• Deze recalcitrante vertelstem is ongelooflijk bevredigend en verfrissend

    Deze recalcitrante vertelstem is ongelooflijk bevredigend en verfrissend

    Meta is haar naam van Michael Tedja (1971) is niet de enige roman over een personage dat zijn moeder verliest en waarvan de vader al lang geleden het gezin heeft verlaten. De ouders van de ik-persoon zijn in hun twintiger jaren van Suriname naar Rotterdam geëmigreerd. Zij zijn vrijzinnig, liberaal en vinden daardoor geen aansluiting bij de meer conservatief ingestelde Surinaamse diaspora. De vader mag dan een overtuigd rationalist zijn, maar de moeder en haar jongste dochter Nan voelen zich aangetrokken tot de Surinaamse cultus van de Winti rituelen. Plotseling komt de moeder te overlijden en de vader is al een tijdje uit beeld. Meta, Nan en hun broer moeten zelf zien om te gaan met hun complexe familiegeschiedenis, die een grote invloed uitoefent op wie ze zelf zijn.

    De kwestie van een gelaagde identiteit wordt in meerdere facetten door Tedja onder de loep genomen. Dit wroetende zoeken naar antwoorden kan een schrijver niet voltrekken binnen het strakke kader van een roman. Beschouwende passages worden afgewisseld met autobiografische notities, maar in dit amalgaam van genres staat vooral het taalspel zelf centraal. Om Tedja’s werk te willen begrijpen is het belangrijk zijn esthetiek te doorgronden. 

    Aquaholisme

    Voor Tedja ligt de essentie van verhalen in de manier waarop iets verteld wordt. Zijn werkwijze noemt hij ‘aquaholisme’, dat neologisme wijst op het samenvoegen van heterogene elementen tot een nieuwe constellatie. Daarbij komt het feit dat ook zijn geliefkoosde thema’s als identiteit en racisme zich richten op het omgaan met veelvormigheid. In één van de meer beschouwende passages verklaart de ik-persoon, dat het cultureel diverse binnen de literatuur veronachtzaamd wordt, maar dat zijn denken wel veelvormig is: ‘ik heb mijn eigen stem nooit verloochend’. Een roman kan nooit multicultureel zijn, aangezien de vastgesnoerde structuur dit bij voorbaat uitsluit. In Meta is een naam wemelt het van de pagina’s, waarin het verhaal wordt verlaten, en die daarentegen gevuld zijn met bespiegelingen over de toegepaste methode.

    Alleen het eerste woord in de titel getuigt reeds van het zelf reflexieve karakter van dit boek. Die neiging om zichzelf te bevragen houdt wel de vaart uit het verhaal, omdat het verhaal vaak wordt onderbroken. Meestal gebeurt dat in voetnoten, die naar het einde toe een steeds prominentere plaats innemen. Bijna altijd wordt het woord ‘kritiek’ gevolgd door een voetnoot, waarin iemand de kenmerken van deze ‘roman’ gaat bevragen, meestal op negatieve wijze: ‘de ontwikkelingen zijn niet goed,’ ‘langdradig’ of ‘verwarrend’. Het klinkt alsof Tedja de bezwaren van critici en lezers wil anticiperen door ze zelf al te neer te schrijven en ze in dialoog te laten treden met de hoofdtekst. De lezer is getuige van een uitdijend proces van zelfkritiek dat tien pagina’s lang kan voort denderen. 

    Recalcitrante vertelstem

    Dat taalspel is niet slechts vormelijke spielerei. Het bevat ook een aanklacht tegen wat men als een normaal en lineair verloop van een verhaal zou beschouwen. Al wat niet aan deze normen voldoet wordt als hermetisch beschouwd en zodoende worden vreemde elementen van de bladspiegel verdreven. Met zijn vormexperimenten poogt Tedja om voor deze verhalen een plaats te creëren. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de hulpeloze en ontroerende pogingen van een ik-persoon, om contact op te nemen met een ‘jij’, die genoteerd staan in de marge van de voetnoten.  Naar wie die ‘ik-persoon’ verwijst, blijft onduidelijk. Meestal betreft het de oudere zus van Nan, soms haar oudere broer, die beeldend kunstenaar en schrijver is. Bij dat laatste personage weerklinken er ettelijke reminiscenties aan Tedja zelf, ‘het is al zijn vierde roman’. In dit boek is elk meta-niveau welkom. 

    Ook inhoudelijk weigeren de stemmen en gedachten van de personages om zich in een slachtofferrol te wentelen, zonder daarmee de bestaande racistische structuren te ontkennen. Het beste komt dit naar voren in de talrijke raamvertellingen, die de revue passeren. Er loopt van alles rond, onder andere een Pools klasgenootje, waarvan de familie zelf de eindjes aan elkaar moet knopen, of de soms redelijk antipathieke familieleden uit Suriname. Het is bijna onmogelijk om alle personages te onthouden, laat staan op te sommen. Wat bij blijft zijn de meer absurde stukken, waarin opmerkingen over het verloop van een menstruatiecyclus gepaard gaan met het vinden van een poedel. Zinnen als ‘mijn broer en ik aten wasmiddel’ vormen geen uitzondering in het geheel.

    Karakter van het boek

    Het karakter van dit boek lijkt bij momenten de betekenis van de naam ‘Nan’ te weerspiegelen: ‘hysterie in waanzin vervat’. Door de eerdergenoemde werkwijze waaiert de inhoud alle kanten op. Tedja weet de lezer constant te verrassen. In een literair klimaat met talrijke traditionele familieromans voelt zijn recalcitrante vertelstem ongelooflijk bevredigend en verfrissend aan. Het is een uitnodiging om de ontroerende, humoristische en snuggere fragmenten op te schrijven en er zelf mee aan de slag te gaan. Welles-nietes spelletjes en de tegenstellingen tussen autochtonen en allochtonen of slachtoffers en daders deugen niet meer. De wereld is toch al complex, dus kunnen we er maar beter creatief mee omspringen.

    Door die hybride en complexe structuur is er wel minder lineaire houvast om intens mee te kunnen leven met het verlies en rouw van onder andere Nan. Misschien dat een herlezing dit gebrek zou kunnen verhelpen, al moet je daar wel zin in hebben, want dit soort lectuur eist veel van de lezer. De constante interrupties kunnen ook ronduit vervelend zijn. Literatuur die je doet meeslepen in de zielenroerselen van anderen zal je elders moeten zoeken. Maar een aquaholistische benadering van hedendaagse literatuur heeft Tedja wel in de aanbieding. Hij zet je aan het denken en lachen, met soms een traantje en vaak een grijns van verwondering of irritatie. Kleurrijk, complex en compromisloos. Meta is haar naam blijft broodnodig leesvoer in deze veelvormige wereld, waar veel schrijvers niet mee weten om te gaan. Michael Tedja lijkt het ook niet te weten. Hij probeert gewoon van alles uit en net dat is zijn grootste verdienste.

     

     

  • Wat dit boek doet

    Wat dit boek doet

    Ik verlang wel eens naar het spreekwoordelijke pakje sigaretten halen. De straat uitlopen, een zolderkamer betrekken. Dagen van waarnemen, verwonderen over de dingen, dat noteren. Wie droomt daar soms niet van? En nee, het is geen vlucht, het is de mogelijkheid van een nieuw leven. Omdat ik dat wel nooit zou doen, houd ik het bij de verhalen van eenlingen. Romans van Emmanuel Bove, Patrick Modiano, Walging van Sartre, verhalen van Biesheuvel. Met personages die om hun bevreemdende levens een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Zo las ik een kleine roman waarin de verteller terugblikt op zijn achttienjarige zelf. Als jongeman werkte hij tijdelijk bij een boekhandelaar, schreef synopsissen voor een filmproducent, woonde op kamers in een statig huis van pandjesbaas Dzinballe aan de IJsselkade in Zutphen. Om grip op zijn leven te krijgen, leest hij romans die spelen in Amsterdam, Aalst, Petersburg of Parijs. (‘Maar nooit in Zutphen.’)

    Nieuwsgierig naar verhalen achter namen, zoekt hij in het stadsarchief de naam van zijn huisbaas. In 1902 schreef de eerste Dzinballe uit Malschwitz Duitsland, zich in Zutphen in. Ik lees dat Malschwitz tussen Berlijn en Dresden ligt, gebied van de Sorben een West-Slavisch volk met een eigen taal en cultuur. De Sorbische naam voor Malschwitz, is Malešecy, dat aan drie kanten begrensd wordt door water. Kenmerk van een goed boek is dat ze nieuwsgierig maken naar dingen waarvan je niet het geringste vermoeden had dit te willen weten. Elke pagina leidt naar een zweem van een verhaal dat daar achterligt. Op zijn kamer vindt hij een koffertje met naaktfoto’s in de sfeer van ‘Freikörper’ met de inscriptie ROA. Hij achterhaalt wie er achter die initialen zit, gaat op onderzoek uit naar de vrouwen die zich hebben laten fotograferen. Sommigen herkent hij, een buurvrouw, de tante van een vriendin, de vriendin zelf. Hij stopt er weer mee omdat hij zichzelf belachelijk maakt door ze te bespioneren. 

    Er zijn oude krantenberichten die hij in boeken vindt. Als er op een ochtend een Duitse jongen, Wendigo Krause in de IJssel verdrinkt, vlak voor zijn deur, doet dit hem denken aan een krantenartikel over een roofvogel en een snoek uit de Tilsiter Zeitung. De snoek baadt in het zonlicht, de roofvogel duikt erop af, slaat zijn klauwen in het vlees. De snoek echter weegt 20 kilo. ‘De snoek duikt onder en neemt de rover met zich mee in het voor de gevederde bewoner der lucht zo vreemde element en blijft geruime tijd met hem onder water. De strijd was echter voor beide noodlottig, want het duurde niet lang of twee doden dreven op de oppervlakte van het water.’

    Een ander krantenartikel gaat over Plennie Lawrence Wingo. Tijdens de grote Depressie maakte deze Texaan met behulp van achteruitkijkspiegels achteruitlopend een reis om de wereld. Toen hij de oostkust van Amerika bereikte zaten zijn kuiten aan de voorkant van zijn benen. Uit een van die krantenberichten valt een kleine sleutel met vier namen, Pelgrim, Scheerder, Léautaud (wie denkt nu niet aan de Franse schrijver Paul Leautaud?). Die namen zetten weer aan tot een volgende zoektocht. ‘Als deze namen, zo voelde het, op mijn weg kwamen, mét de verhalen die eraan vastzaten, hóórden ze bij mij.’

    Elk antwoord roept een nieuwe vraag op is het adagio in dit boek. De naam van de verdronken jongen, Wendigo Krause, blijkt een samenstelling te zijn van Panthera Krause, dj en producer, ‘Wendigo’ is een nummer van zijn album, ‘It’s a Business doing pleasure with you’. Voor ik het weet, luister ik naar techno muziek, als bevindt zich daarin een antwoord op een niet gestelde vraag. Dat doet dit boek met je.

