• ‘Nieuwe’ novelle van Simone de Beauvoir

    ‘Nieuwe’ novelle van Simone de Beauvoir

    Misverstand of vertwijfeling
    Toen was er ineens, 28 jaar na haar dood, een nieuw boek van Simone de Beauvoir, de grande dame van het existentialisme en aanstichtster van de Tweede Feministische Golf. De schrijfster verwijderde ‘Misverstand in Moskou’ uit de kopij van haar verhalenbundel De gebroken vrouw (1969). In 1992 verscheen het postuum in een Amerikaans tijdschrift en nu is er een Nederlandse vertaling. Misverstand in Moskou is vintage De Beauvoir, maar niet De Beauvoir op haar best.

    De jaren zestig van de twintigste eeuw. De gepensioneerde André reist met zijn vrouw Nicole van Parijs naar Moskou voor een bezoek aan Masja, zijn dochter uit een eerder huwelijk. Ze ‘doen’ de geijkte bezienswaardigheden die ze vaak al kennen van eerdere gelegenheden, maken uitstapjes voor zover het bureau voor buitenlanders dat toestaat, en vangen hier en daar een glimp op van het dagelijks leven onder communistisch bewind. André helpt Masja met redigeer- en vertaalwerk, en Masja geeft André Russische les. Nicole zakt weg in een soort depressie; voelt zich ongeliefd, buitengesloten en oud: ‘Masja had gezegd: u bent nog jong, toch had ze Nicole bij de arm genomen. Eigenlijk kwam het door haar dat Nicole sinds ze hier was haar leeftijd zo sterk voelde. Het drong tot haar door dat ze was blijven vasthouden aan het beeld dat ze van zichzelf had toen ze veertig was; ze herkende zichzelf in de sterke jonge vouw die Masja was; temeer omdat ze ervaring en gezag uitstraalde, even rijp was als Nicole; ze waren gelijkwaardig. Vervolgens herinnerde een gebaar, een stembuiging, een voorkomendheid haar er opeens aan dat er tussen hen een leeftijdsverschil bestond van twintig jaar – dat ze zestig was.’ En Nicole verveelt zich. Als André dan ook nog voorstelt langer te blijven zodat hij kan doorpakken met zijn Russisch, schopt Nicole een scène en loopt zelfs weg, Moskou in. Maar de twee vinden elkaar weer in een expat-bar en alles komt goed. ‘Het is een groot geluk met elkaar te kunnen praten, dacht ze. Als een paar niet in staat is zich van woorden te bedienen, is het begrijpelijk dat de misverstanden zich opstapelen en ten slotte alles tussen hen bederven.’

    Kamerspel
    In het verhaal springt het perspectief heen en weer tussen Nicole en André, zodat de lezer eerder dan de hoofdpersonen doorheeft welk misverstand uitdraait op een relatiecrisis. Ook André voelt zich oud en afgedaan. Hij worstelt met zijn gebrek aan ambitie (er is sprake van artikelen die hij ooit van plan was te schrijven), ervaart een groeiende afstand tot Nicole en drinkt om dat te verdringen. Misverstand in Moskou is een verhaal in grijstinten; een ‘Kammerspiel‘ over verdorrende liefde tegen een grauwe Sovjet-achtergrond. En dan is er nog het motief van desillusie in het politieke systeem – het Sovjetleven dat ‘zeker voor buitenlanders’ minder zegenrijk heeft uitgepakt als verhoopt. Het is ook een ‘redeneerderig’ verhaal. Dat is niets nieuws bij De Beauvoir, maar hier stoort het. Zie het lange citaat hierboven. Niets kan worden gezegd of gedaan zonder de begeleidende gedachten van Nicole of André daarbij uit te serveren. Als Nicole in de trein naar buiten staart, bij voorbeeld: ‘Ze had net vier mooie dagen achter de rug, Moskou was wel wat veranderd; het was vooral lelijker geworden. (Jammer dat veranderingen bijna altijd negatief uitpakken, wat zowel voor plaatsen als voor mensen geldt.)’ En dan is er dat plotse halfzachte einde, inclusief het belang van ‘met elkaar in gesprek blijven.’

    Persoonlijk en politiek
    Blijft de vraag: waarom heeft De Beauvoir Misverstand in Moskou niet gepubliceerd tijdens haar leven? Vond ze het niet goed genoeg in literair opzicht, of speelden andere factoren mee? Het existentialisme was in de jaren vijftig voor velen een complete levensstijl. De mens was in de wereld geworpen, het bestaan zinloos (zo had de Tweede Wereldoorlog nog eens aangetoond), en dus moest je actief werken aan het verwezenlijken van je authentieke essentie en je intermenselijke solidariteit. Dat vereiste dat je je onttrok aan de ‘bourgeois’-normen, waarden en instituties als huwelijk, geloof en beroep. Het persoonlijke werd politiek: vrije liefde, geestverruimend roken en drinken, en diepe gedachten uitwisselen in een keldercafé bij jazzmuziek en druipkaarslicht. Outfit: een zwarte coltrui en een zonnebril, óók na zonsondergang.

    Ook de Beauvoir en Sartre besloten al in de jaren dertig dat trouwen enorm bourgeois zou zijn en dus uitgesloten. Zij sloten een pact: een open relatie moest het zijn, met onvoorwaardelijke eerlijkheid, trouw aan elkaar en ruimte voor anderen. Niets voor elkaar verzwijgen, dan mocht alles. En daar werd het politieke persoonlijk, in hun leven. De Beauvoir schreef openhartig over haar relaties met bij voorbeeld schrijver Boris Vian, cineast Claude Lanzmann en uitgever Nelson Algren. Maar pas na haar dood werd duidelijk, uit biografieën en briefwisselingen, hoe complex het netwerk van verhoudingen was waarin Sartre en De Beauvoir elkaar insponnen. Liaisons dangereuses is er niets bij. De Beauvoir ‘deed’ niet alleen medewerkers, tijdschriftsecretarissen en veelbelovende nieuwelingen, ze knoopte ook relaties aan met (veelal jongere) vrouwen, die ze ‘overdeed’ aan Sartre. Of Sartre legde het aan met een zus of nicht van De Beauvoirs liefdespartners. En dat wisten ze dan allemaal van elkaar. Het klinkt incestueus, maar het werkte, totdat De Beauvoir zich oud voelde worden, in de jaren zestig. In een interview met The Paris Review in 1965 zei ze: ‘Ik was altijd al geobsedeerd door het verstrijken van de tijd en door de dood die ons onvermijdelijk insluit.’ In De ouderdom (1971) zou ze analyseren hoe de westerse maatschappij ouderen tot object maakt en onderdrukt. Maar dat was voor haar zelf te laat.

    In een vreemde huid
    In haar nawoord stipt Éliane Lecarme-Tabone parallellen aan tussen Misverstand in Moskou en het leven van de auteur: geregelde bezoeken aan Moskou met Sartre in de jaren zestig (uitgenodigd door de Schrijversbond), en groeiend onbehagen met het ooit bewonderde communistisch systeem. André’s dochter Masja blijkt geïnspireerd op Sartres Russische minnares Lena Zonina. Als we De Beauvoirs leven en werken zo met elkaar in verband gebracht zien (wat streng verboden is, zoals wij allen weten), wordt Nicole’s gevoel van afwijzing invoelbaarder en wordt het volgende citaat veelzeggender: ‘En toen was die onbekende jongen – een heel knappe knul – met André meegekomen; hij had haar met ongeïnteresseerde beleefdheid de hand gedrukt en opeens was er iets in haar veranderd. Voor haar was hij een man, jong en aantrekkelijk; voor hem was zij even seksloos als een oude vrouw van tachtig. Ze was die blik nooit meer te boven gekomen; ze was opgehouden met haar lichaam samen te vallen: ze zat voortaan in een vreemde huid, een treurigmakende vermomming.’ De vertwijfeling over het ouder worden, machtsverlies in de seksuele arena is, veel meer dan een relatie-communicatieprobleem, het onderliggende thema van Misverstand in Moskou. Happy end uitgesloten. Het lijkt erop dat de camouflage daarvan in dit verhaal te bangig en bleek uitpakte om te voldoen aan De Beauvoirs eisen wat betreft strijdbaarheid en onburgerlijkheid. Zo bezien wordt het toch nog een aangrijpend verhaal.

     

     

  • Alledaagse openbaringen

    Alledaagse openbaringen

     In Victoria, Canada, woont Alice Munro. Ze dreef er een boekhandel met haar man, voedde haar kinderen op en schreef verhalen, tussen de bedrijven door. Ze is 83 jaar en won een jaar geleden de Nobelprijs. Uitgeverij De Geus bracht een reeks vertalingen opnieuw uit, waaronder een van Munro’s eerste boeken, Levens van meisjes en vrouwen uit 1971. Het verhaalt de gang naar volwassenheid van een meisje op het Canadese platteland, die eindigt met de bewustwording van een schrijverschap.

