• Tango, tango en nog eens tango

    Tango, tango en nog eens tango

    Alles draait om de tango in De eeuw van Carlos Moreno Amador, het romandebuut van Onno Wesseling. De tango als metafoor voor het leven. Liefde, lijden en passie. We zien het allemaal voorbij komen in deze familiekroniek die drie generaties omspant.

    Het verhaal begint aan het einde van de negentiende eeuw wanneer de jonge Antonio Moreno de Italiaanse armoede ontvlucht en zich vestigt in Buenos Aires. Hij wordt wanhopig verliefd op de getraumatiseerde Ana, die niets van hem wil weten. Toch weet hij haar voor zich te winnen door middel van veel geduld en de tango. Samen krijgen zij zoon Carlos. Ana bezwijkt in het kraambed en laat een gebroken echtgenoot achter die zijn zoon de dood van diens moeder verwijt. Ondanks zijn weinig liefdevolle jeugd ontwikkelt Carlos zich tot een charismatische persoonlijkheid en buitengewoon getalenteerd tangodanser. Samen met zijn geliefde, de ex-prostituee Miguela, ontvlucht hij het Argentijnse onderwereldmilieu en vestigt zich in Frankrijk. In het vooroorlogse Parijs oogsten ze al gauw succes met het dansen van de tango. Van dakloze verschoppelingen weten ze zich omhoog te werken tot een beroemd tango-echtpaar. Het zijn goede jaren waarin ook zoon Leon wordt geboren. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en wegvoeren van de Joodse Miguela maken een einde aan dit familiesprookje. Carlos stort in, laat het opvoeden van Leon aan anderen over en leeft erop los zonder doel. Maar niet voor eeuwig. Daarvoor stroomt er teveel tango passie door zijn bloed.

    Wesseling heeft een treffend en mooi debuut geschreven dat naar meer smaakt. Het gemak waarmee de schrijver zijn verhaal door de historie en verschillende culturele achtergronden heenloodst, dwingt bewondering af. Des te meer omdat we hier met een debutant te maken hebben. Daar doen zelfs de personages die wat meer uitgewerkt hadden kunnen worden en een wat gekunsteld einde niets aan af.

    Kortom een mooi boek dat menig in het water vallende vakantie kan redden.

     

  • Geen tijd gehad om te schreeuwen

    Geen tijd gehad om te schreeuwen

    ‘Altijd wanneer de zondag, zoals vader zei, aan de hemel verscheen, vond vader de splinters in zijn soep’. De zin is de opening van Het lied van het marcheren, een verhaal van amper drie pagina’s. Een poging om het ‘samen te vatten’ kan gemakkelijk uitlopen op meer woorden dan het verhaal zelf telt. Jaarlijks tijdens een feest bij tante zingen de mannen, die allemaal hebben gevochten in de oorlog. Zodra het donker wordt laten ze met trillende stem het lied horen dat hen bindt: het lied van het marcheren. Hun vrouwen luisteren huilend. Op elk volgend feest zijn er weer minder mannen over om mee te zingen. Tot de laatste is gestorven. Op het feest dat dan volgt zetten de vrouwen, zodra het weer donker wordt, de bandrecorder aan en klinkt ‘het lied van het marcheren’.
    Eigenlijk is het niet eens een verhaal. Het is meer een impressie door de ogen van de dochter.

    De heruitgegeven bundel Barrevoetse februari (eerder in vertaling verschenen in 1987) van Herta Müller telt 27 stukken. Er zijn er bij van nog geen halve pagina en een enkel verhaal haalt bijna de 30. Maar in zekere zin zijn ze allemaal kort. En kaal. Müller houdt van emotieloze, louter registrerende taal. Het zijn staccato zinnen, kil bijna, die zorgen dat tragiek des te dieper doordringt.

    Meteen al in het tweede stuk, De grote zwarte as, ontvouwt zich een veelheid aan indrukken van een afgelegen dorp door de ogen van een jong meisje. In haar verbeelding, gevoed door oude verhalen, draaien de gestorvenen onder de aarde aan de grote zwarte as die het leven voortwentelt tot onherroepelijk de volgende sterft. Verder wordt er het zwijgen toe gedaan. Het dorp loopt uit voor zigeuners die een toneelvoorstelling – er is duidelijk de legende van Genoveva van Brabant in te herkennen – komen geven, maar ze worden met achterdocht bejegend omdat ze stelen, zelfs kinderen. De rode kip is al zoek en de jurk die de actrice draagt zal ook wel gestolen zijn.
    Het jonge meisje wordt door de moeder op pad gestuurd om een ketting te laten repareren bij de smid en haar wandeling naar hem toe suggereert ons verschillende verzwegen geschiedenissen. Kijkend naar de toneelvoorstelling raakt ze haar ketting kwijt. Aan de lezer dringen zich ondertussen parallellen op tussen de legende en het verhaal dat we lezen.
    Zo wordt in nauwelijks 20 pagina’s de beklemmende sfeer van het dorp geschetst, zonder dat Müller sentimenten opdringt.

    Dezelfde benauwing stijgt op als Müller vertelt over het vertrek van een zoon naar de oorlog. Tegen de wil van de beide ouders, die echter niet het vermogen hebben hun vrees voor een fatale afloop met elkaar te delen.
    Of in de gedachten van een vrouw die bij het graf van haar grootmoeder haar zwangerschap overdenkt.

    Alle boeken van Müller zijn niet los te zien van de achtergrond waarin zij als kind opgroeide, als lid van Duitse minderheid in een Roemeens dorp onder de communistische dictatuur. Het leven was er sober en je moest op je woorden passen. Ze studeerde Germanistiek en Roemeens, maar werkte in een machinefabriek. Daar werd ze ontslagen omdat ze weigerde met de Securitate samen te werken. In Roemenië kreeg ze al snel een publicatieverbod.
    In Nederland bleef ze lang tamelijk onbekend. Haar Barrevoetse februari werd door De Geus in 1987 uitgegeven, gevolgd door drie romans, maar ze bleef een onbekende voor het grote publiek. Dat veranderde toen ze in 2009 de Nobelprijs voor Literatuur won. Boeken als Ademschommel en de bijtende essaybundel De koning buigt, de koning moordt maakten op een groter wordende kring lezers diepe indruk.

    Vaste thematiek in alle stukken is het leven van gewone mensen onder druk van een dictatuur. De verhalen kennen steeds uitgebeende zinnen waarin de schrijfster van de hak op de tak lijkt te springen, maar die een consistent verhaal opleveren over een kleine Duitse gemeenschap in een Roemeens dorp rond de Tweede Weereldoorlog. Wat er precies gebeurde weten we niet uit dit boek – Müller geeft alleen impressies zonder erg concreet te worden – maar uit de andere boeken en het leven van Herta Müller zelf.

    Opvallend is hoe vaak de schrijfster werkt met repeterende zinnen en associatieve sprongen. Dat maakt sommige stukken moeilijker toegankelijk dan andere. Het titelstuk Barrevoetse februari bijvoorbeeld: ‘Dit is de tijd vlak na de dood van een vriend.
    De lange reis was een spoorlijn, het ijzer van de instanties. De coupé reed. Het raam joeg beelden voor zich uit. Alleen zijn kaakbeen was stukgeslagen. Alleen zijn blik bevroren van de kille verhoren. Alleen zijn brieven en gedichten naakt en uitgelachen.’
    Waarover gaat dit feitelijk? Müller noemt geen naam, geen datum, geen arrestatie. Maar het intense verlies en de repressie zijn voelbaar.

    Tussen de merendeels barse taal duiken soms plotseling poëtische beelden op. Hoe prachtig wordt niet de ontheemdheid (in Müllers werkelijke leven is die er als lid van een Duitse minderheid in Roemenië) neergezet in één zin: ‘Wat is dat voor een land, dat aan je vingers rukt, als je je koffer optilt’. Of in het laatste verhaal: ‘Aangekomen en er niet zijn’.
    En zie het schitterende beeld van de jager die met een veer van een wild hoen op zijn hoed huiswaarts keert. Het verhaal beslaat maar twaalf regels waarvan de laatste drie: ‘De veer staat zo stil dat het is alsof het wilde hoen, in de struiken van het bos of in het vlakke veld, midden in een zomer geen tijd meer heeft gehad om te schreeuwen’.

