• Oogst week 49 – 2025

    Oogst week 49 – 2025

    Alleen in dans kon zij wonen / Het vrijgevochten leven van Darja Collin 1902-1967

    Wie heeft ooit van Darja Collin gehoord? Arend Hulshof, freelance journalist, schrijver en schrijfcoach schreef haar biografie: Alleen in dans kon zij wonen, het is een boeiend verhaal van het leven van de danseres Darja Collin. Zij werd in 1902 in Amsterdam geboren, haar vader was Robert Collin, een Duitse violist die jong stierf. Na een eenzame jeugd op een meisjesinternaat, gaat Darja terug naar haar moeder in Rotterdam. Ze is negen jaar als ze een dansoptreden ziet en meteen haar hart verliest aan de dans. Geheel tegen de tijdgeest in kiest ze voor het podium en is in de jaren twintig van de vorige eeuw een gevierd danseres. Ze volgt opleidingen in Dresden en Parijs en opent een dansschool in Den Haag. Na een hevige verliefdheid trouwt ze met de dichter Jan Slauerhoff, ze krijgen een doodgeboren zoon. Het huwelijk duurt slechts kort, Slauerhoff is altijd op zee en Darja Collin kiest haar eigen weg. Voor de Tweede Wereldoorlog reist ze samen met een leerling en later goede vriendin door Afrika, ze treden op voor geallieerde troepen op Borneo en Nieuw-Guinea.

    Een boeiende biografie van een danseres, die ook wel de Mata Hari van de dans werd genoemd.

    Auteur: Arend Hulshof
    Uitgeverij: Querido

    Mijn Andalusische moeder

    Zoektocht naar een jeugd. Manuele worstelt met het verleden en zijn plaats in de wereld. Hij mist zijn moeder, die na een mysterieuze ziekte stierf. Aracoeli is haar naam, het is de titel van de oorspronkelijke Italiaanse roman die drie jaar voor Morante’s dood in 1982 verscheen. Nog steeds actueel, is Mijn Andalusische moeder nu in een vertaling van Manon Smits verschenen.

    Aracoeli kwam uit een Andalusisch dorp, een mooie Spaanse die door een Italiaanse marineofficier werd meegenomen naar Rome. Jaren later vertrekt hun zoon, de veertiger Manuele naar Andalusië. Hij zoekt naar antwoorden over zichzelf en zijn moeders wortels. Terwijl hij ronddoolt door haar geboorteland, vervagen de grenzen tussen herinneringen, dromen en werkelijkheid. Zijn zoektocht wordt een confronterende reis door tijd en geschiedenis, waarbij de schaduw van Franco’s Spanje en zijn eigen jeugdtrauma’s steeds zwaarder op hem drukken.

    Mijn Andalusische moeder is Elsa Morante’s laatste en volgens sommigen misschien beste roman: een ontroerend verhaal over verlangen, verloren onschuld en de onbreekbare, maar ook destructieve band tussen moeder en zoon.

    Samen met Natalia Ginzburg behoorde Elsa Morante (1912-1985) tot de beste Italiaanse schrijfsters van de vorige eeuw. Ze is het grote voorbeeld voor auteurs als Elena Ferrante en Silvia Avallone. Ze was de echtgenote van Alberto Moravia en schreef kritisch onder andere over de ideologieën van haar landgenoten in de Tweede Wereldoorlog.

    Auteur: Elsa Morante
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Een luisterend oog

    Grote raadselachtige foto’s van de kunstenaar Boris Němec trekken de aandacht in de internationale kunstwereld. De kunstliefhebbers en verzamelaars Iris en Maarten kopen het kunstwerk van een perfect interieur dat de titel draagt Can You See Me? Op de foto is alleen niemand te zien, toch raakt de man totaal geobsedeerd door die foto, met ingrijpende gevolgen. Welke rol kan kunst vervullen in ons leven?

    Een luisterend oog is een filmisch geschreven novelle.  Het leven van het echtpaar wordt ontregeld, maar ook dat van de kunstenaar zelf.  Waarmee Een luisterend oog neigt naar sciencefiction. ‘Bertram Koelewijns literaire oeuvre (twee verhalenbundels, nu vier romans) draait om mind games, om dubbele lagen en de kracht van de verbeelding,’ aldus Thomas de Veen in NRC. ‘Hij betoont zich een pleitbezorger van literatuur die echt om de fictie draait, „pure fictie”, om dat wat verzonnen is en toch reëel voelt, en reëel effect teweegbrengt.’

    Bertram Koeleman (1979) is inkoper bij boekhandel H. de Vries in Haarlem. Hij studeerde Engelse taal- en letterkunde en publiceerde in De Gids. Hij debuteerde met De huisvriend in 2013.  Een roman waarin de beheerder van een landgoed de kluizenaar-eigenaar verstopt houdt voor de buitenwereld, met het wekelijkse bezoekje van een hoogleraar, de huisvriend, ontstaat er een probleem.

     

     

    Auteur: Bertram Koeleman
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Hoe Lampedusa don Fabrizio bedacht… En werd

    Hoe Lampedusa don Fabrizio bedacht… En werd

    Dat Giuseppe Tomasi di Lampedusa (1896 – 1957) de publicatie van zijn beroemde De tijgerkat niet heeft mogen beleven verleent een zekere tragiek aan de man. Toen hij in juli 1957 overleed, had hij net een paar dagen eerder de tweede afwijzing van een uitgever per post ontvangen. Toch zou het boek na zijn dood een daverend succes worden toen collega Giorgio Bassani (die in 1962 vooral bekend werd om zijn De tuin van de familie Finzi-Contini) het manuscript in handen kreeg. Hij wist op dat moment niet wie de auteur was maar toen hij de zin las ‘Alles moet veranderen opdat alles hetzelfde blijft’, wist hij dat het een meesterwerk was. Het is een uitspraak die Tancredi in De tijgerkat doet tegen zijn oom Don Fabrizio, Prins van Salina, die hem (het is dan 1860) verwijt de waardigheid van de adel te grabbel te gooien door met het plebs mee te gaan vechten aan de zijde van Garibaldi.
    Bassani kwam op zoek naar de schrijver terecht bij de weduwe Licy en de geadopteerde zoon Giò; Giò die Lampedusa pas in 1957 officieel had aangenomen als zijn zoon en in zijn testament had bedeeld. Bassani zorgde ervoor dat eind 1958 de eerste druk van De tijgerkat verscheen. Daarna ging het snel.

    In De albatros van Simona Lo Iacono vormen het verhaal van deze merkwaardige publicatiegeschiedenis en de reflectie op de verwevenheid van De tijgerkat met het leven van Lampedusa zelf het hoofdmotief. De albatros verscheen in 2019 in Italië en is nu in het Nederlands vertaald. Lo Iacono (rechter aan het Hof van Catania) gebruikt in haar boek maar een paar keer het woord weemoed, maar bijna elke bladzijde is ervan doortrokken. Net zoals De tijgerkat.

    Antonno

    Voor haar roman baseerde Lo Iacono zich op de biografie van Lampedusa, die zelf van prinselijken bloede was, maar daarnaast op diens De tijgerkat en het eveneens postuum verschenen Herinneringen aan mijn kindertijd. Om die allemaal controleerbare feiten heen bouwt Lo Iacono de reële belevenissen van de kleine Lampedusa in de eerste decennia na 1900 binnen een fictieve vriendschap met een leeftijdgenoot, Antonno. Die Antonno is een wonderlijke jongen die achterstevoren leeft: ‘begin en einde waren in zijn hoofd omgekeerd’. Hij snijdt voortdurend houten beeldjes die hij wolfjes noemt, leest een boek van achter naar voor en trekt zijn kleren verkeerd om aan. Hij zal aan het eind van de roman weer uit het leven van de jonge Lampedusa verdwijnen als deze tot het inzicht komt wat deze dromerige figuur hem te leren had: ‘Ik merkte ineens dat ik andersom begon te denken, net als Antonno’. En: ‘Waarin lag de waarheid? Zat die in wat je zag of juist in de keerzijde ervan?’.
    Dat inzicht breekt door als Lampedusa en Antonno samen kijken naar de opvoering van De dame met de camelia’s door een groep acteurs: ‘Theater was geen masker. Het was de waarheid. Hooguit was de werkelijkheid een verzinsel’. Ineens vallen mysterieuze gebeurtenissen uit zijn kindertijd op hun plek: waarom zijn moeder altijd huilde op 5 januari, wat zijn voorgeschiedenis hem te zeggen had over zichzelf. Antonno verdwijnt na het doorbreken van dat inzicht even geheimzinnig als hij was gekomen. Of, zo zou je kunnen zeggen, Lampedusa heeft hem juist geïntegreerd in zijn denken.

