• Oogst week 51 – 2025

    Oceandiva

    Christina Flick (1982) is in Duitsland geboren, maar haar debuutbundel heeft ze geschreven in het Nederlands, omdat ze waardeert dat deze taal een andere logica en woordvolgorde heeft dan haar moedertaal. Maar ook maakt ze in haar gedichten gebruik van de Engelse taal. Haar poëzie valt op door de vele enjambementen, die vaak dubbelzinnig van betekenis zijn, omdat het niet duidelijk is of het laatste woord de versregel afsluit of de volgende opent. Haar associatieve gedichten volgen de chaos en de drukte van een grote stad, die tot vervreemding en eenzaamheid leiden.
    Een vertelstem observeert het stuurloze leven van vier stadsbewoners, die een moeizame relatie met elkaar onderhouden, tijdens hun zwerftochten door de stad tot aan de oceaan. Flick schetst een wereld waarin de vertwijfeling nooit ver weg is en de toekomst ongewis is, maar door de verscheidenheid van onderwerpen en de gedetailleerdheid van Flicks observaties is dit geen sombere bundel.

    droom, bushalte
    er is een gala in het centrum troost ik een toerist
    die dronken is en op weg
    naar een heavymetalconcert dat er niet is
    jij ziet eruit als sharon stone zegt hij
    aangespoeld in de buitenwijken
    van het verlichte ik vind hem vooral
    een whitney houston
    een alarm gaat af een limousine rijdt langs
    met daarin iemand die op ons beiden lijkt
    alleen dan mooier

    Oceandiva
    Auteur: Christina Flick
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2025)

    Aan wie, deze offers

    Daniel Vis (1988) is dichter en schrijver van vier dichtbundels en een roman. Zijn tweede bundel, Insect redux, werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs en in 2021 ontving hij de Frans Vogel Poëzieprijs voor zijn gehele poëtische werk.

    In zijn vierde bundel is een man aan het woord die heel graag vader zou willen worden, maar die wens niet in vervulling ziet gaan door zijn onvruchtbaarheid, ‘en mijn zaad dat onvolkomen is’. Dat zet tot twijfel aan en leidt in de gedichten naar de vraag of de man daadwerkelijk een kind wil, of dat hij alleen maar gered wil worden van zichzelf en zijn sterfelijkheid. De gedichten zijn een weergave van zelfonderzoek en richten zich tot de geliefde en tot de goden die een belangrijke rol spelen in deze bundel. Het zijn de oude goden van de Tupi, een verzameling van inheemse volkeren in Brazilië, tot wie de ik-figuur zijn gebeden richt in de vorm van kwetsbare en intieme gedichten. Wie (slacht)offert en wie wordt ge(slacht)offerd zijn vragen die door elke lezer afzonderlijk moeten worden beantwoord.

    Ik vrees wat er te ontwaken staat
    wanneer de vrucht waarom we vragen
    daadwerkelijk tot wasdom komt.

    Ik vrees de liefde die,
    enorm, verpletterend,

    in mij haar plek inneemt –

    wat ze zal vinden
    van mijn eerdere gebeden.

     

     

    Aan wie, deze offers
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Uitgeverij Hollands Diep (2025)

    Jeroen van Kan (1968) debuteerde in 2017 met de dichtbundel de wereld onleesbaar, in 2019 gevolgd door de verhalenbundel Hoe Matt een dode vis werd. Hij was redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade en werkte jarenlang voor de VPRO-radio. Tot 2019 was hij presentator van het televisieprogramma VPRO Boeken. Hij werkt momenteel als redacteur van het radioprogramma De Taalstaat.

    In zijn nieuwste bundel, komeet ping pong, onderzoekt Van Kan in drie afdelingen komeet, kelder en ping pong hoe hij de wereld om zich heen dient te begrijpen. Hij verkent de grenzen tussen spel en zwaartekracht, tussen eigen koers en andermans baan. De komeet en het pingpongballetje verhouden zich tot elkaar als de ene mens tot de andere, ieder met zijn unieke eigenschappen en tempo van leven. De dichter laat hierbij open welke identiteit de voorkeur krijgt, maar ironie, humor en speelsheid zijn vereist.

