Zie ook: Recensie: Amberville – Tim Davys
-
Spannende verhaallijn in met knuffeldieren bevolkte dodentocht
Recensie door Rein Swart
‘Een beer op zoek naar een dodenlijst’, is de ondertiteling van dit boek, geeft al een indruk van het soort boek waarmee je te maken krijgt: het zoeken naar een dodenlijst waarop lieden staan die gedood moeten worden, spreekt meteen tot de verbeelding. Vervolgens blijken dat ook nog allemaal knuffeldieren te zijn. In de verhalen van Anton Koolhaas hebben dieren menselijke eigenschappen en in de fabel Animal Farm van George Orwell, proberen varkens de macht over te nemen. Deze vorm van suspense in knuffeldier gedaanten is in de literatuur niet eerder vertoond. Het doet grappig aan als hoofdpersoon Eric Beer zijn met kruissteekjes gemaakte wenkbrauwen fronst en er katoen uit zijn mond komt na een forse klap van een Gorilla, maar verder dan dat gaat het niet. De karakterontwikkeling van de personages lijkt beperkt te worden door de vermomming waarin ze gevangen zitten.
Bij het zoeken naar de dodenlijst in opdracht van de machtige Duif, die vreest te worden weggevoerd, wordt Eric geholpen door zijn oude vrienden Tom-Tom. Een Kraai die in de auto een walkie talkie gebruikt – maar dit terzijde – een drugsgebruikende Gazelle en een cultureel omhoogstrevende Slang, die echter dubbelspel speelt en steeds minder wordt vertrouwd. Het viertal ontdekt dat oude knuffeldieren met rode pick-up’s worden weggevoerd en dat met groene exemplaren jonge Welpen worden aangeleverd. Het opsporen van de lijst heeft haast, want anders zal Duif het schattige konijntje Emma, Erics vrouw, iets aandoen. Duif zet zijn dreigement kracht bij door regelmatige interventies met Gorilla’s.
De redelijk spannende verhaallijn, die niet geheel chronologisch wordt afgewikkeld, wordt onderbroken door andere stemmen, zoals die van Teddy, het zwaar ethisch ingestelde tweelingbroertje van Eric, die alleen het goede wil. Door zijn, helaas wat flauwe relaas begrijpen we meer van hun jeugd met een Neushoorn-moeder die een ministerie leidt en een Boxer-vader die leraar is, hun werkzaamheden voor het reclamebureau Wolle & Wolle en het huwelijk dat Emma uiteindelijk met Eric sluit hoewel Teddy verliefd op haar was. Daarnaast zijn er andere stemmen zoals die van een geestelijke die de baas is van de dodenlijst en zijn domicilie heeft in de Sagrada Bastante, Bataille Hyena, een tegenstrevende kwaaie bullebak en tenslotte het konijntje Emma, dat helemaal niet zo schattig is als Eric en Teddy denken.
Ongetwijfeld heeft de schrijver ervoor gekozen om zijn verhaal in een speelgoedwereld te situeren, om daarmee de symboliek rond dood en leven scherp uit te kunnen beelden. Eric realiseert zich tegen het einde dat er misschien niet altijd een knuffeldierenfabriek bestaan heeft en dat die misschien ook helemaal niet hoeft te bestaan maar dat juist de godsdienst en de staat de knuffeldieren in een soort angstgreep houden. In wezen heeft de metafysische dimensie niet veel meer om het lijf dan een computerspelletje waarin levens gemakkelijk verspeeld worden.
Het taalgebruik is weinig oorspronkelijk en de stijl is vlak. De gebeurtenissen worden erg clichématig neergezet en op de automatische piloot beschreven. Uitdrukkingen als ‘De afgunst laaide in me op alsof ik op een rode peper had gekauwd’ zijn niet sterk en het tweemaal herhalen van de zinsnede dat Eric in de afgelopen tien minuten geen woord heeft gehoord van wat Emma tegen hem zei, is slordig.