    Tussendoor doet de verteller, die niemand minder dan de schrijver zelf is, een bekentenis, ‘Als ik overlees wat ik geschreven heb, zie ik hoezeer ik met mijn ziel onder de arm liep, bijna als een permanente gemoedstoestand. Door mijn aantekeningen van toen heen bladerend, lees ik pathetisch getoonzette citaten als: “want zie: er zijn altijd mensen, die wel weten, waar ze naartoe moeten, al verbeelden ze zich dit maar.”’ Ja, het gevoel dat jij als enige het verkeerde spoor volgt. Deze kleine roman zit vol verhalen, synopsissen van levens, dat je er maar een kunt leven, de rest verbeelding is. Intrigerend boek, een aanzet tot iets.

     

     

    Een naderend begin van iets nieuws / Hans Heesen / 122 blz. / Uitgeverij IJzer


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

  • Een boek waar niemand ongevoelig voor kan blijven

    Een boek waar niemand ongevoelig voor kan blijven

    Schrijfster Neel Doff (1858-1942) werd geboren in een dorp bij Roermond maar groeide op als derde kind in een gezin van negen kinderen, in de 19e-eeuwse armoede-straatjes in het centrum van Amsterdam. Haar vader, een blonde Fries, had haar moeder leren kennen toen hij als soldaat gelegerd was in Limburg. Als paardenknecht en aapjeskoetsier verdiende hij voor het jaarlijks groeiende gezin een magere boterham, maar verloor de moed en raakte aan de drank. Op zoek naar beter kwam het gezin in Amsterdam terecht, waar het van het ene armoedige krot naar het volgende verhuisde. Met als eindpunt dit: 

    ‘We woonden in één enkele kamer in een slijmerig slop in Amsterdam. De zon sijpelde er nooit binnen. En als de vochtige kou in de winter het er ijselijk maakte, sloopte de zomerse klamme warmte ons. Er was slechts een alkoof bovenaan, zoals in de vissersschuiten maar dan afgesloten. Het was alsof we in een kast vertoefden. Mijn ouders sliepen in de nis onderaan; enkele van de kinderen in een hoger compartiment. De anderen op een strozak op de grond. In de hoek deed een kleine ton dienst als kakstoel van de familie. In een andere lagen de vuile luiers van de kinderen. Vervolgens afval van alles en nog wat van een miserabel huishouden. De geur van de pijp van mijn vader en de uitwasemingen van tien armelui veroorzaakten een ‘adem-benemende’ atmosfeer. Ik hoorde de luizen wandelen.’ Uit: Jours de famine et de détresse (Dagen van hongersnood en ellende)

    Schrijven in het Frans

    Het gezin verhuist als Neel 15 is naar Brussel, waar zij – een opvallend mooi meisje – op aandringen van haar moeder leert haar lichaam te verkopen om het gezin, en vooral haar broertjes en zusjes aan voedsel te helpen. Ze wordt later model voor schilders en beeldhouwers en leert in dat kunstenaarsmilieu Fernand Brouez kenen, zoon van een gefortuneerde Waalse notaris en de oprichter van het tijdschrift La Société Nouvelle (De Nieuwe Maatschappij). Neel, die vanaf haar vroegste jeugd alles las wat zij te pakken kon krijgen, wordt zijn Pygmalion. Ze schrijft in het blad en publiceert er een vertaling in het Frans in van Multatuli’s Woutertje Pieterse. 

    Maar pas jaren later, als zij de vijftig al gepasseerd is, komt zij er toe haar jeugdervaringen op papier te zetten. Dat doet ze in het Frans, de taal van het milieu waarin ze dan al decennia verkeert. In kleine fragmentarische hoofdstukjes beschrijft zij scenes uit de kindertijd van Keetje Oldema, zoals ze haar hoofdpersoon noemt. Het boek komt uit onder de titel, Jours de famine et de détresse (1911). Het wordt goed ontvangen en dingt zelfs mee naar de prestigieuze Prix Goncourt, die ze net niet wint. Met twee latere titels (Keetje in 1919) en Keetje trottin in 1921) voltooit ze de trilogie over haar leven. 

    Als weduwe van de jong overleden Brouez kan ze zonder geldzorgen leven. Ze hertrouwt, leidt een burgerlijk bestaan in Brussel en brengt de zomers door in een tweede huis in Genk (België). Ze schrijft nog wat losse stukken met herinneringen aan haar broers en zussen en enkele verhalen over het leven van een gezin in Genk. In 1942 overlijdt ze, 84 jaar oud.

    Nederland en Neel Doff

    In Nederland verschijnt in 1915 bij de Wereldbibliotheek onder de titel Dagen van honger en ellende een vertaling van het eerste deel van de trilogie, met een inleiding van de Amsterdamse socialistische wethouderr Wibaut. Maar Neel Doff blijft in de Nederlandse letteren onopgemerkt, ook al proberen literatoren als Jan Greshoff  (die haar kent) daar verandering in te brengen.
    In de jaren zestig herontdekt Wim Zaal haar trilogie. Hij had in 1969 het boek Nooit van gehoord: Stiefkinderen van de Nederlandse beschaving gepubliceerd, over vergeten schrijvers en andere mislukkelingen. Hij was het werk van Neel Doff tegen gekomen en erdoor gegrepen. In 1970 publiceert hij een nieuwe vertaling van de Dagen van honger en ellende, dat door critici als Wam de Moor en Kees Fens wordt geprezen als indrukwekkende weergave van een jeugd als pauper in het 19e-eeuwse Amsterdam.

    Fens schrijft: ‘Het boek is opgebouwd uit kleine hoofdstukjes, waarin meestal één voorval behandeld wordt. Die hoofdstukjes doen denken aan korte filmpjes, die dan meestal wat abrupt worden afgebroken, waarna een nieuw kort filmpje begint. Er is geen totaalbeeld; het boek is een verzameling soms uitstekend geschreven kleinbeelden, die door de altijd gelijke nood toch tot een eenheid worden gemaakt; (Volkskrant 17-11-1970).

    Openhartig proza

    En dat is een goede karakterisering van de wijze waarop Doff haar herinneringen op papier zette: kort door de bocht, zonder enige omhaal van woorden. Zo beschrijft ze haar ontmaagding door de hoedenmaker waar zij als loopmeisje voor werkte: ‘Een ogenblik later was hij terug, spiernaakt, en wierp zich in zijn volle lengte bovenop me. Schreeuwen kon ik niet, hij perste zijn mond op de mijne; ik voelde hoe zijn wroetende handen mijn benen van elkaar schoven… Hij drukte zich bij mij binnen… Ik dacht dat ik vermoord werd, zo’n pijn deed het. Hij gromde als een uitgehongerde hond die een bot verscheurt.’ Romans uit het begin van de vorige eeuw waren heel wat langdradiger en aanzienlijk minder openhartig dan dit proza, zeker in Nederland.

    Voor een complete vertaling van de trilogie vond Wim Zaal geen uitgever, maar toen hij de boeken Keetje en Keetje trottin  in elkaar schoof en er een ingekorte versie van maakt verscheen het als Keetje Tippel.  En dát werd een succes, vooral dankzij de verfilming door Paul Verhoeven in 1975 met Monique van der Ven in de hoofdrol. In 2013, maakte Zaal een nieuwe vertaling, liet een paar stukken weg en voegde andere stukken toe. Zijn argument voor deze redactionele ingrepen: de herinneringen van Doff waren door haar achter elkaar opgetekend en ze deed dat vaak niet in de chronologische volgorde van de gebeurtenissen. Ook herhaalde ze zichzelf geregeld in de trilogie en sommige stukken hoorden naar zijn idee thuis in de categorie ‘wat mij nog meer te binnen schiet’. 

    Twee vertalingen 

    Voor wie dat geen goede argumenten vindt voor inkortingen verscheen onlangs de integrale vertaling van het derde deel van de trilogie Keetje trottin onder de titel Keetje op straat.

    Dat Wim Zaal de delen twee (Keetje) en drie (Keetje Trottin) in elkaar schoof was vertaalster Anna Geurts een doorn in het oog, zoals ze uitvoerig uitlegt in dertig pagina’s verantwoording. Vooral ook omdat zijn inkortingen en volgorde-wijzigingen naar haar idee afbreuk doen aan ‘de spanningsboog die Doff construeerde’. Het blijkt vooral te gaan om de stukken waarin Keetje  Multatuli’s Wouter Pieterse ontdekt en in gedachten met hem in discussie gaat over beider leven, Ook verwijt ze Zaal dat zijn versie van Doff’s boeken de mannenmaatschappij dient omdat hij de meer filosofisch getinte stukken schrapte en het geweld en de seksscenes liet staan.

    Wim Zaal overleed op 11 oktober jl en zal dus nog net kennis genomen hebben van haar kritiek. Het is inderdaad te prijzen dat Keetje trottin nu integraal in het Nederlands te lezen is. Dit deel bevat de teksten die gaan over haar leven als jong loopmeisje (=trottin), dat hongerig en vervuild over straat zwerft en kleine baantjes heeft en het eindigt met haar ontmaagding. Maar wie de compilatie leest die Zaal maakte van beide delen leest ook het vervolg van haar leven, de beroerde tijden in Brussel als haar ouders haar dwingen om ter wille van het gezin zichzelf te prostitueren. En uiteindelijk de wijze waarop ze zichzelf aan haar haren uit de ellende trekt. En dat maakt het beeld compleet. Zo is er voor beide benaderingen iets te zeggen.

    De allereerste vertaling van haar werk (Dagen van honger en ellende, vertaald door Anna van Gogh-Kaulbach) werd in de Arnhemse courant van 8/7-1915 lovend besproken met deze woorden: ‘Dit boek kan niet zonder ontroering gelezen worden; het is een boek van zoo diep-ingaand leed, van zoo sterken weemoed, dat niemand er ongevoelig voor kan blijven.’ En dat klopt na ruim een eeuw nog steeds.

     

  • De dialoog als romanskelet

    De dialoog als romanskelet

    De schrijver Giorgio Montefoschi is een van de meest gerespecteerde hedendaagse Italiaanse schrijvers. Zijn werk La casa del padre won in 1994 de Stregaprijs, de meest prestigieuze Italiaanse literatuurprijs. Het lichaam (2017) is in 2021 uit het Italiaans in het Nederlands vertaald onder de supervisie van Reinier Speelman. De vertaling van de tekst is mede tot stand gekomen in het kader van een cursus aan Universiteit Utrecht, vele studenten hebben  eraan meegewerkt. Het is niet enkel de oorspronkelijke taal, ook de setting die in de roman centraal staat ademt een Italiaanse sfeer. De stad Rome vormt het belangrijkste decor.