    Lezers, die houvast zoeken in concrete feiten, zullen vaak op bijna hermetische teksten stuiten. Voor hen schrijft Herta Müller niet. Ze legt geen verklaringen af maar slaat des te harder toe door alles kaal te houden.

     

     

  • Ontwrichting van een vriendenclub

    Ontwrichting van een vriendenclub

    Nostalgie is door een getinte lens naar het verleden kijken, waarbij vreugde om het voorbije wordt gecombineerd met verdriet omdat het verleden voor altijd onbereikbaar is. Een gerelateerd begrip is heimwee, waarbij, zoals bekend, de herinneringen aan een gekoesterde plaats iemand doen verlangen daar weer te zijn. In De ontheemden van de Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf (1949) is van beide sprake, maar meer van nostalgie dan van heimwee, het is eerder de verwijdering in tijd dan die in plaats die het boek domineert. De roman gaat over de herinneringen aan een vriendengroep van intellectuele studenten uit Libanon die uit elkaar is gevallen en waarvan de leden deels zijn geëmigreerd naar andere werelddelen.

    Hoofdpersonage is de historicus Adam, die bezig is met het schrijven van een biografie over Attila de Hun. Hij woont in Parijs met zijn vriendin Dolores. Omdat zijn voormalige vriend Mourad, met wie hij het contact heeft verbroken, op sterven ligt, keert hij op diens verzoek terug naar Libanon. Bij aankomst is Mourad reeds overleden. Het boek gaat verder over de ervaringen van Adam gedurende twee weken in zijn moederland en vooral over de pogingen om een reünie te organiseren van de oude vrienden, dit op verzoek van de weduwe van Mourad.

    De vriendengroep was samengesteld uit mensen met christelijke, islamitische en joodse achtergrond. Maalouf weet duidelijk te maken dat het een bijzondere groep jonge mensen was, vol idealisme. De auteur toont hoe ontwrichtend oorlogen kunnen zijn, hoe politiek en religieus conflict de levens van mensen kunnen bepalen. De diverse oorlogen in Libanon speelden een rol in de wens van de vrienden om hun land te verlaten.

    Adam is als historicus vooral geboeid door het verleden. Hij schrijft over zijn ervaringen in zijn moederland: ‘Ik wil niets leren, niets opnieuw leren, niets ontdekken. Ik probeer alleen maar terug te vinden wat me al vertrouwd was. Ja, ik ben op zoek naar overblijfselen, naar sporen, naar wat nog rest. Alles wat nieuw is zie ik als een misplaatste inmenging in mijn droom, als een aantasting van mijn herinnering en als iets hinderlijks.’ (p. 295) In zijn persoonlijke herinneringen is Adam eerder nostalgisch dan historisch wetenschappelijk. Hij idealiseert zijn verleden. Nostalgie verschilt onder meer van geschiedschrijving doordat de emotie de ratio overschaduwt. Het is gevoelde geschiedenis.

    Het boek toont ook zeer duidelijk de schaduwzijden van het Libanese verleden. Een van de vrienden, Bilal, is in de strijd gesneuveld. Hij wilde in navolging van Orwell, Hemingway en Malraux in de oorlog inspiratie opdoen voor zijn schrijverschap. Maar: ‘We zijn hier niet in Spanje in de jaren dertig. Toen vochten de mannen voor idealen. Diegenen die bij ons de wapens opnemen zijn gewoon de smeerlappen van de buurt. Ze paraderen rond, ze roven, ze plunderen, ze zitten in de zwarte handel,’ (p. 169) vertelt de voormalige geliefde van Bilal. De ontheemden maakt duidelijk waarom diverse van de vrienden zich genoodzaakt voelden Libanon te verlaten, omdat zij er geen toekomst zagen.

    Maalouf stelt thema’s als multiculturalisme, vriendschap en ontwrichtend conflict aan de orde in een prettige stijl. Het door Marianne Gossije uit het Frans vertaalde boek is goed gecomponeerd, waarbij een alwetende verteller wordt afgewisseld door de geschreven herinneringen van Adam in de ik-vorm, diens (e-mail) correspondentie en de door hem gevoerde gesprekken. Zo ontstaat een gevarieerd beeld van verloren vriendschap en van de boeiende levensgeschiedenissen van de verschillende personages: van een moslimfundamentalist tot een steenrrijke ingenieur die monnik werd. Deze personages hebben psychologische diepgang en Maalouf werkt hun interactie goed uit.

    De ontheemden is een boek dat lezers verrijkt door inzicht te bieden in de herinneringen en levensfeiten van mensen uit andere culturen, die zeer wel mogelijk rijker zijn dan de eigen ervaringen. Ook mensen die weinig begrip kunnen opbrengen voor migranten en migrantenervaring zouden het moeten lezen en zich hiervoor openstellen.

     

  • Oogst van de Week, week 7

    Deze week kwamen o.a. drie historische romans binnen op de burelen van Literair Nederland:

    Etalage

    Moord op de noordelijke bergweg, Anila Wilms (1971)
    Laat u niet van de wijs brengen door de titel van dit boek van de Albanese schrijfster Anila Wilms. Het mag dan misschien spannend zijn, het is vooral een roman over een turbulente periode uit de Europese geschiedenis, net na de Eerste Wereldoorlog, die gekenmerkt werd door politieke intriges en veranderende internationale machtsverhoudingen.

    Het verhaalt begint in Tirana in 1923. De Amerikaanse ambassadeur Julius Grant is met grote verwachtingen naar de hoofdstad van het jonge en roerige staatje Albanië gekomen. Men zegt dat er olie te vinden is. Van de ene op de andere dag staat het land in de belangstelling van alle belangrijke westerse regeringen en oliemaatschappijen. Maar dan worden er in april 1924 in het onherbergzame noorden twee jonge Amerikanen vermoord. Wie heeft de moord gepleegd? Wat deden de twee Amerikanen daar? De moord brengt de nieuwe ambassadeur in verlegenheid. De politieke spanningen tussen de verschillende partijen in het land lopen zo hoog op dat een burgeroorlog dreigt. Het voortbestaan van het land staat op het spel.
    Met rake zinnen typeert Wilms de klank en de sfeer van de Balkan in dit waargebeurde verhaal.
    Moord op de noordelijke bergweg, Uitgeverij Van Gennep, vertaald door Dineke Bijlsma, 224 pagina’s, € 18,90.

     

    9200000022091590Een veiliger oord. Vrijheid, Hilary Mantel
    Bij uitgeverij Signatuur is de vertaling verschenen van A Place of Greater Safety van Hilary Mantel uit 1992 dat handelt over de Franse Revolutie. Een veiliger oord wordt in Nederland in drie delen uitgebracht. Deel 1, Vrijheid is nu verschenen en gaat over de explosieve tijd waarin Desmoulins, Danton en Robespierre elkaar leren kennen. Mantel schetst hun jonge jaren, waar ze vandaan komen en hoe ze hun mening vormen in deze tumultueuze tijd, en laat zien hoe ze worden tot de personen zoals wij die nu kennen.
    Mantel: ‘Als project heeft het er zijn tijd over gedaan om van de grond te komen. De eerste versie had ik voor mijn zevenentwintigste af, zo’n beetje op de leeftijd van de mensen over wie ik schreef. Toen het eindelijk werd gepubliceerd was ik veertig, ouder dan mijn personages zelf zijn geworden. Nu is er nog eens twintig jaar verstreken, en ik zou het niet meer kunnen schrijven. Ik zou niet meer kunnen beschrijven, niet meer in mezelf kunnen voelen, wat die jonge mensen voelden: de opwinding bij het vooruitzicht van een nieuwe wereldorde, van een frissere, eerlijkere wereld. Ik zou de noodzaak voelen om ironischer te zijn, en selectiever; om mijn blikveld te vernauwen. En tegelijkertijd zou ik me zorgen maken om wat er daardoor buiten dat blikveld valt.’ 

    Hedendaags toneel
    Het berust ongetwijfeld op toeval, maar op dit moment speelt Toneelgroep Amsterdam het stuk Dantons dood van Georg Büchner waarin Danton (Hans Kesting) en Robespierre (Gijs Scholten van Aschat), inmiddels vele jaren ouder, lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan.
    Een veiliger oord. Vrijheid, Uitgeverij Signatuur, vertaald door Ine Willems, 272 pagina’s, € 19,95 (Delen 2 en 3, Gelijkheid en Broederschap verschijnen respectievelijk in juni en oktober 2014)

     

    de dag dat de leider werd vermoordDe dag dat de leider werd vermoord, Naghib Mahfouz (1911 – 2006)
    De Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur uit 1988, Naghib Mahfouz was in eigen land een man die de gemoederen flink kon bezighouden. Hij maakte zich niet populair toen hij stevige kritiek op Nasser (president van 1954 tot 1970) uitte. Ook zijn houding ten opzichte van het vredesverdrag tussen Israël en Egypte, eind jaren ’70 werd hem naar verluid niet door iedereen in dank afgenomen.

