• Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    ‘Van lezen wordt je wereld groter’, las ik ooit in een artikel over lezen. Daar ben ik het nog steeds mee eens. Dan lees je een boek als Axolotl en je denkt: ‘Wat is dit? Wat gebeurt hier? Zou dat echt zo zijn?’ Als op de laatste vraag het antwoord ‘ja’ is, dan wordt je wereld groter.

    We maken in dit boek kennis met Mifti, woonachtig in Berlijn, samen met haar zus Annika en haar broer Edmond. Ze wonen in een grote, verwaarloosde woning in het midden van de stad. Het is een grote puinhoop, er zijn meer lege doosjes van medicijnen te vinden, dan appels en peren, iedereen loopt er binnen, kan er slapen of beter gezegd neuken met wie hij of zij wil. Drugs, drank, sex, drank, sex, drugs, sex in alle variaties en combinaties. Ga je gang. Doe waar je zin in hebt. … ‘Twee seconden later vindt ze zichzelf dan onder hem terug, terwijl hij haar door haar netkousen heen als een holbewoner neukt. Zo ongeveer, zeg maar. Vind je dat soms leuk? ’… ‘Ben jij ook zwaar biseksueel?’ … ‘Ik stond welliswaar niet van blijdschap te springen toen ik erachter kwam, maar ja, ik ben ook zwaar biseksueel.’ Daarna minutenlang een vlezige stilte. Ik krijg het gewoon niet voor elkaar nu een trek te nemen van de joint die mij al geruime tijd wordt voorgehouden’…

    School? Te erg voor woorden. Werken?  Leven, vrijheid, bandeloosheid. Mifti heeft op dertienjarige leeftijd haar moeder verloren. Een moeder, die gewelddadig was, psychopatisch, ofwel gestoord. Haar vader is een egocentrische kunstenaar, die met een jongere vrouw om de hoek woont. Mifti en haar broer en zus hebben wel een werkster, want op de een of andere manier is geld geen probleem. Ze gaan van de ene vriendin, naar de andere vriend. Simon heeft het kennelijk goed met Mifti voor, hij geeft haar een axolotl.  ‘Op een gegeven moment bel ik bij Simon in Neukölln aan, gewoon, omdat hij altijd stoned is, een Siamese kat van twee duizend euro heeft en ongeveer veertig aquaria met kleine amfibiachtige kutbeesten die hij verkoopt. Ik bekijk een Mexicaanse nachtsalamander die paars is, of in elk geval zeer zeer roze. Hij heeft grappige kleine tentakeltjes, blauwe knopoogjes en de vriendelijkste glimlach die ik ooit heb gezien. Waanzinnig. … Ik koop die achterlijke axolotl echt van hem en sjouw hem in een doorzichtige, met water gevulde plastic zak een hele tijd met mij mee’.  Dit is zo’n beetje de meest tedere scène in het hele boek. Even geen kutmuziek, kutgymnasiastje en hoofdstukken, waar het woord kut het meest gebruikte stopwoord is. De vriendelijkste glimlach. Die heeft ze nodig. En ‘gewoon iemand die me vraagt hoe het op school was’.

    Mifti is verliefd geworden op een 46-jarige vrouw, Alice. Enerzijds zoekt zij bij deze vrouw, wat zij ooit bij haar moeder gemist heeft en iedereen, inclusief zijzelf beseft dit, behalve Alice. Anderzijds valt zij telkens weer op mannen, die ouder en veel dommer zijn dan zij zelf. En als sex dan niet meer voldoende ontspanning en vergetelheid bezorgt, dan is er altijd nog de heroïne. Nog later probeert zij Alice’s aandacht te trekken door in een groot warenhuis dure kashmir-truien te stelen en als zij betrapt wordt, geeft zij het adres van Alice op. Het helpt niet echt. Ze mag mee, mag er slapen en dat is het dan. Mifti krijgt in haar droom een brief van haar moeder.

    Het is een boek over de generatie-nix, nul, niente. Een verloren generatie. Een vlucht voor verantwoordelijkheid en natuurlijk zijn de ouders en de samenleving schuldig. Wat je zo leest over Mifti’s ouders, maakt ook niet vrolijk. Zou het echt zo kunnen zijn?  En Mifti? Zou ze net als de axolotl nooit volwassen worden? Zou ze een roadkill worden of al zijn?

    Het is een boek, dat veel reacties heeft opgeroepen. Jubelende recensies in Duitsland van gerenommeerde recensenten en boze brieven van lezers. Zeker toen bleek, dat er veel plagiaat in het boek voorkwam uit een blog van een Berlijnse man. De schrijfster verdedigde zich, dat het bij deze tijd hoort, alles is immers te vinden en de kunst is om wat je vindt te bewerken, te verbouwen en nieuwe inhoud te geven. In de nieuwste uitgaven worden de bronnen vermeld. ’t Is een boek, waar je of helemaal enthousiast van wordt of van over je nek gaat. Daar kun je alleen achter komen door het te lezen.

    Axolotl Roadkill

    Auteur: Helene Hegeman
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Vertaald door: Marcel Misset
    € 17,95

  • Staphorst, wie kent het niet

    Staphorst, wie kent het niet

    Er zullen niet zo gek veel dichters zijn die bij het soort uitgeverij zitten, waarvoor je je op feesten en partijen niet behoeft te schamen, en die met een zekere dichtbundel een vierde druk weten te scoren maar die toch niet uit de blinde vlek van poëzierecenserend Nederland hebben weten te treden. Koos Geerds (1948) is evenwel zo’n dichter. En onderhavige bundel heet simpelweg: Staphorst. Voor het eerst zag die het licht in september 1998 om vervolgens in drie maanden tijd even zo vele drukken te beleven. En nu, in 2010, verscheen een vermeerderde, vierde druk. En ook ik moet bekennen dat hoewel ik nog nooit in het plaatsje Staphorst ben geweest, die naam mij toch meer zei dan die van de dichter. De reden tot de herdruk ligt voornamelijk hierin dat Geerds, die het intussen wel tot Dichter van de Provincie Overijssel heeft geschopt, in de loop der tijd 15 nieuwe gedichten over het plaatsje had geschreven, waar hij van zijn zesde tot zijn zeventiende (1954-1965) heeft gewoond. Een en ander maakt dat de bundel nu 54 gedichten telt, waarvan 53 zonder titel.

    Het geheel kreeg een motto van niemand minder dan Joseph Brodsky mee: ‘God woont niet op het dorp in kamerhoeken / zoals de spotter denkt, maar overal.’
    In een kort woordje vooraf lezen we dat de gedichten in Staphorst gebaseerd zijn op persoonlijke indrukken en verhalen uit de periode dat de dichter er zelf heeft gewoond. Maar wie denkt dat in navolging van schrijvers als Maarten ’t Hart en Jan Wolkers, Koos Geerds ons hier een afrekening van zijn ‘gristelijke’ jeugd gaat voorschotelen, heeft het bij het verkeerde eind. Het is namelijk veeleer een monument voor het dorp van zijn jeugd geworden. Dat trekt natuurlijk een zware wissel op de leeshouding van de heidense lezer.

