• Gruwelijk verhaal in het Wenen van na de oorlog

    Gruwelijk verhaal in het Wenen van na de oorlog

    Recensie door Vera ter Beest

    Wenen, 1952. De oorlog is voorbij, maar aan de Gürtel wonen twee jongens als gevangenen in eigen huis. Van hun vader mogen ze niet naar buiten, de deur opendoen of de telefoon opnemen. Hun wereld beperkt zich tot het uitzicht uit het raam en de fotoalbums van hun vader. Hij is fotograaf en leert hen foto’s te nemen. De foto’s die hij van hen neemt, zegt hij naar een museum te brengen. Op een dag verlaat hij het huis om nooit meer terug te komen. In zijn plaats komt Liesbeth, een vrouw die de vader verzorgde toen deze ziek was. Zij komt, later dan verwacht en neemt een enge man mee, die grijnst en naar hen staart.

    ‘Met zijn ellebogen op tafel keek hij ons minutenlang met wijd opengesperde ogen aan. Hij keek met de blik van een operazanger die vader ooit had gefotografeerd. De ogen van die zanger stonden wagenwijd open terwijl hij zong. Zo wagenwijd als zijn mond.De zanger op de foto stond voor een kasteel dat van hout en karton was gemaakt, wist vader. Hij legde uit dat de operazanger een beroemd Italiaan was. Een Italiaan uit Venetië, een stad waar de auto’s boten zijn. Daar konden we ons absoluut geen voorstelling van maken. ‘De ontzette blik met grote, open ogen hoort bij operazangers wanneer zij ferm uithalen,’ vertelde vader. Daarna verdween de foto in zijn map.’

    Liesbeth geeft de jongens te eten, zodat ze sterk genoeg zijn om naar Boedapest te reizen. Enkele mannen komen de jongens ophalen om ze in een afgedekte kooi naar de Hongaarse hoofdstad te brengen. Daar aangekomen belanden ze samen met een jong, harig meisje dat Erika heet in een lege ruimte. Erika en de jongens worden behandeld als circusattracties, hordes nieuwsgierige mensen met ogen als operazangers worden langs de kinderen geleid. Aan deze vreemde bezoeken komt abrupt een eind wanneer een serie gruwelijke medische ingrepen op de drie kinderen worden uitgevoerd. Erika wordt geïnsemineerd met sperma dat is afgetapt van de jongens. Als ze op het punt staat om te bevallen, wordt ze weggevoerd. Niet veel later wordt het besluit genomen dat de jongens, verzwakt en ziek, weer naar huis mogen. In dekens gerold worden ze door ruimtes gedragen, waarvan er één veel weg heeft van een museum. De kamer hangt vol foto’s van hen en van Erika, van wie de laatste foto’s laten zien hoe ze een harig wezen baart en eindigt op sterk water.

    Morgen komt Liesbeth wordt verteld vanuit het perspectief van de jongens, die niets van de wereld weten, naïef en onschuldig zijn. Door te kiezen voor dit gezichtspunt heeft auteur Olivier Willemsen zichzelf veel speelruimte gegeven. Kinderen begrijpen veel dingen nog niet, willen enkel dat aan hun basisbehoeften, liefde en eten in dit geval, wordt voorzien, en denken in goed en slecht. In dit verhaal gebeuren er vreemde, raadselachtige dingen die meer uitleg zouden kunnen gebruiken om het verhaal beter te kunnen volgen. Transport naar Boedapest in een kooi en een harig meisje dat bevalt van een aap. Zijn dit fantasieën van de hoofdpersonen?

    Fotografie speelt er een belangrijke rol in. Het perspectief kun je ook zien als het beeld wat je krijgt wanneer je door de lens van een camera kijkt. De smalle invalshoek maakt dat je niet alles ziet en de focus ligt op een bepaald element, dat niet het belangrijkste hoeft te zijn. Het verhaal lijkt opgebouwd uit korte fragmenten, alsof het een serie foto’s is die achter elkaar wordt getoond. Ze vertellen niet alles, maar zoomen in op bepaalde aspecten. Door die uitvergroting krijg je mooie beschrijvingen als die van de twee littekens op het gezicht van de enge man die Liesbeth meeneemt.

    Het waren twee levensgrote, gekruiste littekens, alsof een roofvogel hem met gestrekte poten in zijn gezicht had vastgegrepen en hem had proberen op te tillen. 

    Het werk doet qua thematiek denken aan Ira Levins Boys from Brazil en Anthony Burgess’ Clockwork Orange, die respectievelijk gaan over medische experimenten en psychologische foltering. Daar houdt de vergelijking dan ook op want beide bestsellers kennen een heldere verhaallijn, zijn spannend, geven voldoende informatie om de verhaallijn te kunnen volgen. In Morgen komt Liesbeth volgen de meest bizarre en huiveringwekkende gebeurtenissen elkaar in rap tempo en zonder logica op. Doordat er net te weinig informatie wordt gegeven, wordt het een verzameling van hoogst verwonderlijke, niet geloofwaardige ontwikkelingen waarvan de helft misselijkmakend zijn. Op de achterflap wordt het gepresenteerd als gruwelijk sprookje, maar misschien is het beter te beschrijven als onvoorstelbaar  horrorverhaal dat niet voor iedereen is weggelegd.

     

  • Een keuze voor het leven

    Een keuze voor het leven

    Na vijf pagina’s staat er: ‘Zij had de bevoegdheid een kind bij een harteloze ouder weg te halen en dat deed ze soms ook. Maar om zichzelf bij een harteloze man weg te halen? Nu ze zwak en verlaten was? Waar was de rechter die haar beschermde?’

    Het is een gedachte die opkomt bij rechter Fiona May, 60 jaar en gespecialiseerd in familiezaken. Ze legt de laatste hand aan een belangrijk vonnis dat ze de volgende dag moet uitspreken terwijl ze juist van haar man Jack, 59 en hoogleraar klassieke geschiedenis, te horen heeft gekregen dat hij verliefd is op een veel jongere vrouw. Hij wil zijn huwelijk er niet voor opgeven, maar nu ze al zeven weken en één dag (Jack weet het precies) niet hebben gevrijd en leven als broer en zus, wil hij de seksuele opwinding buitenshuis beleven. Voor Fiona, in haar eerste impulsieve reactie, is doorgaan onmogelijk als hij bij zijn keuze blijft.

    Fiona wordt geroemd om haar fraai geformuleerde en wijze vonnissen in zaken die het welzijn van anderen dienen, maar nu ze zelf kwetsbaar is, staat ze met de mond vol tanden. Wat heeft ze aan die beroepsmatige roem? Hoe kan ze zover komen dat de collega’s straks met hetzelfde ontzag zullen zeggen: ‘En toen heeft ze hem er uit gegooid’, zo vraagt ze zich af.

    Jack vertrekt. Fiona blijft in het lege huis achter, en vlucht in datgene waar ze goed in is, haar werk. Ian McEwan, de schrijver van De kinderwet, de roman waarover het hier gaat, duikt daarna pagina’s lang in enkel voorbeelden van rechtszaken waarin Fiona moet beslissen. McEwan baseert ze, blijkens de verantwoording achterin het boek, op werkelijk gedane uitspraken. Hij koos die vanwege hun geschiktheid om zijn fascinatie te verwoorden voor het spanningsveld tussen ratio en gevoel en tussen professionele overtuiging en persoonlijke ervaring. Dat deed hij al eerder in bijvoorbeeld Zaterdag, waarin medische dilemma’s centraal staan. Ze zijn er opnieuw in De kinderwet, waar ze verknoopt raken in een juridische vraag rond zelfbeschikking en streng orthodox geloof.