    De dag dat de leider werd vermoord speelt in Egypte, 1981. Anwar al-Sadat is president en Egypte staat op het punt om tot de moderne wereld toe te treden. Tegen deze achtergrond wordt het verhaal verteld van een Caïreense familie uit de middenklasse. Drie kleurrijke karakters staan centraal: de vrome familiepatriarch Moehtasjemi Zajid, zijn kleinkind Alwaan en Alwaans grote liefde, Randa. Randa’s vader acht de eenvoudige arbeider Alwaan te min voor zijn dochter, waarmee hij de jongeman tot een wanhopige en fatale daad drijft.
    Mahfoez’ vertelling wordt sprankelend en ironisch genoemd. De Nobelprijsjury sprak over ‘een vertelstijl die lezers over de gehele wereld aanspreekt’.
    De dag dat de leider werd vermoord, Uitgeverij De Geus, vertaald door Djûke Poppinga, 128 pagina’s, € 16,95

     

    Ook de verhalenbundel Ambulance van de Noorse schrijver en grafisch ontwerper Johan Harstad (uitgeverij Podium), en de roman van de Italiaanse Caterina Bonvicini, De man die flirtte met domheid (wat een intrigerende titel!) (uitgeverij De Geus) zullen binnenkort op Literair Nederland besproken worden.

    AmbulanceDe man die flirtte met domheid

     

     

     

     

     

    selectie door Carolien Lohmeijer 

     

     

  • Parallellen met een hoofdpersoon 

    Parallellen met een hoofdpersoon 

    Wiskunde maakt eenzaam. Hoe verder je erin doordringt des te groter de kans dat anderen je niet meer zullen begrijpen. Al je ontdekkingen, je gedachten, je twijfels en je vragen kun je alleen kwijt bij een steeds kleiner wordend gezelschap van experts. De rest van de wereld wil of kan niet begrijpen waar je mee bezig bent. Familie, vrienden, kennissen, maar ook geliefden begrijpen er meestal helemaal niets van. Wie zich bijvoorbeeld de hele dag bezig houdt met elliptische en Abelische functies, die gebaseerd zijn op de representatie als oneindige reeksen, heeft een probleem als ’s avonds de vraag ‘Hoe was je dag?’ gesteld wordt.

    Wiskunde maakt eenzaam voor hen die het beschouwen als een deel van hun innerlijk en dat vervolgens zo moeilijk deelbaar blijkt. Sofia Kovalevski moet zo iemand geweest zijn. Zij was de eerste en belangrijkste Russische wiskundige van de 19e eeuw. Vrouwen werden in het toch niet erg vooruitstrevende Rusland van die tijd, niet in staat geacht aan wiskunde te doen. Ze zouden het niet kunnen; een vooroordeel dat op wanhopige wijze in stand werd gehouden door vrouwen te verbieden aan veel Europese universiteiten te laten werken.

    Te veel geluk heet de verhalenbundel van Alice Munro, de Nobelprijswinnaar van 2013. Het boek werd al in 2009 in het Engels gepubliceerd maar is pas afgelopen jaar in het Nederlands verschenen. Te veel geluk is ook de titel van het laatste en langste verhaal in deze bundel, dat gaat over het leven van Sofia Kovalevski. Maar liefst 60 bladzijden telt het, en eerlijk gezegd is het niet eens het beste verhaal in deze bundel. Het is vrij droog en het mist een aantal van de eigenschappen die Munro’s verhalen doorgaans zo sterk maken.

    Verreweg de meeste hebben de Canadese provincie Ontario als decor en vrouwen als hoofpersoon. Levens ontwrichtende gebeurtenissen zoals moorden, ongelukken en overvallen komen opvallend vaak voor maar staan zelden centraal. Munro legt doorgaans veel meer nadruk op de pogingen van haar hoofdpersonen om de tragiek een plaats te geven. In Te veel geluk is dat niet anders. Behalve het titelverhaal voldoen alle verhalen aan het beeld dat we van Munro kennen.

    In het eerste verhaal Dimensies bijvoorbeeld, is de hoofdpersoon een vrouw van wie de kinderen door haar man vermoord zijn. Dit gruwelijk gegeven is echter niet waar het in dit verhaal om draait, het vormt slechts de achtergrond, het decor, voor op het eerste gezicht minder sensationele gebeurtenissen. Munro vertelt op haast onnavolgbare wijze hoe de vrouw langzaam maar zeker overweegt de man die haar kinderen vermoord heeft weer in haar leven toe te laten. Het is een zeer sterk en overtuigend begin van deze verhalenbundel.

    De daarop volgende verhalen zijn minder extreem (als dat het woord is) maar ontwrichtende gebeurtenissen spelen in bijna alle verhalen een rol, al is het telkens als decor. Het titelverhaal is daar een uitzondering op. Te veel geluk beschrijft de laatste maanden in het leven van Sofia Kovalevski en haar herinneringen aan belangrijke episoden in haar leven. Het verhaal kent geen duidelijke tragische hoogte- of dieptepunten maar wel een stortvloed aan historische details en gebeurtenissen. Munro’s spaarzame en uiterst effectieve stijl is eigenlijk het enige gemeenschappelijke met de rest van deze bundel.

    ‘Te veel geluk’ is een van de weinige historische verhalen in het werk van Munro. In de bundel The view from Castle Rock waagde ze zich aan het genre, maar daar ging het nog om een min of meer fictieve weergave van haar familiegeschiedenis. Hier is er van een dergelijk excuus geen sprake. Dit is geschiedenis die te oud is voor de herinnering.

    Juist omdat dit verhaal zo uit de toon valt, kun je de vraag stellen waar die fascinatie van Munro voor Sofia Kovalevski toch vandaan komt?

    Munro heeft die vraag duidelijk zien aankomen want dit boek bevat een korte verantwoording, een dankbetuiging, voor uitsluitend dit verhaal. De manier waarop Munro in vrij zakelijke zinnen hierin haar enthousiasme over haar hoofdpersoon beschrijft, is op het ontroerende af.

    Ik ontdekte Sofia Kovalevski toen ik op een dag iets in de Encyclopedia Brittanica opzocht. De combinatie romanschrijfster/mathematicus sprak me onmiddellijk aan en ik begon alles te lezen wat ik over haar kon vinden. Ik raakte vooral in de ban van een boek en daarom moet ik mijn schatplichtigheid en grote dankbaarheid betuigen aan de auteur van Little Sparrow: A Portrait of Sofia Kovalevski …
    Ik heb mijn verhaal beperkt tot de dagen die aan Sofia’s dood voorafgaan, met terugblikken op haar vroegere leven. Maar iedereen die in haar geïnteresseerd is, raad ik aan het boek van de Kennedy’s te lezen, dat zo veel historische en mathematische rijkdom bevat.

    De ontroering die deze verantwoording oproept zit ‘m in de combinatie van het onvoorwaardelijke enthousiasme en de constatering dat het verhaal zelf eigenlijk niet eens zo geslaagd is. Op één of andere manier krijg je het idee dat een ieder die niet probeert meer te weten te komen over Sofia Kovalevski, Alice Munro teleurstelt. Bovendien heeft het iets schrijnends dat een zo groot schrijver als Munro zich vol overgave stort op een verhaal dat niet helemaal wil lukken.

    Maar deze verantwoording beantwoordt nog niet helemaal de vraag waarom Munro nu zo gefascineerd werd door Kovalevski. Merkwaardig genoeg geeft de combinatie van het verhaal en het interview dat haar toespraak voor de Nobelprijsuitreiking verving, een antwoord.

    Daarbij is het van belang om goed te kijken hoe Munro het leven van Kovalevski beschrijft. Munro beschrijft Kovalevski niet als genie, niet als feministe en ook niet als een vrouw gedreven door de ambitie carrière te maken in een wereld die door mannen gedomineerd wordt. Om erkenning is het haar niet te doen. De liefde voor wiskunde komt van binnenuit. Ondanks de historische context gaat dit verhaal over een vrouw die de buitenwereld moet overkomen om haar innerlijk te kunnen ontplooien.