    De gedichten zijn allen in een eenvoudige taal geschreven, waaraan zich meestal pas bij nadere beschouwing enig poëtisch raffinement laat aflezen. Wat onbeholpen lijkt (bijvoorbeeld ongelijke regellengte, of afwezigheid van rijm), zit vaak net iets geraffineerder in elkaar. Dat kan ermee te maken hebben dat de bundel een mengeling is van herinnering nu en beleving toen. Dus van volwassen kennis versus kinderlijke naïviteit. Van dat laatste getuigt het gedicht op pagina 22:

    ‘Ouder dan het kerkhof en de kerk,
    de kansel en de kanselbijbel,
    de klederdracht, de boerderijen,
    de akkers en de weiden en de dijk,
    ja, ouder dan het eeuwenoude

    Wijde Gat, oord van roerdompen,
    rietsigaren, winter, van schaatsen
    over balken in het ijs en de loerende
    Bullebak eronder (schaats daarom nooit
    dicht bij een wak), het tafeltje
    met warme chocola en koek en worst
    en jongens die met meiden staan te vrijen,

    was God. Ouder dan de baaierd en de nacht,
    waaruit het gans heelal tevoorschijn was gebracht,
    de hemellichten en het firmament,
    dan engelen en duivelen tezamen,
    dan een bloot schepsel ooit bedacht en ouder,
    ja, ouder dan God zelve van Zijn aanvang dacht.’

    In dit gedicht tracht een jongetje zich een beeld te vormen van iets dat er altijd al geweest moet zijn. Zijn onmacht stuwt het gedicht voort. Aandoenlijk is ook dat voor hem het beeld van de jongens die met meiden staan te vrijen, nochtans tot een andere wereld behoort dan de zijne.

    Van ieder gedicht in de bundel kun je wel zeggen dat het een bepaald facet van het Staphorstse leven beschrijft. Over hoe het geestelijk zwakzinnigen verging, gaat het gedicht op bladzijde 40:

    ‘Als je gek was of kinds
    bekommerde zich de hele buurt om jou:
    ze brachten je weer thuis
    als je verdwaald was,
    ze maakten een praatje met je
    over het weer of langgestorven mensen,
    ze glimlachten om je binnenpretjes,
    je werd genodigd op de wintervisites
    je was welkom op bruiloften en begrafenissen
    en als je zelf stierf werd je uitgedragen
    door de buren aan weerskanten, drie tot zes
    landen ver, met veel groevevolk achter de kist,
    zoals het stof door zware golven wordt gewogen.
    Zo deed aan zijn eenvoudigen het dorp.’

    Let op hoe de laatste, qua stijl afwijkende regel het verhaalde een bijbelse bedding verschaft.

    Typerend voor de meeste gedichten in deze bundel is de aardse, vitale en soms zelfs wat boerse toon. Het is de God op klompen die hier woont, niet die van de gouden troon. De bundel mag van spot verschoond zijn gebleven, van humor is die geenszins gespeend.
    En humor doet het vaak goed temidden van zoveel nuchterheid: een gedicht over klompen sluit af met regels waarin een vage reminiscentie aan Prediker doorklinkt:

    ‘Dit was een troost bij al het gezwoeg:
    de tijd versleet ? maar klompen genoeg.’

    En een opsommerig gedicht (in deze bundel zal het stijlmiddel van de opsomming wel geïnspireerd zijn op de Tale Kanaäns) met daarin weggedoken de fraaie regel: ‘de veekoopman kreeg een gezicht om dom te lijken’  krijgt als uitsmijter tot slot mee:

    ‘Let op de wijsheid Gods, veracht haar niet mijn vriend,
    opdat de dood u vreugde brengt en geen verdriet.’

    Je zou verdomd zweren dat hier Lévi Weemoedt sprak!
    En anders bij deze passage wel:

    ‘Doodzelden stopte bij het dorp de trein ?
    dat was als iemand uit dit leven wilde
    en zo de rails was opgestapt.’

    In een gedicht over een gevelde lindeboom, staat de krachtige regel:
    ‘een boom is een boom en de mens heeft een bijl’

    Bovenal overheerst de warmbloedige ondertoon waarin de herinneringen zijn vervat. Sentimentaliteit is buiten de deur gehouden. Daarvoor is de toon ook weer te nuchter. Die nuchterheid duikt slechts even onder als de toon hier en daar tegen archaïsche bijbeltaal aanleunt: ‘maar wee u, als de korrel wordt vermorst / op aarde zal het oogstlied niet verstommen.’
    Toch staan er ook wel enige gedichten in die meer vanuit autobiografische noodzaak zijn geschreven dan vanuit een dichterlijk gemoed. Dan overheerst de anekdote en komen de woorden, vanwege de hoeveelheid feiten die ze moeten schragen, niet van de grond. En krijgen ze voor de buitenstaander weinig betekenis.
    Zelf had ik misschien wat meer nuchterheid opgeofferd willen zien aan de melancholie. Een van de weinige gedichten die een wat melancholische inslag hebben is:

    ‘Boven de velden was de vrije lucht,
    bestond geen paal en perk
    voor al wat vleugels had.
    Beneden was beweging afgepast,
    drentelde tussen draad en sloot en vee.

    Behalve op de stille zomeravonden,
    laat aan het kanaal. Aan de overzij
    graasden de koeien op de wei, terwijl
    ter zelfder uur en zonder onderscheid
    – jouw hengel wees het wonder aan –
    zij zweefden aan de aarde, in het grondeloze
    hemeldal van ongerimpeld water.

    En in de wijde omtrek was geen mens
    dan jij, verzonken in het tafereel
    van eeuwigheid en tijd, die droomde
    van een wereld geenzijds, binnen hand reik ?

    zolang de stilte duurde, geen zuchtje wind opstak.’

    Schreef ik dat alle gedichten in een eenvoudige, nuchtere taal zijn geschreven? Voor één gedicht is een uitzondering gemaakt. Het betreft het openingsvers dat als enige een titel draagt en in cursief is gedrukt:

    Ansicht

    Om de verwachting krijg ik je lief,
    waaks boerenmeisje in kuis
    autochtoon goed: welk punt des tijds
    heeft in je ogen dit verre turen

    uitgericht? Aanzicht met groeten
    uit Staphorst. Voor wie er niet wezen moet.

    Dit vers is echt een buitenbeentje vanwege de lyrische, dichterlijke toon en het ietwat ironische perspectief van waaruit het geschreven lijkt. Zuiver lyrische zinnen als ‘en hun stemmen stegen eenparig hun ogen vooruit.’ (gezegd van het gemengde Kerstkoor in een van de laatste gedichten) zijn in de bundel zeer schaars. Wie zich liever tot dergelijke lyriek bekent, leze een andere bundel. Ik wil eerlijk zeggen dat Staphorst mij toch meer bood dan ik aanvankelijk vreesde toen ik las dat dit het werk van een waarlijk gelovige dichter was. Na lezing zou je het haast betreuren dat die wereld ? waarin een zwakzinnige minder misplaatst lijkt dan een ongelovige – van alweer een ruime halve eeuw geleden, vermoedelijk enkel nog in deze bundel bestaat.