    De vrij-loze periode verwijst, zonder dat Jack en Fiona zich dat bewust zijn, naar een eerder vonnis dat Fiona moest vellen. Het betrof de scheiding van een Siamese tweeling, waarvan de ene helft onherroepelijk zou sterven. De scheiding was nodig om het andere kind in leven te kunnen laten. De streng katholieke ouders zagen een dergelijke operatie echter als moord: ‘God gaf het leven en alleen God kon het afnemen’.

    Als Jack zo precies de zeven weken en één dag noemt, dringt pas geleidelijk tot Fiona door dat dat vonnis precies zo lang geleden is. In haar onbewuste wroet zich naar aanleiding van die uitspraak de spijt naar de oppervlakte over haar kinderloosheid. Diep in haar hart wilde ze kinderen, maar altijd was er een reden voor uitstel. Tot het niet meer kon.

    Weken na de bekentenis van Jack, nadat ze hem enkele met verwijten heeft overladen, kan ze hem voor het eerst pas weer met enige vertedering zien als hij met zijn neefjes speelt. Maar veel ingrijpender is een spoedgeding dat ze te behandelen krijgt. Een jongen, Adam, lijdt aan leukemie. Hij is bijna 18, de leeftijd waarop hij zelf zou mogen beslissen of een levensreddende bloedtransfusie mag worden toegediend. Zijn ouders zijn net als Adam Jehovagetuigen. Ze willen geen ingrijpen. De behandelende arts heeft de rechter om toestemming gevraagd om de transfusie tegen hun wil uit te voeren. Probleem is dat de ouders ter rechtszitting aanvoeren dat ook Adam zelf uit geloofsovertuiging weigert en accepteert dat hij zal sterven. Fiona schorst de zitting en besluit Adam zelf in het ziekenhuis te horen. Ze treft daar een inderdaad overtuigde Jehova-aanhanger, die bijzonder intelligent en creatief is. Het klikt zo goed tussen de twee dat Adam voor Fiona zelfs een Iers liedje speelt op zijn viool, Down by the Salley Gardens. Fiona zingt het zacht mee, want ze kent het in de toonzetting van Benjamin Britten. Naast haar functie als rechter is zij pianiste; ze treedt regelmatig op met een collega die het lied met haar aan de piano zingt. Maar hoezeer Adam ook sympathie opvat voor de rechter, hij blijft bij zijn keuze: geen transfusie. Terug in de rechtszaal beslist Fiona toch ten gunste van de arts.

    Als Adam door de transfusie geneest treft hij zijn ouders huilend aan zijn bed. Niet omdat tegen Jehova’s wil is gehandeld, maar van blijdschap omdat ze hun geloof trouw zijn gebleven en toch Adam door een ingreep van buiten hebben behouden.

    Fiona komt het te weten uit een brief die Adam haar stuurt. Hij meldt daarin dat de laffe reactie van zijn ouders hem van zijn geloof heeft afgebracht. Het is uitgedraaid op een ruzie met zijn vader en moeder en nu zoekt hij steun bij de vrouw die hem aan zijn ziekbed begreep en koos voor zijn leven. Hij stuurt Fiona gedichten en blijft haar achtervolgen, stalken bijna. Opnieuw raakt Fiona in conflict tussen ratio en gevoel. Haar professionaliteit maakt dat ze afstand houdt en zelfs niet antwoordt, maar in haar hart verlangt ze ernaar deze jongen, het kind dat ze misschien in haar leven wel heeft gemist, opnieuw te redden. Ze begeeft zich op het randje, maar doet het niet.

    Het schuldgevoel blijft echter knagen en komt tot een dramatische explosie als ze met haar collega een concert geeft dat als toegift Down by the Salley Gardens krijgt. Overmand door verdriet rent ze direct na het ovationele applaus de zaal uit.

    Jack, met wie ze moeizaam weer de relatie herstelt en die het concert heeft bijgewoond, komt later thuis: ‘Ze lagen in het halfdonker tegenover elkaar en terwijl buiten de kamer de schoon geregende stad op haar zachtere nachtelijke ritmes overging en hun huwelijk moeizaam werd hervat, vertelde ze hem met vaste kalme stem over haar schaamte, over de passie voor het leven van die jongen en haar rol….’

    Met het herstel van het vertrouwen tussen Jack en Fiona krijgt de roman een lichtelijk pathetisch einde. Maar dat is niet het belangrijkste dat de lezer bijblijft. McEwan is er opnieuw in geslaagd bloot te leggen wat dilemma’s met een mens doen. En opnieuw aangrijpend.

     

     

  • Het verleden ‘dargestelt’ in woorden en zinnen die knisperend fris zijn

    Het verleden ‘dargestelt’ in woorden en zinnen die knisperend fris zijn

    Hans Tentije publiceert al 40 jaar poëzie. In die tijd evolueerde zijn thematiek van ontgoocheling (omdat de jaren zestig voorbij gingen) in montere melancholie (want alles gaat voorbij, maar herinneringen blijven). In Gissingen, gebeurtenissen worden verdwenen werelden en voorbije gebeurtenissen weer tot leven gewekt in de taal van toen.

    In Tentije’s laatste bundel wordt veel opgeroepen en weinig gemijmerd. Het verleden wordt dargestelt, in woorden en zinnen die knisperend fris zijn, maar stammen van minstens veertig jaar geleden. Nog geen pc of tv in zicht, maar wel archiefkasten, uitgelopen inkt, kleiputten, tichelovens, bediendenknoppen, rijstvloei, fondantkleurige neonreclame en een penetrante melange van Oost-Europese tabak en dieselolie. Regels waarin verrassend gewone woorden opduiken, waarvan we vergeten zijn dat we ze niet meer gebruiken. En zinswendingen en volzinnen die archaïsch zouden zijn als ze niet zo vitaal waren. Fonkelende taal die de wonderbare sensatie oproept van een actueel gemaakt verleden.

    Schaars worden geografische aanduidingen verstrekt. In ‘Noorderlicht’ wordt rondgezworven in Duitsland (Glückstadt, ‘Lungenheilstätte für Frauen‘) in ‘Ergens onderweg’ in het Oostblok, gezien de Roemeense plaatsen Putna en Suceava, en in West Somerset. De afdeling ‘Gissingen, gebeurtenissen’ speelt zich af in Duits Oostenrijk kort voor de Tweede Wereldoorlog– vermoed je op grond van ‘postzegels van 60 Heller’ en ‘Het Prater’, terwijl het laatste gedicht zich mogelijk in België afspeelt, gezien de zes ‘Belze paarden’ die er in optreden. Maar daarover later meer.

    Crime passionel

    In het titelloze eerste gedicht van de bundel vertelt Tentije een verhaal, bijna geheel opgetrokken uit dingen en de woorden daarvoor. Een opeenstapeling van beschrijvingen zoals (we doen een willekeurige greep): ‘doods aandoende buitenwijken, vervuilde berichten en tegenstrijdige geruchten, de uitgelopen inkt van de systeemkaarten, de telefooncel een uur ervoor’ enzovoorts. Rijke evocatieve regels, die het kantoorleven van minstens een halve eeuw geleden oproepen, en van alles suggereren: verval en onheil bijvoorbeeld, maar ook een moment waarop iets gebeurde, gezien die telefooncel ‘een uur ervoor’. Aan het eind (na te zijn gestruikeld over ‘vrijgegeven lichamen´ en ‘de plastic handschoenen bij de visitatie’) blijk je in een moordverhaal beland. Misschien wel een crime passionel (‘het gebons op de voordeur als het orgasme bijna bereikt is’), misschien wel op kantoor (‘de op straat gesmeten, opengesprongen archiefkast’). Uiteindelijk blijf je achter met ‘de vragen, de vragen’.

