• Oogst week 7 -2024

    De wachters

    In reactionaire tijden delven intelligentsia als eerst het onderspit. Sinds 1989 rust er een fatwa op Salman Rushdie, die een aanslag in 2022 ternauwernood overleeft. Anderen vergaat het slechter: Tahar Djaout (1954) wordt vóór zijn veertigste levensjaar geliquideerd door Algerijnse extremisten. Deze schrijver – tevens dichter, journalist en wiskundige – had immers het lef seculiere zinnetjes in zijn oeuvre te stoppen. Schrijver en werk hoeven niet per se dezelfde ideeën te uiten, maar bij fanaten van de Schrift vindt die stelregel geen weerklank. Djaout moest dood.

    Eén van zijn boeken die tegen fundamentalisme ingaan, luidt De wachters (Les vigiles, uit 1991). Centraal staat de geharde, verzuurde veteraan Menouar Ziada. Deze lepe opportunist scant zijn omgeving als een woestijnvalk. Ook de goedaardige uitvinder Mahfoudh Lemdjad verliest hij geen moment uit het oog. Druk bezig met bureaucratische klusjes, formulieren en patenten vormt Lemdjad een levensgevaarlijke dreiging voor Ziada en andere oud-veteranen. Althans, dat geloven zij. En die overtuiging doet rare dingen met hen. Tahar Djaout zou het later zelf ervaren.

    De wachters
    Auteur: Tahar Djaout
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Het boek van de zwaan

    Zwanen inspireren niet alleen Tsjaikovski en Aronofsky tot kunst. Alexis Wright schrijft in 2013 The Swan Book, dat tien jaar later in Nederland verschijnt onder de titel Het boek van de zwaan. In Australië geniet Wright grote vermaardheid: haar fictie en non-fictie winnen vele prijzen. Haar literaire bijdrages aan het erfgoed van de Aboriginalcultuur (waar zij zelf een afstammeling van is) leveren zelfs de Lifetime Achievement of Literature op. In Het boek van de zwaan volgen we het meisje Oblivia. Zij leeft in een dystopisch Australië dat ten onder dreigt te gaan aan klimaatverandering.

    Klimaatfictie is actueel. Klimaatfictie vanuit het perspectief van tweedegraads onderdrukten, zoals vrouwelijke Aboriginals, is nog actueler. Achtergestelde bevolkingsgroepen wereldwijd ondervinden immers al decennia de fatale gevolgen van global warming. Wright combineert traditionele verhaalelementen met magisch-realisme, orale verteltraditie en passages over zwarte zwanen, aan Oblivia verteld door de Europese vluchteling Bella Donna. Deze zwanen inspireren de getraumatiseerde Oblivia tot een vlucht die ze nooit voor mogelijk hield. En dat is nodig ook, na een brute ontvoering.

    Het boek van de zwaan
    Auteur: Alexis Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Moet het zo

    Tegenwoordig lijkt ieder onderwerp een podcast te verdienen in plaats van andersom. Voor een goede poëziepodcast kun je gelukkig terecht bij dichter, vertaler en performer Daan Doesborgh (1988). Sterker nog: hij maakte er al vijf! Vijf jaar lang was hij bovendien stadsdichter van Venlo (2006 – 2011). Daarnaast trad hij op bij diverse festivals en werden zijn gedichten door onder meer NRC en Het Parool geprezen. Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij reserveren zelfs plek voor Doesborghs gedichten in hun bloemlezingen van de 21ste-eeuwse poëzie. Moet het zo is de recentste bundel van de Tirade-redacteur.

    De titel Moet het zo klinkt als een spagaat tussen experimentele en traditionele dichtkunst. Hoe zelfverzekerd Doesborghs verzen ook lijken, zijn twijfel is nooit ver weg. Zowel thematisch als stilistisch wisselt de dichter dan ook regelmatig van benadering. Nu eens ouderwets, strak en klassiek, dan weer avant-gardistisch, vrij en associatief. Bovendien blijkt Doesborgh verfrissend geëngageerd: gedichten mogen heus wel ergens over gaan. Een dichter hoeft niet alleen maar ijdel doch wereldvreemd te navelstaren. Moet het zo gechargeerd? Geen idee. We mogen het eind februari ontdekken!

