• Schrijven vanuit weloverwogenheid en compassie

    Schrijven vanuit weloverwogenheid en compassie

    Vanaf 2022 verschenen er drie titels uit het oeuvre van de Italiaanse schrijver Erri De Luca (1950) in vertaling van Annemart Pilon bij uitgeverij HetMoet. Als eerste werd De Luca’s novelle De dag voor het geluk kwam uitgegeven. Over een weesjongen die opgroeit in het Napels van na de tweede Wereldoorlog. De conciërge Don Gaetano van het appartementencomplex waar de jongen woont, ontfermt zich over hem. Don Gaetano vertelt hem over de oorlog, over de Jood die bij hem ondergedoken zat en over de laatste oorlogsdagen toen de bewoners van de stad verhongerden. ‘De Duitsers hielden een schijnvertoning: ze braken een winkel open en vervolgens droegen ze de mensen op om de winkel leeg te halen. Ze schoten op alle mensen die de spullen gingen pakken en filmden de hele scéne. Dat gebruikten ze als propaganda: Duitse soldaten grijpen in om plundering te voorkomen.’

    Hierin is een tactiek van oorlog voeren te herkennen. Het opmerkelijke van zulke notities is dat De Luca ogenschijnlijk eenduidige verhalen vertelt, maar de lezer nekt met feiten die een omgekeerd déjà vu veroorzaken.

    Zijn debuut (1989) Niet nu niet hier verscheen in 2023. Het voorwoord dat De Lucca in 2009 voor deze vierentwintigste druk schreef, leest als een kleine biografie. In zijn jonge jaren was De Luca lid van de communistische beweging ‘Lotta Continua’. Hij begon te schrijven nadat hij de partij had verlaten en als bouwvakker ging werken. Niet nu niet hier  is een lange brief aan zijn moeder over zijn vormende kinderjaren. Zijn moeder sprak met hem als kind over de slechte dingen die er op de wereld gebeurden. ‘Je maakte me deelgenoot van jouw verachting van al het leed dat mensen aanrichtten en werd aangedaan.’ Hij was haar favoriete gesprekspartner omdat hij stotterde en daarom liever zweeg. Het is een indringend boek in de zin van vergeving, liefde en de dingen in de juiste verhoudingen zien.

    Kat en muis spel

    In Onmogelijk dat dit jaar verscheen, wordt een bergbeklimmer in de Italiaanse Dolomieten aangehouden op verdenking van moord. Hij wordt in een isoleercel geplaatst en een week lang dagelijks door een jonge onderzoeksrechter verhoord. Deze is er van overtuigd dat de bergbeklimmer, gezien de voorgeschiedenis van de verongelukte en de verdachte, verantwoordelijk is voor zijn dood. Veertig jaar geleden waren de verdachte en de omgekomen bergbeklimmer lid van dezelfde radicaal-linkse beweging. Tot de man – die verongelukte -, uit de beweging stapte en zijn kameraden als staatsgevaarlijk aangaf en als verrader werd gezien. De verdachte en zijn kameraden belandden daardoor voor vele jaren in de gevangenis.

    Puur op basis van deze informatie verdenkt de onderzoeksrechter hem ervan uit wraak te hebben gehandeld. Dat hij hem geduwd heeft. De verdachte omzeilt moeiteloos en met doordachte antwoorden de valkuilen die de onderzoeksrechter voor hem opstelt. Een kat en muis spel waarbij de verdachte steeds correct weergeeft wat hij gedaan heeft en wie hij is, (‘Ik ga de bergen in om alleen te zijn’). Het verhaal, met naamloze personages, is geschreven als een dialoog. De onderzoeksrechter wordt aangeduid als  ‘V.’ en ‘A.’ als verdachte die ook de verteller is.

    ‘V. Wij hebben een bevestiging nodig die losstaat van wat u zelf vertelt. Wist u dat u die man volgde?

    A. Ik wist dat er iemand voor me liep.

    V. In werkelijkheid volgde u hem.

    A. In werkelijkheid volgde ik hem niet, in werkelijkheid was er iemand die voor me uit liep op een deel van de berg waar iedereen overheen moet.’

    Brieven aan zijn liefste

    Tussen de weergave van de verhoren zijn er de brieven aan zijn vriendin. Waarin hij haar schrijft over het verhoor, ‘Het gesprek met de jonge onderzoeksrechter gaat goed. Hij wil met een drone naar bewijs zoeken, hij speelt met dat idee, net als met zijn hypothese, waar hij bewijzen voor zoekt. Ik ben zijn tegenpartij.’
    In de een na laatste brief schrijft hij, ‘ Mijn liefste, ik moet nog één keer met de onderzoeksrechter praten en dan is het voorbij, op wat voor manier dan ook.’ Of hij schuldig of onschuldig bevonden zal worden, lijkt hem niet uit te maken. Wanneer het punt bereikt wordt waarop de onderzoeksrechter hem moet laten gaan bij gebrek aan bewijs, volgen er nog allerlei ontwikkelingen (de verdachte en de onderzoeksrechter gaan samen uit eten). Er ontstaan vluchtige gedachten, er is een gebaar waarin het ‘onmogelijk’ tot mogelijk zou kunnen verworden. En zou het kunnen dat die brieven evengoed aan een verzonnen geliefde geschreven zijn? De lijn tussen werkelijkheid en gecreëerde werkelijkheid is dun in deze ingenieuze geconstrueerde novelle. Er wordt aftastend en vanuit hypotheses gecommuniceerd waarbij de geest van beide personages voelbaar alert blijft op wat er níet gezegd wordt.