    In de cyclus ‘Biliard Palace Hotel’ wordt tussen begin en einde van een telefoongesprek met een oude geliefde een vroeger rendez-vous beschreven (in het hotel uit de titel), dat uitloopt op een kroegentocht en mislukte liefdesnacht. En op clandestien biljarten in de vroege ochtend. Maar in het telefoongesprek wordt die mislukking verdrongen door ‘haar lijfgeur’ die uit de telefoonhoorn komt, met alle gevolgen van dien: ‘aanzwellend geruis, bloed dat kolkte, vlagen als van een windhoos / die mijn, onze zinnen overhoop gooiden, beloften / verbraken maar de boel daarop gewoon weer herstelden – // nasmaak en voorspel, nogmaals bijna, het ontzegde / vroeger of later.’ De spanning tussen het oproepen en het voelen, de eigenmachtigheid van de herinnering en het onvermogen die ongedaan te maken, daar gaat het over in deze bundel.

    Dieper wortelende schaduwen

    Een aantal gedichten onthutst. In de afsluitende cyclus ´Gissingen, gebeurtenissen´ bijvoorbeeld, die zich afspeelt in Oostenrijk. Op een koude ochtend ziet een oudere vrouw haar tuinman in de weer met mollenklemmen, tegen de achtergond van een mistige rivier. Ze herinnert zich dan weer hoe haar geheime geliefde daar door twee mannen in vale regenjassen werd afgevoerd in een ‘hooggerugde zwarte limousine. ‘Ik kan nergens / navraag doen zonder argwaan te wekken’ bedenkt ze. Joods of communist, denk je dan. De nieuwe orde slaat terug. De tragiek wordt klemmend als de vrouw zich realiseert dat ze zou moeten liegen als ze haar ook oppakken, ‘want het weinige dat ik van hem weet / is voor zulk soort mensen onmogelijk te bevatten’. Of in ‘Prater’ (een amusementspark in Wenen), waar een oude vrouw in een vestje ‘met sleetse ellebogen’ bezeten notities maakt in een kapotgeschreven notitieboekje. Ze wordt met rust gelaten door de terrasbezoekers, gerespecteerd door de kelners. ‘Het leek wel of ze haar leven / herschrijven wilde – maar dieper wortelende / schaduwen verliezen nooit in het echt, hoogstens // in illusies soms hun greep – ‘.

    Onuitwisbaar opgeroepen

    Die dieper wortelende schaduwen heersen in meer gedichten, vooral ook in het laatste, ‘Eerdaags’. Te lang om te citeren en te complex om in al zijn details te duiden, maar o wat is het goed, mooi en triest. Over een oudere dame en een eekhoorn die op de vlucht slaat voor ‘ijzer beslagen voetstappen’, over een miskraam aan de Franse Riviera, en de paarden van de brouwerij van haar vader, die ooit door ‘een verreisde ordonnans’ werden gevorderd voor het leger: ‘daar stond ze, haar wang tegen een van de stalwarme flanken gedrukt / en hoorde hem, terwijl hij zijn linkerbeen over het zadel / van zijn motorfiets zwaaide, nog zeggen dat hun witte manen / hem aan net getapt, schuimend bier deden denken // of hun voerman hem werkelijk ter plekke naar de strot / had willen vliegen, kon ze zich niet meer heugen, maar wel / hoe er pis door haar gebreide wollen / onderbroek drong en op het net ververste / dwarse stro sijpelde’.

    Witte manen en bierschuim, vluchtende eekhoorn en aanvliegende voerman, een miskraam boven de bidet en sijpelende pis – het mechaniek van de associaties, de schaamte en de rouw waarmee we ons leven herbeleven zijn onuitwisbaar opgeroepen.

    Tentije ontving in april in Belgie de Karel van de Woestijneprijs voor zijn gedicht ‘In het merengebied’ uit deze bundel. Nederlandse jury’s opgelet. Meesterschap is dun gezaaid.

     

     

  • Dr. Sigmund helpt therapeuten

    Dr. Sigmund helpt therapeuten

    DSM is de afkorting van Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Het is een handboek waarin je kunt opzoeken welke symptomen bij welk ziektebeeld horen en ook hoeveel symptomen bij iemand aanwezig moeten zijn voordat hij voldoet als lijder aan een bepaalde ziekte van de geest. Tegenwoordig moeten artsen en andere behandelaars precies aangeven waar de aandoening te vinden is in de DSM, zodat bepaald kan worden hoeveel er maximaal vergoed wordt.

    Van de DSM is net een vijfde editie uit. Maar ook striptekenaar Peter de Wit publiceerde een DSM: De Sigmund Methode. Het is een hilarisch naslagwerk geworden, waarin De Wit, bij monde van dokter Sigmund de hulpverleners een eindje op weg helpt. Hij loopt een heel stel stoornissen na en bij elk onderwerp is ter illustratie een stripje geplaatst.

    In De Sigmund Methode vinden we natuurlijk de voor de hand liggende onderwerpen: van concentratiestoornis tot oedipuscomplex en van hypochondrie tot seksverslaving. Maar we treffen er ook lemma’s aan die in de officiële DSM waarschijnlijk niet voorkomen, zoals Normaal gedrag, Succes, Assertiviteit, Dieetverslaving, Facturatie en Tripolaire stoornis. Sigmund blijkt in geschrifte dezelfde therapeut als die we uit de strip kennen: hij neemt zijn patiënten niet altijd serieus en hij houdt zijn eigen belangen scherp in het oog. Bij Angststoornissen schrijft hij: ‘In mijn spreekkamer behandel ik patiënten met straatangst, pleinvrees en liftangst met voorrang, omdat deze stoornissen patiënten kunnen beletten om mijn praktijk in de toekomst te bezoeken en dat kan lelijk in de papieren lopen.’

    De behandeling van de patiënten is volgens hem al tijden hetzelfde: ‘Op mijn vakgebied is er de afgelopen honderd jaar niet veel meer gebeurd. Een patiënt praat tegen mij, ik doe of ik luister, geef hem of haar een pil en stuur een factuur.’

    De Sigmund Methode is een boek om breed grijnzend te lezen. De Johan Cruijff-persoonlijkheidsstoornis bijvoorbeeld is leuk om eens aan iemand voor te lezen. Het lemma beschrijft mensen die denken overal verstand van te hebben en alles beter te weten. Ze zijn zeer herkenbaar geportretteerd.

    De stukjes zijn onderhoudend geschreven. Peter de Wit laat zien dat hij niet alleen strips kan maken, maar dat hij ook heel aardig stukjes proza kan schrijven. In dit boek ligt de nadruk op de tekst en De Wit blijkt dat aan te kunnen.

    De kracht van het boek zit in de afwisseling: de korte stukjes, die je ook los van elkaar kunt lezen, nodigen uit tot grasduinen en de strips wisselen op een prettige manier de stukjes tekst af.

    Bovendien heeft De Wit advertenties opgenomen. Sommige ervan lijken bij een eerste blik bedrieglijk echt. Maar als je nauwkeuriger kijkt, blijkt de horlogeadvertentie reclame te maken voor Pseiko, het horloge voor succesvolle therapeuten, en de advertentie met de pillen beveelt Prodepri aan (van Idioticox Pharma).

    Achter in het boek is een register opgenomen en een uitgebreide literatuurlijst, die alle delen van Sigmund bevat. Dat soort details houdt de grijns bij de lezer gemakkelijk in stand.

    Het is moeilijk voor te stellen dat mensen die Sigmund nog niet kennen bestand zijn tegen dit boek. Even bladeren en je bent verkocht.

    Op de voorkant staat dat De Sigmund Methode het definitieve diagnostische naslagwerk is om iedereen gek te verklaren. Wie het gaat lezen, weet dus wat hem te wachten staat. Maar je moet wel gek zijn om het niet te gaan lezen.