    Hamlet

    De opvoering van De dame met de camelia’s is ook terug te vinden in Herinneringen aan mijn kindertijd. ‘Dit soort gezelschappen, dat op het platteland van dorp naar dorp trok, bestaat niet meer, en dat is jammer’, schrijft Lampedusa daarin: ‘de acteurs waren slecht, dat kon een kind zien, maar ze speelden vol inzet en vuur’. Door zo’n gezelschap maakte de jonge Lampedusa tevens kennis met Hamlet. Ook die voorstelling verweeft La Iacono in haar verhaal als zij Lampedusa de gedachte ingeeft dat het enige antwoord op de dood poëzie is: ‘Er was een remedie voor de tijd, en dat was schrijven’. Lampedusa laat Antonno gaan met Hamlets woorden: ‘Twijfel dat de sterren vuur zijn, twijfel dat de zon beweegt, twijfel of de waarheid liegt, maar nooit dat ik u bemin’. Lampedusa heeft van Antonno geleerd dat hij hoop moet houden. Alles zal een betekenis krijgen, het verleden, de geheimen uit de kindertijd, de tegenvallers.
    Kort nadat Lampedusa sterft begint zijn De tijgerkat aan een zegetocht. Zo wordt ook de opvatting van Antonno dat de dood een begin is bewaarheid.

    Metgezel

    Zijn leven overziend beseft Lampedusa dat hij steeds meer op don Fabrizio uit die roman (hij is de tijgerkat, naar het wapen van diens familie) is gaan lijken: ‘Het is vreemd, maar deze don Fabrizio, die een vluchtig personage zou moeten zijn, een gecultiveerd en weemoedig edelman die zijn blik verliest in de hemel om van de aarde weg te vluchten, is veranderd in een barmhartige metgezel’. Zelfs dat is geen romantisch bedenksel van Lo Iacono, want Lampedusa schreef het kort voor zijn dood in een brief: ‘Don Fabrizio drukt volledig mijn ideeën uit en Tancredi, zijn neef, is het evenbeeld van Giò’. Parallel aan de tijgerkat die Fabrizio is blijkt de fictieve Antonno voor Lampedusa de albatros te zijn geworden uit een gedicht van Baudelaire waarnaar Lo Iacono een paar keer verwijst, een vogel die vliegend achter een schip het lot van een kapitein blijft volgen en hem niet in de steek laat.

    Als Lampedusa met kanker in het ziekenhuis in Rome is opgenomen, voelend hoezeer hij zijn geliefde Palermo mist, krijgt hij in De albatros een schrift van zijn Letse vrouw Licy. Ze wil dat hij zijn jeugdherinneringen opschrijft. Zo komen in de genummerde hoofdstukken van de roman het verhaal van Antonno en Lampedusa’s jeugdherinneringen tot stand, terwijl in de meer reflectieve gecursiveerde teksten daartussen diens ziekbed wordt beschreven. Daarin lezen we hoe hij ertoe komt om toch nog enkele hoofdstukken toe te voegen aan De tijgerkat en dat hij besluit om don Fabrizio te laten sterven in juli. Zoals Lampedusa zijn eigen maand waarin hij zal sterven, al kent. Op 25 juli 1957 treft zijn schoonzus hem ’s morgens dood aan.

    Je kunt Simona Lo Iacono verwijten dat ze af en toe misschien een wat al te pathetische toon aanslaat. Toch is De albatros een mooie liefdesverklaring aan een groots schrijver en een grootse roman. Ze bereikte in elk geval dat deze lezer hele passages in De tijgerkat en Herinneringen aan mijn jeugd met hernieuwde bewondering ging opslaan.

     

     

  • Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm

    Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm

    Arto Paasilinna (1942 – 2018) is een Finse schrijver wiens boeken in vele talen zijn vertaald. Hij schreef zo’n 40 romans waarin vaak iemand centraal staat die niet helemaal in de maatschappij past. Dat soort eenlingen wordt zonder pardon of begrip door de gemeenschap uitgestoten is de maatschappij-kritische boodschap die hij aan zijn lezers meegeeft, maar de precieze en vaak humoristische beschrijvingen van de wonderlijke avonturen van zijn protagonisten zorgen daarbij wel voor een pakkend verhaal. Dat geldt ook voor De huilende molenaar, een onlangs door de Wereldbibliotheek heruitgegeven vertaling van één van zijn romans.

    In het Engels luidt de titel The howling millner en niet The crying millner en dat voorkomt het misverstand dat het hier om een snikkende persoon zou gaan. Helaas heeft het Nederlands  – vermoedelijk omdat we weinig wolven kenden – nooit een woord bedacht voor het geluid dat wolven en honden bij volle maan maken. De huilende molenaar huilt namelijk niet, hij zet een keel op die doet denken aan wolvengehuil. 

    Huilen in de nacht

    De boomlange en zwijgzame Gunnar Huttunen komt op een dag aanzetten in een klein Fins dorpje. Hij maakt de in verval geraakte molen in orde en gaat daar ook wonen. Eindelijk kunnen de boeren van het dorp hun graan weer dichtbij laten malen. Daar zijn ze hem heel dankbaar voor. Huttunen lijkt een geaccepteerd lid van deze kleine gemeenschap te worden, ook al omdat hij af en toe kinderen en volwassenen kan vermaken met het imiteren van dieren. Er is één obstakel: geregeld barst hij ’s avonds in luidkeels wolvengehuil uit. De dorpshonden huilen mee en vele dorpelingen worden zo van hun slaap beroofd. Meermalen belooft Huttunen beterschap, maar als dat niet lukt, begint de stemming zich tegen hem te keren. Het geluk dient zich aan als een mooie tuinbouwconsulente op haar fiets de molen bezoekt en hem aanraadt een moestuintje te beginnen. Hij raakt ter plekke verliefd op haar.

    ‘Nog diezelfde avond ploegde Huttunen zijn moestuin om en bij het invallen van de nacht reed hij er een vracht mest op uit. (…) Vroeg in de ochtend besproeide hij zijn stukje grond nog met water en toen pas ging hij slapen. Gelukzalig ging Huttunen liggen. Hij had nu een moestuintje helemaal voor zichzelf. Dat betekende dat het niet lang zou duren of de lieftallige tuinbouwconsulente zou weer bij hem langs komen.’

    Naar het gekkenhuis

    Helaas is hun snel opbloeiende liefde weinig tijd gegund. Huttunen heeft de neiging niets over zijn kant te laten gaan en als er naar zijn smaak wat te veel geklaagd wordt over zijn wolvengehuil reageert hij met acties die de dorpelingen tegen hem in het geweer brengen. Hij gooit vijf zakken graan van boer Vittavaara in de rivier als die bij hem langs komt om ze te laten malen, en en passant klaagt dat het gehuil hem vele nachten wakker heeft gehouden. En van kruidenier Tervola pakt hij na een woordenwisseling de weegschaal af en laat die in de waterput zakken. Geen wonder dat dorpsagent Portimo, die Huttunen eigenlijk wel sympathiek vindt, de opdracht krijgt hem naar het gekkenhuis te brengen, met de diagnose ‘manisch depressief’ die de dorpsdokter hem opgeplakt heeft. Huttunen probeert er het beste van te maken maar na enige tijd is het verblijf in het gekkenhuis niet meer te harden en ontsnapt hij met behulp van een andere bewoner, de zakenman Happola. Deze heeft zich als gek voorgedaan om tijdens de oorlog aan dienst in het leger te ontkomen. Happola heeft een sleutel waarmee hij elke nacht de poort uit kan wandelen om zijn zaken af te handelen en heeft Huttunen herkent als iemand die niet echt gek is, of alleen maar een klein beetje.

    Huttunen schuilt een tijdlang in zijn molen en wordt daar betrapt door agent Portimo die hem aanraadt: ‘”Kunnari, zou je er niet gewoon verstandig aan doen om deze molen te verkopen en naar Amerika te gaan? Naar wat ik ervan gehoord heb, is gek zijn daar geen schande, daar lopen ze vrij rond.”’ Maar Huttunen spreekt geen Engels en besluit zich te verschuilen in de bossen bij het dorp. Daar vindt de romance met de tuinbouwconsulente voortgang: ze omarmen elkaar en hij streelt haar knie.

    Hij gaat ervandoor

    Verder mag hij niet gaan, want al vindt de tuinbouwconsulente hem lief, een kind krijgen van iemand die gek is, of in elk geval een béétje gek, dat durft ze niet aan. Al kan hij goed van het land leven, toch heeft Huttunen af en toe wel geld nodig. Als blijkt dat hij zijn spaargeld niet kan opnemen en zijn molen niet kan verkopen omdat hij ontoerekeningsvatbaar is verklaard slaat hij op tilt en besluit de dorpskerk in de fik te steken. Zodra er actie ondernomen moet worden is hij op zijn best en met toestemming van Jezus die het zelf altijd een lelijke kerk heeft gevonden, steekt hij het gebouw in brand. 