    De acht verhalen in Levens van meisjes en vrouwen draaien om Del Jordan, opgroeiend in de jaren 40 en 50 in Jubilee, een gat in zuid-Canada. Ze woont in een huis aan de zelfkantige Flats Road. Vader fokt zilvervossen en later kippen, moeder is huisvrouw en later encyclopedieverkoopster. Onproblematische armoede. Del is slim, avontuurlijk en eigenwijs – en als ik zo doorga lijkt het een kruising tussen Het kleine huis op de prairie en Cissy van Marxveld. Nee dus. De zinnen van Munro proberen niet te behagen en haar verhalen huppelen niet voort naar een happy end. Ze draaien niet om de plot of de ontknoping, maar om onspectaculaire dingen die ons soms overkomen en die – achteraf – betekenis geven aan ons leven. , die Munro tevoorschijn zeeft uit het losse zand waaruit haar verhalen lijken opgebouwd. Geen romantische gevoeligheid of grootse concepties. En als enige moraal: het leven is wat het is en daardoor de moeite waard.

    Zo vertrouwd als adem
    In het eerste verhaal bijvoorbeeld reageert de Del Jordan (dan nog 10 jaar oud) namens de slonzig levende oom Benny, die geen oom is maar de knecht van haar vader, op een advertentie waarin een huishoudster (met kind) zich aanbiedt. Een week later is hij tot zijn verbijstering getrouwd met een agressieve vrouw die kankert op de troep in huis, het halve dorp bedreigt, haar man slaat en haar kind verwaarloost. Tot ze met de Noorderzon vertrekt, baby incluis. Met gretige verbijstering neemt Del kennis van de onthutsende wereld van de grote mensen. En ze ontdekt hoe die wereld een tegengif vindt in het huis en het gezin waarvan ze deel uitmaakt. Die ontdekking doet ze als ze in bed ligt, terwijl haar ouders in de keuken het nieuws van tien uur afwachten: ‘Ze zaten daar beneden, ver weg, in een kleine poel van licht te praten en te kaarten alsof het er niet toe deed: maar het was deze gedachte aan hen, zo prozaïsch als de hik, zo vertrouwd als adem, die me omarmde, die van de bodem van de put naar me knipoogde terwijl ik in slaap viel.’

    Er worden meer werelden verkend: de microkosmos van de dorpsschool, inclusief de jaarlijkse opwinding rond de musicalopvoering. Er is de wereld van de familie, inclusief een rijk geworden oom en twee vrijgezelle tantes die alles misprijzend bekijken, maar zorgen voor excentrieke oom Craig. Die doet in hun ogen belangrijk werk in het districtsbestuur en schrijft aan een gestaag uitdijende dorpsgeschiedenis. Daar valt hij op een dag dood bij neer. Dan is er de wereld van het geloof en de kerk (het dorp heeft er vijf). En die van de jongens en mannen, die ook de wereld is van liefde en seks. En uiteindelijk is er de wereld van de literatuur en het schrijven.

    Moeizaam vrouwelijk gedoe
    De verhalen in Levens van meisjes en vrouwen zijn chronologisch geordend, maar vallen uiteen in losse scènes, die zich weinig van die ordening aantrekken. Ze spiegelen elkaar op allerlei manieren, waardoor thema’s en motieven oplichten. Dat van de liefde bij voorbeeld: de band tussen haar ouders, de wanhopige passie van de schooljuf voor de operettedirigent, de gewenste onbehouwen handtastelijkheden van een kostganger, de pornografische versjes van een nette vriendin van moeder, de kalverliefde met die andere ‘onbeschaamd slimme’ leerling Jerry Storey. Ze troeven elkaar af in sarcasmen over de domheid van de hele wereld, maar weten geen weg met elkaar. ‘We hielden elkaars vochtige hand vast en vroegen ons ongetwijfeld af hoelang de beleefdheid vereiste dat we daarmee doorgingen. Onze monden openden zich in elkaar zoals we daarover gelezen en gehoord hadden, maar bleven koud, onze tongen rauw, als miserabele lappen vlees.’ En dan de vriendin Naomi, die beter overweg kan met de jongens en dan ook binnen een paar maanden verloofd, getrouwd en van school af is, om de rest van haar leven te slijten achter kantoorbalie en kinderwagen.

    Wanhopige waardigheid
    Een andere draad is die van de kerk en het geloof. Del bidt zoals kinderen kunnen bidden: dagelijks en veel. Haar broertje Owen spot daarmee, tot vader zijn hond moet afmaken. Dan moet zij hem leren bidden. Volgt een adembenemende scène met ongelovige Owen die op zijn knieën gaat om een niet-bestaande god te vermurwen. Del verkent de verschillende kerken en is verrukt van het Anglicaanse dorpskerkje met 12 verspreide gelovigen. ‘Ik vond veel dingen mooi: het knielen op de harde bank, het opstaan en weer knielen en je hoofd naar het altaar neigen bij het horen van Jezus’ naam, het opzeggen van de geloofsbelijdenis, die ik prachtig vond vanwege de opsomming van de vreemde, schitterende dingen waarin je moest geloven.’ En ze geniet ook van het contrast van dat alles met de sjofelheid van de kerk en de poverheid van de kerkgangers: ‘Als zij hier zijn, dacht ik, dan moet het allemaal waar zijn. Een ritueel dat in andere omstandigheden misschien kunstmatig en levenloos zou hebben geleken had hier een zekere wanhopige waardigheid. De rijkdom van de woorden die de armoedigheid van de plek logenstraften.’

    In het laatste verhaal ‘De doop’ komen liefde en geloof bij elkaar. Del ruilt Jerry in voor een bekeerde ex-bajesklant. Met hem bedrijft ze vaak en wellustig de liefde. Hij wil haar trouwen maar daarvoor moet ze eerst tot het geloof toetreden. Tijdens een zwempartij in de plaatselijke rivier eindigt de relatie, als hij Del spelenderwijs probeert te dopen en zij ontdekt dat alles in haar zich daartegen verzet. Zoveelste onuitwisbare scène.

    Zelfgemaakte limonade
    Treurend over haar verloren liefde ontwikkelt Del een nieuwe ambitie. ‘Er kwam een tijd dat de boeken in de bibliotheek niet meer genoeg voor me waren, en ik mijn eigen boek wilde. Het schrijven van een roman werd mijn levensdoel.’ Ze besluit te schrijven over de echt bestaande familie Sherrif, omdat daar gezien de dorpsroddels veel tragiek omheen hing: een dochter had zich (zwanger?) in de rivier verdronken, de ene broer was alcoholist en de andere zwakzinnig. De contouren van een felrealistisch boek vol inteelt, degeneratie en verloedering tekenen zich af, maar dan keert de zwakzinnige zoon Bobby terug in het dorp, ontslagen uit het gesticht. Op een dag nodigt hij – goed verzorgd, welbespraakt en zachtmoedig – Del uit voor zelfgemaakte limonade en cake. In plaats van ziendende gekte volgt brave conversatie, in een decor van kanten kleedjes, bijzettafeltjes en gebaksvorkjes. ‘Het was hier zo normaal dat ik met een schok besefte: dit is het huis van de Sherrifs.’ Haar woeste fantasieën lijden schipbreuk op de werkelijkheid. Later herneemt Del de schrijverij, maar anders. Ze begint met het aanleggen van lange lijsten met namen en feiten over Jubilee, net als oom Craig. Maar voor het zover is zorgt Bobby nog voor een laatste openbaring. Aan het eind van het bezoek verheft hij zich, met alle servies in zijn handen, sierlijk op zijn tenen ‘en het leek een bepaalde betekenis te hebben, een gestileerde betekenis – een letter, of een heel woord, in een alfabet dat ik niet kende.’ Nòg niet, weten we nu.

     

     

  • De kleine strijdster

    De kleine strijdster

    ‘Maar wij deden net of we normale kinderen waren, van die kinderen die zich nergens om bekommeren en die kunnen spelen.’ Maar Samia woont in Somalië waar de oorlog woedt en niks normaal is. Ze woont met haar familie in Mogadishu in een klein huisje waar ze haar kamer deelt met haar zes broers en zussen. Bijna elke avond staat er hetzelfde op tafel, omdat er niet genoeg geld is om wat anders te kopen.

    We leren Samia kennen als 8-jarig meisje. Het hele jaar kijkt ze uit naar de jaarlijkse hardloopwedstrijd door de wijken van Mogadishu. Zij rent al jaren met haar beste vriend Ali door deze straten terwijl ze achter hen een grote wolk van fijn, wit stof doen opwaaien. Op de dag van de wedstrijd geldt er een staakt-het-vuren en rennen 300 mensen door de straten waar de gaten in de weg zijn geslagen en de muren van gebouwen vol kogelgaten zitten.

    Voor Samia is rennen haar vrijheid. Ondanks haar dunne benen wint ze wedstrijd na wedstrijd in Somalië. Haar droom is om in het Somalische tenue als eerste over de finish te komen op de Olympische Spelen. ‘Winnen voor mezelf, winnen om mezelf en alle anderen te laten zien dat de oorlog wel sommige dingen kon tegenhouden maar niet alles…’  Om dit doel te bereiken begint ze te trainen, dag in, dag uit. Eerst nog met Ali en later alleen.

    Maar Samia redt het niet in haar eentje. Ze heeft een coach nodig. Ze krijgt de kans om naar Ethiopië te gaan waar een coach haar opvangt. Daarna lijkt het de goede kant op te gaan, maar al gauw wordt haar duidelijk dat het ook deze keer niet gemakkelijk zal zijn. Ze mag geen gebruik maken van de atletiekbaan voordat de documenten uit Somalië binnen zijn waaruit blijkt dat ze een atlete van het Olypisch Comité is die politiek asiel heeft gekregen in Ehtiopië. De weken worden maanden en de documenten laten steeds maar op zich wachten. Dan besluit Samia haar toekomst in eigen handen te nemen en op 15 juli 2011 begint ze aan ‘de Tocht’, de onzekere reis die elke vluchteling moet maken om het land te ontsnappen. Samia begint in Addis Abeba en wil via Italië verder Europa intrekken.