    De Luca werkte jarenlang als bouwvakker en schreef zijn eerste boek in een schrift (dat op zijn knieën lag). ‘Mijn schriften waren de lichte bagage die ik altijd meenam als ik van de ene naar de andere klus ging.’ Hij noemt schrijven nadrukkelijk geen werken, maar momenten van ontspanning waarin hij alles opschrijft wat tijdens het werken in zijn gedachten ontstond. Dat is wat er spreekt uit de novelle’s van De Luca, een vanzelfsprekende toon van weloverwogenheid en compassie. Zijn personage zijn dan ook volstrekt authentiek, evenals de schrijver zelf. De grondtoon van zijn verhalen komt voort uit de politieke keuzes die men maakt en wat daaruit voortvloeit

    In een nawoord schrijft vertaler Annemart Pilon, die een goede neus heeft voor belangwekkende literatuur, dat ze ten tijde van de vertaling van De dag voor het geluk kwam in Napels woonde. Door de steegjes liep in de buurt waar De Luca opgroeide en waar de roman zich afspeelt. Ze vertaalde het boek in haar vrije tijd in de hoop dat een uitgever er iets in zou zien. Een krasse proeve van weten wat goed is, vertaald moet worden. Met dank.

     

     

  • Ogenschijnlijk gewone mensen in de huidige tijd

    Ogenschijnlijk gewone mensen in de huidige tijd

    In 26 losse verhalen lezen we over de levens van o.a. een psychiater, een oma, vrijheidszoekers, broers en vriendinnen, maar ook over een gevallen acteur, een fietsenzaakmedewerker en een bijna-psychiater die sarcastisch constateert dat hij applaudisseert voor ‘hoe ik meeval als Turk, als Marokkaan, als man, als…’. Ogenschijnlijk gewone levens, want het zijn levens die op de onze zouden kunnen lijken. Mensen die worstelen met vragen, met problemen en met de veranderende tijdsgeest. Hoe verhoud je je daartoe? De levens in de verhalen in Een aangenaam zwaar hoofd zijn los te lezen, hoewel ze onderling in meer of mindere mate met elkaar verbonden zijn. Zoals door de psychiater Eva die als rode draad door het boek is geschreven, maar ook door een oude rode Volvo die door twee verhalen rijdt. De zittende jongeman krijgt in het ene verhaal een podium en is juist verderop in het boek een bijfiguur. Het boek, geschreven door Bram de Ridder, zit vol met dit soort overlappingen en is daarom beslist de moeite waard om na het lezen te herlezen.

    Invoelende zinnen

    Bram de Ridder (1985) is psychiater en socioloog en schreef in zijn eerdere boek Andere kamers al over uiteenlopende levens, eenzaamheid, iets missen (maar wat) en contact. Hoe houd je je staande in deze wereld. In welke situaties ervaar je soms dat prettige samenvallen met het leven. Deze thema’s komen terug in zijn nieuwe boek, maar de verhalen over innerlijke worstelingen, angsten en gemis zijn nu beter uitgewerkt. In tegenstelling tot de vaak korte staccato-zinnen in zijn eerste roman, is de schrijfstijl in de nieuwe verhalen tot bloei gekomen. Zinnen zijn voller, natuurlijker en meer beschrijvend; dit leest aangenaam. Fragmenten zijn soms zo invoelend op papier gezet dat je daadwerkelijk de pijn van Eva voelt die als couveusebaby een start op deze wereld heeft gemaakt. Stel je de hand van haar moeder voor die teder het nog niet dichtgegroeide fontanel liefkoost. Of is dat niet gebeurd? ‘Ja, dat is een erg oude pijn.’ zegt haar therapeut bij wie ze jarenlang leertherapie heeft gevolgd. Eva maakt het boek rond, door een begin- en eindverhaal met dezelfde titel Wie ze ook is.

    Actuele thema’s

    Zijn we niet allemaal op zoek naar antwoorden op vragen als: Wie ben ik? Hoe ben ik zo geworden? Wie wil ik zijn? En, als ik een beslissing neem, hoe leef ik daarna gewoon door. Dit boek past daarom perfect in de huidige tijdsgeest en heeft daarnaast ook veel actuele thema’s. Denk bijvoorbeeld aan de oudere Tonia die ooit iemand was, maar door het verglijden van de tijd een ander iemand is geworden. In haar verhaal besluit ze op een dag dat ze het vuren staakt, maar hoewel ze invoelt dat dit een belangrijke beslissing is, kan ze geen grip krijgen op de gevolgen. Denk aan de ijdele podiumman die eigenlijk wel weet dat hij een rokkenjager was, altijd op zoek naar applaus en bevestiging. Maar hij heeft de tijdsgeest tegen en in een interview voelt hij zich steeds meer vastzitten in een ijsbaangesprek. Hij prutst aan zijn sjaaltje en hoopt er maar het beste van, want de media zijn genadeloos. Doet dat ons niet denken aan de actuele berichtgeving over misstanden uit medialand of uit de cultuursector?