    Minimale verhaallijn

    Het lichaam gaat over Giovanni Dalmati, zijn vrouw Serena, de broer van Giovanni Andrea en diens vriendin Ilaria en nog enkele andere familieleden. We krijgen het verhaal voor het grootste deel te lezen vanuit het perspectief van Giovanni. In het begin van de roman krijgt hij een hartinfarct, waardoor Serena bezorgder en bezorgder wordt. Dat benauwt Giovanni en hij krijgt vervolgens een oogje op Ilaria. De twee hebben een kortstondige affaire die het huwelijk van Giovanni en Serena om zeep helpt en ook de band tussen de twee broers geen goeddoet. Wat Giovanni en Ilaria missen in hun eigenlijke partners en wel bij elkaar vinden, wordt in de roman niet voldoende uitgewerkt. Hierdoor voelt de hele romance uit de lucht gevallen en onnodig. Aan het einde van de roman is de relatie tussen Giovanni en Ilaria weer voorbij en lijkt de gewone gang van zaken voort te kabbelen zonder ingrijpende veranderingen. Er gebeurt in de roman heel weinig, de verhaallijn wordt teruggebracht tot het minimum. Veelal lezen we over de dagroutines van de verschillende familieleden; Andrea die voor de krant werkt, Giovanni die wandelingen maakt en Ilaria die haar eigen boetiek draaiende houdt. We krijgen het te weten als Serena boodschappen heeft gedaan, of als ze nog boodschappen moet gaan doen, en wat ze dan nog precies nodig heeft; we lezen wat voor wijn ze drinken en welke kleding ze dragen. Deze gedetailleerde schrijfstijl heeft als voordeel dat je een goed beeld krijgt van de Italiaanse liberale en intellectuele bourgeoisie waar deze familie onderdeel van uitmaakt, maar aan de andere kant kan al deze zijinformatie wat op de zenuwen gaan werken. Het gebrek aan een echte verhaallijn kan er gemakkelijk voor zorgen dat je de interesse in deze roman verliest.

    Familiesfeer in dialoogvorm

    De nadruk in deze roman ligt op relaties binnen een familie. We gaan van het ene gezamenlijke etentje door naar het volgende en als iemand ziek is, is de familie amper bij het bed van de zieke weg te slaan. Samen dagjes of weekendjes weg, samen naar de markt en noem maar op. Je krijgt als lezer een idee van hoe een familie er in Rome uit zou kunnen zien. Luxe is voor deze familie een sleutelbegrip. Giovanni en Serena wonen in de chique Romeinse wijk Prati. Het gevoel dat je een inkijkje krijgt in een Italiaanse familie die echt zou kunnen bestaan, komt mede door de vorm waarin het verhaal grotendeels is gegoten; de dialoog. De gesprekken tussen de personages bieden inzicht in hun belevingswereld. Dat wil echter nog niet zeggen dat het de meest krachtige of interessante dialogen zijn. Niet zelden gaan deze vele pagina’s zo: ‘“En, waren er paddenstoelen?” “Heel weinig,” antwoordde Giovanni vanaf de vensterbank. “Heeft het niet geregend?” “Nee. Het was de hele tijd droog.”’ De dialogen kunnen vooral worden opgevat als het skelet van de roman, waarop de rest steunt.

    Symboliek: lichaam en generaties

    Zoals de titel van de roman doet vermoeden, speelt het lichaam een belangrijke rol. De zestigjarige Giovanni wordt met name geconfronteerd met de beperkingen van zijn ouder wordende lichaam en de gebreken die het begint te krijgen. Hij beseft hierdoor dat het leven snel gaat en dat hij steeds kwetsbaarder wordt. Het verhaal bevat ook verschillende verwijzingen naar de dood, zoals het sterven van vriendin Ada en overlijdensberichten van dichters. Daar tegenover staat het nog fitte lichaam van Ilaria, die twintig jaar is jonger dan Giovanni. Haar lichaam wordt door hem tot een lustobject gemaakt, hij voelt een verlangen naar haar dat voortkomt uit zijn tegengestelde eigen fysieke conditie. Niet alleen hun lichamen zijn anders, ook hun economische situatie is dat; Ilaria is een alleenstaande moeder die hard moet werken in haar boetiek, Giovanni geniet van de welstand van zijn werk als advocaat. Het verhaal doet vermoeden dat Serena, Giovanni’s vrouw, ook nooit een echte baan heeft gehad. Zij praat voornamelijk over de kleinkinderen of het koken, en neemt aan inhoudelijke discussies geen deel. De personages staan zo symbool voor verschillende generaties en klassen.

    Tijd als thema

    De nadruk op de aftakeling van het lichaam en het gebrek aan een echte verhaallijn zorgen er samen voor dat een belangrijk thema van dit boek ‘tijd’ is. Ook al gebeurt er ontiegelijk weinig; tijd verstrijkt, sociale verhoudingen veranderen en het lichaam beweegt zich altijd naar het einde toe. Wie houdt van trage verhaallijnen in boeken en altijd al eens wilde snuffelen aan een Italiaanse sfeer, kan in Het lichaam een geschikte roman vinden, anders is deze roman niet aan te raden.

     

     

     

  • Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    De belangstelling voor het werk van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1981) blijft onverminderd groot. Zijn romans worden door literaire fijnproevers nog steeds gelezen en zijn toneelstukken worden met enige regelmaat op de planken gebracht. Na bijna veertig jaar verschijnt nu zijn roman De onderspitdelver (1983) in een toegankelijke Nederlandse vertaling van Chris Bakker. De onderspitdelver is een psychologische roman over kunstenaar zijn, waarin drie talentvolle pianisten die een bijzondere relatie met elkaar hebben de hoofdrol spelen. Daarbij gaat de roman in op de overgave aan het kunstenaarschap, op begrippen als virtuositeit en genialiteit en op de maatschappelijke betekenis van de kunstenaar wat het boek tot een ideeënroman maakt.

    Twee virtuozen en een genie

    Allereerst is er Glenn Gould, de Canadese, briljante vertolker van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach. In 1953 volgt Gould aan het Mozarteum in Salzburg pianolessen bij de Russische pianist Vladimir Horowitz (1903-1989), daar komt hij in contact met het fictieve personage Wertheimer en met de ik-figuur. Beiden zijn virtuoze pianisten en hebben net als Glenn Gould pianoles van Horowitz en zijn in staat een ongekend hoog niveau te bereiken. Echter, als Wertheimer en de ik-figuur Glenn Gould horen spelen, haken ze af. Ze beseffen dat Glenn Gould een niet te overtreffen piano-kunstenaar is, een muzikaal genie, die zelfs hun leermeester Horowitz overtreft. Zijzelf zijn pianisten zoals er al zoveel zijn, gedoemd een carrière te richten op banale zaken als lesgeven en het voor de hand liggende repertoire te spelen dat de voorkeur van het publiek heeft. 

    De verhouding van de drie personages ten opzichte van elkaar is complex. De ik-figuur is de verteller in deze roman, een verteller die niets en niemand ontziet. Zijn bewondering voor het kunstenaarschap van Glenn Gould kent geen grenzen, zijn diepgravende beschouwingen over het handelen en het karakter van zijn kwetsbare cursusgenoot Wertheimer zijn spijkerhard. De titel van de roman De onderspitdelver is te herleiden tot de bijnaam die Glenn Gould aan Wertheimer geeft. Bij hun ontmoetingen spreekt Gould hem aan met: ‘Mijn beste onderspitdelver’. Het boek dat Wertheimer later schrijft, heeft ook De onderspitdelver als titel. Uiteindelijk wijzigt en schrapt hij zoveel in het manuscript dat slechts de titel overblijft en een boek nooit gepubliceerd wordt. Na het opgeven van zijn carrière als pianist geeft de ik-figuur zich over aan de ‘geesteswetenschappen’, tevens werkt hij aan het essay, Over Glenn Gould, dat ook nooit gepubliceerd wordt. Het mysterie Glenn Gould heeft zowel Wertheimer als de ik-figuur in de rest van hun leven nooit losgelaten.

    Monologue intérieur

    De tekst van Bernhards roman kent geen indeling in hoofdstukken en alinea’s, deze wordt slechts onderbroken door gebruik van hoofdletters en interpunctie. De onderspitdelver is een monologue intérieur, een doorlopend aaneengeschreven tekst vanuit het perspectief van de ik-figuur, hoofdzakelijk opgebouwd uit persoonlijke herinneringen en gevoelens die door hem inhoudelijk worden becommentarieerd. Er zijn woorden en zinsneden die cursief gedrukt zijn, zoals kunstbezetenheid, pianoradicalisme, geen sporen achterlaten. Ze dwingen de lezer pas op de plaats te maken en mee te gaan in de gedachtestroom van de ik-figuur of zich te verwonderen over neologismen als glenngeniaal en aforisticus.      

    De ik-figuur pelt de herinneringen aan Glenn Gould en Wertheimer laag voor laag af. Gedachten worden vaak onderbroken door de toevoeging ‘dacht ik’ of ‘dacht ik in het logement’. Het herhaalde gebruik van ‘dacht ik’ verwijst niet alleen naar de herinneringen van de ik-figuur, maar het refereert ook aan zijn twijfel over het waarheidsgehalte van zijn gedachten. De herhaalde toevoeging ‘in het logement’ maakt duidelijk dat het terughalen van de herinneringen door de ik-figuur grotendeels in dezelfde ruimte plaatsvindt. De ik-figuur is een analytische denker, die voortdurend wikt en weegt of zijn herinneringen en gedachten juist zijn. Veel van zijn gedachten zijn in een vorm van cyclisch denken weergegeven; al redenerend komt de ik-figuur na een aantal denkstappen weer uit bij de beginsituatie. 

    De toepassing van de woordherhalingen en de invoegingen van ‘dacht ik’ in de romantekst accentueren deze cyclische denkstructuren. Bovendien verwijzen ze naar de compositie van de Goldbergvariaties, die deze elementen ook bevat. Om Thomas Bernhard te vergelijken met de ik-figuur is te simpel. Ofschoon er overeenkomsten zijn tussen het leven van de auteur en dat van de ik-figuur, zoals hun studie aan het Mozarteum, hun schrijverschap en hun longproblemen, is laatstgenoemde geen blauwdruk van de auteur. Zo eenvoudig stelt Thomas Bernard zijn personages niet samen. Overigens zijn er ook overeenkomsten tussen het fictieve personage Wertheimer en de auteur.  

    Auteur en zijn personages

    Wie bekend is met het werk van Thomas Bernhard zal de meedogenloosheid van de ik-figuur herkennen in zijn oordeel over allerlei zaken, zeker wanneer dit het culturele en maatschappelijke leven in Oostenrijk betreft. Het landschap, de dorpen, de spoorwegen, de hotels, het eten en drinken, het katholicisme, niets deugt. Ook de mensen in zijn directe omgeving pakt hij genadeloos aan. Vrijwel iedereen vormt een belemmering in de ontwikkeling van de ik-figuur, op enkele personen na die hij bewondert. In De onderspitdelver is hem het niveau van virtuositeit te min en het bereiken van de status van genialiteit het ultieme. Een tussenweg is er niet. Met een zekere nuance naar de mens en zijn omgeving kijken doet hij niet, sterker nog: kán hij niet. 