  • Trans-Atlantisch – Colum McCann

    Trans-Atlantisch – Colum McCann

    Alles valt en staat met het perspectief

    Recensie door Jaap Jansen

    Het bijpersonage is niet zelden uitermate intrigerend. De ietwat onhandige dichter Pierre Gringoire in Victor Hugo’s Notre Dame de Paris is minstens zo interessant als de gebochelde klokkenluider, in The Secret History van Donna Tartt heeft de hoofdpersoon Richard in vergelijking tot zijn klasgenoten de belangwekkendheid van een stoeptegel, en wat te denken van de – als een wat sullig bijpersonage gepresenteerde – schilder Basil Hallward in Oscar Wilde’s The Picture of Dorian Gray?

    Lange tijd werd het bijpersonage desalniettemin gezien als een veredelde figurant, iemand die enkel in het verhaal wordt opgenomen om het hoofdfiguur zijn avontuur te kunnen laten beleven. Denk bijvoorbeeld aan al die (meestal naamloze) pages, boodschappers, wijze oude mannen, burgers enzovoort in toneelstukken van Aischylos, Shakespeare, Vondel. Of aan al die arme, in ezeltjes veranderde kinderen in de Walt Disney-film Pinocchio – aan hun lot wordt in de verste verte geen aandacht besteed, want tja, het is nu eenmaal het avontuur van de marionet Pinocchio.

    Het bijpersonage krijgt een vriendelijker behandeling in Colum McCanns Trans-Atlantisch (originele titel: Transatlantic). Deze mooie roman kan worden gezien als een belangrijke stap in de ‘o zo moeizame bijpersonagesemancipatie’. Zoals ook in de vrouwen- en homo-emancipatie geldt: niet zozeer het benadrukken van de positiviteit van het etiket (bijpersonages zijn top!) als wel het volledig negeren van enig onderscheid tussen bijpersonages en hoofdpersonages zet zoden aan de dijk. En dat is precies wat McCann poogt te doen. Zijn boek lijkt in eerste instantie een verhalenbundel te zijn over enkele historische individuen die in verband kunnen worden gebracht met zowel de Verenigde Staten als de Brits-Ierse eilanden (en die dus ‘Trans-Atlantisch’ zijn). We lezen over de piloten Alcock en Brown, die pionierden door in één keer vanuit Noord-Amerika de Atlantische Oceaan over te vliegen, over de abolitionist en ex-slaaf Frederick Douglass, in 1845 naar Ierland en Groot-Brittannië gevlucht, en over de Amerikaanse senator George Mitchell, die zich een tijdlang inzette voor vrede in Noord-Ierland. Zij zijn de hoofdpersonages in hun eigen verhalen.

    McCann heeft deze verhalen met veel kunde en precisie geconstrueerd. Ze zijn, stuk voor stuk, boeiende korte verhalen die uitstekend los kunnen worden gelezen. Maar dat is niet de bedoeling; ze vormen tezamen slechts één van de drie delen waaruit deze roman bestaat. In de overige hoofdstukken hangen de naamhebbende heren niet langer de hoofdpersoon uit. Aanvankelijke bijpersonages (een journaliste, een dienstmeisje, een tennisspeelster in een rolstoel) nemen het stokje over. Door hun familiegeschiedenis te beschrijven, verandert de verhalenbundel langzaamaan in een roman, waarin de ogenschijnlijk afzonderlijke verhalen op velerlei manieren met elkaar verstrengeld zijn.

    Zo bezien is er geen duidelijke scheidslijn tussen hoofd- en bijpersonages in Trans-Atlantisch. Alles valt en staat met het perspectief. De hoofdstukken over de historische beroemdheden, sterk episodisch geschreven, beschrijven gebeurtenissen uit een min of meer officieel, ‘groot’ geschiedenisverhaal, ‘dé geschiedenis’, zoals die in de schoolboekjes voorkomt. De hoofdstukken over de aanvankelijke bijpersonages daarentegen bespreken een niet-geregistreerde geschiedenis, wellicht vergelijkbaar met een doorsnee familiegeschiedenis. De thematiek van de roman ligt niet enkel besloten in de verregaande band tussen de Brits-Ierse eilanden en de Verenigde Staten, al vormt die band zeker een rode draad. Nee, de thematiek moet vermoedelijk meer worden gezocht in het kader van verhalen en geschiedenis, getuige ook in het boek opgenomen citaten van schrijvers Eduardo Galeano en Wendell Berry. Een verhulde boodschap in een roman is thans misschien wat uit de tijd, maar filosofische verkenningen zijn hotter than hot. In Trans-Atlantisch betreft zulk een filosofische verkenning een vrij fundamentele vraag: wat is geschiedenis? Eén groot verhaal? Datgene wat ‘we’ nog weten van het verleden? Of een reeks vervlochten verhalen, waarbij hoofd- en bijpersonages elkaar afwisselen naar gelang het verhaalperspectief? In dit opzicht is McCanns prachtwerk zowel een historische roman als een erudiet boek óver het fenomeen geschiedenis.

    Evenwel moet niet worden gedacht dat we hier te maken hebben met een zware, moeilijk door te komen pennenvrucht van een auteur die zijn overpeinzingen in verhalend proza gegoten heeft. Integendeel, Trans-Atlantisch leest heerlijk weg en biedt voldoende spanning en humor. McCann hanteert in elk verhaal een schrijfstijl die passend is bij de inhoud. Het eerste verhaal, dat de vliegtocht van Alcock en Brown over de Atlantische Oceaan beschrijft, is bijzonder meeslepend geschreven; het vierde hoofdstuk, over het leven van de in Ierland geboren Lily, is ronduit schitterend.

    Al met al getuigt Trans-Atlantisch van een grote vertelkunst, van een verfijnde en diepgaande thematiek, van een flinke historische belezenheid en – uiteraard het állerbelangrijkst – van een vriendelijke houding ten aanzien van bijpersonages. Alhoewel, en nu spreekt de chauvinist in ondergetekende: Mr. McCann, waarom is uitgerekend ‘de Hollandse vader’, het enige Nederlandse personage in het boek, ‘lang geleden verdwenen’? Zéér verdacht.

     

    Trans-Atlantisch

    Auteur: Colum McCann
    Vertaald door: Frans van der Wiel
    Verschenen bij: Uitgeverij De Harmonie
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 22,50

     

  • Sterk wisselend niveau in nieuwe verhalenbundel

    Sterk wisselend niveau in nieuwe verhalenbundel

    Het nieuwe boek van Dirk Ayelt Kooiman, Het geheim van Carmen, bevat drie korte verhalen. Qua thematiek is er een verband. Ze gaan alle drie over schuld, schaamte en verraad. Ook de hoofdpersonages hebben veel van elkaar weg. Het zijn alle drie mannen, individualisten, tobberig en erg in zichzelf gekeerd. Maar zo nauw als de verhalen qua thematiek op elkaar aansluiten, zo verschillend zijn ze qua stijl en kwaliteit.

    De 67-jarige Kooiman heeft een redelijk oeuvre aan romans en verhalen op zijn naam staan, maar wordt nog altijd het meest genoemd in verband met zijn Montyn uit 1982 waarin hij in romanvorm het boeiende levensverhaal vertelde van de schilder, collaborateur, legionnair en Koreastrijder Jan Montyn. Een rode draad in zijn verhalen wordt gevormd door vragen over vervreemding en identiteit. Dat is in deze nieuwe verhalenbundel niet anders.

    Het best gelukt is het derde en langste verhaal, Schuld en boete. De zoon uit het huwelijk van een veel oudere man en een jonge actrice zet de bloemetjes buiten omdat hij zich nooit druk hoeft te maken om geld. Het lijkt of hem, een zondagskind, alles vanzelf aan komt waaien. Tot zijn moeder, bij wie hij een kamer huurt, sterft (zijn vader was al overleden toen hij 1 jaar was). Dan blijken de kaarten heel anders te liggen. Moeder laat louter schulden na en de zoon, intussen al een eind in de veertig, ziet zich ineens gedwongen verantwoordelijkheid te nemen voor een eigen leven. Om aan geld te komen kiest hij een heel andere weg dan je als lezer zou verwachten. Er ontspint zich vanaf dat moment een heuse pageturner.
    Schuld en boete is verreweg het sterkste verhaal. Het is consistent van vorm en verloop en het is spannend; de hoofdpersoon wordt iemand van vlees en bloed. Bovendien is Kooiman hier als stilist op zijn best.