    Zou het een man of een vrouw zijn? Dit vraagt de jonge fietsenmaker zich af als hij een klant niet helemaal kan plaatsen. Hij probeert aanwijzingen te vinden in de stem, de zachte babyhanden van de persoon en komt dan tot een eigen conclusie. ‘Zouden dit vaders zijn?’ Dit vraagt dezelfde fietsenmaker verderop in het boek aan Eva met wie hij samen een therapierondje loopt en op een veldje twee basketballende mannen ziet. Dat hij kortgeleden als zoon werkelijk is gezien door zijn vader is voor hem heel helend. De basketballende mannen zijn overigens niet zomaar een belangrijke observatie; ze worden hier geïntroduceerd, maar zijn verderop in het boek de hoofdpersonen. De bijna kinderlijk eenvoudige vraag van de ene volwassen man aan de basketballende man: ‘Mag ik meedoen?’ is aandoenlijk en kwetsbaar. Je voelt een aftasten, een aanzetje tot een vriendschap misschien, want hoewel je volgens de hoofdpersoon van dit verhaal in een stad verdrietig en eenzaam mag zijn, kan er ineens een verlangen ontstaan een vriend te hebben.

    Sympathie

    De Ridder weet je door zijn observerende taalgebruik en treffende zinnen te raken. Voor elke hoofdpersoon krijg je sympathie, omdat ze eerlijk zijn in hun innerlijke worstelingen en verlangen. Een verlangen om bijvoorbeeld over je buik geaaid te worden. Durf je dat uit te spreken? De docent die zich afvraagt of verliefdheid een verzachtende omstandigheid is bij het overschrijden van grenzen. Je voelt mee met de chauffeur van de Volvo die schuurpapier voelt aan de binnenkant van zijn borstkas als het ritje met een oude vriendin voorbij is. Tot slot is er Abby die in meerdere verhalen voorkomt en verantwoordelijk is voor de titel van het boek. Ze wil zowel afstand houden als nabijheid voelen en door haar aanwezigheid in eerdere verhalen ‘ken’ je haar een beetje. In de intimiteit van de avond praat ze met haar hartsvriendin over therapie, tegenstrijdigheden en vervreemding: kun je elkaar ooit echt kennen? De alcohol polijst iets wat scherp kan zijn en als ze later voorhoofd tegen voorhoofd in bed liggen, voelt ze ontspanning en geruststelling.

    In Een aangenaam zwaar hoofd heeft Bram de Ridder gewone mensen en alledaagse actuele thema’s weten te vangen in een bundel samenhangende verhalen over de betekenis van het leven en het accepteren van betekenisloosheid.

     

     

  • Klont in de tijd

    Klont in de tijd

    Het was zo’n ochtend waarop ik dacht dat alles zomaar ineens afgelopen kon zijn. Dat heb ik wel vaker, dat de wereld zich als een grote open ruimte aan me voordoet. ‘Apocalypse now’. Ik zat in de trein en keek naar de goudkleurige sneakers van een oudere vrouw aan de andere kant van het gangpad. De trein raasde met hoge snelheid voort over de rails, nam schommelend de bochten, ik hing scheef, drukte mijn voeten op de grond. Ik dacht, wat is de betekenis van goudkleurige sneakers als we straks in puin liggen. Het leek opeens niet meer tot de onmogelijkheden te behoren dat alles uit de hand zou lopen. Ik zag het voor me, hoorde treinwielen gillen op de rails, scheurend ijzer, oorverdovende stilte, gestold tot een klont in de tijd. Toen viel de trein weer in een rechte lijn samen met het spoor, kwam ik op tijd voor mijn afspraak.

    Dat wat mogelijk is, ‘is een grens die telkens verschuift, afhankelijk van wat mensen bereid zijn toe te laten.’, schrijft Erri De Luca. In plaats van onder een deken te kruipen, pakte ik een novelle van de Italiaanse schrijver Erri de Luca. Over zijn kinderjaren in het Napels van de jaren zestig. Deze novelle schreef hij in een schrift op zijn knieën, zittend op een harde stoel. Het was in de winter van 1989 toen hij begon met schrijven, overdag werkte hij als bouwvakker. Hij schreef ‘in de overgebleven restjes van de dag’, een lange brief aan zijn moeder, het werd zijn debuut, Niet nu, niet hier.

    ‘Zolang er licht was in zijn ogen, maakte mijn vader foto’s.’, schrijft De Luca. Die foto’s bestrijken de periode van zijn tiende tot zijn negentiende. De Luca herinnert zich niets van die tijd. ‘Fotoalbums en archieven ondersteunen mijn herinneringen niet, ze vervangen ze.‘ Dat is mooi. Dan zoomt hij in op een foto van een straat waarop uithangborden met reclameleuzen, een oude bus bij een halte. Er is een marktstraatje waar mensen uitkomen. ‘Het beeld waar ik naar kijk wordt groter, de schaal wordt kleiner: één op honderd, één op vijftig, één op tien, net zo lang tot de voorbijgangers even groot zijn als ik en ik als zij.’ Hij zoekt op de foto de gezichten van mensen af, herkent een jonge vrouw, zijn moeder. Hij vraagt zich af of zijn moeder zich dit leven na de oorlog zo had voorgesteld. ‘In een smal kamertje waar enkel een streepje zonlicht over de pannen viel, met meubels die een ander had achtergelaten, besefte je op een drukkend warme middag, terwijl de kinderen, nat van het zweet, even sliepen, dat dit nu je leven was geworden, dit en niet meer’. 

    Ik geloof dat ‘dit en niet meer’ van grote betekenis is. Het heeft te maken met gepaste nederigheid, met elkaar de ruimte geven. Dat verdween, volgens De Luca, doordat ‘arme mensen een gevoel van urgentie kregen’. Hoe zijn moeder hem ‘nare dingen’ vertelde. ‘Een aardbeving had de levens van een volk verwoest, ansjovis was duurder geworden, de oude mensen in een eenkamerwoning verderop in de steeg waren door hun huisbaas op straat gezet. (…) Het kwaad deed waar het zin in had en je erop voorbereiden was niet genoeg. Je treurde daar met mij om, om de wereld.’ 