    Als de dorpelingen met emmers water komen aangerend moet hij snel weg: ‘Nu moest hij ervandoor; zo’n grote groep mensen kon hij niet aan, zelfs niet als hij met een wapen zwaaide. Huttunen ademde diep in en spurtte naar het voorportaal, sprong over de sissende brandhaard en daarvandaan in één ruk door naar de buitenlucht met het geweer op zijn rug en de handen voor zijn tranende ogen. De verbijsterde mensenmenigte maakte de weg vrij voor de molenaar. Al snel kon Huttunen weer zo goed zien dat hij het kerkhof over kon rennen. Hij denderde over de grafstenen, sprong over het hek achter de begraafplaats en verdween het bos in.’
    Hoe het verhaal afloopt zal hier niet verklapt worden. Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm, waar mensen en dieren zich met hoge snelheid in zevenmijlslaarzen kunnen voortbewegen en harde klappen kunnen oplopen waar zij binnen een seconde weer van herstellen. Dankzij deze voortvarende schrijfstijl is De huilende molenaar een boeiend sprookje geworden waarin de personages tekenfilmtypen zijn waar je met een glimlach naar kijkt.

     

     

  • Ambitieus, maar als Grote Nederlandse Roman niet overtuigend

    Ambitieus, maar als Grote Nederlandse Roman niet overtuigend

    Met maatschappelijke discussies over VOC-mentaliteit, immigratie, moslimterrorisme, zwarte piet, seksuele intimidatie en de academische preoccupatie met gender en postkolonialisme is het identiteitsdenken helemaal terug. In romans wordt opnieuw gezocht naar ouderwetse concepten als volksaard en tijdgeest. Zo zou Ons soort mensen van Julia Zeh de Duitse volksaard typeren, De jaren van Annie Ernaux de Franse tijdgeest vangen en volgens de flaptekst zou De lange adem van Martijn Knol een Grote Nederlandse Roman zijn. 

    De term Grote Nederlandse Roman is afgeleid van The Great American Novel. De negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver John William DeForest muntte het begrip in een essay waarin hij zich afvroeg welke schrijver als eerste een roman zou schrijven die de Amerikaanse ziel wist te vangen. De Duitse filosofen Herder en Fichte hadden bedacht dat een volk net als een individu bepaalde onderscheidende eigenschappen bezat: de volksaard die zich volgens de tijdgeest op een bepaalde manier ontwikkelde. En zoals een mens zichzelf moet leren kennen om het geluk te kunnen vinden, zo moest een volk dat ook. 

    De Grote Nederlandse Roman

    Met de Max Havelaar schreef Multatuli dé Grote Nederlandse roman waarmee hij het Nederlandse volk confronteerde met diens gedragingen in Nederlands Indië en met zijn volksaard. De bekende Droogstoppel kreeg de ongebruikelijke voornaam Batavus mee: de Bataaf maar dan deftig gelatiniseerd. Hij stond voor de zelfingenomen kooplieden en machthebbers die zich op waarheidsliefde en godvrezendheid lieten voorstaan, maar in werkelijkheid egoïstische graaiers waren. Beter was het om als zijn arme, idealistische maar fatsoenlijke tegenpool Max Havelaar in het leven te staan. 

    Het etiket The Great American Novel wordt inmiddels op zulke uiteenlopende Amerikaanse romans geplakt dat men zich kan afvragen wat het precies betekent. De populariteit, mate van canonisering en ambitie van een roman lijken in ieder geval minstens zo belangrijk als de vraag of de roman de volksaard en tijdgeest weet te vangen. 

    De lange adem van Martijn Knol heeft twee hoofdpersonen: Robbert, oud-commando maar inmiddels beveiliger voor een groot warenhuis en Roman, een reclameman. Robbert is een jaar of dertig, serieus en wil verantwoordelijkheid voor anderen dragen: er zijn voor zijn vrienden, zijn vriendin en ‘het systeem’ beschermen -desnoods met geweld, wat hem voor sommige vrouwen spannend-gevaarlijk maakt. Na een leven als commando wil hij nu huisje, boompje, beestje. 

    Verantwoordelijkheid versus hedonisme

    Reclameman Roman is wat ouder dan Robbert. Hij is geestig, charismatisch en een levensgenieter. Hij leeft alleen voor zichzelf en houdt zich niet aan conventies of andere regeltjes. Na het faillissement van zijn succesvolle reclamebureau dreigt – o gruwel – de verveling toe te slaan en besluit hij een nieuwe poging te wagen. Wanneer het succes hem begint te vervelen, richt hij een politieke partij op om Nederlanders te doordringen van hun morele plicht te genieten van de consumptiemaatschappij zonder zich te laten afleiden door zeurende politici. Verantwoordelijkheidsbesef versus hedonisme wat eindigt in een klinkende overwinning voor lang leve zichzelf en zijn plezier.

    Hoewel de hoofdpersonen wat dat betreft enigszins clichématig en schematisch zijn, overtuigen ze toch in al hun oppervlakkigheid. Ook andere personages zoals Laura, de bitcherige carrièrevrouw die zich aan niemand wat gelegen laat liggen is ééndimensionaal, maar wordt wel goed neergezet. Dat komt vooral doordat Knol een goede monologue intérieur schrijft. De dialogen echter schieten regelmatig uit de bocht waarbij vooral de auteur zichtbaar wordt in plaats van het personage. Dit zorgt voor ongeloofwaardige passages en flauwiteiten. Zo reageert Laura op Robberts kinderwens met zinnen als: ‘Maar helaas, geen soelaas: zoals je weet vind ik de procreatie een stuk minder pregnant dan jij’.

    Daarnaast komt er een heel scala aan personages (familie, partners, vrienden en vriendinnen, collega’s, werknemers, kiezers) voorbij die niet tot nauwelijks gestalte krijgen. Evenmin wordt hun relatie met de hoofdpersonen geëxpliciteerd. Zo is er een paragraaf waarin een zekere Clothilde een dodelijke hoeveelheid slaappillen slikt en dan aan boord stapt van een vliegtuig. Tientallen pagina’s later pakt Roman een bord uit de kast van tante Clothilde zodat de oplettende lezer alsnog die paragraaf -enigszins – kan plaatsen. 

    Fictieve lezers

    De opbouw van de roman is zeer fragmentarisch. In 99 hoofdstukken worden in genummerde paragrafen van soms één regel en soms meerdere pagina’s flitsen getoond uit het verleden en de toekomst van de hoofdpersonen zonder dat de tijd ooit gespecificeerd wordt en enkel de seizoenen eruit af te leiden zijn. Die flitsen hebben iets met de hoofdpersoon te maken. Het kunnen dus andere mensen zijn, maar ook moppen, juridische casussen of reclamespotjes  en – de wat gedateerde kunstgreep van – postmodernistisch commentaar van fictieve lezers die over de roman in discussie gaan. 

    Deze opbouw stelt de lezer behoorlijk op de proef. De eerste tientallen pagina’s staat de lezer voortdurend voor raadsels: wie is er nu aan het woord, wat wordt er nu verteld, wanneer is dit? Naarmate de roman vordert, wordt steeds duidelijker waar, wanneer en bij wie de puzzelstukjes horen. Zo krijgen de twee hoofdpersonen langzaam steeds meer gestalte, overigens zonder dat je voor grote verrassingen komt te staan. 

    Dat is de grootste makke van De lange adem: terwijl de aanvankelijke bevreemding van de lezer geleidelijk afneemt, bevredigt het eindresultaat niet helemaal. Alsof je een puzzel van tweeduizend stukjes maakt en er langzaam een vrij saai plaatje tevoorschijn komt van twee mannen. Twee mannen zonder vermogen tot zelfreflectie die telkens weer tegen dezelfde muur aanlopen. Twee mannen die eigenlijk het tegenovergestelde belichamen van de introspectie en ontwikkeling waar  eerder genoemde Herder en Fichte in geloofden.

    Ambitie is niet voldoende

    De caleidoscopische opbouw getuigt van ambitie en is geschikt om vele aspecten van Nederland te tonen. Er komen uiteenlopende mensen aan het woord die overtuigen als zeer Nederlands, zij banjeren in Nederlandse steden en landschappen rond en ondernemen tal van lullige Nederlandse activiteiten zoals lasergamen, barbecueën en volkstuinieren. In dat opzicht voldoet de roman aan het criterium van Herder die stelde dat de waarde van een cultuuruiting bepaald wordt door de mate waarin het volk zichzelf erin herkent. 

    Toch overtuigt de roman niet echt, ook niet als Grote Nederlandse Roman. Knol is een goede character builder, maar hij lijdt aan hetzelfde euvel als zijn personages: veel interessants heeft hij niet te vertellen. Het maatschappelijk engagement van Max Havelaar ontbreekt, net als interessante of originele ideeën over de Nederlandse volksaard of tijdgeest. Het is dan ook te betwijfelen of deze roman een plek in de canon zal verwerven.