    De geur van vrijheid is niet de eerste roman van Giuseppe Catozzella maar het is wel zijn eerste roman die in het Nederlands is vertaald. Het boek verdient in elke taal een vertaling. Catozelli kwam met dit boek in de finale voor de Premio Strega prijs. Dit is een van de meest prestigieuze literaire prijzen in Italië. De Premio Strega Giovani en de Premio Dante mocht hij wel in ontvangst nemen. Leone Film Group Spa heeft de filmrechten gekocht.

    De geur van vrijheid is gebaseerd op de werkelijkheid. Catozella is zowel romanschrijver als journalist. Misschien dat het door deze combinatie komt dat er in het boek zo’n goede balans te vinden is tussen fictie en realiteit. Er zijn momenten in het boek dat je even helemaal opgaat in het verhaal en vergeet dat het waar gebeurd is. Zoals bij de dialogen tussen Samia en Ali waarin ze praten over hun toekomst. Dan komt er echter weer een passage die de schrijnende situatie van het land en de bevolking beschrijft en die je eraan herinnert dat dit boek meer is dan alleen een roman.

    De stijl van het boek is eenvoudig, maar treffend. Rust en spanning wisselen elkaar af. Zoals dat ook gebeurt in oorlogsgebieden. Het ene moment is er niets aan de hand en vervolgens is er overal onrust. Soms wordt er in het begin van een hoofdstuk al verteld wat er gaat gebeuren en zelfs dan weet Catozzella de spanning erin te houden.

    Het verhaal  wordt verteld vanuit Samia. Hierdoor ervaar je hoeveel kracht en vastberadenheid iemand in de oorlogssituatie nodig heeft om vast te houden aan een droom. Je voelt Samia’s wanhoop wanneer de omstandigheden haar plannen weer tegenwerken. De oorlog kost haar haar vader, haar beste vriend en haar zus die zich door de oorlog gedwongen voelt haar eigen land te ontsnappen. Je voelt haar verdriet om haar familie, haar vriend en haar land. Maar het meeste nog voel je haar hoop dat het op een dag anders zal zijn en ze zal leven in een land waar ze vrij zal zijn.

    Door het verhaal van Samia te vertellen, geeft Catozzella je een idee van de impact die een oorlog op een mens kan hebben. Samia begint als een onbevangen kind dat zich niks aantrekt van de oorlog, die doet alsof de oorlog niet bestaat. Later merkt ze dat ze niet om de oorlog heen kan en dat die ook haar dwingt haar land te ontvluchten. Het boek vertelt niet alleen het verhaal van Samia, maar ook het verhaal van zoveel andere mensen die door te dromen proberen te ontsnappen aan een oorlogssituatie. En daarmee is het een boek, een verhaal, dat niet af is op het moment dat je de laatste bladzijde hebt gelezen.

     

     

  • Gerritsen speelt virtuoos met flashbacks 

    Gerritsen speelt virtuoos met flashbacks 

    Hoe reageer je als je hoort dat je man is omgekomen bij een auto-ongeluk? De zevenentwintigjarige Roxy, hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Esther Gerritsen, verneemt het nieuws gelaten. Ze gaat weer naar bed, probeert te slapen en belt ’s morgens aarzelend haar kennissen en naaste familie op. De dagen erna blijft ze koel, vooral wanneer ze erachter komt dat er in de aangereden auto van haar man een jonge vrouw aanwezig was, met wie hij al maanden een verhouding heeft.

    Roxy is een ongrijpbaar personage. Ze voelt zich het meeste op haar gemak wanneer ze haar omgeving van een afstandje kan observeren, zonder er echt deel van uit te maken. Daarom trekt ze zich terug op de zolderkamer van haar villa, waar ze in alle rust aan haar autobiografische verhalen kan schrijven. Roxy’s familie en kennissen proberen haar zoveel mogelijk te steunen. Haar ouders, met wie ze een problematische relatie heeft, trekken bij haar in om de leegte op te vangen die er na Arthurs dood is ontstaan. Jane, Arthurs secretaresse, en Feike, de oppas van Roxy’s dochter Louise, zorgen ervoor dat Roxy alle tijd en ruimte heeft om haar verdriet te verwerken. Maar Roxy hoeft helemaal niets te verwerken. Het bezoek van haar ouders komt haar voor als opportunistisch; in een huis dat van alle gemakken is voorzien, willen haar ouders, die een bescheiden bestaan leiden in Brabant, maar al te graag verblijven. De ruimte die ze van Jane en Feike krijgt, ziet ze als een persoonlijke bevrijding. Ze kan wraak nemen op de man die haar bedrogen heeft.  Roxy gaat ver in het loslaten van de verantwoordelijkheden. Het regel- en papierwerk voor de begrafenis en de verzekering laat ze volledig aan Jane over, die zich steeds meer verbaast over de onkunde en onverschilligheid van de kersverse weduwe. Feike neemt de zorg voor Louise voor haar rekening. Wanneer Roxy zelf een keer voor haar dochter moet zorgen, zet ze haar voor de televisie en heeft ze een ‘neukpartij’ met de jonge begrafenisondernemer.

    Roxy stelt voor om een gezamenlijke reis naar Frankrijk te maken, die alle dames in staat stelt om even bij te komen van alle stress en hectiek. Maar de spanningen lopen op wanneer Roxy haar verantwoordelijkheden als moeder en weduwe steeds meer op de anderen afschuift.

    Qua thematiek lijkt Roxy op Hannah Loontjes’ Misschien wel niet, dat eveneens gaat over de verhouding tussen de persoonlijke vrijheid en de verantwoordelijkheden van de moderne vrouw. Het gezin is fijn en veilig, maar het belemmert ook je mogelijkheden. De nieuwsgierigheid naar het Andere blijft bestaan, vreemdgaan ligt op de loer. In Misschien wel niet is het de vrouwelijke hoofdpersoon die haar heil zoekt in een Facebookrelatie met een onbekende Marokkaanse Nederlander. Ze weet dat het eigenlijk niet goed is, maar ze kan het niet laten. In Roxy is het eerst Roxy’s man die veelvuldig een scheve schaats rijdt en daarna, als Arthur is overleden, pakt Roxy uit. Ze geniet van de macht die ze over mannen heeft. Maar ook die ingeslagen richting biedt weinig soelaas. Moet ze dan maar een goede moeder zijn voor haar dochter, die ze steeds meer uit het oog verliest?

    Het is knap hoe Gerritsen de spanning opbouwt naar de uitbarsting aan het einde van de reis, wanneer Roxy’s innerlijke demonen tot uiting komen. Zo gaan de vrouwen aanvankelijk als vriendinnen met elkaar op vakantie, maar slaat de sfeer geleidelijk om in afgunst, onbegrip en vijandigheid. Gerritsen speelt virtuoos met flashbacks, die informatie geven over Roxy’s moeilijke jeugd en haar relatie met de dertig jaar oudere Arthur. Ook Gerritsens vergelijkingen zijn treffend en mooi, vooral met betrekking tot de driejarige Louise. ‘Louise gaapt zonder gêne, zo mooi als dieren dat doen’. En: ‘Louise lacht (…) even hard en net zo lang als de anderen, want Louise is drie en doet graag mee zoals de vogels die in formatie vliegen. Nooit is er één die zo nodig bijzonder moet zijn en een andere kant op wil’.

    In haar vergelijkingen toont Gerritsen zich een scherp observator, zoals ze ook in haar columns en eerdere romans heeft laten zien. Roxy is een goede roman, geschreven in korte, heldere zinnen en gezegend met een ijzersterke structuur. Maar doordat de kwetsbare kant van Roxy zo onderbelicht blijft, wekt ze in de loop van het verhaal vooral irritatie op. Roxy gedraagt zich als een verwend kind dat niet kan kiezen uit het aanbod in de snoepwinkel. Wanneer een opmerking van haar niet in goede aarde valt, keert ze de anderen haar rug toe en voelt ze zich buitengesloten. Ze vraagt haar vader om haar te komen ophalen in het zuiden van Frankrijk, maar als hij na dagenlang reizen is aangekomen, besluit ze toch naar haar dochter te gaan. Iedereen om haar heen doet zijn best haar te helpen, maar ze toont amper dankbaarheid. Misschien hoort het allemaal bij het karakter van een vrouw die nooit op eigen benen heeft gestaan, maar sympathiek is het niet.