    hier of daar

           Ik zat op een heuvel
    en keek uit over istanbul

    naast me een jongen die zich
    voorstelde als berk
    hij was piloot

       goed je te ontmoeten zei ik
    je hebt me niet ontmoet
    antwoordde hij

              hier noemen ze me zo
    maar alleen daar ben ik het

    Auteur: Jeroen van Kan, komeet ping pong Uitgeverij Querido (2025) 9789025320126, 80 19,99
  • Oogst week 40 – 2025

    Verspreid over de aarde

    Japan is van de aardbodem verdwenen in de nieuwe roman Verspreid over de aarde van Yoko Tawada (1960). De inwoners zwerven over de wereld en Japan wordt nu het land van sushi genoemd. Hoofdpersoon Hiruko is via Noorwegen en Zweden in Denemarken beland en heeft zelf een taal ontworpen, het Pansca, waarin ze immigrantenkinderen lesgeeft. Ze wil graag in haar moedertaal praten, maar er is niemand om dat mee te doen. Onder het opmerkelijke gezelschap om Hiruko heen bevinden zich de Deense taalkundige Knut, en Nanoek uit Groenland die vaak voor een Japanner wordt aangezien. In de vrolijke dystopie ontmoet het gezelschap op zijn zoektocht onder andere een dode walvis, een Andalusische matador en robotvrouwen.

    Volgens vertaler Luc Van Haute gebruikt Tawada altijd woordspelletjes in haar taal, maar ‘ditmaal was die uitdaging nog een stuk groter, met personages van verschillende nationaliteiten die in verschillende landen communiceren in verschillende talen.’

    Yoko Tawada is geboren in Tokio, verhuisde in 1982 naar Duitsland waar ze Duitse literatuur studeerde. Sinds 2006 woont ze in Berlijn. Tawada schrijft in het Japans en in het Duits en won vele Japanse en Duitse prijzen voor haar werk. Haar thema’s zijn de relatie tussen woorden en realiteit en het idee dat verschillen in taal assimilatie in een andere cultuur onmogelijk maken. Het gaat vaak over het overstijgen van grenzen, zowel wat betreft reizen tussen landen en culturen als de grens tussen waken en dromen, gedachten en emoties. Tawada publiceerde tientallen boeken, verhalen en essays. Ze laat zich beïnvloeden door Paul Celan en Franz Kafka.

     

    Verspreid over de aarde
    Auteur: Yoko Tawada
    Uitgeverij: Koppernik

    De zwevende wereld

    Om nog even bij Japan te blijven: Het leven van de Duits-Nederlandse arts, wetenschapper en botanicus Franz von Siebold (1796-1866) vond onderdak in De zwevende wereld, het nieuwste boek van Annejet van der Zijl. Maar niet alleen zijn leven, ook dat van zijn Japanse dochter Kusumoto Ine ‘Oine’ (1827-1903) wordt door Van der Zijl meeslepend beschreven. Oine was de eerste vrouwelijke arts in Japan en is tegenwoordig een heldin in boeken, opera’s en televisieseries.

    Von Siebold vertrok in 1823 naar de Hollandse handelspost Deshima, aanvankelijk met de opdracht om informatie te verzamelen over het toen nog grotendeels van de buitenwereld afgesloten Japan. Hij ontmoette er zijn grote liefde Sonogi en kreeg met haar dochter Oine. ‘Onder het portret dat Franz opnam in het eerste deel van Nippon, dat hij in deze maanden aan het schrijven was, noemde hij haar Otaksa, het koosnaampje dat hij zijn geliefde na de geboorte van hun dochter had gegeven.’ Helaas werd Von Siebold verbannen uit Japan. Vader en dochter zouden elkaar tientallen jaren niet zien en toen het eindelijk zover was, pakte de ontmoeting anders uit dan voorzien.
    Von Siebold werd wereldwijd beroemd als Japankenner. In Nederland kregen de vele door hem gestuurde en meegebrachte planten een plek, onder meer in de Leidse Hortus Botanicus.

    Van der Zijl schreef een uniek boek over een unieke vader en een unieke dochter, dat begint met ‘Het lijden van de jonge Siebold. (…) De vroegste kinderjaren van Philippe Franz von Siebold waren doordrenkt met tranen, de rest van zijn jeugd met oorlog.’ Het boek bevat stambomen van zijn familie en van die van Sonogi, plus een overzicht van historische en persoonlijke gebeurtenissen.