     

     

  • Nederland en de vrijheidsstrijd in Nieuw-Guinea

    Nederland en de vrijheidsstrijd in Nieuw-Guinea

    Norman is het romandebuut Merel Hubatka. Zij is een veelzijdig kunstenares: ze schrijft verhalen, ze zingt, ze is stadsdichter van Zutphen en heeft dan nu haar eerste boek geschreven.
    De hoofdpersoon in het boek is Norman Taborsky; hij solliciteert na zijn middelbare school naar de positie van bestuursambtenaar op Nieuw-Guinea. Na een ietwat merkwaardig verlopen sollicitatiegesprek, – hij voldoet aan weinig eisen – wordt hij toch aangenomen. Hij vertrekt in de zomer van 1959 en wordt direct ver in het oerwoud te werk gesteld, in Akimoega. Daar moet hij de vrede zien te bewaren tussen verschillende stammen en tegelijk de plaatselijke bevolking voorbereiden op zelfstandigheid. Van een gedegen opleiding is nauwelijks sprake. Hij geeft zich helemaal, raakt diep verbonden met de Papoea’s en verliest bijna elk contact met de buitenwereld. Hij heeft dan ook te laat door dat Nederland bezig is de strijd met Indonesië over de zeggenschap over het eiland te verliezen. Wanneer in 1963 Indonesië de macht overneemt ervaart hij zijn terugkeer naar Nederland als een onverwachte bittere pil.

    Monument voor overleden vader

    De belevenissen van Norman worden in het boek afgewisseld met persoonlijke ontboezemingen van vooral minister Luns, prins Bernard, John F. Kennedy en president Sukarno over de onderhandelingen over Nieuw-Guinea. Die passages vormen een schrijnend contrast met het dagelijkse leven van Norman, soms hilarisch om te lezen.
    Uit die passages blijkt hoe de politici in Nederland hun doel om Westelijk Nieuw-Guinea onafhankelijk te maken niet hebben weten te realiseren. Vooral de vijandige houding van Nederland tegenover het Indonesië van Sukarno en het streven om Nieuw-Guinea niet aan Sukarno over te dragen resulteerde uiteindelijk in het tegendeel. Toen Nederland de steun van de VS verloor, was het pleit beslecht.  Daarmee heeft het zijn belofte om Nieuw-Guinea zelfstandigheid te verlenen tegenover de Papoea’s verbroken.

    Hubatka wil met dit boek een monument oprichten voor haar overleden vader, die tussen 1959 en 1963 op Nederlands-Nieuw-Guinea verbleef als bestuursambtenaar. Na zijn gedwongen terugkeer naar Nederland heeft hij zich zijn hele leven sterk gemaakt voor de Papoea-gemeenschap en is hij het streven naar onafhankelijkheid altijd blijven steunen. Het personage van Norman is gemodelleerd naar de vader van de auteur. Na zijn dood vond zij meer dan honderd brieven die hij aan zijn familie en aan een vriend in Nederland had geschreven.

    Politieke oproep

    In haar nawoord vraagt Hubatka aandacht van de Nederlandse politici voor het lot van de Papoea’s in Nieuw-Guinea, en om steun voor hun strijd voor onafhankelijkheid, die zij nu al meer dan een halve eeuw vreedzaam voeren. Zij hoopt dat Nederland zich alsnog wil inzetten voor die onafhankelijkheidsstrijd.
    Tot op heden zijn er geen tekenen die daarop wijzen.
    De opstelling van Nederland tegenover de Papoea’s lijkt meer te vergelijken met die tegenover de onafhankelijkheidsstrijd van de Molukken; zij hebben daarvoor weinig tot geen steun gekregen van Nederland en dat lijkt ook te gelden voor die van de Papoea’s.

    Hubatka heeft een mooi monument voor haar vader opgericht. Prettig leesbaar, goed geschreven in korte zinnen.
    De betrokkenheid van Nederland bij de Papoea’s is echter verleden tijd. Of de publicatie van Norman voldoende zal zijn om Nieuw-Guinea weer onder de aandacht van Nederlandse politici te brengen, is maar zeer de vraag.

     

  • Een origineel en gedurfd debuut

    Een origineel en gedurfd debuut

    Het is niet vreemd dat er in de literatuur veel odes aan de fantasie te vinden zijn. Om te kunnen schrijven, heb je immers verbeeldingskracht nodig. De debuutroman Hier is alles nog mogelijk, van de Zwitserse auteur Gianna Molinari (1988), is wel meer dan het zoveelste boek over dromen. In het Duitse taalgebied won ze verschillende prijzen met haar debuut en veroverde een plek op de longlist van de prestigieuze Deutscher Buchpreis.  Haar roman draait om een naamloze ik-figuur die als nachtwaakster in een failliete fabriek werkt. Iedere dag verschijnen er minder medewerkers en het is een kwestie van tijd voordat de deuren definitief sluiten. Wanneer iemand een wolf heeft gezien op het fabrieksterrein, gaat de ik-figuur op zoek naar het dier.

    Natuur en fabriek

    Hoewel het grootste deel van het verhaal zich afspeelt binnen de fabriek, is er ook een rol weggelegd voor de natuur. Het boek opent met: ‘De wolf kwam uit de bergen en samen met hem kwamen andere wolven naar het laagland.’ Hierna volgt een korte proloog waarin de hoofdpersoon wolven omschrijft en zichzelf met hen vergelijkt.
    Deel één van de roman begint als volgt: ‘Er bestaat een eiland waar een beestje leeft dat nog nooit iemand had gezien.’ Wetenschappers slagen erin om dat beestje te vangen en willen die ontdekking allemaal naar zichzelf vernoemen, maar de volgende ochtend is het beestje ontsnapt. Pas dan wordt de fabriek geïntroduceerd en blijkt dat de natuur, in de vorm van de wolf, het terrein is binnengedrongen.

    Meerdere mogelijkheden

    Molinari vertelt het verhaal met korte, eenvoudige zinnen: ‘De zaklamp maakt de nacht niet lichter. Integendeel. Het felle licht duwt de nacht alleen opzij. Buiten de lichtbundel is het des te donkerder.’ Toch zijn er binnen deze korte zinnen mooie observaties aanwezig, zoals het licht van de zaklamp dat het donker van de nacht aan de kant duwt.
    Tijdens haar zoektocht naar de wolf ontdekt de nachtwaakster dat er niet ver van het fabrieksterrein ooit iemand uit een vliegtuig is gevallen. Een vluchteling, blijkt wanneer ze een map met nieuwsberichten van een collega krijgt. De man had zich verscholen in het landingsstelsel, was in de lucht bevroren en viel tijdens het landen en uitklappen van de wielen, achthonderd meter naar beneden. Ook is er in de stad een bankoverval gepleegd De vrouw op de compositietekening vertoont opvallend veel gelijkenissen met de hoofdpersoon, maar is zij het ook?

    Op deze vraag worden meerdere antwoorden gegeven. De lezer krijgt niet één oorzaak en gevolg voorgeschoteld, maar vele oorzaken en gevolgen. Zoals de titel van de roman al weggeeft, gaat dit verhaal over mogelijkheden. De hoofdpersoon stelt zich bijvoorbeeld voor dat zij de bankoverval zou plegen: ‘Ik zou in elk geval handschoenen van stof of leer hebben gedragen. Ik zou voor een wapen hebben gezorgd, een echt wapen of een goede imitatie, een jas en een kous over mijn hoofd. Misschien had ik ook wel mijn stem vervormd, lager gesproken, in een andere taal, of helemaal niets gezegd, dat was waarschijnlijk het beste geweest.’

    Grenzen overschrijden

    De roman is fragmentarisch opgebouwd en bestaat uit genummerde delen: het heden, flashbacks, definities, feiten, tekeningen, foto’s en krantenartikelen. In combinatie met de staccato zinnen zorgt dit ervoor dat het verhaal niet een geheel vormt. Waarschijnlijk is dit ook de bedoeling van Molinari, die juist door het wisselen van vormen en de vele witregels ruimtes creëert waarin de lezer over het verhaal kan nadenken, waarin er zelf mogelijkheden verzonnen kunnen worden.

    Het overkoepelende thema van Hier is alles nog mogelijk is ‘grenzen’. In het hek rondom de fabriek zitten gaten en de hoofdpersoon vraagt zich af of de wolf daardoor binnen kon komen. De wolf is een indringer op het terrein en de chef wil dat hij wordt gedood. Dit vertoont overeenkomsten met man die uit het vliegtuig viel. Deze man was een vluchteling die binnen de grenzen van Europa hoopte te komen, op zoek naar een beter leven. In de onderstaande dialoog spreken de chef en de ik-figuur over de wolf:
    ‘Een wolf komt zoals we weten altijd in een roedel, zegt hij. We moeten ons dus realiseren dat we met meer dan één exemplaar te maken hebben.
    Ze blijven ook wel alleen, zeg ik.
    Tot tien dieren, het idee alleen al. De chef rent bijna voor me uit.
    Hij zal daar wel zijn redenen voor hebben, wil ik tegen de chef zeggen, de wolf komt heus niet vrijwillig op ons terrein, het komt door de honger, wil ik zeggen.’