    Helaas kan dat van de eerste twee verhalen niet worden gezegd.
    Het titelverhaal is een moderne versie van de Oedipusmythe. Mooi is de dubbele laag die Kooiman in amper 40 pagina’s weet uit te spinnen. Tegenover de Freudiaanse interpretatie van het Oedipusverhaal, toegepast op de psyche van de hoofdpersoon, staat als gespiegeld een schijnbaar alledaagse gebeurtenis in het leven van een probleemkind. Die gebeurtenis voltrekt zich in één dag, in een variant van de Oedipusmythe.
    Jammer is dat Kooiman er in kort bestek van alles bij sleept om de lezer toch maar vooral duidelijk te maken wat hij te berde wil brengen: in een kroeg ziet de jongeman, die door zijn vader is weggestuurd, een vrouw wier naam verwijst naar een patiëntencasus van Freud, hij treft een vriend die verzucht: ‘overal waar je kijkt is Freud’ en op straat hangt dan ook nog eens een poster ter aankondiging van het toneelstuk Koning Oedipus. Het ligt er allemaal wel erg dik bovenop, zoals het verhaal ook wel erg letterlijk wordt doordat de zoon zijn vader, na diens donderspeech, toevoegt: ‘Man, val toch dood’ – jawel, door Kooiman zelf gecursiveerd, om te voorkomen dat het de lezer ontgaat.
    Door dit alles krijgt je het gevoel dat dit eerste verhaal meer een snel geschetst idéé voor een vertelling is dan een uitwerking daarvan.

    Het middelste verhaal, Het eeuwige verraad, is het zwakste van de bundel. Gerard en Marleen, leden van een verzetsgroep, nemen deel aan een overval op een distributiekantoor. Op weg er naar toe zijn ze voor het eerst samen (zonder anderen erbij) en bekennen ze aan elkaar hun verliefdheid. Eén van de twee komt bij de overval om en de overlevende zal nooit iemand deelgenoot maken van hun geheim.
    Het manco is hier de verteltrant, die van een jongensboekachtig gehalte is. Er zijn ronduit zwakke zinnen, zoals: ‘Maar die illusie wordt onmiddellijk de bodem ingeslagen’. Hoop, denk je dan als lezer, kan de bodem worden ingeslagen, maar een illusie ís al vergane hoop.

    Het niveau van de verhalen wisselt dus nogal. Kooiman heeft eerder bewezen dat hij beter kan.

     

    Het geheim van Carmen

    Auteur: Dirk Ayelt Kooiman
    Verschenen bij: Uitgeverij De Harmonie (2013)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 16,90

  • Kleerscheuren

    Kleerscheuren

    ‘Literatuur veroorzaakt kleerscheuren’, zei Herm Pol een paar weken geleden tijdens de bespreking van een boek van Amélie Nothomb bij De Avonden. Een korte, krachtige én poëtische beschrijving van wat literatuur zou moeten doen en het geeft heel precies aan wat een van de problemen is van De aarde, de aarde, de nieuwste dichtbundel van Elly de Waard: geen enkel gedicht veroorzaakt zelfs maar een miniem scheurtje. Er zijn in deze bundel wel mooie, tere gedichten te vinden, zoals ‘Ach en wee’:

    ‘Zo mooi theekleurig
    batisten zakdoekje
    bemodderd en versleten
    op de grond –

    de draden van het weefsel
    nog zo fijn getekend, rafels
    gaatjes zelfs, verloren
    in verdriet of misschien
    weggesmeten, heeft zich
    als afgevallen blad
    vermomd’

    Gedichten waarbij je je kunt voorstellen dat De Waard ze opschreef, direct na een wandeling, zittend achter een raam in een van die hoge kamers van het prachtig gelegen Vogelwater. Gedichten die je verwacht in een bundel met de titel De aarde, de aarde. Dat geldt zelfs voor een gedicht als ‘Fantasma’ dat gaat over windwijngaarden in Donzières. Geen onderwerp waar je in eerste instantie aan zult denken als onderwerp van een gedicht, maar Elly de Waard toont aan dat in de aarde gewortelde energiefabrieken prachtige gedichten kunnen opleveren.

    Dat lukt haar niet met de aandelenhandel op het Damrak. Het onderwerp is net zo onverwacht, maar waar ´Fantasma´ wel overtuigt, doet ´Meesters van het geld´ dat niet. Het gedicht over de (wind)handel in het aardse slijk is – net als het onderwerp – te platvloers, te voorspelbaar. De mislukking wordt extra benadrukt, omdat het direct na het fijne ‘Ach en wee’ in de bundel is opgenomen.

    Waarmee het andere probleem van deze dichtbundel is genoemd: willekeur. Willekeur in onderwerpen, maar ook – zo lijkt het – in de volgorde van de gedichten. De titel suggereert een samenhang die er niet is in of tussen de gedichten, maar er wel was geweest als ‘De meesters van het geld’, ‘Over ons land’ en ‘Dodenherdenking’ niet in de bundel waren opgenomen. Die drie gedichten vallen uit de toon, niet alleen vanwege het onderwerp, maar ook vanwege de kwaliteit en het ‘tegeltjeseinde’ dat deze gedichten hebben. ‘Over ons land’ eindigt bijvoorbeeld met:

    ‘Massale droefheid verbroedert
    dat is het enige goede eraan.’

    Een gedicht dat al niet al te sterk is, wordt zo nog treuriger. Deze drie niet passende, en enkele andere gedichten die ook aan een obligaat einde lijden, doen afbreuk aan een verder prettige dichtbundel. Naast ‘Ach en wee’ zijn er in De aarde, de aarde nog een aantal mooie gedichten te vinden zoals ‘Vannacht’, dat het gemis van een al lang geleden verloren geliefde beschrijft en het prachtige ‘Aan Ingrid Jonker’ (een Zuid-Afrikaanse dichteres):

    Aan Ingrid Jonker (1933-1965)

    ‘Een dichter was je net als ik, geen dichteres
    en lange tijd was je hier onbekend.
    De wetten van je vader teên die swartmens
    hielden ook jou apart – van ons met name.
    Totdat je werk, dankzij Mandela, eindelijk openging.

    Wij zijn familie, hebben voorvaders en strijdbaarheid
    gemeen, wij spreken zustertalen. Over het wonder
    van de jouwe ben ik nog steeds niet heen,
    van afskeid, bitterbessie, en die kind, wat
    doodgeskiet is bij Nuanga deur soldate.

    Dat kind dat nu op reis is langs de noordrand
    van je continent, waar jonge mensen overal
    hún vrijheid eisen. Terwijl jij voor de tweede keer
    Europa doet, glansrijk gedragen door de
    Zwarte Vlinders, die je doen herrijzen.’

    Tussen genoemde diepte- en bijna-hoogtepunten is in de bundel een klein pareltje verstopt: ‘Na het afscheid’. Een gedicht vol spetterende levenslust, direct na het treurige en zompige ‘In memoriam de iep’:

    Na het afscheid

    ‘Groeien! schalt het tussen de stammen
    Groeien! er is een gat gevallen!’

    Je voelt het hele bos zich vol enthousiasme storten op het opengevallen iepengat en zo een treurig voorval omtoveren in een groen, glinsterend groeifeest. Als alle gedichten in De aarde, de aarde elkaar zo zouden hebben versterkt, zou de bundel dan wel een paar kleerscheurtjes hebben veroorzaakt? Vermoedelijk wel.