     

     

  • Recensie door: Karel Wasch

    Recensie door: Karel Wasch

    Na het overdonderende succes van Jonathan Livingston Seagull volgden er een groot aantal – min of meer- new age boeken van Richard Bach (1937). Hij is fervent vlieger maar wierp zich ook op als een pleitbezorger van dehypnose, een soort neurolinguistisch deprogrammeren, hier te lande bekend geworden door Emile Ratelband.

    Of dat aardige boeken oplevert is maar de vraag. Bach kan zeker schrijven. Dat bewijst hij in het eerste deel van dit boek, waarin ene Maria Ochoa in een vliegtuigje zit met haar man achter de stuurknuppel. De man lijkt dood. Hij is in ieder geval buiten bewustzijn. Ze moet nu proberen de kist in de lucht te houden en tot overmaat van ramp ergens te gaan landen. Ze heeft enig benul van vliegen omdat ze haar man heeft gadegeslagen, verder weet ze er weinig van af. Via de radio zoekt ze contact met andere luchtreizigers en komt ze in aanraking met Jamie Forbes, een vlieginstructeur, die naast haar gaat vliegen. De Cessna blijft in de lucht door de aanwijzingen van Forbes, maar vooral omdat hij ervan uitgaat dat je meer kunt dan je denkt. De vrouw roept steeds ‘ik kan niet vliegen’, maar Forbes wuift alle bezwaren weg en praat rustig, maar vastberaden op de vrouw in. Uiteindelijk weet ze het vliegtuig veilig aan de grond te zetten. Forbes heeft inmiddels de autoriteiten ingeschakeld en gezorgd dat er op het vliegveld van het Amerikaanse Cheyenne in Nebraska, brandweer en ambulance klaar staan, die Maria en haar man opvangen. Hij is gelukkig niet dood, maar wel bewusteloos, hij zal later herstellen. Forbes verdwijnt na de geslaagde landing in zijn vliegtuigje uit beeld.

    De volgende dag leest hij in de krant,wat Maria aan verslaggevers heeft gezegd: ‘Ik had nooit op eigen kracht kunnen landen, maar de man in het andere vliegtuig zei dat ik het kon. Ik zweer bij God dat hij me heeft gehypnotiseerd, gewoon terwijl ik in de lucht was. “Doe alsof U de gezagvoerder van een verkeersvliegtuig bent.” Dat heb ik gedaan omdat ik niet kan vliegen. Maar toen ik wakker werd, was het vliegtuig veilig geland.’

    Vanaf dat moment kantelt het verhaal, we verlaten Maria en worden de rest van het boek getrakteerd op de bespiegelingen van Jamie Forbes. En dat is zonde van het boek na het sterke en spannende begin. We krijgen de vragen van Forbes voorgeschoteld. Had hij Maria werkelijk gehypnotiseerd? Wat is hypnose dan?
    Vanaf onze vroegste jeugd worden we op een basistraining sterfelijkheid gezet, stelt Forbes. En hij herinnert zich zijn jeugd en een hypnotiseur, ene Blacksmyth, die mensen alles kon laten doen, wat hij maar wilde wanneer ze onder hypnose waren. Als jongetje wordt Jamie op het podium geroepen en hij moet zich voorstellen, dat hij in een muur gevangen zit. Hij gebruikt in zijn latere leven de muur als een metafoor voor het gehypnotiseerd zijn. En in die toestand -de lezer raadt het al- doen we doorlopend domme dingen. Zo geloven we bijvoorbeeld in sterfelijkheid, maar die bestaat – volgens Forbes ?niet. We hebben een soort co-piloot en deze waarschuwt ons wanneer we juist proberen te onthypnotiseren.

    Jamie heeft vervolgens op een vliegveld een geheimzinnige ontmoeting met een dame, die blijkt te zijn gestorven en aan het eind van het verhaal krijgt hij uit het niets, haar dochter aan de telefoon, die vliegles wil. Dit alles natuurlijk omdat toeval niet zou bestaan. Inmiddels was deze recensent een beetje duizelig van alle bespiegelingen, die jammer genoeg de vaart uit het verhaal haalden. Jammer. Waarom schrijft Bach niet af en toe een spirituele beschouwing, om daarna weer een sterke novelle te produceren zoals destijds Jonathan Livingston Seagull?
    De cocktail, die via dit boek tot ons komt, werkt helaas niet.

    Maria onder hypnose

    Auteur: Richard Bach
    Vertaald door: Trudy Schermer-Lodema
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: € 14,95

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Toen ik voor het eerst de titel van de ‘nieuwe Pessoa’ zag, las ik aanvankelijk  ‘Heimwee naar vervreemding’. Nadat echter gebleken was dat de werkelijke titel Heimwee naar vereeuwiging luidde, maakte een lichte teleurstelling zich van mij meester. Zou de inmiddels o zo vertrouwd  geworden vervreemding van Pessoa zomaar ingeruild zijn voor een hoogdravend streven naar vereeuwiging?
    De Engelse gedichten, luidde de ondertitel. En Engels was de taal waarin Pessoa (1888 ? 1935) zijn eerste schreden op het dichterspad zette, schoolgegaan als hij was op Engelstalige instituten in Zuid Afrika, waar hij van 1896 tot 1905 met zijn moeder en haar tweede echtgenoot woonde. Tijdens zijn Zuid Afrikaanse studiejaren won hij al eens een prijs voor het beste Engelstalige essay, maar niettemin oordeelden zijn stiefvader en moeder dat zijn toekomst in zijn vaderland, Portugal, moest liggen. In de zomer van 1905 keerde hij in zijn eentje terug naar zijn geboortestad Lissabon, waar hij als zeventienjarige opgenomen werd in het huishouden van twee tantes en een voor krankzinnig versleten grootmoeder. Maar juist in Portugal ontkiemde de wens zich als Engelstalige dichter te manifesteren. Tot 1908 schreef hij zelfs uitsluitend Engelstalige gedichten en pas vanaf 1908 ondernam hij daarnaast ook pogingen in het Portugees te dichten.

    Na een korte letterenstudie aan de universiteit van Lissabon, vestigde Pessoa zich als handelscorrespondent. Zijn kennis van het Engels, Portugees en ook Frans kwam hem hierin van pas. Overdag een kantoorleven, en ’s avonds aan de schrijverij of in benevelde staat zwerven door Lissabon. Het volhouden van een dergelijk opgedeeld leven vraagt om opgedeelde persoonlijkheden. En daarin voorzagen de diverse dichterlijke heteroniemen waarmee Pessoa zich vanaf 1914 begon te bedienen. En dat er ook een paar Engelse heteroniemen tussen zaten, bewijst wel dat hij zijn Engelstalige poëzie serieus nam. Zo kwamen de heteroniemen Alexander Search en Charles Robert Anon in de wereld. Ze werden ook aangewend voor het ondertekenen van ingezonden brieven naar Engelse kranten. Voor iemand die van zichzelf zocht te vervreemden is het misschien ook niet zo verwonderlijk dat hij zich zoekt te uiten in een andere dan zijn eigen taal. Van het twaalf delen tellend Verzameld Werk vult het Engelstalige maar liefst drie delen. Kwantitatief legt het dus zeker gewicht in de schaal, maar het is Pessoa echter niet gelukt om zijn Engelstalige gedichten in boekvorm gedrukt te krijgen, anders dan bij een marginale uitgever voor eigen kosten.