    Verwacht bij Thomas Bernhard geen relativering, geen lichtvoetigheid. Inhoudelijk is zijn werk loodzwaar, geschreven vanuit een negatief en somber wereldbeeld. Wanneer Bernard zich van humor bedient, dan is het een vorm van sarcasme of cynisme. Hij heeft zowel in Oostenrijk als in het buitenland veel kritiek gehad op zijn werk en zijn persoon – critici noemden hem een nestbevuiler – maar de auteur zonder meer afdoen als zwartgallig zonder zijn werk zorgvuldig te lezen, doet geen recht aan zijn authentieke schrijverschap. De onderspitdelver is een knap geschreven roman met een bijzondere inhoud en een spanning wekkende monologue intérieur die nergens inzakt. Bernhard mag dan bij een deel van het lezerspubliek nog steeds weerstand oproepen, zijn romans en toneelwerk zijn van een internationale allure.

     

     

  • Een bosbouwer en zijn drie zonen

    Een bosbouwer en zijn drie zonen

    Beeldend kunstenaar en schrijver Max Niematz, wordt door een kleine groep liefhebbers van zijn werk nauwlettend gevolgd en hoog gewaardeerd. Sinds 1987 heeft Niematz drie dichtbundels, een verhalenbundel en zeven romans gepubliceerd. Nu verscheen acht jaar na zijn laatste roman, Smeulende vuren, bloedend hout. Bosbouwer Seefaert noemt zijn pasgeboren zoon Douglas, omdat hij op de dag van zijn geboorte met flinke winst een perceel met Douglassparren verkoopt. Douglas, de ik-figuur in de roman, is de jongste van drie zonen.

    Phill, de oudste, is beoogd opvolger  van zijn vader. Hij werkt bij een bank en helpt in de familieonderneming met de veelzeggende naam De Domeinen. Zijn broers beschouwen hem als ‘lichtelijk gladjes’. De andere broer, klimsporter en kunstverzamelaar Jefferson, is genoemd naar een van de Founding Fathers en de derde president van de VS en heeft ‘de feestzomers’ uit zijn jeugd achter zich gelaten. De drie broers hebben zeer uiteenlopende karakters. Dat leidt tot pittige discussies en stevige conflicten. Toch breken ze nooit definitief met elkaar. De wankele familieband tussen hen is een belangrijk spanningselement in de roman en verwijst naar de titel.

    Douglas onderscheidt zich van de twee, omdat hij zich als schrijver wil ontwikkelen. Wanneer de broers het ouderlijk huis verlaten, blijft Douglas met zijn ouders en het personeel achter. Om niet het contact met de werkelijkheid te verliezen gaat hij wekelijks naar een letterengenootschap in Rotterdam om schrijvers te ontmoeten en de literaire wereld te leren kennen. 

    Schrijven met artritis

    Smeulende vuren, bloedend hout is een ontwikkelingsroman, waarin de geestelijke ontwikkeling van de jonge schrijver Douglas beschreven wordt. Allerlei personages uit zijn omgeving beïnvloeden hem. In de eerste helft van de roman gebeurt weinig. De dialogen tussen de drie broers, hun denken over hun persoonlijke toekomst en de reflecties van Douglas op zijn ontwikkelende schrijverschap bepalen de primaire verhaallijn. In de onderliggende laag reflecteert Douglas voortdurend op aspecten van het schrijverschap. Dat is nodig, want het schrijven gaat hem niet gemakkelijk af. Ook fysiek niet: hij heeft artritis in zijn handen. Bij zijn bezoeken aan de literaire club ontmoet hij twee personen, die belangrijk worden in zijn schrijversleven. De eerste is behept met de sprekende naam Roepert Haveland, een jonge bewonderaar van Niematz’ eerste romans, maar ook iemand die zijn werk en levenshouding buitengewoon kritisch kan becommentariëren. De tweede is Melchiot, een vreemde vogel die zich in de literaire club ontplooit tot een dwangmatige, religieuze sekteleider. Hij krijgt een steeds grotere groep volgelingen, ook Jefferson maakt daar deel van uit.

    Over jezelf schrijven

    Roepert Haveland en Douglas sluiten zich niet aan bij deze beweging. Ze worden geleidelijk twee eenlingen die elkaar bij tijd en wijle opzoeken. Roepert is een man van verhalen, van smakelijke anekdotes, van wilde ideeën en allerlei vormen van dwarsdenken. In de roman is hij de literaire tegenhanger van de schrijver Douglas die hem allerlei ideeën influistert of toeroept. Hierdoor ontstaat een boeiende strijd tussen twee krachten: Douglas, het romanpersonage van de schrijver, die tegenover Roepert staat, het alter ego van diezelfde schrijver. Metaforisch gezien is hij het literaire geweten van Douglas. Daarmee is Smeulende vuren, bloedend hout tevens een roman over het schrijver worden. De literaire club waaruit onder leiding van goeroe Melchiot een spirituele club is gegroeid, staat voor de negatieve kanten van de literaire wereld, waar Douglas en Roepert geen deel van willen uitmaken.         

    Het schrijverschap, het enigszins buiten de werkelijkheid staan van het schrijverspersonage, het uitstellen van heftige gebeurtenissen, alsook het verdwijnen van zijn schrijversdrang zijn thema’s die in Niematz’ vorige roman In de schaduw van toekomstige rampen een prominente rol speelden. De thematiek van Smeulende vuren, bloedend hout sluit hier naadloos op aan. Ook Douglas stelt aan zichzelf vragen als: ‘Want over jezelf schrijven, kan dat? Hoe kun je als schrijver én een personage zijn én de bron van verbeelding waaruit dat personage voorkomt? Hoe tegelijk waarnemer en waargenomene zijn?’ 

    Een dood voorwerp

    De mogelijke antwoorden zijn in de roman terug te vinden. Niematz werkt net als in zijn vorige romans de personages en hun onderlinge relaties gedetailleerd uit. Om zijn verhaal niet te zwaar te maken past Niematz gedoseerd humor toe, met name in de dialogen. Meestal gaat het om milde ironie, soms is er sprake van venijnig sarcasme, een enkele maal komt bij een personage cynisme bovendrijven. De dramatische gebeurtenissen in de tweede helft van de roman worden niet breed uitgewerkt, maar in enkele woorden zakelijk geregistreerd. Het gaat de schrijver niet om het effect of schrikmoment van een handeling of situatie, het benoemen op zich is voldoende. De spanning van de roman ontstaat voornamelijk in de gesprekken en de gedachten van de personages zelf. De auteur weet de moeder van Douglas lang op de achtergrond te houden zonder dat ze geheel uit het verloop van het verhaal verdwijnt. Uiteindelijk speelt ze na de dramatische gebeurtenissen wat betreft de toekomst van haar jongste zoon een cruciale rol.

    Smeulende vuren, bloedend hout is een zorgvuldig geschreven roman met boeiende personages. Tegelijkertijd is het een verhaal met een gelaagde opbouw die evenwel wat mysterieus blijft. Het boek heeft een lange aanloop naar de meer dramatische gebeurtenissen in het laatste gedeelte en de ontknoping die daarop volgt. Het geeft de lezer op speelse wijze inzicht in een aantal aspecten van het schrijver-zijn. Het eindigt met de woorden van de schrijver Douglas die tegen zijn moeder zegt: ‘Als alles wat jij zegt en doet, ware gezegd en gedaan, wat zou mijn leven dan nog zijn? Een boek hooguit. Op een dag zou er met een doffe dreun een boek op de keukentafel vallen, een mooi boek, een mooi dood voorwerp.’ Dit boek over bosbouw, een ondernemersfamilie en het schrijverschap verdient een groot lezerspubliek. Het wordt tijd dat Max Niematz doorbreekt.

     

     

  • De Jules Deelder van het proza

    De Jules Deelder van het proza

    ‘Oh wat fijn, oh wat fijn, om een bille-balle-bakker te zijn!’ aldus een iconisch filmduo dat onder de rook van Rotterdam het levenslicht zag. In Bassie & Adriaan en de Plaaggeest zijn de clown en acrobaat hun circus kwijt en moeten ze allerlei baantjes uitproberen om toch de kost te verdienen. Telkens gooit de plaaggeest roet in het eten en met zijn sardonische lach verkneukelt hij zich om de rampspoed van het tweetal. Wat zij ook ondernemen, bij de bakker, op een school, in de haven of als vrachtwagenchauffeur, ze worden ontslagen. Eenzelfde lot is Rinus Volbeda, hoofdpersoon in Keukendrinkers, beschoren. In deze lofzang van Rein Hannik op het Rotterdam van de jaren ‘70 vallen met name drie dingen op: de schoonheid van mislukking, het verschil tussen ‘statussmaak’ en ‘hartesmaak’ en ten slotte de beperking die in vrijheid schuilt. En andersom.

    Rinus Volbeda, de eeuwige student en hoofdpersoon in Keukendrinkers, ambieert een zo hersenloos mogelijk baantje. Hij streeft naar een Zero Profile Career, waarin hij lekker kan mijmeren zonder dat de werkzaamheden hem uit zijn overpeinzingen halen. De zoektocht naar zulke baantjes verloopt stroef. Als bakker heeft hij onvoldoende eelt op zijn handen om de hitte te weerstaan; als flesdopjesaandraaier mist hij de fijne motoriek; als postbeambte ziet hij het verschil niet tussen 80 gulden en 80 cent. En in de houtzagerij gebruiken ze veiligheidsvoorschriften noch gehoorbescherming. ‘De cirkelzaag mist een beschermkap’, sombert Rinus slechts.

    Virtuoos falen

    Gortdroge constateringen als deze refereren aan Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans, dat het fiasco in de allereerste zin reeds aankondigt: ‘De portier is een invalide.’ Toch omarmt Rinus het gegeven van de mislukking. Zijn geliefde stad Rotterdam ziet hij als een mismaakt allegaartje dat slechts op marktochtenden zijn schoonheid toont: ‘Op de markt laat de stad haar gezicht zonder make-up zien.’ Maar liever dan die schoonheid bemint hij het vergeefse, het onvolmaakte en slacht hij de westerse doctrine van genieten, succes en progressie. Zo laat hij kastanjebomen treuren om de kraters die de stadsvernieuwingen in de Rotterdamse straten slaan en betreurt hij het lot van een Rotterdamse grijsaard, wiens verleden weggevinext is: ‘In het Grote Plaatje der Vooruitgang passen geen uitgedoofde shagjes.’ In Elise, de jongedame die uitzendwerk voor hem regelt, vindt de nietsnut een zielsverwant; ook zij heeft een hekel aan genotzucht: ‘Dood aan de euforanten! GIJ ZULT GENIETEN!’ Maar zullen zij ook samen genieten? Haastig is de protagonist in elk geval niet; hij leidt een aartslui, langzaam leven. En er gloort hoop. Eén element van de stedelijke renovatie lijkt namelijk met zijn lethargie in te stemmen: de voor snelheid bedoelde roltrap: ‘Wat moeten de ingenieurs geschrokken zijn, toen bleek dat de mens op zo’n trap juist bevriest.’