    Moet het zo
    Auteur: Daan Doesborgh
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Ingenieus gecomponeerde briefroman over de macht van de verbeelding

    Ingenieus gecomponeerde briefroman over de macht van de verbeelding

    Er is weer eens een briefroman geschreven! In De schim van Raamswolde, het debuut van Alexander Baneman, lezen we de brieven die correspondentieschaker Allard van Benniq Methorst gedurende ruim een jaar naar verschillende mensen verstuurt of niet verstuurt. Halverwege de achttiende eeuw zorgde Samuel Richardsons briefroman Pamela or Virtue Rewarded (1740) voor een Pamelamania die in Engeland en continentaal Europa tot een hausse aan imitaties, vertalingen (van vertalingen), schilderijen, toneelstukken en opera’s leidde.

    Decennialang was het genre dominant en zagen talloze briefromans het licht, zoals de klassiekers Les liaisons dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos en Die Leiden des jungen Werthers van Goethe. In Nederland is Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken, onlangs fenomenaal hertaald door Tonnus Oosterhoff, verreweg de beroemdste briefroman. En allemaal gaan ze over jonge vrouwen die belaagd worden door mannen, over deugd, seks, liefde, huwelijk en de balans tussen hoofd en hart. Aan het eind van de achttiende eeuw is het genre over zijn hoogtepunt heen

    Voor hedendaagse schrijvers spreekt de keuze voor de briefvorm minder vanzelf. Veel moderne briefromans hebben een historische invalshoek: ze zijn ofwel gesitueerd in een verleden waarin de brief nog een belangrijk communicatiemiddel was of ze refereren aan briefromans van weleer, zoals De Daal-en-Bergse brieven van Hella Haasse, waarin de 20ste-eeuwse hoofdpersoon met Madame de Merteuil uit Les liaisons dangereuses correspondeert. Een andere legitimatie van de briefvorm is de functie van de brief als egodocument, als therapeutische uitlaatklep, zoals in de briefromans van Gerard Reve.

    De schim van Raamswolde combineert op eigen wijze beide invalshoeken: de roman speelt zich af in 1987 – niet lang voordat de brief plaatsmaakt mail en chat. De 45-jarige Allard van Benniq Methorst houdt uitsluitend per brief contact met de buitenwereld, omdat hij zijn huis niet uit durft. Hij schrijft brieven om boodschappen te bestellen, om schaakzetten door te geven, maar vooral om zijn gedachten over zichzelf kwijt te kunnen. Hiermee markeert de roman enerzijds het einde van een tijdperk van de persoonlijke brief als communicatiemiddel, anderzijds doet de roman, hoewel niet autobiografisch, denken aan therapeutische ego-literatuur. Dit wordt onderstreept door het feit dat we alleen Allards brieven te lezen krijgen.  

    Vivisectie

    Baneman maakt het zichzelf niet makkelijk. Omdat de hoofdpersoon een kluizenaarsbestaan leidt, levert het vertelheden nauwelijks spannende gebeurtenissen op. De roman moet gedragen worden door Allards bespiegelingen en herinneringen. En dat lukt ruimschoots. Het is een plezier om deze man steeds beter te leren kennen omdat hij een sympathiek, intelligent en aandoenlijk mens is van wie je graag een brief ontvangt. Hij heeft altijd wel iets interessants weet te melden en heeft oog voor het wel en wee van de ander. Zonder zelfmedelijden legt hij zichzelf op de ontleedtafel om als een patholoog-anatoom zichzelf en de oorzaken van zijn angststoornis te analyseren.

    De roman krijgt structuur doordat Allard dit systematisch doet. Zoals hij tijdens het correspondentieschaken meerdere partijen naast elkaar speelt die zich elk op hun unieke manier ontvouwen, zo beschouwt hij in elke briefwisseling een ander aspect van zichzelf.