     

  • Modern manierisme

    Modern manierisme

    De debuutbundel van Iris Brunia is niet voor beginners. De uitnodigend woordspelige titel Laten we mijn lichaam delen wordt onder spanning gezet met een motto van George Bernard Shaw: ‘If you can’t get rid of the skeleton in your closet, you’d best teach it how to dance.’ Welk lijk komt hier uit de kast en hoe danst het?

    Een greintje humor, soms een binnenrijmpje, af en toe een metafoor of een strategisch geplaatst enjambement, maar heel jolig of poëtisch wordt het niet. Laten we mijn lichaam delen bestaat uit 45 pagina’s waarop 18 lange gedichten. Ieder gedicht is een stapeling van volzinnen die van alles beweren, maar geen gezellig doorlopend verhaal vertellen. Altijd is er wel een ik en een jij te bekennen, behalve in het laatste gedicht – daar gaat het over ‘wij’. ‘Ik’ en ‘jij’ bewonen een moeizaam tweepersoons universum. Twijfel, zichzelf herkennen in de ander of de ander niet kennen, delen of gespleten worden, afwenden en terugtrekken, vreemdgaan en binnendringen… Het valt niet mee, met z’n twee.

    Non bestaat niet
    Het eerste gedicht heet ‘Tegenwoord’ en begint zo: ‘Op deze maandagmorgen, een roerloos interval / tussen hoop en geloof / (mijt onder onze lakens met bloemen van ijs)/ want wat het betekent, de moed der wanhoop / hebben we pas eigenlijk begrepen toen / alles over was en nooit begonnen bleek / (lepel je mijn kiwi mee uit, dan zijn we nog even samen).’

    Wat hiervan te maken? De titel verwijst naar ’tegenwoordig’ en ‘weerwoord’. Het gaat over een beëindigde relatie of tegenvallende weekendliefde. In een klam koud bed (stofmijt en ijsbloemen), tenzij het patroontje op de dekbedhoes wordt beschreven. Met het delen van een kiwi wordt uitgesteld maar ook afgesloten wat nauwelijks begonnen bleek. De rest van het gedicht is nakaarten – lijkt het. Ooit had de ik de illusie de jij te kennen. Ooit drong de ik zich op aan de jij. En dan plots een stelling, gevolgd door een woordgrap: ‘daar waar het gebeurt, vindt zelden iets plaats / Zou het daarom zijn dat een non / non heet, alsof ze niet bestaat?’ Volgt een (gedroomd?) sprintje naar de wc met moeder Overste die beweert: ‘een teveel aan schaamte is een gebrek aan zelfspot.’ Waarna de jij de ik uitlacht om een dode mus waarnaar de linnenkast stinkt. Het geheel wordt afgesloten met: ‘Je zei het vergt slechts tegenwoordigheid van geest / alsof dat niks is.’

    Vervreemdend en ontregelend, en het weerspiegelt vast het ongemakkelijke leven van de ik, maar een lichte irritatie om zoveel vooropgezette duisterheid is moeilijk te onderdrukken. Biedt zoeken naar verbanden binnen en tussen gedichten wellicht  soelaas?

    Weekendtas en bellenblaas
    In deze bundel wordt veel gedeeld, weinig medegedeeld. Zelfs als je afziet van een ‘realistische’ lezing en de teksten alleen benadert als talig weefsel, dan nog moet de samenhang tussen de zinnen, strofen en gedichten steeds geconstrueerd worden. Niets spreekt vanzelf, er is geen sprake van een doorlopend verhaal, het is schotsen springen in betekenisland. De illusie van samenhang wordt wel gewekt – gedichten en bundel zijn beslist geen los zand, maar de code wordt niet meegeleverd.

    Je kunt natuurlijk op zoek gaan naar clusters van woorden en beelden, om te zien of daarmee een samenhang op een dieper of hoger niveau ontstaat. De ‘maandagochtend’ in het eerste gedicht kan wijzen op het einde van een weekendrelatie, en zoiets komt aan de orde in ‘Laten we mijn lichaam delen’: ‘om de week, afwisselend een weekend / Over halve dagen valt te praten’, terwijl verderop in ‘Reisadvies’ een weekendtas figureert en verspreid over diverse gedichten mogelijke verwijzingen naar een weekendje weg zijn te vermoeden. In latere teksten lijkt het soms of wordt teruggekeken op de scheiding uit het eerste gedicht: ‘Vanaf je vertrek / klinkt het gezoem van tl-buizen / snoeihard’ staat er in ‘schrap’. In andere gedichten worden wellicht eerdere fasen van de relatie opgeroepen.

    En dan is er iets met vliezen (van zeepbel tot huid) die iets omhullen, inkapselen of gevangen houden in met lucht of vocht gevulde ruimtes (’t is wat). In het eerste gedicht: ‘Je blies je adem uit door mijn bellenblaas en toen / de zeep een huid vormde om de lucht was ik gerust.’ In ‘de lijn uit’ gaat het over ‘water kan om alles heen’, en weer verderop over het aquarium bij de Chinees, waarin een nieuwe vis in een boterhamzakje ronddobbert. ‘Om te wennen zei de ober anders gingen ze dood / de overgang zou te groot zijn.’ Wellicht ook te linken aan de eieren en eierschalen die her en der opduiken, mede in verband met koekoeksjongen en zwanen. Maar welk lelijk eendje nu uitvliegt als een fraaie zwaan? En ook of hier wellicht wordt gerefereerd aan een miskraam, en of we daarmee het skeleton te pakken hebben? Geen idee!

    Baker het lichaam van de dode
    Het delen uit de titel blijkt meerduidiger dan gedacht: delen met een ander, maar ook in tweeën delen, een onherstelbare breuk bewerkstelligen tussen wat als eenheid is bedoeld. ‘We waren slordig, de tijd spleet ons’ staat er in ‘bont’. Soms klinkt ook de Bijbel mee (het delen van het brood als ‘lichaam van Christus’ tijdens het laatste avondmaal). Sommige gedichten verwijzen naar zwangerschap en seks, en bij de beiden wordt ook het lichaam (deels) gedeeld. Ook geboorte en sterven lijken te worden aangeduid. En terwijl zo op punten een vorm van samenhang lijkt te groeien, worden aan andere fronten vanzelfsprekendheden ondergraven. Misschien dat de jij niet in alle gedichten dezelfde is, kan je te vermoeden. En de ik misschien ook wel niet, of althans: niet steeds even oud. En zo puzzel je voort.

    In de laatste gedichten blijkt iets van een helingsproces. In ‘Reisadvies’ bijvoorbeeld: ‘Je drukt het gaspedaal zo diep in dat de breuken in de middellijn / verdwijnen.’ Snelheid creëert de illusie van ongeschondenheid. En in het slotgedicht ‘en we blijven bij onszelf’ (dat zich afspeelt in de olijftuin of de Efteling of allebei tegelijk staat ‘Geef me een kus/ We hebben nu elkaar’. Even heb je de illusie dat hier een probleemloze heelheid bereikt is, totdat je je realiseert dat ‘ bij onszelf’ blijven iets anders is dan ‘ bij elkaar’. En dan de laatste regel ‘Sneeuwwitje bakert het lichaam van de dode.’ Ook hier weer meerduidigheid: bakeren associëren we met baby’s en pasgeboren leven, maar het gaat hier om een dode. Het lijk van Jezus werd gewikkeld in doeken. Heeft dat er mee te maken of is dit doordraven?