    Snobisme vs. guilty pleasures

    Rinus maakt in Keukendrinkers onderscheid tussen ‘statussmaak’ en ‘hartesmaak’. De eerste soort smaak stimuleert individuen om in gewichtige gesprekken over muziek een voorkeur te noemen die hen tot kenner promoveert. Liever Johann Sebastian Bach dan Wibi Soerjadi, liever Janis Joplin dan Willeke Alberti. De andere smaakvariant is volgens Rinus de eerlijke, echte voorkeur die mensen zonder waardeoordeel van hun omgeving koesteren – guilty pleasures: ‘Dat guilty wijst op sociale druk. We mógen het niet mooi vinden.’ Zo vindt Rinus het vaak meesterlijk genoemde Bebop aanstellerig, onsamenhangend en snobistisch: ‘…schuurt al snel aan drukdoenerij.’ Hij laat bovendien geen kans onbenut om elke coltruidragende ijdeltuit de maat te nemen, vooral als diezelfde persoon een feminist is.

    De discussie die Hannik aanzwengelt over ‘hoge’ Cultuur en ‘lage’ cultuur is kenmerkend voor de postmoderne tijd waarin het verhaal plaatsheeft. Niet voor niets doet het denken aan Bassie & Adriaan en de plaaggeest enerzijds, en aan De Avonden van Gerard Reve of Nooit meer slapen van W.F. Hermans anderzijds. De vraag waar het boek echter geen antwoord op geeft, is waarom het één geen status heeft en het ander wel. Deze complexe, allesbehalve willekeurige materie versimpelt Rinus bij een bezoek aan de bibliotheek als volgt: ‘…de bibliotheek [doet] teveel zijn best om intellectueel gezag uit te stralen. (…) Bejaarden die zich komen laven aan andermans bestaan omdat ze nooit zelf hebben durven leven.’ Los van het feit dat Hannik dit met een taalfout moet bekopen – bibliotheek is een vrouwelijk woord, waarnaar met “haar” verwezen moet worden – had het boek beter gebruik kunnen maken van het spanningsveld tussen cultuur en Cultuur en wat er zinnig of onzinnig is aan die scheidslijn. Keukendrinkers verzandt bij vlagen in karikaturale typeringen van lelijke, horkerige collega’s van Rinus die om alles schaterlachen: ‘HAHAHAHA!’ Komt toch die vermaledijde Plaaggeest weer de boel saboteren… Hier is niet zozeer sprake van een guilty pleasure, als wel van een innocent torture.

    De prijs van vrijheid

    Ten diepste gaat Keukendrinkers over mensen die op feestjes geen zin hebben in small talk of sociaal wenselijke gesprekjes over werk, voetbalwedstrijden en politieke kwesties. Deze lieden verschansen zich liefst in de keuken met een select groepje om in samenzweerderige broederschap de door de maatschappij afgezworen peuk te roken, de fles wodka soldaat te maken of eindelijk te zoenen met die persoon met wie ze al de hele tijd stonden te flirten. Ze willen de tijd bevriezen, zichzelf er desnoods buiten plaatsen en zich niet conformeren aan de maatschappij. Als het bedrijfsfeestje van de papierdrukkerij, Rinus’ twaalfde en laatste werkgever, te jolig en carnavalesk wordt, loopt Rinus naar buiten. Bij gebrek aan een keuken heeft de timide jongeman immers geen bastion van stilte te midden van het feestgedruis. In  nachtelijke wandelingen door Rotterdam ontdekt hij waarom de vrijheid altijd uitmondt in een inperking ervan. Mijmeren tijdens het werk lukt hem niet, want alle banen vergen te veel taakgerichte concentratie ter plekke. Wegdromen is geen mogelijkheid. Maar omdat zijn vader, een gerespecteerd arts, hem na ontslag blijft financieren en Rinus zelf helemaal niks wil studeren of bereiken, drijven de vrijblijvendheid en besluiteloosheid hem tot waanzin. Dé Rotterdamse dichter bij uitstek, Jules Deelder, gaf hier vlak voor zijn overlijden al het tegengif voor: ‘Als je de beperkingen kent, kun je daarbinnen onbeperkt te werk gaan.’ 

    Sterfbedspijt als besluit

    Bij monde van Rinus trakteert de schrijver de lezers op een prachtig woord, waarin de motieven falen, smaak en vrijheid perfect samenkomen. Na de zoveelste vruchteloze werkdag verzucht de luilak: ‘Ja, dat wordt een flinke portie sterfbedspijt.’ Rinus kiest er namelijk voor zijn falen te vieren in plaats van het te voorkomen en die vrijheid leidt tot smaakvolle observaties. Zo zijn de gedachtegangen die Rinus zichzelf vergunt bij het aanschouwen van het mooi lelijke Rotterdam, ongekend vindingrijk: ‘Aan de overkant staan hijskranen als gedomesticeerde, O-benige dinosauriërs uit de Maas te drinken.’ Wie vindt dat paradijselijke jungles niet van beton gebouwd kunnen zijn, leze Keukendrinkers!

     

     

  • Krachtig betoog over scheppings- en bestaansvoorwaarden van kunst

    Krachtig betoog over scheppings- en bestaansvoorwaarden van kunst

    Is het concept ‘banaan, met ducttape bevestigd aan de witte muur’ kunst? Is in dit geval de naam van de kunstenaar – Maurizio Cattelan – daarbij van doorslaggevend belang, de specifieke banaan en haar unieke ‘aura’ of het feit dat het idee voor 120.000 dollar werd verkocht? Deze vraag zong eerder deze maand rond. Een vraag die Florette Dijkstra in haar essaybundel Rumoer, over het begin van kunst, in feite ook stelt, maar algemener en doorwrochter. Wat is kunst, waar begint (en eindigt) ze? Dijkstra bespreekt filosofische, sociologische, culturele en artistieke opvattingen die onze kijk op kunst mogelijk hebben beïnvloed of dat nog steeds doen. Uiteindelijk onderzoekt ze meer dan ‘alleen’ kunst. Ze gaat na hoe kunst zich verhoudt tot de huidige maatschappij en hoe die zich verhield tot de vroegste menselijke samenlevingsverbanden. In een verhalende, soms anekdotische vertelstijl laat ze invloedrijke kunstenaars en denkers aan het woord, ieder in het bestek van een paar pagina’s. Enkele essays die in Rumoer zijn opgenomen zijn al eerder verschenen in de bundel Oerstof (2016, De Ketelfactory).

    Schetsmatige stijl

    Dijkstra is naast schrijver kunstenaar. De omslagillustratie van Rumoer, getiteld, ‘Een schrijver werkt’, is van eigen hand en is een portret van schrijver en beeldend kunstenaar Michel Seuphor (pseudoniem Ferdinand Louis Berckelaers, 1901-1999). Seuphor zit licht gebogen over een nog onbeschreven blad papier, achter hem zweeft een wolk van licht. Dijkstra’s schetsmatige stijl en gebruik van donker en licht keren terug in haar schrijfstijl: ze schrijft associatief, soms van de hak op de tak. Ze licht uit wat naar haar idee het belangrijkst en veelzeggendst is en laat toch ruimte over voor de lezer. Ze is afwisselend schrijver, kunstenaar en toeschouwer en in die drie rollen benoemt ze steeds andere aspecten van kunst en kunstenaarschap.
    Waarvan een aspect – associatie – terugkomt in de opbouw van de bundel. Soms is samenhang enkel tussen de regels door aanwezig – denkers en kunstenaars die ‘tegenover elkaar’ worden geplaatst, simpelweg door middel van de volgorde van de essays, zodat plots de ogenschijnlijke verschillen of overeenkomsten tussen hun denkwijzen opvallen.

    Romantiek rond kunstenaarschap

    De keerzijde van die haast willekeurige (zij het min of meer chronologische) indeling, is dat het de lezer aan een duidelijk referentiekader ontbreekt. Op den duur kunnen hoofd- en bijzaken nog maar moeilijk van elkaar worden onderscheiden. Dit gegeven is echter te verklaren aan de hand van Dijkstra’s visie op kunst en engagement. In 2012 richtte zij het tijdschrift KUNSTWORDTTERUGKUNST (een verwijzing naar een collegereeks van kunstenaar Luciano Fabro) op als reactie op bezuinigingen in de kunstsector. In een interview over haar initiatief in Trouw stelt zij dat ze in haar werk op zoek is naar ‘lege plekken in de kunstgeschiedenis’. ‘Ik zie de kunstgeschiedenis als een fictief verhaal dat telkens opnieuw wordt verteld. Wat in dat verhaal vergeten wordt, probeer ik te reanimeren,’ aldus Dijkstra. In het licht van deze uitspraak kan ook Rumoer worden begrepen: Dijkstra kijkt mee over de schouder van de kunstenaar of kruipt in zijn huid. Ze duidt en interpreteert zonder op grond van haar bronmateriaal exáct te kunnen weten hoe een kunstenaar of filosoof zich gevoeld moet hebben voor, tijdens of na het creëren van een nieuw kunstwerk of theorie.

    Toch legt ze daar haar focus. Ze vertelt over Sappho’s liefde, legt de twijfels van Mallarmé bloot, doorbreekt Duras’ isolement om de lezer een blik op het schrijfproces te gunnen. In zekere zin lijkt Dijkstra ook te impliceren dat de kunstenaar nog steeds het romantische genie van weleer is, het scheppend individu dat ook onder omstandigheden die verre van ideaal zijn weet te creëren en te inspireren (Vincent van Gogh, Virginia Woolf, Marlow Moss, om er enkelen te noemen – die laatste is desondanks bijna in de vergetelheid geraakt).