     

    De zwevende wereld
    Auteur: Annejet van der Zijl
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Afdruk

    In de nieuwe roman van Peter Brouwer, Afdruk, is Carl in de jaren tachtig student fotografie in Utrecht. Hij beleeft zijn studententijd met vrienden die korter of langer in zijn leven aanwezig zijn. Zo heeft hij een onenightstand met de twintig jaar oudere Mara die de volgende dag zijn camera lijkt te hebben gestolen. Als vijftigjarige blijkt hij in het bezit van een haarkam in de vorm van een vogel. Hij was vergeten dat hij de kam bezat en waar deze vandaan kwam weet hij niet meer. Zijn vrouw, een kunsthistorica, zet hem ertoe aan om het verhaal achter de kam te gaan uitzoeken. Maakt het voorwerp deel uit van een traumatische geschiedenis, is het verleden onzichtbaar geworden?

    In Zuid-Frankrijk zoekt Carl antwoorden op vragen die in zijn studententijd zijn ontstaan. Hij ontmoet er Patrique Rossier, een Fransman en Carls voormalige docent die teruggetrokken op de Haute-Vienne leeft. Hij bezoekt een gruwelplek uit de Tweede Wereldoorlog, het dorp Oradour sur Glane waar in 1944 de Nazi’s een massaslachting aanrichtten. Er is sprake van roofkunst en van een geschilderd portret van een meisje met een masker dat Carl op Corsica ziet. Dat herinnert hem aan de nacht met Mara.

    Peter Brouwer (1965) studeerde Duitse taal- en letterkunde. Hij is schrijver, vertaler en nuziektheatermaker. Voor Afdruk publiceerde hij al drie romans en drie poëziebundels.

     

    Afdruk
    Auteur: Peter Brouwer
    Uitgeverij: Nobelman
  • Opnieuw beginnen

    Opnieuw beginnen

    Op de eerste pagina’s van De Keizer van Gladness staat Hai op de rand van een brug, klaar om zichzelf van het leven te beroven. Later in de roman leren we waarom: een heftige pillenverslaving die hij maar niet onder controle krijgt, een mislukte studie en de dood van zijn vriend Noah die een abrupt einde maakte aan hun liefde. Maar bovenal, de eindeloze leugens tegen zijn moeder, die als Vietnamese migrant vooral wil dat haar zoon slaagt in de harde Amerikaanse maatschappij anno 2009. Maar dan hoort Hai het geroep van een vrouw aan de overkant van het water. Die vrouw, Grazina, overtuigt hem om niet te springen en zo begint Hai’s tweede kans in het leven.

    In plaats van terug te gaan naar huis, begint Hai na dat moment een parallel leven. Hij gaat bij de demente Grazina in huis wonen en verzorgt haar. Zijn moeder belt hij nog af en toe en dan liegt hij dat hij een doktersopleiding doet. Er ontstaat een diepe band tussen Grazina en Hai, die steun bij elkaar vinden. Grazina’s onconventionele manieren om verdriet te bestrijden (op broodjes stampen in de regen) lijken te werken voor Hai. Al vult Hai dat regelmatig aan met een greep uit de pillen van Grazina. Ook vindt Hai troost in de boeken van Grazina’s overleden partner: De gebroeders Karamazov en Kurt Vonnegut’s Slaughterhouse-Five. Dat is een belangrijk deel van Grazina’s achtergrond, niet voor niets was Grazina’s partner Vonnegut aan het vertalen want ook zij waren slachtoffers van nazibombardementen en vluchtte voor het geweld naar Amerika.

    Om wat extra’s te verdienen voor Grazina, gaat Hai op zoek naar werk. Via zijn neef Sony (vernoemd naar het merk van de TV), komt hij terecht bij HomeMarket, een franchiserestaurant met matig eten. HomeMarket belooft dat het voor de klanten elke dag Thanksgiving is, maar in de realiteit wordt vrijwel alles ingevroren en opgewarmd, behalve de legendarische maïsbroodjes. Bij HomeMarket krijgt Hai een nieuwe familie van misfits, die allemaal diep door het leven getekend zijn. Hai’s nieuwe leven bestaat uit werken en Grazina’s dementie met verhalen en pillen onder controle proberen te houden. Het is een fragiele situatie, maar Hai’s nieuwe leven begint meer en meer te bloeien tegen de intens treurige achtergrond van East-Gladness.