    Thematische consistentie, eigenzinnige vorm, pregnante volzinnen en veelzeggende beelden, – het is er allemaal, maar na alle inspanning denk je: wat moet ik ermee? Misschien moet de lezer ervaren wat in de teksten wordt geschreven: gescheidenheid, verdeeldheid, buitengeslotenheid, afstand. Is dat de diepere bedoeling van Brunia’s gedichten, dat we al lezend doorstaan wat de ik meemaakt? Iets in je doet zich daartegen verzetten. Te persoonlijk (niet voor mij geschreven ) of te hermetisch (niet voor mij toegankelijk)? Bij aanraking spat de zeepbel uiteen…

     

    Laten we mijn lichaam delen

    Auteur: Iris Brunia
    Verschenen bij: Uitgeverij De Harmonie, 2013
    Aantal pagina’s:  48
    Prijs: € 15,90

  • Met een knipoog van Roald Dahl

    Met een knipoog van Roald Dahl

    Je wilt nu natuurlijk weten hoe het afloopt. Want waarom stoppen verhalen eigenlijk, waarom zouden ze ophouden? Ze kunnen niet ophouden, dat doen verhalen niet.
    Ze gaan door, eindeloos grenzeloos door. Er is altijd een vervolg, hoe je het ook wendt of keert. Iedereen wil altijd weten hoe het afloopt. Goed of slecht, vragen ze dan, maar daar gaat een afloop niet over, een afloop gaat over een einde dat onmogelijk plaats kan vinden.’

    Deze woorden luiden het einde in van ‘Wisselkind’, het laatste verhaal in de bundel Walsen, het prozadebuut van dichteres Elma van Haren.
    Het gaat in de verhalen van Van Haren ook niet om het einde. Wat aan dat einde voorafgaat is veel belangrijker, en vaak verrassend origineel.

    De meeste verhalen in deze bundel hebben in eerste instantie iets ongrijpbaars, ze ‘wringen’ soms een beetje. Dat is waarschijnlijk de dichter in Van Haren. Een tweede lezing doet ze ‘passen’. Dan vallen gebeurtenissen op hun plek en komen personages uit de verf en blijkt dat de auteur daarentegen ook kort en krachtig karakters en situaties weet te schetsen die meteen ‘staan’. De dialogen zijn eerlijk en sterk, en hebben niets gekunstelds en kunnen ongemeen direct zijn. Op de vraag ‘Is hij aardig, die vriend van je?’ antwoordt Peggy in het verhaal ‘De keerzijde’: ‘Hij is net een paprika […]. ‘Veel zaad, verder leeg vanbinnen.’

    Rohald Dahl
    Gevoel voor (wrange) humor en veel fantasie heeft Van Haren ook. In ‘Man en minnaar’ lees je grinnikend over het serieuze probleem van een overspelige man: wat te doen met de roze onderbroek die hij van zijn minnares kreeg? Veel vriendelijker is de verrassende wending in ‘Achter de grens’ waarin een vrouw succesvol, – ze vindt hem, maar dan! – op zoek gaat naar haar oude vlam. En de wat labiele Jeanne uit ‘De boodschap’ is toch niet gespeend van een vermogen tot relativeren: ‘Het hielp altijd wel, dat mediteren en nagaan wat er in  haar omging. De dokter had gelijk gehad, ze gaf het met tegenzin toe. Als het zo simpel was, op voorschrift van een dokter mediteren en daar nog baat bij vinden ook, verloor het gevoel van speciaal zijn de glans. Het diepere vinden door middel van het hogere bleek gewoon een kwestie van het jezelf aanleren en werd klaarblijkelijk door hele hordes beoefend.’ Vervolgens ontpopt zij zich tot een berekenende vrouw die wel heel inventief reageert op de stiekeme sterilisatie van haar echtgenoot.
    Roald Dahl had het niet beter kunnen verzinnen.

    Geestig creatief
    Van Haren laat de personages zich bewegen in een niet-geijkte, ook wel ongemakkelijke werkelijkheid. Soms zijn zij daar zelf verantwoordelijk voor, soms hun omgeving. De sterkste verhalen zijn die waarin de lezer even op het verkeerde been wordt gezet en die vervolgens een verrassende wending nemen.

    Gemiste liefde, oude liefde, onbegrepen liefde, kinderliefde, broederliefde, overspelige liefde, al deze vormen van liefde worden op een oorspronkelijke manier in Walsen vertegenwoordigd. De worsteling aan het begin van elk verhaal wordt in de meeste verhalen ruimschoots goed gemaakt door de geestig creatieve uitwerking van de plot.

     

     

  • Recensie door Rein Swart

    Recensie door Rein Swart

    Onbegrijpelijke dikdoenerij over een pornoverslaving 

    Adam Seconde lezen is een enorme worsteling. Wat te schrijven over deze lyrische beschouwingen rond een Noord-Hollandse pornofiel, een aan porno verslaafd geraakte jongeman? Wat bezielt een schrijver om een kleine vierhonderd pagina’s lang, net als Adam boven Eva, boven dit onderwerp te blijven hangen, zonder tot een verlossend inzicht te komen? Moet dit tot kunststukje verheven worden?

    Het lezen van dit boek doet sterk denken aan hermetische poëzie, waarbij het een hele kunst is de regels te decoderen, terwijl dat niet op de eerste plaats komt. Poëzie gaat meer nog over vervoering, klank, de charme van de raadselachtigheid. Als lezer van proza ben je al gauw op zoek naar betekenis, duidelijkheid, houvast, hoe zit het verhaal in elkaar?

    Adam Seconde komt uit de Streek, het gebied tussen Hoorn en Medemblik. De kleigrond vormt een tegenstelling met het duingebied rond Egmond aan Zee, waar het verhaal zich afspeelt. In zijn jeugd was Adam al gefascineerd door seksualiteit. Als hij autonummers noteert langs de kant van de weg, hangt er opeens een wonderlijke geklede jonge vrouw boven hem.

    ‘Vlak onder de zoom van haar leren mini hangen gewichtjes aan haar lippen, flarden kille avondlucht boven het aanzwellende asfalt, ze buigt, drukt zich tegen de bank van de parkeerplaats, ritst het leer omhoog. Doet ze een plas? Kan je niet goed zien. Duwt ze een hand tussen haar benen tot de bewegingsloze stand ontstaat, met onzichtbare schokken?’

    Adam jaagt dit soort ervaringen na en bekijkt harde pornobladen. Hij krijgt later een verhouding met Eva Première, die in het land van Maas en Waal woont. Zij vindt het moeilijk te accepteren dat Adam zich bezighoudt met internetporno en met andere vrouwen.

    Je vraagt je af of de schrijver zich realiseert wat hij de lezer aandoet met zijn associaties, en zou hem willen voorhouden dat porno burgerlijk is, zoals bijvoorbeeld ook Tweede Kamerlid Myrthe Hilkens stelt, dat de koppeling tussen porno en  mystieke vereniging op een drogreden berust en dat het bij pornoverslaving om iets heel anders gaat dan bij tantrische seks. Adam Seconde zoekt alleen maar naar het gaatje. Dat kan hem niet groot genoeg zijn.

    De verslaving neemt dermate ernstige vormen aan dat Adam gaat afkicken op een etage van de vroegere huisdokter Ron Tauber die samen met zijn vrouw Sandra inmiddels dik geld verdient aan producten uit de farmaceutische industrie en zich daarmee kan voorzien van verschillende huizen verspreid over Europa. Adam mag een aantal zomermaanden doorbrengen in hun appartement in Egmond aan Zee. De lezer vermoedt dat hij wraak wil nemen op de dokter en Sandra, vanwege de malversaties van Tauber maar daarvan blijkt in zo’n driehonderd pagina’s weinig. Pas op het eind keren we terug naar de beginscène die zich afspeelt op een zomerdag in 2006 waarin Adam vastgebonden boven zijn geliefde hangt, terwijl Sandra opgesloten zit in de badkamer. Ze heeft daarvoor nog de dokter vanuit Zwitserland opgeroepen om snel naar Nederland te komen omdat er iets niet helemaal goed gegaan is met de ontwenningskuur die Adam zou ondergaan.

