• Vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur

    Vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur

    Er zitten veel magische momenten in de nieuwe roman van Yu Hua (1960), de meest gelezen Chinese auteur van het moment. Dat magische begint al met de titel: Wencheng. In het Chinees kan het een plaatsnaam zijn, maar je kunt de Chinese karakters ook lezen als ‘fictie-stad’. En inderdaad gaat het in dit boek om een stad waarover je als lezer gerede twijfel mag hebben of ze wel bestaat.
    Lin Xiangfu verliest op jonge leeftijd zijn beide ouders. Hij gaat in de leer bij een meester-timmerman en met zijn timmerwerk en het geld dat zijn ouders hebben nagelaten, kan hij tamelijk zorgeloos leven. Toch heeft hij een grote zorg: hoe aan een geschikte vrouw te komen. Hij verpest zijn kans op de knappe dochter van een rijke familie en lijkt in zijn somberheid weg te zinken. Maar dan klopt er een curieus koppel bij hem aan de deur. Ze zeggen dat ze broer en zus zijn. Zij zijn op doorreis, het is niet zo duidelijk waarheen. De broer vertrekt al gauw weer, maar de zus die Xiaomei blijkt te heten, blijft bij Lin Xiangfu in huis.

    De twee komen nader tot elkaar, langzaam en voorzichtig. Op een avond stapt Li Xiangfu ‘door een waterstraal van maanlicht’ en kijkt naar Xiaomei die in bed ligt, ‘haar ineengekrulde lichaam bewegingloos. Na één moment van aarzeling ging hij voorzichtig naast haar liggen. Terwijl hij luisterde naar haar zachte, regelmatige ademhaling, tilde hij een stukje van haar deken van haar af en legde dat over zichzelf heen. Op dat moment draaide Xiaomei zich om en als een vis zwom ze zijn lichaam op.’

    Verdwenen

    Ze trouwen en krijgen een dochter. En dan verdwijnt Xiaomei, zomaar. Li Xiaofu neemt zijn dochtertje in een draagzak op de borst en trekt erop uit om Xiaomei te vinden. Maar wat weet hij weinig van haar. Hij heeft begrepen dat ze uit Wencheng komt, maar waar ligt dat? In de ijskoude winter gaat Lin Xiangfu de deuren langs om een vrouw te vinden die zijn baby borstvoeding kan geven. Overal vraagt hij naar de stad die zijn doel is, maar niemand weet iets.

    Als hij na honderden kilometers aankomt in de stad Xizhen besluit hij daar te blijven. Het plaatselijk accent lijkt op dat van zijn verdwenen Xiaomei en de vrouwen dragen er net als zij een hoofddoek en houten klompen. Hij verdient er de kost als boer en timmerman. Hij voelt zich schuldig: ‘Ik ben tekortgeschoten, tegenover jullie, mijn ouders, tegenover mijn voorouders. Maar jullie kleindochter heeft moedermelk nodig. Op jullie graf beloof ik dat ik terug zal komen.’

    Briefje

    Deze geschiedenis speelt zich af in de hoogst onzekere omstandigheden van China begin twintigste eeuw, vol oorlogsgeweld en banditisme. Na jaren, als Lin Xiangfu’s dochter al een jonge vrouw is, komen de bandieten ook voor haar. Bang toont het meisje zich niet. Ze geeft de bandieten thee en als ze die hebben opgedronken, zegt ze: ‘Laten we gaan.’ Bij de deur roept ze nog: ‘Ga snel aan mijn vader vertellen dat hij voor vijfhonderd zilveren dollar losgeld moet zorgen om me weer vrij te kopen.’ En vraagt de bandieten: ‘Waar moeten ze het losgeld heen brengen?’ ‘We sturen een briefje,’ zeggen ze.

    In de roman gaat het uitgebreid over de wreedheden die de bandieten jegens hun gevangenen begaan. Ze martelen en verkrachten, ze snijden oren af. Als ze moeten vluchten voor het leger, zegt een bandietenleider: ‘Verdeel de oren!’ Hij gooit een andere bandiet het oor van een belangrijkere gevangene toe. ‘Jij krijgt deze dure. Jij kunt goed schieten, blijf hier met je mannen om terug te vechten.’

    Op tweederde van de roman, nadat verscheidene personages hun tragisch lot hebben gevonden, verspringt de vertelling tientallen jaren terug onder de titel ‘Gaten vullen’. We krijgen nu veel meer te horen over het levensverhaal van Xiaomei. Aan het slot wil de roman de lezer ervan overtuigen dat de magie het uiteindelijk wint van de verschrikkingen. ‘De lucht was helderblauw, de zon scheen, en in de westelijke heuvels was het heerlijk. Welige bomen bedekten de glooiende heuvels, een ordeloze weelde aan gebladerte voerde langs de hellingen naar beneden. Plukjes bamboe staken hun smaragdgroene toppen tussen het uitgestrekte groen van de bomen door. Sappig gras groeide tussen de dijkjes en de sloten langs de akkers.’

     Yu Hua

    De onzichtbare stad volgt op de vijf boeken van Yu Hua die al in het Nederlands zijn verschenen. Dat was over een periode van ruim dertig jaar, allemaal bij uitgeverij De Geus, met verschillende vertalers. Leven! was in 1993 het boek waarmee Yu Hua doorbrak, in China en elders. Die roman schetst chronologisch de wederwaardigheden van een gewone familie in de twintigste eeuw, onder de republiek en het communisme. De verfilming ervan werd eveneens een internationaal succes. Daarna belichtte Yu Hua steeds de zelfkant van het leven in China, vaak met ironie. In zijn op een na laatste roman, De zevende dag, zwerft een overledene doelloos rond als geest omdat er geen geld was voor een graf. In zijn postume verhaal figureren corruptie, prostitutie en politiegeweld, en komen actuele Chinese praktijken aan bod zoals orgaanverkoop, het weggooien van dode baby’s en het gelieg van de autoriteiten over de aantallen slachtoffers van rampen.

    Annelous Stiggelbout, die al tekende voor een dozijn boeken uit het Chinees,  leverde opnieuw een prachtige vertaling af. Ze gebruikt karige taal waar dat past bij de wreedheden en bloemrijk idioom in lyrische passages. De roman is vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur. Met die kracht probeert de Yu Hua lang niet altijd de lezer te behagen. Sommige gruwelen zijn eigenlijk te erg voor woorden. De auteur toont weinig sentimentele band met zijn personages, van wie sommigen uit de roman verdwijnen voor je er erg in hebt. Zijn stijl houdt de lezer alert: nu eens grimmig en felrealistisch, dan weer avontuurlijk of sprookjesachtig. De hedendaagse Chinese literaire fictie heeft wat andere conventies dan de westerse  – kort gezegd: minder plot en meer wisseling van perspectief. Yu Hua is een meester in dat genre.

     

     

  • Niet minder dan een ramp

    Niet minder dan een ramp

    In de zomer van 2017 veranderde de wereld van de Amsterdamse, van Marokkaanse afkomst, Saadia Ait-Taleb van het ene moment op het andere in een zwart gat. Ze was sinds 2015 manager van een antiradicaliseringsprogramma van de gemeente Amsterdam. Net nadat ze zelf ontslag had genomen om te proberen elders werk te vinden kreeg ze de politie op haar dak, op beschuldiging van fraude, nepotisme en belangenverstrengeling. Haar vertrek bij de gemeente zou worden omgezet in strafontslag. Ook de acteur Saïd J. met wie ze in haar project had samengewerkt werd opgepakt.

    In juli 2020 werd ze echter van alle blaam gezuiverd. De verdachte praktijken bleken niet haar te kunnen worden aangerekend, maar aan burgemeester Eberhard van der Laan (overleden in 2017).

    Roman

    Blaam is de titel van de roman van Lisa Scheerder die vorig jaar verscheen over deze affaire, die bekend staat als de ‘grijze campagne’. Scheerder werkte zelf op het stadhuis als manager openbare orde en crisisbeheersing, maar vertrok daar in 2017 enkele maanden vóór Ait-Taleb werd geslachtofferd. Scheerder begreep er niets van. En nog steeds is het voor haar een raadsel hoe het zo ver kon komen. In Blaam doet ze een poging te beschrijven wat er gebeurd zou kunnen zijn, een roman omdat ze ondanks een veelheid aan bronnen het antwoord op veel vragen moet bedenken.

    Fragmenten uit die bronnen zijn in de roman opgenomen, maar ook verwijzingen naar publieke informatie zoals in kranten en op TV zijn op te zoeken. Blaam is een sleutelroman met herkenbare aliassen. Achter Lucy, Samira, Ezzine en Waldemar bijvoorbeeld gaan respectievelijk Lisa Scheerder, Saadia Ait-Taleb, Saïd J. en burgemeester Eberhard van der Laan schuil. De versleutelde namen liggen erg voor het grijpen (de ‘grijze campagne’ heet in de roman de ‘zilveren campagne’) en zijn soms komisch (zoals ‘de Seinpost’ voor De Telegraaf).