     

     

  • Verhalen als kogelwerend vest 

    Verhalen als kogelwerend vest 

    Een homofiele psychiater, koelbloedige politie-agente, bijdehante hoerenzoon, halfbloedje uit de jungle en een door visioenen gekwelde arts blijken ieder verweven met het leven van de naar eeuwige roem snakkende, nietsontziende wetenschapper Dokter Vidal. Wat hebben ze met elkaar van doen? En wat gebeurt er met de meedogenloze Vidal wanneer hij de wurgslang Haré in zijn handen neemt? Een tatoeëerder uit de slum onthult …

    Met Mijn lievelingsboek – haar tweede roman, eerder verscheen Mijn ogen leiden je naar huis (2011) – heeft de Tsjechische journaliste en schrijfster Pilátová (1973) een onalledaags boek afgeleverd waarin het krioelt van exotische slangen en wemelt van magie. Een fantasierijke, knap gecomponeerde raamvertelling uit de koker van het magisch realisme. Onder regie van een vertellende tatoeëerder – als de Sheherazade uit Duizend-en-één nacht – vervlechten verschillende levensgeschiedenissen zich tot één groot complex verhaal. Meanderend proza waarin Pilátová met name verrast door de wijd geschakeerde personages en afwisselende stijl. Het ene moment doorwoel je in een hotelkamer de profetische dromen van een psychiater, dan weer luister je naar bezwerende slangen of word je bewierookt met pathetisch gezang om je vervolgens in kraakheldere rauwe taal samen met een hoerenzoon en halfbloedje uit de jungle een gevaarlijke vlucht te banen door de verdorven onderwereld. Tussen de bedrijven door laat de tatoeëerder ook zichzelf nog aan het woord met bespiegelingen op de vertelsels en verhalen over zijn klanten en de eigen levensgang.

    De roman opent met het mysterieuze ‘Ik heb geen naam’. Aan het woord is een naamloze tatoeëerder – naar later blijkt de verteller – die zijn leven niet zeker is in de door drugsbendes geregeerde slum van een fictieve Latijns-Amerikaanse metropool. Voor het leeuwendeel bestaat zijn clientèle uit drugscriminelen. Met de hete adem van deze ‘narco’s’ in zijn nek (en de pistolen in hun broek) is het leven een ware beproeving. Elke morgen is het opnieuw de vraag of hij het einde van de werkdag wel zal halen. Uit veiligheidsoverwegingen kiest hij ervoor zich voor zijn tatoeages enkel te laten belonen in de vorm van voedsel, kleding of coca-bladeren. ‘Moorden op bestelling, ontvoeringen van ondernemers, lijken opgelost in vaten zuur en afgesneden hoofden ter afschrikking – dat alles gebeurde een eindje verderop.’ In dit spel op leven en dood trekt de tatoeëerder zijn eigen wapen: het vertellen van verhalen! Aan inspiratie geen gebrek met zijn stukgelezen lievelingsboek vol sprookjes. ‘De naalden dringen langzaam door in de huid en de kleur zuigt zich als een indringer met een lading pijn vast in het weefsel terwijl ik zit te vertellen, om ze af te leiden. Ik kan het me niet veroorloven mijn klanten te vervelen. Dus ben ik de beste verteller. Het is een kwestie van leven en dood.’ 

    En vertellen – já – dat doet hij. Met verbeeldingskracht en verve … Maar helaas ook met pathos, overdadige dromen en excessief bezwerend gezang.

    ‘Tussen de wortels slaapt een slang
    hij kan niet verder
    hij verzamelt krachten

    Kus zijn tong
    wees zijn ogen
    voel de wortels waarmee het begint

    […]
    ontwar die wortels, bloederig, verknoopt’

    In een samenspel van profetische dromen, magische liederen en fantasierijke verhalen maken we kennis met de diverse protagonisten die allen ergens het levenspad van dokter Vidal hebben ge- of doorkruist (en veelvuldig ook die van elkaar) – ieder treffend vormgegeven in een op zichzelf staand verhaal. Deze door velen gehate en gevreesde wetenschapper blijkt uit de dood herrezen en wonderbaarlijk getransformeerd. Daar waar vroeger enkel zijn verschijning al garant stond voor kippenvel, roept hij nu ineens ontroering op. Wat in hemelsnaam is er aan gene zijde met hem gebeurd? Al ‘luisterend’ dalen we af in de tijd.

    In de caleidoscopische afdaling vol zijpaden en meanders ontmoeten we – naast een overdaad aan slangen – onder meer een homofiele psychiater die in Polen op zoek gaat naar de wortels van zijn Joodse vader, een halfbloedmeisje uit de jungle dat de taal van slangen spreekt, een hoerenzoon die in de vlucht naar zijn vrijheid een onaangename verrassing wacht, een vurige one-night stand die ervan overtuigd is enkel te kunnen leven met Vidals armen om zich heen en een rancuneuze dochter. Gaandeweg wordt het beeld steeds completer (en complexer) van deze in zichzelf gevangen man.

    Het bestaan van de eerzuchtige Vidal, die met ijzeren vuist een slangeninstituut bestiert, kent slechts één doel: het ontwikkelen van een serum tegen huidveroudering op basis van slangengif teneinde wereldfaam te bereiken. Zelf wordt hij koud noch warm van de  martelpraktijken die het instituut hanteert om het gif te verkrijgen. Máár dan op een dag gebeurt er iets vreemds als hij Haré – een bijzondere wurgslang – vasthoudt. Honderden slangen heeft hij al door zijn handen laten gaan – meedogenloos leeggewrongen, vermoord en op sterk water gezet – maar dit exemplaar roept angst bij hem op, geeft hem instinctief het gevoel dat er iets niet klopt. Deze slang zuigt hem op met zijn ogen, er is geen ontkomen aan. ‘Hij vertrouwde het niet helemaal. Er klopte iets niet. Hij wist niet wat. […]. De handen van de dokter begonnen als de handen van een robot de lichtgekleurde huid te strelen. Hun gedachten werden één.’ 

    Zo sluipt de listige Haré – die Vidal verafschuwt maar zich tevens voor de uitdagende taak gesteld ziet deze gepantserde ziel te verlossen – met al haar bovennatuurlijke krachten het leven binnen van deze kwelgeest. Stevig is haar greep. Al gauw vallen de eerste schilfers van Vidals stalen harnas, verslapt de ijzeren vuist. Het magische breekt in in zijn werkelijkheid. De tijd is rijp voor een nieuwe dimensie. Het verlangen naar roem maakt plaats voor oorspronkelijke levenskracht. Maar eerst zal de dokter zichzelf moeten loslaten om in een allesomvattend bewustzijn van eeuwigheid te mogen herrijzen.

    Met Mijn lievelingsboek heeft Pilátová een originele, knap gecomponeerde roman afgeleverd die de metafysische dimensie van onze belevingswereld voelbaar maakt. Vertellen kan ze! Schrijven ook, deze Tsjechische Pilatova. En oh, wat een verbeeldingskracht! Maar soms ook kun je ronduit té enthousiast zijn. Eeuwig zonde is het dat Pilátová zich met de overdadige dromen, de pathos en het excessief bezwerend gezang aan haar talent heeft vergaloppeerd. Voor toekomstig werk ligt de uitdaging dan ook bij het aantrekken van de teugels, het dresseren van de verbeeldingskracht in termen van ‘Less is more’!

    Over de schrijfster

    Schrijfster en journaliste Markéta Pilátová (Tsjechië, 1973) studeerde Romaanse talen en doceerde daarna aan de Palacký-universiteit in Tsjechië en in Granada, Spanje. Ze verbleef aansluitend een aantal jaren in Brazilië en Argentinië waar ze les gaf aan Tsjechische immigrantenkinderen. Momenteel woont ze afwisselend in Tsjechië en Brazilië en werkt ze als freelance journaliste. De vertaling van haar debuutroman Mijn ogen leiden je naar huis verscheen in 2011 bij De Geus, een liefdesgeschiedenis die destijds in de pers lovend werd ontvangen. Mijn lievelingsboek is haar tweede roman.

     

  • Chinese hardheid in fijnbesnaarde verhalen

    Chinese hardheid in fijnbesnaarde verhalen

    Wie nieuwsgierig is naar hedendaagse Chinese auteurs zou de verhalenbundel Hartenvrouw van Su Tong uit 2013 eens ter hand kunnen nemen. Su Tong is geboren in 1963 en heeft de Culturele Revolutie (1966-1976) dus bewust meegemaakt. Hij komt uit een arm gezin. Zelf verwoordde hij het volgens samensteller van de verhalenbundel Lena Scheen aldus: ‘Behalve vier kinderen hadden mijn ouders helemaal niks.’ In 1984 ging hij Chinese literatuur studeren aan de Universiteit van Peking, begon meteen met het schrijven en publiceren van verhalen en is momenteel een van de belangrijkste schrijvers van China.

    Het is niet altijd duidelijk in welke tijd en op welke plaats de verhalen in Hartenvrouw – door verschillende vertalers vertaald* – spelen, maar de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw dienen veelvuldig als decor, zonder dat Su Tong direct naar de politieke verwikkelingen van die tijd verwijst.

    In het titelverhaal ‘Hartenvrouw’ wordt het jaartal 1969 echter een aantal keren nadrukkelijk genoemd. De ik – een jongen van acht – heeft een spel kaarten waarvan hij plotseling de hartenvrouw kwijt is. ‘Destijds, in 1969, was het mijn enige speelgoed.’ schrijft Su. Speelkaarten zijn in die tijd ‘feodale rommel, kapitalistisch spul’, vindt de vader van de jongen, die hem meeneemt op een tweedaagse werkreis naar Shanghai – volgens het kind om daar een nieuw spel kaarten te kopen. Het draait in het verhaal om de politieke achtergrond: een receptioniste die met haar handen verborgen onder de tafel een bloem zit te borduren, een bloedvlek op de kamermuur van een hotel en een oude man met een mondkapje die in de trein wordt vergezeld van drie militairen en plotseling weg  is. De jongen begrijpt nog niet wat het mondkapje verdoezelt. De volwassen schrijver voegt aan het verhaal enkele alinea’s toe waarin hij vertelt dat hij ‘inmiddels wat gemakkelijker met [zijn] vader over het verleden kan spreken’ en pas nu begrijpt hij wat het mondkapje te betekenen had.