Het grootste probleem is dat het verhaal zich nogal ad hoc ontvouwt. Het lijkt erop dat de schrijver niet van tevoren een vastomlijnd idee in zijn hoofd had, maar dat hij elke keer een stukje verder breidde. Daardoor krijgen bepaalde zaken onnodig veel nadruk, zoals de typering van de verschillende stadsdelen van Amberville waarin zich het verhaal afspeelt. Aan het eind wordt opeens uitgeweken naar een nooit eerder genoemde vuilnisbelt, waar zich een belangrijke gebeurtenis afspeelt. De lezer hobbelt slaafs achter de ontwikkelingen aan. Uiteindelijk neemt het verhaal een verrassende wending, maar de lezer is murw na alle fletse wegen die de auteur dan al heeft ingeslagen.
-
Recensie: Twaalf keer tucht – Anna Enquist
Recensie door: Lodewijk Lasschuijt
Het is niet raadzaam om de nieuwe verhalenbundel van Anna Enquist in één adem uit te lezen. Het is beslist geen bladzijdendraaier. Je moet de verhalen lezen, herlezen, overdenken en je moet er met anderen over praten. De verhalen verdienen dat, ze hebben vaak een onverwacht einde en er zijn ook verrassende wendingen. Er zijn in sommige verhalen overeenkomsten te ontdekken met de beste verhalen van Roald Dahl. Op een indringende wijze worden de gebeurtenissen rond het grote bombardement van Rotterdam, met daarbij de teloorgang van Diergaarde Blijdorp, bij ons in herinnering gebracht. Tragiek voor mens en dier.
Zoals we dat van Enquist gewend zijn, speelt ook muziek een belangrijke rol, zoals in Alma, waarin de bijzondere relatie tussen Gustav Mahler en zijn vrouw wordt belicht. Zelf een uitstekend pianiste cijfert zij zich weg en zorgt voor de weldadige stilte waarin zijn wonderbaarlijke muziek kan ontstaan. Het samenzijn met de gecompliceerde componist verloopt vaak stormachtig. Hij beweert geen noot meer te zullen schrijven die niet door Alma is geïnspireerd en zij wijdde haar leven aan hem. Maar toch heeft Alma zelf ook haar eigen ambities, zeker op muzikaal gebied.
Er is een heel kort maar niettemin aangrijpend verhaal, over de zuster van Mozart waarin wordt omschreven hoe haar broertje naar de piano schuifelt als hij nog maar nauwelijks lopen kan. De kinderen Mozart worden door hun vader getraind als circuspaarden hetgeen mede door hun grote talent leidt tot muzikale wonderen.
Heel duidelijk wordt door Enquist geschetst, in het verhaal De muzikant, welk een passie en discipline er nodig is om te komen tot redelijke prestaties als cellist in een orkest. Hier is sprake van tucht. Alles wordt ondergeschikt gemaakt aan de carrière. Dagelijks moeten er eindeloos bewegingen worden ingeslepen en soms moet een verbaasde en minachtende blik van een dirigent worden verdragen. Maar het is de moeite waard en de klanken bloeien open en er wordt in een strijkkwartet een heilige ruimte van melodieën opgetrokken. Is de ouder wordende musicus wel bestand tegen de grote lichamelijke en geestelijke inspanningen?
