• Vriendinnen in Kaboel in 1991

    Vriendinnen in Kaboel in 1991

    Gaat het debuut van Tahmina Akefi positief ontvangen worden? In de boekhandel vormt de stapel met Geen van ons keek om de wolkenkrabber tussen andere net gepubliceerde boeken. Dat is verrassend omdat Akefi nog een onbekende is in ons literaire land. Of zij voldoende nieuwsgierigheid gaat wekken is nog de vraag. Haar roman doet dat helaas niet.

    Toen Akefi twaalf jaar was, vluchtte ze met haar ouders een aantal keer binnen Afghanistan en later emigreerde ze naar Nederland. Haar ervaringen en herinneringen aan die tijd heeft ze gebundeld tot een verhaal, en hoewel dit deels autobiografisch en deels fictief is, geeft het volgens de schrijfster zelf de ware verborgen geschiedenis van Afghanistan weer. Akefi’s roman sluit daarom goed aan bij de thema’s van Khaled Hosseini, die erg in de belangstelling staan. Maar dat er maar liefst zestien uitgeverijen enthousiast reageerden op Akefi’s manuscript, blijft een groot raadsel. Eén ding is zeker: Hosseini hoeft niet bang te zijn voor concurrentie binnen dit genre: we hebben te maken met een droge verhaallijn die in niets meeslepend of zinderend is, terwijl het onderwerp zich daar uitstekend voor leent.

    De herinneringen in het boek gaan terug naar Kaboel en Afghanistan in de periode van 1991 tot 1995. De hoofdpersonen, hartsvriendinnen en buurmeisjes Setara en Tiba zijn in 1991 ongeveer twaalf jaar. Hoewel de thuissituatie van de meisjes sterk verschilt, zijn ze dikke vriendinnen. Ze komen elkaar dagelijks achter het huis tegen waar ze hun dromen over de toekomst en de liefde delen. Omdat Akefi de meisjes niet karakteriseert, blijven Tiba en Setara onbekenden voor de lezer.

    In Kaboel verandert de sfeer, en dat merken de meisjes. Het begint hen op te vallen dat er verhalen en geruchten de ronde doen, en dat mensen anders reageren dan voorheen: ‘Setara vond zijn reactie opvallend. We hadden hier vaker met mensen gesproken die we niet kenden. Tot nu toe had de winkelier zich er nooit druk om gemaakt.’ Is er sprake van een sociale verandering? Zelfs in het gezin van Tiba zijn er geheimen: ‘Agha djan wilde niet zeggen waarom Reshad niet meer lang weg mocht blijven. Hij wilde weten met wie Reshad omging en waar hij met zijn vrienden over sprak.’ De controle wordt op alle niveaus in de samenleving vergroot en dat maakt de vriendinnen alert. Ze weten niet wat er aan de hand is, maar hebben af en toe wel hun vermoedens en zijn zich bewust van de verandering. De vriendinnen gaan graag naar school, maar zijn sinds kort als de dood voor hun nieuwe schooldirecteur, die zijn baard heeft laten staan, heel streng is en Tiba slaat omdat zij de dochter van de kolonel is: ‘Hij had zijn nette pak ingeruild voor een soort jurk. De directeur liep op me af terwijl hij me bleef aankijken. Ik richtte mijn blik naar de grond toen hij tegenover me stond. Wanneer hij zijn hand uit zijn zak haalde en aanstalten maakte om me te slaan heb ik niet gezien. Ik weet alleen dat ik door de kracht van zijn hand op de grond dreigde te vallen.’ De directeur legt de leraressen kledingvoorschriften op: er mogen geen korte rokken meer worden gedragen, en armen en benen moeten bedekt zijn.

    Als de moedjahedien Kaboel binnenkomen, nemen ze de stad onder vuur. Een grote explosie volgt, de grond trilt en de meiden worden door hun familie naar binnen gehaald. Vanaf dat moment zijn ze nergens meer veilig. Tiba’s gezin slaat op de vlucht en ze moet Setara verlaten.

