht van gruwelijke martelpraktijken fusilleert het legioen tien inwoners van Borgosesia.

    Een korte documentaire over de roman staat hier.

    Partizaan Winter
    Auteur: Giacomo Verri
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer

    Grote dieven kleine dieven

    Veel van de romans van de Egyptische schrijver Cossery spelen zich af in Egypte. Ze gaan over het contrast tussen arm en rijk, tussen machthebbers en machtelozen. De hoofdpersonen in zijn boeken zijn meestal representanten van de underdog.

    Zo ook in Grote dieven kleine dieven waarin Oessama, een intelligente, ironische, kleine dief, een belastende brief vindt in een door hem gerolde portefeuille. Het boek speelt zich af in een uit zijn krachten gegroeid Caïro, waar haastig en goedkoop gebouwd wordt. Door bezuinigingen op deugdelijk bouwmateriaal en door achterstallig onderhoud van bestaande huizen storten regelmatig panden in.

    Uit de brief die Oessama gestolen heeft blijkt dat een projectontwikkelaar en een politicus schuldig zijn aan het instorten van een gebouw, waarbij minstens vijftig doden vielen.

     

    Grote dieven kleine dieven
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel

    Ad ten Bosch is grootgebracht tussen de boeken. Zijn vader was boekhandelaar bij Van Someren en Ten Bosch, een boekhandel die Ten Bosch later overnam. Dat was het begin van een loopbaan in het boekenvak. Hij is drukker, boekverkoper, uitgever en schrijver (geweest).

    In De IJssel stroomt feller dan de Amstel, met als ondertitel ‘Herinneringen van een boekverkoper, uitgever en schrijver’ vertelt hij zijn verhaal.

    Uitgeverij van Oorschot: ‘Zijn memoires lezen als een verslag van een avontuurlijk leven en een geschiedenis van het Nederlandse boekenvak ineen.’

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel
    Auteur: Ad ten Bosch
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Onrustige dagen

    Zoals De IJssel stroomt sneller dan de Amstel (zie hiervoor) een beeld geeft van het Nederlandse boekenvak, zo biedt Geniaal is niet direct het woord. Brieven aan Theo Sontrop inzicht in de verhouding van een schrijver en zijn uitgever. Deze speciale uitgave (bezorgd en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs) is in beperkte oplage verschenen bij de Statenhofpers en bevat 73 brieven van F.B. Hotz aan De Arbeiderspers. Oplage: 75 gebonden exemplaren.

    Maar de liefhebbers van verhalenverteller Hotz kunnen ook hun hart ophalen bij Onrustige dagen, de mooiste verhalen, gekozen en ingeleid door Thomas Heerma van Voss die schrijft: ‘Hotz is een grootmeester. Scherpzinnig, grappig, ontroerend, psychologisch bijzonder sterk en, wat echt een unicum is: zijn verhalen voelen niet gedateerd. Als ik bij het schrijven even vastloop trek ik regelmatig een van Hotz’ bundels uit de kast. Om een paar zinnen te lezen. Om me over te geven aan zijn ritme. Ik zou het iedereen aanraden. De beste verhalen van Hotz horen bij het beste wat de Nederlandse literatuur heeft voortgebracht.’

    Onrustige dagen
    Auteur: F.B. Hotz
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Sterke verhalen, fijn voor de fans

    Sterke verhalen, fijn voor de fans

    Tja, P.G. ‘Plum’ Wodehouse (1881-1975), wat moet je daar nou mee? Zit er nog iemand, behalve de trouwe leden van de P.G. Wodehouse Society, op een vertaling van diens werk te wachten? Uitgeverij IJzer denkt in ieder geval van wel. In Mr. Mulliners sterkste verhalen heeft de uitgever elf verhalen van de Brits/Amerikaanse schrijver die nog niet eerder in Nederland in boekvorm gepubliceerd zijn opgenomen. Ze zijn vertaald door Leonard Beuger, die al eerder zijn tanden zette in werk van Wodehouse. Dat is geen eenvoudige opgave; het werk van Wodehouse wordt door sommigen onvertaalbaar geacht vanwege diens vele verwijzingen naar de Engelse taal, de Britse geschiedenis en zijn literaire voorgangers.