    Wiskunde was een gift van de natuur, zoals het noorderlicht. Het had met niets anders in de wereld te maken, niets met scriptes, prijzen, collega’s of diploma’s.

    In het Nobelinterview komt die innerlijke drang (het gaat natuurlijk om schrijven in plaats van wiskunde) van Munro een paar keer ter sprake. Ze vertelt dat ze begon te schrijven voor zichzelf, en niet dacht aan publicatie, prijzen en erkenning. Het schrijven hield ze lange tijd geheim, ook in de veronderstelling dat zij de enige in haar wereld was met een dergelijke belangstelling.

    Later, toen ze begon te publiceren en andere schrijvers ontmoette kwam pas de twijfel of het allemaal wel goed genoeg was. Ook die twijfel en het omgaan met de verwachtingen van anderen komen we bij Sofia Kovalevski tegen. Waarom toch de noodzaak het leven als een strijd te zien?

    Ze begon, vrij laat, te leren wat veel mensen om haar heen al sinds hun kindertijd leken te hebben geweten: dat een leven zonder belangrijke prestaties uiterst bevredigend kan zijn. Je kon het tot de rand toe vullen met bezigheden die je niet totaal uitputten. …Het hoefde je geen hoofdbrekens te kosten.

    Kovalevski won in 1888 de prestigieuze Bordin prijs voor haar wiskundig werk en werd uiteindelijk de eerste vrouwelijke Europese professor. Maar Munro laat die publiekelijke erkenning nauwelijks stralen. De eenzame binnenwereld, een mengeling van wiskunde, literatuur en intimiteit is veel belangrijker. Sofia’s leven, zoals verteld door Munro, doet denken aan een strijd, geen strijd om erkenning maar om geluk.

    Munro heeft in de loop der jaren geen gebrek gehad aan erkenning. Haar boeken worden doorgaans juichend besproken en het winnen van de Nobelprijs was bijna niet meer dan een noodzakelijk gebaar of een daad van rechtvaardigheid.

    Maar erkenning lijkt Munro niet wezenlijk te raken. In het verleden was er ook wel kritiek, die haar bleef herinneren aan het feit dat ze een schrijvende huisvrouw uit de Canadese provincie was. En wat kon een huisvrouw uit het saaie Canada, die ook nog eens schreef over gewone mensen uit de provincie, nu voor belangwekkende literatuur schrijven? Bovendien schreef ze geen romans, maar korte verhalen.

    Deze vooroordelen, die Munro af en toe nog steeds omringen, zien we in aangezette vorm terug bij Sofia Kovalevski. Sofia trouwt in eerste instantie niet uit liefde maar om onafhankelijk te zijn, het huis zonder ouders te kunnen verlaten, te kunnen studeren en wiskunde te kunnen beoefenen. De 19e-eeuwse vooroordelen maken een academische carrière voor Sofia zo goed als onmogelijk en het is zonder meer bewonderenswaardig dat ze zo ver gekomen is. Een aanstelling aan een Russische universiteit is voor vrouwen uitgesloten. Lesgeven kan ze uiteindelijk in Zweden, maar haar hart ligt eigenlijk bij het doen van onderzoek.

    Munro heeft minder last van vrouwonvriendelijke vooroordelen gehad, zoals ze ook in het interview aangeeft. Lezen en boeken waren in haar jeugd meer iets voor vrouwen dan voor mannen. Misschien is het daarom dat Munro de strijd die Sofia tegen de mannenwereld moet hebben gevoerd niet als onderwerp neemt. Munro’s Sofia wil opgaan in haar talent, in wiskunde, in formules en in zelf bedachte woorden. En alle obstakels die het haar moeilijk maken haar talenten te ontplooien, lijken eerder bij het leven te horen dan dat ze een tijdelijk deel van de geschiedenis vormen.

    Het gaat te ver om in Sofia Kovalevski niemand anders dan Alice Munro te ontwaren maar haar gestalte schijnt wel in het verhaal door. Te veel geluk (het verhaal) mag dan niet geheel gelukt zijn, het straalt wel degelijk.

     

  • Ambitieuze jongeren in het Polen van de zestiger jaren

    Ambitieuze jongeren in het Polen van de zestiger jaren

    Een vrouw vlucht met in elke hand een zware boodschappentas, de trap op naar haar appartement waarbij ze ternauwernood aan de dood ontsnapt. In het Poolse stadje Swidnica stort op 5 januari 1963 een vier meter hoge toren naar beneden waardoor ramen en deuren van omliggende panden uit hun sponningen worden geblazen. Niko, die zijn moeder grauw en grijs van het stof en op één schoen het appartement ziet binnen strompelen, pakt zijn camera en begint de chaos vanuit een gesprongen venster te filmen. Met deze scène trekt Tomek Tryzna (1948) de lezer het leven van Niko binnen. Dat het verhaal is geschreven zonder hoofdstuk- of alineaindeling maakt dat het leest alsof je in een wildwaterbaan hebt plaatsgenomen die je, zonder oponthoud, meevoert van de ene onwerkelijke situatie naar de andere.

    De verteller, Niko, werkt dagelijks aan verschillende scenario’s, filmt en ontmoet zijn vrienden in bars waar hij buitensporig drinkt en meisjes het hof maakt. Deze vrienden introduceert hij op grootse wijze. Zoals zijn vriend Filip Kapuscik, een ‘bekroond dichter en schrijver van een zeshonderd bladzijden tellende familiekroniek’ die dagelijks zit te schrijven in koffiehuis Casanova, alwaar de vrienden elkaar dagelijks treffen. Het is een magere, lange verschijning met een gouden tand, een sikje en een afrokapsel. Hij gaat gekleed in een geel colbert met streepje, een vlinderdas en zwarte lakschoenen. ‘s Winters draagt hij daarbij een zwarte pelerine en loopt hij met een wandelstok. Al lezende ontstaat het beeld van een sophisticated old man maar niets is minder waar. De jongeman is net als Niko negentien jaar oud.

    Om zijn bleke gelaatskleur en lichte haren wordt hij bleke Niko genoemd. Hij karakteriseert zichzelf  als een aan ‘originaliteit lijdende knoeier’. Hij beschikt over een tomeloze fantasie en een optimisme die aan arrogantie grenst en weet zijn mislukkingen steeds om te zetten in nieuwe projecten. Na het zien van de film Le mépris van Godard is zijn streven zich te evenaren met deze bewonderde cineast. Hij doet mee aan verschillende filmwedstrijden maar houdt daar zelfs geen eervolle vermelding aan over. Dan kondigt vriend en voorzitter Oczko van de filmclub aan dat hij is gebeld door ene dokter Wunde uit Hamburg die er een hobby van heeft gemaakt films van amateurfilmfestivals die het niet gehaald hebben te bekijken. De film van Niko heeft hem diep geraakt, laat hij weten. Hij wil hem een camera met geluid schenken, een Arriflex BL. Wanneer bekend is dat er een camera vanuit het vrije Westen naar Polen wordt gezonden, ontstaat er onder de leden van de filmclub een getouwtrek om wie de camera het best gebruiken kan. Maar niet alleen de filmclubleden zijn begerig naar de camera, ook de staat is nieuwsgierig naar hun plannen en stuurt de geheime dienst op hen af. Uiteindelijk is niet de camera zelf, maar het wachten erop, de rode draad door het boek wat voor een onverwacht (humoristisch) einde van het verhaal zorgt. De meesterlijke dialoog tussen Niko en de vicevoorzitter van de Federatie van Amateurfilmclubs toont de stoïcijnse sfeer die uit het boek spreekt:

    “´Meneer Jozef, hoe kan ik een film aanmelden voor het amateurfestival in Pesaro?’
    ‘Via onze Federatie.’
    ‘En de Federatie stuurt hem dan door naar Pesaro?’
    ‘Nee’, antwoordde meneer Jozef ernstig.
    ‘Hoe kan ik hem dan aanmelde?’
    ‘Zoals ik net heb gezegd.’
    ‘Dus?’
    ‘Via de Federatie.’
    ‘En de Federatie meldt hem natuurlijk niet aan?’
    ‘Nee.’
    ‘En kent u nog een andere manier?’
    ‘Zeker.’
    ‘En wat is dat voor manier?’
    ‘Via de Federatie.’
    ‘Hartelijk dank voor deze uitputtende informatie.’” Waarna Niko schaterlachend de verbinding verbreekt.