    Tiba, de ik-persoon vertelt het hele verhaal. Dit doet ze met korte zinnen, die uit een ouderwetse kindervertelling lijken te komen. Hierdoor ontbreekt diepgang omdat haar zinnen soms doen denken aan de en-toen verhalen die kinderen eigen zijn. Het verhaal bevat geen metafoor of beeldspraak, mogelijk omdat dit gebruik kinderen juist niet eigen is. De keuze om het verhaal chronologisch te vertellen is weinig verrassend. Het maakt het inzichtelijk maar tegelijkertijd ook tot droge kost. Daardoor zit er een bepaalde voorspelbaarheid in. Herhaaldelijk wordt er gereageerd op de verwachting van de lezer. Hoewel Tiba vreselijke dingen meemaakt blijft drama achterwege. Als Tiba haar gevoelens meer had geuit, had dat misschien het verhaal extra kracht bij gezet.

    Het is aannemelijk dat dit boek een passend begin is voor jonge, onervaren lezers. Scholieren van de middelbare school zouden het boek wellicht kunnen lezen voor de boekenlijst omdat het nogal toegankelijk is. Niet de bovenbouw-, maar wel de onderbouwleerlingen halen dan genoeg voldoening uit de tekst. Voor hen zou deze roman geschikt zijn omdat hun aandacht niet verdeeld hoeft te worden: er is enkel een verhaal. Debutante Akefi slaat met Geen van ons keek om een brug tussen kinderliteratuur en jongerenliteratuur.

     

     

  • Recensie door: Hugo Brutin

    Recensie door: Hugo Brutin

    Een boek als bergplaats

    Mathilde Berger heeft het diplomatenmilieu van Parijs verlaten om zich als boekbindster te vestigen in Monlaudun, in een steegje dicht bij een doorwaadbare plaats aan de rivier, een gezellig en veilig oord met een bakker, een horlogemaker, een kruidenierswinkel uitgebaat door twee zussen waarvan er een gek is, en een ouderwetse winkel van ijzerwaren. Iedereen houdt van haar behalve de twee oude vrijsters. Zij voelt er zich geborgen.

    Zij heeft de stiel van haar grootvader geërfd en voortgezet. De auteur vertelt uitvoerig en nauwgezet hoe zij boeken ontkleedt, uiteenhaalt en opnieuw aankleedt en ze een nieuw leven bezorgt, hoe zij diverse documenten tot een enkel indrukwekkend sieraad omtovert.

    Haar boekbinden wordt pas echt uitgebreid beschreven wanneer een vreemde onbekende ‘spectaculair knappe’ man haar een merkwaardig boek toevertrouwt dat erg beschadigd is en dat hij graag opnieuw en voortreffelijk ingebonden wil zien. Zij is erg onder de indruk van zijn kort verschijnen en totaal in de war wanneer zij verneemt dat de man op weg naar het station door een vrachtwagen is aangereden en sterft. Zij wordt verliefd op een dode man.

    Telkens wanneer haar emoties een intense piek bereiken of er iets belangrijks gebeurt in haar zoektocht naar de identiteit van de man, krijgen wij een veelal behoorlijk passend citaat uit Cyrano de Bergerac van Edmond Rostand te lezen. Het fungeert als een soort klankbord, als een andere manier om een emotioneel geladen moment literair te projecteren en ietwat vergeestelijkt aan te vullen. Cyrano fungeert als een talisman, als een soort profane bijbel met brokjes tekst die bijwijlen profetisch lijken of verrassen omwille van het feit dat zij zo adequaat inspelen op wat daarnet gebeurde.

    De vertaalster heeft zich daarbij gebaseerd op de vertaling van Laurens Spoor ( Bert Bakker,  Amsterdam 2003) zoals zij in de technische passages die uitvoerig, maar niet langdradig, ingaan op het boekbinden de adviezen van boekbindster Aira Muhonen heeft ingewonnen.