    Deze dialoog lijkt een rechtstreekse verwijzing naar het vluchtelingendebat, de vraag wie er binnen wordt gelaten en wie er mag blijven. Ook is er een grens tussen werkelijkheid en verbeelding: wat gebeurt er echt in deze roman en wat heeft de hoofdpersoon verzonnen? Wat is de waarheid en is het erg dat we dat soms niet weten?

    Inhoud en vorm in balans

    Het is een opmerkelijk debuut dat opvallend fijn leest. De schrijfstijl wordt nergens té afstandelijk, de thematiek nergens té expliciet. Hoewel de lezer weinig over de hoofdpersoon te weten komt, is dat precies genoeg om met haar te kunnen meeleven. De vertaling van Gerrit Bussink maakt dat het boek oorspronkelijk Nederlands lijkt. De vorm en inhoud van de roman zijn gedurfd en maken nieuwsgierig naar een volgend boek van Molinari, die duidelijk niet bang is om te experimenteren.

     

  • Een prijs voor Arjaan van Nimwegen

    Een prijs voor Arjaan van Nimwegen

    ‘Als het leven geen zin heeft, dan máákt het maar zin, godverdomme!’ (Gumbah)

    Het nieuwste boek van Arjaan van Nimwegen speelt zich af in het Jekerdal iets ten zuiden van Maastricht waar de Waalse kunstenaar, filosoof, paleontoloog en vredesactivist Robert Garcet in de jaren ‘80 en ’90 van de vorige eeuw gedurende vijftien jaar gebouwd heeft aan een vuurstenen toren. Diens bizarre denkbeelden over de Apocalyps in de Openbaring van Johannes zijn knap verwerkt in het boek in de figuur van Charles en ingepast in het concept van de roman. Dit boek prikkelt daarnaast ook de nieuwsgierigheid naar dit dal.

    Een prachtboek
    Dat Arjaan van Nimwegen prachtige boeken kan schrijven, bewijst hij al jaren. Zijn bloemrijke, barokke taalgebruik past goed bij de spannende en avontuurlijke boeken die hij schrijft. Zijn boeken zijn eigenlijk meer ideeënromans dan historische romans. Het draait minder om de ontwikkeling van zijn karakters dan om het ontwikkelen van zijn filosofische ideeën. Ze zijn doortrokken van het verleden waarin een stille hunkering weerklinkt naar een betere wereld, echter vanuit de wetenschap dat die er helaas niet inzit. Dat geeft zijn werk een droefgeestige inslag en is dan ook onvervalst romantisch te noemen, reviaans eigenlijk. Er ligt altijd een filosofische benadering aan ten grondslag gebaseerd op het in wezen romantische vooruitgangsoptimisme van de Verlichting gefnuikt door de bittere realiteit van de in eenzaamheid op zichzelf teruggeworpen postmoderne mens. Het zijn eigenlijk prachtige sprookjes voor volwassenen. Zo ook zijn nieuwste roman Onder het dal. De titel verwijst naar het verlichtingsideaal van de best mogelijke aller werelden geconcretiseerd in het dal, waaronder, diep verborgen in de aarde, oeroude, irrationele krachten voortdurend van zich doen spreken en uiteindelijk de mooi ontworpen constructie vernietigen.

    Een raamvertelling
    Het boek is opgezet als een raamvertelling waarin de hoofdpersoon, Simon, terugblikt op zijn actieve leven van 1831 tot 20 maart 1871. Hij beschrijft daarin zijn studentenjaren in Utrecht waarin hij in de ban raakt van de door zijn vriend Willem zo mooi verwoorde idealen betreffende een betere wereld, zijn verblijf na het afstuderen in het vertrouwde ouderlijk huis in Groningen en tenslotte zijn avonturen tussen 1835 en 20 maart 1871 in het Eberdal, waarin hij zich door Willem heeft laten meeslepen. Hij doet dit afwisselend in de vorm van chronologisch opgebouwde memoires en in de vorm van een beschouwing daarover in maart 1871. Aan het eind komen deze verhaallijnen bij elkaar. Tenslotte sluit hij het boek af met wat dagboekaantekeningen over de periode na de catastrofe in het Ebeldal opgetekend na zijn terugkeer in het ouderlijk huis in Groningen van 1875 tot de dood van zijn moeder op 15 oktober 1877.

    Het avontuur in het dal
    Nadat ze als vrijwilliger deel hebben genomen aan de veldtocht van koning Willem I tegen de opstandige Belgen in augustus 1831 resteert bij Simon en diens boezemvriend Willem een katterig gevoel. Gevochten hadden zij eigenlijk niet, alleen wat armoedige boerenhoeven geplunderd.

    Deze Willem is theoloog en wordt neergezet als visionair, een soort oudtestamentische Mozes met navenante dadendrang en gemodelleerd naar het voorbeeld van onze verlichte vorst in die dagen, koning Willem I. Gegrepen door het positivistische gedachtengoed van een utopisch denker als Saint-Simon en Johannes van den Bosch, de stichter van de heropvoedingskoloniën in Drente, over de maakbare wereld en de kneedbare mens komt Willem op zekere dag de aarzelende en besluiteloze Simon in zijn ouderlijk huis ophalen om met hem mee te gaan en vorm te geven aan zijn droom van een betere wereld in zakformaat.
    Hij heeft daarvoor het Jekerdal uitgekozen, idyllisch gelegen in het Waalse mergelland en van ouds bekend om zijn vuursteen(silex)groeven. Het dal is vrijwel verstoken van contacten met de buitenwereld met hier en daar een vervallen hoeve waar arme, argwanende boeren hun zware, simpele arbeid verrichten. In de mergelgroeven aan de randen van het dal huizen ontheemde deserteurs uit het verslagen Belgische Maasleger, lotelingen uit de oorlog van 1830, die zich bezig houden met stroperij en vol wraakgevoelens zitten jegens die arrogante Hollanders, laf en in niets lijkend op de rovers van weleer, de Bokkenrijders, voor wie de boeren huiverden en over wie de verhalen nog steeds de ronde doen. Willem en Simon doen hun best aanhangers te werven voor hun ideale, zelfvoorzienende samenleving zonder geld, gebaseerd op Vrijheid, Gelijkheid en vooral Broederschap. Behoudens een paar eenvoudigen van geest zoals de boerenzoon Matthieu en de voormalige huisknecht van de ouders van Simon, Ubbo, sluit niemand zich bij hen aan. Mogelijke aanhangers, die het dal met een bezoek vereren, zoals boerenknechten uit de omgeving op zoek naar vrijheid, opstandige arbeiders bezield door de revolutionaire gelijkheidsidealen van 1848 en onconventionele naaktlopers uit de semi-intellectuele beaumonde in de ban van romantische ideeën van ‘Wandervögel und Körperkultur’, blijken uiteindelijk alleen maar uit te zijn op eigen voordeel. Als blijkt dat Willem zijn hartstochten niet kan bedwingen en verstrikt raakt in de netten van een vrouw, die hem uiteindelijk een zoon schenkt, Charles, wordt de mislukking van het project steeds duidelijker.

    Willem verwordt steeds meer tot een liederlijke dronkaard, slachtoffer van zijn lusten, en een gewetenloze verrader van zijn boezemvriend Simon bovendien. Charles ontwikkelt zich tot een nieuwe leidersfiguur, wereldvreemd, die zich verliest in verhalen over het oervolk dat miljoenen jaren geleden vuurstenen bewerkte tot symbolische figuren en zich een toren bouwt van vuursteen uit de mergelgroeven met boven op de hoekpunten de vier monsters uit de Openbaring van Johannes; de sfinx, de stier, de arend en de leeuw als wachters op het einde der tijden. Hij draagt Simon op de geschiedenis van zijn rijk op te schrijven. In zijn waandenkbeelden wordt Charles gevoed door de vondst van botten van een reusachtig oermonster, een soort Mosasaurus, dat hij reconstrueert tot het Beest uit de Apocalyps en inbouwt in zijn toren. Als er dan tenslotte een klein meisje op het toneel verschijnt, dat zich, als priesteres en minnares van Charles, ontpopt tot een beeldschone femme fatale, die iedereen in haar ban weet te krijgen, gaat het laatste restje gemeenschapszin definitief ten onder. Als door een aardbeving – een veel voorkomend verschijnsel in het mergelland – de toren, de zetel van de mythologische keizer Charles, instort, verzorgt Matthieu een passende uitvaart voor zijn koning Willem die met de jeneverfles in zijn hand verdwijnt in het moeras der vergetelheid.

    Als Willem de leider is geweest van de op de ideeën van de Verlichting gestoelde wereld in het dal, is Charles die van de irrationele, romantische wereld van de mythologie van het oude oervolk onder het dal. In Willem heeft Simon ooit geloofd, in Charles niet.

    Zingeving
    Simon verlaat het dal en gaat naar het huis van zijn moeder, die al op hem zit te wachten zoals een moeder betaamt. Hij is weer terug waar hij begon, in zijn ouderlijk huis op het Groningse platteland.