    Met Trudy de Klerk, een vrouw die hij nooit heeft ontmoet maar heeft leren kennen omdat ze ooit het verkeerde nummer draaide, schrijft hij over zijn liefdeloze jeugd. Zij heeft namelijk ook een getroebleerde relatie met haar vader. Die brieven zijn ontroerend door de trefzekere typering van zijn kille, liefdeloze vader én omdat Allard ondanks zijn asociale leefwijze oog heeft voor Trudy’s leed en haar probeert te troosten, zich regelmatig verontschuldigend voor zijn onhandigheid. Baneman gebruikt briefconventies als de afsluiting effectief om de emotionele gesteldheid van Allard te onderstrepen, wanneer hij Trudy over de dood van zijn vader schrijft: ‘Volgende keer meer, het grijpt mij nu te veel aan’. 

    In de brieven aan Leopold Weijzer, een oude schaakvriend, wordt de aanhef effectief ingezet om de wisselende waardering voor zijn vriend uit te drukken: ‘Waarde wurgslang’, ‘Grote schoft’ of ‘Beste Lop’ maken Leopold en de lezer meteen duidelijk hoe de vlag erbij hangt. De rode draad in deze brieven wordt gevormd door Allards angststoornis die hij nu eens verdedigt als verstandig (de man die haaien rond zijn boot ziet zwemmen, besluit toch ook niet te gaan zwemmen), dan weer afkeurt als bron van praktisch, geestelijk ongemak.  

    In de correspondentie met Daniël Wolvecamp, de twaalfjarige domineeszoon uit het dorp, staat Allards liefde voor het schaken centraal. In uitgesproken filosofische verhandelingen (‘Misschien is dit wat lastig te begrijpen voor een jongen van 12’) zet hij de relatie tussen schaken, het onderbewuste en de kunst uiteen. Net als in de andere brieven en in een schaakpartij probeert hij zich in te leven in Daniël, geeft hem leestips en adviseert over de omgang met zijn religieuze vader, wat de serieuze bespiegelingen een komische toets geeft. 

    Met Dagmar Slotvoogd, die ooit een half jaar bij hem inwoonde, is de liefde het belangrijkste thema. Deze brieven hebben een uitermate romantisch karakter: verlangen, verlies, naïviteit en onvermogen geven de brieven kleur, versterkt door het feit dat Allard Dagmars adres niet heeft. En ten slotte probeert Allard in de brieven aan gemeenteambtenaar Den Andel steeds wanhopiger de dreigende onteigening van zijn huis te voorkomen. Hij is de onpeilbare, machtige en onberekenbare tegenstander die vanuit het duister opereert.  

    Verbeelding

    De verschillende briefwisselingen zijn met elkaar verbonden door het belangrijkste overkoepelende thema van het boek: de verbeelding die als `een laagje van glanzende schellak’ over de werkelijkheid ligt. Filosofisch als Allard is, ontvouwt hij zowel de positieve als de negatieve kanten van de verbeelding.

    Enerzijds is de verbeelding een manier om controle te houden. Producten van de verbeelding zoals kunstwerken kunnen daarvoor zorgen. ‘Schaken verhoudt zich tot oorlog als een speelfilm of een boek zich tot het ware leven verhoudt’, stelt Allard. De schaker wil de buitenwereld ‘opeten en verwerken tot iets wat, ja iets wat – tot wat? – laat ik zeggen tot iets wat acceptabel is. De buitenwereld mag niet bestaan, mag alleen onderdeel van het zelf uitmaken. Anders wordt het gevaarlijk en onberekenbaar. De scalp van een tegenstander aan het bord in je ransel is een stuk buitenwereld dat je opgegeten hebt’. 

    In een brief aan Trudy verwijst Allard naar de novelle Kurgast van Herman Hesse die hem geleerd heeft hoe verbeelding gebruikt kan worden om ergernis over een persoon – bij Hesse een Nederlandse gast, bij Allard zijn vader- om te buigen in positieve waardering door die allerlei meelijwekkende ervaringen en tragische omstandigheden toe te dichten. Dit werkt echter alleen wanneer zijn vader er niet is.