    Pub
    Wodehouse schreef vele romans en verhalen en de meeste spelen zich af in het Engeland van de eerste helft van de vorige eeuw. U kent het wel: dat platteland waar de adel tegen de stroom van de moderne tijd in stand en status overeind probeert te houden. Plattelandsdorpjes waar het leven zich afspeelt op het slordig geplaveide, maar keurig onderhouden pad tussen pub en kerk.
    In één van die pubs, herberg De Rustende Hengelaar, is Mr. Mulliner een vaste gast. Zo’n klant waarvan je blij bent dat die binnenkomt als je helemaal alleen je verdriet aan het verdrinken bent. Eindelijk aanspraak. Zo’n klant die je echter liever kwijt dan rijk bent als je in prettig gezelschap verkeert. Dan zet hij als een terriër zijn tanden in je kuiten en laat hij niet meer los. Eén vriendelijk woord van jou en je wordt ondergedompeld in een spraakwaterval van heb ik jou daar. Zo’n klant die je een vraag stelt, niet omdat hij geïnteresseerd in je is, maar omdat hij je antwoord gebruikt als springplank voor zijn eigen verhaal. Zo’n klant dus. Die het ene sterke verhaal na het andere opdist. Niet zo sterk als die van Baron von Münchhausen, maar toch. De gasten van De Rustende Hengelaar weten best dat je ze met een fikse korrel zout moet nemen, al die verhalen waarin de ooms, neven en achterneven van Mr. Mulliner de hoofdrol spelen.

    Kenau
    Zijn ze geestig? Ach. Een in scène gezette diefstal van waardevolle postzegels, twee golfers die zich verplicht voelen een wedstrijd te spelen om de hand van Agnes Flack, een Kenau met een donderstem met wie eigenlijk geen van beiden trouwen wil, twee Lords die jaloers zijn op elkaars snor, een verwende rijkaard die voor het eerst van zijn leven in een achterbuurt belandt… Ooit zal er om die Carmiggeltachtige verhaaltjes gelachen zijn. Maar nu komt het allemaal erg gedateerd over. De verwikkelingen zijn studentikoos en de beeldspraak is oubollig: een zeeman wiens rondborstige hartelijkheid doorklinkt in zijn stem, mensen die zich in een kolkende stroom door een deur naar buiten persen en een vrouw die de koningin is van stormachtige emoties. Hoogstaande literatuur is het niet, de grapjes zijn belegen en de lezer wordt er weinig wijzer van. Voor de echte fans, voor de liefhebbers van de taal die Wodehouse bezigt, zijn verhalen als deze vast de moeite waard. Maar wie zijn taal liefheeft, zoekt de bevrediging niet in een vertaling, maar in het originele werk.

     

  • ‘Darwin doet de mise-en-scène’

    ‘Darwin doet de mise-en-scène’

    De kleine Utrechtse uitgeverij IJzer legt zich sinds 1992 toe op de publicatie van boeken die bij grote uitgevers minder kans maken, maar het verdienen om een breed publiek te bereiken. Dat kunnen recente fictie of non-fictieboeken zijn, maar ook heruitgaven van grote auteurs als Samuel Beckett, Joseph Conrad, Albert Camus, Curzio Malaparte enzovoort.

    Onlangs verscheen bij IJzer De ziel van het gebergte van de verder onbekende Mireille Sidoine-Audouy. Het is een verrassende kijk in een deel van het leven van iemand die wél zijn sporen in de (Franse) literatuur heeft nagelaten: René Char. Het boek gaat in hoofdzaak over zijn rol in het Franse Verzet – de maquis onder de Vichyregering.

    De schrijfster van De ziel van het gebergte is de dochter van Louis Sidoine en Marcelle Pons. Het gezin woonde in Céreste, een dorp van destijds 650 inwoners, dat een verzetshaard tegen de Duitsers werd. Eén van de leiders daarvan was de dichter en schrijver René Char die naar het dorp was uitgeweken. Hij kreeg er snel een liefdesrelatie met Marcelle, die daardoor eveneens bij het verzet werd betrokken. Haar man Louis was toen al gemobiliseerd en zou pas in 1945 in Céreste terugkeren en merken dat zijn vrouw hem had verlaten voor de dichter.

    Het klikte niet alleen onmiddellijk tussen René en Marcelle, maar ook tussen hem en haar dochter Mireille, de auteur van het boek. Zij was 7 jaar toen Char in Céreste opdook en hield de hele oorlog een dagboek bij, soms geholpen door René, die haar behandelde als zijn dochter.

    Schetsjes
    Het nu verschenen boek is een terugblik, gebaseerd op dat dagboek. Mireille, inmiddels zelf moeder van een dochter en oma van kleinkinderen, schreef het in de beginjaren van deze eeuw, dus ongeveer 60 jaar later. Het verscheen in 2009 in Frankrijk.