    Na 1920 geeft hij dan ook de brui aan zijn pogingen Engelstalige poëzie te schrijven. Inmiddels had hij zich als dichter in het Portugees gemanifesteerd en daarin liet hij zijn legertje heteroniemen zich verder uiten. Maar… helemaal werd de Engelse taal niet afgezworen, want uit zijn sterfjaar, 1935, niet lang voor zijn dood aan alcoholvergiftiging, dateert het vers D.T. Dat zo inzet:

    ‘In de afgelopen dagen

    Heb ik een duizendpoot

    Met mijn schoen kapotgeslagen.

    Hij was er niet, toch is hij dood.

    Hoe ik dat doe?

    Daar zit ik echt niet mee ?

    Zo begint gewoon D.T.’

    Wanneer men bedenkt dat D.T. staat voor Delirium Tremens, dan leest het als een soort light verse, waarin Pessoa zijn eigen alcoholverslaving op de korrel neemt.

    Maar dit gedicht, waarmee de bundel ? die zich op dit ene, later tot stand gekomen gedicht na  ook laat lezen als een poëziebloemlezing van de jonge Pessoa ? afsluit, is zeker niet typerend voor de rest van de opgenomen gedichten.

    Zijn streven als Engelstalige dichter naam te maken, zette met zeer traditionele vormgegeven sonnetten in. Geen wonder voor iemand die zich ten doel stelde Pope, Milton, Shakespeare naar de kroon te steken. Hij koos dan ook voor het Elizabethaanse sonnet, dat sterk afwijkt van het Italiaanse prototype van Petrarca. Dit laatste bestaat uit een octaaf (8 regels) waarin het thema wordt gepresenteerd, gevolgd door een sextet (6 regels) waarin het thema zijn climax bereikt en tot afronding komt. De zeventiende-eeuwse Elizabethaanse variant telt drie kwatrijnen (4 regels) elk met eigen rijm. Om in de laatste twee regels, het distichon, op pregnante wijze de inhoud samen te ballen, vaak ook met een zekere pointe. De vorm mag dus ouderwets ogen, Pessoa gaat er wel tegenaan met zijn eigen(tijdse) problematiek van vervreemding van de ik ten opzichte van de werkelijkheid, de ontoereikendheid van het menselijke streven naar wezenlijk contact tussen het ik en de ander en zo meer. Een mooi voorbeeld is:

    Sonnet XXVIII

    ‘Het randje van de groene gold sist wit.

    Op ’t natte zand. Ik droom, terwijl ik kijk.

    Voorwaar, de werkelijkheid is toch niet dit!

    Hoe het ook zij, dit is niet wat het lijkt!

    De lucht, de zee, het onbeperkt verbreide

    Van vreugd, de wereldmassa waar wij naar

    Kijken, is niet iets, maar iets tussenbeide.

    Slechts wat hierin iets anders is, is waar.

    Als dit iets voorstelt, als ik in mijn waken

    Die helderheid, de slaap der dingen zie,

    Laat mij dan maar mijn eigen dromen smaken

    En waarheid putten uit mijn eigen fantasie,

                Die al te bitter droomt, vol schoon verwensen

                Heelal, o dagelijkse slaap der mensen.’

    Omdat het Engelse origineel ernaast staat afgedrukt, kan men zien hoe mooi Asscher erin geslaagd is om de zin ‘Only what in this is not this is real.’ om te zetten in: ‘Slechts wat hierin iets anders is, is waar.’

    De Engelstalige gedichten zijn van vorm traditioneler dan de Portugese poëzie van Pessoa. Ze kenmerken zich vooral door de compacte, lapidaire zinsconstructies met hun samengebalde zeggingskracht. Alles strak geregisseerd en de woorden hypergestileerd en vernuftig tegen elkaar uitgespeeld. Neem bijvoorbeeld het distichon uit Sonnet VIII:

    ‘And, when as thought would unmask our soul’s maskings,/ Itself goes unmasked to the unmasking.’ Dit wordt in vertaling: ‘En de gedachte die de ziel ontmaskert / Gaat daarbij zelf nooit anders dan gemaskerd.’ Naar de geest goed weergegeven, al laat het Engelse origineel het nog meer vonken op woordniveau. Maar ja, soms is dat woordspel een beetje overdone en dan is de schier onvermijdelijke afvlakking in het Nederlands niet eens onwelkom. Maar een zin als ‘A port is near the more from port we part’ (vertaald als: ‘Vertrek brengt steeds een haven naderbij’) toont aan dat Pessoa zich ook om welluidendheid bekommerde.

    De 35 sonnetten die in deze bloemlezing integraal gepresenteerd worden dateren van 1912 ? 1914,  maar de bundel vangt aan met het uit 1913 daterende langere gedicht Epithalamium (Bruiloftsdicht), een uiterst zinnelijk vers dat geschreven is vanuit de focus van de bruid op haar trouwdag met voorafschaduwing van de consummatie in de daaropvolgende bruiloftsnacht. Gevolgd door het in 1915 geschreven Antinoüs, een klaaglied voor keizer Hadrianus bij de dood van zijn lievelingsknaap. Deze twee verzen van langere adem zijn nog van de hand van August Willemsen, de vaste Pessoavertaler die in november 2007 overleed. Ze zijn tevens buitenbeentjes in het oeuvre van Pessoa vanwege de openlijke verbeelding van zinnelijke lusten. Gelukkig staan in het oeuvre van Pessoa dergelijke op lustbevrediging gerichte strevingen garant voor evenzovele teleurstellingen, zodat de sluier van vergeefsheid en weemoed oververhitting bij de poëzieminnende lezer voorkomt.

    Wellicht dat de direct in het oog springende traditionelere vorm van deze Engelstalige poëzie in eerste instantie de vertrouwde Pessoastem wat lijkt te hebben weggemoffeld, maar tussen de regels door ontwaart men wel degelijk de stem om wie het de Pessoalezer te doen is.

    Ook in de afdeling Inscripties, die teruggaat op de traditie van de epigrammen, vindt men het vertrouwde:

    Inscriptie nummer VI:

    ‘Bemind als minnaars of als buit verdiend.

    Een echte vrouw voor een doorvoede man

    Was ik van wie ik diende ook gediend.

    Ik liep, sliep, baarde en stierf alsof dat zomaar kan.’

    En nummer VII:

    ‘Genot ging als een vreemde nap aan mij voorbij.

    Aan goden placht ik mij ? streng, eigen ? te vergapen.

    De schaduw naderde gewoonweg achter mij.

    Dromend dat ik niet sliep, heb ik mijn droom geslapen.’