    Vlogs

    Het boek gaat in hoofdzaak over het schandaal rond de ‘zilveren campagne’. Die behelsde een geheim project in het kader van de deradicaliseringsaanpak in Amsterdam. Daarin werd – in de roman – Samira, vanwege haar bekendheid binnen jongerengroepen waarvan gevreesd werd dat ze zich zouden aansluiten bij de jihad, ingezet om hen zodanig te beïnvloeden dat ze van acties zouden afzien. Samen met een Marokkaanse acteur, Ezzine, zou ze voor die jongeren vlogs maken die voor authentiek moesten doorgaan. Het project was een bedenksel van de burgemeester, Waldemar, die er ook voor zorgde dat de kosten ervoor onvindbaar zouden zijn; ze werden weggeschreven op andere posten.

    Eberhard van der Laan wordt waarschijnlijk door velen herinnerd als een betrokken en warme burgervader; denk alleen maar aan de uitzending van Zomergasten van 30 juli 2017, waarin hij de hoofdpersoon was. Hoe anders is Waldemar in Blaam. Hij komt erin naar voren als een bij vlagen arrogante man, die zelfs binnen de ‘driehoek’ (het overleg van burgemeester, hoofdcommissaris van politie en Officier van Justitie) niet open is. Uiteindelijk is hij de man achter het strafontslag van Samira om zijn eigen straatje schoon te vegen.

    Churchill

    In de top van de gemeente Amsterdam (in de roman ‘Hoofdstad’) gaat het er sowieso niet fris aan toe. Lucy zelf raakt steeds in conflict met gemeentesecretaris Govert, met wie zij een relatie heeft gehad, en tussen Vicky, een nog vroegere ex van Govert die blijkbaar weer in genade is aangenomen, en Lucy speelt zich eveneens een machtsspelletje af. ‘Het stadhuis is een wespennest’ zegt Lucy dan ook een keer tegen Samira.
    Ook op een ander vlak is Waldemar niet de aimabele man die veel lezers in Eberhard van der Laan denken te kennen. Hij houdt ervan om citaten van Churchill zo te parafraseren dat het zelfbedachte wijsheden lijken en hij is ook nog eens stikjaloers op zijn ambtgenoot van ‘Havenstad’ als die wordt uitgeroepen tot beste burgemeester van Europa. Als een buurvrouw van Lucy niet goed begrijpt waarom Waldemar, die ook genomineerd was, kwaad is (hij is toch van dezelfde partij als de burgemeester van Havenstad), legt Lucy het haar uit: ‘Er zijn twee werelden, een binnenwereld en een buitenwereld. En die eerste, die zien jullie niet, maar daar zit ik. Daar heb ik mee te maken. En in die wereld is dit niet minder dan een ramp’.

    Keffertje

    Een van de openbare bronnen die gemakkelijk is terug te kijken is het optreden van de Amsterdamse burgemeester op 13 januari 2015 in De Wereld draait door – met Jort Kelder als tafelheer, waarvoor Van der Laan destijds in brede kring lof oogstte. In Blaam is dit een optreden van Waldemar in De Aarde Vergaat Niet (‘het rechtse keffertje is er ook’). De lezer die dit programma na lezing van Blaam terugkijkt ziet ineens een ander gesprek.

    Er is nog een tweede verhaallijn die steeds de hoofdvertelling doorsnijdt. Dat is de relatie die Lucy heeft met haar moeder. Lucy is na de breuk met Govert bij haar ingetrokken en krijgt te maken met haar vergaande eigenwijsheid. Het wordt niet duidelijk wat deze tweede lijn doet in de roman. Natuurlijk is er de vergelijking van twee binnenwerelden in Blaam waarin zich op andere niveaus machtspelletjes afspelen. Maar het lijkt toch vooral een inlassing om de zwaarte – ja, zelfs woede – die het boek voor de lezer ademt, even los te kunnen laten.

    Van die tweede verhaallijn beklijft bijzonder weinig. Wie het boek dicht slaat is vooral bedolven onder de misstanden in het gemeentehuis van ‘Hoofdstad’ en de persoonlijke boosheid van de auteur daarover. Misschien was een non-fictieboek en een wat afstandelijker analyse beter geweest. Lisa Scheerder was zelf partij en heeft vooral ook haar eigen woede geventileerd.

     

     

  • Twee afgesloten hoofdstukken

    Twee afgesloten hoofdstukken

    De hoofdpersoon van Kairos. is Katharina. In de roman reconstrueert ze de liefdesgeschiedenis die ze vele jaren geleden had met schrijver en radiomaker Hans in Oost-Berlijn. Hans is overleden. Van zijn zoon heeft ze twee kartonnen dozen thuisbezorgd gekregen, met daarin brieven, agenda’s, foto’s en negatieven uit de periode 1986-1992 in Oost-Berlijn. Katharina heeft zelf nog een koffer met brieven en doorslagen uit die tijd. Uit de Proloog: ‘Lang geleden voerden de papieren, die uit zijn dozen en die uit haar koffer, een dialoog met elkaar. Nu voeren ze een dialoog met de tijd. In zo’n koffer, in zo’n doos, liggen het einde, het begin en het midden onverschillig door elkaar in het stof van decennia, ligt alles wat werd geschreven om te misleiden en alles wat was bedoeld als waarheid, alles wat werd verzwegen en alles wat werd opgetekend, of het nu wil of niet dicht bijeen, zitten het tegenstrijdige, de verstomde woede en de verstomde liefde samen in een envelop, in een en dezelfde map, is wat je bent vergeten net zo vergeeld en verkreukeld als wat je je nog vaag of duidelijk herinnert.’

    Een gelukkige tijd

    In de volgende hoofstukken (Doos I, Intermezzo, Doos II, Epiloog) ontvouwt zich de liefdesgeschiedenis van studente Katharina en Hans. Zij is 19, hij 34 jaar ouder. Zij is van 1967 en hij van 1933. Ze ontmoeten elkaar in Oost-Berlijn voor het eerst in bus 57 vanaf de Marx-Engels-Platz. Ze besluiten een kop koffie te gaan drinken. Dat Hans getrouwd is en een zoon heeft en nog een verhouding heeft met een vrouw bij de radio is voor Katharina geen bezwaar: ‘Al had je duizend vrouwen, zegt ze, van belang is alleen de tijd die wij samen hebben.’ Tijdens hun samenzijn speelt muziek een grote rol. Klassieke muziek zoals het Requiem van Mozart, maar ook hedendaagse muziek van Wolf Biermann. (Op Spotify is van de muziek uit het boek een playlist te vinden.) De eerste fase van hun relatie verloopt rooskleurig met veel restaurant- en theaterbezoek en wandelingen door Oost-Berlijn.

    Het kost Katharina veel tijd om doos I door te spitten. Ze herleest de boeken van Hans en zoekt ook haar oude notitieboekjes op. ‘Ze houdt negatieven van dertig jaar geleden tegen het licht om te kijken of het de moeite waard is om er afdrukken van te laten maken.’ Volledigheidshave dient ze het verzoek in om zijn Stasi-dossier te mogen inzien.

    Omslag

    Uit de reconstructie van de brieven en aantekeningen uit Doos II komt naar voren dat de liefdesrelatie van Katharina en Hans verandert als zij met leeftijdsgenoot Vadim naar bed gaat tijdens een stage in Frankfurt. Hans wil niet meer de door straten lopen waardoor ze samen wandelden toen alles nog goed was, niet meer naar de muziek luisteren die zij met Vadim heeft geluisterd. ‘In je hals wil ik je niet meer kussen, die heb je aan iemand anders geschonken.’ Hij merkt op: ‘Voortaan is dus alles wat eruit ziet als geluk alleen nog maar façade.’ En: ‘Vanaf nu, zegt hij, had ik graag dat je je brieven aan mij typte. Ik kan niet meer tegen dat handschrift van jou.’ Hij spreekt een cassette in ‘Kant A, Kant B, zestig minuten’. Zij moet daarop schriftelijk reageren. Het is steeds dezelfde cassette; hij neemt die weer mee en spreekt die opnieuw in, ‘alsof hij voor haar alleen met krijt schrijft, de spons pakt, uitwist, weer schrijft, opnieuw uitwist. Als de blaadjes met haar aantekeningen er niet waren, zou ze soms denken dat ze alles droomde.’ Zo moddert de relatie maar door; noch Katharina, noch Hans kan er een punt achter zetten. Als lezer krijg je steeds meer een hekel aan Hans met zijn autoritaire en perverse gedrag. Waarom gaat Katharina niet bij hem weg? Uiteindelijk strandt dan toch hun relatie.

    Kairos. is een vol boek met veel verwijzingen naar DDR-schrijvers en hun werk, zoals dat van Hanns Eisler, de componist van het DDR-volkslied. Hij werkte nauw samen met Bertolt Brecht, voor Hans een groot voorbeeld als schrijver.