    Bij het bericht van de tragische dood van de jonge man komt het verhaal pas goed op dreef. Het achtergelaten boek, dat alleen tekeningen en aquarellen bevat die een vreemd bouwwerk in een bos afbeelden, staat centraal. Het bergt enkele geheimen in zich, ondermeer in de vorm van een stukje houtskool en een briefje met enkele namen die in de rug van het boek zijn weggestopt of verdwaald wellicht.

    Veel aandacht gaat naar het bewerken van het gehavende boek. Het is net niet te veel, maar die uitgebreide en precieze kennis verbaast wel enigszins tot we lezen dat Anne Delaflotte Mehdevi sinds 1993 in Praag woont en er als – inderdaad – boekbindster werkt. Zij werd in 1967 in Auxerre geboren en groeide op in Saint-Sauveur-en-Puisaye waar de beroemde Franse schrijfster Colette haar jeugdjaren doorbracht. Zij studeerde internationaal en diplomatisch recht en zang. Dit is haar eerste boek dat in 2008 bij Gaïa Editions, een niet zo bekende Franse uitgeverij, onder de titel Le relieuse du gué werd uitgegeven. Inmiddels verscheen er haar tweede roman getiteld Fugue.

    Haar frisse en gevoelige stijl heeft iets typisch Frans in die zin dat er steeds wat poëzie om de hoek komt gluren, dat enige nostalgie aanwezig is en een vertederd mijmeren omtrent wat vroeger intens aanwezig was en nu verdwijnt of al verdwenen is. In die optiek doet haar roman denken aan het werk van Annie Ernaux en van Philippe Claudel wanneer hij meewarige herinneringen oproept.

    Hoewel het geen thriller mag worden genoemd, toch heerst er enige spanning, want het precieuze en bijna magische aquarellenboek verwijst letterlijk en figuurlijk naar wat begraven ligt onder de stoflagen van de tijd. Het is bron van lichte intriges, raadsel en discrete wegwijzer naar ook alweer materiële verborgenheden en andere die met het wezen mens te maken hebben, met goed en kwaad en wat daartussen ligt.

    De plot mag ik u niet verklappen. Net zoals alles wat in de roman gebeurt, is die plot niet echt opzienbarend, maar gewoon refererend aan droom en werkelijkheid, bijwijlen wat voorspelbaar en zelfs ietwat naïef. Toch boeit zowel de losse en ongekunstelde schrijftrant als de serene inhoud van vriendschap en welvoeglijkheid, van menselijke warmte.
    Een kabbelend beekje lijkt het wel met enkele schilderachtige stroomversnellingen.

    Een bestseller wordt het niet, daarvoor is het te sierlijk geschreven, te eenvoudig, te weinig lawaaierig, te verheven van gevoelens.

     

    De boekbindster

    Auteur: Anne Delaflotte Mehdevi
    Vertaald door: Pauline Sarkar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus (2011)
    Aanta pagina’s : 222
    Prijs: € 17,90

     


  • Taxi – Karen Duve

    ‘De jonge Alex Herwig werkt in de jaren negentig als taxichauffeuse in Hamburg. Vooral ’s avonds en ’s nachts, want dat levert het meeste geld op. In de duistere uren ontdekt ze de onderkant van de maatschappij, vol prostituees, pooiers, en dronken mannen. Alex blijkt zelf ook over minder fraaie kanten te beschikken. Ze raakt steeds meer bezeten van emotieloze seks, en is niet in staat de liefde van de psychologiestudent Marco te beantwoorden. Duve beschrijft haar personages stuk voor stuk op zeer humoristische wijze als stumpers die spartelend het hoofd boven water proberen te houden.
    Karen Duve was zelf jarenlang taxichauffeur. Haar nachtelijke ervaringen met passagiers (‘veelal afschuwelijke, stinkende mensen’) liggen aan de basis van het ironische man- en mensbeeld in Taxi.’