    De positieve kanten van de verbeelding delven het onderspit tegen de negatieve kanten. ‘Angst en verbeelding hebben een slepend huwelijk’, stelt hij in een brief aan Dagmar, waarbij hij zijn vermoeden uitspreekt dat de angsten in zijn onderbewuste de verbeelding versterken. Hij beschrijft in een andere brief hoe hij als achtjarige zijn reflectie in een etalage zag, wat hem tot de gedachte bracht dat hij niet echt bestond; hij was slechts verbeelding. Een inzicht dat hem letterlijk aan het wankelen bracht, waardoor hij zich bijna voor een auto wierp, om voor zichzelf zijn bestaan te bewijzen.

    Het is de lezer echter duidelijk dat de verbeelding ook de angst voedt. Zo neemt Methorsts angstgegner, de Russische topschaker Tsjacharin, in zijn verbeelding zulke groteske vormen aan dat hij de partij moet staken en – nog erger – dat alle volgende tegenstanders in Tsjacharin veranderen. Ook zijn angst om naar buiten te gaan samen wordt gevoed door de verbeelding: buiten is er nou eenmaal meer gevaar denkbaar dan binnen.

    Hoewel het einde wat geforceerd en ongeloofwaardig aandoet, is het fijn om in 2024 zo’n aardige, intelligente en aandoenlijke man uit 1987 te leren kennen die zijn best doet zich zorgvuldig uit te drukken, en even prettig ouderwets overkomt als de vorm waarin hij schrijft. Dat is wat literatuur vermag: een fictief verleden overtuigend tot leven te brengen en ons te herinneren aan het verleden zoals dat ooit echt was. De Nederlandse literatuur is een fijne, intelligente briefroman rijker. 

     

  • Oogst week 27 – 2023

    Ideeën – Het boek Le Grand

    Welke passage over de liefde zou beroemder zijn: Korintiërs 1 vers 13 of ‘Es ist was es ist, sagt die Liebe’? De laatste zin komt van dichter Heinrich Heine, de geestelijk vader van onder andere Die Lorelei. Als vertegenwoordiger van de Romantiek vermengt hij in zijn oeuvre bittere ernst met zwartgallige humor, mislukking met triomf, liefde voor kunst met maatschappijkritiek. Hij waarschuwt zelfs voor regimes die boeken verbranden, want zulke regimes zullen hetzelfde met mensen doen. Dat hij tijdens het Derde Rijk logischerwijs zélf onder ‘entartete Kunst’ viel, heeft zijn status allerminst bezoedeld. Eén van zijn vroegste prozawerken uit 1827, Ideen – das Buch Le Grand, kent eindelijk een Nederlandse vertaling van Ria van Hengel. In dit boek toont Heine zich de humorist én criticus van wie Duitsland zo veel houdt.

    In Ideeën – het boek Le Grand vertelt Heine over zijn jeugd en eerste liefdes, zijn bewondering voor revolutionair Napoleon én een bijzondere trommelaar. Even beroemd als Oskar uit Die Blechtrommel van Günter Grass is deze monsieur Le Grand weliswaar niet, maar de drummende tamboer-majoor dicteert wel de cadans waarin Heine schrijft. Zo blijft de dichter Heine altijd aanwezig in de bij vlagen polemische, journalistieke teksten. Het verbaast overigens niet dat talloze schrijfsels van Heine postuum tot lied zijn omgetoverd. Uiteindelijk kiest de romanticus voor een leven (en levenseinde) in Parijs. De opmaat naar deze zelfgekozen emigratie klinkt al door in Ideeën – het boek Le Grand. Weggaan doet zeer, maar hoe zit dat met weten dat je ooit weg zult gaan?