    Gedachte en mens centraal

    Wie een (populair)wetenschappelijk werk verwacht met de belangrijkste artistieke stromingen en cultuursociologische perspectieven van de afgelopen eeuwen, komt bedrogen uit – de vraag is of dat erg is. De geïnteresseerde lezer kan zich voornemen de gebruikte primaire bronnen te raadplegen na deze kennismaking. De kunstkenner, expert of filosoof kan Rumoer zien als een werk waarin niet alleen de gedachte, maar ook de mens daarachter centraal staat.
    Dijkstra geeft legio concrete voorbeelden van eerste keren in de kunst, maar formuleert geen sluitend antwoord op de vraag die ze opwerpt. Waar en wanneer moet het begin van kunst worden gesitueerd? Haar onderzoek is eerder een verkenning dan een afgerond geheel. Elk essay leidt tot een andere interpretatie over scheppings- en bestaansvoorwaarden van kunst. Eigenlijk is dat juist de kracht van haar betoog. Misschien bestaat kunst vooral bij de gratie van de toeschouwer. Of, denkend aan het incident met de banaan, dat al snel viral ging: misschien is zelfs de geïnspireerde of juist geschokte toeschouwer (of lezer) van ondergeschikt belang. Kunst is nooit af: zodra iemand besluit een banaan van de muur te halen en op te eten, ontstaat een nieuw ‘kunstwerk’ en daarmee een nieuw begin.

     

  • Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Dertig jaar na zijn dood krijgt de Oostenrijkse toneel- en prozaschrijver Thomas Bernhard (1931-1989) het nog steeds voor elkaar dat Duitstalige kwaliteitskranten er met liefde het zoveelste herdenkingsartikel aan besteden. En dat voor een auteur die in zijn boeken en interviews een nietsontziende minachting jegens de Oostenrijkse cultuur aan de dag legde. Daarbovenop komt nog een groot wantrouwen jegens de medemens en een grote voorliefde voor het kluizenaarschap. Het cultiveren van deze houding heeft hem echter geen windeieren gelegd. Zijn verzameld oeuvre is inmiddels in tweeëntwintig fraai gebonden delen uitgegeven en wereldwijd wordt hij in vele talen uitgebracht. Hoewel de toneelstukken van Bernhard in de jaren zeventig en tachtig veelvuldig werden opgevoerd in Nederland, werd zijn prozawerk minder vertaald dan dat van bijvoorbeeld Günther Grass en Peter Handke. Gelukkig is daar nu wat aan gedaan; in korte tijd zijn er een aantal vertalingen van hem uitgegeven, waaronder de roman Houthakken. Een afrekening uit 1984.

    Typische Bernhardroman

    Houthakken is een typische Bernhardroman. Niet omdat er geen normaal mens in voorkomt, maar omdat de inhoud niet uitmaakt, al het leesplezier moet uit zijn stijl komen. Het is grotendeels een monoloog van een naamloze ik-verteller, gebaseerd op waarnemingen, herinneringen en losgewoelde ergernissen tijdens een zogeheten ‘kunstzinnige’ avondmaaltijd ten huize van het culturele echtpaar Auersberger in Wenen. Ooit, in een ver verleden, was hij daar kind aan huis. De uitnodiging voor dat etentje heeft hij tegen zijn zin aangenomen op de dag dat hij vernam van de zelfdoding – bij Thomas Bernhard is zelfmoord nooit ver weg – van een gemeenschappelijke vriendin uit het artistieke milieu. Enigszins wrokkig hierover moeten hij en de overige gasten ook nog eens tot na middernacht op het diner wachten, daar de eregast van de avond, een acteur van het Weense Burgtheater, vanwege zijn vertolking van het personage Ekdal in Ibsens De wilde eend pas veel later arriveert.

    Dat juist een acteur in de spotlights staat, wekt geen verbazing, want dit boek gehoorzaamt – zoals veel van Bernhards romans – aan de wetten van het toneel. De personages, waarvan sommigen naamloos blijven, worden geen wezens van vlees en bloed maar worden door overdrijving van de onbetrouwbare ik-verteller, overbelicht. Er heerst eenheid van plaats, handeling en tijd. De ik-verteller zit het grootste deel van het boek in het halfduister in een ‘oorfauteuil’, gescheiden van de andere aanwezigen. In de misschien vier, vijf uren dat dit verhaal kent, ziet de ik-verteller kans 255 pagina’s non-stop claustrofobisch in vaak lange, complexe zinnen bij elkaar te filosoferen, op een wijze die bedwelmend werkt. Dit boek openbaart zich tot een heuse pageturner; niet uit nieuwsgierigheid hoe een en ander afloopt, maar omdat je gekluisterd raakt aan de stijl van deze groteske, rapsodische jeremiade.

    Monoloog zonder begin of einde

    De monoloog in Houthakken kent geen begin of einde en bovenal geen nuancering, maar is zichzelf genoeg. Het verhaal is slechts decorum, een excuus om een keten aan gedachten te laten ontkiemen. Zoals een kettingroker de ene sigaret met de andere aansteekt, zo wordt hier de ene gedachte aan de andere geregen. In een bezwerende stijl die zonder meer maniëristisch is te noemen. De geperfectioneerde stijl is de ware inhoud waaraan alles is opgeofferd. De lezer bevindt zich nergens midden in een verhaal, maar voortdurend in het ritme van Bernhards stijl. Dat rechtvaardigt het feit dat dit boek geen witregel, geen alinea, kortom geen pauzemoment heeft. De monoloog die op het retorische middel van de hyperbool drijft, en waarvan de zinnen onderkoeld en helder gecomponeerd zijn, is geheel ingebed in een navertelde constructie. De daarmee bewerkstelligde eenheid van vertelperspectief, is een constante bij Bernhard. De lezer stuit voortdurend op de veelvuldig herhaalde frase, ‘dacht ik in de oorfauteuil’, waardoor men beseft dat alles door de ik-verteller achteraf is beschreven.

    Ritmische compositie

    Dit schept niet alleen een zakelijke afstand tot het subjectieve en compromisloze van het verslag, maar verleent ook aan de tekst een gelijkmatig patroon. Er ontwikkelt zich zodoende een ritmische compositie. Daarbij reflecteert de ik-verteller ook vaak van het particuliere naar het algemene, waardoor het een filosofische vorm krijgt.
    In een boek met een grote eenheid van stijl mag nagenoeg iedere zin typerend heten: ‘We weten al tientallen jaren dat iemand die ons nastaat een lachwekkend iemand is, maar pas na tientallen jaren zien we het ineens, dacht ik in de oorfauteuil’.
    De tekst met al zijn rijkdom aan herhaling van woorden en zinsflarden kent een grote muzikaliteit. Het zal geen toeval zijn dat in deze vertelling Ravels Bolero op de draaitafel wordt gelegd, een compositie die zich eveneens kenmerkt door een bezwerende herhaling van het ritme. Al flakkert aan het eind wel iets van een verhelderend inzicht, vertolkt door de ‘Burgacteur’ die zich inmiddels aan de nodige glazen wijn te goed heeft gedaan. Hij stelt de kunstmatigheid van de cultuur tegenover het ideaal van de natuur: ‘De natuur in gaan en in die natuur niets dan echt en voor altijd thuis te zijn, dat zou hij als het hoogste geluk ervaren. Het bos ingaan, diep het bos in, zei de Burgacteur je helemaal aan het bos overgeven, dat is het altijd geweest, de gedachte niets anders dan zelf natuur te zijn. Bos, bomen, houthakken, dat is het altijd geweest’.

    Komische vertelling in groteske stijl

    Dit moment van inzicht bezegelt ook de afloop van het kunstzinnige avondmaal, want weldra vertrekken de gasten. Eenmaal in de buitenlucht vat de ik-verteller het plan op om over de kunstzinnige avondmaaltijd te schrijven en wel ‘meteen en direct en meteen en meteen, voor het te laat is.’ Of je intussen het teruggaan tot de natuur als een boodschap mag zien, valt te betwijfelen. De verteltrant van de onbetrouwbare, welbespraakte verteller is namelijk zonder meer ironiserend. Hij past een frequent gebruik van cursief gedrukte woorden toe, bij wijze van het citeren van iemand die de ik-verteller op de hak neemt. Houthakken is in weerwil van zijn stroom aan pessimisme en negativiteit een door en door komische vertelling in een groteske stijl, met hier en daar passages die aan slapstick raken. Het staat vol zinnen waarvan je popelt ze aan anderen voor te lezen. Bernhard geeft de indruk enkel voor jou en nog een handjevol outsiders te schrijven.

    Ofschoon de polemisch ingestelde ik-verteller onmiskenbaar nietsontziend met anderen afrekent, haalt hij ook zichzelf bij tijd en wijle naar beneden: ‘We verwijten al deze lieden alles wat maar onuitstaanbaar en weerzinwekkend is en zijn misschien nog wel veel onuitstaanbaarder en weerzinwekkender dan zij’. Hij pendelt tussen eerlijkheid en onbetrouwbaarheid, maar stuit overal op pijnlijke conclusies, waarin wat hij eens bewonderde het hevig moet ontgelden. Maar werkelijk fnuikend is de vaststelling dat eraan ontsnappen een illusie is. Het bezetene van zijn redenering schiet door naar het absurde. In zijn overdrijving fabriceert de ik-verteller haast als vanzelf nieuwe opeengestapelde woorden: ‘Wenen is een vreselijke genieënvernietigingsmachine (…) een ontstellende talentenvermorzelingsinstelling’.

    Gelezen als sleutelroman

    Uit de nihilistische werkelijkheid ensceneert Bernhard zonder meer een komedie, of beter, een tragi-komedie. Hierin is hij verwant aan Samuel Beckett. Niet voor niets draagt een boek over Thomas Bernhard een citaat van hemzelf als titel ‘Es ist alles lächerlich, wenn man an den Tod denkt’. In de grootste misantropen verschuilen zich niet zelden de grootste moralisten. Bernhard staat wat dat betreft ook in het voetspoor van de Oostenrijkse dichter en pamflettist Karl Kraus.
    Ofschoon men omtrent de ik-verteller weinig te weten komt, rijst uit zijn herinneringen wel het beeld op van een in de jaren vijftig moeizaam gedebuteerde dichter. Deze werkte zich op in artistieke kringen, zoog zichzelf zo vol tot hij genoeg had om zichzelf overeind te houden en elders zijn schrijversloopbaan gestalte kon geven. Parallellen met Bernhards beginnende schreden op het schrijverspad liggen voor het oprapen. Evenals de toespelingen op bestaande figuren in dit boek, dat bij verschijning als een sleutelroman werd gelezen en een schandaal ontketende. De componist Gerhard Lampersberg zag zich naar zijn smaak al te duidelijk geportretteerd in de snobistische en voortdurend dronken Auersberger. Hij spande een rechtszaak aan tegen publicatie van het boek. Met het gevolg dat Holzffällen – Eine Erregung één van Bernhards best verkopende titels werd.