    In veel verhalen valt de hardheid van de personages op, los van het toenmalige politieke systeem. Over de verdwenen speelkaart zegt de broer van de ik: ‘Bij ons op school is de zoon van dikke Li al dagen weg, en niemand die hem gaat zoeken.’ Een ander verhaal, ‘De Vogelverschrikker’, roept om verschillende redenen verwarring op. Drie jongens van een jaar of veertien zijn aan de rand van een plattelandsdorp bij de rivier. De een hoedt zijn bergschaap, de andere twee, broers van elkaar, zwemmen wat. ‘De huid van hun ontblote bovenlichaam is pikzwart en ruw…’. Chinezen met een pikzwarte huid? Het draait om een moord en een stok, afkomstig van een vogelverschrikker. De ene jongen liegt tegen de twee broers, en zij op hun beurt verzinnen dat de jongen de moord gepleegd heeft. Op het einde slaan de twee de ene dood met de stok waarmee de moord gepleegd zou zijn. De lezer weet dat dat niet waar is en blijft verbijsterd achter omdat Su over de dode jongen niets meer te melden heeft, alleen over een nieuwe vogelverschrikker. Is dit allemaal fantasie van een kind geweest?

    In ‘De godinnentop’ reist een jong stel, Li Yong en Miaoyue op een boot. Ze delen een hut met de rijke vriend van Li Yong, Cui, die de tocht heeft betaald. Miaoyue maakt voortdurend stekelige opmerkingen tegen haar vriend omdat ze vindt dat hij te onderdanig doet tegenover Cui. ‘Had ik het soms tegen jou? Miaoye porde Li Yong met haar ellenboog, fronste haar wenkbrauwen en zei: Ik heb nog nooit zo’n irritant persoon als jij ontmoet. Je lult altijd maar wat. Wil je dan ook nog andermans woorden aanvullen?’ Cui laat merken dat hij interesse heeft voor Miaoyue, waarvoor zij niet ongevoelig is. Li Yong blijft op het einde van het verhaal alleen achter. Dit alles wordt terloops verteld tegen de achtergrond van de voorbijglijdende omgeving en babbelend over de mooie plekken die ze nog zullen zien.

    In ‘Papier’ toont een jonge jongen zich geïrriteerd over het verdriet van een oude man: ‘Ik ben hier toch niet gekomen om naar dat gejammer over je dochter te luisteren.’ En verderop ‘Hij rukte de lamp uit de handen van zijn moeder. Waarom zou ik het jou vertellen, schreeuwde hij haar toe.’
    Hoewel dit soort gedrag natuurlijk overal ter wereld voorkomt, lijkt het hier te verwijzen naar een typerende ruwe onverschilligheid, waarachter de echte gevoelens verborgen blijven.

    Wat bij lezing van het eerste, willekeurig gekozen, verhaal opvalt is de vertelstijl. Waar in Nederland de hedendaagse schrijvers bij voorkeur showing gebruiken, lijkt deze Chinese auteur over het algemeen het traditionele telling te volgen. De verhalen doen soms denken aan de Chinese klassieker Belegerde Vesting van Zhongshu Qian, spelend in de jaren dertig van de twintigste eeuw en geschreven in 1947, toen telling de gangbare stijl was. Net als Zhongshu Qian bewijst Su Tong dat een goede schrijver hiermee even goed als met showing een verhaal kan overbrengen. Situaties en beleving zijn uitstekend invoelbaar.

    De stijl van de verhalen wisselt en het is onduidelijk of dat aan de verschillende vertalingen ligt. Het kan zijn dat sommige vertalers ervoor hebben gekozen om door middel van soms wat houterig aandoende zinnen (zoals ook in Belegerde Vesting) een Chinese sfeer op te roepen die in vloeiend Nederlands niet overkomt. Bijvoorbeeld in het verhaal ‘Kronkelwilg’, als personage Xue al weg is: ‘Xue was halverwege haar avondeten toen de politie kwam. De eigenares wees naar de plastic kom op de toonbank. Zie je dat? Het eten van Xue staat er nog.’ Een Nederlander zou hier waarschijnlijk ‘Haar eten staat er nog’ hebben geschreven. Iemand met kennis van de Chinese taal en letteren zou hier meer licht op kunnen werpen, een ander kan de verschillen slechts constateren.

    Dat geldt ook voor wat soms een verkeerd gekozen woord lijkt te zijn. De boot uit ‘De Godinnentop’ meert in de loop van de avond af, maar een paar regels verder blijkt hij (op hetzelfde moment) te vertrekken. In ‘De Vogelverschrikker’ ‘bengelen’ en ‘bungelen’ twee tandwielen aan een stok terwijl ze daar stevig aan vast zitten, en ‘ritselen’ zonnestralen. In  ‘Kronkelwilg’ wordt een oude man door een chauffeur aangereden en ‘spat als een rotje uit elkaar’, maar even later ‘ging hij ineens rechtop zitten’ terwijl hij weer een paar regels verder als ‘vuurwerk met een harde knal de lucht in schoot’. Onduidelijk blijft of de chauffeur de man heeft aangereden of dat het de voor hem rijdende auto was. In dit verhaal zijn de keuzes voor de onzekerheid door de schrijver gemaakt, want het hele verhaal leunt op de schrik en moeheid van de chauffeur bij zijn gedachten aan het ongeluk. In de andere gevallen kun je je afvragen of het verkeerde interpretaties van de vertalers zijn geweest.

    Aanhalingstekens bij de dialogen ontbreken, iets wat wellicht een trend wordt omdat het bij meer recent uitgekomen Nederlandse en buitenlandse boeken voorkomt. Tot onduidelijkheid leidt het niet. Al met al heeft Su Tong prachtige, fijnbesnaarde verhalen geleverd, die de zintuigen van de lezer op scherp zetten.

     

    *Vertalers:
    Lucia de Bruine en Kian Kramer, Mathilda Banfield, Laura Vermeeren, Tabitha Speelman en Neline Floor, Remy Cristini,
    Brechtje Spreeuwers en Ruben Oosterhuis, Sylvia Marijnissen, Kathinka de Ruiter en Daan van Esch, Josefien Boonman en Marijn de Wolff, Melanie Yap en Lars Scholten, Jeanne Boden, Anne Sytske Keijser, Joyce Boogaers en Laura Kamsma, Yves Menheere, Mark Leenhouts

  • Suikerzoete roman weet aandacht niet vast te houden

    Suikerzoete roman weet aandacht niet vast te houden

     Istanbul rond 1920. Buitenlandse troepen hebben de stad bezet na een wapenstilstand in oktober 1918. Deze wapenstilstand maakt op papier een einde aan de vijandelijkheden tussen de geallieerde mogendheden en het Osmaanse Rijk, maar in feite betekent het de Osmaanse capitulatie. Het Osmaanse Rijk (het latere Turkije) moet grote gebieden in Europa opgeven en toelaten dat de geallieerde troepen Istanbul bezetten en belangrijke posten controleren.
    De soldaten hebben hun wapens moeten inleveren, maar in diezelfde tijd ontstaan op allerlei plaatsen in Anatolië bewegingen die zich sterk maken voor de verdediging van de Turkse nationale belangen. Wanneer een Grieks leger in mei 1919 de streek rond Izmir bezet, ontstaat er een crisis in het rijk. Vanaf dat moment steunen ook veel officieren in het Osmaanse leger actief het verzet.
    Tegelijkertijd is de sultan nog steeds aan het bewind, bijgestaan door een regering van trouwe ministers.
    In de stad heerst grote hongersnood. De rijke mensen proberen hun stand op te houden, maar ook hun maaltijden zijn karig. Lonen kunnen niet uitbetaald worden.
    Deze achtergrondinformatie is onmisbaar voor een goed begrip van de roman.

    In deze roman gaat het bijna uitsluitend over de familie van Ahmet Reşat. Hij is minister en trouw aan de sultan. Samen met zijn vrouw Behiҫe en hun twee dochters, woont hij in een groot, ommuurd huis. Daar wonen afgezien van de bedienden nog twee andere personen: Paleisdame, een tante op leeftijd die na de dood van Reşats ouders voor hem als een moeder heeft gezorgd, en daar haar ‘rechten’ in dit huis aan ontleent. De echtgenote van Reşat en Paleisdame komen dan ook regelmatig in conflict met elkaar. En de mooie Mehpare woont er, een verre nicht uit een verarmde tak van de familie. Buiten medeweten van Reşat wordt zijn zieke, dierbare neef Kemal, een revolutionair voor wie hij een groot zwak heeft en voor wie hij zich als een vader gedragen heeft, zijn huis binnengebracht. Kemal moet zich schuilhouden voor de geallieerde bezetters.