    Gladness in verval

    Vuong’s romandebuut Op aarde schitteren we even (On Earth We’re Briefly Gorgeous) uit 2019 is in vergelijking met De keizer van Gladness persoonlijker en poëtischer (en ook bijna de helft korter). Er zijn enkele elementen die herkenbaar zijn uit Vuong’s romandebuut: de pillenverslaafde Hai, de moeder die in de nagelsalon werkt en tragische dood van vriend Noah. Maar in De keizer van Gladness heeft Vuong meer ruimte genomen en zijn de thema’s meer in balans: Grazina, Sony, manager BJ en alle andere medewerkers komen echt tot leven. Vuong slaagt erin een bijzonder goed persoonlijk verhaal over trauma, migratie en verslaving te vertellen en tegelijkertijd de schrijnende maatschappelijke ontwikkelingen in East-Gladness en daarmee heel Amerika vast te leggen. Van Sony wiens ‘neurodiversiteit’ domweg wordt opgelost met pillen tot Grazina die bij gebrek aan een goed werkend zorgsysteem tussen wal en schip geraakt. De hartverscheurende scènes waarbij Grazina’s zoon Lucas zijn moeder in een verzorgingstehuis probeert te krijgen, gaan door merg en been. Ze leggen echter ook een dieper probleem bloot. Zonder geld en status, ben je veroordeeld tot plekken zoals Gladness.

    Rond de HomeMarket en Grazina’s huis ontstaat een heel ecosysteem, waar Hai met vallen en opstaan zijn eigen plek in weet te vinden. Elke medewerker van HomeMarket vertegenwoordigt een facet van het falende Amerikaanse systeem. Ondanks de intense Amerikaanse treurigheid van East-Gladness, weet Vuong de avonturen van Hai met humor te vertellen. Soms neigt dat wel naar Amerikaanse slapstick: de junk die in de wc van HomeMarket een overdosis heeft, krijgt per ongeluk ook nog eens een bak warme kaassaus over zich heen, wat de reanimatie niet makkelijker maakt. Vooral Sony’s rol in het verhaal nijgt soms naar clownesk, maar tegelijkertijd weet Vuong heel goed zijn kinderlijke denkwijze vast te leggen. Sony’s bijzondere fascinatie voor de Burgeroorlog en vooral voor de Confederatie, zorgt voor enkele humoristische scènes die tegelijkertijd het onderliggende Amerikaanse racisme blootleggen.

    Great American Novel

    Met die brede maatschappelijke kijk op Amerika en ook de focus op Amerika’s geschiedenis door Sony’s fascinatie voor de Burgeroorlog, is dit een roman die duidelijk geplaatst wil worden in de traditie van de Great American Novel. De keizer van Gladness speelt grotendeels in 2009 en 2010, de jaren dat Barack Obama aan de macht was en het land eindelijk uit de vrije val raakte na de Great Recession. In onze herinnering zijn het de jaren van herstel, maar Vuong laat zien dat dat economische herstel niet voor iedereen toegankelijk was of überhaupt op tijd kwam. De keizer van Gladness is een roman waarin Amerika centraal staat; de American dream en de diepe teleurstellingen die daar vrijwel altijd aan verbonden zijn. Waarschijnlijk zullen we De keizer van Gladness ooit lezen zoals we nu Great American Novel zoals John Steinbeck’s The Grapes of Wrath lezen; onszelf steeds afvragend hoe het ooit zover heeft kunnen komen.

  • De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Woede als aanjager

    Woede als aanjager

    Ik las over de dood van een moeder. Terwijl de dochter op een vroege zondagochtend onderweg is naar station Sloterdijk om naar Nijmegen te reizen, wordt ze gebeld door de vriend van haar moeder. Ze wil het wegdrukken, later terugbellen. Iets weerhoudt haar. Het is het vroege tijdstip waardoor ze toch opneemt. Ze hoort dat haar moeder is gevallen. Gevallen en overleden. In de momenten daarna, onderweg naar het huis van haar moeder, groeit er in de dochter een grote woede. ‘Als ik straks aankom zal ik het haar zeggen. “En nu doe je normaal godverdomme. Nu hou je op! Ik heb er schoon genoeg van. Je gaat godverdomme nu gewoon naar een dokter.” Dan zal ze wel begrijpen dat ze deze keer te ver is gegaan.’ Wat er gebeurt als een ouder overlijdt, een familiegeschiedenis zichtbaar wordt, daar is dit boek een verslag van.