    Val van de Muur

    In de jaren van hun liefdesrelatie wordt de politieke situatie in de DDR onstabieler. ‘Opkomende veranderingen die tot voor kort nog in tegenspraak waren met de bestaande orde in het Oosten, zullen binnenkort in tegenspraak zijn met de orde van het Westen die gaat komen.’

    De liefdesgeschiedenis van Katharina en Hans is ingebed in de gebeurtenissen in de laatste jaren van het bestaan van de DDR, leidend tot de val van de Muur op 9 november 1989 en opheffing van de staat in 1990. Hans verliest, net als veel anderen, zijn baan. Symbool voor het stuklopen van hun relatie staat het bijna onttakelde café waar zij de enige gasten zijn.

    Epiloog

    In de Epiloog bezoekt Katharina het Stasi-archief, de staatsveiligheidsdienst van de DDR. ‘In alle stilte wordt hier bij alle mogelijke burgers van een land dat niet meer bestaat, de schedel gelicht en mag je naar binnen kijken. Hans blijkt ook jarenlang voor de Stasi te hebben gewerkt. Onder de naam Galilei (schuilnaam gekozen naar een stuk van Brecht) heeft hij mensen bespioneerd.  Maar na vijftien jaar kreeg hij genoeg van het verklikkerswerk. Katharina vindt een aantekening van Hans: ‘Er bestaan bedenkingen tegen details van de cultuurpolitiek van onze staat. Vooral tijdens de ‘affaire Biermann’ treden er aarzelingen op.’ De Stasi-autoriteiten archiveren zijn dossier, omdat ze geen perspectief zien in verdere samenwerking.

    Voor jonge lezers zou een lijst met noten en een personenregister wellicht nuttig zijn. Want wie kent nog Wolf Biermann met zijn kritische teksten over de DDR, leidend tot zijn Berufsverbot en Ausbürgerung? Hij is vooral bekend door de Ballade vom preußischen Ikarus. Na een optreden in Keulen in 1976 mocht hij niet terugkeren naar de DDR en werd hem het staatsburgerschap ontnomen. Verwijzingen naar die ballade duiken telkens op in het boek. Alleen als een Ikaros kun je ontsnappen uit een land dat zijn burgers gevangen houdt.

    Kairos is de god van het gunstige moment. Het enige waaraan je hem kunt vastpakken, is de lok op zijn voorhoofd. Uit de proloog: ‘Was het een gunstig moment toen ze, als meisje van negentien, Hans leerde kennen?’ Dat Kairos een anagram is van Ikaros, lijkt geen toeval. Achter de titel van de roman staat een punt. In het boek is daarvoor geen verklaring te vinden. Wellicht staat die punt daar om te benadrukken dat de liefdesrelatie en het bestaan van de DDR voorgoed voorbij zijn.

    Boeiend boek

    In mei 2024 ontvingen schrijver Jenny Erpenbeck (1967) en haar vertaler Michael Hofmann de International Booker Prize 2024 van 50 duizend pond voor de beste naar het Engels vertaalde roman van dat jaar, Kairos.  Erpenbeck is de eerste Duitse auteur die de prijs wint. De roman verscheen oorspronkelijk in het Duits in 2021. In 2024 verzorgde Elly Schippers de Nederlandse vertaling. Uit het juryrapport van de Booker Prize: ‘It starts with love and passion, but it’s at least as much about power, art and culture. The self-absorption of the lovers, their descent into a destructive vortex, remains connected to the larger history of East Germany during this period, often meeting history at odd angles /…/ What makes Kairos so unusual is that it is both beautiful and uncomfortable, personal and political.’

    Daar kunnen we het helemaal mee eens zijn. Kairos. boeit van begin tot eind. Op een knappe manier heeft Erpenbeck de destructieve liefdesgeschiedenis van haar hoofdpersonen gecombineerd met de ineenstorting van het politieke systeem van de DDR.  Achter beide hoofdstukken is een punt gezet. Voorgoed voorbij.

     

     

  • Wie ben jij van mij?

    Wie ben jij van mij?

    Op 19 december 2022 bood toenmalig premier Mark Rutte namens de Nederlandse regering excuses aan voor het slavernijverleden. Hij sprak de veelzeggende woorden: ‘We delen niet alleen een verleden, maar ook een toekomst. Dus zetten we vandaag een komma, geen punt.’ Zo benadrukte hij het belang van erkenning en de gezamenlijke verantwoordelijkheid om een inclusieve toekomst op te bouwen. Zijn woorden waren een uitnodiging tot reflectie over de doorwerking van het koloniale verleden in het heden, en tot het voortzetten van een maatschappelijke dialoog.

    In haar voorwoord schrijft Shantie Singh dat de uitspraak van Mark Rutte haar inspireerde tot het schrijven van Na de komma. Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme. Hierin onderzoekt Singh hoe de erfenis van kolonialisme en slavernij de Hindostaanse gemeenschap heeft gevormd en nog steeds doorwerkt in het heden. Met een combinatie van historische analyses en persoonlijke en collectieve verhalen schetst ze een indringend en genuanceerd beeld van deze complexe geschiedenis. In de inleiding stelt Singh dat haar boek niet alleen een oproep is tot dialoog en begrip, maar ook een hoopvolle visie wil bieden op een toekomst waarin recht wordt gedaan aan het verleden.

    Het overlevingsscript

    Het boek belicht uitgebreid het zogenoemde overlevingsscript van de generaties die Singh zijn voorgegaan: de verhalen die haar familie met zich meedraagt en die diep geworteld zijn in de koloniale tijd en de periode daarna. Deze geschiedenis wordt gekenmerkt door een onverwoestbare wil om te overleven: ‘De voorouders moesten zichzelf opnieuw uitvinden. Er moesten onder grote druk nieuwe verhalen, nieuwe lessen, nieuwe vaardigheden worden ontwikkeld.’

    Naast de koloniale geschiedenis van de Hindostanen onderzoekt Singh in hoeverre deze traumatische erfenis van invloed is op de huidige generatie. Ze vraagt zich af of het overlevingsscript van haar voorouders nog past bij haar eigen leven. Zijn de tradities nog steeds een bron van saamhorigheid en steun, of worden ze nu vooral gevoed door een angst die niet langer strookt met de huidige realiteit? Singh verweeft deze overwegingen met een zoektocht naar balans tussen erfgoed en moderniteit.

    Zonder gruwelijkheden uit de weg te gaan, benadert Singh alles vanuit verschillende perspectieven. Het ronselen van contractarbeiders bracht veel narigheid met zich mee — uitbuiting en ontberingen —, maar bood de mensen ook de kans om zich op hun toekomst te richten. Velen zagen het als een mogelijkheid om hun situatie te verbeteren. Anderen kwamen in verzet. Indrukwekkend zijn de pagina’s waarop ze de namen opsomt van verzetsstrijders die het verzet niet hebben overleefd, dikwijls door executie. Van sommigen is slechts de naam bekend. Dit is des te aangrijpender doordat Singh benadrukt hoe belangrijk een naam en het groepsgevoel waren. Als een grote groep mensen wegvalt, wordt dit verlies extra pijnlijk.

    De zichtbaarheid en strijd van vrouwen

    Bijzonder goed uitgewerkt zijn de hoofdstukken over de rol van vrouwen.‘De verhalen van vrouwen zijn door de geschiedenis heen het vaakst onzichtbaar gemaakt. Dat geldt zeker voor de vrouwen uit de koloniale geschiedenis. Hoe meer mensen haar verhaal horen, hoe meer zij uitgroeit tot een symbool tegen koloniaal onrecht.’ De zware strijd om de Hindostaanse vrouw meer zichtbaarheid te geven, belicht Singh aan de hand van haar eigen familie. Vrouwen die betrokken waren bij het verzet, zich losmaakten van familietradities, en het gemis ervaarden van familie die ver weg was omdat zij naar Nederland emigreerden in de hoop op een betere toekomst.

    Daarnaast legt Singh de link met het belang van taal. De taallessen (Sarnami) van haar moeder kreeg ze in de keuken. Hoewel haar vader Nederlands belangrijker vond, gaf haar moeder niet op, waarmee ze niet alleen de band tussen moeder en dochter bestendigde, maar ook liet zien dat taal veel meer is dan het beheersen van spreek- en schrijftaal: ‘Taal is je gereedschap in de wereld.’ Voor Singh werd taal de brandstof van haar verbeeldingsvermogen, met name om de verhalen van vrouwen in haar familie op te schrijven. Taal maakt verbinding en begrip mogelijk, stelt je in staat om verhalen door te geven en de vraag te stellen: wie ben jij van mij?

    Tussenkopjes onderbreken het gepassioneerde verhaal

    In sommige hoofdstukken past Singh tussenkopjes toe, bedoeld om onderscheid aan te brengen tussen de Hindostaanse geschiedenis en de familieverhalen. Hoewel deze indeling de informatie helder organiseert, kan de afwisseling van informatieve secties en emotioneel geladen passages ervoor zorgen dat de tekst soms fragmentarisch aanvoelt, en je uit de indringende sfeer wordt gehaald.