    Reşat verzoent zich uiteindelijk met Kemals aanwezigheid, vooral omdat de bezetters, sinds de onrust in de stad toeneemt, druk op zoek zijn naar de revolutionairen. Dit levert voor Reşat en zijn familie een gevaarlijke situatie op. Bovendien blijft Reşat onvoorwaardelijk trouw aan de sultan ook al ziet hij wel in dat de revolutionaire nationalisten voor een goede zaak strijden: een zelfstandig Turkije zonder bezetters.
    In ongeveer vierhonderd pagina’s wordt het familieleven beschreven in het huishouden van Reşat: Mephare en Kemal worden op elkaar verliefd en trouwen. Behiҫe raakt na lange tijd ook in verwachting. Ook een al wat oudere arts Mahir en de oudste dochter in het gezin worden verliefd op elkaar en trouwen.

    Het verhaal wordt grotendeels verteld vanuit het perspectief van de vrouwen, dus krijgt de lezer over het leven buiten de muren van het huis slechts dat te lezen wat op een of andere wijze het huis binnengebracht wordt. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren doordat Behiҫe de huismeester naar buiten stuurt wanneer er rumoer op straat is. Of via de gesprekken in de mannenkamer van het huis. Paleisdame en Mephare zijn goed in het uithoren van de mannen. Wanneer de sultan op de vlucht slaat en de nationalisten (met hulp van de Franse en Italiaanse bezetters die al eerder de kant van de Turken kozen) een lijst opstellen van mensen die in hun ogen het land verraden hebben, vluchten ook de ministers. Het verhaal eindigt ermee dat Reşat in ballingschap leest dat zijn dochter bevallen is, en in een brief aan zijn vrouw de wens uitspreekt haar en andere familieleden ooit in goede gezondheid waar ter wereld dan ook, in zijn armen te mogen sluiten.

    Het verhaal verloopt traag, mede omdat verreweg het grootste gedeelte zich binnenshuis afspeelt. Aangezien de kijker vooral gericht is op de vrouwen in dit huis, zou men mogen verwachten dat deze meer gaan ‘leven’ voor de lezer, dat er meer zichtbaar wordt van hun karakters. Maar deze vrouwen maken nauwelijks ontwikkeling door, zij blijven vrouwelijke wezens die door het grote huis lopen, weinig om handen lijken te hebben en smachtende blikken werpen op man of toekomstige man. De lezer zal geen sympathie voelen voor Behiҫe die regelmatig vernederd wordt door Paleisdame, en geen antipathie voor de gemene Paleisdame. Daarvoor zijn deze vrouwen te onecht. Ook door de stijl van dit boek zal de lezer niet geboeid raken: de schrijfster hanteert een eenvoudige schrijfstijl zonder enige ‘opsmuk’; zij vermijdt gruwelijke details, maar neemt regelmatig haar toevlucht tot nauwelijks opwindende zinsneden als ‘vegen bloed in het gezicht’, ‘gescheurde kleren’, ‘flauwvallen’ en ‘grote vermoeidheid’. Gevoelens daarentegen worden erg uitgesponnen in weinig originele bewoordingen en aan de verbeelding van de lezer wordt niets overgelaten. Mierzoete passages met te gedetailleerd beschreven gevoelens laten de lezer geen ruimte om zelf nog iets in te vullen! En zo komt het dat dit familiedrama nergens echt dramatisch wil worden, maar rustig voortkabbelt en dat alles verloopt zoals de lezer al snel na het begin verwacht dat het verloopt.

    Vierhonderd pagina’s zonder dieper gaande beschrijving van de bezetting, of van het werk van de minister Reşat, die tot diep in de nacht werkt en daar altijd moe van terugkeert, zonder mooie beschrijvingen van de kleurrijke stad, zijn te veel.
    Veel lokum (Turks fruit), weinig börek (hartige taart).

     

  • Cynici verdringen idealisten

    Cynici verdringen idealisten

    De onrust in Oost-Oekraïne die nu al een paar maanden gaande is, is naast een fysieke strijd vooral een propaganda-oorlog, waarvan president Poetin de touwtjes in handen heeft. Daaraan moet je onmiddellijk denken bij het lezen van de memoires van de Russische journaliste en mensenrechtenonderzoekster Oksana Tsjelisjeva, die onlangs in Nederlandse vertaling verschenen is. Ze gaan hoofdzakelijk over haar ervaringen met de twee Tsjetsjeense oorlogen. De eerste duurde van 1994 tot 1996 en de tweede begon in 1999 en duurt nog altijd voort (en wie van ons beseft dat eigenlijk?). Tsjelisjeva schrijft over die tweede oorlog dat Poetin het conflict ‘vertsjetsjeniseert’. Daarmee bedoelt ze dat het Kermlin de aandacht voor het conflict zo manipuleert dat het geen strijd om onafhankelijkheid meer lijkt, maar een gevecht tussen etnische groepen in het land zelf:

    De bedoeling is vanaf het allereerste begin van dit proces duidelijk geweest.
    Namelijk voorkomen dat het conflict uitdoofde door een burgeroorlog te forceren. Wanneer de Tsjetsjenen slag leveren met elkaar geeft dat de Kremlinpropagandisten een goed argument in handen voor de stelling dat de aanhoudende gevechten in Tsjetsjenië geen separatistische component hebben.

    De schrijfster heeft het in haar boek niet over Oekraïne, maar het is niet moeilijk haar opvatting te raden over Poetins strategie voor dat land. Daar heeft de Russische president juist wél baat bij separatistische acties, dus vertaalt hij zijn wens om de Krim, en mogelijk een deel van Oekraïne, in te lijven in een burgeroorlog in het begeerde land.
    De twee Tsjetsjeense oorlogen maken meer duidelijk. De eerste werd begonnen door Jeltsin om de opstandige republiek tot de orde te roepen en het gezag van Moskou te herstellen. De tweede begon, volgens Tsjelisjeva, om Poetin aan de macht te brengen. Hij zou in Tsjetsjenië president Kadirov aan de leiding plaatsen, een vazal die bereid was Poetins grootheid te vuur en te zwaard te verdedigen.

    De memoires van Oksana Tsjelisjeva heten Ze volgden me op straat, ook in het (Engelse) origineel. Ze graven echter dieper dan die toch wel erg oppervlakkige titel suggereert. Er is geen slachtoffer van Poetin aan het woord, maar een moedige vrouw die zeer gemotiveerd misstanden aan de kaak stelt en blootlegt hoe de machtsuitoefening van Poetin werkt. Ze kan zich kwaad maken op westerse betweters die haar daarmee voor  russofoob willen verslijten, want dat is ze niet. Ze houdt van haar land, hoewel ze er sinds 2008 niet meer woont. Tijdens een verblijf in Finland in dat jaar kreeg ze van haar vrienden de ernstige waarschuwing om niet terug te keren. Er was in inval geweest van de geheime dienst FSB (opvolger van de KGB) in haar kantoor van de Stichting ter Bevordering van Tolerantie in Nizjni Novgorod.

    Ze volgden me op straat zijn geen gebruikelijke memoires. De lezer komt weinig te weten over het persoonlijke leven van de schrijfster. Bovendien bestrijken ze een betrekkelijk korte periode, van ongeveer 1990 tot nu. Eigenlijk gaan ze vrijwel uitsluitend over de gebeurtenissen in Tsjetsjenië en de werkwijze van de FSB in de conflicten rond dat land.
    Tsjelisjeva fulmineert niet alleen tegen Poetin, maar ze overlaadt ook het Westen met verwijten. Ze heeft bijvoorbeeld een ernstige waarschuwing voor de gevolgen van de mondiale passiviteit jegens Tsjetsjenië:

    De afscheidingsbeweging van de jaren negentig was seculier en deed een dringend beroep op de Europese instituties om tussenbeide te komen en bij te dragen aan een politieke oplossing van het Russisch-Tsjetsjeense gewapende conflict. Toen die pogingen faalden, kregen de dogma’s van de fundamentalistische islam langzamerhand de overhand in de ondergrondse beweging.

    Opnieuw dringen zich aan de lezer parallellen op met de onmachtige houding van het Westen in andere kwesties. Andermaal de Oekraïne natuurlijk, maar ook het Midden-Oosten, waar nu de Islamitische Staat (IS) de macht grijpt nadat Amerika en Europa de afgelopen jaren in een kramp schoten bij het zien van de omwentelingen in dat gebied.

    Ze volgden me op straat is daarmee natuurlijk geen vrolijk stemmend boek. Het is schokkend te lezen hoe Poetin tijdens de gijzeling van de School 1 in Beslan door Tsjetsjeense rebellen in 2004 (335 doden) al vanaf het begin meer bezig was met de vraag hoe hij deze situatie kon uitbuiten om zijn macht te vergroten dan met de zorg voor de veiligheid van de gegijzelden. Tsjelisjeva maakt zeer aannemelijk dat de FSB (en daarmee Poetin zelf) verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de bloedige afloop.
    Evenzo schetst Tsjelisjeva rond de moord op de journaliste (en vriendin van de schrijfster) Anna Politkovskaja in 2006, die de wereld schokte, overtuigend de rol van de FSB. Én de lakse houding van de rest van de wereld.