    Het boek bestaat uit een lange reeks korte schetsjes en scènes uit de periode 1940 tot ongeveer 1948 als Char breekt met Marcelle. Ze zal niettemin zijn grote liefde blijven, zoals aan het slot blijkt. De schrijfster hanteert de pen van de oudere vrouw die ze intussen is geworden, maar weet de argeloosheid van het kind dat de gebeurtenissen in de oorlog registreerde te behouden. Het is daardoor nog steeds een verslag door de ogen van het jonge meisje dat in haar dagboek noteerde wat ze zag, zonder precies te weten wat er zich in het Verzet afspeelde. Daardoor lezen we ook weinig over de amoureuze verhouding tussen René en Marcelle, maar krijgen we wel een indruk van hoe liefdevol die relatie was in de ogen van Mireille en wat voor lieve man René voor haar als kind was.

    Verzet of liefde?
    Daarmee is het een boek geworden dat je op twee manieren kunt lezen. Dat wordt mooi geïllustreerd door de titelkeuze. Waarschijnlijk heeft de Nederlandse vertaler (Lex Plompen) er vooral een liefdesverhaal in gezien. De ziel van het gebergte is immers de naam die René Char aan Marcelle geeft in zijn Feuillets de Hypnos (uitgegeven in 1946 en bestaande uit aantekeningen uit de maquis).

    In het Frans is de titel echter Darwin fera la mise en scène. Dat is de codeboodschap die werd gebruikt voor één van de terreinen waarop de geallieerden hun droppings wilden uitvoeren. In die titel ligt de nadruk dus op de verzetsacties.

    Het boek is vanuit die laatste optiek interessant omdat het een onopgesmukte inkijk geeft in de sfeer in een dorp dat viel onder het Vichyregime, maar tevens een verzetshaard was. Voortdurend lag het verraad op de loer en diende men alert te zijn. Ver weg doet De ziel van het gebergte denken aan de spanningen in Rhoon, zoals die door Jan Brokken worden beschreven in De vergelding. En dan niet zozeer in het zoeken van schuldigen, maar in de manier waarop collaborateurs na de oorlog hun handen in onschuld wassen en de doorwerking van het oorlogsverleden in de persoonlijke levens. Zoals het in dit boek de naoorlogse beklemming van het dorp is die er toe leidt dat René en Marcelle met elkaar breken, hoezeer ze ook van elkaar houden.

    De ziel van het gebergte ontleent zijn bekoring aan het behoud van de kinderlijke blik. Als geschiedkundig en samenhangend verslag van een verzetsbeweging in de oorlogsperiode schiet het te kort. Wie weinig van ‘Vichy’ weet wordt er dan ook niet veel wijzer van. Maar die eis moeten we misschien ook niet willen stellen, want de schrijfster noteert aan het slot van haar boek: ‘Sinds de oorlog ben ik mijn leven lang altijd aan René blijven denken – “mijn valse papa”, zoals mijn kleinkinderen zeggen. Het is ook een beetje om hem dat te zeggen dat ik deze herinneringen heb willen vertellen.’

    Zo bezien is de Nederlandse titel nog niet zo gek gekozen.

     

     

  • Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

    Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

     

    Onlangs heeft dichter/vertaler Jan van der Haar een nieuwe titel van Curzio Malaparte (1898-1957), de Italiaanse schrijver die met de oorlogsboeken Kaputt en De huid een ware cultstatus verwierf, voor het Nederlandse taalgebied ontsloten. Het gaat om de verhalenbundel Bloed (‘Sangue’) uit 1937.

    Bloed bevat een dertiental verhalen, aangevuld met twee voorwoorden van Malaparte zelf uit 1937 en 1954. Daarin lezen we hoezeer Malapartes eigen leven door bloed gekleurd was: ‘Mijn jeugdherinneringen zijn rood van het bloed.’  Weldra volgt een quasi cultureel filosofische uiteenzetting van de Italiaanse horigheid aan de wetten van het bloed. Gespeend van een zeker pathos blijft het niet en de lezer moet enige gedateerde zinnen voor lief nemen.