Het is duidelijk dat Enquist in haar werk als psychoanalytica gewend is om goed waar te nemen. Niet alleen mensen maar ook schilderijen. Ze merkt op, en dat is de moeite van het onthouden waard: ”Je moet altijd op zoek gaan naar wat er onder het direct zichtbare ligt”. Het zelfde geldt voor gedichten waar zij steeds speurt naar verwantschap en voorbeelden. Bij het bekijken van de schilderijen van Co Westerik voelt zij ontzag en bewondering en zij weet dat op een bewonderingwaardige wijze tot uitdrukking te brengen. In een korte passage brengt zij het overlijden van haar dochter ter sprake waarbij zij dit in verband brengt met het schilderij van Westerik dat hij heeft genoemd: En regardant le désastre. Beiden hebben een dergelijk désastre meegemaakt. Fenna, Westerik`s vrouw zegt dan: ‘Je moet werken, elke dag, dat is je enige redding’. In een prachtig gedicht Sectie geeft zij uitdrukking aan haar verdriet. Zij zegt: ‘De muziek is een middel geworden om de dagen te vullen en de blik op een vernauwde toekomst te handhaven’.
In het verhaal Toccata komt de moeizame relatie met de muziek van Schuman ter sprake. Enquist heeft zich er naar eigen zeggen te pletter op gestudeerd maar het liet vreugdevolle herinneringen na. Nu ja, dan weet je tenminste waar je het voor doet, ook amateurmusici zullen hier iets in herkennen.
In een beschouwing over het werk van Gerard Reve vertelt zij dat, een werk van Letterkunde, zoals Reve dat noemde, slechts aangrijpt en beklijft, als het getuigt van hunkering en verlangen. Zij gedenkt hem met dankbaarheid.
Anna Enquist is veelzijdig, schrijver, dichter, psychoanalytica en pianiste. In het dagelijkse, soms hectische bestaan, is het een weldaad uit de chaos getild te worden door haar verhalen.
Twaalf keer tucht
Auteur: Anna Enquist
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Prijs: € 15,- -
Recensie: Niets gaat ten onder – Louis Paul Boon
Recensie door: Machiel Jansen
Uitgeverij de Arbeiderspers is enige tijd geleden begonnen met het uitgeven van het verzameld werk van Louis Paul Boon. Deel negen is onlangs uitgekomen en bevat de roman Niets gaat ten onder uit 1956, samen met een uitgebreid nawoord.
Niets gaat ten onder is een kleine roman, in deze uitgave nauwelijks 100 bladzijden lang. De roman verscheen drie jaar na Boons meesterwerk De Kapellekensbaan, maar lijkt hier in bijna niets op. De taal is een stuk minder Vlaams, de stijl zakelijker, minder uitbundig en de constructie is conventioneler en veel minder experimenteel. Het verhaal is bovendien uiterst zwaar en donker, wat je van De Kapellekensbaan toch echt niet zeggen kunt.
Dat uitermate donkere en duistere verhaal wordt ons verteld door de hoofdpersoon Frans Ghoedels. Frans is een man zonder ruggengraat, blijkt al snel. Hij is niet in staat zich te verzetten of in te gaan tegen de wil van anderen. Zelf lijkt hij geen wil te hebben en is hij voortdurend speelbal van krachten die buiten hem omgaan en hem dreigen te verpletteren. Het is de voortdurende vervreemdende atmosfeer die dit verhaal beheerst.
Het decor wordt gevormd door de technische jongensschool Constructa waar Frans eerst leerling en later leraar is. De naam van de school doet een beetje denken aan de gewapende betonnamen van Bordewijk en er gaat van dit instituut iets dreigends uit. Frans is er leraar tegen wil en dank. Hij kijkt op tegen zijn meerderen in de school die hem al met blikken kunnen vermorzelen. Er is de directeur Henry die door zijn uiterlijk en macht Frans doet ineenkrimpen. De vroegere eigenaar van de school, een man die de kaalkop wordt genoemd, lijkt alleen al door zijn verschijning een verschrikking voor Frans.
Hij trouwt met Agnes, een vrouw vele malen sterker en oneindig ambitieuzer dan hij zelf. Want Frans bestaat zelf uit niets, of bijna niets. Het enige wat hem drijft is een verlangen naar rust en het zijn zijn spermatozoïden die hem bij vlagen dwingen actie te ondernemen. Frans lijdt onder de ambitie van echtgenote Agnes. Zo wordt hij er op uit gestuurd om loonsverhoging te vragen. Een taak waar hij nauwelijks de kracht voor lijkt te hebben en waar hij zich desondanks maar nauwelijks tegen verzet.