    De drie kloeke Engelse delen uit het Verzameld Werk integraal vertalen zou wellicht wat veel van het goede zijn, maar de kwaliteit van de hier gepresenteerde selectie rechtvaardigt de verschijning ervan in de prestigieuze Pessoareeks van de Arbeiderspers.

    Tot besluit nog een kleinigheid: de achterflap meldt dat ‘niets van deze Engelstalige poëzie’ eerder in het Nederlands uitgegeven zou zijn. Dat moge zo zijn voor de hierin gepresenteerde vertalingen. Maar vier van de 35 sonnetten had August Willemsen zelf al in eigen vertaling opgenomen in zijn vele malen herdrukte en alom geprezen bloemlezing van de Gedichten van Fernando Pessoa uit 1978, waarmee hij vele Nederlanders voor het eerst liet kennismaken met dit poëtisch genie uit Lissabon. Sindsdien was de naam Pessoa voor de Nederlandse poëzieliefhebber zozeer verankerd met die van Willemsen, dat velen vreesden dat met de dood van de laatste ook de eerste een tweede dood gestorven was. Maar gelukkig toont Asscher dat er nog Pessoa na Willemsen is. Al blijft het eeuwig jammer dat Willemsen zelf niet meer van zijn ‘eigen’ Pessoa kan genieten.

    Heimwee naar vereeuwiging

    De Engelse gedichten
    Auteur: Fernando Pessoa
    Vertaald door: Maarten Asscher en August Willemsen
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Prijs  € 27,50

  • Een wat onbevredigend resultaat

    Een wat onbevredigend resultaat

    Recensie door Rein Swart

    ‘Masturbatie heeft een inktzwart verleden, maar soloseks wacht een gouden toekomst.’ Mels van Driel is als uroloog en seksuoloog verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen. Eerder publiceerde hij bij De Arbeiderspers twee boeken over de ‘geheime delen’. Hij schrijft in zijn inleiding dat hij het taboe op masturbatie zou kunnen opheffen, of in elk geval alle onzin over masturbatie uit de wereld kan helpen.

    Voor dit boek is hij begonnen met het lezen van omvangrijke werken van historici en sociologen, maar kwam van hen niets te weten. Vervolgens knipte hij wat uit zijn vorige boeken, struinde het internet af en dook de bibliotheek in. In zijn nawoord bedankt hij Rob Schouten uit wiens bundel, Met de hand. Bevredigende gedichten hij rijkelijk geput heeft. Zelfs de titel heeft hij schijnbaar geleend.

    Het boek is verdeeld in korte en lange hoofdstukken met titels als Voorlichting, Hulpmiddelen, Dieren, Cultuur, Kunstenaars, etc. Elk hoofdstuk bestaat uit een opsomming van de informatie, anekdotes en citaten. Een visie ontbreekt veelal, waardoor het geheel een lijvig werkstuk wordt. Van Driel laat zichzelf soms merkwaardig denigrerend uit, bijvoorbeeld over een masturbatiemarathon: ‘Mensen die zin hebben om met zijn allen een potje te trekken of vingeren…’ en over de dildo: ‘Het gebruik van instrumenten bij eenzame seksuele bevrediging…’.

    De schrijver zal als uroloog voldoende kennis van het menselijk lichaam hebben, maar toch is niet alles even helder. In het voorwoord wordt gesteld dat in geval van volledige onthouding de zaadcellen na veertien dagen een uitweg vinden via de urine. In het hoofdstuk Over leeftijden, locaties en frequenties staat echter dat elke uroloog weet dat oudere heren wel degelijk masturberen. In hun urinemonster worden namelijk vaak zaadcellen aangetroffen. Maar betekent dat juist niet dat deze heren aan algehele onthouding doen?

    Veel onduidelijkheden zijn te wijten aan de stijl. Over besnijdenis: ‘De ingreep kan thuis worden uitgevoerd of in het huis van de buren, in een kliniek of op een speciaal uitgekozen plek.’ Is er een bijzondere reden om het bij de buren te doen? Wat bedoelt Van Driel precies? Over masturbatie bij dieren: ‘Mannelijke edelherten doen het door met de punten van hun gewei door het gras te wrijven. Van begin tot het eind duurt het niet langer dan vijftien seconden. Vraag is of er ook andere mannetjes zijn die het net als de zeeleguanen doen uit angst om in bed gestoord te worden?’ Dat van die zeeleguanen wordt verderop uitgelegd, maar van dat gewei blijft onduidelijk.

    Hoewel de schrijver dikwijls verontwaardigd is over het gebrek aan kennis, blijkt dat hij zich in zijn onderzoek vooral gericht heeft op westerse geleerden en veel minder op eeuwenoude tantrische kennis. Zo beweert hij dat een orgasme zonder ejaculatie onmogelijk is en besteedt hij slechts één pagina aan meervoudige orgasmes van vrouwen, waarover hij eigenlijk niets weet te zeggen. Een gemiste kans, omdat juist in trantrische disciplines solo-cultivatie volledig geaccepteerd is en bevorderlijk geacht wordt voor een gezonde seksbeleving.

    Aan leuke anekdotes is in dit boek geen gebrek. Wist u dat Engelse schooljongens samen masturbeerden op koekjes en dat degene die als laatste zijn zaad erop spoot die op moest eten? Dat militairen in Afghanistan verplicht met slippers moeten douchen omdat ze anders uitglijden over de ‘liefdesmayonaise’? Gestaafd worden de meeste anekdotes niet. ‘Een wel heel bijzondere vorm van masturbatie werd enkele jaren geleden in een urologisch vakblad beschreven.’ Welk vakblad en wanneer? Hierna volgt een verhaal over een man die op zijn werk zijn penis tegen de drijfriem van een lopende band hield, klem kwam te zitten, zijn scrotum verloor en de wond met acht schoten van een nietmachine dichtte. Dit zijn verhalen die je onthoudt en die in elke versie fantastischer worden.

    Het boek eindigt met een uitgebreide opsomming van kunstwerken, romans, toneelvoorstellingen en films waarin masturbatie een rol speelt. Ook hier ontbreekt gedegen onderzoek en visie. Over masturbatie op schilderijen. ‘Ik heb het voor wat betreft mijn volstrekt willekeurig gekozen schilderijen geturfd: zowel door afgebeelde mannen als vrouwen wordt de linkerhand even vaak gebruikt als de rechter.’ De schrijver zegt in zijn slotwoord: ‘Na het onderwerp masturbatie intensief bestudeerd te hebben, blijf ik in zeker opzicht onbevredigd achter.’ Datzelfde geldt voor de lezer.

     

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Robot tegen Übermensch?

    De ondertitel De twee gezichten van Italië, drukt precies uit wat deze twee wielrenners voor hun landgenoten betekenden. Italië was in de vijftiger jaren verdeeld in coppiani en bartaliani, een tegenstelling waarbij die tussen Ajax en Feyenoord zwak afsteekt.