    Aangezien Italianen alles ondergeschikt hebben gemaakt aan het heilige ontzag voor het menselijk leven, komt hun morele besef alleen bij het vloeien van bloed naar voren. Het Italiaanse volk is nooit slaaf geweest van ideeën of geld, maar des te meer van hun hartstochten. En tot die typisch Italiaanse hartstochten rekent Malaparte jaloezie, eerzucht, liefde voor de moeder, de familie, het land. Uitsluitend een warmbloedig gepleegde moord is voor de Italiaan daarom vergeeflijk. Maar die welke gepleegd uit berekening, ambitie of hebzucht, zal nooit op vergeving kunnen rekenen. En net wanneer je als lezer denkt ‘het zal wel’ komt de schrijver met een welgemikte vuistslag: ‘Zelfs de grootste zielenpoten, kansarmen, blinden, bij wie het morele besef als het ware dood en begraven is, zijn nooit slaaf van honger of hebzucht, maar wel van hun bloed, en dat is de enige slavernij die ze vrij aanvaarden, alsof het een natuurlijke staat of een genadestaat is. In deze warme, strenge heerschappij brengen ze hun bestaan door, ze veroordelen zich tot de hel, maken zich op voor het paradijs. Hun wet ligt in hun aderen. Buiten die wet is er niets wat vat op hun lotsbestemming heeft: de rede, angst noch enigerlei hoop. (…) Vandaar dat aandoenlijke begrip voor andermans lichamelijk lijden. Om moreel leed malen ze niet zo, ja, soms lijken ze er bijna van te genieten, vooral bij anderen: en dan niet uit rancune, afgunst of een ander minderwaardig sentiment, maar uit een diep gevoel voor rechtvaardigheid, uit ervaring met de slechtheid en kleinheid van de mens. Omdat ze weten dat mensen allerlei vernedering, schande en wanhoop verdienen’. Kijk, dat maakt duidelijk waarom de als Kurt Erich Suckert geboren auteur juist Malaparte (‘hij die aan de slechte kant staat’) als pseudoniem koos, de antipode van Bonaparte. Als lezer ben je meteen wakker geschud. Want dat is de kracht van Malaparte: zo nu en dan strooien met rake, schurende zinnen, beelden die zich op je netvlies zetten en niet meer willen wijken. Dergelijke messteken maken het lezen van deze auteur de moeite waard.

    In het verhaal Een stad als ik, waarin de auteur een portret van zichzelf als stad schetst, laat hij zijn gedachten gaan over haar bewoners en die ziet hij het liefst als: ‘Liefhebbers van fatsoenlijk vermaak, die eerder uit zijn op vrede dan op rijkdom. Maar ik zou wel graag een geheime onrust in die hoofden willen, want mensen die zo tevreden, zo zeker van zichzelf en anderen zijn, blijken niet tot grootse dingen in staat. Ik zou ze onrustig en onzeker voor de toekomst maken, zonder spijt of weemoed naar het verleden’. Volmaakt in de klassieke zin zou die stad niet moeten zijn, want ‘wat er echt nodig zou zijn, en waar men niet zonder kan, is een donkere smet op de keien van een steeg (..) Een druppel bloed, niemand zou weten hoe die er kwam, wie er gestorven is, en waarom. (…) Mocht hij als een smet op het geweten van de stad rusten: een reden van berouw en angst moet er immers zijn in een stad, als je wilt dat die volmaakt is.’ Weer bloed dus.

    Er valt van alles over deze bundel te beweren, maar niet dat de titel de lading niet zou dekken. Alle dertien verhalen staan in het teken van het ontzag voor bloed. Daarover kon na het voorwoord al geen twijfel meer bestaan. En hoewel de schrijver daarin beweert bloed te verafschuwen, stelt hij zich tot taak zijn ‘eerste inzichten, ontdekkingen en onthullingen van de mysterieuze wetten van het bloed en bewustzijn’ te beschrijven. Als sommige passages wreed zouden lijken, komt dat echter niet doordat de auteur ze ‘gebundeld [heeft] uit een morbide genoegen in wrede beelden, maar om te tonen hoe men door de pijnlijkste ervaringen een ultiem, vrij bewustzijn van zichzelf en zijn volk en zijn tijd kan bereiken.’