    Verder slaagt Singh erin om haar verkenning van de Hindostaanse ervaring te verrijken met een heldere boodschap over erfenis, identiteit en veerkracht. De kracht van Na de komma ligt in de emoties en inzichten die doorklinken in de verhalen van haar familie en de gemeenschap. Het roept op tot erkenning van de vaak onzichtbaar gebleven verhalen van vrouwen en biedt een krachtige reflectie op het verleden, die niet alleen het koloniale verleden blootlegt maar ook ruimte biedt voor heling en vooruitgang. Dit is een oproep om de komma te honoreren, de toekomst vorm te geven en de verhalen die ons verbinden tot leven te brengen.

     

     

  • Ongemakkelijk boek

    Ongemakkelijk boek

    Marie NDiaye, bij wie de underdog vaak de hoofdrol vervult, schreef meer dan twintig romans en won diverse prestigieuze prijzen, zoals de Prix Goncourt en de Prix Femina. In De wraak is aan mij hanteert de Franse schrijfster Marie NDiaye verschillende stijlen. Met stream-of-consciousness, innerlijke monoloog, dialogen die niet gevoerd zijn of toch wel, een onbetrouwbare verteller en paranoïde en mystieke elementen weet ze de lezer met zich mee te nemen.

    Mr. Susane is een advocate die net voor zichzelf is begonnen en nog weinig cliënten heeft. Wanneer Gilles Principaux haar kantoor binnenwandelt, meent ze zich hem te herinneren van dertig jaar geleden toen haar moeder inviel als werkster in het huis van de bemiddelde familie. Ze nam haar tienerdochter mee en zij belandde in de kamer van de zoon des huizes. Deze Gilles maakte diepe indruk op haar. Ze herinnerde zich hoe ze met hem sprak, debatteerde, haar standpunten verklaarde en vond dat ze zo overtuigend klonk, dat ze op dat moment besloot om advocaat te worden. Gilles herkent haar niet, hij is vooral met zichzelf bezig. Zijn vrouw Marlyne heeft hun drie kinderen in de badkuip verdronken en Principaux vraagt aan mr. Susane om haar te verdedigen.

    Verwarring door een herinnering

    Mr. Susane raakt zo geobsedeerd door haar herinnering aan de jonge Principaux dat ze haar ouders opzoekt om te verifiëren wat er toen gebeurd is. Haar moeder herinnert het zich niet en komt met hele andere namen, wat de verwarring bij de dochter alleen maar vergroot. Haar vader vermoedt dat zijn dochter toen misbruikt is, wat hun relatie onder druk zet.

    Mr. Susane woont in Bordeaux en hoewel ze graag tot de middenklasse wil behoren, doet ze dat niet. Haar ouders zijn eenvoudig. Ze is enig kind en stond onder zware prestatiedrang. Daarom ook parkeert ze haar oude Renault Twingo in een zijstraat, zodat haar ouders niet zeuren waarom ze nog geen betere auto heeft, wat hoort bij haar beroep als advocaat. Mr. Susane doet zich dan ook mooier voor dan ze is.

    Het verhaal, dat helemaal speelt in het hoofd van mr. Susane – haar voornaam wordt nooit genoemd – staat bol van de insinuaties en aannames. Het wordt steeds duidelijker dat ze flink in de war is. Helemaal wanneer ze valt op een beijzelde weg en haar knie ernstig bezeert en een flinke hoofdwond heeft. Soms zijn er parallellen met de boeken van Simone de Beauvoir te ontwaren met de vele bespiegelingen van gevoelens en de middenklasse milieus.

    De huishoudster

    Haar relatie met Sharon, haar huishoudster uit Mauritius, die met man en twee kinderen illegaal in Frankrijk woont, is heel ongemakkelijk. Ze vertrouwen elkaar voor geen cent, maar mr. Susane doet er alles aan om haar legaal te krijgen en gaat zelfs zover dat ze naar Mauritius reist om Sharons huwelijksakte op te halen.

    ’”Ik kan me niet herinneren dat jij het daar echt over hebt gehad,” zei ze huichelachtig. “Jawel, bent u het vergeten?” Sharon, verbaasd, glimlachend, probeerde met een zijdelingse subtiele blik Rudy aan haar kant te krijgen, maar die stond op zijn telefoon te kijken en luisterde tot grote opluchting van mr. Susane niet mee. “Jawel, jawel,” vervolgde Sharon zonder naar mr. Susane te kijken, “ik heb toen gezegd dat mijn huwelijksakte wordt achtergehouden op Mauritius.” “Hoe bedoel je achtergehouden?” fluisterde mr. Susane op behoedzame toon. “Nou, achtergehouden. Dat heb ik u vorige keer uitgelegd.” “Maar wanneer dan, Sharon?”’ Het zijn dit soort dialogen die bijdragen aan de sterk werkende paranoïde gedachten van mr. Susane.

    Ondertussen zoekt mr. Susane in de gevangenis Marlyne Principaux op, de moeder die haar drie kinderen heeft vermoord. Haar verweer komt in een lange stream-of-consciousness, ook weer zoals de advocate het ervaart. De zinnen worden aan elkaar geregen met het woordje ‘maar’.

    ‘”Maar hij voelt zich goed, daar in zijn eentje in ons huis, maar ik zie het helemaal voor me… maar hij beantwoordt mailtjes waarin mensen hem beklagen, maar hij hangt de held uit die zijn tranen verbergt maar hij heeft nooit ook maar één traantje weggepinkt. Maar meneer Principaux houdt zich goed, maar hij is een heilige. Maar ik zal niets ten nadele van hem zeggen, maar dat kan ik niet doen.”’

    Een in het nauw gedreven moeder

    Pijnlijk duidelijk wordt hoe de relatie van de Principaux’ in elkaar steekt, vooral als Principaux een heel andere mening laat horen, ook in een ononderbroken woordenstroom. Marlyne is duidelijk het slachtoffer van mentaal misbruik van haar man. ‘”We waren losjes met elkaar verbonden. En nu zijn we tragisch met elkaar verbonden. Ik hou van die angstaanjagende Marlyne, ik begrijp haar niet zo goed, maar ik kan haar niet haten ik hou gewoon van mijn vrouw, wie ze ook moge zijn. Ik neem mezelf zoveel kwalijk! Ik hou meer van haar dan vroeger, ja. Ze was een doodgewone vrouw. Ze is nu een duistere heldin. Ik ben verbaasd. Ik had haar nooit zo gezien. Ik ben verbaasd. Ze is vreemd.”’ Aldus Principaux die zijn kant van het verhaal vertelt. Dat hij haar verstikte had hij niet in de gaten en wil hij ook niet geloven, ook al omdat zij de schone schijn ophield. Dat is een schrijnend deel in het boek en is meteen ook de verklaring van de titel. Marlyne was zo gekweld door haar huwelijk dat ze wraak nam door haar man zijn kinderen te ontnemen.

    Waar gaat De wraak is aan mij nou eigenlijk over. Eenzaamheid, misbruik, onvermogen om oprecht te zijn en de waarheid verdoezelen, of omgaan met een maatschappij waarin de lat heel hoog ligt? Niemand is wezenlijk betrokken bij de ander. Mr. Susane’s ouders, haar ex Rudy en zijn dochtertje Lila, Sharon, zijn vooral met zichzelf bezig en zien de ander niet echt. Dat wil zeggen, zo ervaart mr. Susane het, maar omdat we in haar hoofd zitten kan het ook allemaal heel anders zijn.
    NDiaye heeft het verhaal knap gecomponeerd, al kan het einde wat onaf voelen. Ze verstrikt de lezer in haar netten en laat die achter in verwondering.

     

     

  • Oogst week 39 – 2024

    Oogst week 39 – 2024

    Een van ons

    De zwarte Amerikaanse schrijver Richard Wright (1908 – 1960) is vooral bekend van zijn in 1940 verschenen klassieker Native Son. Native Son, dat in 1989 bij uitgeverij Wereldvenster verscheen als Zoon van Amerika, is nu bij uitgeverij Van Oorschot verschenen als Een van ons.

    Een van ons gaat over de Bigger Thomas, een kansarme zwarte jongen die uitgroeit tot een moordenaar en veroordeeld wordt tot de elektrische stoel. Wright kon zich goed inleven in de achtergrond en omgeving van zijn hoofdpersoon. Hij schreef Een van ons als aanklacht tegen de maatschappelijke omstandigheden van veel zwarte jongeren uit die tijd.

    Wright werd in 1908 in armoede geboren in de Amerikaanse staat Mississippi. Ondanks de erbarmelijke omstandigheden en gebrek aan kansen gedurende zijn jeugd, ontwikkelde hij zich tot schrijver en kon daarvan leven. Hij verhuisde in 1947 naar Parijs, moe van het eeuwige racisme in de Verenigde Staten.

    Een van ons
    Auteur: Richard Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Een zoon van Amerika

    Dit jaar is het 100 jaar geleden dat James Baldwin (1924 – 1987) werd geboren. Niet toevallig dus dat deze zomer niet alleen de roman Giovanni’s kamer, maar ook diens non-fictiedebuut opnieuw is uitgegeven: Een zoon van Amerika (Notes of a Native Son), een essaybundel die in 1955 verscheen.