    Deze dagen wordt er geen ge-maar meer getolereerd. Er moet stelling genomen worden, jij of ik, hij of zij. Maar dat wil ik niet (De Luca schrijft dat een ‘maar’ eigenlijk een ‘omdat moet zijn), want elk mensenlevens is het waard om voor te kiezen. Ik hoorde van anderen die tot niets meer in staat waren. Zich afvroegen, ‘Hoe kan dit, wanneer is dit begonnen, wie is begonnen?’ Alsof de betekenis van alle dingen lange tijd onvindbaar was.

    De Luca zoekt aan de hand van een foto, toenadering tot zijn moeder in het verleden. Er is niets te vergeven, toch is deze novelle een groot liefdevol vergeven, doorweven met een gevoel van rechtvaardiging. Ik stel me voor hoe het zou zijn als alles in puin lag, ik dit boekje zou openslaan. Of het zou helpen. Ik dacht het wel.

     


    Niet nu, niet hier / Erri De Luca / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij HetMoet


    Inge Meijer is een pseudoniem en veellezer.

     

     

     

  • Paul Verlaine – Volmaakt moment

    Paul Verlaine – Volmaakt moment

    Collectief het Feest der Poëzie brengt op zaterdag 11 juni samen met Uitgeverij HetMoet de Franse dichter Paul Verlaine (1844-1896) tot leven in de Haagse Kunstkring.
    Acteur Marcel Faber, sopraan Selma Harkink, pianist Jeroen Sarphati en voordrachtskunstenaar Simon Mulder vertellen het verhaal van zijn leven. Zij doen dat met liederen op teksten van Verlaine door Franse componisten uit zijn tijd zoals Debussy, Chausson en Fauré. Er wordt o.a. voorgedragen uit nieuwe vertalingen van zijn gedichten door Simon Mulder, uit brieven en krantenberichten uit die tijd.

    De zaal is open om 19.30 uur.
    Toegang € 17,50.
    Kaarten uitsluitend via: https://www.ticketkantoor.nl/shop/verlaine.

    Voor meer informatie: Haagse Kunstkring, tel. (070) 364 75 85 www.haagsekunstkring.nl.

  • Een boek maak je altijd samen

    Elte Rauch van Uitgeverij HetMoet is geen reguliere uitgever. Ze kiest voor literatuur met een stuwende kracht en blijft liever klein en persoonlijk dan dat ze mee zou gaan in de commerciële ratrace. Kwaliteit staat bij het uitgeven voorop en Rauch peinst er niet over daarvan af te wijken. 

    Een platbodem uit 1927, gelegen aan het Oosterdok in de Amsterdamse museumhaven, is het onderkomen van HetMoet, de enige varende uitgeverij in Nederland. Op de zonnige dag dat ik aan boord van de lage, bruinhouten woonboot stap komt hond Robin me tegemoet, blaffend, want ze weet nog niet of ik goed volk ben. Uitgever Elte Rauch stelt haar gerust. Manoeuvrerend over de smalle ruimte langs de kajuit loop ik naar voren waar Elte me opwacht en het trapje af gaat naar de gezellige woonruimte, half onder de waterlijn. Er staat een tafel met een laptop, lp’s langs de wand, een kachel, een zitbank, stoelen en kussens en een keukenblok, alles wat nodig is voor een prettig thuis. Het zonlicht valt door de ruiten. Hond Robin wordt door manlief meegenomen voor een wandeling. 

    Elte Rauch (1980) maakte in een vorige baan een bloemlezing van het werk van een Nederlandse schrijver, alsmede een jubileumuitgave. Ze ontdekte dat ze het hele proces van samenwerken met drukker, vormgever en uitgeverij ontzettend leuk vond, vooral omdat iedereen zo gepassioneerd te werk ging.

    Ze ontmoette Simon Mulder, dichter en artistiek leider van Stichting Feest der poëzie (organisator van onder meer poëzie- en muziekevenementen), die graag een bloemlezing wilde maken van het werk van Henriëtte Roland Holst, in 2019 honderdvijftig jaar eerder geboren. De twee verzamelden wat mensen om zich heen die Roland Holst nog hadden gekend of veel van haar wisten en besloten: ‘We gaan het doen.’


    En zo ontstond HetMoet?

    ‘Ik werd geconfronteerd met kanker en dacht, ik kan hier gaan zitten wachten maar ik kan ook een boek maken en me bezighouden met poëzie en literatuur die me altijd al, mijn hele leven kracht hebben gegeven. Ik zette alles op alles om dit boek te maken, met de mensen die erbij betrokken waren. Het werd een prachtige biografische bloemlezing. Niet iedereen kent Henriëtte Roland Holst meer, dus we hebben een boek gemaakt waarin mensen niet alleen met haar werk kennismaken, maar ook met haar als persoon. Simon Mulder noemde haar een “hipster avant la lettre”. Ze was vegetarisch, politiek geëngageerd, wat voor een vrouw in die tijd niet zo gewoon was. Er kwam net een boek uit van Rosa Luxemburg, een vriendin van haar met wie ze ook had geschreven, van wie ook een gedicht in onze bundel staat.’ Het resultaat was De zachte krachten zullen zeker winnen, de eerste uitgave van HetMoet, waarmee Rauch zich inmiddels had geregistreerd.


    Waar komt de naam HetMoet vandaan?

