• Helden van de traktaatroman

    Helden van de traktaatroman

    Wie het werk van Rita Monaldi en Francesco Sorti gelezen heeft, weet wat in elke roman te verwachten valt: een duizelingwekkende hoeveelheid historische feiten en weetjes die – voor wie eventjes niet goed oplet – de onderliggende rode draad eerder versluieren dan ontsluieren; een ander vast ingrediënt is de Historische Onthulling. Ook in Mysterium gaat weer het broze glas van een van de vele vensters op de geschiedenis aan gruzelementen.

    Het bespreken van een roman waarin een Historische Onthulling gedaan wordt, is extra precair. Het weergeven van de hoofdlijnen van een verhaal dat zo veel taalkundige, historische en filosofische kennis overdraagt, vereist een omzichtig verwoorde recensie.

    Toch zou een bijna 800 pagina’s dikke roman beslist tekortgedaan worden indien de recensent er slechts een kort stuk aan zou wijden — een kort stuk waarin, omwille van de wens om de onthulling niet prijs te geven, het vele fraais dat de roman te bieden heeft versluierd werd.

    Tweemaal viel de term ‘versluieren’. Dat is niet toevallig. In het geval van Mysterium is er iets bijzonders aan de hand: de roman gaat vergezeld van een literaire pendant, ofwel een parallelle vertelling in de vorm van de miniroman Versluiering, waarin letterlijk ‘de andere kant van het verhaal’ belicht wordt: vanuit een ander perspectief, maar wel door dezelfde verteller. Monaldi & Sorti spreken in dit verband wel van ‘De ring van Möbius’, en leggen zo een verband tussen dit lemniscaat-achtige fenomeen en hun nu al indrukwekkende oeuvre.

    Bovengenoemde zaken klinken de niet-ingewijde lezer wellicht cryptisch in de oren. Om het overzicht te behouden, volgt eerst een korte synopsis van het verhaal, vervolgens enkele subthema’s die daarin aan de orde komen, daarna het Möbius-concept van Monaldi & Sorti, om ten slotte – uiteraard zonder de Historische Onthulling te verklappen – een afrondend oordeel te geven van Mysterium.

    Synopsis
    De zevendelige polyptiek die in 2002 met Imprimatur het levenslicht zag, draait in elk deel om dezelfde hoofdpersoon: Atto Melani (1626 – 1714), voormalig castraatzanger, abt, in zijn latere jaren vooral spion van de Zonnekoning en diplomaat (of beter nog: politiek manipulator) aan enkele gezagwekkende Franse en Italiaanse hoven. In de voorgaande delen Imprimatur, Secretum en Veritas kreeg de lezer inzicht in Melani’s volwassen leven en in het laatstgenoemde deel speelde de verhaallijn zich zelfs deels af na zijn dood; in Mysterium nemen de auteurs een sprong terug in de tijd en wordt ons een blik vergund op de periode waarin de jonge Atto Melani reeds een succesvolle castraatzanger is, maar eveneens nog een onschuldige jongeling wiens karakter op de drempel van de volwassenheid in razendsnel tempo verandert en de sluwe, berekenende kenmerken ontwikkelt waar hij in zijn verdere leven om bekend zal staan.

    Het verhaal wordt verteld door een naamloze secretaris, wiens taak het is over Atto’s gezondheid en welzijn te waken. Plaats van handeling is een schip dat Atto en een klein reisgezelschap van wetenschappers en artiesten vanuit Italië naar Frankrijk moet brengen, alwaar zij in opdracht van kardinaal Mazarin aan het koninklijk hof in Parijs in een met raadselen omgeven opera zullen schitteren. Maar de tussenkomst van Barbarijse piraten dwarsboomt deze plannen. Vervolgens lijdt het gezelschap schipbreuk, waardoor de leden gedwongen zijn tot een geïsoleerd verblijf op het eiland Gorgona in de Toscaanse Zee. Op dit eiland speurt het groepje, inmiddels aangevuld met twee van de piraten die hen gevangen hebben gehouden, naar een schat die daar zou zijn verstopt: een aantal verloren gewaande literaire meesterwerken uit de Oudheid.

    Hermetisch
    Binnen dit raamwerk ontvouwt zich een complex verhaal waarin tal van historische feiten uit de doeken worden gedaan en een tiental personages met veelal zeer verschillende achtergronden en karakters een tijdlang tot elkaars gezelschap veroordeeld is. Dit is typerend voor het zevenluik waarvan Mysterium deel uitmaakt: Monaldi & Sorti plaatsen hun personages opvallend vaak in een hermetische situatie, waaruit ze niet of pas na een tijd kunnen ontsnappen. In Imprimatur is herberg De Schildknaap, waar de gasten wegens quarantaine verplicht binnen moeten blijven, daarvan een fraai voorbeeld, evenals de duolocaties Villa Spada en Villa het Schip in Secretum, en het Klooster Zonder Naam en de Plaats Zonder Naam in Veritas. Dit narratieve middel van de locatiedwang billijkt lange conversaties, want de personages kunnen nergens anders heen en hebben nauwelijks iets anders omhanden: ze converseren als het ware om de tijd door te komen.

    In Mysterium is die hermetische plek in eerste instantie een schip, en later vooral het eiland waarop ze schipbreuk lijden. Op microniveau gebeurt iets soortgelijks: bepaalde personages, al dan niet tegelijk, bevinden zich gezamenlijk op een bepaalde locatie – een bospad, de Oude Toren, een huis, een grot – en voeren onderwijl soms ellenlange gesprekken, of luisteren elkaars gesprekken juist af. Die gesprekken vormen het vehikel waarop de historische thema’s naar de lezer worden getransporteerd. Een vehikel dat diep doorbuigt onder zijn bagage, die gevormd wordt door zaken van wetenschappelijke, letterkundige, filosofische en religieuze aard.

    ‘De lezer moet leren’
    Zo luidde de kop van een artikel in het Haarlems Dagblad van 1 juni 2011, de dag waarop Versluiering verscheen als geschenkboek in het kader van De Maand van het Spannende Boek. Francesco Sorti lichtte die kop als volgt toe: ‘Wat we leren, leren we van het verleden. De reden dat we geen hedendaagse romans schrijven, is dat, om daar goed over te kunnen schrijven, je afstand moet nemen. Die afstand is echt noodzakelijk als je echt iets van een tijdsgewricht wilt leren. In onze romans willen we het ook hebben over verwachtingen, mysteries, ontdekkingen.’

    Leren van het verleden dus. En er vált in Mysterium een hoop te leren, niet alleen zware kost, maar ook luchtige weetjes en feitjes. Zo is de stad Amaurotum overgenomen uit Utopia van Thomas More en bevat de beschrijving ervan elementen van Lycurgus’ oude Sparta, bijvoorbeeld het feit dat goud en zilver worden veracht en het financieel stelsel wordt gebaseerd op ijzeren munten. Ook het van overheidswege strenge ingrijpen in de vrijheden van de burgers is aan de Spartaanse wetgever Lycurgus ontleend. In genoemde zaken vindt de uitdrukking ‘een Spartaanse opvoeding’ zijn herkomst.

    Meer utopische namen passeren overigens de revue, zoals Nusquama, wat eveneens uit Thomas More’s bekendste werk stamt en in de vorm van het Latijnse woord nusquam de betekenis ‘nergens’, ‘in geen geval’ heeft. Nog zo’n voorbeeld is Taprobana, een verwijzing naar De Zonnestad van Tommaso Campanella. Thomas More’s Utopia, Lycurgus met zijn Spartaanse wetten, Campanella en ook Hippodamus van Milete, de stedenbouwkundige die letterlijk lijn bracht in de wanordelijke oudgriekse planologie: alle verwijzen ze naar de denkbeeldige staat, de ideale staat, de onmogelijke staat.