    De beide renners vertegenwoordigden tegengestelde waarden. De vijf jaar oudere Bartali was een gelovig katholiek uit Toscane, terwijl Coppi uit Piemonte kwam, de streek van de landarbeiders die later fabrieksarbeiders werden. Bartali moest het hebben van sluwheid, Coppi van kracht. Malaparte vergelijkt Bartali met een ‘Übermensch’ en Coppi met een machine. Tijdens een rustperiode staat robot Coppi zogezegd werkloos aan de kant, terwijl  atleet Bartali van zijn welverdiende rust geniet. 

    Malaparte wil de rivalen niet als vijanden tegenover elkaar zetten. Net als in onze tijd was het in het belang van de media om de tegenstellingen op te kloppen. De foto op de omslag is veelzeggend: tijdens een verzengende bergetappe reikt de een de ander een fles water aan. Over de vraag van wie het aanbod kwam en wie het aannam, blijven de meningen verdeeld.

    Het boekje bestaat uit een vijftal, met boeiende foto’s verluchtigde, stukjes, die elkaar inhoudelijk regelmatig overlappen: een voorwoord van wielerhistoricus Wout Koster, een biografische aantekening van de uitgever, het artikel van Malaparte, een stukje van de Franse wielerjournalist Augendre en een flauw nawoord van Pouy, de uitgever van de Franse editie van het boek. Het lijkt of  men moeite heeft gehad om het boekje vol te krijgen.

    Het leeuwendeel ? als dat gezegd kan worden van een boekje van 87 pagina’s – komt op naam van Malaparte, die zelf ook een kleurrijk individu was. Volgens de uitgever is hij geboren in 1898 en ? volgens een voetnoot – gestorven in 1957. Hij was eerst fascist, daarna antifascist, wielrenner, journalist en schrijver. Het artikel De twee gezichten van Italië heeft hij gepubliceerd in 1949, kort voor de start van de Tour de France in het Franse sportblad Sport Digestis. De meeste informatie kennen we inmiddels al uit de inleiding. Malaparte stelt duidelijk dat het antagonisme tussen de renners niet persoonlijk van aard was. Aan het slot volgt een weinig zeggende flirt met Griekse mythologie.

    De bijdrage van Augendre poogt tenminste nog enige zakelijke informatie te geven over de ploegen Legnano en Bianchi, waarbij dit citaat niet mag ontbreken:

    ‘Groepjes politieagenten stonden garant voor de bescherming van de idolen, die zich minder bedreigd voelden door de tifosi van het vijandige kamp dan door hun eigen bewonderaars.’

    Ook schrijft Augendre over het verloop van de Tour in 1949 en de lastige samenstelling van de squadra door ploegleider Binda. Coppi en Bartali waren zeer aan elkaar gewaagd, maar stonden heel anders in het leven. Bartali lustte wel een borreltje, Coppi leefde als een monnik. Bartali bad tot de Heer voordat hij aan een wedstrijd begon, Coppi schamperde daarover dat God meer aan zijn hoofd moest hebben. Het is jammer dat Augendre niet ingaat op zijn uitspraak dat Coppi meer te lijden moet hebben gehad onder de oorlog.

    In het nawoord staat nog vermeld dat Coppi zijn vrouw inwisselde voor een ‘witte dame’, maar over haar kom je, net als over zijn krijgsgevangenschap, niets te weten. Ik had graag nog de palmares van beide heren bekeken, wedstrijdverslagen gelezen en nog enige anekdotes, zoals die over Bartali die zich erover verwonderde dat Coppi zo weinig lek reed en daarom dezelfde banden ging gebruiken, zonder het beoogde resultaat overigens. Het blijft in dit boek teveel bij een opsomming. Een gemiste kans, want wielrennen was en is, ondanks alle dopinggebruik en commerciële dictaten, nog steeds een sport waarin de heroïek voorop gaat.

    Fausto Coppi & Gino Bartali
    De twee gezichten van Italië

    Auteur: Curzio Malaparte
    Vertaald door: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: € 10,-

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    De vaderlandse geschiedenis is hip. Tenminste deze conclusie valt te trekken als je kijkt naar de populariteit van boeken die de laatste jaren over onze eigen geschiedenis zijn geschreven. Maar ook tv-series als De troon getuigen van de opbloeiende interesse in de Nederlandse geschiedenis. Perfect passend in deze ontwikkeling is het nieuwste boek De heldeninspecteur van Atte Jongstra, waarin de onafhankelijkheidsoorlog tussen Nederland en België centraal staat.

    Een bewust keuze van Jongstra was het meedoen aan deze trend echter waarschijnlijk niet. Want hoewel de thematiek perfect in het straatje lijkt te passen, is de uitwerking ervan dat zeker niet. De heldeninspecteur is geen populair, luchtig geschreven boek maar een loodzware historische roman waarin Jongstra nauwgezet verslag doet van de strijd die uiteindelijk zou resulteren in een onafhankelijk België.

    Maar zover is het nog lang niet. De opstand van de Belgen die onafhankelijk eisen, is pas recent uitgebroken als Junius, de hoofdpersoon, aankomt in Brussel nadat hij is vertrokken uit Parijs. Junius, die de revolutie mis is gelopen in Parijs vanwege een verhouding met een eenzame weduwe die hem aan het bed gekluisterd hield, hoopt op een herkansing in Brussel. Want Junius is zijn verveelde leven beu en verlangt naar actie.

    Naar de reden van deze zucht naar avontuur blijft het gissen. Net als naar Junius zijn overige drijfveren trouwens. Jongstra vond het blijkbaar niet nodig om de lezer de kans te geven in de huid te kruipen van Junius. Normaal gesproken onvergeeflijk, maar wellicht moet er van de roman ook niet meer gemaakt worden dan het is: een reconstructie van de oorlog zoals die plaatshad. Jongstra laat in elk geval niets anders doorschemeren.

    Brussel blijkt dit de perfecte plek te zijn voor de spanningzoeker Junius. Eerst beleeft hij met het hoertje Veerle een aantal onstuimige dagen. En als de sluimerende onrust onder de bevolking escaleert in een bloedige opstand, is Junius uiteraard als eerste ter plekke. Ondertussen is koning Willem niet erg van de opstand onder de indruk. Tegen alle voorbodes van een naderende oorlog in, verwacht Willem dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen. Maar als de onlusten ook in andere delen van België losbarsten, kan hij er niet meer onderuit om maatregelen te nemen. Onder leiding van prins Willem en diens broer Frederik rukt het Hollandse leger op richting de hoofdstad. De Kielen, zoals de bijnaam van de Belgische opstandelingen luidt, zijn echter niet van plan om te strijd te staken en de opstand gaat onverminderd voort.

    Junius heeft inmiddels Brussel verlaten en doelloos reist hij door het in chaos verkerende België terwijl hij ondertussen Veerle probeert te vergeten. Ondanks zijn pogingen blijft Veerle hem achtervolgen in zijn dromen. Maar dan kruist prins Frederik zijn pad en neemt het leven van Junius een compleet andere wending: hij wordt door de prins persoonlijk benoemd als heldeninspecteur. Het is aan hem om te bepalen wie een held is en wie niet. En deze taak neemt Junius uiterst serieus.