    ‘Mijn moeder wachtte mij op in de muziekkamer. Zonder een woord pakte ze mijn handen vast en streelde ze. Ze keek me lang aan, glimlachte en haar gezicht straalde. Ze had me herkend.’  

    De hoofdpersoon Simon was in zijn jeugdig enthousiasme een gelovige en liet zich meeslepen in de maatschappelijke vergezichten van zijn vriend en leermeester Willem en was in zoverre niet vrij, maar wordt uiteindelijk een ongelovige en vrij.  Maar vrij van wat? Vrij van zingeving.

     

  • Levensecht doch filosofisch icoon

    Levensecht doch filosofisch icoon

    De ‘baas’ is op weg naar Kreta, hij heeft er een concessie voor de winning van bruinkool. Er gaat ook een manuscript mee, daar kan hij op het paradijselijke eiland wellicht tussen de bedrijven door aan werken – een verhandeling over de Boeddha. In de haven van Piraeus, wachtend op de veerboot, heeft hij een bijzondere ontmoeting, een oude man van rond de vijfenzestig, boomlang, knokig… wat nog de meest indruk op me maakte, waren zijn spottende, droevige, onrustige ogen, een en al vuur. De man heet Alexis Zorbás en hij dringt zich op als reisgenoot, hij is bereid alles aan te pakken en heeft, naar eigen zeggen, vooral veel ervaring als mijnwerker: ik weet alles van erts, kan aders vinden, mijngangen openen, in gaten afdalen; ik ben niet bang. Een reddende engel, dus, de baas neemt hem prompt in dienst. De ontmoeting vindt plaats in het eerste hoofdstuk van Nikos Kazantzakis’ beroemde Leven en wandel van Zorbás de Griek, uit 1959. Er is zojuist een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen van Hero Hokwerda bij Wereldbibliotheek.

    De ‘baas’ is de verteller van het verhaal, je komt veel van hem te weten, maar niet zijn naam en bitter weinig over zijn achtergrond. Alom wordt aangenomen dat hij veel overeenkomsten heeft met Kazantzakis zélf. Dat klopt in ieder geval voor de preoccupatie met de Boeddha en het Boeddhisme – de schrijver studeerde in Parijs bij Henri Bergson en hield daar een levenslange fascinatie met Nietzsche – en dus het Boeddhisme – aan over. Zorbás de Griek staat vol met mijmeringen over de Boeddha, over begrippen als vrijheid, onthechting, gebondenheid, verantwoordelijkheid. Je moet je van hartstochten bevrijden! Dat is blijkbaar het streven. De baas weet het, maar zoekt wanhopig naar wegen om die moeilijke les in praktijk te brengen. Op het strand van Kreta heeft hij soms de illusie dat het einddoel dichterbij komt. De heilige eenzaamheid strekte zich vilein en verleidelijk als de woestijn voor me uit. Het sirenenlied van Boeddha steeg op van de grond en omwikkelde mijn innerlijk. De vraag is steeds wanneer hij zich uit de wereld kan terugtrekken, vrij, zonder angst, een en al plezier, zonder begeerten. Wanneer? Wanneer? Wanneer? Af en toe zit hij hele dagen aan het manuscript te werken, dan weer legt hij het teleurgesteld terzijde. Tenslotte is het klaar, maar de baas (en de schrijver) doet er dan niets meer mee. Hij maakt er een pakketje van en zet zijn naam erop. Symbolisch?

    De baas heeft ruim tijd om zich te bekommeren over zijn filosofische kwesties, want Zorbás doet al het echte werk. Hij huurt mijnwerkers in, is opzichter en ingenieur tegelijk, kookt, zingt, danst en zorgt voor gezelschap. Beide heren verblijven in een primitief optrekje aan het strand, waar ze slapen, drinken, eten en keuvelen. Ze zijn de beste maatjes ondanks hun uiteenlopende posities: de kapitalist tegenover de proletariër. Bovendien is de baas geschoold, in feite een kamergeleerde. Dat wordt hem ook onophoudelijk ingepeperd: Zorbás ziet niets in boekenwijsheid, het échte leven is de beste, de enige onderwijzer. De baas is verpest door die ‘vervloekte boeken’. Het anti-intellectualisme zal vast typerend zijn voor zo’n Griekse oerkracht, maar Kazantzakis neemt er opmerkelijk weinig afstand van. Zorbás stuurt zichzelf, zijn (feilloze) morele kompas zit in z’n hoofd. Zijn levenslust en nuchterheid wekken bewondering en misschien zelfs jaloezie. Zeker bij de baas: Deze man, dacht ik, is niet naar school geweest en zijn geest is niet bedorven geraakt. Hij heeft veel gezien, veel uitgehaald, veel doorgemaakt; zijn geest heeft zich geopend en zijn hart heeft zich verwijd, zonder dat hij zijn primitieve manhaftigheid verloor. Alle ingewikkelde problemen die voor ons onoplosbaar zijn, hakt hij in één klap door. Zorbás, kortom, is de Nobele Wilde, net als de Vrijdag van Robinson Crusoe, de Sancho Panza van Don Quichot of de Huckleberry Finn van Tom Sawyer. Ruwe bolster, blanke pit.

    Maar Kazantzakis gaat de schelmenroman voorbij, Zorbás is ongetwijfeld met enige levensechtheid geportretteerd, maar is vóór alles een filosofisch icoon, een Nietzscheaanse Übermensch. Alle elementen uit Also sprach Zarathustra komen in het personage van Zorbás samen. Ook hij heeft eerst moeten lijden om te komen tot zijn huidige staat van ‘verlichting’. In zijn jeugd heeft hij tegen de Turken en Bulgaren gevochten in Macedonië en een lugubere reeks gewelddadigheden gepleegd – naar hedendaagse maatstaven zou Zorbás zonder meer als oorlogsmisdadiger veroordeeld kunnen worden. Maar nu heeft hij zich opgewerkt tot een niveau van kinderlijke onschuld en creativiteit. Als de stemming goed is, pakt hij zijn sandouri en danst hij een zeïbékikos of een chasápikos. Maar uiteindelijk is hij z’n eigen baas en laat hij zich door niets of niemand dwingen. Het is geen toeval dat Zorbás zich God voorstelt zoals hij zelf is, alleen langer, sterker, geschifter en onsterfelijk.

    Zorbás de Griek is teveel traktaat, te weinig roman, de charmes zijn er in de loop van de tijd teveel afgesleten – of misschien is iedereen op het verkeerde been gezet door de verfilming van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn in de rol van Zorbás, dat was één en al onbezorgde vrolijkheid. Beter dan het boek. Wat vooral opvalt is de grenzeloze vrouwenhaat die uit het boek walmt – ligt dat ook besloten in het Nietzscheaanse wereldbeeld of is dat authentiek Kazantzakis? Een probleem waarmee de baas en Zorbás voortdurend worstelen is of vrouwen eigenlijk wel mensen zijn. Zorbás maakt er niet al teveel problemen van: een vrouw is een bron, je drinkt ervan tot je botten ervan kraken en daarna komt er iemand anders die dorst heeft, en later weer iemand anders, zo zijn bronnen en zo is de vrouw. Vrouwen moeten gepakt worden en je pleegt een doodzonde als je dat nalaat. Verder zijn vrouwen zwakke en klaaglijke schepsels, beslist geen echte mensen. De kwalificaties die de voormalige hoerenmadam Hortense krijgt aangemeten liegen er dan ook niet om: zeug, lellebel, platgenaaide scheepsvaandel, vette, rotte sirene, heupwiegende zeekoe. Als de ‘weduwe’, het liefje van de baas, door de dorpelingen gestenigd wordt en onthoofd, kijkt hij zelf passief toe. Een dag later besluit hij dat het zo had moeten zijn, geen spoor van wroeging of ongemak.

    Kazantzakis is geen literaire hoogvlieger, maar dat kan ook aan de vertaling liggen. Vertaler Hokwerda wisselt nogal eens van register en heeft een vreemde voorliefde voor sommige archaïsche woorden, de een na de ander verkeert in agonie. In het dorp zijn geen tuinen maar gaarden. In zijn interessante nawoord gaat hij uitvoerig in op het leven en werk van Kazantzakis, minder op de vertaling. Hij wijdt hij een halve voetnoot aan de vrouwonvriendelijkheid en hij vindt het jammer als de lezer zich daaraan zou ergeren. Wie zich er al te zeer aan stoort, merkt Hokwerda op, moet misschien het geval in gedachten houden van Céline: een groot schrijver, maar dan moet je wel zijn antisemitische uitlatingen op de koop toe nemen. Dat roept vragen op. Bij voorbeeld: staan de antisemitische uitlatingen van Céline in de tekst van zijn boeken? En: is Kazantzakis wel zo’n groot schrijver?