    Veel van de ingrepen in het werk van mensenrechtenorganisaties door de FSB  zijn van de andere kant ook weer van zo’n onvoorstelbare stupiditeit (een woord dat Tsjelisjeva zelf gebruikt) dat ze lachwekkend worden. Zo neemt de geheime dienst op een bepaald moment, zogenaamd in opdracht van Microsoft, alle computers van de vredesorganisatie van Tsjelisjeva in beslag omdat illegale software gebruikt zou zijn. De werkelijke reden was het verhinderen van verdere publicaties en acties. Dat was des te aannemelijker omdat de computers en de software, aantoonbaar met licentienummers, bij hetzelfde bedrijf waren aangeschaft waar ook het Kremlin zelf winkelde.

    Tsjelisjeva geeft al bij al een leerzame kijk in de keuken van Poetin. Jammer is alleen dat ze er niet altijd in slaagt dat op een leesbare manier te doen. Af en toe krijg je het gevoel dat ze een grote hoeveelheid losse aantekeningen en gedachten gerubriceerd heeft volgens de onderwerpen die de hoofdstuktitels vormen, maar het bij die ordening heeft gelaten. Daardoor missen de verhalen soms een duidelijke lijn en worden ze af en toe te wijdlopig. Maar misschien moeten we daar niet teveel nadruk op leggen bij een boek van zo’n bezield iemand. Want, zoals ze zelf schrijft: ‘In onze wereld is er steeds minder ruimte voor idealisten. Ze worden vervangen door cynici.’
    Laten we haar alle ruimte geven.

     

  • Wie is er eigenlijk nog zichzelf?

    Wie is er eigenlijk nog zichzelf?

    Wie de roman Anna. Ode aan een kattenstaart ziet liggen, zal de titel wellicht nauwelijks iets zeggen. In het gunstigste geval roept hij vragen op en maakt nieuwsgierig. Maar wie het boek uit heeft, weet hoe mooi en liefdevol de titel is.
    Anna is het romandebuut van de bedrijfskundige en neerlandicus Ru de Groen. Het is een mooie liefdesgeschiedenis van twee oudere pubers, die pas laat in hun leven zijn uiteindelijke betekenis ontsluit, maar ook een boek dat tintelt van plezier in taal.

    Anna Stoffel, tot dan toe een in zichzelf gekeerd meisje uit een gebroken gezin in een deftige buurt in Breda, is 17 jaar als ze valt voor klasgenoot Willem Havelaar. Hun eerste werkelijke ontmoeting op straat is omineus geladen: Anna passeert een Poolse tank en als de twee elkaar aanspreken gaat net de sirene van het oefenalarm af.
    Ook Willem Havelaar komt uit een weinig stabiel gezin, maar is juist extrovert. Hoewel: hij is net zo onzeker, maar weet dat te verbergen achter exuberante fantasieën en uitingen waarmee hij anderen vooral wil imponeren. Hij zorgt ervoor dat Anna uit haar wereld breekt, maar zelf laat hij zich nauwelijks aan haar kennen. Wanneer ze te dichtbij komt slaat hij op de vlucht. Hij vernedert Anna zelfs in het bijzijn van klasgenoten omdat hij daarmee applaus oogst. Daarmee gooit hij zijn gevoelens voor haar te grabbel: ‘Ik behoor tot die groep van mensen die keer op keer kapot moeten maken waar ze het meest van houden’, zal hij haar 40 jaar later bekennen.

    Groots is de manier waarop Anna op die vernedering reageert. Ze lijkt er eerst aan onderdoor te gaan en is bereid haar uiterlijk te veranderen (haar kattenstaart is de metafoor voor haar eigenheid) om onder de pesterijen uit te komen. Ze zint op wraak, maar komt op het juiste moment tot het inzicht dat zij sterker uit de strijd komt door de macht die ze heeft juist niet te gebruiken.

    Daarbij moet je het als recensent laten wat het verhaal betreft. Het is zonde om teveel weg te geven van het verhaal van de ontwikkeling die Anna (en Willem) doormaken.

    Maar er valt nog zoveel meer te beleven aan dit sterke debuut. De Groen speelt een prachtig spel van werkelijkheid en fictie. Natuurlijk is het een roman, maar de lezer krijgt zoveel exacte informatie mee dat de gebeurtenissen akelig realistisch worden. De ligging van huizen in Breda en hun inrichting wordt bijvoorbeeld met precisie beschreven. En zelfs het moment dat Anna voor het eerst bij Willem thuis verschijnt wordt minutieus benoemd: ‘woensdag 6 september om vier minuten over drie’.

    De lezer wordt voortdurend gekieteld. Willem loopt rond met idee om een sleutelroman te schrijven (het zal er niet van komen) en de toespelingen daarop zijn zo dwingend dat je als lezer argwaan krijgt bij de roman die je zelf in handen hebt. Dat komt mede door de literaire verwijzingen door het verhaal heen. Je gaat je van de weeromstuit bijvoorbeeld afvragen wie bedoeld kan zijn met de ‘domgeer’ die een paar keer wordt aangehaald? Matthijs van Boxsel? Midas Dekkers misschien?

    Een genot vormt de soepelheid van taal die Ru de Groen gebruikt. De soepele stijl is doorspekt met humor en woordspelletjes. Elk hoofdstuk krijgt een vierregelig versje mee (Anna heeft ze leren schrijven in navolging van haar vader) dat meestal cabaratesk van aard is en vooral Willem dartelt in zijn taalgebruik van zijn opa ‘Max’ die zijn naam gefantaseerd had (!) naar ‘de moerenmannetjes in het schroefjestheater’ en een lijst met woorden die niet meer kunnen, zoals ‘pips’. Ook de omschrijving in het geval van de bewaarder van een begraafplaats die ‘van elk graf het onderliggende verhaal’ kende, werkt op de lachspieren.

    Zo is Anna een duidelijk met plezier geschreven verhaal over de ontwikkeling van twee pubers die verliefdheid en de valkuilen daarvan ervaren, op weg naar zelfkennis.
    ‘Wie is er eigenlijk nog zichzelf?’ vraagt een klasgenote van Anna op een gegeven moment. Het slot van de roman biedt liefdevolle troost. Ooit breekt het inzicht door en kunnen we vrede hebben met wat we ooit als ongeluk zagen.

     

     

  • Oogst week 27

    Door Carolien Lohmeijer

    Van Alice Munro las ik tot nu toe alleen De liefde van een goede vrouw. Het maakte weinig indruk, maar ik geef dat met enige schroom toe omdat haar werk overal zo lovend wordt besproken, en zoveel mensen van haar boeken genieten. Het oeuvre van Munro is gelukkig groot. Er zijn voldoende andere titels te kiezen als ik nader kennis wil maken met de kwaliteiten van deze schrijfster. Munro’s boeken verschijnen al jaren bij Uitgeverij De Geus. Als laatste is daar is nu haar historische roman Levens van meisjes en vrouwen verschenen in een vertaling van Pleuke Boyce. Munro is vooral bekend als schrijfster van verhalenbundels; Van Levens van meisjes en vrouwen zou je kunnen zeggen dat het een verhalenbundel is die een roman is geworden, de hoofdpersoon, Della Jordan, komt in de verschillende verhalen steeds terug. Het is een coming out of age-roman die zich net na de Tweede Wereldoorlog afspeelt in Canada in de jaren veertig. Het gezin van Del Jordan verhuist van het platteland naar de stad. Daar wordt ze omringd door vrouwen: haar agnostische moeder, een pittige, wat bijzondere vrouw, haar moeders wellustige kostganger, en haar beste vriendin Naomi. Via hen en haar eigen ervaringen met seks, geboorte en dood ontdekt Del de donkere en zonnige kanten van het vrouw-zijn. Alice Munro, vertaling: Pleuke Boyce, Uitgeverij De Geus, 245 pagina’s, € 21,95

     

    VertelChristien Brinkgreve gaat in haar boek Vertel uitgebreid in op de kracht van verhalen. In Vertel neemt ze deze bron van inzicht in de ervaringswereld van mensen serieus. Ze luistert, vertelt, en laat zien hoe verhalen kunnen verbinden, uiteendrijven, en richting kunnen geven in een tijd waarin oude ideologieën niet meer werken en er grote behoefte bestaat aan visies waarin mensen kunnen geloven. Christien Brinkgreve is hoogleraar Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Zij heeft naast haar universitaire werk altijd geschreven voor een breder publiek, bijvoorbeeld De ogen van de ander –  Sociologen en filosofen over zelfkennis, en Het verlangen naar gezag – over vrijheid, gelijkheid en verlies van houvast. Christien Brinkgreve, Uitgeverij Atlas Contact, € 18,99

  • Alles wat solide was verdwijnt in het niets

    ‘Alles van waarde is weerloos’ zo dichtte Lucebert in 1974. Maar niet in Spanje, zo betoogt Antonio Muñoz Molina in zijn boek over de economische crisis in Spanje. In tegendeel. Daar was volgens hem tot voor kort juist alles wat waardeloos was solide. Totdat de snelgroeiende Spaanse zeepbel-economie in 2008 uiteenspatte en het land ontredderd en gedesillusioneerd achterliet. Maar volgens Muñoz Molina ook met de opdracht om de luchtspiegelingen uit het verleden achter zich te laten en schoon schip te maken. Om eindelijk goed te doen.