    Nóg een weetje, ten slotte: de etymologie van het woord ‘laconiek’ blijkt zijn oorsprong te hebben in de landstreek Laconië in het oude Griekenland, waar eerdergenoemde Lycurgus de jongeren opdroeg te leren spreken met weinig, maar doeltreffende woorden, het zogenaamde ‘laconieke spreken’.

    Traktaatroman
    Monaldi & Sorti gaan in hun historische waarheden en feitenverzamelingen zo ver dat er, niet in het minst door de vertelvorm van Mysterium – een aan een scheepsjournaal of dagboek gelijkende reeks ‘Vertogen, Redeneringen en Berichten’, waarbij het puntsgewijs opsommen van stellingen en commentaar daarop niet geschuwd wordt – gesproken kan worden van een subgenre binnen de historische roman: de traktaatroman, waarbij Monaldi & Sorti voortborduren op het oeuvre van landgenoot Umberto Eco, maar tevens de grenzen van de leesbaarheid een fiks eind oprekken en een behoorlijke dosis doorzettingsvermogen en concentratie van hun lezers vergen.

    Islam
    Ook voor Monaldi & Sorti is de toenemende islamisering in westerse landen een onverminderd actueel thema. Sinds de middeleeuwse kruistochten is Europa niet meer losgekomen van de strijd tegen of de angst voor de volgelingen van Mohammed. Waren het in Veritas met name de Turken uit Constantinopel die een politieke en religieuze dreiging vormden, in Mysterium komt de overheersing vanuit een andere hoek: piraten uit Barbarije (ruwweg het gebied dat nu bekendstaat als Algerije en Tunesië) maken de Middellandse Zee onveilig en enteren het schip waarop Atto en zijn vrienden zich bevinden.

    Zo brengen Monaldi & Sorti een paar obscure mohammedaanse kaperbiografieën uit de zeventiende eeuw voor het voetlicht en laten ze niet na kritiek uit te oefenen op de eenzijdige westerse kijk met betrekking tot de huidige problematiek rondom extremistische terreuracties:
    ‘(…) werp een blik op de scheepswerven van Tripoli, Algiers, Tunis, en praat met de gilden. Je zult zien dat de timmerlieden, de scheepmakers, al het werktuigbouwkundig volk bestaat uit Italianen uit Napels, Venetië, Genua en Palermo, betaald om in Barbarije de schepen te bouwen waardoor later hun landgenoten worden geënterd. En waarvandaan, denkt u, komen de katrollen, de sluitringen, het want, de kompassen, de krukassen, de zeilstoffen waarmee je die schepen bouwt, en die niemand in die regentschappen kan vervaardigen? Ze worden gekocht van Engelsen en Hollanders, die hun waren op maat gemaakt voor de behoeften van de Barbarijers op de markt van Livorno brengen. Daar verkopen Joodse kooplieden ze voor het vijfvoudige door aan de afgezanten van de regentschappen. Jullie christenen hebben zo’n grote mond tegen ons Barbarijse kapers, maar met de rechterhand bevechten jullie ons met schepen en kanonnen, terwijl jullie ons met de linker volstoppen met geld en wapens. De schrik vanuit het oosten wordt vanuit het westen gewenst, geduld, georganiseerd.’

    Zwartepiet
    En dan, na een lange aanloop en diverse gebeurtenissen en omzwervingen van de personages, volgt die welbekende Historische Onthulling. Omwille van de ‘versluiering’ moet daarover in deze bespreking gezwegen worden. Wel kan worden gezegd dat Italië door het schrijversechtpaar weer de zwartepiet krijgt toegespeeld. Na de boycot die volgde op hun eersteling Imprimatur kwam het tussen Monaldi & Sorti en hun thuisland nooit meer goed. En dus zijn het eens te meer werkelijk bestaande personen uit het roemruchte Italiaanse verleden, en – traditiegetrouw, zou je bijna zeggen – de Kerk en haar exponenten die ‘het weer gedaan hebben’.
    ‘Hoe kon je modder van blubber onderscheiden? Waar begon de stroom leugens? Bestond het dat niemand ooit had gezien en bekendgemaakt in welk moeras iedereen belandde die diep doordrong in het onbekende gebied van de antieke, en nog oudere geschiedenis? Waar andere geleerden van uitgingen, wat ze voor waar aannamen, hing aan een dun draadje twijfel, veronderstelling, hypothese, zelfs pure fantasie.’

    De ring van Möbius
    In Utrecht, tijdens de vierde Belle van Zuylenlezing op 11 december 2008, zetten Monaldi & Sorti hun ideeën omtrent ‘De ring van Möbius, ofwel Van de Geschiedenis en de Roman (om maar te zwijgen van de filosofie)’ in een lange lezing uiteen. Een begeleidend tweetalig boekje (eigenlijk een traktaat!) werd aan de aanwezigen uitgereikt.

    Monaldi & Sorti plaatsen de historische roman in het kader van de Möbiusring. Wie niet weet wat dit is, neme een lange smalle strook papier. Bevestig de beide uiteinden aan elkaar, maar dan wel na een van de uiteinden een halve slag gedraaid te hebben. Zo ontstaat er een ring waarvan de ‘bovenkant’ onherroepelijk overloopt in de ‘onderkant’.

    Onlosmakelijk met elkaar verbonden en in elkaar overvloeiend: zo zien Monaldi & Sorti de relatie tussen herinnerd verleden (de geschiedenis) en verbeeld verleden (de roman). Zo is elk van beide aspecten tevens zijn tegendeel.

    Volgens deze zienswijze construeren Monaldi & Sorti de vier laatste romans van hun zevenluik, waarvan de Latijnse titels een acrostichon vormen: Imprimatur Secretum Veritas Mysterium Unicum (de laatste twee titels houden de auteurs angstvallig geheim): ‘De Waarheid mag Gedrukt worden, maar het Geheim ervan zal een Mysterie blijven. Het Enige…’ De vier laatste romans vormen een vierluik binnen de polyptiek en zullen elk vergezeld gaan van een literaire tegenhanger c.q. aanvulling. Zo is het schrijversechtpaar – mede door het grossieren in traktaatromans – bezig in rap tempo een indrukwekkend oeuvre op te bouwen.

    Recensie
    Kort en goed—het vierde deel in het ambitieuze zevenluik is Mysterium, waar de liefhebber vijf jaar op heeft moeten wachten. (De twee titels van een andere reeks, De twijfel van Salaì en Het ei van Salaì, verschenen tussentijds maar blijven in deze bespreking buiten beschouwing.)

    Wie geen Monaldi & Sorti-adept is, maar wél van historische romans houdt, hoeft zich niet te laten afschrikken door het aantal pagina’s. De laatste honderd pagina’s zijn gewijd aan bronnenverantwoording en aanvullende uitleg. Voor wie alles nog eens minutieus wil napluizen, is deze coda zonder meer interessant. Wie alleen is geïnteresseerd in het verhaal, staat voor de toch nog veelomvattende taak zevenhonderd bladzijden te lezen. Toch loont het zeker de moeite, niet in het minst vanwege de Historische Onthulling die, als de auteurs het bij het rechte eind hebben, bepaald wat oudheidkundig stof zou kunnen doen opwaaien; ook spreken de onverwachte plotwendingen tot de verbeelding, net als de altijd aanwezige magisch-realistische elementen, de soms doldrieste gebeurtenissen en het spel dat wordt gespeeld met de (verdraaiing van de) waarheid.
    ‘“We leven in een tijd waarin iedereen alles maar slikt,” zei hij op bitter sarcastische toon, “en ik durf te wedden dat het over drie- of vierhonderd jaar
    nog zo zal zijn, tot aan het einde der tijden. Je hoeft een en ander maar eindeloos te herhalen en het wordt bijna als bij toverslag waar.”’

    De keuze om de jongelingsjaren van Atto Melani te belichten is het enige manco aan de roman. Waar in voorgaande delen de scherpte van zijn personage en zijn psychologisch-strategische spelletjes een van de hoogtepunten vormden, blijft de karakterisering van de jonge Atto nu een beetje aan de oppervlakte. Het trio van wetenschappers – en de mysterieuze secretaris – zorgen weliswaar voor het nodige verbale vuurwerk, maar het sissende venijn van de ontmande manipulator op het latere politieke strijdtoneel mag in het vijfde deel, Unicum, weer volop de boventoon voeren.