    Leven en wandel van Zorbás de Griek

    Nikos Kazantzakis,
    Vertaald door: Hero Hokwerda
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 368
    Prijs: € 24,95

  • Twee zonen en hun moeders

    Twee zonen en hun moeders

    Margaret Mazzantini (1961, Dublin) is schrijfster en actrice. Ze begon haar acteercarrière in 1980 in de beruchte horror cult film Antropophagus, en speelde bijna twintig jaar in diverse films, het theater en voor televisieproducties.
    In 1994 debuteerde ze met haar roman Il Cantino Di Zinco (Het zinken teiltje), waarvoor ze de Campiello Prijs en Rapallo-Carige Prijs won voor het beste debuut. In 2004 werd haar succesvolle roman Non ti muovere (Ga niet weg) verfilmd door haar partner Sergio Castellitto, met in de hoofdrol Penelope Cruz. In het voorjaar van 2014 verscheen haar korte roman Morgenzee.

    Morgenzee is het verhaal van twee zonen en hun moeders: de Libanese Farid en zijn jonge moeder Jamila, en de 18-jarige Vito en zijn moeder Angelina op Sicilië.
    Het eerste deel gaat over Farid en Jamila, die in de zomer van 2011 uit Libië vluchten voor het bewind van Khadaffi. Na een zware tocht door de woestijn gaan ze mee op een boot met een groep andere vluchtelingen, hopend op een betere toekomst in Europa. Maar de boot is oud en er is niet genoeg benzine, water en eten. Al snel worden de passagiers ziek, wat Mazzantini uitvoerig beschrijft: ‘Iedereen is bleek, zo grijs als touw. Iedereen heeft overgegeven. Het braaksel stroomt over de bodem, over het weke hout, achter het aanhoudende geroffel van de zee aan.’ Als het drinkwater opraakt droogt Farid uit. Jamila hoopt dat haar zoon eerder zal sterven dan zij, omdat hij anders ‘zou moeten voelen hoe eenzaam de zee is.’ Ze denkt aan een prooidier in de woestijn dat ze ooit heeft zien zitten naast zijn dode moeder, omringd door roofdieren in de nacht.

    Het tweede deel draait om Vito en Angelina, die leven op Sicilië. Vito is net klaar met de middelbare school en weet niet wat hij wil gaan doen met zijn leven. Hij doodt de tijd met hard rijden met zijn vrienden en uitgaan. Angelina overdenkt haar jeugd in Libië, waar ze woonde voordat ze met haar ouders moest vluchten naar Europa en de ontluikende liefde tussen haar en haar vriend Ali achter zich moest laten. Angelina kan het verleden niet loslaten en spendeert de meeste tijd met ronddwalen op het eiland en roken. Als ze de kans krijgt om terug te keren naar haar geboorteland grijpt ze deze. Samen met Vito’s oma keren ze terug naar Libië, om te zien wat er over is van hun vroegere leven. Ze zoeken Ali op. Hij is een rijke man geworden, vriendelijk en knap, maar niet warm. ‘En toch had hij een strakke en doordringende blik. Net zo roerloos als dat huis, zonder frisse lucht, als een bunker.’ Angelina weet zich geen houding te geven bij deze teleurstellende ontmoeting.

    Aan het einde van het boek komen de verhalen samen. Vito vind een talisman op het strand en denkt aan de boten met vluchtelingen die hij eerder heeft gezien, met uitgehongerde passagiers. Niet lang daarna hakt Vito de knoop door en verhuist naar Engeland. Angelina moet haar leven alleen voortzetten.

    Morgenzee vertelt een verhaal over families, liefde, oorlog en nostalgie. Mazzantini’s oog voor detail schept een sfeervol en filmisch beeld van Libië en Italië, wat soms op het randje pretentieus is maar er net niet overheen tuimelt. Dit komt door de afwisseling van verfrissende eenvoudige en poëtische zinnen, zoals ‘[Angelina] beeldde zich in dat ze naar Tripoli zou zwemmen. Dat ze daar half vis en half vrouw aan land zou gaan, net als in het sprookje van de zeemeermin, en in de buurt van de stad van de kalksteen en de johannesbroodbomen zou blijven om haar clandestiene lied te zingen.’ En: ‘Toen kwam die dag in september. De avondklok. De stad werd gehuld in een deken van stiekem gedoe, zwevend in stilte.’

    De levens van Farid, Jamila, Vito en Angelina vormen een zwaar verhaal: ze worden allen geteisterd door oorlog en verlies. Maar vooral de moeders zijn sterk en levenslustig, ook als ze zonder hun zonen verder moeten. Jamila houd haar stervende zoon vast en zingt voor hem. Als Vito is vertrokken maakt Angelina haar huis schoon: ‘Ze leefde nog. Het was natuurlijk alleen maar angst geweest.’ Die kracht en hoop inspireert de lezer van het boek: ook ik kan het leven aan.


    Morgenzee

    Auteur: Margaret Mazzantini
    Vertaald door: Miriam Bunnik en Mara Schepers
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s:
    Prijs: € 14,90

     

  • Droogkomisch avontuur als politiek pamflet

    Droogkomisch avontuur als politiek pamflet

    Liefhebbers van gitzwarte humor kunnen zich in de handen wrijven met Haas & bedelaar, de onlangs in vertaling verschenen Finse bestseller van Tuomas Kyrö (1974). Een sterk staaltje maatschappijkritiek opgetekend in een droogkomisch avontuur dat zich het best laat typeren als een bijzondere mix van schelmenverhaal, road trip en modern sprookje. Maar bovenal is het een satire. Geen pagina gaat voorbij of de Finse samenleving wordt op de korrel genomen. Bij tijd en wijle vliegt Kyrö met zijn provocerende statements uit de bocht, maar door de bank genomen heeft hij met Haas & bedelaar een uiterst vermakelijk – en tot nadenken stemmend – boek afgeleverd.

    ‘Uiteraard zouden er alternatieven zijn geweest; onze hoofdpersoon had auto’s kunnen gaan stelen, koperen telefoonkabels kunnen verzamelen of zijn nieren kunnen verkopen. Maar van alle slechte opties was die van Jegor Koegar de beste. Het garandeerde hem een arbeidsovereenkomst van een jaar, vervoer naar de werkplek en ook opdrachten voor zijn zus, met als bonus nieuwe tanden en borstimplantaten.’ De openingsalinea van de roman. Welkom in het met ironie doorspekte rijk van Haas & bedelaar.  

    Vatanescu – een bescheiden, naïeve goedzak zonder angsten en ambities – heeft slechts één grote wens: voetbalschoenen voor zijn zoon. Geen eenvoudige opgave in uitzichtloos Roemenië waar God van de aardbol lijkt verdwenen en geen cent te verdienen valt. Vastberaden als hij is, laat Vatanescu zich door mensenhandelaar Jegor Koegar naar Finland sluizen om daar als bedelaar aan de slag te gaan. Geld bij elkaar sprokkelen, het gedroomde schoeisel scoren en hup terug naar huis om zoonlief te verblijden. Dat is het idee. Fantastisch plan, ware het niet dat alles in werkelijkheid toch net even anders verloopt …

    Alras ontpopt mensenhandelaar Jegor zich als agressieve, zelfzuchtige schurk en ook het  bedelaarschap – ‘mondhoeken naar het zuiden, van je smoel naar je reet’ – blijkt één grote fysieke en financiële martelgang, een hypocriete bende. Time to wake up, Vatanescu, time to break free! Op listige wijze weet Vatanescu zich uit handen van de bruut te werken om in vrijheid zijn missie te vervolgen. Lang blijft hij niet alleen. Onderweg redt hij een haas die eigenlijk een konijntje is (een vette knipoog naar de fabel ‘Haas’ van Kyrö’s grote voorbeeld Arto Paasilinna, overigens niet de enige verwijzing naar zijn held in dit boek). Het blijkt de ideale reisgenoot, dit fabelachtig wezen met bovennatuurlijke krachten dat op onvoorziene momenten in de meest bizarre situaties precies het juiste weet te doen.

    In tien hoofdstukken, alle voorzien van uitvoerige titels -‘hoofdstuk 5: waarin Vatanescu de eerste klasse wil binnengaan, een babbeltje maakt en een Volvo onder zijn kont krijgt’ -, beschrijft Kyrö in ongepolijste rauwe taal en met moordend tempo op onnavolgbare, droogkomische wijze de strijd die Vatanescu – met haas in zijn kielzog – levert om het lot te bestieren. Met zowel de internationale misdaad als politie op de hielen, de spotlights van de media in het gezicht, de talrijke obstakels en zonderlinge mensen op de weg een ware Odyssee door het Finse ongewisse. ‘Ja zoon, Papa regelt voetbalschoenen voor jou.’ Nou en of!