    ‘Het was een beetje een grapje naar DasMag, ze konden er gelukkig om lachen. Ik zei nee, het moet. Mijn vader, hij leeft niet meer, heeft het logo, het mammoetje ontworpen. Dat was een schot in de roos. De literatuur die wij uitgeven heeft ook die stuwende kracht, een beetje eigenwijs, een beetje tegendraads, creatief. Ik ben absoluut geen reguliere uitgever, ga mijn eigen weg. De kern van de uitgeverij is dat het boeken zijn die moeten. Ook boeken waarvan wij vinden dat ze weer de aandacht moeten krijgen, of weer moeten worden vertaald, of soms vanwege een speciale of memorabele gelegenheid.’ 

    Wij, betekent bij Rauch alle mensen met wie ze samenwerkt. De redacteuren, vormgevers en drukkers verdienen in Rauchs ogen evenveel aandacht als de schrijver en kunnen net zo goed als zijzelf suggesties voor uitgaven doen. Binding met alle medewerkers is belangrijk en ‘prettig omdat iedereen er uiteindelijk net zo gepassioneerd in staat als ik.’

    HetMoet wil klein blijven en geeft boeken uit zonder commerciële instelling en in series zoals Open Archief, Biografische Bloemlezingen en de Singersteek Serie. De boeken worden mooi gedrukt en vormgegeven, de omslagen in boekdruk gedrukt en zijn vaak handgebonden.

    ‘Open Archief zijn boeken die ook moeten en die meer over actuele thematiek gaan,’ vertelt Rauch, ‘bijvoorbeeld Over ziek zijn, met onder meer het gelijknamige essay van Virginia Woolf. We maken nu een Engelse uitgave waarin de Nederlandse teksten van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld in het Engels worden vertaald en waarin nog meer bijdragen worden opgenomen, zoals van Nadia de Vries. Ik werk veel met agenten en schrijvers en kleine uitgeverijen in Ierland en Engeland.’


    Het is nogal divers, wat je uitgeeft. Hoe komt die keuze tot stand?

    ‘Iemand komt met een idee, ik kijk of het binnen ons fonds van de drie series past. Als het daarin past, dan zeg ik meestal ja. Uiteraard moet het wel een bepaalde literaire kwaliteit hebben. Samen met onafhankelijke redacteuren kijk ik daarnaar, ik beslis er niet alleen over. De series ontstonden om de uitgeverij en de boeken duidelijk te profileren. Ik kies er niet voor om alles wat los en vast zit uit te geven. Ik wilde iets ethisch neerzetten, iets ambachtelijks en iets eigenwijs. Misschien wat heftige woorden, maar daardoor werd ik wel gedreven. Ik ga een beetje mijn eigen gang. Ik ben niet bang voor nieuwe en ook niet voor klassieke literatuur, maar de uitgaven moeten wel op een bepaalde manier gerepresenteerd worden. Zo zijn mijn eerste drukken binnen Open Archief altijd hard back. Dan zul je altijd de eerste druk herkennen. De boekjes uit de Singersteek Serie zijn jubileum- of gelegenheidsuitgaven. De naam van de serie komt van de wijze waarop ze zijn gebonden: zonder rug en genaaid met een naaimachine. Je krijgt dan wel kritiek, zo van, ‘het heeft geen rug’. Nee, het heeft geen rug. We hebben nu al een hele serie en op een gegeven moment herken je ze wel.’

    Onlangs verscheen in de meestal tweetalige Singersteekserie, Het gif/Le poison van Charles Baudelaire, die dit jaar 200 jaar geleden geboren werd. Rauch nam contact op met vertaler Peter Verstegen die bereid was zijn favoriete decadente gedichten van Baudelaire uit te kiezen voor een mooie bloemlezing in de serie.  

    ‘Ik heb er vierhonderd van laten drukken. Ze zijn best goed verkocht in de boekhandels. Net als bij Roland Holst heeft Stichting Feest der poëzie er een programma aan gewijd – door corona een beetje anders – met muziek, theater, film, voordracht en een heuse poëziebar. Er wordt van alles uit de kast gehaald om die poëzie neer te zetten. Baudelaire is blijkbaar nog populair genoeg. Sommige boekhandels hadden een hele Baudelaire-tafel ingericht, zoals Atheneum. Bij zo’n uitgave is het criterium: hoe urgent is het, moet het, moet het nu? Ja, dit moest nu.’

    ‘Het boek Ik kies Elena (uit de serie Open Archief) is onder de coronawolk terechtgekomen. Het is het debuut van schrijver en essayist Lucia Osborne-Crowley. Niet alle Nederlanders lezen gemakkelijk Engels en dit boek zou ook een meisje van vijftien moeten kunnen lezen, daarom heb ik het laten vertalen.’


    Hoe kwam je op het idee van deze uitgave?

    ‘Ik was op een literair festival in het boekdorp Hay-on-Wye, waar ik lang heb gewoond en het boekje viel me gewoon in handen. Ik heb het in één ruk uitgelezen en dacht, heel intuïtief, dit moet ik uitgeven. Er was destijds een discussie gaande over misbruik binnen de sportwereld, vooral bij turnmeisjes. Daar gaat dit boek ook over. Maar het is geen slachtofferboek, het gaat voornamelijk over haar herstel. Wat voor mij heel belangrijk is in dit boek, en ook bij mijn andere uitgaven, is de dialoog met de wereld en de literatuur. Osborne-Crowley las de boeken van Elena Ferrante, de poëzie van Rupi Kaur en andere krachtige literatuur en daaruit putte zij kracht in haar hersteltijd. Ze gaven haar bijna een sense of being. De dialoog tussen de literatuur en het leven zelf is een soort dialectiek die dan ontstaat. Ik vind dat heel erg krachtig en mooi en dit soort literaire non-fictie is in Nederland nog vrij onpopulair. Met andere schrijvers ben ik bezig om die in Nederland een plek te geven. Bijvoorbeeld Nadia de Vries schrijft zo ook, of Lieke Marsman. Dat is een van mijn criteria. Ik geef geen zelfhulpboeken uit of “mijn verhaal in zestien delen”, het moet die beweging, dat reiken naar literatuur hebben.’