    In stilistisch opzicht valt in Mysterium op dat het veelgeprezen ‘barokke’ bloemrijke taalgebruik minder pregnant de aandacht vraagt. Welluidend, eloquent – welzeker. Maar meer dan in de voorgaande delen is het taalgebruik toegankelijker en compacter geworden. Door deze ontwikkeling is het mogelijk dat Monaldi & Sorti een nieuw lezerspubliek (dat voorheen misschien over de ongebreidelde breedsprakerigheid struikelde) aan zich zullen binden.

    Wie Mysterium recenseert, kan er niet omheen: de roman en zijn pendant Versluiering werden in diverse media niet bepaald de hemel in geprezen. Over Mysterium: ‘hyperventilatie’, ‘drogredeneringen’; over Versluiering: ‘piepend benauwd’, ‘geen touw meer aan vast te knopen’, ‘oersaaie onthulling in flashback’. Is deze kritiek verdiend? Het is waar dat de argumentatie en verdediging van de in Mysterium gedane oudheidkundige onthulling weinig overtuigend en eenduidig uit de verf komt. Ook is het waar dat de plot minder geloofwaardig is dan die in de voorgaande drie delen, met name door sommige kolderieke plotwendingen en personages. Versluiering bevat weliswaar (in verhouding tot het aantal pagina’s) veel informatie, maar kritiek daarop zegt meer over de lezersverwachting ten aanzien van een dun boekje dan over de daadwerkelijke ratio informatie – boekomvang. Over de juistheid van de keuze om van Versluiering een miniroman te maken, kan getwist worden; wellicht was het verhaal beter uit de verf gekomen als het binnen het bestek van 150 of 200 pagina’s was verteld. Los van argumenten tegen bepaalde historische of plotkeuzes, bieden zowel Versluiering als Mysterium een boeiende kijk op de protagonist van het zevenluik – Atto Melani –, een weelderige rijkdom aan wetens- en lezenswaardigheden en een doorgaans goed te volgen verhaallijn, al is die dan ook lang en breed uitgesponnen.

    Vooruitblikken
    Monaldi & Sorti-fans (of moet er gesproken worden van Atto Melani-fans?) zullen verwachtingsvol uitzien naar het laatste deel van de polyptiek. Rijen wachtenden voor de boekhandels, zoals bij elk nieuw deel van Harry Potter, zijn niet te verwachten, maar die prangende vraag zal toch branden op ieders lippen: welke les wil Atto ons leren? Welke les willen Monaldi & Sorti ons leren, ofwel: hoe luidt het volledige acrostichon?

    In hun interviews en tijdens hun lezingen licht het schrijversechtpaar soms tipjes van de sluier op. Wat is bijvoorbeeld de rol van de in Versluiering aangeroerde verhaallijn rondom de moord op Giuliano de’ Medici, de broer van ‘Il Magnifico’ Lorenzo de’ Medici? De twee Medici’s worden in Mysterium kort ten tonele gevoerd, maar in Versluiering is hun rol relatief groot als je het aantal pagina’s in ogenschouw neemt. Wellicht veelzeggend in dit verband is dat Atto Melani ook geheim agent was in dienst van de Medici’s. Speelt het volgende deel, Unicum, zich voornamelijk af in Florence?

    Wat bedoelen Monaldi & Sorti wanneer ze in hun Belle van Zuylen-lezing opmerken: ‘(…) de tragedie van de stervende Mensheid. Laat ze troost putten uit de wetenschap dat wij met ze geleden hebben, want in de Tragedie-van-de-Stervende-Mensheid is geen toeschouwer niet tevens acteur: om met Karl Kraus te spreken, onze tragische held, die de gehele Mensheid is, heeft geen andere toeschouwer dan zichzelf.’ ?

    Vragen die vooralsnog onbeantwoord blijven. Ervan uitgaand dat er eerst een nieuw deel uit de Salaì-reeks zou kunnen verschijnen (waarschijnlijk een verademing voor de auteurs, na het uitputtende Mysterium), kan het nog een hele tijd duren voordat Monaldi & Sorti zich helemaal blootgeven. Of liever: voordat de Versluiering zal zijn opgeheven.

     

    Mysterium

    Auteur: Rita Monaldi & Francesco Sorti
    Vertaald door: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij Cargo (De Bezige Bij) (september 2011)
    Aantal pagina’s: 799
    Prijs: €24,90

  • Recensie door: Martin Lok

    Recensie door: Martin Lok

    Het blijft één van de meest lastige vragen die je jezelf kunt stellen: welke kant zou je kiezen in tijden van oorlog? Maar het is de vraag of het onderscheid tussen ‘goed’ en ‘fout’ in moeizame en turbulente tijden wel zo eenduidig is. Dit gegeven ligt aan de basis van Antonio Pennacchi’s roman Het Mussolinikanaal en wordt subliem samengevat in de sleutelzin van zijn boek: ‘Iedereen heeft zijn eigen gelijk’. Een zin die in één klap duidelijk maakt dat wat ‘goed’ is multi-interpretabel is. Het gelijk waaraan Pennacchi zijn roman ophangt is het gelijk van de Peruzzi’s, een arme boerenfamilie die zich op zoek naar een beetje meer geluk in het leven aansluit bij Mussolini. Het resultaat is een prachtige kroniek van een sympathieke, fascistische familie.

    Don Pericles Peruzzi, pastoor in de Agro Pontino, is de verteller van Het Mussolinikanaal, een Italiaanse familiegeschiedenis in de traditie van Bernardo Bertolucci’s 1900 (Novecento) of Tullio Giordana’s La meglio goiventù. Al staat bij Pennacchi de confrontatie van tegenstrijdige gezichtspunten minder centraal dan bij Bertollucci en Giorndana het geval is. Het is het gelijk van de Peruzzi’s dat overheerst. De strijd tegen het water in de Pontijnse Moerassen is de metafoor voor de worsteling van de Peruzzi’s om het hoofd boven water te houden. Een worsteling die de familie van don Pericles deelde met die van dertigduizend andere Italianen, die net als zij in de eerste jaren van Mussolini’s regime de armoede en honger van Noord-Italië ontvluchtten om onder Rome een nieuw bestaan op te bouwen.

    De Peruzzi’s waren weliswaar altijd wel een redelijk welvarende familie geweest. Niet rijk, maar zeker ook niet arm. Een grote familie, met een groeiend aantal kinderen, die ‘in zijn eentje die gehele Po-vlakte kon bewerken’. Maar veranderende wisselkoersen en een verslechterende economie had hen in de problemen gebracht, en ertoe geleid dat graaf Zorzi-Vila hun geld en vee, en daarmee ook hun toekomst af had gepakt. Berooid en uitgekleed wendden de Peruzzi’s zich tot hun vriend Edmondo Rossoni, op dat moment de tweede man van het fascistisch regime in Italië en vertrouweling van Mussolini. Hij hielp hen aan twee percelen op de Pontijnse vlakte en daarmee aan een nieuwe toekomst.

    Antonio Pennacchi vervlecht in zijn roman de geschiedenis van de Peruzzi-familie met die van het fascisme in Italië. Opa Peruzzi had in 1904 Rossoni geholpen en met hem in de gevangenis gezeten. Het was het begin van een vriendschap voor het leven, die van vader op zoon werd overgedragen en meegroeide met de macht van het fascisme. Later zou ook ‘onderdeur’ Benito Mussolini een graag geziene gast in huize Peruzzi zijn. Overigens met wisselende waardering aan de zijde van opa Peruzzi. Die steunde Mussolini weliswaar politiek, maar verdacht hem er ook van een oogje te hebben op zijn vrouw. Hetgeen er na ieder bezoek van Mussolini steevast toe leidde dat opa Peruzzi zijn vrouw ‘s avond voor ‘sloerie’ uitschold, om haar daarna in het duister van de slaapkamer weer tot zijn vrouw te maken.