‘Nu was zij daar weer met iets nog wreder. Ik moest eindelijk meneer Henry over een hoger loon spreken. Het bloed bevroor in mij toen ik haar dat hoorde uitspreken.
“Gij zijt wreed, Agnes!” fluisterde ik schor.
“En gij… gij…!” Zij sprak het niet uit. Haar met vlekken bezaaide gelaat bracht ze integendeel dicht bij het mijne. Haar hand kwam eveneens op de mijne te liggen. In een plooi van haar voorhoofd zat een kleine, zwarte maai.’Constructa is een broeinest voor gefnuikte ambities, machtspelletjes en uiterlijke schijn. Deugd wordt gepredikt maar pornografie beheerst de fantasie. Orde en gehoorzaamheid worden geëist maar ondertussen woedt er een voortdurende strijd om de macht. In die strijd is Frans een speelbal van de wil van anderen. Hij is in de kern leeg en zonder wil, ‘over niets en over niemand’.
Het duistere verhaal doet existentialistisch aan. Dat is ook niet zo vreemd, gezien de tijd waarin het geschreven is. Begin jaren vijftig was het existentialisme zo populair dat iedereen, niet alleen intellectuelen, zich ermee bezig hield. Je kon existentialistisch dansen, je existentialistisch kleden en existentialistisch naar Franse chansons luisteren. Je kocht de boeken van Sartre, de Beauvoir en Camus en beweerde die te begrijpen. Ondertussen rookte je sigaretten op existentialistische wijze.
Maar Boon was een veel te goed schrijver om alleen maar een mode te volgen. In Niets gaat ten onder speelt de vervreemding weliswaar een grote rol, maar Boon voegt er een element aan toe. De vervreemding zit hem hier in de leegte, de kunstmatige, harde ambities van echtgenote Agnes die er alles, ja alles, voor over heeft haar Frans directeur van Constructa te maken. De vervreemding toont zich ook in de onmacht van Frans, die zich niet kan verzetten tegen de krachten die op hem inwerken. Volgens existentialisten moet de vervreemding ons aantonen dat het leven geen zinvolle kern heeft; het leven is absurd en alles van waarde is weerloos.
In Niets gaat ten onder kom je ook zinnen tegen die de menselijke toestand existentialistisch beschrijven. Zoals deze: ‘De mens is een ontspoord wezen. Deze hersenen van hem zijn iets hinderends, iets onnatuurlijks. De mens gaat ten gronde aan het wapen, waarmee hij de andere dieren heeft overwonnen.’
De vervreemdende leegheid is sinds Kafka vaak uitgewerkt maar, zoals gezegd, Boon voegt er iets aan toe. Frans wordt ook voortgedreven door seksuele krachten, door Boon de ‘macht van de spermatozoïden’ genoemd. Wie Boons werk kent, kan zich daar niet echt over verbazen. Seks als belangrijke, primitieve drift is net zoals schijten en pissen een oerbehoefte waar gerust over gepraat en geschreven kan worden. Het hoort bij het leven, net als ademen, praten en, in Boons geval, schrijven. Zo ook in Niets gaat ten onder: Frans bevredigt zichzelf, zijn vrouw Agnes biedt haar lichaam aan om haar ambities te verwezenlijken en in een merkwaardige scene wordt Frans door zijn geilheid de straat opgedreven om zich daar bijna als een exhibitionist te gedragen. Seks, erotiek is hier net als de ambitie van Agnes en de belanghebbenden in Constructa, een donkere vervreemdende kracht die zelfs overgaat in een ongezonde doodsdrift. Het bevredigen van de meest primitieve verlangens gebeurt in het geheim en wordt bedekt met de sluier van fatsoen. Achter de nette façade van Constructa broeit het, gieren de ambities, het egoïsme en de geilheid door de lichamen.