    Elte Rauch schreef zelf in 2020 in het kader van 75 jaar bevrijding, Vormen van vrede, korte verhalen met herinneringen aan haar Indische familie en de Tweede Wereldoorlog.

    ‘Daar maak ik geen sport van hoor, om eigen werk uit te geven. Nu gebeurde het gewoon zo. Ik gaf het samen uit met de vertaling van de Jiddische dichter Mordechai Gebirtig, de boeken horen ook echt bij elkaar. Er waren een documentaire en een podcast aan gekoppeld, allemaal over 75 jaar bevrijding.’ 


    Er komt nu ook weer een jubileumuitgave aan?

    ‘Ja, een ontzettend leuke opdracht van het Nias (Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences, A.M.) over writers in residence, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Nias. Met schrijvers als Tommy Wieringa, Hagar Peters en Lieve Joris, totaal zo’n dertien auteurs die schrijven over het thema Belonging, ergens bijhoren, thuiskomen. Het Nias wil een authentieke uitgave, iets wat mooi gedrukt is. Ik werk samen met beeldend kunstenaar Octavie Wolters, zij maakt de omslagillustratie, in linosnede. Ik ken haar via mijn drukker, een van de laatste der Mohikanen die nog in boekdruk drukt.’ 

    Rauch doet alles zelf. Ze heeft geen apart kantoor maar werkt thuis. Met een armgebaar geeft ze aan dat zich achter in het ruim een bibliotheek en een werkkamer bevinden. Daar ligt ook de voorraad boeken van HetMoet opgeslagen. In het voor- en najaar wordt er gevaren.

    ‘We zijn net weer terug. Rotterdam, Gouda, over de IJssel. Dan maak ik ook contact met lokale boekhandels. Heel soms komen er ook schrijvers langs of wordt er aan boord voorgedragen. We doen kleine evenementen, niet te groot want we wonen hier ook. We vervoeren de boeken, hebben altijd literatuur aan boord en dat promoten we. Ik heb aanvankelijk veel hulp gehad van het collectief De Vrije Uitgevers die mij ook met bepaalde drukkers hebben verbonden. Maar ik ga heel intuïtief af op wat ik zelf prettig en mooi vind.’


    De meeste mensen kunnen zich waarschijnlijk niets voorstellen bij een varende uitgeverij. Zijn de eerste contacten die je legt met boekhandels?

    ‘Ja. Ik heb bijvoorbeeld een heel leuk contact met boekhandel ’t Spui in Vlissingen. Die volgen ons op de voet. Als we daar zijn kom ik altijd wat brengen. Op 5 mei hadden ze een stapeltje Vormen van vrede neergelegd. Ik kom uit Zeeland, dus dat vonden ze extra leuk. Het is allemaal low key. Ik woon en werk hier, we zijn geen evenementenboot, maar het is een mooi en romantisch idee dat je je eigen boeken onder zeil vervoert. Als varende uitgeverij is het leuk om iets te doen met andere literaire activiteiten.’ 

    Voor een vaartocht deelt Rauch het plan daarvoor op sociale media en stuurt af en toe een nieuwsbrief uit waarin de aanlegplaatsen worden vermeld. Vorig jaar had ze een boek met gedichten van de Zeeuw P.C. Boutens uitgegeven, in Zeeland kwam een dichter deze gedichten aan boord voordragen.
    Volgend jaar gaat HetMoet samenwerken met de Vrijbuiter uit Zierikzee, ook een zeilende platbodem en Rauch wil ook een zomer-zeil- schrijfcursus aanbieden. Deelnemers moeten dan een ‘Mammoetje’ (een manifest, gedicht, essay) schrijven waarvan het beste stuk online gepubliceerd wordt.


    Is zo’n uitgeverij met heel specifieke uitgaven rendabel?

    ‘Ik ben wel met een uitstervend beroep begonnen. Daar maak ik me nog wel eens zorgen over. Er wordt weinig gelezen in Nederland en de omloopsnelheid van boeken is niet bij te houden. Ik ga daar ook niet in mee, ik ga niet mee in die commerciële ratrace want dat haal ik niet in mijn eentje. Mijn boeken zijn tijdloos en ik bied ze steeds opnieuw aan. Het is nog niet rendabel en elke keer als ik quitte speel denk ik, hé, ik heb niets verloren, ik kan weer een boek maken. Collega-uitgevers zeggen: het is veel te duur, je moet het daar en daar laten drukken. Maar het is mijn keuze dat het om het boek en het proces gaat en de kwaliteit die daaraan vastzit. Daar wijk ik niet vanaf zolang ik mijn boterham kan betalen. Ik blijf liever klein, kwalitatief en persoonlijk bereikbaar. Die ambitie houd ik voor ogen.’