    Opa en oma Peruzzi hadden in rap tempo vier zonen en drie dochters gekregen, en de familie zou in de loop der jaren verder groeien. Vrijwel alle zonen verbonden zich in eerste instantie aan het socialisme, maar volgden Mussolini en Rossoni toen deze in 1919 de fascistische partij oprichtten. Sterker nog, ze waren erbij en vormden al snel een fascistische knokploeg. Nadat de socialisten de hooimijt van de Peruzzi’s – noodzakelijk om de winter goed door te komen – hadden aangestoken, nam de familie wraak en stak op zijn beurt het vakbondskantoor in de fik. Ze kregen de smaak te pakken en maakten er een gewoonte van om socialistische kantoren in brand te steken. Pennacchi beschrijft deze ontwikkeling zeldzaam lichtvoetig, in schril contrast met wat je zou verwachten bij zo’n beladen onderwerp, en presenteert het fascisme haast als onschuldig tijdverdrijf: ‘Het was een verzetje, een manier om de tijd door te komen’.

    Dat het werk van de Peruzzi-broeders verre van onschuldig was bleek toen de tweede zoon, Pericles Peruzzi, een plattelandspastoor in Comacchio in opdracht van Rossoni (en Mussolini) ging ‘waarschuwen’. Pericles was na oma Peruzzi de spil van de familie, ‘de leeuw van ons volk.’ Hij had in zijn jonge jaren reeds het mes op de keel van een pastoor gezet en leek dus geknipt voor de job. Maar terwijl hij de pastoor ‘alleen‘ een pak slaag wilde geven, raakte hij hem met zijn stok op een ongelukkige wijze in de nek en hoorde een droog, knappend geluid. Een ogenschijnlijke onfortuinlijke maar onbeduidende gebeurtenis in een woelige periode maar wel een die zowel voor de toekomst van Pericles Peruzzi als voor die van zijn gehele familie bepalend zou zijn. Een gebeurtenis die Pericles aan de vrouw bracht en zijn familie aan een paar percelen op de Pontijnse vlakte. Een gebeurtenis ook die vele jaren later tot de geboorte zou leiden van don Pericles Peruzzi, die naar eigen zeggen werd verwekt ‘in die nacht dat mijn vader die arme pastoor uit Comaccio vermoordde’.

    Het knappe van Pennacchi’s familiekroniek is dat het onderscheid tussen ‘goed‘ of ‘fout‘ geen allesoverheersende rol speelt, maar ondergeschikt is aan de geschiedenis van het geluk van de Peruzzi’s. Niet dat de schrijver zich er niet bewust van is, daarvoor maakt hij bij monde van don Pericles te expliciet duidelijk dat er naast de waarheid in zijn verhaal een andere waarheid is. Maar het onderscheid overheerst niet, speelt eigenlijk geen rol. Pennacchi schetst bij monde van zijn verteller domweg die ene geschiedenis die hij besloten heeft te schetsen, ogenschijnlijk zonder daarbij zelf een keuze te maken: ‘Ik vertel u de waarheid van de Peruzzi’s, die mijn ooms aan mij hebben verteld zoals zij die hebben beleefd. Om een ander geluid te horen, het gelijk van de anderen, moet u met die anderen gaan praten.’

    Slechts op één moment maakt de verteller duidelijk waar hij zelf staat, als hij beschrijft hoe de fascisten onder leiding van Mussolini door de straten van Rome defileerden en de macht grepen. Natuurlijk in het bijzijn van de Peruzzi’s. Wederom beschrijft Pennacchi de geschiedenis lichtvoetig, in termen van een ‘uitje’. Om vervolgens onmiddellijk duidelijk te maken dat die lichtvoetigheid niet moet worden gezien als teken van instemming. Het laatste wat hij wil – zo verzekert hij zijn lezers – is zeggen dat de fascisten gelijk hadden: ‘Helemaal niet. Het moet duidelijk zijn dat ik het hier niet over fatsoenlijke mensen heb – het waren mensen die, als je in het parlement iets tegen ze inbracht, een fascistische knokploeg op je afstuurden’. Maar deze ontboezeming, deze stellingname, verhindert niet dat de Peruzzi’s de sympathie van de lezer weten te winnen. Hun misstappen ten spijt. Zelfs als Pericles met zijn stok per ongeluk de nek breekt van de arme plattelandspastoor uit Comacchio voel je vooral mee met het ongeluk van de moordenaar, en niet met dat van de pastoor.

    Pennacchi maakt in Het Mussolinikanaal op indringende wijze duidelijk dat de keuze tussen ‘goed’ en ‘fout’ veel moeilijker is dan deze in eerste instantie lijkt. Waarbij de mens bovendien veroordeeld lijkt tot het maken van foute keuzes: ‘Maar wij dachten dat dat goed was, punt uit, laten we er niet op doorgaan, dit is nu precies het drama van de menselijke conditie: je bent er bijna altijd toe veroordeeld om het verkeerde te doen, en dat terwijl je juist denkt dat je gelijk hebt.’ Jouw gelijk dan, niet dat van de ander. Het is de prijs die de mens betaalt voor zijn bestaan. Het is de verdienste van Pennacchi dat die prijs niet gepaard hoeft te gaan met verlies van sympathie. Want lezenderweg verovert de familie zich, ondanks hun keuze voor de ‘foute’ kant, onherroepelijk een plek in je hart. De lezer van Het Mussolinikanaal kan niet anders dan van de Peruzzi’s gaan houden. Alle knokpartijen, brandstichting en moorden te spijt. Het blijft een sympathieke, fascistische familie.

     

    Het Mussolinikanaal

    Auteur: Antonio Pennacchi
    Vertaald door: Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd
    Verschenen bij: Uitgeverij De Bezige Bij (2011)
    Aantal pagina’s: 512
    Prijs: € 29,90

  • Heidegger en het hangbuikzwijn bij de hemelpoort- Thomas Cathcart en Daniel Klein

    ‘Creperen, de geest geven, de pijp uitgaan, het loodje leggen, het anker lichten en de steven westwaarts keren. Het onderwerp ‘dood’ heeft mensen sinds het begin der tijden achtervolgd, geobsedeerd en gefascineerd. Grote denkers als Paulus en Schopenhauer, Descartes en Dylan Thomas, Plato en Peggy Lee hebben het onderwerp afgestruind en er van alles en nog wat bij bedacht, van engelen tot zombies. Cathcart & Klein nemen ons mee op een tocht door de geschiedenis van de dood en beschouwen de manieren waarop we de dood benaderen ? en waarom we het leven hartstochtelijk liefhebben. Daarbij stellen ze zich de vraag of er echt een hiernamaals is. Met evenveel ernst als humor gaan ze op de Laatste Dingen in.’

    Cathcart en Klein publiceerden eerder Plato en kornuiten. Daarover schreef de Volkskrant: ‘Een luchtige benadering van de zwaarbewolkte filosofie, vol satire, zelfspot en relativering. De auteurs zijn even spits als de grappen.’

    Heidegger en het hangbuikzwijn

    Auteurs: Thomas Cathcart , Daniel Klein
    Vertaald door: Pon Ruiter
    Verschenen bij: Uitgeverij De Bezige Bij
    Prijs: € 18,90

  • Nagelaten gedichten uit de jaren zestig en zeventig

    Nagelaten gedichten uit de jaren zestig en zeventig

    ‘Zonder mijzelf heb ik geen toekomst’ schreef de dichter Hans Faverey. Maar met deze uitspraak deed hij zijn gedichten, en daarmee indirect zichzelf, enigszins te kort. Want van enig Nachleben kan men intussen wel spreken, nu de vierde druk van zijn ‘verzamelde gedichten’ zojuist van de pers is gerold. Wat de toekomst betreft kan de dichter, die 20 jaar geleden stierf, voorlopig weer even vooruit. Maar met deze vierde editie is iets bijzonders aan de hand, hetgeen ze bij De Bezige Bij bijzonder genoeg vonden om er middels een buikbandje gewag van te maken: in deze editie staan niet alleen de Verzamelde Gedichten zoals we die uit de eerdere edities kennen, maar zijn er ook 193 ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ uit Faverey’s nalatenschap in opgenomen.