    Karen Duve werd in 1961 geboren. Ze groeide op in Hamburg. Na haar eindexamen had ze verschillende baantjes, onder meer als corrector en taxichauffeur. In 1999 werd haar debuutroman gepubliceerd, Regenroman. Regenroman had veel succes in Duitsland en werd in elf talen uitgegeven. Taxi is na RegenromanDit is geen liefdeslied en De ontvoerde prinses de vierde roman van Duve bij De Geus. Taxi stond op de longlist van de Duitse Buchpreis.

    Taxi

    Auteur: Karen Duve
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Prijs:  € 19.90

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Een sociale stuntel met diepzinnige gedachten

    De van oorsprong Nieuw-Zeelandse en sociaal onhandige Grace onderbreekt het schrijven aan haar roman voor een weekend in de Midlands bij het gezin van een Engelse journalist die haar heeft uitgenodigd na een vraaggesprek met haar over haar werk.

    Met deze ene zin is het boek te omschrijven dat Janet Frame heeft achtergelaten zonder dat duidelijk was of dit mocht worden uitgegeven en dat nu door haar bezorgers aan de wereld is prijsgegeven. Toch zegt dit niets over het originele en openhartige proza dat Frame schrijft.  Al op de eerste bladzijde noteert Grace dat het weekend zich opdrong, dat de roman tussen het tweede en derde deel bleef steken en dat ze daarom haar personages maar even vrij liet om gehoor te kunnen geven aan hun drang tot dansen of vliegen en een verhaal over het weekend te schrijven.

    Grace is dan ook geen gewone schrijfster, ze is zelfs geen gewoon mens, maar een trekvogel. Het motto is ontleend aan een strofe uit het gedicht De eilanden van Charles Brasch, waarin grutto’s vanuit hun gekwelde baai naar een andere zomer verdwijnen.

    Het is zeer voorstelbaar dat de nogal eenzelvige schrijfster die met genoegen in haar appartement in Londen aan het werk is, er tegen opziet om een weekend lang in een onbekend gezin door te brengen. Ze kent alleen Philip Thirkettle, de heer des huizes, die haar heeft uitgenodigd omdat zijn vrouw Anne en zijn inwonende schoonvader uit Nieuw-Zeeland afkomstig zijn.

    In de trein vreest Grace hetgeen haar te wachten staat. Haar fantasie gaat met haar op de loop. Ze weet zich bij voorbaat kansloos naast de knappe vrouw van Philip, is bang door de kinderen aangestaard te worden en vreest dat zij als schrijfster met briljante ideeën moet komen die ook al tijdens het vraaggesprek uitbleven. Grace kon met geen mogelijkheid zeggen waar haar boeken over gaan. Ze heeft ze zelf niet eens meer in bezit en moet ze, als voorbereiding op een interview, lenen om te weten wat ze heeft geschreven. Ze heeft weinig affiniteit met haar eigen werk. Een schrijfster loopt vlekken op van uitgever, recensent of agent, zegt ze in haar eigen woorden. 

    Als ze eenmaal in de Midlands gearriveerd is, blijkt de schoonvader afwezig en Grace krijgt zijn kamer. Het gezin heeft twee jonge kinderen. Grace zegt dat ze wel raad met hen weet omdat ze vroeger heeft lesgegeven, maar ze voelt zich onthand, net als tijdens de conversaties. Spreken is voor haar rommelig gemodder.

    ‘Wanneer onze gedachten rondtollen, maken we onszelf vaak wijs dat hun heftige beweging een teken is van hun levendige originaliteit, van het op losse schroeven zetten van vooroordelen en vaststaande ideeën, terwijl het al die tijd waarschijnlijker is dat de machine waarin ze zich bevinden niet meer is dan een geavanceerde betonmolen, en als we klaar zijn met denken, worden die malende gedachten gladgestreken in de onveranderde oude mal en wanneer ze zo uitgehard zijn dat je erop kunt dansen, bouwen, erop kunt reizen, zouden we ons hun eerste bedrog, de hoop die ooit werd gewekt door hun schijnbaar ingrijpende herstructurering, niet eens meer kunnen indenken.’

    Ze durft niet tegen haar gastheer en -vrouw te zeggen dat ze een trekvogel is.