Het moet in de jaren vijftig een schokkende ervaring zijn geweest dit werk te lezen. De provocatie is er in de loop der jaren afgesleten. Wat overblijft is een verhaal dat doet denken aan Kafka, Camus en Bordewijk maar vooral toch erg van Boon is. Ondanks enkele zwakheden blijft het verhaal overeind. Boon is een geweldig schrijver en daarom kun je hem veel vergeven.
De leegheid van hoofdpersoon Frans en de vernederende toon waarop hij herhaaldelijk zichzelf beschrijft, zijn zwaar aangezet. Soms te zwaar. Herhaaldelijk vergelijkt hij zichzelf met een wurm die als enig verlangen heeft ‘een vrucht te mogen binnendringen en kapotknagen’. Die zelfvernedering gaat soms ver omdat Frans niet in staat is enig initiatief te nemen, en kun je je tegen het einde van de roman wel aan hem gaan ergeren. Ook kun je kritiek hebben op het aantal personen dat in de top van Constructa een plaats heeft. Behalve directeur Henry en Agnes komen voor: meneer Broecks, de deken Van Houtte, een ijzerhandelaar, de Kaalkop, een arts, een homofiele boekhouder, een collega leraar en de jonge vrouwen Eva en Margaret. De noodzaak om zoveel mensen een plaats te geven in een roman van nauwelijks 100 pagina´s lijkt te ontbreken.
De schrijvers van het nawoord van deze ‘wetenschappelijk’ verantwoorde uitgave denken daar trouwens heel anders over. Zij beweren dat Niets gaat ten onder een heuse allegorie is, en dat sommige personen symbool staan voor een instituut in de moderne maatschappij. Zo zou de naam van de directeur van Constructa Henry verwijzen naar de letters INRI, die je in de meeste katholieke kerken kunt aantreffen. De bijnaam die Frans op de allerlaatste bladzijde krijgt, de Kurk, zou volgens de schrijvers van het nawoord ook een verwijzing zijn naar de kerk. Helaas wordt verder geen enkele poging gedaan deze interpretatie aannemelijk te maken. Het lijkt me een volstrekt uit de lucht gegrepen poging om Boons werk symbolisch te duiden.
Datzelfde nawoord geeft overigens nog wel aardige informatie. Het toont foto’s van de technische school waar Boon ooit zelf leerling was en beschrijft de totstandkoming en de ontvangst van de roman door geschokte en soms bewonderende critici. In eerste instantie stonden zelfs Boons vrienden afwijzend tegenover publicatie van de roman. Hubert Lampo had het er moeilijk mee, zoals blijkt uit een afwijzingsbrief die hij namens de redactie van het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift aan Boon stuurde. ‘Ik vind dat men geen Boon weigert’, schreef hij en voor die houding is veel te zeggen. Louis Paul Boon behoort tot de allerbeste schrijvers in het Nederlandse taalgebied. Niets gaat ten onder, is niet zijn meesterwerk, maar wel waard herondekt en gelezen te worden.
Niets gaat ten onder
Auteur: Louis Paul Boon
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Prijs: € 19,95 -
Recensie: Andere levens dan het mijne – Emmanuel Carrère
Recensie door: Lodewijk Lasschuijt
Dit boek ademt. Het is een levensechte beschrijving van mensen met al hun verdriet maar ook met hun geluk en grote blijdschap. Een verhaal over de heroïsche strijd tegen kanker, grote vriendschappen en onderlinge verbondenheid.
Er zijn meerdere verhaallijnen. Eerst een ramp op Sri Lanka waar het vierjarige dochtertje van Jerome en Delphine omkomt tijdens een tsunami. Het jonge Ierse echtpaar Ruth en Tom heeft meer geluk. Na een paar angstige dagen en een wanhopige zoektocht vind Ruth Tom terug in een ziekenhuis.