    De dochter is kwaad op haar moeder omdat ze nooit een dokter wil consulteren. Ze vertrouwde op alternatieve genezers. Er is een jongste broer, die hersenletsel opliep door een val, tijdens corona in complot theorieën begint te geloven, de moeder daarin betrekt. ‘Als jij het gevoel niet had gehad dat je moest kiezen, dat je altijd, altijd, altijd de deur voor Rein open moest laten, dat je er altijd voor hem moest zijn, dan was de wereld misschien wat minder zwart geworden voor je.’ Dat ze misschien nog had geleefd ‘als ze dit of dat’. De valkuil van het ‘als’, waarmee de dood op pauzestand wordt gezet. Maar dat ongeloof, die woede.

    A.F.Th. van der Heijden werd op 31 mei 1993 gebeld door zijn moeder. Zijn vader lag met longemfyseem in het ziekenhuis. Terwijl hij luistert, wordt hij kwaad. ‘Hoe haalt hij het in zijn hoofd om in het ziekenhuis te gaan liggen, en zo mijn leven te ontregelen?’ Nooit gaf zijn vader gehoor aan zijn raadgevingen te stoppen met roken, met alcohol. Na enkele weken is zijn vader overleden. Van der Heijden schreef er het prachtige boek Asbestemming, Een requiem over.

    Op het moment van sterven van een ouder, ontstaat er iets dat een uitweg moet vinden. Er moet iets afgerond worden dat niet af te ronden is, het moment van sterven als punt van terugkeer.

    Ik denk aan mijn vader, een zachtmoedig man. Toen hij overleed heb ik geen afscheid kunnen nemen. Na een bepaalde verslagenheid was ik opeens driftig van woede. Uit woede tekende ik een portret van mijn vader, (als ik er nu naar kijk, kan ik niet geloven dat ik het maakte) de zachtheid die ik als schuld van zijn dood zag, verdrukte ik met krachtige lijnen. Er ontstond een portret van een onverzetbaar man. Het leek wel wat op Theodor Holman, waaraan ik verder niets verbinden kan.

    Op dag achttien (onderschat niet het belang van de precieze aanduiding van tijd, plaats en dag, alsof het houvast biedt) na het overlijden van haar moeder, denkt de dochter haar moeder de volgende morgen even te bellen. ‘Wat doet mijn brein? Het is alsof het de hele tijd op zoek is naar manieren om het tij te keren, ondanks het feit dat ik zo godvergeten doordrongen ben van het feit dat je dood bent, dood. Dood.’ Die woede, de catharsis die gezocht moet worden. 

    Michael Ignatieff schreef over de dood van zijn vader in Reis naar het ongerijmde. ‘Ieder stervensverhaal dat je vertelt, is bedoeld om de indruk te wekken dat je de dood hebt overwonnen, dat je het sterven hebt aanvaard en je ermee verzoend. Het is een leugen, iets wat je jezelf wijsmaakt om door te kunnen gaan.’ Hij aanvaardt de dood van zijn vader niet.

    ‘Noch heb ik er vrede mee. Ik ben het gewoon beu en dat op zichzelf is de beste reden om het verhaal opnieuw te vertellen. Vertel het verhaal om jezelf terug te vinden, om hem terug te vinden. Vertel het verhaal zodat zijn dood eindelijk plaatsvindt.’ Schrijven over verlies. Om dat definitieve punt te bereiken.

    Het is niet de bedoeling de doden tot leven te wekken, dat nu ook weer niet. De dochter stelt zich voor hoe het dan zou gaan, als haar moeder er weer/nog was. ‘Bovendien realiseer ik me maar al te goed dat jouw dood betekent dat we nooit meer ruzie hoeven te maken. Dat we niet mee hoeven te maken dat je nog meer lichamelijke klachten zou krijgen en dat je niet meer zelfstandig had kunnen wonen. Ik zou tegen je gaan roepen: “als ik er geen dokter bij mag halen, dan zoek je het maar uit!”‘ Dat de dood daar een stokje voor had gestoken.