    Toch kan, wie de soms surrealistische oorlogstaferelen uit Kaputt en De huid in het geheugen gegrift staan, alleen maar constateren dat het met die wreedheid in Bloed nog wel meevalt. Ze ligt voortdurend op de loer, maar de verhalen waarin de wreedheid botgevierd wordt, zijn in de minderheid. Hier is de auteur aanzienlijk ingetogener, poëtischer te werk gegaan, is de sfeer minder bizar. De verhalen dateren nog van vóór de Tweede Wereldoorlog. En hoewel Malaparte als adolescent in de Eerste Wereldoorlog vocht, klinkt het krijgsgewoel daarvan nauwelijks door. De toon in de verhalen is beduidend bescheidener dan die van het voorwoord. Veel verhalen hebben een onbestemde, poëtische waas over zich. Er gebeurt vaak te weinig om van een plot te kunnen spreken, maar de sfeer is geladen. De meeste gaan over de als somber en beklemmend beleefde kindertijd en over het gevoel overal buiten te staan: geen binding te hebben met de mens, met de wereld om hem heen. ‘Als kind was ik triest, diep ongelukkig’ is een zin die wat betreft de gemoedstoestand van het jonge kind veel samenvat. Alle zintuigen staan open, want de buitenwereld is vol dreiging. Dat levert uitdagende, expressieve beeldspraak op als ‘er hing een reusachtige kwetsbare rust in de lucht’ en ‘onder het raam hijgde de zee als een koe voor de gesloten staldeur’. Wanneer de schrijver het vertelperspectief even overneemt, worden zulke zinnen even makkelijk ingewisseld voor wat meer reflectieve: ‘Ik ken mijn geheimen, mijn kracht, de duistere en lichte kanten van mijn geest, wat er al dood is in mij, wat nog levend. Ik weet hoe ik mezelf moet teleurstellen’.

    Langzaamaan zien we de het kind tot jongeling opgroeien. In het verhaal Jongenskwelling gaat de ik-figuur gebukt onder de last van twijfel en onzekerheden. Wanneer hij eindelijk een jongen in vertrouwen heeft genomen om hem zijn kwellende gevoelens op te biechten, lezen we: ‘ik voelde dat ik hem ongewild met mijn woorden de zekerheid had gegeven dat voor hem nu alles verloren was, dat niets hem meer zou kunnen verlossen van die angst, die vrees voor de dood waarvan mijn biecht me voorgoed had bevrijd.’

    Dat iemand zich ten koste van een ander van zijn juk bevrijdt, zien we terug in het langste verhaal Een gelukkige dag, waarmee de bundel besluit. Hierin volgen we een ambtenaar van het Kadaster die zomaar besluit een dag niet naar zijn werk te gaan, maar de buitenwijken van Rome in te trekken, alwaar hij de sfeer van het zuivere Italië meent te beleven en zich verwelkomd voelt door de militairen en zwarthemden. Wanneer hij in een café, in kennelijke staat verkerend, aan de aanwezige arbeiders een rondje geeft, raakt hij met hen in gesprek. Voortdrinkend komt de ambtenaar tot het besef dat zijn kantoorbaan, zijn leventje één grote gevangenis is en dat hij zich al die jaren door angst heeft laten regeren. Hij betreurt het uit ander hout te zijn gesneden dan de arbeider. Een dreigende sfeer ontstaat wanneer een handgemeen volgt met de waard die vindt dat er inmiddels genoeg alcohol is geschonken. Maar die bui trekt vooralsnog over. Van echte toenadering wil het evenwel niet meer komen, en enigszins ontnuchterd druipt de ambtenaar af. Thuisgekomen komt die sfeer van dreiging weer vervaarlijk terug en in een vlaag van blinde woede reageert hij zich mededogenloos af op zijn huiskat. Met stip de gruwelijkste scène van het boek. Het brengt de dader wel in een staat van bevrijding. ‘Een glimlach van overwinning, maar dan schuchter en zacht, die van een kind dat eindelijk genezen is van een heimelijk verdriet en zich overgeeft aan een vrije, blije droom’, luiden de laatste woorden. En aldus lijkt de open wond van de kindertijd definitief geheeld en is de volwassen man verschoond van zijn angsten.

    De vertaling leest goed. Slechts bij een heel enkel zinnetje was er even twijfel: ‘hm, wat zou hier in het origineel hebben gestaan?’ Een omissie is echter wel dat nergens in het boek (niet eens achterop!) enige informatie te lezen valt over de auteur. Terwijl de achterflap bij uitstek gelegenheid biedt een auteur als Malaparte met goed in de markt liggende termen als ‘controversieel’ en ‘cultstatus’ te etaleren. Enige gegevens omtrent de man die in zijn politieke wisselvalligheid dikwijls aan de verkeerde kant van de geschiedenis belandde, had geen kwaad gekund. De potentiële lezer die nog onbekend is met de naam Malaparte, en die het boek in een boekwinkel, afgaande op de niet oninteressant luidende titel, van de stapel plukt en enig houvast zoekt in de vorm van auteursinfo, wordt nu niet op zijn wenken bediend. De toegankelijkheid en het niveau van de verhalen maken het boek echter zeer geschikt ter introductie van Malapartes werk. Voor de lezer die zich al gewonnen had gegeven na lezing van Kaputt of De huid, en het zonder flaptekst kan stellen, is deze bundel natuurlijk sowieso een aanrader.