    Opnieuw reist Junius door België. Trekkend van de ene naar de andere uit het gehele land toegestroomde legerdivisies hoopt hij uit eerste hand mogelijke heldendaden te vernemen. Maar tot grote ergernis van Junius en de soldaten gebeurt er vooralsnog weinig. Want het is wachten op het koninklijk bevel om ten strijde te trekken. Uiteindelijk komt dit er en de tiendaagse veldtocht is een feit.

    Afgerukte ledematen, uitpuilende darmen die uit aan flarden geschoten lichamen bungelen, niets wordt de lezer bespaart tijdens het minutieuze verslag van de veldslagen die volgen. Dat oorlog met bloedvergieten gepaard gaat, hoeven we Jongstra niet te vertellen. Met bijna overdreven plezier beschrijft hij de meest bloederige taferelen. Toch is er van afschuw nauwelijks sprake. Net als Junius, die met een stoïcijnse houding de gruwelen om hen heen bekijkt, kan de lezer niet anders doen dan de schouders ophalen bij de zoveelste dode.

    Het is Jongstra’s verheven manier van schrijven die hiervoor als schuldige aangewezen kan worden. Zijn uitgesproken stijl houdt het midden tussen klassiek en bombastisch. Moeilijke woorden en zinsconstructies schuwt Jongstra evenmin. De heldeninspecteur kan met recht een boek een uniek boek genoemd worden. Al was het alleen maar omdat de roman ook honderd jaar geleden geschreven had kunnen zijn. Zelfs de opbouw van het boek, welke begint met de op de Middeleeuwse werken geïnspireerde ‘natureingang’, laat zien dat het geen moderne roman betreft. Voor de liefhebber een belevenis, maar velen zullen hier de charme niet van inzien.

    Maar niet getreurd. Want ook deze laatste groep kan prima terecht bij De heldeninspecteur.
    Aan het einde van het verhaal komen de hoogtepunten van de roman nogmaals voorbij. Alleen nu zonder de hoogdravende woorden van Jongstra maar in afbeeldingen van oude prenten en schilderijen.

    De heldeninspecteur

    Auteur: Atte Jongstra
    Verschenen bij: De Arbeiderspers
    € 24,95

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Scherp, wrang én grappig portret van een buitenboorder 

    Het is zomer, een Gentenaar van begin dertig treurt in zijn appartement over de breuk met zijn vriendin Patty, met wie hij zeven jaar heeft samengewoond. Dit nogal alledaagse gegeven weet Vekeman in 49 hoofdstukjes uit te bouwen tot een intrigerend schets van een jongeman die het in het leven niet getroffen heeft of – zoals hij dat zelf noemt – buitenboord gevallen is. 

    In een simpele structuur, met onopvallend taalgebruik en op een aangename toon voegt Vekeman steeds een element aan het verhaal toe, waardoor heel gedoseerd een beeld ontstaat van de wandelende tijdbom Vincent de Wimper, die zichzelf consequent als ‘je’ benoemt en daarmee de afstand schept die hij nodig heeft om te overleven.

    In alle hoofdstukjes gaat het erom het hoofd boven water te houden: door pijltjes te werpen naar een poster van de zangeres Duffy, een mis in een buurtkerk bij te wonen, brieven te schrijven aan zijn onzichtbare hondje Maxi of op bezoek te gaan bij de eenzelvige, zwaar rokende benedenbuur Johannes. Vincent wil daarnaast graag een zelfhulpboek schrijven en tijdens bezoeken aan de Carrefour in de buurt maakt hij er een spelletje van om steeds denkbeeldig een winkelmeisje te scoren. Hij geeft zijn favoriete caissière Laura het boek Eenmaal andermaal verliefd, maar dat mag en wil ze niet aannemen, waarop hij haar tot De Carrefourhoer bestempelt.

    Vincent is niet de meest vriendelijke persoon. Hij strooit punaises op een fietspad langs de Leie en verheugt zich over de woede van de passerende fietsers. Over de reden waarom Vincent aan lager wal is geraakt, verschillen de interpretaties tussen hem zelf en zijn omgeving. Zijn therapeut Wim betwijfelt zelfs of Patty wel bestaat. De onbetrouwbare verteller zelf zit boordevol originele fantasieën, bijvoorbeeld over een autoreis die hij door Texas maakt. Tegen het einde wordt de sfeer grimmiger en blijkt achter allerlei gedragingen zoals automutilatie en het pijltjes gooien naar Duffy een verklaring te zitten.

    Sommige hoofdstukken zouden zelfstandig kunnen bestaan zoals het verhaal over vriend Scoubidou, een leerling-verpleger die in zijn vrije tijd kunstwerken maakt van plastic draadjes. De eerste keer dat het stel bij hem komt eten, toont hij die aan Patty, die echter  denkt dat ze in de maling wordt genomen. Of het verhaal van buurman Johannes die een keer met Vincent meegaat naar de kerk en zich daar zo thuis voelt dat hij meteen vol overgave meedoet aan het handen schudden na het Onze Vader. 

    Het is een gevarieerde mix die Vekeman voorzet met hoofdstukken waarin de ouders van Vincent, Duffy en Patty een reactie geven op de hoofdpersoon en waarin de overmoedige Vincent zich voorstelt dat hij zich bevrijd heeft van de antiseksuele en kuitloze Patty:

    ‘Hij loopt door de stad als een leeuw door de jungle: zich slechts bewust van de gevaren die ánderen lopen. Waar hij de straat oversteekt, verschijnt vanzelf een zebrapad onder zijn voeten, en heeft hij geen paraplu bij zich, dan durft het niet te regenen.’ 

    (…) ‘Als het moet werpt hij (…) een pijltje in de roos van het bord dat aan het eind van de straat om de hoek hangt. Met zijn linkerhand. In het gips.’

    Dit soort zelfoverschatting hoort bij een jongen die behoorlijk in de put zit, maar met diens constatering dat het leven zonder enige mate van zelfbedrog niet leefbaar is zet de schrijver, die met dit boek vormkracht toont, meer dan een stel prachtige anekdotes bij elkaar.

    49 manieren om de dag door te komen

    Auteur:  Christophe Vekeman
    Verschenen bij: De Arbeiderspers (mrt. 2010)
    Prijs: € 18,95

  • Bijna dertig en eindelijk een jongen

    Bijna dertig en eindelijk een jongen

    door Rein Swart

    Deze tien verhalen, die bijna allemaal eerder in tijdschriften zijn gepubliceerd en waarvan er zelfs één een prijs heeft ontvangen van het tijdschrift Lava, horen mijn inziens thuis in de adolescentenliteratuur, die, zoals eerder geopperd is, een aparte plaats in de literaire wereld verdient. Deze Belgische toneelschrijver, acteur én stand-up comedian schrijft over de ‘coming of age’ met de gebruikelijke problemen op het gebied van liefde en identiteit, van drank en disco’s met divers erotisch vertier. De sfeer is die van zelfoverschatting, stoerheid en zelfverzekerdheid in een naargeestige wereld waarin men doelloos ronddoolt en waarin men elkaar over het algemeen grof toespreekt.
    In het boek wordt veel geëxperimenteerd met seks, tot een post-coïtale trance aan toe bij een vrouw die zich door de telefoon door haar minnaar laat opwinden terwijl de hoofdpersoon met haar vrijt, en natuurlijk met zoveel mogelijk partners. Omdat de hoofdpersoon erg lijkt op een bekende televisiepersoonlijkheid kan hij veel partners krijgen. Op het moment dat hij in bed bij Suzie kruipt, de dochter van vermogende ouders, die in een bewaakte villawijk wonen, stelt de hoofdpersoon zich de volgende vragen:

    ’Is dit nu het begin van een volwaardige volwassen relatie of een kortstondig ondefinieerbaar samenzijn van twee onzekere mensen op hun zwakste moment? Of moet ik eerst mezelf de vraag stellen, wat wil ik, wil ik weer een standvastige relatie met alles erop en eraan of voel ik mij juist comfortabel met deze kleine flirt?’