    De hierboven geciteerde regel is afkomstig uit zo’n nagelaten gedicht. Nu behoeft de toevoeging ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ de nuancering dat een klein deel van deze gedichten reeds was opgenomen in de door de weduwe van Faverey in 2000 samengestelde bundel Springvossen. Maar soit. Het blijft een bijzondere uitgave waar veel poëzieliefhebbers naar hebben uitgekeken. Niet dat deze uitgekeken raakten op de acht reguliere bundels die Hans Faverey (1933 ? 1990) bij leven publiceerde, maar de reeds eerder gedane onthulling dat er nog zoveel typoscripten, manuscripten zouden liggen, maakte begerig naar meer.

    Marita Mathijsen, die in 1993 ook tekende voor de totstandkoming van de Verzamelde Gedichten van Faverey, lost met deze speciale vierde druk, haar zeventien jaar geleden gedane belofte om ook het nagelaten werk uit te geven, met glans in. Vol overgave dook ze in de papieren. En wat bleek? Faverey liep in zijn aanvangsfase ook vele blauwtjes op met zijn inzendingen van gedichten naar literaire tijdschriften. Zelfs een complete bundel werd door uitgeverij Querido in 1964 afgewezen. Achteraf lach je erom. De betrokken redacteuren worden er liever niet meer aan herinnerd. De drieëndertig gedichten uit die afgewezen bundel komen nu volledig binnen bereik van de lezer (de helft ervan had overigens al een plaats gekregen in ander regulier uitgegeven werk). Mathijsen beperkte zich tot de voltooide, ongepubliceerde gedichten. Waarbij zij aantekent, dat voor de editietechniek het onderscheid tussen ‘voltooid’ en ‘publicabel’ niet telt. Versies die naderhand door de dichter ten dele verbruikt zijn voor een naderhand gepubliceerd gedicht vielen af. Uiteindelijk blijken 193 nagelaten gedichten aan haar criteria te voldoen. Ze sluit intussen niet uit dat een andere editeur tot een andere selectie was gekomen.

    In deze vierde druk volgt het nagelaten werk op het gepubliceerde werk, en wordt het, voor zover te achterhalen, in chronologische volgorde gepresenteerd. En passant zinspeelt Mathijsen zelf op de zinvolheid van een editie die ook kladversies en varianten zou bevatten.

    Door de chronologische presentatie van dit nagelaten werk (en de bijgeleverde lijst van dateringen) laat dit werk zich mooi vergelijken (‘spiegelen’ noemt Mathijsen het zelf) met het gepubliceerde oeuvre. De meeste opgenomen nagelaten gedichten dateren uit de 60’er en 70’er jaren. In de jaren tachtig was Faverey wellicht zo volleerd dat hij minder tussenstappen nodig had tot het volmaakte gedicht.
    Wie verbaast het dat in dit ‘spiegeloeuvre’ dezelfde tendens te bespeuren valt als in het ‘echte’ werk: gaandeweg raken de gedichten meer gestoffeerd, worden ze minder kaal, minder basic. De gedichten zijn voltooid genoeg om de sporen van zijn techniek na te laten: de witregels, als bakens voor het ritme, ontbreken dan ook niet. Het poëtisch bindmiddel van de herhaling van woorden, van delen van een zin, evenmin. We treffen hier woorden aan die het opnemen tegen hun betekenis, tegen de onmogelijkheid het mogelijke tot stand te brengen. Taal die aan het begrip voorbij scheert tot waar schoonheid soeverein is.

    Faverey’s woorden zijn stuk voor stuk begrijpelijk (en waar hij een nieuw woord verzint als ‘springvossen’ levert dat geen probleem), ook de syntaxis wordt geen geweld aangedaan en het leestempo wordt door de witregels tot een serene rust gemaand. Het is apollinische poëzie in pure evenwicht met zichzelf. Schoonspringen meer dan zwemmen. Spel meer dan sport. De zin is het speelveld van Faverey en hij kan in die zin opeens gaan versnellen, zoals een voetballer met de bal aan de voet opeens versnelt en een of twee tegenstanders het nakijken geeft. Door de buitenspelval van de mimesis te ontlopen, komt hij, daarvan gezuiverd, in het strafschopgebied van de schoonheid terecht, om daar zichzelf eerst als een stervende zwaan te omspelen, alvorens toe te slaan.

    Maar waar de perfect gepleegde misdaad verschoond blijft van sporen, stuit je in de nagelaten gedichten hier en daar op een enkele onvolkomenheid, die eigenlijk alleen opvallen omdat ze niet ten volle delen in de glans van de omringende woorden, waardoor de zin waarvan ze deel uitmaken, net niet dat uitgebalanceerde krijgt die de ‘echte’ gedichten kenmerkt. Alsof de concrete aanleiding nog niet afdoende was weggezuiverd. Als voorbeeldje de tweede strofe van een nagelaten gedicht: ‘Ach, dat de dood zich / maar eeuwig fixeerde / in zijn ijzeren spiegel.’

    De Favereylezer zal instemmend knikken bij woorden als ‘dood’, ‘eeuwig’, ’spiegel’ en‘fixeerde’ (indachtig zijn ‘credo’: ‘De roekeloze, de meedogenloze schoonheid te fixeren.’), maar het woord ‘ijzeren’ (in combinatie met spiegel) voelt zich niet zo thuis in het Faverey-idioom; Daar komt het woord ‘ijzigst’ meer voor. Of ‘suizende oxyden’, dat omwille van zijn schoonheid haast geen begrip van node heeft. Maar het lezen van een gedicht dat het nèt niet helemaal heeft, is allerminst schadelijk voor de reputatie van deze dichter. Eerder verschaft het de poëzie van Faverey een handvat, een vingerwijzing. Het geeft aan dat de poëzie die door een god geschreven leek, in een mensenschrift zijn oorsprong vond. Men lijkt het raadsel van de ongenaakbaarheid van de geheimzinnige schoonheid in zijn gepubliceerde werk zo een klein beetje op het spoor te komen. En natuurlijk zijn er met deze publicatie pareltjes boven water gekomen. Wat te denken van:

    ‘Spijkerwit:
    een nagelschim.

    Zijdevast:
    een maanpluim.

    Tot in de grond
    vervlinderd,
    tot in de hemel
    verpulverd:

    een meidoorn,
    een stokroos.’

    Dit zou vóór 1970 al geschreven zijn. Tot slot wil ik een van de mooiste gedichten van Faverey citeren, eentje van een verontrustende schoonheid. Uit de bundel Tegen het vergeten:

    ‘De weg die het volbrengt
    zijn weg te zijn, die zich voortzet
    en zich tot een hinderlaag wordt,

    en die telkens, op het heetst
    van de middag, versmachtend,

    het haast opgeeft, de berm opzoekt,
    naar zijn revolver tast: terwijl

    intussen de enige weg die hem
    overblijft, al maar voortgaat
    op de weg die hij inslaat
    en inslaat, de ijzigste
    leegte ontregelt.’

    Faverey wilde gedichten schrijven die eeuwen meegingen. Nu, twintig, dertig jaar later, kunnen we constateren dat hij keurig op schema ligt.

     

  • Niets intiemer dan een tekening

    Niets intiemer dan een tekening

    In deze boeiende historie laat de intieme ontmoeting tussen een oudere Amsterdamse schilder en de Deense Else lang op zich wachten. Eerst heeft De Moor nog het nodige te vertellen over het leven van de hoofdpersonen in de zeventiende eeuw. Mooie sfeerbeelden gebruikt ze daarbij van de oorlogsbodems in de haven ten tijde van de Republiek, de pest, die door de stad rondwaarde en bovendien komen we veel te weten over het wezen van de schilderkunst, namelijk over gebruik van het licht.