    Wat me treft is de onversneden boosheid waarin zoveel liefde resoneert. Woede als aanjager om over liefde te schrijven is een combinatie die ten diepste ontroert.

     

     

    Dat zijn wij zelf / Heidi Koren / 175 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Schrijf niet

    Schrijf niet

    Niet schrijven, maar vooral veel lezen. Dat advies geeft Alex Boogers aan aspirant-schrijvers in zijn essay De schrijver als samoerai, uitgegeven door Hollands Diep. Er is een overaanbod aan romans en een nog veel groter surplus van mensen die een boek willen schrijven, terwijl er nauwelijks nog Nederlandse literaire romans worden gelezen. Die tegenstrijdigheid verklaart Boogers uit de behoefte van het eigentijdse ego gezien en gewaardeerd te willen worden. Maar die vorm van egoïsme is volgens Boogers niet de drijfveer van de pure schrijver. Een pure schrijver is iemand die niet anders kan dan schrijven, zelfs als hij droog brood moet eten, zijn relatie opoffert en zijn familie van zich vervreemdt. Zo’n schrijver houdt met niemand rekening en is compromisloos, net als de samoerai in de traditionele Japanse vechtkunst die uitsluitend is gericht op perfectie en daar alles voor over heeft.

    (Auto)didact

    Boogers neemt, zoals de meeste mensen, zichzelf als maatstaf. Wie zich vanuit een kansarm arbeidersmilieu opwerkt tot een gewaardeerd schrijver met inmiddels een vijfentwintigjarige carrière en een bibliografie die ertoe doet, denkt kennelijk dat dit de enige weg is die een schrijver moet afleggen. Autodidactisch. Lijdend. Strijdend tegen klassenjustitie. De klassieke kunstenaar. Vanzelfsprekend wijst hij schrijversvakscholen af. Heeft hij zelf ook niet nodig gehad. En hij heeft in de krant gelezen dat studenten daar vooral over techniek praten, maar zich niet afvragen waarom ze eigenlijk niet willen maar moeten schrijven. Boogers vindt dat schrijversvakscholen zich zouden moeten omturnen tot lezersvakscholen.

    Het is duidelijk dat hij nauwelijks weet heeft van de praktijk op schrijversvakscholen, waar al gauw de helft van de tijd wordt gespendeerd aan lezen. Er is geen docent die niet hamert op het belang van veel lezen als iemand zijn schrijverschap wil ontwikkelen. Een schrijversvakschool is een hogedrukpan, waar getalenteerde schrijvers sneller en met meer bagage uit komen dan wanneer ze op hun zolderkamertje het allemaal zelf hadden moeten doen. Hetzelfde geldt overigens voor kunstenaars op toneelscholen, film- en kunstacademies; opleidingen die vreemd genoeg vanzelfsprekender worden gevonden. Net zo evident vindt Boogers dat kickboksers (verwant aan samoerai) in de dojo getraind worden. Hij heeft zelf jaren van training achter de rug. Jaren waarin hij niet alleen de techniek van het vechten leerde, maar naar eigen zeggen ook en vooral de betekenis ervan. Een zwaard is niet zomaar een zwaard. Het gaat erom een geslepen, schitterend, onbreekbaar, verblindend zwaard te worden. Daartoe moet het naar erkenning strevende ego sterven.

    Acceptatie

    De romankunst gaat wat Boogers betreft dan ook ‘over het accepteren van de dood, de wetenschap dat we zullen sterven, en dat we er weinig tegenover kunnen stellen, behalve de verhalen die we elkaar vertellen en die op wat voor manier dan ook beklijven.’ Ook hier ziet hij een analogie met de oude Japanse krijgskunst, want hij citeert een Japanse zwaardvechter die zegt dat de weg van de samoerai het vastberaden accepteren van de dood is. Los van de minder interessante hoofdstukken waarin Boogers ingaat op gedoe met uitgevers, recensenten en collega-schrijvers, los ook van het gedram over de oorspronkelijke miskenning van zijn schrijverschap (hij werd eindeloos geframed als de kickboksende schrijver), en los ook van de tegenstrijdigheden als het gaat om het belang van scholing, heeft Boogers met De schrijver als samoerai een interessant essay geschreven waarin hij zich laat kennen als een ouderwetse romanticus die waarschijnlijk zelfs bereid zou zijn harakiri te plegen voor zijn werk.