    Om Bernhard in een Nederlandse context te plaatsen, is hij te vergelijken met W.F. Hermans, voor wie rancune ook de motor van een productief schrijverschap was. Vanwege het allesbepalende van zijn geperfectioneerde stijl gold Bernhard, net als Gerard Reve – waarmee hij zeker ook te vergelijken valt -, als schier onvertaalbaar. Maar deze, als een voortdenderende trein lezende vertaling, ontkracht deze mythe volledig. Dat kunnen beide vertalers op hun conto schrijven. Dan te bedenken dat uit dezelfde jaren tachtig nog twee boeken dateren die zich qua stijl en niveau met Houthakken kunnen meten, te weten Der Untergeher en Auslöschung. Eveneens boeken die de potentie hebben vanwege hun overdonderende stijl je compleet van de sokken te blazen. In een ideale wereld zouden ook deze twee boeken in het Nederlands worden overgezet. Want in deze tijd is er behoefte aan troost. Al was het maar door te menen dat het leven pas echt ondragelijk zou zijn als Thomas Bernhard ons geen reden gaf erom te lachen.

  • Oogst week 43 – 2019

    En ook de liefde

    In zijn enthousiaste recensie over Die nacht zag ik haar van Drago Jančar, hier op Literair Nederland, eindigt Daan Pieters met de vraag ‘Mogen we de stille wens uitspreken dat vertaler en Balkanspecialist Roel Schuyt in de toekomst nog meer verborgen schatten bovenhaalt?’
    Roel Schuyt is in ieder geval wel weer de vertaler van een volgend boek van Drago Jančar, En ook de liefde. Daarin wordt een vrouw vanuit de Sloveense stad Maribor weggevoerd naar het concentratiekamp Ravensbrück. Zij betaalt hiermee voor de vrijheid van haar geliefde.

    In dit boek zet de schrijver ‘geweld en machtswellust, die een mens tot waanzin drijven, tegenover de liefde. En tegenover de wil om voor die liefde op te komen, tegen elk verval van menselijke waardigheid in’.

    Drago Jančar (1948) is een van de belangrijkste Sloveense schrijvers van dit moment. Hij is zijn leven lang politiek geëngageerd geweest en tot aan het einde van de jaren 70 tegengewerkt door het regime. Pas vanaf de liberalisering in het midden van de jaren 80 kreeg hij de kans zijn romans, korte verhalen en toneelstukken te publiceren .

     

     

    En ook de liefde
    Auteur: Drago Jancar
    Uitgeverij: Querido

    De dood van koning Arthur

    De verhalen over Koning Arthur en de Ronde Tafel zijn een van de meest bekende voorbeelden van de hoofse cultuur. Maar in De dood van koning Arthur, het sluitstuk van de 13e eeuwse driedelige cyclus, komt een wreed einde aan die mooie wereld van eeuwigdurende trouw, moed en liefde. De werkelijkheid blijkt minder ideaal.

    Hannie Vermeer-Pardoen heeft niet alleen dit boek uit de Oudfranse tekst vertaald, maar ook voorzien van een toelichting waarin zij de verbanden tussen deze tekst en de beide andere delen uit de cyclus duidt. Voor een goed begrip, – dat kwam al aan de orde in een gesprek dat Hans van Pinxteren en Andrea Kluitmann in 2012 met haar hadden -, vindt zij het belangrijk om oude teksten van historische context te voorzien. Ook nam zij een Lijst van eigennamen op.
    De dood van koning Arthur is deze maand bij uitgeverij IJzer verschenen.

    De dood van koning Arthur
    Auteur: onbekend
    Uitgeverij: IJzer

    Op de klippen

    Als u nog nooit iets van Jane Gardam (1928) hebt gelezen, wordt het misschien eens tijd. Bij uitgeverij Cossee is weer een nieuwe mogelijkheid verschenen om kennis te maken met het werk van deze gelauwerde en internationaal succesvolle schrijfster. Haar oeuvre omvat inmiddels meer dan dertig boeken, romans, verhalen en kinderboeken.

    In 2017 werd ze in Nederland bekend met de roman Een onberispelijke man uit 2004. Op de klippen verscheen al in 1978, Jane Gardam behaalde er toen de shortlist van de Man Booker Prize mee.

    Op de klippen speelt in de jaren 30 aan de Engelse kust. Margarets wereld verandert als er een nieuw dienstmeisje komt inwonen, met alle gevolgen van dien.
    ‘De keurslijven gaan af en het leven van deze stijve Engelsen trilt op zijn grondvesten. Hoe blijf je jezelf, en hoe ver ga je wanneer je wordt meegesleurd in het verlangen naar een ander leven?’
    Laat het maar aan Gardam om dit te beschrijven!

     

     

    Op de klippen
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
  • Poezië van een sterk stilistische eenheid

    Poezië van een sterk stilistische eenheid

    Het is zijn weerspannige, evocatieve stijl die het hem doet. De Franse dichter René Char (1907-1988) is een van de belangrijkste dichters uit de twintigste eeuw van wie uitgeverij IJzer een tweetalige bloemlezing in vertaling van Anno Lampo negenendertig gedichten liet verschijnen. Een keuze van negenendertig gedichten die grotendeels is gebaseerd op de selectie die Char zelf in 1987, een jaar voor zijn dood, samenstelde. Het laat zien dat zijn hele dichtwerk een stilistische eenheid vertoont. Al vroeg zit het fragmentarische erin, het schoksgewijze in plaats van het vloeiende. De ongekende associaties, een reiken naar het ongerijmde van een droomwereld. ‘Comfort is misdaad’ luidde zijn eigen oordeel veelzeggend.

    ‘Ik was in een van die bossen waar de zon geen toegang heeft, maar waar ’s nachts de sterren binnendringen voor onverzoenlijke vijandigheden.’ ‘Ik was gelijkwaardige aan dingen waarvan het geheim verborgen lag onder de spanwijdte van een vleugel.’ Hier klinkt de soevereine stem van een ziener. Een stem die zich uitspreekt in elementaire, concrete woorden als vuur, nacht, bloed, aarde, rivier, steen of engel. Bondig en hoekig, stekelig en splijtend. Niet lonkend naar gepolijste vergezichten – eerder luidt de vraag: ‘wanneer wordt de afgrond geoogst?’- maar one-liners als bliksemschichten: ‘Ongerepte ogen in de bossen / Zoeken huilend het bewoonbare hoofd’.

    Ingezet als geëngageerd dichter

    Zijn vroege poëzie trok de aandacht van de surréalisten, die hem graag in hun beweging hadden ingelijfd. Maar voor Char was het surréalisme slechts een tussenstation. Hij distantieerde zich van hun methode van l’écriture automatique, waarin de woorden niet door verstand of intuïtie maar door zuivere willekeur worden geselecteerd. Char zag poëzie als ‘handwerk’, een ambacht, dat tijd vergde om het goed te kunnen beoefenen. De voorafschaduwing van de Tweede Wereldoorlog vroeg om engagement. Eenmaal zover kon hij dat praktiseren in een verzetsgroep in de Elzas waaraan hij leiding gaf. Onderwijl werkte hij aan notities die later verschenen onder de titel Bladen van Hypnos en die tot het hoogtepunt van zijn dichterschap worden gerekend.

    Zijn naam als dichter werd daarmee  definitief gevestigd. Na de oorlog zag Char geen reden zijn engagement te verlaten. Tot zijn teleurstelling bleef in Frankrijk– net als elders in West-Europa – maatschappelijk-politieke vernieuwing uit. Er werd zo snel mogelijk teruggeschakeld op de verstarrende orde van voorheen. De om zich heen grijpende vernietiging van de aarde uit economisch gewin vanaf de jaren ’50, hield de verzetsman in de dichter levend. Hij verdedigde de bedreigde natuur met wie hij zich levenslang innig verbonden voelde en die hem tot het einde toe bleef inspireren. Ondanks alle duisternis spoorde hij aan op zoek te gaan naar de dageraad, als metafoor van een levensbevestigende toekomst.

    Op zoek naar het licht

    ‘De mens is een vreemdeling voor de dageraad. Maar in de jacht op het leven dat men zich nog niet kan voorstellen, zijn er verlangens die huiveren, fluisteringen die elkaar trotseren en kinderen die gezond en wel ontdekken’. Zijn werk is een pleidooi om met inzet van verbeelding een nieuwe dageraad te ontdekken.

    Maar Char rustte nooit in het eenmaal bereikte, in het voltooide. Dat zou enkel tot verstarring leiden. Door de Griekse filosoof Herakleitos wist hij van de cyclische patronen in het leven; de voortdurende maalstroom van tegenstellingen die van tijd tot tijd genadeloos op elkaar botsen en daarbij nieuwe energie genereren; de eeuwig stromende rivier die geen tweede keer gelijk is aan zichzelf. Tegenstellingen die zich in Chars gedichten aan elkaar ophangen in een conflictueuze schikking, met de dichter erboven staand als bemiddelaar of eenwordend met het gedicht. Voor de dichter is er geen andere verblijfplaats dan zijn gedichten. Er is geen dichter, er is slechts poëzie. Zijn woorden zijn tekens, meer nog dan beschrijving of onthulling. Iedere keer schikt Char de tekens weer anders tot elkaar.

    Altijd is de vitaliteit van het scheppende ‘nu’ in zijn gedichten aanwezig. Zijn zinnen zijn geen simpele impressies, geen terugkaatsingen van gewaarwordingen. Het zijn doorleefde en door instinct gescherpte beelden die in evocatieve taal gegoten zelf gaan stromen, tot leven komen. In zijn werk zit het irrationele, een ontzag voor het animale van de natuur, meer dan een poging het te begrijpen. Het gedicht De eerste ogenblikken verwoordt de overweldigende ervaring bij het plotseling tussen rotswanden tevoorschijn treden van een machtig kolkende rivier. Het wordt als een openbaring beleefd en wie het aanschouwt, voelt zich opgenomen in de rivier, voelt zich één met de eeuwig tomeloze stroming van het leven.

    Lezen in het verlengde van schrijven

    ‘Wij zagen vóór ons het aanzwellende water stromen. Het
    wiste in één klap het gebergte uit en joeg zichzelf weg van
    zijn moederlijke hellingen. Het was geen bergstroom die zich
    aan zijn lot overgaf maar een onbeschrijflijk beest waarvan
    wij de stem en substantie werden. Het hield ons in verliefd-
    heid gevangen op de almachtige boog van zijn verbeelding.
    Wie of wat had ons kunnen tegenhouden? De dagelijkse
    onbenulligheid was gevlucht, het vergoten bloed aan zijn
    warmte teruggegeven. Door de openheid opgenomen, tot
    onzichtbaarheid gladgeschuurd, waren wij een overwinning
    die nooit zou eindigen.’