    De essays beschrijven niet alleen de grote klasseverschillen in de Verenigde Staten in de twintigste eeuw tussen zwart en wit, maar gaan ook in op de discriminatie en problemen van homoseksuelen.

    Baldwin was een bewonderaar van Richard Wright. Hij was in ’48 naar Parijs verhuisd. Daar leerde hij Wright kennen en raakten de beide schrijvers bevriend. Uit bewondering voor Wright refereert Baldwin met de titel Notes of a Native Son aan Wrights boek Native Son. De Nederlandse vertalers van Native Son hielden deze referentie in ’89 aan en vertaalden het boek als Zoon van Amerika. Het is nu bij Van Oorschot verschenen als Een van ons (zie hiervoor).

     

    Een zoon van Amerika
    Auteur: James Baldwin
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus

    De laatste walvis

    En we blijven in Amerika.

    In aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen verschijnen overal tal van duidingen, analyses en vooruitblikken die ons inzicht trachten te geven in het Amerika van nu. Daartussen zit ook De laatste walvis van de Vlaamse journalist en VRT-correspondent in de Verenigde Staten, Björn Soenens.

    De proloog van De laatste walvis begint als volgt: Om het heden te begrijpen en de toekomst aan te kunnen, moeten we het verleden induiken. Om vervolgens aan te geven dat de mensen die daadwerkelijk iets van de Amerikaanse geschiedenis afweten, zich op dit moment ernstige zorgen maken. ‘Het stormt in Amerika.’

    Soenens schrijft in diezelfde proloog: ‘Ik heb tijdens de afgelopen twee presidentstermijnen in de VS de politiek de werkelijkheid zien verdringen. Waarheden en feiten dringen niet door tot de geest van mensen die gevoel boven verstand plaatsen. Vooral Amerikanen hebben nog wel eens de neiging tot zelfbedrog. Ze geloven graag dat ze zijn wie ze graag zouden wíllen zijn. In de spiegel zien ze iets anders en dat steekt. Volksverlakkers teren op de onzekerheid, de woedende gevoelens en de paranoia van hun kiezers. Veel Amerikanen bereiden zich daarom voor op de dag dat geweld en burgeroorlog in hun ogen onvermijdelijk worden. Het land heeft een breekpunt bereikt. Het is lang niet de eerste keer.’

    Voorwaar geen vrolijke kost. Maar wel de moeite van het lezen waard. De laatste walvis werpt een licht op de huidige ontvlambare situatie in Amerika.

     

     

    De laatste walvis
    Auteur: Björn Soenens
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Groter bewustzijn door Atman

    Groter bewustzijn door Atman

    Atman is een begrip uit het hindoeïsme dat zoiets betekent als het zelf, of de diepere, hele essentie van het bewustzijn. Vanuit dat diepe zelf verdwijnen verschillen tussen mensen. Iedereen heeft wel een eigen vorm, maar heeft dezelfde essentie. Het betekent overigens niet alleen ziel of zelf, maar ook adem, en is dan ook etymologisch verwant met dat woord.

    In het boek Atman van de Surinaams-Nederlandse schrijver Leo Henri Ferrier is het fenomeen een manier om naar het multi-etnische Suriname te kijken: ‘Ken je Atman, dan zul je pas ook werkelijk kunnen delen in de schone harmonie van het leven in Suriname, waar allen één zijn.’ Het diepste zelf van Ferrier (1940 – 2006) was net zo gemengd van aard: Hindoestaans maar ook Creools.

    Op zoek naar harmonie

    Ook de hoofdpersoon Lonnio draagt meerdere zielen in zich: Hindoestaans, Joods en Creools. De lezer volgt hem op een reis vanuit Nederland terug naar Suriname waar hij wordt geconfronteerd met herinneringen van zijn jeugd in Suriname. ‘In dit verleden begin ik te zijn’, denkt hij ergens. Een paradoxale gedachte, die door de schrijver tot uitdrukking wordt gebracht in veelvuldig schakelen tussen de verleden en de tegenwoordige tijd. Het doel lijkt duidelijk: we hebben te maken met een leven dat verscheurd is: in de tijd, maar net zo goed ook etnisch en cultureel. Iemand die in feite op geen enkele plek zijn ware zelf kan zijn want ook qua seksualiteit is Lonnio een buitenstaander.

    In korte staccato zinnen leidt Ferrier de lezer door de verscheurdheid heen. Al is leiden misschien een groot woord. Het voelt bij tijd en wijlen aan als een wat chaotisch boek: alsof de schrijver vergeten is alles enigszins te ordenen. Ook dat is paradoxaal te noemen: het boek waarin de hoofdpersoon streeft naar heelheid is – zo lijkt het – versnipperd beschreven.

    Ferrier is op z’n best als de boel juist minder uiteengevallen is; in meer verhalende scènes op school bijvoorbeeld, met Lonnio’s vrienden Karsilan en Orlando en wanneer het gaat over het overlijden van diens moeder. Het is eigenlijk jammer dat het boek niet nog méér scènes bevat die net wat meer plot bevatten of net wat meer het leven van jonge adolescenten die de verschillende bloedgroepen in Suriname vertegenwoordigen maar toch zo harmonieus ja, zelfs liefdevol met elkaar omgaan, zoals Ferriers zus Cynthia McLeod-Ferrier in haar nawoord omschrijft.

    ‘Zijn tijd ver vooruit’

    Er is ook een voorwoord van de auteur in de recent uitgegeven editie opgenomen, uit 1996, waarin Ferrier ingaat op de kritiek die op zijn boek is geleverd. Er was bij het verschijnen in 1968 kritiek gekomen op de door hem voorgestelde harmonie omdat in de jaren zeventig stakingen uitbraken die – althans dat is de aanname geweest – door raciale spanningen zouden zijn veroorzaakt. Ferrier betwijfelt dat en schrijft dat het met name de (Nederlandse) media waren, die de stakingen die lading meegegeven zouden hebben. Zonder een spoor van bescheidenheid noemt hij zijn eigen boek ‘zijn tijd ver vooruit’. En daarin heeft hij gelijk: Ferrier lijkt het eigen verhaal van Suriname te willen vertellen zónder dat Nederland daarin de maat der dingen is. Volgens Ferrier is dat een verhaal van harmonie, en niet van strijd.

    Zo is Atman een hele kluif die de lezer naar adem doet happen. Hoewel maar 175 pagina’s dik is het niet gemakkelijk om alles te begrijpen maar misschien hoeft dat ook niet. Maar wie zich in Ferrier verdiept zal zich realiseren dat het een boek is dat de heruitgave zeker verdient.

     

     

     

  • Over een oude en een nieuwe aarde

    Over een oude en een nieuwe aarde

    In haar laatste roman Gebied 19 schept Esther Gerritsen, naast de bestaande aarde, eenzelfde planeet met de naam TOI-700d, die zich lichtjaren ver weg in het heelal bevindt. De nieuwe aarde is een replica van de oude, al is alles wat groter. Ongeveer de helft van de bevolking van de oude aarde is hiernaartoe verplaatst. Het regime op de nieuwe aarde probeert te voorkomen, dat de bewoners omkijken naar het verleden en zich bekommeren om de achterblijvers. Het internet wordt er gecontroleerd om de bewoners te beletten zelfstandig informatie te verzamelen. De nieuwe aarde bestaat ten koste van de oude. De oude aarde is voor de nieuwe een ‘backup’, een voorraadkamer van voedsel en grondstoffen.

    Esther Gerritsen werkt deze fantastische constructie uit in een verhaal dat zich concentreert op de lotgevallen van Tomas Boom en zijn vrouw Suzanne, met wie Tomas net getrouwd is. Als hij op de ochtend na de dag van de huwelijksvoltrekking wakker wordt, is zij weg. Al snel komt hij erachter, dat zij van de aardbodem verdwenen is, evenals zijn buren, zijn zoon Parker en zijn moeder. Hij is achtergebleven met de mensen boven de veertig, die op de nieuwe aarde niet nodig zijn. Dat is het begin van een zoektocht naar zijn geliefden, een zoektocht die uiteindelijk op een verrassende manier slaagt.

    Een ander leven

    In deze roman zijn er mensen die zich verzetten tegen de verplaatsing en mensen die zich erbij neerleggen. Die laatsten bevinden zich grotendeels op de nieuwe aarde. Voor degenen die toch nog moeite hebben om de oude aarde te vergeten staan drie wegen open. De eerste mogelijkheid is dat ze zich laten immuniseren voor heimwee, nostalgie en medegevoel met de achtergeblevenen. Via medische experimenten gericht op Gebied 19 in de hersenen, waar iedere eerste indruk aankomt, herinnert voortaan geur, klank noch woord nog aan de oude aarde. De tweede mogelijkheid is jezelf in de vergetelheid te drinken en de derde mogelijkheid is dat er voor de twijfelaar zulke plezierige omstandigheden worden gecreëerd dat er geen enkele reden meer bestaat om terug te verlangen naar de oude aarde en allen die daar op wonen.