     

     

  • Op zoek naar een verloren droom

    Op zoek naar een verloren droom

    Als de eerste bladzijde van een boek of een verhaal bepalend is, zoals in veel literaire analyses wordt beweerd, dan kom je in deze novelle van Georg Büchner wel aan je trekken. In de eerste acht regels: grijs gesteente, zwaar omlaag hangende sparretakken, vochtige lucht, grauwe wolken, nevel zo traag, zo plomp. En ‘Lenz stapte onverschillig door, de weg interesseerde hem niets, nu eens omhoog, dan weer omlaag… het beklemde hem, hij zocht naar iets, als naar een verloren droom, maar hij vond niets.’

    Lenz is een jonge man, die zich onrustig en onzeker voelt. Hij wordt gekweld door angst, gevoelens van leegte en door waanvoorstellingen. Hij gaat op zoek naar een plaats om rust te vinden en komt bij een dominee, Oberlin. Deze dominee ontvangt hem vriendelijk en vraagt hem niets, hij mag er gewoon zijn. Lenz gaat met de dominee mee, wanneer deze op huisbezoek bij de boeren in de omgeving gaat. Dat doet hem goed. Maar wanneer hij ’s avonds alleen is, slaat de angst weer toe en springt hij in een koude bron. De dominee en zijn vrouw halen hem eruit en troosten hem. De volgende dag vraagt Lenz of hij zondag mag preken in de kerk. De dominee staat het toe. De mensen zijn geraakt door de preek van Lenz. Later in zijn kamer barst hij in tranen uit.

    Hij voert gesprekken met Oberlin over de natuur, over stemmingen, over intelligentie. Dan komt er een vriend, Kaufmann op bezoek. Lenz wordt weer onrustig. Enerzijds kent Kaufmann zijn ouders, hij brengt ook het verzoek van Lenz’ vader over om weer thuis te komen. Anderzijds wordt hij geprikkeld tot discussies over kunst en literatuur.

    Een paar dagen later gaan Oberlin en Kaufmann naar Zwitserland. Lenz is alleen en wandelt onrustig door de bergen. Dan komt hij in een hut terecht, waar een ziek meisje ligt. Daar overnacht hij. In gesprekken met de vrouw van Oberlin vertelt hij over die ervaring, maar ook over een meisje, Friederieke, die veel voor hem betekent.

    De onrust neemt weer toe. Als Oberlin na zijn thuiskomst uit Zwitserland hem ook vraagt naar zijn vader terug te keren, weigert Lenz. Hij springt weer in de koude bron. De volgende dag blijft hij in bed en klaagt over verveling. Later springt hij uit het raam. Oberlin zoekt iemand, die over Lenz wil waken. Maar hij ontvlucht telkens en vertelt verhalen, die steeds verwarder zijn.

    Georg Büchner (1813 -1837) was de zoon van een arts en studeerde ook medicijnen in Hessen. Hij kwam met medestudenten in opstand tegen de adel en schreef pamfletten in regionale kranten. Zijn studie deed hij uit plichtsgevoel, maar hij wilde eigenlijk schrijven. Als schrijver koos hij vooral voor mensen die het slachtoffer zijn van hun onvermijdelijke lot. Büchner had gelezen over de schrijver Jacob Lenz, die al op jonge leeftijd heftige angstaanvallen en wanen had. Hij ging op advies van vrienden naar de predikant Oberlin, in de Elzas, die bekend stond om zijn vermogen mensen te helpen.

    In het nawoord van dit boek wordt vermeld, dat Büchner zich vermoedelijk sterk identificeerde met Lenz en een aantal thema’s uit zijn eigen leven projecteerde op die persoon.

    Je zou de novelle min of meer een dubbel-verhaal kunnen noemen, de geslaagde beschrijving van Jacob Lenz’ zoektocht naar rust, en de vertaling van Büchners opvattingen over kunst, literatuur en zelfonderzoek.

    Dit boekje is de zeer de moeite waard, zowel het verhaal als de korte beschrijvingen van Büchner en Lenz achterin. Daarbij de passende omslag van Caspar David Friedrich. In het Duits zou men zeggen: Ein Kostbarkeit!