    ‘Ondertussen is het verdomde moeilijk om je hoofd boven water te houden in de grote boze boekenwereld, bij wijze van spreken. Ik kan het me niet veroorloven een tafel op de beurs te huren. Ik moet het hebben van initiatieven, leg veel contacten met culturele podia zogauw het weer kan, zoek de mensen op. Sociale media vind ik zelf niet belangrijk maar voor mijn bedrijfje is het een manier om zichtbaarheid te genereren. Mijn ambitie is klein zijn, maar wel zichtbaar. Dat is wel een uitdaging. Er wordt zóveel gepubliceerd, ik heb daar een dubbel gevoel bij. Er komen wel drieduizend boeken per maand van de pers. Waar gaat dat heen? Ik lig niet met Herman Koch-achtige stapels bij Scheltema, maar ik bel Scheltema wel op met de vraag: kunnen we een keer iets doen in de boekhandel?’


    Het is niet meer bij te houden wat er allemaal uitkomt.

    ‘Nee, precies. Ik ga me daar ook niet aan meten want dan word ik gek en kan ik wel stoppen. Een vriendin van me die een keer met ons meevoer, zei: alles vertraagt hier. En zo is het. In Gouda gingen we de haven uit, dat is een kwartier lopen en wij deden er met de boot anderhalf uur over. Omdat we door sluizen moesten, wachten, onder bruggen door, weer wachten. En ik hou daarvan! Ik hou van die vertraagdheid en het accepteren daarvan. Daarin zit zo’n kwaliteit van leven. Dat heb ik ook met mijn boeken. Een essay van honderd jaar geleden combineren met essays van nu, daar zit een tijdcapsule van een eeuw in en toch is het met elkaar in gesprek. Dat komt doordat we erbij stilstaan, het blijft actueel. Ziek zijn is nou eenmaal ook een thema, of je het nou leuk vindt of niet. Ik wil juist stilstaan bij dingen die er al zijn en bij dingen die nog moeten komen, op een soort ontluikende en zachtaardige manier. Niet snel, snel en nu, en veel.’ 

    ‘Ik heb ontzettend veel geluk gehad, heb een beetje subsidie gekregen van het Letterenfonds. Het is moeilijk om daar tussen te komen als kleine uitgeverij. Ik vind het ook ontzettend sportief van het Letterenfonds, dat ze een kleine maar kwalitatieve uitgeverij hebben gezien tussen alle paperassen. Ik ben ze daar dankbaar voor. Ik ken daar niemand maar geef ze wel aandacht in mijn nieuwsbrief en op sociale media. Want alleen kan ik het niet, een boek maak je altijd samen. Aan de mensen achter de coulissen wil ik ook meer zichtbaarheid geven, de vertalers, de redacteuren, de illustratoren. Die zijn voor mij bijna net zo belangrijk als de auteur. Wat de vormgever van de serie Open Archief altijd doet is dit:’ Elte Rauch pakt het boek Over ziek zijn, haalt het papieren omslag met de tekening van Virginia Woolf eraf en toont de harde kaft, waarop dezelfde tekening nogmaals gedrukt is. ‘Dat vind ik zo’n mooi detail! Heel chic. Het was niet mijn idee, maar van boekontwerper Steven Theunis van Armée de Verre bookdesign. Geweldig hè!’

     

    Uitgeverij HetMoet

     

     

    Fotograaf: Guido Benschop

     

  • Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Gezien het feit dat een ieder van ons vroeg of laat, persoonlijk of van dichtbij te maken krijgt met ziekte, is het als je erover nadenkt bijzonder dat ziekte als literair thema niet even vaak voorkomt als bijvoorbeeld liefde, jaloezie en macht. Helemaal ongebruikt is het thema evenmin, getuige recente titels als Welkom in het rijk der zieken van Hanna Bervoets, Veldheer Banner van Marie Kessels en Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers dat de Libris Literatuurprijs 2021 won. Vanwege de Covid-19 pandemie zijn ziekte en de consequenties daarvan onderwerp van gesprek geworden in alle lagen van de maatschappij. De essaybundel Over ziek zijn verschijnt dus op het juiste moment.

    Uitgeverij HetMoet heeft het door de Britse schrijfster en feminist Virginia Woolf (1882-1941) geschreven essay On being ill, dat bijna honderd jaar geleden voor het eerst verscheen, uitgebracht in een vertaling van Monique ter Berg. Naast het werk van Woolf zijn er in de bundel bijdragen van drie hedendaagse schrijvers te vinden. De in 1968 geboren Britse dichter Deryn Rees-Jones schreef het voorwoord (ook vertaald door Monique ter Berg), de Nederlandse schrijver en dichter Lieke Marsman (1990) en de eveneens uit Nederland afkomstige letterkundige en dichter Mieke van Zonneveld (1989) beschrijven hoe het is om getroffen te worden door ziekte en welke weerslag dat heeft gehad op hun leven.

    In het voorwoord van Over ziek zijn beschrijft Deryn Rees-Jones hoe ze na haar besmetting met Covid-19 veel herkenning vond in het werk van Woolf, en dan met name in het essay On being ill. Ze vergelijkt haar langdurige tijd van ziek zijn met een ‘logé die niet alleen mijn ruimte innam maar ook mijn onmacht aan het licht bracht’ en wordt er al lezend aan herinnerd dat er eigenlijk geen scherp onderscheid bestaat tussen ziek en gezond. We zijn immers allemaal stervelingen. 