Tijdens de chaotische dagen die volgen ontstaat er een hechte band tussen de schrijver van het boek en zijn vriendin Hélène. Aanvankelijk hadden zij het voornemen om hun relatie te beëindigen, maar nu zijn ze echt samen. Na hun terugkeer in hun appartement in Parijs krijgen ze te horen dat Juliette, de zuster van Hélène, borstkanker heeft met uitzaaiingen in de longen. Als jong meisje was Juliette al eerder met deze ziekte geconfronteerd en liep tengevolge daarvan op krukken. Ondanks haar handicap voltooit zij haar rechtenstudie en wordt rechter aan het kantongerecht in Vienne.
Tijdens de laatste fase van het leven van Juliette maakt de familie kennis met een collega rechter Etienne die eveneens tengevolge van een amputatie van één van zijn benen mank loopt. Juliette en Etienne hadden elkaar vanaf de eerste dag herkend als mankepoten en er was een hechte band tussen hen ontstaan. Beiden hebben een proces doorgemaakt van een totale ontreddering en een totale oorlog tegen hun ziekte. Maar wat eerst een lichamelijke catastrofe en een psychische vernietiging leek, werd uiteindelijk een vernieuwing. Schouder aan schouder voeren Juliette en Etienne de strijd tegen het onrecht dat naïeve mensen wordt aangedaan wanneer zij contracten aangaan met gewetenloze kredietverschaffers. Ze zijn beiden virtuozen in de kunst van het waarlijk toepassen van het recht. Hun vonnissen worden vaak bekritiseerd en ook soms verworpen door het Hof van Cassatie. Met grote vasthoudendheid en een sterk rechtvaardigheidsgevoel voeren zij een taaie strijd tegen de woekerpraktijken van sommige banken. Nadat sommige rechtszaken zijn voorgelegd aan het Europese Hof volgt de uitspraak dat de praktijken van de kredietinstellingen niet alleen immoreel maar ook onwettig zijn.Het leven van Etienne, het verloop van zijn ziekte en de opbouw van zijn leven daarna vormt een derde verhaallijn in het boek van Carrère. Na een langdurige psychoanalyse vindt Etienne dat het tijd wordt om te leven. Tijdens een college aan piepjonge advocaten maakt hij kennis met de gedecideerde en vrolijke Nathalie. Zij voelt zich onweerstaanbaar aangetrokken tot de zachte stem en de humor van Etienne. De liefde blijkt na verloop van tijd wederzijds te zijn en ze gaan samenwonen. Even lijkt het alsof er toch weer donkere wolken verschijnen als Etienne vreest dat tengevolge van de chemotherapie die hij heeft ondergaan sprake zou kunnen zijn van onvruchtbaarheid. Na gedegen onderzoeken blijkt die vrees tot hun beider grote opluchting ongegrond en een maand later is Nathalie in verwachting.
De schrijver van het boek wordt in de tweede helft van zijn leven opnieuw vader, tweemaal zelfs. Tijdens een weerzien met het echtpaar dat op Sri Lanka hun dochter Juliette verloor, blijkt dat het leven toch uiteindelijk heeft gewonnen want ook daar zijn opnieuw kinderen geboren. Aan het einde van het boek volgt de uitspraak: ‘Ik verkies datgene wat me dichter bij anderen brengt boven wat me van hen onderscheidt’.
Een ontroerend boek dat toch nergens sentimenteel wordt. Een gedeelte van de lof die het zeker verdient moet worden toegezwaaid aan de voortreffelijke vertaling van Floor Borsboom.