    ‘Waarom zou ze het hun niet vertellen, waarom niet uitleggen? dacht ze bij zichzelf. (…) Toch is het de regel dat mensen bang worden en jaloers zijn wanneer een ander eindelijk heeft vastgesteld wat zijn identiteit is; het maakt dat ze gaan nadenken over hun eigen identiteit, hem gaan afschermen en koesteren uit angst dat hij geleend zal worden of dat iemand zich eraan vergrijpt, en terwijl ze bezig zijn hem te beschermen komen ze met een onaangename schok tot de ontdekking dat hun identiteit niets is, iets wat ze gedroomd, maar nooit gekend hebben;’

    Identiteit is een belangrijk thema in dit boek. Soms denkt ze dat Anne en Philip haar ouders zijn. Ze vindt het vreselijk dat identiteiten zo door elkaar lopen. Tijdens het weekend wordt ze overvallen door herinneringen aan hun grote arme gezin in Nieuw-Zeeland, zoals beschreven in Een engel aan mijn tafel en prachtig verfilmd door Jane Campion. Hoewel Frame daar al veel over heeft gepubliceerd, lijkt het verleden haar niet los te laten.

    Haar vader George was een spoorman, waardoor ze vaak moesten verhuizen. Hij maakte de eerste wereldoorlog in de loopgraven mee en vertelde daarover dat hij alleen maar wilde overleven en naar huis wilde, hetgeen Grace tot een mooie bespiegeling brengt over de oorlog die door de wind naar de mensen toe geblazen wordt, die binnendringt in mensen, iets van steelt, iets toevoegt, de loop van hun leven verandert.

    Philip laat haar voor vertrek nog een schijnbaar interessant viaduct zien. Volgens Grace omdat het ongepast is om iets fraais over jezelf te zeggen. Engeland komt er slecht af vergeleken met Nieuw-Zeeland en dan gaat het niet alleen over het klimaat, maar ook over de innerlijke natuur van de Britten, die te aangepast zijn om nog om echt te kunnen zijn. Van ruilen komt huilen, weet Grace. 

    Haar manier van schrijven doet denken aan Jenny Diski, die net zo getormenteerd en eigenzinnig schrijft als Janet Frame. Grace was vroeger bijvoorbeeld bang als de naam van haar moeder werd uitgesproken, want dan was het net alsof ze haar moeder een beetje kwijt was. Dit soort ontboezemingen maken het lezen tot een feest. Janet Frame is een schrijfster naar mijn hart.

    Een andere zomer

    Auteur: Janet Frame
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Prijs € 19,90

  • Ook de vijand is een mens

    Ook de vijand is een mens

    Irène Némirovsky (1903-1942) was een joods Franse schrijfster, geboren in Kiev. In 1929 stuurde ze haar eerste manuscript, ‘David Golder’, naar de Franse uitgever Bernard Grasset. De roman oogstte meteen een enorm succes. Haar literaire carrière werd echter bruut afgebroken door de inval van de nazi’s in Frankrijk. Toen ze in 1942 als stateloze joodse werd weggevoerd, lukte het haar nog net een koffertje met het manuscript van Storm in juni aan haar dertienjarige dochter Denise te geven. Irène Némirovsky werd vermoord in Auschwitz. Denise besloot op haar 74ste dat Storm gepubliceerd mocht worden.

    Dit staat in het kort in het voorwoord bij ‘Storm in juni’. Het maakt het lezen al meteen beladen, maar gelukkig schrijft ze zo goed dat je dit vergeten kunt in de twee delen van haar manuscript die dan volgen. Ze beschrijft hoe – voordat de Duitsers Parijs binnenvielen – de bewoners in paniek op de vlucht sloegen. De gegoede klasse had een of meerdere auto’s en kon heel wat meenemen, maar er waren ook mensen die enkel met een koffertje in de hand gingen lopen. In deze grote stroom mensen bleven dan de auto’s weer vastzitten, kortom grote chaos. We volgen meerdere personages: De familie Péricand is een van de rijke families, ze hebben twee auto’s, en kunnen behalve het gezin, inclusief de hulpbehoevende opa en de bedienden ook veel huisraad meenemen.