    De Poolse (script)-schrijver en cineast Tomek Tryzna (1948) voltooit met Bleke Niko een trilogie over de groei naar volwassenheid. Met zijn debuut Meisje niemand (1993) brak hij wereldwijd door, gevolgd door Ga, heb lief. Met het hoofdpersonage Romek uit dit tweede boek vertoont Niko veel gelijkenissen. Ook Romeks ouders hebben, net als de ouders van Niko een naaiatelier en beide jongens zijn op een haast irritante wijze, ambitieus. Niko als filmmaker en Romek als acteur.

    Met beeldende zinnen als: ‘Vanwege een dringende massa dronken gedachten kon ik tot de volgende ochtend niet in slaap komen.’, en ‘(…) een meisje in de kleuren van de beroemdste roman van Stendhal,’ is Bleke Niko een mooi stuk proza waarvan je geen idee hebt waar het op afstevent. Maar dat werkt absoluut niet storend. Alles is mogelijk. Maar dan lijkt het erop dat Tryzna op het laatst het verhaal nog een motto wilde meegeven. Uit het niets wordt een neef van Niko opgevoerd om hem de volgende frasen uit het gedicht Ode aan de jeugd van de Poolse dichter Adam Mickiewicz (1798-1855) te laten reciteren: ‘Jeugd, geef me vleugels. Laat mij boven de doodse wereld vliegen naar de paradijselijke sfeer van de waan, want daar haalt geestdrift zijn wonderen vandaan.’

    Maar tot die conclusie komt de lezer zelf wel; Bleke Niko is een loflied op de jeugd. Niko en zijn vrienden begeven zich in ‘paradijselijke’ sferen om buiten de werkelijkheid om, hun ambitieuze ideeën en plannen te kunnen realiseren. Als deze neef ook nog opmerkt dat Niko een anagram is van Kino, ontstaat er een barstje in dit surrealistisch vertelde verhaal waar de schrijver steeds op afstand bleef en de lezer zichzelf een beeld kon vormen zonder inmenging van de auteur. Of is het dat Tryzna, zoals regisseurs zich in hun films als passant opvoeren, zichzelf in zijn roman zichtbaar wil maken? Het wachten op de beloofde camera wordt uiteindelijk niet beloond. Dokter Wunde blijkt niet te bestaan en Niko doet een ontdekking die hem volledig verrast en  ondergetekende een brede glimlach ontlokte.

     

     

  • Een politiek pamflet is geen roman 

    Een politiek pamflet is geen roman 

    Recensie door Aarti Rampadarath 

    Nadine Gordimer (Zuid-Afrika, 1923) won de Nobelprijs voor de Literatuur in 1991. Zij is de auteur van een omvangrijk oeuvre. Een tijd als nooit tevoren is haar meest recente roman.

    Steve Reed is een blanke, halfjoodse man. Jabulile (Jabu) Gemede is een zwarte vrouw, een Zoeloe. Hun relatie begint als verboden liefde en ze moeten naar een buurland om te kunnen trouwen. Na de afschaffing van de Apartheid is van alles mogelijk wat eerst niet kon: het is een tijd als nooit tevoren. Toch blijkt er een gapend gat tussen droom en daad.

    Het dagelijkse leven in het huidige Zuid-Afrika blijft een mijnenveld en iedereen moet constant politieke standpunten herijken. Tegen deze achtergrond wordt het huwelijk van een veelbelovend jong stel beschreven. Hun twee kinderen, een dochter (Sindiswa) en een zoon (Gary Elias), zijn de generatie van de toekomst. Maar zowel voor het ‘droompaar’ als hun kinderen is de werkelijkheid weerbarstiger dan het ideaal. Zo voelt zoon Gary zich prettiger in de zwarte wereld, bij ‘echte’ Afrikanen.

    De laatste roman van Gordimer is een lijvig werk dat op actuele wijze het Zuid-Afrika van vandaag aan ons laat zien. Wat politieke observaties betreft, is het boek feilloos up-to-date. En dat is dan ook alles. Het boek is onleesbaar als het gaat om een goed verhaal. De personages komen niet tot leven, het lijken karikaturen, of nog erger, figuren van bordkarton. Dat is ondanks de treffende observaties die de verteller doet: Jabu en Steve (zwart en blank) zijn voor deze verteller beiden even bekend. Die weet alles over hun werelden. Maar toch blijken zij niet meer dan een kapstok voor alle gedachten van de auteur, die helaas te aanwezig is.

    De altwetende verteller bestookt de lezer tot vervelens toe met een overvloed aan meningen en het verhaal zelf heeft geen schijn van kans. Het enige moment dat een echt verhaal het lijkt over te nemen, is als Steve uit zijn rol valt en een keer niet de held is. Ook het blinde vertrouwen van Jabu in haar vader (Elias Siphiwe Gumede) getuigt van weinig mensenkennis. Het pleit voor de roman dat Steve en Jabu pieken en dalen kennen in hun huwelijk; dat Steve de idealen van het verzet en zijn kameraden van vroeger verraadt als hij toch emigratie overweegt en zodoende Afrika in de steek laat. Maar hij kan niet anders. Het nieuwe Zuid-Afrika is volgens hem en iedereen om hem heen velen malen erger dan het oude.

    Steve en Jabu zijn maar mensen en hebben hun fouten. Alleen worden zijzelf vrijwel nergens levensecht. Ze blijven even vlak als de bijfiguren. Jammer, het had wat aansprekender mogen zijn. Het is een opgave om deze honderden bladzijden aan overdaad te lezen.

     

    Een tijd als nooit tevoren

    Auteur: Nadine Gordimer
    Vertaald door: Eugène Dabekaussen en Tilly Maters
    Verschenen bij: De Geus / Oxfam Novib (2013)
    Aantal pagina’s: 473
    Prijs: € 22,95 (hardcover)

  • De laatste gedichten en nagelaten kladjes van Wislawa Szymborska

    De laatste gedichten en nagelaten kladjes van Wislawa Szymborska

    ‘De eerste zin van een toespraak schijnt altijd de moeilijkste te zijn’, begon de Poolse dichteres Wilsawa Szymborska (1923-2012) destijds haar toespraak bij de uitreiking van de Nobelprijs 1996. Om die zin te laten volgen door: ‘Die heb ik dan in elk geval achter de rug…’ Het tekent haar bravoure en het daarvoor benodigde laconieke soort van optimisme. Het verklaart bovendien waarom zo’n geest niet te knakken was in een maatschappij waar de menselijke waardigheid gedurende het grootste gedeelte van haar leven lichtvaardig werd geschonden. De Nobelprijs maakte haar, zeer tegen haar zin overigens, op slag wereldberoemd. De Nederlandse lezer werd ondertussen goed bedeeld met vertalingen van haar werk. De bloemlezing Uitzicht met zandkorrel van de hand van wijlen Gerard Rasch beleefde vele herdrukken. Hier bleek een dichteres aan het woord die er een uitdaging in zag om van elke beantwoorde vraag een nieuwe vraag te maken, die de speelsheid had om van elk opgelost probleem een nieuw probleem te maken. Met minder zou haar intelligente, zoekende geest zich te kort hebben gedaan. Niets werd door haar als vanzelfsprekend aangenomen. Szymborska, die een broertje dood had aan praten over haar poëzie en hoogdraverij meed als de pest, situeerde ‘inspiratie’ in nieuwsgierigheid, verwondering, een bestendige toestand van ‘ik weet het niet’. Zij stond zich dan ook met reden toe zichzelf te blijven verbazen. Van grote zaken maakte zij kleine, van kleine grote. Een gedicht over zwarte gaten kon probleemloos naast een gedicht over een kiezelsteentje staan. Weldra bracht de verzamelbundel Begin en einde een bijna integrale vertaling van haar oeuvre tot dan toe. Ook de latere bundels Het moment, Dubbele punt en Hier waarin wederom Szymborska’s lichtvoetigheid, trefzekere nuchterheid, discretie, ironie en charmante scepsis op vaak verrassende wijze samenspanden, deden het goed bij het Nederlandse lezerspubliek.