    We maken eerst kennis met de bekende, maar niet met name genoemde, meester die op Justitiedag, de dag waarop misdadigers ter dood werden gebracht, vanaf de Rozengracht door de binnenstad naar de Warmoesstraat loopt om daar verf te kopen. Hij mijdt de Dam om geen getuige te hoeven zijn van de ophanging van het meisje Else, dat een pensionhoudster – in zeventiende-eeuwse termen een slaapvrouw – heeft doodgeslagen. U vraagt zich natuurlijk af hoe dat meisje en de schilder elkaar dan konden ontmoeten, maar de oplossing volgt aan het einde van het boek. De oude meester heeft het inmiddels niet gemakkelijk: zijn groepsportret is door de burgemeesters afgekeurd, hij is vanwege geldgebrek uit zijn huis in de Breestraat gezet en zijn tweede vrouw Ricky is niet lang geleden aan de pest bezweken.

    Na enkele hoofdstukken schakelen we over naar Jutland, waar het meisje Else Christians in een stiefgezin woont. Else wordt niet duidelijk gekarakteriseerd, zeker niet in psychologische zin. Ze verlaat haar vriendje en gaat haar stiefzus achterna die al eerder naar Amsterdam is vertrokken.

    Bijzonder aan dit boek is de compositie. Het verhaal wordt niet van begin tot einde verteld, maar eerst wordt de grote lijn neergezet en die wordt stukje bij beetje ingekleurd, waarbij steeds wordt teruggegrepen naar eerdere episoden, hetgeen, met een ontmoeting nog in het vooruitzicht, geen afbreuk doet aan de spanning.

    Details geven een boeiend inkijkje in het dagelijks leven, zoals in dat van de beul, die op zijn slachtoffer staat te wachten. Hij neemt een haal van de pijp van de gevangenisbewaarder en denkt aan een conflict met de Haarlemse chirurgijns. ‘Het gilde maakte er bezwaar tegen dat hij de geneeskunst aan het uitoefenen was. Zo, en wat was daar dan wel op tegen? Laatst, zou hij hen onder de neus wrijven, had hij bij een bijzonder ongelukkig in haar keuken uitgegleden vrouw de schouder weer in de kom gedrukt, akkefietje van niks, nog diezelfde week had hij bij een hevig kermende meneer koeltjes, met wetenschappelijke precisie een dubbele beenbreuk weer volmaakt passend op elkaar gezet.’

    De Moor brengt het verhaal als een verslaggever. Zij ziet onder andere neer op de slaapvrouw en haar belaagster. ‘Twee vrouwen, allebei aan het eind van hun leven. Terwijl de oudste vrouw er al heel slecht aan toe is, maar nog wel de kracht heeft om het op een schreeuwen te zetten, bevindt de jongste zich in haar element.’
    Haar beschrijvingen klinken als het resultaat van een studie: ‘De schilder is er niet bij geweest toen zijn vrouw, in de ochtendschemering van maandag, stierf. Alles wijst erop dat hij niet heeft kunnen aanzien hoe ze tot in haar laatste ogenblikken op redding heeft gerekend.’
    Af en toe loopt ze vooruit op de gebeurtenissen, bijvoorbeeld als Else per schip op weg is naar Amsterdam. ‘Hoe zou ze kunnen vermoeden dat ze in werkelijkheid niet op weg is naar een vertelling, maar naar een tekening, inkt op papier?’

    De Moor neemt het niet zo nauw met de historische werkelijkheid. De tijd is van ondergeschikt belang. Vincent van Gogh komt af en toe langs en ook de vernieler van een schilderij in Leningrad in 1985 wordt genoemd. Ook in de taal veroorlooft ze zich veel vrijheid, bijvoorbeeld als Else tijdens haar reis een Hollandse ontmoet. ‘Ze onderhielden zich met elkaar alsof ze in zo’n handig boekje ‘Deens- Koeterwaalshollands op reis’ het hoofdstukje ‘Vrienden maken’ hadden opengeslagen.’

    Het boek is stijlvol geschreven. De Moor heeft zich bekwaam gedocumenteerd.
    In een aantekening op het eind zegt ze hoe ze aan haar onderwerp is gekomen. Behalve bij verhalen over het meisje vond ze ook haar inspiratie bij Rembrandt van Rijn.

     

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Het pistool op de omslag suggereert in combinatie met de titel een drama, waarbij een verliefd jong stel er na een wilde achtervolging samen een einde aan maakt. Dit boek van de Vlaming Paul Baeten Gronda, dat ik als laatste las van de vijf genomineerden voor de Academica Debutantenprijs, heeft echter een laag Thelma en Louise-gehalte, al is drama zeker niet afwezig. 

    Het verhaal begint met een brief die Max Venkenray eigenlijk pas aan het eind van het boek aan zijn vader Staf schrijft die in het ziekenhuis ligt. Hoofdpersoon Max is een getraumatiseerde jongeman uit een gezin met een moeder, Milly, die doctor in de psychologie is en een vader, Staf, die met de familietraditie om notaris te worden heeft gebroken en een links journalist is geworden. De slechte relatie tussen de ouders is van invloed op het trauma dat Max oploopt. Zijn jongste broer Roy zou niet verongelukt zijn als de vader niet op dat moment bij zijn lief was geweest. Max heeft na de dood van Roy zijn intrek genomen in hotel Splendid en verbrast aldaar de erfenis van zijn rijke opa.

    Het verhaal speelt zich af gedurende drie dagen. In Eergisteren wordt Max eenentwintig jaar, in Gisteren valt zijn vader uit een raam en in Vandaag besluit Max om het hotel te verlaten.

    Aanvankelijk leek het op een lach-of-ik-schiet boek met veel gortdroge humor getuige one-liners als: ‘Nachten zijn nu eenmaal kil, anders waren het wel dagen geweest.’

    Paul Baeten Gronda grossiert in algemeenheden, die soms verrassend zijn: ‘Als je net eenentwintig bent en al naar de raad van oude vrouwtjes luistert, dan kan je evengoed in de provincie gaan wonen om de bomen te zien groeien.’ Hij mengt keurige taal met platvloerse opmerkingen: ‘Omdat blijven zoeken naar iets wat je toch nooit vindt geen zin heeft, en omdat ik moest pissen, ging ik uiteindelijk terug naar Hotel Splendid.’

    Al snel wordt echter duidelijk dat het gebrek aan persoonlijke smaak en eigenheid voortkomt uit de geestelijke pijn die Max lijdt na de dood van zijn broer Roy. In de aanhef van de brief aan zijn vader schrijft Max dat alles porno is geworden. Max zou het liefst inslapen en niet meer gewekt worden. Na de dood van zijn broer heeft Max zich teruggetrokken in een onpersoonlijke hotelkamer. ‘Nooit meer intimiteit, misschien was dat mijn redding,’ zegt Max daarover.

    Zijn leven wordt niet vrolijker van de omgang met Jimbo, een metalverzamelaar, terwijl hij zelf de voorkeur geeft aan bluegrass. Een vriend van Jimbo speelt de hele dag computerspelletjes en verkoopt drugs aan de achterdeur. Het meisje Elise die hij ten tijde van het sterven van Roy in het ziekenhuis ontmoette, gaat nooit verder dan in die akelige tijd toen zij zich over hem ontfermde. Met zijn oudere broer Gert-Jan, een kunstenaar, heeft Max een slechte verstandhouding. De eenzaamheid hangt als een dikke lucht om Max heen.