Andere levens dan het mijne
Auteur Emmanuel Carrère,
Vertaald door: Floor Borsboom
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Prijs: € 21,95 -
Recensie: Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen – Georges Perec
Recensie door: Albert Hogeweij
Onlangs verscheen een in een bescheiden formaat gestoken en fraai ogend boekje met de lange titel Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen van de Franse auteur Georges Perec (1936 – 1982). Kort gezegd handelt het over het labyrint waarin je al gauw terecht kunt komen wanneer je hebt besloten werk te maken van het voornemen je chef om loonsverhoging te vragen. ’t Zou geschreven kunnen zijn in opdracht van een werkgeversvereniging, want de moed om een dergelijk voornemen in praktijk te brengen zal de gemiddelde loonslaaf na lezing danig in de schoenen kunnen zinken. En toch is het geen deprimerende lectuur. Integendeel! Het ademt een luchtige, montere toon als een film van Jacques Tati.
Het boekje bestaat uit een lange, leestekenloze zin, waarin de alwetende verteller de lezer, die met u wordt aangesproken, de hoofdpersoon laat zijn. Het zet als volgt in: ‘Nadat u rijpelijk hebt nagedacht nadat u al uw moed bijeen hebt geraapt besluit u bij uw afdelingschef langs te gaan om opslag te vragen’. Eenvoudiger kan het niet. Maar al gauw ontstaan de problemen. Want de afdelingschef kon wel eens net even niet in zijn kantoor zijn, en dan zit er niets anders op dan één van de wijdvertakte mogelijkheden te kiezen die zich als alternatief aandienen. En de route die daarmee zal worden afgelegd volgt het stroomschema dat ten grondslag heeft gelegen aan dit verhaal.
Om zo’n stroomschema als uitgangspunt te kiezen voor een verhaal was typerend voor Oulipo (ouvroir de littérature potentielle, ofwel: werkplaats voor potentiële literatuur) waar Perec zich in 1967 bij had aangesloten. Een clubje wiskundigen en schrijvers dat, aangevoerd door Raymond Queneau, literaire procédés uitdacht met allerlei hindernissen en obstakels, vaak gerelateerd aan mathematische modellen, die de creativiteit moesten stimuleren.
Zijn onderdompeling in dit collectief pakte voor Perec weldadig uit. Hij zag de impasse waarin hij als beginnend schrijver was terechtgekomen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het wezen van de door Oulipo ontwikkelde literaire modellen draait om de ‘contrainte’, de (vorm)dwang. Perec paste dit bijvoorbeeld toe in zijn roman La Disparition uit 1969. Een verhaal rondom de verdwijning van de letter ‘e’. Die dan ook in het meer dan 300 pagina’s tellend boek niet voorkomt. (Dat dit procédé een metafoor kan zijn voor het lot van de Joden in WO II, waarvoor ook de Joodse familie van Georges Perec, een van de klinker ‘e’ vergeven naam, niet gespaard bleef, is iets dat op de achtergrond resoneert).
Guido van de Wiel nam vervolgens namens De Arbeiderspers de uitdaging aan om dit in het Nederlands te vertalen, hetgeen hem lukte onder de titel ’t Manco. Op zijn beurt revancheerde Perec zich namens dezelfde klinker met het schrijven van Les Revenentes, in welke tekst de ‘e’ de enige gebruikte klinker is. Dergelijke trucjes mogen wat steriel en geforceerd ogen, maar dan is er buiten de speelsheid van schrijvers als Perec en Queneau gerekend. Van Perecs meesterwerk uit 1978 Het leven een gebruiksaanwijzing waarbij onder het mom van een boedelbeschrijving van een oud appartementengebouw een rijk geschakeerd tapijt van honderden verhalen wordt geweven waarin uiteenlopende personages in allerlei verschillende stijlen ten tonele worden gevoerd, kan men toch moeilijk beweren dat het geforceerd, fantasie-arm of bloedeloos geschreven is. Daarbij moet gezegd dat het ook heel erg in de geest van Oulipo was, om stiekem speelse afwijkingen van de contrainte het verhaal binnen te smokkelen! En het is de vraag of in Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen, dat in 1968 in een obscuur Frans tijdschrift werd gepubliceerd, niet ook een beetje wordt gesteggeld. Want laat Perec de hoofdpersoon, de arme kantoorklerk die de als u aangesproken lezer verondersteld wordt te zijn, werkelijk alle denkbare zijpaden van het stroomschema doorlopen? Ach, om het avontuurlijke verhaal is dit boekje niet geschreven. Het is de stijl die het lezen ervan tot een waar genoegen maakt. Men leest het plezier eraan af waarmee het geschreven is. Eigenlijk is de stijl de ware hoofdpersoon. Uiteindelijk heeft Perec als schrijver een zelfde krachttoer moeten volbrengen als de hoofdpersoon om zich een weg te banen door het doolhof. De frisse vertaling is goed getroffen. De speelse woordkeuze neemt de bureaucratische rompslomp af en toe aardig op de korrel. Ondanks ontbreken van leestekens is de tekst overal even leesbaar en helder gebleven.