    Ongekende dimensies

    Na dit prachtig geschreven voorwoord word je als lezer vervolgens omvergeblazen door de tekst van Virginia Woolf, die in haar eerste volzin van een halve pagina lang uiteenzet dat ziekte ongekende dimensies in ons leven kan losmaken. In de literatuur is daar volgens Woolf (te) weinig aandacht voor; schrijvers hebben het hoofdzakelijk over het doen en laten van de geest, terwijl ‘de grote oorlogen die het lichaam met de geest als zijn slaaf in de eenzaamheid van de slaapkamer tegen een koortsaanval of opkomende zwaarmoedigheid voert, worden genegeerd.’ Woolf schreef het essay in 1925, tijdens heftige periodes van allerlei lichamelijke en psychische kwalen. Ze schrijft in diezelfde tijd ook aan een aantal romans waarin ze de thema’s ziekte en de ruimte die ziek zijn in een leven teweegbrengt aansnijdt. Volgens Woolf maakt ziekte het bijvoorbeeld mogelijk om ‘in een gedicht te kruipen’, omdat ziek zijn bij het lezen en waarnemen een zintuiglijke reactie uitlokt. Daarnaast gaat ziekte volgens haar samen met een kinderlijke openhartigheid.

    Het leven van Woolf werd enorm gekleurd door ziekte en lijden, zowel fysiek als psychisch; ze had bijvoorbeeld op haar dertiende al voor het eerst een zenuwinzinking. Met de kennis van nu wordt gesteld dat ze waarschijnlijk een bipolaire stoornis had, ontwikkeld als gevolg van seksueel misbruik in haar jeugd. Deze toen nog onbekende ziekte kreeg zozeer de overhand dat ze in 1941 zelfmoord pleegde. Tijdens periodes van ziek zijn wendde Woolf zich bij voorkeur tot de dichters. Patiënten hebben volgens haar immers geen zin in de lange ‘veldtocht’ die proza vergt.

    De Hel

    Lieke Marsman schreef het essay Hoe gaat het met je? Ze beschrijft daarin hoe ze als jonge twintiger na een jaar van toenemende klachten geconfronteerd wordt met de diagnose van een kwaadaardige tumor in haar schouder. Haar eerste reactie daarop is opluchting; er is echt iets aan de hand. Vervolgens beschrijft ze hoe ze na haar operatie veel terugdenkt aan haar jeugd en zich verdiept in boeken (van Audre Lorde en Susan Sontag) waarin persoonlijk en emotioneel respectievelijk extreem rationeel omgegaan wordt met de diagnose kanker. Het stelt haar voor de vraag hoe zij zich gaat verhouden tot haar ziekte. ‘Zevenentwintigjarige lijven horen […] niet ziek te zijn, en als ze al ziek zijn, dan vanwege een of andere tropische ziekte opgelopen tijdens een wereldreis. Ervaar ik kanker als De Hel omdat ik dat echt zo voel of omdat dat nu eenmaal de reputatie van kanker is, al helemaal voor wie het op jonge leeftijd krijgt?’ 

    Ze ervaart haar herstelperiode als eenzaam en vindt afleiding in het beoefenen van maatschappijkritiek. Haar conclusie is dat in de bijstand belanden evenmin iets met pech te maken heeft als kanker krijgen. Ze beschrijft haar angsten voor het terugkomen van de ziekte, de voor haar noodzakelijke illusie dat ze invloed kan uitoefenen op haar ziekteproces, de treurige keerzijde van mantelzorg en het belang van de wezenlijke vraag: hoe gaat het met je?

    Niet de bedoeling

    In het laatste essay Gods ruïne van Mieke van Zonneveld (1989) kijkt de schrijfster jaren later terug op de periode na de diagnose van acute leukemie die ze op haar eenentwintigste kreeg. De feiten kan ze feilloos opdreunen. De emotionele achtbaan waarin ze na de diagnose terechtkwam kan ze moeilijker reconstrueren, alhoewel ze in het ziekenhuisbed steun vindt in haar Bijbelvaste opvoeding. ‘Wat mij troostte was een gedachte die op het eerste gezicht niet troostend lijkt. Ik meende dat de dood niet alleen iets akeligs was, met name voor nabestaanden, maar ook iets verkeerds. Het feit dat iedereen sterft – de grootste zekerheid die we hebben – leek me even onomstotelijk als ongewenst. Het leek me niet de bedoeling, althans, oorspronkelijk niet. Het moest het gevolg zijn van een val in ongenade en nu liepen we allemaal rond in een verkeerd want sterfelijk lichaam als een herinnering aan die val.’ Ze gaat eerbied voelen voor haar lichaam, ook al verkeert het in een erbarmelijke toestand en is het vervallen tot een ruïne. Ook Van Zonneveld ervaart steun in de literatuur wanneer ze op zoek gaat naar het thema vreugde, in de Bijbel en in werken van Chesterton, C.S. Lewis en Dostojewski. 

    ‘We read to know we are not alone’. Dit bekende citaat, toegeschreven aan de Iers-Britse schrijver C.S. Lewis, is op veel boeken van toepassing, maar in het geval van Over ziek zijn biedt de quote een extra dimensie. Tijdens de eenzame ervaring die ziekte vaak is kun je namelijk, hoewel lezen een solitaire bezigheid is, toch in ‘gesprek’ blijven met anderen, verbindingen leggen en daarin vrijheid ervaren, zo blijkt uit de essays. Als er al een minpunt genoemd zou moeten worden van Over ziek zijn, dan zou het de geringe omvang van het boek kunnen zijn; het telt slechts een krappe tachtig bladzijden. Indachtig de voorkeur van Woolf om zich bij ziekte bij voorkeur niet te wagen aan de ‘veldtocht’ die een roman kan zijn hoeft de omvang echter geen nadeel te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat lezers dezelfde afleiding en troost in dit werk zullen vinden die de verschillende schrijfsters van de essays op hun beurt ook gezocht en gevonden hebben in de literatuur.