    Dat laatste overkomt Tomas. Hij wordt uiteindelijk toch nog naar de nieuwe aarde verplaatst waar men hem tot bestsellerauteur maakt terwijl hij op de oude aarde een marginaal schrijver was. Dat verleidt Tomas echter niet zijn verzet tegen de nieuwe wereld te staken. Hij kan en wil zich niet conformeren aan een wereld waarin mensen hun verleden vergeten en geen medegevoel met anderen hebben.

    In verzet

    Tomas blijft zich hardnekkig verzetten. Hij voelt zich op de nieuwe aarde als iemand op een tuinfeest die zelf net van een begrafenis komt. Tomas wil zich niet neerleggen bij het ontkennen van de ramp die de oude aarde bedreigt en neemt de anderen kwalijk (moeder) of benijdt ze (Parker) dat ze van niets willen weten of van niets weten. Hij weigert de mensen die achtergebleven zijn te vergeten en gaat hen min of meer idealiseren, als echte mensen. En ‘echt’, is een verboden woord op de nieuwe aarde, want dat zou betekenen dat de mensen op de nieuwe aarde ‘nep’ zijn. De meeste mensen negeren zijn protest, of hebben er de pest aan; slechts af en toe vindt hij een medestander die (nog) eenzelfde heimwee heeft. Het nieuwe regime lijkt zijn protesten te tolereren. Hij wordt in de watten gelegd, als schrijver vereerd en zijn boeken lopen als een trein. Tevergeefs. Hij blijft zich verzetten. Dat heeft uiteindelijk consequenties, voor hem en voor zijn hele gezin.

    Wellicht beïnvloed door de covidquarantaine die mensen van elkaar scheidde, probeert Gerritsen via een groot verhaal te onderzoeken wat er gebeurt als mensen uit hun vertrouwde wereld worden gehaald of alleen komen te staan. Al houdt ze zich niet bezig te houden met de technische kant van de constructie. Ze geeft geen enkele aanwijzing hoe de mensen verplaatst worden over lichtjaren afstand of hoe zo’n identieke, maar iets ruimere wereld tot stand is gekomen. Ze gaat er van uit dat de lezer haar hierin gewoon volgt. Als in een kinderboek. Ze geeft geen uitleg hoe die nieuwe aarde een kopie van de oude kan worden. In een interview in Trouw zegt ze: ‘…echt of niet, dat maakt niet uit. Als het maar invoelbaar is geschreven.’

    De nieuwe orde

    Schrijven kan Gerritsen als geen ander. Haar dialogen zijn vlot en lopen soepel, hier en daar gevat. Dat is echter wat anders dan invoelbaar. Gerritsen maakt hele rare sprongen in het verhaal. Waarom Tomas uiteindelijk toch op de nieuwe aarde wordt geplaatst blijft onduidelijk. De roman is een constructie die gebaseerd is op een grabbelton aan invallen en meningen. Halsstarrige hoofdpersoon Tomas laat je koud, ondanks zijn sympathieke weigering zich aan te passen. Helemaal niet invoelbaar is het gebrek aan verwondering bij de mensen die op de nieuwe aarde geplaatst zijn. Alsof ze gedrogeerd zijn accepteren ze de nieuwe wereld als een gegeven. Tomas’ zoon Parker van twaalf jaar verdedigt de nieuwe orde alsof hij hem zelf bedacht heeft. Verder is de verhouding tussen Tomas en Suzanne ook moeilijk te vatten. Ze houden veel van elkaar, maar blijkbaar is de een (Suzanne) erin geslaagd wel volledig op de hoogte te zijn van de komende verplaatsing, terwijl de ander (Tomas) er helemaal niks van wist. Gerritsen heeft hoofdpersonen gecreëerd die een bepaalde houding geïncarneerd hebben, maar het zijn geen mensen van vlees en bloed.

    Het gedachtenexperiment wordt nergens verontrustend en zet niet echt aan tot denken. Daarvoor is het allemaal wat te ongeloofwaardig en zijn de personen te eendimensionaal. De schrijfster is te veel gefascineerd door haar eigen constructie. Toen ze op het idee van deze roman kwam, zei ze tegen zichzelf: ‘Het is dit of niks, je ziet maar waar het schip strandt.’ Wie het boek uitleest en aan het open einde is gekomen weet dat de schrijfster al op een vervolg aan het broeden is en dat het schip, wat haar betreft, nog niet gestrand is.

     

     

  • Oogst week 16 – 2023

    Oogst week 16 – 2023

    Stadse beestjes

    In een interview in Trouw van april 2022 vertelt (stads)bioloog Remco Daalder dat hij zich nooit verveelt als hij ergens moet wachten omdat er altijd vogels zijn. In zijn columns voor het NRC Handelsblad die hij tot december van datzelfde jaar schreef, beperkte hij zich niet tot alleen die vogels. Ook de slak, het pissebed, de salamander, de mol en nog veel meer dieren die je in de stadse omgeving tegen kunt komen kwamen aan de orde.
    Het zijn charmante, geestige en leerzame columns, afschrikwekkend ook soms. Wist u dat een vrouwtjesmuis zes keer per jaar een nest jongen kan krijgen, met zo’n zes jongen per nest, die zelf na twee maanden al geslachtsrijp zijn?, of dat het vrouwelijke rivierkreeftje, – een invasieve exoot, die we liever kwijt dan rijk zijn – , wel 600 eitjes in één keer produceert?

    Deze columns zijn nu gebundeld in Stadse beestjes dat onlangs is verschenen bij Atlas Contact.
    Stadse beestjes begint met de kokmeeuw, ’s ochtends vroeg op de pont over het IJ. Hij ziet ze wolken. ‘Ze draaien cirkels boven het IJ, steeds hoger en hoger, ze vormen samen een lange spiraal. Tot ze ineens naar beneden zeilen, zich in groepen verdelen en naar hun werkgebieden verdwijnen, een groep naar Oost, een groep naar de binnenstad, een groep richting IJmuiden, enzovoort.’

    Remco Daalder is stadsbioloog en schrijver. Hij schreef verschillende boeken. Met De gierzwaluw won hij de Jan Wolkers Prijs voor het beste natuurboek.

    Stadse beestjes
    Auteur: Remco Daalder
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    De ansichtkaart

    In Frankrijk zijn de kritieken laaiend over De ansichtkaart van Anne Berest. Achter op het omslag prijken de volgende nominaties en prijzen: nominaties voor de Prix Goncourt en de Prix Femina. Winnaar van de Prix Renaudot, de Grand Prix Des Lectrices ‘ELLE’, de Prix littéraire des étudiantes de Sciences Po en de US Goncourt Prize.

    Aanleiding voor het boek is inderdaad een ansichtkaart. Die viel 20 jaar geleden, in januari 2003 bij de auteur in de bus. Op de ene kant de Opéra Garnier en aan de andere kant de namen van een viertal gestorven familieleden. De kaart was niet ondertekend.
    Anne Berest laat de kaart jarenlang liggen, maar besluit uiteindelijk om uit te zoeken waar de kaart vandaan komt, wie hem gestuurd heeft en waarom.
    Ze schrijft: ‘Ik begon bij de namen op de kaart, mijn overgrootouders, oudtante en -oom. Wie waren zij eigenlijk precies? Mijn moeder vertelde me alles wat ze wist over onze familie en daarna schakelde ik een privédetective en een criminoloog in. Ik ondervroeg de bewoners van het dorp waar mijn familie werd gearresteerd, bewoog hemel en aarde. En ik ontdekte wat er gebeurd was.

    Dit onderzoek bracht me 100 jaar terug in de tijd en deze roman gaat over het lot van de Rabinovitchen, hun vlucht uit Rusland, via Letland naar Palestina. En ten slotte hun aankomst in Parijs, met de oorlog en de ramp die daar geschiedde. Hoe kon alleen mijn grootmoeder Myriam ontsnappen? En wat betekent deze geschiedenis voor mij en mijn gezin?’

    De ansichtkaart
    Auteur: Anne Berest
    Uitgeverij: Uitgeverij Nieuw Amsterdam

    Atman

    Hoofdpersoon in Atman is Lonnio, een conservatoriumstudent die na jaren afwezigheid terugkeert in Suriname. Hij gaat op reis naar gebieden die hij uit zijn jeugd nog kent. Hernieuwd contact met oude vrienden maakt diepe indruk, evenals de spanningen tussen verschillende etnische bevolkingsgroepen. Mede in het licht van zijn eigen, gemengde bloed zorgen al die elementen ervoor dat hij op zoek gaat naar zichzelf en het begrip Atman (Zelf, kennis van het Zelf).

    Leo Ferrier werd in Suriname geboren, kwam in 1961 naar Nederland, werd onderwijzer en studeerde piano aan het conservatorium. Na 10 jaar keerde hij terug naar Suriname. Een langdurige depressie stond zowel een carrière in de muziek als een schrijverscarrière in de weg.