    Uitgekauwde materie, denk je nu wellicht, de Odyssee van de underdog die huis en haard heeft verlaten. Hoe cliché. Mis! In deze roman gaat het in essentie helemaal niet om de bevrijding van de zichzelf en geluk zoekende antiheld maar wordt onder het mom van avontuur en zege stevig politiek bedreven. Of het nu gaat om de armen & de rijken, de sterken & de zwakken, arbeid & kapitaal, liefdadigheid & hebzucht, natuur & milieu, vrijheid & onderdrukking, onbekendheid & beroemdheid, natuur & technologie, autochtoon & allochtoon: Kyrö zet ze stuk voor stuk op de maatschappelijke kaart. Elk item wordt met verve geserveerd en rijkelijk voorzien van een zwart – of geschift – sausje. Tel daar het meervoudig gekozen vertelperspectief, de fabelachtige reisgenoot en het spel met understatements bij op en de clichégedachte kan overboord. Kyrö’s Haas & bedelaar is zonder twijfel originele kost.

    Hoewel ontvlucht, blijft schurk Jegor het hele boek volop in beeld. De bruut krijgt zowaar een eigen stem – fonetisch plat jargon – tussen Vatanescu’s bedrijven door als dagboekfragmenten opgetekend. Het zijn vooral zijn woede en frustratie die worden neergepoot. Daar waar het leven van Vatanescu zich in opwaartse richting beweegt, lijkt Jegor steeds dieper in ellende weg te zinken. Allerminst toevallig is dat met het stijgen van Vatanescu’s roem Jegors toon almaar grimmiger wordt: ‘Godverdegodverdegodverdekut!!! Een mythe? Halloo! Zo’n Vatanescu heb net zo weinig met ’n mythe van doen as de handzeep van de Lidl.’. Vatanescu zelf ontbreekt het aan dialoog, wel worden in cursief zijn gedachten en gevoelens met regelmaat verwoord, waardoor zijn innerlijk extra body krijgt. Ergens halverwege wordt ook nog een alwetende verteller geïntroduceerd, maar díe had Kyrö beter thuis kunnen laten. Het verhaal heeft deze metadimensie helemaal niet nodig. Het helikoptergeluid werkt eerder storend dan dat het iets toevoegt.

    Ontroerend mooi is de kinderlijk lief beschreven verwantschap tussen haas en bedelaar die in schril contrast staat met de doorgaans zo rauw beschreven wereld: ‘Een stapje. Nog een stapje. Loop maar achter me aan, loop zoals ik het doe. Voorzichtig, maar met blind vertrouwen in iets. Er is alleen dit moment. We herinneren ons gisteren niet, weten niets over morgen.’ Om even later onder de sterrenhemel samen in slaap te vallen ‘op een bed van mos, tevreden met zichzelf, hun daden en de hen omringende werkelijkheid.’ Ook relaties weet Kyrö schitterend te typeren: ‘Wanneer Harri Pykström zijn vrouw een godvergeten gehaktbal noemde, was mevrouw Pykström de enige die de onderlinge betekenis van de woorden kende. Liefste, mijn waardevolste. Kom mee het bed verwarmen.’ 

    Terug in de realiteit, na het dichtslaan van Haas & bedelaar, rijst de vraag of Kyrö zichzelf met dit boek heeft willen troosten. Achter het satirisch pantser gaat voelbaar een enorme  woede schuil: de kapitalistische samenleving, de groeiende economische ongelijkheid, de individualisering, het gebrek aan medemenselijkheid, het privacy-schendende internet… Kreeg de schrijver zijn morele verontwaardiging niet meer weggeslikt dus serveerde hij die aan ons? Een smaakvol doch bitter gelag. Het zou niet verbazen als Piketty op zijn nachtkastje prijkt.

    Achtergrond

    ‘Voor de lezers van Arto Paasilinna’ stelt de rode sticker op de kaft van Haas & bedelaar. Een aanbeveling van betekenis! Zo blijkt het boek niet alleen te zijn opgedragen aan Kyrö’s  grote voorbeeld en landgenoot Paasilinna maar zelfs in navolging van diens Haas (1975) te zijn bedacht en opgetekend. Deze in Finland bejubelde en veelgeprezen auteur heeft ruim veertig werken – in 45 talen vertaald, enkele zelfs verfilmd – op zijn naam staan, waarvan Haas (vertaling 1995) en De zelfmoordclub (1990, vertaling 2004) in Nederland het meest bekend zijn.

    Kyrö zelf mag als schrijver ook niet klagen. In Finland worden zijn boeken stuk voor stuk bestsellers en is hij welbeschouwd één van de interessantste auteurs van zijn generatie. In 2005 won hij de De Kalevi Jäntti-prijs, een literatuurprijs die jaarlijks aan veelbelovende jonge schrijvers wordt toegekend en voor zijn belangrijke bijdrage aan de Finse literatuur ontving hij in 2011 een medaille. Naast zijn schrijverschap timmert Kyrö ook als cartoonist aardig aan de weg.

     

  • Veel vragen, weinig antwoorden

    Veel vragen, weinig antwoorden

    Recensie door Rein Swart

    Dit boek gaat niet over een onderdeel van de biologie, maar is een roman en wel een heel  bijzondere, omdat weinig van de bedoeling wordt prijsgegeven. Het duurt enige tijd voordat de lezer in de gaten heeft waar de schrijver naar toe wil en dan nog blijven er veel vragen onbeantwoord, vooral over de bedoelingen van de hoofdpersonen.

    Het is duidelijk waar het verhaal zich afspeelt. Enerzijds is dat in Cleveland, Ohio en anderzijds in China. Chongqing, de grootste stad van China, is de uitvalsbasis van een Nederlander die zich verbaast over alles om hem heen.

    Langzaamaan begint het de lezer te dagen dat het om een jonge vrouw in de Verenigde Staten gaat en een jongeman in China. In Nederland vormden ze een stel, maar door gebrek aan liefde en begrip zijn ze uit elkaar gegaan. Het stel, dat niet met name genoemd wordt, poogt los van elkaar zichzelf te hervinden en nieuwe inspiratie op te doen voor hun relatie. Vooral de jongeman heeft dat hard nodig gezien zijn terugblik: ‘Gapende mensen zodra ik mijn mond open deed en een geliefde die zich minder en minder door mij liet inspireren.’

    De jonge vrouw verblijft in Cleveland bij haar moeder, die onlangs is gescheiden en heeft weinig op met de westerse mens. ‘Alsof een ego niet juist de kern vormt van de twijfelachtige plantenkunde waar we nog altijd deel van uitmaken. Iedereen een persoonlijkheid? Elke aardbewoner een kunstenaar? Voor elk mens afzonderlijk alleen maar het beste? Dat is in plaats van leuk een koortsdroom, een nieuw waandenkbeeld, een volgende list om ons aan de gang te houden en uiteindelijk in het ongeluk te storten.’

    Het inzicht moet vooral van de 32-jarige jongeman komen. Hij denkt in het China met zijn aloude culturele en religieuze tradities een antwoord te krijgen op de vragen waarmee hij worstelt. Die betreffen allereerst zijn relatie, maar reiken ook verder. Hij zou zelfs de compositie van de werkelijkheid willen veranderen. Wat is de bron van de Chinese onverstoorbaarheid en kalmte? vraagt hij zich af.

    De jongeman reist gedurende een half jaar door het land. Chauffeur Sheng brengt hem naar leraar Yao en zegt: ‘Leraar Yao komt uit een familie van tao-meesters. De wijsheid is doorgegeven van generatie op generatie. Hij weet alles over plantenkunde. De aarde is volgens hem een levend organisme.’
    Hij bezoekt de Drieklovendam, het Terrocattaleger in Xian en krijgt een visum voor Lhasa in Tibet. Het zijn betoverende ervaringen voor hem.

    De auteur, volgens de achterflap docent visuele taalkunde in Stuttgart, doet er alles aan om met een open geest en origineel te schrijven, zoals over een andere tijdrekening van de Chinezen. ‘Deze week valt vrijdag op zondag,’ zegt een Chinees bijvoorbeeld tegen de jongeman die er weinig van begrijpt.

    Na enige tijd gaat deze roman, die is opgebouwd uit zeventien hoofdstukken met nogal inwisselbare titels als ‘distantie’, ‘vindingrijkheid’, ‘scherpte’ – om de eerste drie maar te noemen, vervelen. De nogal cryptische formuleringen en de stortvloed aan moeilijke vragen die vooral vanuit Cleveland over de lezer worden uitgestort, worden teveel. De verwondering raakt weg, te meer omdat er van een ontwikkeling geen sprake is. Het taalgebruik van de jonge vrouw kent een hoog abstractieniveau en de avonturen van de jongeman blijven erg cerebraal. Hij oefent geen enkele kritiek uit op het Chinese beleid ten opzichte van Tibet, maar neemt voor lief dat men het Tibetaanse volk achterlijk vindt. Het is toch al een roman waarin veel vragen niet ingelost worden, bijvoorbeeld of de jongeman iets heeft geleerd of dat zijn relatie erbij gewonnen heeft. Dat de kritiek op Tibet onweersproken blijft, maakt het boek er niet beter op.