    Als ik de genomineerde boeken voor de 15de editie van de Academica Debutantenprijs met elkaar vergelijk kom ik op Paul Baeten Gronda als winnaar uit. Wat betreft compositie en stijl geef ik aan hem de voorkeur. Hij schrijft mooie korte stukjes proza, die als een legpuzzel in elkaar vallen. Ook de bijzondere omstandigheden, waarin iemand verkeert, zoals in de hotelkamer, vind ik literair gesproken, net iets boeiender dan het aangrijpende relaas over de indoctrinatie van Kieke door een geloofsgemeenschap in Blinde wereld van Ellen Heijmerikx. Tegelijk vind ik het jammer dat er dit jaar geen boeken genomineerd waren als Zeewater is zout, zeggen ze of Monografie van de mond.

    Nemen wij dan samen afscheid van de liefde

    Auteur: Paul Baeten Gronda
    Verschenen bij: Uitgeverij De Bezige Bij (2008)
    Prijs: € 15,90

    De winnaar van de Academica Debutantenprijs wordt 16 september 2010 bekend gemaakt.

  • Recensie: Ada – Vladimir Nabokov

    Recensie door: Rein Swart

    Weelderig proza als een struik met vele knoppen

    ‘Nirvana, Nevada, Vaniada. Tussen haakjes, ik moet er niet bij zetten, mijn Ada, dat onze mummie pas bij ons laatste onderhoud, na mijn premature, althans pre-maman-tuée, nachtmerrie over ’You can, sir ’ mijn petit nom bezigde, Wanja, Wanjoesja ? dat had ze nooit eerder gedaan, en het klonk zo raar, zo ted… (stem ebt weg. radiatorbelletjes tinkelen).’

    Aldus de eerste zin van het laatste hoofdstuk. Je komt bedrogen uit als je denkt dat je na zo’n zeshonderd bladzijden de springerigheid van Nabokov wel kent, zijn uitweidingen, zijn gebruik van allerlei talen door elkaar heen, zijn verwijzingen naar andere, veelal Russische, schrijvers. Mij was niet altijd alles duidelijk. Het boek schreeuwt om herlezing, om nog dieper in de rijkdom door te kunnen dringen.

    De allereerste zin begint met een verkeerde aanhaling van de uitspraak van Tolstoj dat alle gelukkige gezinnen op elkaar lijken, waarmee Nabokov volgens een noot van de vertaler (René Kurpershoek) verkeerde vertalingen van Russische klassieken op de hak neemt. De lezer wordt vaker op het verkeerde been gezet. Vooral in het nogal cryptisch begin. Als ik de noten raadpleegde stond mijn vraag naar de betekenis van bepaalde termen, zoals in het citaat waarmee ik opende, er nooit bij. Als ik het boek daarvoor echter opzij had gelegd, dan had ik een fascinerende romance en een adembenemend zinnelijke liefde gemist van de zelfbewuste jonge Iwan (in spreektaal: Van) met een groot libido voor het bloedmooie, karaktervolle meisje Ada.

    ‘Gloeiende gutsen zonlicht snelden over haar zebrastrepen en de rugzijde van haar blote armen, en leken hun reis te vervolgen door de tunnel van zijn eigen gestel.’

    Het boek opent met een stamboom. Het is dan ook een familiekroniek, zoals de verteller zelf in het vijfde en laatste deel schrijft, waarin hij op het eind de feiten nog eens samenvat.

    De liefdesgeschiedenis speelt zich af in een aristocratisch milieu. In het Amerikaanse landhuis Ardis gaat het er nogal decadent aan toe temidden van een hele rits butlers en gouvernantes, die zich ook niet onbetuigd laten. De zusjes Aqua en Marina Durmanow zijn in het huwelijk getreden met de neven Daniël en Demon Veen, maar Aqua heeft al snel het loodje gelegd. Hun nazaten Van (geb. 1870) en Ada (geb. 1872) beleven aan het eind van de negentiende eeuw incestueuze avonturen met elkaar, waarbij ook Ada’s zusje Lucette (geb. 1876) betrokken raakt.

    Nabokov beschrijft onverbloemd over hun erotische toenadering, maar ook heel bloemrijk, hetgeen een verademing is bij de plastische beschrijvingen, die je tegenwoordig vaak tegenkomt.

    Iwan (Van dus) schrijft zijn memoires als negentigjarige zowel in de ik-vorm als meer afstandelijk in de hij-vorm, bijgestaan door Violet Knox.

    ‘Hij was een zeer trage schrijver. Het kostte hem zes jaar om de eerste versie te schrijven en aan juffrouw Knox te dicteren, waarna hij het typoschrift herzag, het geheel opnieuw uitschreef (1963 ?1965) en het hele geval opnieuw aan de onvermoeibare Violet dicteerde, wier welgevormde vingers in 1967 de definitieve kopij uittikten.’

    In het vierde deel volgt nog een filosofische verhandeling over de aard van de tijd, vlak voordat hij als vijftiger Ada in Zwitserland ontmoet na de dood van haar man.

    De inmiddels stokoude Ada breekt af en toe in en ook de bezorger geeft commentaar waardoor er gelaagdheid ontstaat. Door alle toespelingen en woordspelingen (onder andere tijdens een partijtje scrabble tussen Ada en Van) hou je aan dit uitbundige proza een feestelijk gevoel over. Het verhaal schiet heen en weer in de tijd, wendbaar van het een naar het ander, als een filmcamera die heen en weer zwenkt. Het klatert en bedwelmt. De lyrische toon is net zo kleurrijk als die van de vogels die Ada met alle aandacht schildert. Een klassieker die, om het zo maar te noemen, na veertig jaar nog recht overeind staat.

    Ada is opgenomen in De Amerikaanse romans, een bundeling van drie romans uit de periode 1969-1974 van de Russisch-Amerikaanse schrijver Nabokov(1899-1977).
    Bevat: Ada, vertaald door:  René Kurpershoek, Doorzichtige dingen, vertaald door Sjaak Commandeur en Let op de harlekijns!, vertaald door. Anneke van Huisseling
    Verschenen bij: De Bezige Bij, (2009)
    Prijs: € 49,90

  • Het leven is spinrag

    Het leven is spinrag

    Recensie door Rein Swart

    Liefde en vergankelijkheid. Onder deze noemer zouden deze verhalen kunnen vallen, echter zonder de droevige toon die eerder in het werk van Nooteboom sloop. Deze bundel heeft een ongekende kracht, die ik me van zijn werk uit de jaren tachtig herinner. Opeens is er weer die vonk, opgewekt door een virtuoze manier van schrijven en een weergaloos taalspel. ‘Wat een krankzinnige werkwoordsvorm, was,’ zegt de schrijver ergens; op een andere plaats gebruikt hij het woord Mensch omdat hij andere talen nodig heeft om zichzelf duidelijk te maken. De verhalen spelen in Zuid-Europa en Nooteboom weet als een schilder met een paar streken de sfeer treffend te schetsen.

    Waarover gaat het in deze acht verhalen? Foto’s onder andere, zoals in het openingsverhaal Gondels. Een man zit in Venetië aan de oever van het water met een half verscheurde foto van hemzelf en zijn vroegere Amerikaanse geliefde. Hij denkt terug aan hun ontmoeting in Griekenland en de doorreis naar Venetië, waar de foto gemaakt is. Later heeft hij haar nog eens opgezocht in San Francisco. ‘Mensen waren fantastisch, ze zouden voortdurend prijzen moeten krijgen,’ denkt hij als hij haar op het vliegveld terugziet.

    De man en de vrouw hebben geen namen, maar de taal sprankelt als champagne, schittert op het water van Canal Grande, die ook niet met name wordt genoemd.

    In Onweer heten de geliefden Rudolf en Rosita. De beeldhouwer en de schrijfster dineren tijdens een zwaar onweer in een restaurant in Spanje. Naast hen zit een ruziënd Duits stel. De Duitse probeert de bliksem vast te leggen. Haar man is een ‘Arschloch’. Er hangt iets ergs in de lucht.