    Toch blijkt de hoofdpersoon een langdurige relatie te hebben gehad met een meisje dat Brulletje heet. In het door Lava bekroonde verhaal Nooit meer vrede gaat het meisje naar een familiefeest waar ze een ex tegenkomt die inmiddels verkering heeft met haar nichtje. In Laatste gesprek met Brulletje vernemen we dat ze actrice is. De hoofdpersoon heeft op een avond niet het geduld om na de voorstelling op haar te wachten en flirt met de mooie Nina, hetgeen het einde betekent van de relatie. In een vertederend einde geeft de hoofdpersoon zich letterlijk bloot maar dat mag op Brulletje geen effect meer hebben.

    De composities van de verhalen zijn niet sterk, hoewel een aantal verhalen veelbelovend begint, zoals Hand tot mond, waarin een moeder haar kinderen verwaarloost omdat ze zo nodig bezig moet zijn met de afloop van een boek of Negen over een psychiater die zijn cliënt om hulp komt vragen, maar het zet niet door. In het titelverhaal, dat ook het langste is, zoekt de ik-figuur tevergeefs een slaapplaats bij een van zijn vriendinnen en een maand later werkt hij zich op in een call-center en heeft daardoor als Jongen een ruime keus uit meisjes.

    Het is aardig dat de verhalen raakvlakken met elkaar hebben, hoewel die niet heel duidelijk zijn. Verscheidene spelen zich af in City Bis, een enorm winkelcentrum, zoiets als Schiphol Plaza stel ik me voor, met daarboven woningen, zodat men in principe niet meer naar buiten hoeft en in een kunstmatige wereld kan verblijven. Het grappige is dat de hoofdpersoon in het verhaal Genesis CityBis uit wil, maar de uitgang niet kan vinden tot hij er tenslotte uitgegooid wordt en er niet meer in mag, hetgeen zijn bedoeling juist is.

    In Waarom ik doe wat ik doe zegt de schrijver iets over de visie op zijn werk.
    ‘We laten verhalen achter als afgewerkte appartementsblokken, zetten een stap terug om te kijken of ze standhouden tegen de elementen en opvallen in de skyline tussen duizenden andere.’
    Ik zou kunnen schrijven dat wat mij betreft deze wereld net zo goed functioneert zonder deze verhalen, maar wie weet wekken ze toch wel de interesse van een adolescente lezer.

    Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij

    Auteur: Joost Vandecasteele
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Prijs: € 18,95

  • Vive de Viva

    Vive de Viva

    Recensie door Rein Swart

    Stel je voor, een ballerina, vederlicht, met nauwelijks contact met de aarde, geneigd om op te stijgen, dus daarom met de behoefte om gezien te worden, maar vooral aangeraakt. De hulpkreten See me, feel me, touch me, heal me uit Tommy van de Who, waar de vier delen van dit boek naar zijn vernoemd, passen daar prima bij. Hoofdpersoon Elien kampt nog steeds met nare ervaringen opgedaan op de balletacademie. Ze bezocht die vanaf de laatste jaren van de basisschool tot aan haar veertiende, toen ze eraf moest en verder ontheemd raakte. Met haar relaties ging het niet goed. Tijdens een studie aan de filmacademie koos ze voor Jona die egoïstisch en nogal verknipt was. Een verkrachting tijdens een vakantie in het buitenland op 28-jarige leeftijd moest haar weer grip op haar leven geven.

    Het boek begint, nadat ze eerst al stil is blijven staan bij een verongelukte zwaan, wat klagerig: ‘Ik heb nooit goed begrepen waarom mensen uit elkaar gaan. Als je van iemand houdt alsof diegene een deel van je is, waarom zou je dat deel van jezelf dan plotseling afstoten, ook al is het misschien niet helemaal perfect.’
    In een zomers luchtige afwisseling schakelt de verteller tussen de voorbereiding van een feestje dat Elien gaat geven en terugblikken naar vroeger. Het zijn allemaal korte stukjes, puzzelstukjes, die de lezer voorgeschoteld krijgt. De spanning neemt toe als blijkt dat Elien tijdens de afwezigheid van haar huidige vriend Igor, die in Berlijn een film opneemt, een aantal vroegere klasgenoten samenbrengt onder voorwendsel van een trouwfeest met Jona, maar in werkelijkheid omdat ze een documentaire van hen wil maken, van de ontheemde zielen waartoe ze zijn opgeleid.

    In de tweede helft wordt het een meisjesboek, ook door het ‘Lief dagboek’, waarin we opnieuw vergast worden op het straffe regime dat op de balletacademie heerste met vreselijke docenten die autoritair en kwetsend waren. Het wordt steeds meer een uitdiepen en expliciteren, bijvoorbeeld dat Jona vroeger een huilbaby was en dat haar ouders ? een verpleegkundige met schrijfambities en een stugge geschiedenisleraar die vreemdging ? haar als kind geen lichamelijk contact gaven. Zelf gebruikt de verteller het beeld van het uitbaggeren van een sloot: er komt van alles omhoog, het water stinkt en wordt troebel. Dat laatste geldt zeker voor de zelfmoord van Abel, een van de leden van het vriendenclubje, die in de lucht blijft hangen.
    Het boek is inmiddels naar het niveau van de Viva afgegleden. Elien hanteert een toverstafje, analyseert haar lotgenoten aan de hand van hun horoscopen en ontvangt boodschappen van de engelen, die aan het eind van de eerste drie delen apart vermeld worden, maar weinig toevoegen. Ook probeert ze de grens uit te vinden tussen seks en liefde en zoekt ze de juiste verhouding tussen intuïtie en ratio.

    De vraagstelling is niet helder, de weg naar de afloop gaat met bochten. Op het eind krijgt de lezer nog weer anekdotes over vakanties met de ouders opgediend. Het lijkt erop dat Janneke flitsend is begonnen, maar het toen ook niet meer wist en er daarom nog maar wat bij heeft geschreven. Daardoor is het project helaas te pretentieus geworden en, net als haar lotgenoten, in de groei geknakt. Misschien moet Janneke Voor een verloren soldaat van Rudi van Dantzig herlezen, die bij de boekpresentatie aanwezig was.