    Het wekte dan ook geen verwondering dat haar volgende bundel eveneens een Nederlandse vertaling ging beleven. De titel Zo is het genoeg had Szymborska vooraf bij haar Poolse uitgeverij gedeponeerd. Spijtig genoeg heeft de dichteres de bundel echter niet mogen voltooien. Al won de titel door haar voortijdig overlijden aan kracht. Besloten werd om aan de 13 voltooide gedichten de in haar nalatenschap aangetroffen kladversies van gedichten en notities toe te voegen. Alles respectvol ontcijferd en van editietechnisch commentaar voorzien. Zodoende groeide de uitgave uit tot een pagina of 60. Echte pareltjes worden hiermee niet ontsloten, maar een en ander biedt een aardig kijkje in de keuken van de Nobelprijslaureate. Ondanks het geringe aantal voltooide gedichten zit er poëzie tussen die om een andere reden dan dat het haar laatste verzen betreft meer dan de moeite waard is:

    Er zijn van die mensen die

    Er zijn van die mensen die bedrevener zijn in leven.
    In en om hen heen heerst orde.
    Voor alles hebben zij een manier en het juiste antwoord.

    Zij raden onmiddellijk wie wie, wie met wie,
    met welk doel, waarheen.

    Stempelen unieke waarheden af,
    gooien overbodige feiten in de versnipperaar,
    en stoppen onbekende personen
    in op voorhand voor hen bestemde ringbanden.

    Denken zo veel als de moeite waard is,
    en geen ogenblik langer,
    want achter dat ogenblik loert de twijfel.

    En als ze uit hun bestaan worden ontslagen,
    verlaten ze hun post
    door de aangegeven deur.

    Soms benijd ik hen
    – gelukkig gaat dat ook weer over.
    De Poolse redacteuren mogen zich ontfermd hebben over Szymborska’s gedichten in onvoltooide staat, zelf gunde ze de door haar ongeschreven verzen op subtiele wijze de nodige eer in Aan mijn eigen gedicht:

    In het beste geval
    word je, gedicht van me, aandachtig gelezen,
    becommentarieerd en onthouden.

    Tref je het minder,
    dan alleen gelezen.

    De derde mogelijkheid is dat
    je weliswaar wordt geschreven
    maar even later in de prullenbak gegooid.

    Je hebt nog een vierde uitweg tot je beschikking:
    je verdwijnt ongeschreven,
    tevreden mompelend in jezelf.
    Met recht kan men zeggen dat deze dichteres tot het laatst toe haar geestkracht en nieuwsgierigheid onverflauwd heeft weten te behouden. Deze uitgave kent als royale toegift de DVD Einde en Begin, een zeer onderhoudende documentaire van Nederlandse makelij gebaseerd op een van de zeldzame ontmoetingen met de aandachtschuwe Wislawa Szymborska, bij wie het schalkse en gedistingeerde voortdurend om voorrang strijden. Met deze finale krijgt Szymborska de eer die haar toekomt. Al laat de ernst waarmee de snippers van haar onvoltooide manuscripten worden ontcijferd, zich niet zo makkelijk rijmen met de lichtvoetige aanpak van de dichteres. Zich omdraaien in haar graf is niet naar haar aard. Eerder zou eventuele verontwaardiging haar weg vinden in een mild ironisch vers. Hoe hoog deze elfde bundel in het oeuvre van Szymborska ook te waarderen valt, er worden geen nieuwe wegen ingeslagen. Haar werk kent daarbij ook weinig ontwikkeling. Deze elfde bundel had even goed de tiende of de zesde kunnen zijn. Waarmee vooral ook gezegd wil zijn welk een rijpheid haar gehele oeuvre kenmerkt. De lezer kan dan ook na het dichtslaan van Zo is het genoeg tevreden verzuchten: zo is het mooi geweest.

     

    Zo is het genoeg

    Auteur: Wislawa Szymborska
    Vertaald door: Karol Lesman
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 61
    Prijs: € 19,95 (incl. DVD)

  • Een niet-vermalen graankorrel in een snee brood…

    Een niet-vermalen graankorrel in een snee brood…

    In één van de laatste hoofdstukken van Het boek van de eeuwige korte liefdes vindt een gesprek plaats tussen hoofdpersoon Dmitri Ress en Kira, een vrouw met wie hij vroeger in het weeshuis heeft gezeten. Gorbatsjov is intussen aan de macht en glasnost en perestrojka (openheid en hervormingen) hebben hun intrede gedaan. Kira probeert Dmitri te overtuigen dat zij en haar collega-dissidenten het einde van het communisme hebben bewerkstelligd. ‘Dus binnenkort’, reageert Dmitri, ‘zijn we dankzij jouw vrienden vrij, kunnen we schoenen kopen zonder ervoor in de rij te hoeven staan, hebben we dertig televisiezenders, kortom – een meerpartijenstelsel plus materiële welstand voor iedereen, of bijna… En daarna?’

    ‘En daarna?’ Die woorden vatten samen wat Dmitri in zijn leven onder de dictatuur van Stalin en Brezjnev heeft geleerd. Het communisme zal niet uitlopen op een heilsstaat, maar die heilsstaat ligt evenmin in een westerse levensstijl. Na enkele bijzondere ervaringen in zijn weeshuistijd kwam al vroeg

    het inzicht dat alle maatschappijen dezelfde soort wezens voortbrengen: wezens die met dierlijke slaafsheid alleen maar denken aan eten, zich voortplanten, buigen voor de macht van de staat die hen onderwerpt aan geestdodende bezigheden, hen overstelpt met slechte aftreksels van cultuur en hen elkaar laat vermoorden in oorlogen.

    Toch zal Dmitri geen fatalist worden. Hij ontdekt dat de mens geluk en liefde niet kan plannen, maar blijvend kan ervaren door oog te hebben voor schoonheid. Zoals een vrijgekomen gevangene hem ooit vertelde hoe gelukkig hij zich voelde toen hij in de Goelag in een snee brood een niet-vermalen graankorrel aantrof.

    Makine werd geboren in 1957 in Siberië en groeide op onder Chroesjtsjov en Breznjev. Hij vroeg in 1987 asiel aan in Frankrijk, waar hij een romanoeuvre opbouwde dat vrijwel volledig in Nederlandse vertaling beschikbaar is bij De Geus. Zijn Het Franse testament werd bekroond met de Prix Goncourt en de Prix Médicis. Toch kwam zijn erkenning moeizaam. Bekend is dat zijn in het Frans geschreven boeken pas een uitgever vonden toen hij ze aanbood als vertalingen uit het Russisch.

    Het ligt voor de hand om Het boek van de eeuwige korte liefdes autobiografisch te interpreteren. Net als Dmitri, groeide Makine op in een weeshuis. Ook hij droomde als kind van een Rusland waarin iedereen gelukkig zou zijn en geen haat of vijandschap zou kennen. En ook Makine verloor die droom toen hij zag wat er onder Brezjnev gebeurde. En ook Makine gelooft dat de mens zélf zijn geluk vindt in liefdevol omgaan met de natuur en zijn medemens.

    In verschillende korte hoofdstukken lezen we hoe Dmitri Ress liefde en schoonheid ervaart, soms in korte contacten met vrouwen, soms in de ervaring van bijzondere ontmoetingen – of beter: in gewone ontmoetingen waarin hij het bijzondere ziet. In zekere zin is Het boek van de eeuwige korte liefdes een spiritueel boek. We worden geconfronteerd met tal van misstanden onder het gewone volk tijdens de communistische dictatuur, maar Makine laat zien hoe zijn alter ego zelfs in die situaties schoonheid ziet en daar kracht uit put om mens te blijven. ‘De noodlottige fout die wij maken’, schrijft Makine, ‘is dat we naar altijddurende paradijzen zoeken.’ en ‘We zetten onze dromen liever in elkaar met oude granietblokken’. Daardoor lopen we tal van ‘kortstondige paradijzen’ mis, maar dat zijn de enige die voor ons bereikbaar zijn.

    Het zijn bijna breekbare voorbeelden van zo’n geluk, die Dmitri herkent. Korte momenten van liefde; liefde die uitgaat boven hartstocht, verliefdheid of lichamelijkheid. Neem het verhaal van de manke morieljeplukker Jorka die een bosje sneeuwklokjes voor Dmitri plukt om aan zijn vriendin te geven: ‘Hij geeft me de bloemen, loopt weg, en terwijl ik mijn dagen gehaast en achteloos voorbij laat vliegen, zijn zijn handelingen het begin van een leven dat blijvend is.’ Voorbeelden in dit boek van korte liefdes met eeuwigheidswaarde (zie de titel van de roman), zijn een oud echtpaar dat schuilend voor een hoosbui zijn levensverhaal vertelt, of Vika die Dmitri leert zien dat geluk niet in de toekomst ligt, of Maja met wie hij een arme Alexandra bezoekt die ooit voor Lenin werkte.