    Daarvoor is het volgens Muñoz Molina ook de hoogste tijd. Dat maakt hij zijn lezers wel duidelijk. Want het Spanje van voor de crisis was een land dat veel te veel gekarakteriseerd werd door verdeeldheid, corruptie, verruwing en verbaal geweld. Terwijl het land nog nooit zo rijk geweest was. Slechts in enkele decennia was Spanje erin geslaagd de onderdrukking en angst van zich af te schudden die gepaard was gegaan met de dictatuur van Franco. En dat had de Spanjaarden een enorme rijkdom gebracht. Maar geen breed geworteld geluk. Het omgekeerde was eerder het geval. Volgens Muñoz Molina kon Spanje als gevolg van het ontbreken van een goed ontwikkeld democratisch besef en een ontbrekend ‘wij’ gevoel niet goed omgaan met de plotselinge rijkdom die het land overspoelde. ‘In Spanje zijn er te veel eeuwen van dictatuur en intolerantie geweest’, zo schrijft hij, ‘om de vrijheid van denken wortel te doen schieten, en ook de democratie heeft bij ons nog niet lang genoeg geduurd om er echt aan te wennen de vrije meningsuiting in de praktijk te brengen.’

    Het gevolg hiervan was dat Spanje de sociale cohesie en structuur ontbeerde om de vruchten te plukken van zijn nieuwe rijkdom. Met als gevolg dat deze rijkdom werd verkwist door onderlinge agressie en de obsessieve zelfverrijking. Zonder dat de schuldigen daar echt op werden aangesproken. Omdat het not done was de vuile was buiten te hangen en de ‘eigen’ groep aan te vallen. Met als gevolg dat niemand wat zei, iedereen de andere kant op keek en alles solide was. Totdat in 2008 de zeepbel uiteenspatte.

    In die tijd woonde Muñoz Molina overigens zelf allang in New York. Waar hij onder andere werkte als directeur van het Instituto Cervantes. Maar ondanks zijn langdurige afwezigheid bleef hij aan zijn vaderland verbonden. Via zijn columns in El Pais, via de vele romans die hij publiceerde en die zich veelal in Spanje afspeelden en via zijn kinderen die er studeerden. En toen de crisis uitbrak en de Spaanse jeugd, inclusief zijn eigen kinderen, in protest de straat op gingen, kon Muñoz Molina dan ook niet anders dan onmiddellijk terug gaan naar zijn vaderland. In zijn herinneringen, in de tijd, maar uiteindelijk ook fysiek. Om met eigen ogen te zien hoe alles wat solide was in het niets aan het verdwijnen was.

    Muñoz Molina heeft vrijwel zijn gehele boek nodig om uit te leggen hoe dat in een democratisch land als Spanje kon gebeuren. En hij doet dat uitvoerig. Te uitvoerig. In alle opzichten. Zijn taal is overrijk, zijn zinnen onstopbaar lang. Veel lezers zullen hun wenkbrauwen fronsen bij zinnen van meer dan twintig regels, met meer dan 12 komma’s of andere leestekens. Als ze al niet eerder zijn afgehaakt. En een voorbeeld als toelichting op een stellingname is natuurlijk goed, en ook twee voorbeelden kunnen als ‘extra stevige onderbouwing’ nog wel worden gewaardeerd. Maar het zal de meeste lezers toch echt te gortig worden als ze zich door bijna twee pagina’s met vijftien voorbeelden moeten heen worstelen, van steeds weer andere maar toch vergelijkbare steden, die zich te buiten gaan in steeds weer dezelfde overmatige en hoogmoedige nieuwbouwprojecten.

    En dat is jammer. Want Muñoz Molina’s visie op Spanje is een interessante. En leert je veel over de geschiedenis van zijn land, en daarmee ook over de worsteling die het doormaakt bij het bestrijden van de economische crisis waarin het gedompeld is. En je steekt als lezer ook nog eens wat op over die grote Spaanse schrijver, Cervantes. Die niet alleen met Don Quichot en Sancho Panza onvergetelijke romanfiguren creëerde, maar die in dat zelfde boek ook Het poppenspel der wonderen introduceerde. Een kluchtige eenakter waarmee Cervantes volgens Muñoz Molina avant la lettre beter dan wie dan ook de diepere context van Spanje’s huidige onvermogen verklaart.

    In Het poppenspel der wonderen benadrukt Cervantes het belang van een zuivere identiteit. Een eis die in een land als Spanje, waar zo veel volkeren en culturen zich eeuw na eeuw vermengden, onvervulbaar blijkt. En dus een illusie. Net zo’n illusie als de soliditeit van Spanje. Zodat Muñoz Molina nog net voor de laatste pagina van zijn boek niet onverwacht tot de conclusie komt dat het spel der verbeelding uit is. Om vervolgens een pleidooi te houden voor tolerantie. Een pleidooi dat hij overigens gedeeltelijk een Nederlands tintje geeft, omdat hij twee weken in Amsterdam verbleef en zich daar laafde aan al wat volgens hem goed is in Nederland.

    De laatste pagina van zijn boek besteedt Muñoz Molina aan een blik vooruit. Een hele pagina. Waarbij hij de stelling betrekt dat Spanje geen andere keus heeft de dingen anders te gaan zien, zoals ze werkelijk zijn. ‘Na zo veel luchtspiegelingen hebben we nu eindelijk, mogen we hopen, de jaren des onderscheids bereikt.’ Het zijn weliswaar woorden van hoop, maar het zijn ook woorden die nog heel ver af staan van een echt antwoord op de crisis. Terwijl de Nederlandse vertaling je dat wel belooft. De ondertitel luidt immers ‘Hoe uit de crisis te komen’. Maar die vraag wordt door Muñoz Molina niet beantwoord, en ook overigens in de oorspronkelijke taal niet op de cover gesteld.

    Wonderlijk overigens, hoe een ondertitel en een cover vooraf een beeld kunnen schetsen van een boek dat zo anders is dan hetzelfde boek in de oorspronkelijke uitgave. De Nederlandse versie toont hoe drie mensen met man en macht een vallend huis tegen proberen te houden. Het lijkt een onmogelijke opgave, en daarmee lijkt ook het overkomen van de crisis bij voorbaat een kansloze missie. De Spaanse versie toont drie touwtrekkende mannen en geeft geen ondertitel en kondigt dus ook geen oplossing aan. De tegenstand van de touwtrekkers is niet te zien, maar de verbetenheid in hun strijd wel. Zij zullen winnen. Zoals Muñoz Molina dat wil. Vereend. En met de gave des onderscheids.

     

  • Arabische verhaaltraditie met westerse invloed

    Arabische verhaaltraditie met westerse invloed

    Nagieb Mahfoez (1911-2006) kreeg in 1988 de Nobelprijs voor Literatuur, als eerste Arabische auteur wel te verstaan. Hij heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan met juweeltjes als De Dwaaltocht, Tussen twee paleizen, Begin en eind en De Midaksteeg. Stuk voor stuk verhalen gecomponeerd vanuit de Arabische verhaaltraditie, maar met een westerse invloed.

    Mahfoez gooide in Duitsland op de Buchmesse in 2004 hoge ogen door de westerse invloed op de Arabische literatuur te belichten. Dit na een uitglijder van de toenmalige bondskanselier Schmidt, die vond dat de Arabische literatuur ingegeven werd door extremisme. De Syrisch-Duitse auteur Rafik Schami stelde dat hij door de Sheherezade was geïnspireerd en hij zei: ‘Vertellen betekent leven.’
    En daarom is Mahfoez een verteller uit de traditie van Duizend-en-één-nacht. Van sterrenluchten boven oude steden, waar kruiden geuren, liefdes worden geboren en een wereld schittert; een wereld die nu in beweging  is, na de Arabische lente, maar waarin de tradities onuitroeibaar aanwezig blijven. En waarin de familiebanden zo sterk zijn, dat we ons dat in het Westen nauwelijks nog kunnen voorstellen. Maar Mahfoez licht ons bij.

    We worden teruggeleid naar het Egypte van 1981. De president van Egypte is op dat moment Anwar al-Sadat. Alles in deze natie is op dat moment in beweging en Egypte staat op het punt een moderner land te worden. Mahfoez schetst ons de verhoudingen binnen een middenklassenfamilie door de gedachten en woorden van de hoofdrolspelers. Met ijzeren precisie komen ze aan het woord. De grootvader Moehtasjemi Zajid komt wijs en bijna contemplatief aan het woord. Hij vertegenwoordigt echter een wereld die eigenlijk al niet meer bestaat. Hij is soefi, een beweging die binnen het Islamitische spectrum wordt gezien als een mystieke tak, zonder veel invloed in het huidige tijdsgewricht. Zijn kleinzoon Alwaan heeft weinig tijd voor zijn grootvader omdat hij geld bijeen moet brengen voor een huwelijk met  zijn grote liefde, Randa. Randa’s  familie vindt Alwaan te eenvoudig van afkomst en na een ellenlange verloving wordt de verbintenis verbroken. Dat drijft Alwaan uiteindelijk tot een wanhoopsdaad. Randa heeft een verhouding gekregen met een rijke man uit een voorname familie, maar zij houdt niet van deze man. De geestkracht, die in de familie van Alwaan nog een rol speelt via de grootvader is verdwenen bij de familie van Randa, waar alles beheerst lijkt te worden door geld.
    Dat maakt dit boek tot een universele novelle. De grondgedachte materie, tegenover spirituele principes is een maxime waar veel filosofen al eeuwen hun hersens over hebben gepijnigd.

    Jammer, eeuwig zonde dat Mahfoez het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Maar wat blijft zijn zijn adembenemende vertellingen.