    Atman werd voor het eerst in 1968 uitgegeven bij De Bezige Bij. Michiel Van Kempen, noemt dit boek ‘een van de allerbeste en opmerkelijkste romans uit de Surinaamse literatuur’.
    Van Kempen is een kenner van de Surinaamse literatuur en schrijver van De geschiedenis van de Surinaamse literatuur dat als hèt standaardwerk op dat gebied bekend staat.

    Atman
    Auteur: Leo Ferrier
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus
  • Fictie als medicijn tegen complexe wereld

    Fictie als medicijn tegen complexe wereld

    Er waren eens twee kikkers, een pessimistische en een optimistische. Ze waren allebei in een pan met room beland en hadden grondig geanalyseerd dat hun overlevingskansen vrijwel nihil waren. De pessimistische kikker deed geen moeite meer en verdronk. De optimistische bleef spartelend vechten voor zijn leven zolang hij de kracht daartoe had. Op een gegeven moment bleek hij de room door al zijn gedraai en gespetter tot boter te hebben geklopt. Hij klauterde gladjes de pan uit en overleefde zo.
    Deze anekdote wordt door Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk, in 1962 geboren in Sulechów in Polen, verteld als een metafoor voor haar werk aan Jaag je ploeg over de botten van de doden uit 2009. Die roman leek lang op een ontzettende warboel: ‘door chaotisch te schrijven, eerst hier en dan weer daar, door van een beeld naar een dialoog, van een beschrijving naar een notitie te springen, door verhaallijnen te creëren en personages op te bouwen, heb ik de chaos tot een roman geklopt. Daarvoor is onuitputtelijk optimisme nodig en dat is veel belangrijker dan vaak overschat talent of ijver’.

    De passage komt voor in één van de drie lezingen die zij in 2018 gaf aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Lódź. Ze zijn opgenomen in De tedere verteller. Aan die trits is nog een vierde lezing toegevoegd die ze klaar had, maar nooit heeft uitgesproken. Daarnaast zijn er nog acht essays opgenomen die deels ook op voordrachten zijn gebaseerd en als laatste de tekst die ze uitsprak bij de uitreiking van de Nobelprijs voor Literatuur (2018). Die rede droeg de titel De tedere verteller, net als deze bundel.

    Zoekmachine

    De essays gaan allemaal (op één na, dat over film gaat), over het belang van literatuur, van lezen en van de verbeelding, en over het scheppingsproces van fictie. Daartoe neemt ze een aanloop in het eerste essay, Ognosie (ognosie is het vermogen om op zoek te gaan naar ordening van problemen). Daarin schetst ze de wereld waarin de literatuur het nu moet zien te rooien. Onze voorouders lieten hun verbeelding de vrije loop als ze zich een voorstelling van de wereld maakten omdat veel daarvan hen nog niet bekend was: ‘Nu hebben we onze verbeelding niet meer nodig, we hebben alles binnen handbereik via onze smartphone’. Tegelijk verliezen we het overzicht door alles wat te koop is, ook aan intellectuele goederen. We ‘zetten er onze schamele zoekmachines tegenover om de indruk te hebben dat we [alles] nog steeds onder controle hebben’. Op allerlei fronten wordt de complexiteit van de wereld gezien als een stoornis. Om die de baas te worden, grijpen we terug naar nostalgie en tradities en naar zwart-witindelingen. Daar staat tegenover, zegt Tokarczuk, dat we door de pandemie ons zelf niet langer kunnen zien als kroon van de schepping, verheven boven planten en dieren. We staan niet los van de rest van de wereld. We zullen ons méér dan op feiten en gebeurtenissen moeten richten op betekenis. En daar hebben we verhalen voor nodig die laten zien hoe oneindig gedifferentieerd de wereld is en hoe we onze ervaringen kunnen ordenen en overdragen.

    Ondraaglijke vreemdheid

    Voor Tokarczuk is excentriciteit daarbij een belangrijk begrip. We moeten buiten ons ‘centrische’ gezichtspunt treden, buiten de platgetreden paden en zekerheden. Literatuur durft dat te doen.
    Fictie draait in alle essays in deze bundel om dat vermogen vertaler te zijn van andere, diepere, verbanden en inzichten. Daarvoor zijn schrijvers nodig, maar ook lezers. Aan die laatste besteedt Tokarczuk vooral aandacht in het essay Een vinger in het zout ofwel Een korte geschiedenis van mijn lezen en in haar Nobelprijsrede. Hier duikt het excentrische opnieuw op: haar begon als lezer ‘alles te fascineren wat geheimzinnig, onduidelijk is, wat verwondering of dreiging opwekt’. Ze vond dat bij Poe, Kafka, Tsjechov, Dostojevski, Meyrink, Huysmans, Topor en anderen die romans schreven die gingen over de ‘ondraaglijke vreemdheid van de wereld’.

    Van Tokarczuk werden, vóór haar de Nobelprijs werd toegekend, al een aantal werken vertaald, zoals Huis voor de dag, huis voor de nacht (in 2000) en De rustelozen (in 2011). Na de Nobelprijs kwamen daar De Jacobsboeken en Jaag je ploeg over de botten van de doden bij. Haar schrijfproces geeft Tokcarczuk weer in het zevende essay, ‘Over het daimon en andere drijfveren om te schrijven’ en in haar vier lezingen. In ‘Hoe de Jacobsboeken zijn ontstaan’ spitst ze dat toe op die specifieke roman die haar het meest intensief in beslag nam. In haar Nobelprijsrede stelt ze (door haarzelf onderstreept): ‘Fictie is altijd een soort waarheid’. En: ‘Literatuur stelt vragen waarop je niet kunt antwoorden met behulp van Wikipedia, ze gaat bovendien verder dan de feiten en de gebeurtenissen, en beroept zich daarbij rechtstreeks op onze ervaring ervan’. Die ervaring kan zowel voor de lezer als voor de schrijver van heel ver komen.

    Knoopsgaten

    Een fraai voorbeeld daarvan geeft Tokarczuk naar aanleiding van haar boek, Huis voor de dag, huis voor de nacht. Daarin creëerde ze het personage Marta, een oudere vrouw. In contact met lezers viel haar op dat één detail, de uitgelubberde knoopsgaten van Marta’s vest, bij velen beklijfde. Jaren later lieten kleinkinderen van de bouwers van het huis dat Tokarczuk had gekocht, haar foto’s zien uit de tijd waarin ze zelf nog in het dorp woonden waar de roman zich afspeelt. Op één ervan stond een oude vrouw met uitgelubberde knoopsgaten in haar vest. Het bleek de oma van één van de kleinkinderen te zijn. Haar naam was Marta. Tokarczuk was met stomheid geslagen – ze had de vrouw voor zover ze wist nooit gekend. Toch moest ze de figuur ooit als beeld opgepakt hebben. Ze ontdekte iets dergelijks over een andere figuur in die roman, de monnik Paschalis. Ze wist niet hoe ze aan die figuur was gekomen. Maar na voltooiing van het boek stuit ze in oude schoolschriften van haarzelf, op aantekeningen over een monnik die het karakter had dat zij Paschalis had toegedicht. Ze was hem vergeten, maar blijkbaar hadden elementen in het verhaal dat ze bedacht had hem uit haar eigen onderbewuste naar boven gehaald.

    Ze noemt het ‘de kracht van het creatieve proces – het in tijd en ruimte gelijktijdig optreden van niet-gerelateerde gebeurtenissen’. Dat is wat Jung, naar wie ze herhaaldelijk verwijst, inventieve synchroniciteit noemt. Volgens Tokarczuk maken ook lezers het mee dat fictie ineens iets wakker schudt dat van de lezer altijd als iets strikt persoonlijks had beschouwd.
    De tedere verteller is rijk en inspirerend. Niet alleen voor wie schrijver wil worden, maar ook voor lezers die verder willen kijken dan Wikipedia.

     

     

  • Oogst week 11 – 2023

    is daar iemand

    Bij het grote publiek is Micha Hamel bekend vanwege Maestro, een tv-programma waarin BN’ers orkesten dirigeren. Met wisselend succes. Zijn eigen succes is allesbehalve wisselend. Als componist verzorgt hij wereldwijd muziekvoorstellingen en hij is sinds 2015 voorzitter van de werkgroep Kunst en Wetenschap voor de KNAW. Ook als dichter heeft hij zijn sporen verdiend. Zo werden zijn poëziebundels Alle enen opgeteld en Bewegend doel beloond met meerdere prijzen. Hamels zesde bundel, is daar iemand, heeft een GGZ-instelling als decor.