    Altijd bestaan de geluksmomenten bij Dmitri in harmonie met de natuur of de situatie waarin de ervaring wordt opgedaan. Ze laten in datgene wat we rationeel lelijk zouden noemen de schoonheid oplichten.

    Met heel mijn wezen voelde ik toen dat ik waanzinnig hopeloos verliefd was. Niet alleen op Maja en haar zwarte krullen die door haar harde lopen in de wind opwoeien. Maar ook op het gras dat golfde als ze langskwam, en op die naargeestige grauwe hemel, en op de lucht die naar regen rook.

     

    Het boek van de eeuwige korte liefdes

    Auteur: Andreï Makine
    Vertaald door: Jan Versteeg
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus (2013)

    Prijs: € 19,95

  • ‘Liever banaliseren dan verhevigen’

    ‘Liever banaliseren dan verhevigen’

    ‘Liever banaliseren dan verhevigen’

    Als de VPRO-gids in de brievenbus valt, heb je sinds twee jaar een dilemma: eerst de brieven van Achterwerk lezen? Of meteen de column van Esther Gerritsen?
    In Ik ben vaak heel kort dom zijn deze columns voor het eerst gebundeld. Niet-VPRO-leden kunnen eindelijk kennis maken met deze verfrissende kijkjes in de menselijke geest.

    Esther Gerritsen (1972) staat met haar laatste roman Dorst op de Shortlist van de Libris Literatuurprijs 2013. Zij is bekend geworden met haar theaterteksten, verhalen en romans. Sinds september 2010 is zij columnist voor de VPRO-gids.

    Een lezer, ‘Gerrit’, schreef een brief aan de VPRO-gids waarin hij vroeg of Gerritsen kon ophouden met over haarzelf te praten. ‘Hoe leg ik Gerrit uit dat deze columns niet over mij gaan maar over hem?’, schrijft Gerritsen.
    We krijgen inderdaad scènes uit het persoonlijk leven van Gerritsen voorgeschoteld. We leren dat ze een dochter heeft, getrouwd is en in Amsterdam woont. De columns krijgen zelfs de contouren van een plot als Gerritsen haar scheiding introduceert (met een scène in de Praxis waarin zij gereedschap zoekt; ‘Ik heb niet één bepaald stuk gereedschap nodig, ik heb alles nodig’.) Maar de columns gaan niet over haar, maar over óns.

    Gerritsen concentreert zich niet op de gebeurtenissen in haar leven, maar op de gedachtes over die gebeurtenissen. Herinneringen, fantasieën, gevoelens: ze observeert, registreert, associeert en analyseert. Zij kan een bepaalde scène in haar leven op stil zetten, het filmpje beeld voor beeld laten afspelen en dan registeren wat er in haar hoofd gebeurt. Gerritsen weet zo allerlei mechanismen zichtbaar te maken die wij niet opmerken, vergeten of zorgvuldig wegpoetsen.

    In de column ‘Dom’ waaraan ook de titel is ontleend geeft zij een opsomming van domste vergissingen: je afvragen of er ook ijs ligt als je sneeuw op de Amstel ziet liggen, terugdenken aan de geboorte van je dochter en je afvragen hoe oud zij toen was, en: wat is dat rare roze ding in mijn haar? (een oor). Zij concludeert: ‘Ik vermaak me nogal met mijzelf. Als je er maar dicht genoeg op zit, gebeurt er snel iets.’
    Dat is precies wat Gerritsen doet in haar columns. Ze zit dicht op zichzelf, maar ze weet vergelijkbare situaties, gedachten en herinneringen naast elkaar te plaatsen, zodat de verbanden zichtbaar worden en een menselijk mechanisme wordt blootgelegd. In veel columns zie je deze opbouw terug: een opsomming van equivalenten, waardoor de persoonlijke scènes het particuliere overstijgen.

    Een terugkerende techniek daarbij is de omkering. Als zij iets bij anderen registreert, betrekt zij dat vervolgens op zichzelf. Na een beschrijving van hoe smerig het eruit ziet als vrouwen sla netjes proberen te eten, volgt de zin ‘Soms ben ik zelf zo’n vrouw.’ En de dingen die bij haar voorkomen, probeert ze te herkennen bij anderen. ‘Ik ga ervan uit dat ik niet heel veel verschil van mijn medemens’.

    Bij Gerritsen vind je geen overbodige woorden. Haar schrijfstijl is helder en precies. Omdat zij zo treffend bepaalde beelden kan neerzetten, zie je ook de meest onwaarschijnlijke fantasieën van haar voor je en worden die invoelbaar.

    De columns van Gerritsen zijn grappig (‘Op de verjaardag van mijn vader vertelde ik over de eerste keer dat ik een stijve lul zag. Ik dacht dat het wel kon.’ ), ontroerend (als het verlangen naar en de onmogelijkheid van orde eindigt met ‘het vakje in de theekast waar de spullen liggen die bij de doden horen’, herkenbaar en spannend. Spannend omdat Gerritsen de lagen eraf schraapt die wij zo zorgvuldig hebben opgebouwd en zo de vreemde kronkels in de menselijk geest blootlegt. Dat klinkt zwaarder dan het is. Gerritsen houdt zich aan haar uitspraak: ‘Liever banaliseren dan verhevigen’.

     

    Ik ben vaak heel kort dom
    De VPRO-columns 2010-2012

    Auteur: Esther Gerritsen
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Prijs: € 15,-

  • Trilogie over een Indonesisch dorp

    Trilogie over een Indonesisch dorp

    Drie boeken, Het dansmeisje uit mijn dorp, De onheilskomeet en Het rad van de regenboog, vormen de trilogie waaraan als titel die van het eerste boek gegeven is. De trilogie wordt voorafgegaan door een voorwoord van de vertaalsters en afgesloten met een verklarende woordenlijst. De drie genoemde boeken beslaan de periode die loopt van 1946 tot 1971 in Indonesië.

    Het verhaal speelt zich af in het dorp Dukuh Paruk, gelegen temidden van uitgestrekte rijstvelden. Van een dorp kunnen we eigenlijk niet spreken: een gehucht van drieëntwintig huizen waar iedereen familie van elkaar is.
    In het eerste boek maken we kennis met de vijf  ‘hoofdrolspelers’: de veertienjarige jongen Rasus, een wees; het elfjarige meisje Srintil, eveneens wees; de dorpsoudste Sakarja, grootvader van Srintil en de ‘leermeesters’ van Srintil, Kartaredja en zijn vrouw. Op de achtergrond is steeds de dreigende schaduw aanwezig van de criminele stamvader Setjamenggala die zijn graf heeft bovenop de heuvel midden in het dorp en voor wie men een heilig ontzag heeft.
    Wanneer  de grootvader van Srintil haar talent om bevallig te dansen heeft ontdekt, laat hij haar adopteren door Kartaredja die haar opleidt tot ronggeng (danseres én prostituee).  Het hebben van een ronggeng geeft roem aan een dorp. Rasus die aanvankelijk Srintil idealiseerde – hij ziet in haar zijn moeder, die hij nooit gekend heeft, – keert zich van Srintil af juist omdat zij met grote overgave de rol van ronggeng vervult. Dat is het begin van zijn volwassenheid en het einde van het eerste boek.

    In het tweede boek is Rasus inmiddels toegetreden tot een lokale legereenheid, wat zijn status verhoogt. Srintil wordt intussen door opstandige partijen ingezet voor hun politieke idealen en belandt daardoor in de gevangenis. Ook haar dorp betaalt hiervoor een zware tol. Srintil en de bewoners van het dorp zijn door hun onnozelheid in deze situatie terechtgekomen. Rasus was dan ook blij dat hij de ‘achterlijke’ bewoners van zijn dorp de rug kon toekeren.
    In het derde boek probeert Srintil na haar vrijlating haar leven in te richten zoals zij dat wil. Dat hoopt zij te bereiken door een gewoon huwelijk met de stedeling Badjus. Door zijn toedoen belandt zij echter in een geestelijke crisis. Dan verschijnt Rasus weer op het toneel.