    Heinz is het langste verhaal, opgedeeld in negentien paragrafen, over een vice-consul die namens Buitenlandse Zaken de honneurs waarneemt in Ligurië, aan gene zijde van de Alpen. De verteller bekijkt een foto van een gezelschap met Heinz in het midden en doet daar nogal geheimzinnig over. Hij wendt voor dat hij de mensen niet kent, maar geeft aan het eind van de eerste paragraaf zijn bedrog prijs. ‘Waarom dan toch geprobeerd? Mag ik dat straks vertellen, aan het einde?’ Met deze vraag houdt de verteller de aandacht vast.

    ‘Eind september, maar het leek wel oktober in Spanje,’ gaat over Suzy die na de dood van haar vriendin haar plaats in het bed innam naast de oude Vice-Admiral die inmiddels ook overleden is. Suzy krijgt ’s nachts bezoek van de 63 jarige kelner Luis uit het plaatselijke café. Alles is in verval.

    ‘Plotseling was hij dood,’ luidt de eerste zin van Laatste middag, dat speelt op Sardinië. De zin heeft betrekking op de echtgenoot van de vrouw, die uit wraak een nummertje met de postbode maakte.

    Paula is een langer verhaal, weer met een foto als uitgangspunt en wel een sensuele, die ooit op de cover stond van Vogue, van een jonge vrouw naast een raam met regendruppels. Het gaat over een vriendengroep die gokte en de vrije liefde proclameerde. De mannelijke verteller ziet terug op die tijd vanuit een lege witte flat die als een Zen-klooster in de polder ligt.

    In Paula II geeft de dode zelf antwoord. Het leven is spinrag, zegt Paula. Ze herinnert zich de angst van de man om niet meer te willen leven. Die angst drukte hij uit door de zinsnede: ’s Nachts komen de vossen. Haar relaas eindigt als volgt: ‘Je hebt je raam opengezet. Windvlaag. Dat was ik. Geritsel, gefluister. Het geluid van de vossen, een nacht in de woestijn. Gedachte vossen. Geen echte. Alles is vluchtig. Zoals wij zijn. Weg.’

    Het verste punt is een kort maar prachtig sfeerbeeld van een vrouw die wordt voortgestuwd door de ‘tramontana’, een Spaanse storm, naar de kust. Ze moet over de rotspunten bij de vuurtoren gaan. Ze moet.
    Nooteboom schrijft met vaart, zoals deze zinnen tijdens een roulette spel uit Paula. ‘Ik had die duizend weg moeten halen, maar legde het fiche op rood. Zwart. Er zijn geen geheimen.’ Ook komt hij met mooie one-liners als ‘Doden hebben geen Alzheimer.’ Het is een stijl die omtrekkende bewegingen maakt, maar zonder een woord te veel alles zegt.

    Het lijkt erop dat de glossy-schrijver zijn heropstanding beleeft en in zijn nieuwe jeugd een toon voortbrengt, mooi en zuiver als nooit tevoren. Dit is literatuur van de bovenste plank. Dit is taal die heen en weer zwiept als de camera van een Dogma film die iets wezenlijks blootlegt. Dit is een lied van schijn en wezen. Dit is proza dat resoneert en opstijgt boven de woorden. Hier is een tovenaar aan het werk. Dit is niet voor niets van de winnaar van de Gouden Uil 2010.

     

  • Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft

    Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft

     

    De tijd dat dichters bundeltjes met slechts 30 pagina’s konden afscheiden, ligt inmiddels achter ons. Menige dichtbundel van de laatste jaren daagt het formaat van een in boekvorm uitgegeven novelle uit. En ook de nieuwe en daarmee vijfde bundel van Jan Baeke, Brommerdagen, doet met 65 pagina’s een redelijke poging in die richting. Evenals zijn vorige Groter dan de feiten is ook deze van een in het oog springend voorkant voorzien: tegen een oranje achtergrond zien we het bovenste gedeelte van een plafondlamp, een zwevend televisietoestel met kamerantenne en iets wat op een gedateerd soort bom lijkt. Het oogt niet onaardig, zolang we die bom maar kunnen vergeten.

    De bundel is opgebouwd uit 2 reeksen: Blessures en Brommerdagen. Van elkaar gescheiden door het onheilspellende gedicht Ten slotte het diner dat met 4 pagina’s het langste van de bundel is. De andere gedichten zijn allen 1 of 2 pagina’s lang. In vrije versvorm. De ideale vorm, lijkt het, voor de meanderende stroom van beelden, en weerbarstige maar toch ook vaak vrolijke associaties, met hier en daar vileine weerhaakjes, waar Baeke het patent op heeft. De gebruikte woorden zijn stuk voor stuk alleszins begrijpelijk. Wat voor het gedicht in zijn geheel niet altijd het geval is, maar het is gelukkig meestal wel duidelijk waar Baeke jou wil hebben. Bovendien: het spoor bijster raken, dat mag best een beetje, want de achterflap meldt dat de vele personages, die in ontregelende monologen het woord voeren, zelf ook het spoor aardig bijster zijn geraakt. Maar vaak vallen de ogenschijnlijk losse eindjes bij nader inzien aardig aan elkaar te knopen. Daarbij is er ook niets op tegen om je op de associatieve toon van zijn gedichten te laten meestromen om op die verrassende wendingen te stuiten, zoals het slot van Respect: ‘Vuur is genadig, vuur is muzikaal /  Vuur hoor je niet zo gauw zeiken.’ Of op de laconieke melancholie in de laatste regels van Als de toekomst ter sprake komt: ‘We herinnerden ons / dat dergelijke avonden zo gewild zijn / om hun afscheid.’ En passant leert de lezer nog dat ‘vrolijkheid van bloemkool afstamt’. Tijdens de eerste lezing begon het mij al snel te dagen dat dit een bundel is voor een tweede en derde lezing. Om het gewone aan ongewoonheid te zien winnen en het ongewone aan gewoonheid. De tweede reeks vind ik niet de sterkste omdat in de eerste misschien een enkel gedicht staat dat mij niet zoveel deed, maar omdat ik in de tweede reeks op het allermooiste gedicht van de bundel stuitte:

    Tot het samenvalt

    Valt het oog van de moeder
    op de held die zij heeft grootgebracht
    ziet ze hoe oorlog hem de dossiers in sleurt
    en sloopt, tot hij samenvalt met grijs haar
    en een hand die zijn hart
    door zijn vlees heen tracht te steunen.

    Voor zijn kinderen een feestdag geknutseld. ’s Avonds, achter de verduistering, streept hij
    de woorden door die hem vergeten moeten
    mochten vragen volgen.
    Hij kijkt opzij, de spiegel in
    het stokken van zijn adem tegemoet.

    Op het tapijt zit altijd nog die vlek die lijkt.
    Het is nooit één woord dat het leven vergelijkt
    het zijn er vele, juist degene die over niets gaan.
    Zoals afgesproken praten wij, zijn kinderen
    vloeken dan of piekeren
    willen er de schuld van zijn.

    Een zeer geslaagd gedicht over een man die zich voorbereidt op iets clandestiens in de oorlog. Gezien het naoorlogse geboortejaar van Jan Baeke is het duidelijk dat het ‘wij’ in dit gedicht niet de dichter zelf impliceert. Het is vrij beeldend en suggestief, haast een scene uit een film. Het mooist vind ik misschien wel die vlek in het tapijt die vanwege zijn vertrouwdheid een baken van rust kan zijn te midden van de dreiging. Om zulke vondsten leest men poëzie. En Baeke blijkt ook in veel andere gedichten een geoefend oog te hebben voor veelzeggende vlekken in een tapijt. Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft, zodat het ook bij herlezing boeien blijft. Ook een zin als ‘streept hij de woorden door die hem vergeten moeten / mochten vragen volgen’ is schitterend, zelfs al zou je niet meteen denken aan de situatie waarin een verzetsman voor verhoor wordt opgepakt. Zijn vorig poëtisch wapenfeit Groter dan de feiten kreeg een nominatie voor de VSB poëzieprijs. De concurrentie moet in 2010 wel met werk van uitzonderlijk hoog niveau voor de dag komen, wil het niet als verregaand onredelijk voorkomen indien deze bundel buiten het blikveld van een jury zou vallen.