    In het lange gedeelte daartussenin wordt in cryptische beelden en paradoxale taal verslag gedaan van de versmelting tussen twee personen in de oersoep. Elementen als de zee, het heen en weer gaan van de golven, de uitstorting in de branding, het surfen, zowel op de golven als op internet voeren naar Anita Feller, een pornoster, die niet neukt maar alleen zichzelf bevredigt en daarmee Adam begeestert. De taal is extatisch, geëxalteerd, of misschien past hier gezwollen beter. Groot gebruikt vaak lange ingewikkelde zinnen, zoals over een dag dat Adam een bezoek brengt aan een seksbioscoop in Alkmaar. ‘Want het betrof zo’n dag dat hij om de een of andere reden, die geen uitleg behoeft, niet onmiddellijk van plan was de kaasstad, na haar te hebben betreden, te verlaten, omdat, maar dit wist hij niet zeker, het kon zijn dat hij de kaasstad had uitverkoren om hem dit te onthullen, en dat hij de melk had geproefd vanuit de trein die immers het veld tot de einder waar de zee stroomt openbaart, en toen gedacht had, vanuit de beslagen coupé gezien, dat de melk en de kaas vandaag niet noemenswaardig van elkaar verschilden.’

    De tekst is doorspekt met buitenlandse en vooral Engelse termen, zoals in ‘Dit is de drive-in wereld, dit is coming home als going nowhere.’  Het is alsof een nieuwe Vinkenoog is opgestaan, bezwerend, maar dan meer op het seksuele dan op het spirituele vlak. ‘Kies leeftijd, ogen, taal, sterrenbeeld, sekse, maten, kies young, teeny, oma, dier, kies fucking, kies sucking, kies facial, kies fetisj, kies tijd, kies plaats, handeling, kies. Kies. Onkies.’

    Opvallend is de bijbelse connotatie, die al begint met de namen Adam en Eva. Veel uitdrukkingen zijn ontleend aan de christelijke eredienst zoals Ere zij God, maar dan toegepast op seksuele diensten. Af en toe breekt de verteller in en treedt in dialoog met de hoofdpersoon, waarbij het onduidelijk blijft wie er aan het langste eind trekt.
    ‘Dit is het moment. Vertel het maar. Nee, vertelt u het maar.’

    Verder zijn er flauwiteiten rond Ronnie Tober, Pipo de Clown met Potverdikkemedosie, meneer de Uil met Beste kijkbuiskinderen en het spelletje Wie van de drie. Als dit een thriller was geweest zou je het erop houden dat Eva de dader is geweest, die Sandra heeft opgesloten omdat ze geen concurrentie duldde en Jacob ophees om hem helemaal voor zichzelf te hebben. In deze wel erg lyrische beschouwingen gaat de plot ten onder aan onbegrijpelijike dikdoenerij.

     

    Adam Seconde

    Auteur: Jacob Groot
    Verschenen bij: Uitgeverij De Harmonie
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 19,90

     

  • Snijderseiland – Juliën Holtrigter

    door Ingrid van der Graaf

    Winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2011, Juliën Holtrigter komt begin februari met een nieuwe gedichtenbundel, getiteld Snijderseiland. De Turingprijs won hij voor zijn gedicht Onder de sterren, dat u hieronder kunt lezen.

    ‘Onder de sterren
    Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
    liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte.
    De vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.

    Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
    Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
    een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.

    Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
    bij machte terug te keren.
    En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof
    boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
    met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
    weg te zuigen. Daar lag ik.

    Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
    niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen
    en papier.’

    Juliën Holtrigter (pseudoniem Henk van Loenen) publiceerde onder meer in Maatstaf, Tirade, Hollands Maandblad en Poëziekrant. Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij uitgeverij Mozaiek. Gevolgd door: Het verlangen te verdwalen (2004), Het stilteregister (2006) en Het feest van de schemer ( 2009), bij uitgeverij De Harmonie waar ook zijn  vijfde bundel Snijderseiland verschijnt. De gedichten van Holtrigter verbeelden een rusteloos zoeken waarbij alledaagsheid verwordt tot geheimzinnige onwerkelijkheid.
    Holtrigter over zijn werk: ‘Wat ik opschrijf lijkt bij nader inzien het verslag van een reis. Het blijkt een zoeken te zijn naar wat zich achter de zichtbare werkelijkheid bevindt. Het is ook een relaas over pogingen tot onthechting en overgave.’ Steeds dringt zich een werkelijkheid op die groter is dan de waarneembare, maar die toch met handen en voeten aan die waarneembare werkelijkheid vastzit. Het is juist het aardse besef dat het besef van het bovenaardse oproept. Naast dichter is Holtrigter onder zijn eigen naam Henk van Loenen ook beeldend kunstenaar. Zijn beeldend werk bestaat hoofdzakelijk uit tekeningen en schilderijen in acryl op linnen en papier. Ook schildert hij in olieverf op linnen. Zijn werk is kenmerkend om zijn abstracte en tevens herkenbare vormen waarbinnen de menselijke figuur een belangrijk thema/motief is.

    Uit zijn binnenkort te verschijnen bundel Snijderseiland is het volgende gedicht:

    ‘Het licht
    Wakker geworden.
    De blinden zijn dicht maar het licht,
    soeverein,
    glipt door de kieren naar binnen.

    Ik stap naar buiten.
    Ik ruik het, ga liggen.

    Springlevend word ik gebalsemd,
    gewiegd als een prehistorische koning,
    geaaid als een veulen, ik adem.’

    Holtrigter won in 2003 de VU-Podium Poëzieprijs voor Dichter en onlangs de Concept Poezieprijs 2011 het gedicht Het laatste huis.

    De pers over Het feest van de schemer: ‘De smaak van deze gedichten is wonderlijk, soms een beetje bureaucratisch en stijf maar dan weer met een gekke, hier en daar haast surrealistische afdronk (….). Ik ken eerlijk gezegd geen dichter in Nederland met zulke visioenen.’ Rob Schouten in Awater, november 2009

    Ter attentie: het hierbovengeplaatste cover betreft niet de aangekondigde bundel Snijderseiland maar is de cover van Holtrigters laatste bundel uit 2009, Het feest van de schemer.

    Snijderseiland
    Juliën Holtrigter
    Blz: 48
    Prijs: 14,90
    Verschijnt begin februari bij: De Harmonie

    Voor meer inormatie bezoek de site van www.deharmonie.nl en www.henkvanloenen.nl

  • Als ik dat had geweten – Amanda Maxwell

    In de verhalenbundel Als ik dat had geweten zet Amanda Maxwell op komisch-aarzelende toon ongemakkelijke en absurde situaties neer. Het onhandig balanceren van haar personages tussen jeugd en volwassenheid weet zij precies te treffen.
    ‘En toen gebeurde er iets wonderlijks: ik hoorde een geluid. Het klonk niet als een vliegtuiggeluid of het geluid van een glas dat op de grond viel, maar alsof er iets werd gefluisterd. Het kwam van heel dichtbij. Ik keek naar het meisje naast me. Ze sliep. Toen hoorde ik het weer.
    ‘Shhh,’ klonk het.
    Toen ik omlaag keek, deed ik een heel griezelige ontdekking. Het geluid kwam van de glossy op mijn schoot. Ik tilde het tijdschrift voorzichtig op en bracht heel langzaam mijn oren in de richting van Scarlett Johanssons lippen.’

    Amanda Maxwell is geboren in Nieuw-Zeeland, maar woont in Sydney. Enkele van haar verhalen werden eerder in Nederland gepubliceerd in Vice Magazine. Een deel van haar geschreven werk wordt als kunst geëxposeerd in een aantal grote galeries in Australië. Als ik dat had geweten is haar debuut.

    Op de website van Athenaeum Boekhandel staat een (engelstalig) interview met haar.

    Als ik dat had geweten

    Auteur: Amanda Maxwell
    Vertaald door: Boukje Verheij
    Verschijnt bij: Uitgeverij De Harmonie (oktober 2010)
    Prijs: € 16,90