    Het verhaal is heel simpel gehouden en het wordt in chronologische volgorde verteld. In het eerste hoofdstuk van het eerste boek is er een alwetende verteller; in de andere hoofdstukken van hetzelfde boek is Rasus de ik-persoon. In de boeken twee en drie hebben we te maken met een alwetende verteller.

    Er gebeurt eigenlijk niet veel in de 444 pagina’s tellende roman. Dat hoeft op zich geen bezwaar te zijn voor een boek. Er zijn talloze boeken waarvan je zou kunnen zeggen dat er niets in gebeurt, maar dan geniet je van de stijl; denk hierbij bijvoorbeeld aan De kleine stad van Hans Adler. Dat boek munt uit door zijn bloemrijke taal. Of het boek Aarde van David Vann, dat zich grotendeels afspeelt in een tuin met een handjevol personages, maar dat zonder meer een zinderende roman genoemd kan worden. Helaas geldt dat niet voor deze trilogie van Tohari. De taal is eenvoudig; er worden geen moeilijke woorden gebruikt, er is geen beeldspraak, er worden geen stijlmiddelen toegepast. Bovendien worden de meeste zinnen in hapklare brokken gepresenteerd. Meteen op de eerste bladzijde al (p. 15) krijgen we hiervan een voorproefje: ‘Een zuidoostenwind stak op. Het was de droge moesson. De toppen van de bomen in het kleine gehucht wiegden heen en weer. Gele bladeren en dorre twijgen vielen op de grond.’ Nog een voorbeeld: ‘De donkere hemel zweeg. Hij sprak zonder woorden. Maar de fonkelingen van de sterren spraken boekdelen over wat zich onder het hemelgewelf afspeelde.’ (En dan blijft buiten beschouwing of je boekdelen kunt spreken over iets.) Verder met het citaat: ‘Srintil neuriede als een echte moeder. Op de achtergrond klonk het zware, monotone getjirp van de krekels. Zo ontstond een natuurlijk lied dat Goder (de door haar ingepikte baby) tot rust bracht. Hij trappelde even en viel in slaap in de frisse avondlucht.’ (p. 161). Naast deze korte zinnen treffen we heel veel van hetzelfde aan: lopen op de sawadijkjes tussen de rijstvelden, het tjirpen van de krekels, het opvliegen van vogels, de schaduw van de waringaboom, en vooral de woorden natuur, natuurlijk, harmonie en harmonieus.
    Nog iets over te gemakkelijke zinsconstructies: wanneer een zin ‘lastig’ dreigt te worden, bijvoorbeeld omdat er een deelwoord (‘zijn mond aan zijn arm afvegend,’ (p. 17)) in staat of een doelaangevende infinitivus (‘om te …’) wordt de zin door een komma ‘vereenvoudigd’, respectievelijk: ‘Hun arm- en rugspieren spannend, zetten zij zich uit alle macht af tegen de aarde.’ (p. 17) ‘Om haar huid te blanketten, wreef njai Kartaredja Srintil in met een mengsel van meel en geelwortel.’ (p. 25)
    Wellicht heeft de schrijver het onderontwikkeld zijn van de personages ook in de stijl tot uitdrukking willen brengen. Maar een geoefend lezer zal hier niet van genieten.

    Al in het tweede boek – en dat wordt nog erger in het derde boek – wordt de alwetende verteller tevens docent: er wordt steeds vaker een verklaring toegevoegd. In de volgende zin geeft een personage uitleg die voor de hedendaagse lezer bedoeld is, maar zeker niet voor het personage tegen wie het gezegd wordt. ‘ “Srintil is hierheen gevlucht om een man te ontlopen die zich niet kon inhouden. Hij wilde er niets van weten dat Srintil op het moment ongesteld is. Dat denk ik. Ha ha ha.” “Ach, hoe kan dat nou. Kijk nog maar eens goed. Er zit geen enkel vlekje op haar kain, en de punt is niet omhoog gevouwen; dat is een teken dat ze nu rein is.” ‘(p. 140) Iedereen die daar woont, weet toch wat een omhoog gevouwen punt betekent! En hier is het slechts een zinnetje, maar elders in het boek blijft het niet bij een zin. Op pagina 152 leeft Srintil weer op, als de kleine Goder en zijn echte moeder langskomen. Dit grijpt de verteller aan om twaalf regels uit te weiden over de bekoorlijkheid van een baby. In een boek waarin toch al zo weinig gebeurt, vindt zo onnodige vertraging plaats.

     

     

  • Leegte en hoogmoed

    Leegte en hoogmoed

    Voordat de beul Kerwan Atajev wil executeren zegt hij dat het hoogmoed is om te denken dat je een nieuwe droom kunt najagen zonder los te komen van je voorvaderen. Het is, drie pagina’s voor Hoogmoed tot zijn einde komt, de sleutel tot de mooie, compacte roman van Rashid Novaire. Want ook de bijna dertigjarige Tessa Kraus, in Turkmenistan op zoek naar de perfecte leegte, is bij haar zoektocht naar een nieuw en écht leven voortdurend verbonden met haar afkomst.

    Tessa is een jonge vrouw die in Nederland maar niet kan aarden en zich niet kan settelen.  Ze is voortdurend op reis en kan zich niet binden. Niet aan haar vrienden, niet aan haar moeder, niet aan Nederland. Op de vlucht voor huisje-boompje-beestje trekt ze in bij haar vader Ben, een beetje vrijbuiterige vrijgezel, die zijn geld verdient in de handel in scheepsonderdelen en in obscure handeltjes in kunst uit voormalige Sovjet republieken. ‘Mijn geluk ligt niet in Nederland’ zegt Tessa. Ze probeert het af en toe nog wel, maar het loopt steeds op teleurstellingen uit. Volgens Ben omdat ze niet kiest en te aarzelend is.
    Alhoewel Tessa zegt niet van haar vader’s adviezen te zijn gediend, volgt ze zijn raad uiteindelijk wel op. Ze besluit naar Turkmenistan te gaan, het aanbod van Sapar, een zakenrelatie van haar vader, achterna. Niet wetende dat ze daarmee haar vader niet zal ontlopen, maar onverwacht intens zal tegenkomen.

    Sapar, ambtenaar in dienst van de overheid van Turkmenistan, en waarschijnlijk werkzaam voor de geheime dienst, brengt Kerwan op Tessa’s pad. Hij is haar gids in de onmetelijke leegte van het land. Maar hij ontsluit uiteindelijk, misschien wel tegen zijn wil, ook de innerlijke leegte van Tessa. Voor het eerst voelt ze in de nabijheid van een man iets in haar onderbuik en geeft ze zich aan hem, niet omdat het hoort of verwacht wordt, maar omdat ze het wil. Het is een omslag in haar innerlijke zoektocht, haarfijn door Kerwan onder woorden gebracht: ‘Je bent nu niet op reis. Je bent nu hier bij mij.’

    Het geluk dat je in deze woorden lezen kunt is echter van korte duur. Kerwan staat op het punt zijn noodlot te treffen. Want ‘wie een raaf grootbrengt, worden de ogen uitgepikt.’ Tessa schiet te hulp en ontneemt Kerwan zo de mogelijkheid om als een waardige Turkmeen te sterven. ‘In plaats daarvan moest ik opnieuw jouw eer verdedigen… Nu is mijn leven over. Jij hebt het verwoest.’ Westers denken blijkt opeens toch weer mijlenver af te staan van de Sovjet-islam waarin Tessa zichzelf begon te vinden. Ze haat haar gids, ‘om wat hij heeft gegeven en om zijn schoonheid’. Niets rest haar dan opnieuw op weg te gaan, op zoek naar datgene dat ze waarschijnlijk nooit zal vinden.

    Novaire is een rasverteller, die de leegte van Westerse leefstijlen en van het innerlijk van een zoekende jonge vrouw naadloos verweeft met de leegte van de woestijn van Turkmenistan, ‘warm als een gebed en droog als een vervloeking’. En met de politiek van Turkmenistan, waar vriendschap wordt bepaald door wie betaalt, voor de olie die wordt gewonnen, of voor de oude kunstschatten die worden gevonden. Zoals het Achaemenidische zegel waarop een leeuw en stier zijn afgebeeld. Vechtend met elkaar, zonder dat er ooit een winnaar is. Zoals het al eeuwen gaat in Turkmenistan. Zonder echte winnaar. En zoals het gaat in het leven van Tessa, zonder rust.

     

    Hoogmoed

    Auteur: Rashid Novaire
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 218
    Prijs: € 18,95