    In 2009 verkeert Hamel in een psychose, waarvoor hij wordt opgenomen in het ziekenhuis. Veertien jaar later vindt hij eindelijk de juiste woorden om die periode te verdichten. Zelf noemt Hamel is daar iemand een psychografie, het verhaal van een geest. Tijdens die wazige dagen bij de GGZ vormt de hoofdmaaltijd het enige hoogtepunt. Het ansichtkaart-zinnetje ‘het eten was er lekker’ keert geregeld terug in zijn 101 gedichten. Net als een paard, een leeuw en een makreel. Poëzie over waanideeën? Een waanzinnig idee!

    is daar iemand
    Auteur: Micha Hamel
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De tedere verteller (essays)

    Olga Tokarczuk vermorzelt de superioriteitsgevoelens van westerse reizigers: ‘De toerist wil dat het exotisch is, maar niet té. Hij wil dat het authentiek is, maar wil onder geen beding afzien van zijn ochtenddouche. Hij wil een lichte huivering van emotie, maar niet in die mate dat hij er onrustig van wordt. Hij wil contact met de plaatselijke bewoners, maar niet dat het hem ergens toe verplicht en te serieus wordt.’ Zou I.L. Pfeijffer Grand Hotel Europa op Tokarczuks essays hebben gebaseerd? In De tedere verteller bewijst Tokarczuk dat de bevoorrechte mens geen échte empathie meer heeft, en hoe gevaarlijk dat is.

    Nederland schermt al jaren met zijn meest geëngageerde schrijver aller tijden: Eduard Douwes Dekker. Zijn Max Havelaar was zo’n oproep tot empathie, maar inmiddels doet die naam hooguit denken aan goeie koffie en ‘iets met Indonesië’. Dan heeft Polen met de Nobelprijswinnares van de Literatuur een serieuzere krachtpatser in huis. Tokarczuk krijgt het zelfs voor elkaar dat haar fictieve romanpersonages (Janina Duszejko) op echte spandoeken van demonstranten staan. Zij laat ons geloven dat literatuur de wereld inderdaad ten goede kan veranderen. Zolang we maar teder en kritisch durven te zijn.

    De tedere verteller (essays)
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    DealersDochter

    Astrid Roemer geldt als een grand dame van de Nederlandse literatuur. In 2016 en 2021 ontvangt zij respectievelijk de P.C.-Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren voor haar gehele oeuvre. De laatste onderscheiding wordt met calvinistische soberheid toegekend vanwege haar openlijke steun aan Desi Bouterse. De Belgische koning woont de uitreiking niet bij. Als nasleep van deze affaire verschijnt nu DealersDochter anderhalf jaar later dan de bedoeling was. Gecanceld te worden, dat verdienen alleen middelmatige makers. Gelukkig maar.

    Roemers nieuwe roman volgt vijf personages wier levensloop wordt bepaald door hun geboortegrond: Suriname. Allen hebben zij zijdelings iets te maken met een personage uit Roemers roman Gebroken wit (2019). Via vervreemding, criminaliteit en racisme laat Roemer zien wat de gevolgen kunnen zijn van een zelf gekozen exodus. Bovendien zet Roemer de lezer aan het denken over hoe geschiedenis generaties lang doorwerkt in individuen. Kan iemand, wiens voorouders van continent naar continent zijn gesleurd, zich ooit ergens écht thuis voelen?

    DealersDochter
    Auteur: Astrid H. Roemer
    Uitgeverij: Prometheus
  • Flarden van herinneringen

    Flarden van herinneringen

    ‘Ik ben zestien en leg mijn armen gekruist op de hoge tafel, ik laat mijn wang op mijn ene arm rusten en kijk in de camera. Op de foto, die niet meer bestaat en die waarschijnlijk niemand behalve ik zelf zich nog herinnert, zie je een stukje van mijn blote schouders. Ik denk dat de foto is bedoeld om naaktheid te suggereren, dat een jonge vrouw alleen maar een paar lange oorbellen nodig heeft om de wijde wereld in te gaan.’

    Met deze paragraaf opent Linn Ullmann, Noorse schrijfster, columniste en literatuurcriticus, haar nieuwe roman. Zij is de dochter van de actrice Liv Ullmann en filmmaker Ingmar Bergman. Niet de eerste de beste dus. Haar roman De rustelozen, die in 2015 verscheen, is ook autobiografisch. Ze schrijft hierin over een kind dat niet kan wachten om volwassen te worden en over ouders die het liefst kind zouden zijn. Het gaat om herinneringen en vergeetachtigheid en de vele verhalen waar een leven uit bestaat. In Meisje, 1983, onderzoekt de schrijfster wederom zichzelf, vooral haar jeugd en haar relatie met haar moeder en haar eigen dochter. Ze roept tal van vragen op en nieuwsgierigheid naar de antwoorden doet doorlezen.

    Caleidoscoop van gebeurtenissen

    Het is 1983. Een zestienjarig meisje zwerft in een winternacht door de straten van Parijs. Ze is die dag aangekomen vanuit New York voor een fotoshoot met de dertig jaar oudere fotograaf A. Ze kan haar hotel niet meer vinden, maar in haar jaszak zit een briefje met het adres van de fotograaf. Midden in de nacht belt ze bij hem aan, en ze belandt bij hem in bed. Bijna veertig  jaar later verkeert de volwassen vrouw in een depressie. Ze heeft het steeds uitgesteld om in haar herinnering te duiken om het meisje dat ze toen was te zoeken, en te begrijpen waarom ze deed wat ze deed. Ze wil erover schrijven om erachter te komen wat er destijds precies gebeurd is in Parijs.

    Het verhaal speelt zich af in Oslo, New York en Parijs in verschillende tijdsegmenten. Het is een caleidoscoop van gebeurtenissen vroeger en nu, aan het begin van de pandemie, en Ullmann verkeert in een depressie. De wandelingen met de zwarte hond geven enige verlichting. ‘De hond likte aan mijn hand. Dank je, zei ik, en ik schrok toen ik mijn eigen stem hoorde. Dank je wel voor je grote natte snuit, dank je wel voor je poten, dank je wel omdat je echt bent, en toen zei ik, zacht, zodat alleen hij het kon horen, ik denk dat we hier even moeten blijven wachten tot het weer overgaat.’

    Het geheim

    De relatie met haar moeder (Liv Ullmann) speelt een rol, evenals de relatie met haar eigen dochter, die net zo oud is als zij was in 1983 en nu klimaatactiviste is, waarmee de schrijfster een web van lijnen trekt door drie generaties heen. De herinneringen aan haar pubertijd echter bepalen het verhaal. Ze herinnert zich een gesprek met een man in het vliegtuig naar Parijs, haar moeder die haar niet wilde laten gaan, de autorit van het vliegveld naar het hotel. Haar eerste vriendje vlak voordat ze naar Parijs ging en het spijbelen van school. Ze manoeuvreert in gedachten door de lagen van haar herinnering en ontdekt dat ze ook veel vergeten is. Linn Ullmann onderzoekt de kracht van haar geheugen, en zoekt naar het geheim dat moet worden verteld.

    Dat geheim is haar reactie op wat er met haar gebeurde, zonder dat ze iets concreet benoemt. Het geheim zou de macht kunnen zijn die de fotograaf en zijn team over haar hadden. Daar gaat een lichte dreiging vanuit en doet aan #MeToo denken, al wordt dat nergens benoemd. Het meisje staat machteloos, ze wordt begeerd en verlangt zelf ook naar de aanraking en de spanning. Toch herinnert ze zich als oudere vrouw vooral dat ze voortdurend misselijk was en moest overgeven van de angst en het ongemak waarin ze verkeerde.

    Schaduwzuster

    Het is een verontrustend verhaal, er wordt geen oordeel geveld en er wordt niets benoemd. Ullmann stelt vragen, maar zijzelf en de lezer krijgen nauwelijks antwoorden. Is er wel gebeurd wat ze zich herinnert? Het schimmige meisje verschijnt aan de volwassen vrouw als een schaduwzuster en speelt een belangrijke rol in het verhaal. Soms spreekt de volwassen vrouw tegen haar, vaak is ze er gewoon, en zit ze zwijgend in de vensterbank. Als lezer vraag je je af of de volwassen vrouw misschien een andere persoonlijkheid heeft ontwikkeld om de gebeurtenissen van toen te verdringen.

    Het boek is ingedeeld in drie hoofdstukken met de titels Blauw, Rood en Wit. Blauw verwijst naar de blauwe jas die het meisje droeg in Parijs. Rood is haar muts. Wit zijn de lakens en de handdoeken van A. waarin het meisje zich wikkelt en op de badkamervloer ligt om tot bezinning te komen. Gedachten heeft het meisje niet. Er zijn slechts flarden herinneringen van de volwassen vrouw, en misschien is dat ook wel het enige wat telt, schrijft Ullmann.
    Er staat nogal wat herhaling in het verhaal, weliswaar doelbewust ingezet en noodzakelijk om de verschillende tijdslijnen te verbinden – wat overigens heel transparant gedaan is – en de auteur geeft ook veel mooie observaties over ouderschap, jeugd, herinneringen en vergetelheid. Toch stoort het dat er vragen onbeantwoord blijven. Meisje, 1983 is rauw en brutaal, het raakt soms, maar lang niet altijd, wat het eigenlijk tot een prettig zeurboek maakt.