    Ideeën - Het boek Le Grand
    Auteur: Heinrich Heine
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. van Oorschot

    Het volle leven

    De ultieme inspiratiebron van Charles Bukowski heet John Fante (1909 – 1983). Dat belooft wat. Deze zoon van een Italiaanse immigrant maakt in de jaren ’30 furore met de boeken Wait until spring, Bandini en Ask the Dust. Aangezien Fante uitwijkt van Colorado naar Los Angeles, wordt één aantrekkelijk scenario bewaarheid: hij mag filmscripts gaan schrijven. Maar waar zijn eerste twee romans zeer geschikt zijn voor het witte doek, zit dat anders met de biografische roman Het volle leven, origineel Full of Life (1952). Het blijkt een romcom, zonder dat er echt iets te lachen valt. Niettemin wordt het boek een gigantisch commercieel succes. Zonder gêne kiest Fante voor de Amerikaanse droom van financiële onafhankelijkheid: “My business in life is to save myself. (…) I shall not dirty my hands trying to save the masses.” Scoren dus.

    Deze lelijke waarheid, waarover Fante altijd eerlijk is geweest, verweeft hij in al zijn boeken. In het voorwoord van Het volle leven noemt Jaap Scholten John Fante de grootmeester van het verlangen. Inderdaad is verlangen de drijvende kracht achter de American Dream, waar Full of Life aan appelleert: nooit is het genoeg, altijd lonkt de belofte naar meer. Tegelijk laat Fantes carrière zien hoe gewoontjes en toevallig het leven van een schrijver in een stroomversnelling raakt. Pas als filmscenarist begint hij de successen te boeken die hem uit de armoede van zijn jeugd sleuren. Het volle leven is zo Amerikaans als wat: ene John krijgt vrouw en kind, maakt ruzie met zijn bemoeizuchtige Italiaanse ouders én worstelt zich omhoog in de arena van Los Angeles. Want net als nu, was het toen flink sappelen voor de broodschrijvers in Hollywood…

    Het volle leven
    Auteur: John Fante
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    De amuletten van de liefde en van de wapenen – een trilogie

    Kort na de Tweede Wereldoorlog verschijnen drie liefdesverhalen van Andreas Embirikos. Hij is Griekenlands beroemdste psychoanalyticus en surrealist. Argo of de Ballonvaart, Zemfyra of het Geheim van Pasiphaë en Beatrice of de Liefde van Buffalo Bill komen pas in 2012 als drieluik samen tot De amuletten van de liefde en van de wapenen. In deze trilogie verkent Embirikos de grens tussen lust en liefde en kiest hij voor een vrijzinnige ondertoon. Dit deed hij overigens al eerder in het erotische O Megas Anatolikos. Anders gezegd: niet voor niets kent het fenomeen ‘porneia’ zijn oorsprong in het oude Griekenland. Argo speelt zich af in Zuid-Amerika, Zemfyra in Parijs en Beatrice in de VS. De liefde komt voorbij in respectievelijk goede vs. slechte lust, relatietherapie en ware liefde.

    Vertaler Hero Hokwerda merkt op dat moderne Griekse literatuur allang niet meer hoofdzakelijk doordrenkt is met de mythologie uit de Klassieke Oudheid. Deze ontwikkeling dankt zij mede aan modernisten als Andreas Embirikos. Toch dringt de associatie met een zwaarwegende, eeuwenoude traditie zich op in De amuletten van de liefde en van de wapenen. Argo is de boot waarop Iason en de Argonauten koers zetten naar Het Gulden Vlies. Pasiphaë bevalt van de beroemde Minotaurus na gemeenschap met een witte stier. En Beatrice is de muze van niemand minder dan Dante Alighieri, de schrijver van De Goddelijke Komedie. Je zou haast denken dat er alleen over erotiek geschreven mag worden, zolang de grote namen een eervolle vermelding krijgen. Rode oortjes vallen niet op onder het schijnsel van een aureool.

     

    De amuletten van de liefde en van de wapenen - een trilogie
    Auteur: Andreas Embirikos
    Uitgeverij: Ta Grammata