    De oudste zoon is pastoor Philippe, hij reist niet met het gezin mee, maar heeft een groep jongens uit het heropvoedingsgesticht onder zijn hoede. Dit loopt uit op een catastrofe. Mevrouw Péricand gaat er prat op zich aan de regels van haar stand te houden, en daarbij de armen niet vergeet. Deze onverwachte reis met de nodige ontberingen doet de nodige barstjes in dat pantser ontstaan. Zoon Hubert is vastbesloten te vechten tegen de Duitsers, en keert met hangende pootjes terug. Dan is daar Charles Langelet, een arrogante man die neerkijkt op het plebs.

    “Hij schepte er een pervers genoegen in om al die brave zielen het plezier te onthouden dat ze verwachten als ze hem uithoorden, want het waren vulgaire, grove wezens die misschien wel dàchten dat ze medelijden voelden met de mensheid, maar in werkelijkheid alleen maar op sensatie belust waren. Wat is er toch veel vulgariteit in de wereld, denkt Charles Langelet bedroefd. Altijd weer werd hij somber en verontwaardigd als hij merkte dat de echte wereld bevolkt werd door arme drommels die nog nooit een kathedraal, een beeld of een schilderij hadden gezien. De happy few, waartoe hij zichzelf rekende, reageerde trouwens al even stompzinnig en slap als het volk op de slagen van het lot.”
    Datzelfde lot zet Langelet op zijn nummer. De Michauds, die hun enige zoon aan het front weten, worden op het laatste moment niet door hun werkgever meegenomen, maar moeten met hun koffertje in de hand de stroom volgen. Als ze vast lopen, keren ze terug naar Parijs, en daar krijgen ze bericht van hun zoon. De uittocht maar eigenlijk de oorlog heeft een grote omwenteling veroorzaakt: niet alleen zijn alle mensen in het ogen van het gevaar gelijk, er treedt ook een verschuiving op in het bezit van aardse goederen. Er is een verandering van mentaliteit, een verandering van sfeer.

    In deel 2 beschrijft ze hoe de Fransen reageren op de bezetting van de Duitsers. Zij zijn natuurlijk de vijand, maar het blijken ook mensen te zijn. Heel gewoon, precies als zijzelf. De jonge vrouwen zitten zonder mannen, die in Duitsland gevangen zitten, en de Duitse sodaten zijn veelal jong en voorkomend. Diverse vriendschappen en liefdes bloeien op.
    De Duitser zegt:

    “(…) het is het grootste probleem van deze tijd: het individu tegen de gemeenschap, want oorlog is dé gemeenschapsdaad bij uitstek. Wij Duitsers, wij zijn gemeenschapsgezind, op dezelfde manier als bijen korfgezind schijnen te zijn. Aan die gemeenschappen hebben we alles te danken: onze levenssappen, onze luister, onze geur, onze liefde.”
    en de Française denkt “Mijn god, hebben ze dan niets geleerd? Die twee mijoen doden die in de vorige oorlog aan onze kant zijn gevallen werden ook al geofferd aan de ‘korfgeest’ en vijfentwintig jaar later… wat een volksverlakkerij! Wat een zelfingenomenheid! (…) Er zijn toch wetten om het lot van bijenkorven of mensenvolken te regelen?”

    Deel 2 eindigt als de Duitsers grotendeels wegtrekken uit Frankrijk, om aan het Oostfront te vechten. Er volgt nog een bijlage met aantekeningen van de schrijfster. Opmerkingen over het manuscript en opmerkingen over haar plannen: nog drie delen schrijven waarbij ook de personages van de eerste twee delen bij elkaar komen. Helaas heeft dat niet zo mogen zijn. Op 13 juli 1942 werd Irène Némirovsky weggevoerd. Het voorwoord en de bijlage geven het boek een extra lading mee. Waardoor het zoveel meer indruk maakt dan alleen het verhaal van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog was geweest.