    In zijn streven zo dicht mogelijk bij zijn authentieke beleving van het natuurtafereel te blijven, beoogt hij wel degelijk communicatie met de lezer. Hij blindeert zijn gedichten niet van binnenuit, noch sluit hij de buitenwereld uit. Ten onrechte heet zijn poëzie ontoegankelijk. Zijn werk is compact en in hoge mate lyrisch met een krachtenveld van expressieve metaforen, waarin het concrete en abstracte door elkaar lopen. Het is rijk aan klankrijm en alliteratie. ‘Ooit was het gras goed voor dwazen en vijandig voor de beul. Het huwde de drempel van alledag. De spelen die het verzon hadden vleugels aan hun lachen (zondevrije spelen en even vluchtig). Het was niet hard voor dwalenden die verlangden voorgoed te verdwalen. / Ooit had het gras bepaald dat de nacht minder waard is dan zijn macht.’ Omdat het bereik van poëzie onbegrensd is, balanceert Char op de grens van het begrijpelijke en gebruikt hij woorden met meerduidige betekenis om zijn werk open te houden voor de lezer. Gelezen worden lag voor Char in het verlengde van het schrijven.

    ‘Af en toe komt hij zijn lezer zelfs behoorlijk tegemoet, zoals in het korte Slaapliedje voor iedere dag tot de laatste
    Talloze keren, telkens weer,
    Val je in slaap tot je lichaam ontwaakt;
    Dan een keer, en maar één keer,
    Val je in slaap en je lichaam verzaakt.’

    Ook weet hij gepassioneerd het geluk en zinnelijke genot van de liefde te bezingen in een stijl die niet voor Hugo Claus onderdoet: ‘De vleugel van je zuchten bedekt de bladeren met dons. Mijn gulzige liefde sluit jouw vrucht, drinkt haar. // Ik leef bij de gratie van jouw gelaat dat mijn duisternissen met vreugde bedekken. // Hoe mooi is je schreeuw die mij jouw zwijgen schenkt!’

    Onmogelijke vertaling geslaagd

    Het is mooi en gedurfd dat Anno Lampe in korte tijd drie dichtbundels van René Char voor de Nederlandse lezer ontsloten heeft. Dat deze schier onvertaalbare dichter nu in onze taal is overgezet. Zonder de klankrijkdom die het Franse origineel bezit, pakt een vertaalde Char ietwat fletser uit. Zo blijft deze dichter enigszins een vreemdeling in vertaling. Daarom is het goed dat het Franse origineel naast de vertaling staat. De lezer kan pendelend tussen beide teksten lezen. Het origineel als finishing touch van de vertaling. In de aantekeningen bij ieder gedicht toont Anno Lampe zich belezen in Chars werk en de commentaren daarop, wetende dat in geen enkele interpretatie van Char het laatste woord ooit gezegd zal zijn. Geheel passend bij de poëzie van Char, die immers niet met een zwijgen eindigt. ‘Niets krijgt nog een naam behalve de huivering’.

     

  • De ziel is het vijfde wiel aan de wagen

    De ziel is het vijfde wiel aan de wagen

    Er was misschien sprake van een licht optimisme in Italië toen op 25 juli 1943 Mussolini werd afgezet en in september een bestand met de geallieerden werd gesloten. Maar met het vertrek van de duce verdwenen de fascisten niet. In hun ogen was 25 juli ‘de dag van het verraad’. Ze werden zo mogelijk nog fanatieker. Aan de andere kant trokken partizanen de bergen in om van daaruit de fascisten en de Duitsers te bestrijden. Het leidde tot harde repressies. Zoals in december 1943 in het stadje Borgosesia (regio Piëmont), de plaats waar in 1978 Giacomo Verri werd geboren. In zijn debuutroman uit 2012, Partizaan Winter, beschrijft hij gebeurtenissen in die decembermaand, uitmondend in de dood van tien inwoners door een vuurpeloton van het beruchte fascistische Tagliamentolegioen. Dat was een represaille voor de moord op twee leden van het legioen door de partizanen.

    Verri doet zijn verhaal door ons als lezer in het hoofd te laten kruipen van drie protagonisten, de gepensioneerde professor Italo Trabucco, de achttienjarige student Jacopo Preti en de tienjarige Umberto Dedali. Ze hebben alle drie een relatie met de partizanen. De student maakt er deel van uit, Trabucco is er niet actief bij betrokken, maar verdiept zich erg in de zin van het verzet (‘Het enige dat ik kan is observeren’, zegt hij ergens) en de kleine Umberto raakt steeds meer verstrikt in een romantisch beeld van de partizanen; in zijn ogen heldhaftige strijders met baarden, die op de berg Briasco met wolven praten.

    Natuur
    Partizaan Winter is geen boek dat snel wegleest. ‘Er is geduld voor nodig’, zegt Verri zelf in een documentaire (in het Nederlands ondertiteld). Vooral voor de Nederlandse lezer die waarschijnlijk niets weet van de gebeurtenissen in het Noord-Italiaanse provinciestadje in 1943, is niet altijd duidelijk wat Verri nu precies wil vertellen. Pas bij een tweede lezing valt alles op zijn plek. Complicerende factoren zijn dat Verri niet zozeer acties beschrijft als wel wat er in de hoofden van de betrokkenen omgaat aan idealen en morele oordelen. Die worden dan ook nog eens beschreven als een verhouding tot de natuur. Dat is een bewuste keuze van Verri die hij in een nawoord toelicht. Hij kan geen objectief verhaal vertellen; hij was er niet bij. ‘De mens van vandaag [kan] zich alleen vergelijken met dat verleden, als hij geplaatst wordt tegenover de dingen van de natuur (en niet van de geschiedenis), die al duizenden jaren dezelfde zijn’. Het leidt tot een poëtische verteltrant, waarin Trabucco bijvoorbeeld het best tot zijn recht komt als hij in gesprek kan zijn met zijn geliefde berg Fenera.

    Katalysator
    Een mooie vondst van Verri is om elk van zijn hoofdfiguren een vrouwelijke inspiratiebron toe te kennen, die werkt als een soort katalysator. Het gaat steeds om iemand voor wie één van de hoofdpersonen amoureuze gevoelens koestert zonder dat die worden gepraktiseerd. Ze verleiden de betrokkenen echter wel tot politieke keuzes of op zijn minst het nadenken daarover. Voor de oude Trabucco is dat Giulietta, een wat geheimzinnig vrouw die koerier voor de partizanen lijkt te zijn. Voor Jacopo is het Flora, bij wie hij een blauwtje loopt, maar voor wie hij daarom des te meer wil bewijzen dat hij partizanenbloed heeft. Voor Umberto tenslotte is het schoolgenote Maria, die contact heeft met de partizanen.Daarnaast zijn er twee mannelijke figuren die een soortgelijke rol spelen.

    Allereerst is dat Pietro, een vroegere arts en vriend van Trabucco, die hem wil betrekken bij het verzetswerk. Niet als actievoerder, maar als wijze beschouwer. Hij vraagt hem een toespraak te houden voor het verzetsdetachement Grasci dat vanuit de berg Briasco opereert.
    Een heel andere inbreng heeft Umberto’s schoolvriend Gabriele, wiens ouders fascisten zijn (net als de schoolmeester). Het leidt tot een steeds grotere verwijdering tussen de jongens, die uiteindelijk omslaat in haat.
    Jacopo Preti heeft niet zo’n vriend, maar hem is altijd een ontmoeting bijgebleven met een zeeman die een adagium had dat Jacopo overgenomen heeft: ‘De ziel is het vijfde wiel aan de wagen’. Een wat raadselachtig motto dat Jacopo later als volgt aan zijn medestrijders uitlegt: ‘Toen de heksen verbrandden, was die stank boven de brandstapels misschien wel de ziel die ten hemel steeg (…) Ze treedt vermengd met bloed uit als de fascisten je neerschieten en dan win jij omdat je ertussenuit piept. Kijk, dat is nou het vijfde wiel aan de wagen.’ Met andere woorden: de partizaan zegeviert altijd.

    Vuurpeloton
    Het is december; winter. Zowel Trabucco als Umberto is, ieder in eigen kring, bezig de kerststal op te bouwen. Dat is in de katholieke vallei waarin Borgosesia ligt, een langdurig ritueel dat begint op 1 december en eindigt op Kerstavond en in voltooide staat een heel landschap tevoorschijn tovert. Verri geeft zijn hoofdstukken als titel mee de data van de maand (met een verwijzing naar de kerkelijke traditie wordt 8 december afwijkend getiteld als ‘de onbevlekte ontvangenis’), beginnend op de eerste en eindigend op 23 december, de dag na het vuurpeloton.

    In de laatste dagen voor Kerstmis pakt het Tagliamentolegioen pakt min of meer willekeurig mensen op  als represaille. Die betrokken zouden zijn bij de moord op de fascisten. De belangrijkste is de burgemeester van Borgosesia, Giuseppe Osella, die bekend stond als fascist, maar in het geheim de helpende hand uitstak naar de partizanen. Hij wordt op een gruwelijke manier gemarteld. Onder de arrestanten zijn ook Pietro en Trabucco. Ze ondergaan de martelingen eveneens, maar ze behoren uiteindelijk niet tot de tien geselecteerden die voor de muur van de San’Antonio zullen worden geëxecuteerd. Ook Jacopo is er niet bij. De fascisten hebben hem niet te pakken gekregen.
    Wie ook niet onder de gearresteerden zit is de jonge Umberto. Hij mag elk jaar een wens doen aan Jezus in de kribbe. Dit jaar heeft hij een bijzondere wens. Bovendien heeft hij een briefje geschreven aan Cino, de leider van de partizanen, dat hij mee wil doen. Hij heeft, zoals alle partizanen schuilnamen hebben, voor zichzelf ‘Partizaan Winter’ gekozen. Wat moet hij nu, na het vuurpeloton?

    Instinct
    De dag voor Kerstmis vormt zowel het eerste als het laatste hoofdstuk van de roman. Daarin blikt Trabucco terug op de gebeurtenissen en de lessen die daaruit te trekken zijn. Zoals over het motto van Jacopo: ‘Misschien hechten de mensen aan oorlog, ondanks haar gruwelen, omdat alleen oorlog diegenen verenigt die niet kunnen liefhebben en niet kunnen streven naar de oneindige eenheid van de spirituele wereld. Het idee van het vijfde wil aan de wagen was een kwellende gedachte die Jacopo in leven hield, hem vooruitdreef en hem uitdaagde om te geloven dat dieren in vergelijking met de mens, in de stijgende weg naar volmaaktheid, een veel groter geschenk hadden ontvangen: het instinct.’

    Verri maakt met zijn verhaal de sfeer van wantrouwen, verbittering, haat, maar ook vriendschap zeer invoelbaar, zij het dat die pas echt bij herlezing aangrijpt. Dan stap je als lezer gemakkelijker over de soms wat te geconstrueerde teksten heen. Want een zekere onevenwichtigheid kan de taal van Partizaan Winter toch wel worden tegengeworpen. Er zijn mooie zinnen, zoals wanneer Umberto aan het sterfbed van zijn vader bedenkt ‘dat je dingen om aan een vriend te vertellen altijd voor later kunt bewaren. Aan een vader niet: of je doet het altijd, of het lukt nooit meer’. Maar daartegenover staan gezochte vergelijkingen als een straat ‘aan weerszijden omschouderd met overbevolkte huizen’.