Perec liet zich er op voorstaan nooit tweemaal dezelfde type tekst te schrijven. En hoewel in dit werkje voortdurend eenzelfde route hernomen moet worden, wordt die regel ook hier niet geschonden. Het zijn variaties op een thema, iedere keer net even anders verwoord. Zo ziet de hoofdpersoon zich dikwijls gedwongen ‘een rondgang te maken langs de verschillende afdelingen die samen het geheel of een deel vormen van de organisatie die u in loondienst heeft’. Maar iedere keer wordt dit anders omschreven. Bijvoorbeeld: ‘(…) van de organisatie die u uitbuit’ of: ‘(…) van de trust waar u voor een hongerloon de mooiste jaren van uw leven verdoet’ of: ‘(…) waar u het gros van uw tijd verbeuzelt’ enz. Dit verleent het verhaal een grote souplesse. En de vaak terugkerende gemeenplaats: ‘we zullen aannemen om het eenvoudig te houden want je moet het altijd eenvoudig houden’ in een verhaal waarin iedere poging om de chef te spreken te krijgen steeds uitzichtlozer lijkt te worden, kruidt het met milde ironie. Het geheel maakt dan ook eerder een hilarische, dan wanhopige indruk, al besef je aan het eind dat de factor tijd intussen ook zijn werk heeft gedaan. De dwaaltocht door het ondoorgrondelijke bedrijf mag Kafkaësk lijken – Franz Kafka was een van de favoriete schrijvers van Perec – , K. de protagonist van Kafka’s boek Het Slot, zou de problematiek van zijn bestaan makkelijker het hoofd hebben kunnen bieden als hij Perec als geestelijk vader had gehad.
Al met al kan men stellen dat dit een uiterst onderhoudende tekst is, die terecht en op loffelijke wijze door Rokus Hofstede voor het Nederlandse taalgebied ontsloten is. De enige lezer die zich voor het luttele bedrag van € 12,50 bekocht mag voelen, is hij die werkelijk gehoopt had tips te krijgen om zijn baas op succesvolle wijze opslag af te smeken.
Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen
Auteur: Georges Perec
Vertaling: Rokus Hofstede
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
Prijs: €12,50 -
Recensie: Dienstreizen van een thuisblijver
Recensie door: Machiel Jansen
Als Maarten ’t Hart geen bekend schrijver zou zijn geweest wie zou hem dan graag willen leren kennen? Zonder zijn schrijverschap is hij een teruggetrokken, ietwat zonderlinge man. De werkdagen brengt hij door met het turen naar een aquarium waarin drie doornige stekelbaarsjes zwemmen. Af en toe maakt hij daar aantekeningen bij. Het is het meest interessante beroep dat hij zich kan voorstellen, althans van alle beroepen die binnen zijn bereik liggen. Eigenlijk was hij het liefst componist geworden, maar dan wel in een andere tijd dan de onze. Tussen het kijken naar stekelbaarzen en het luisteren naar klassieke muziek leest hij. Hij leest veel. Het werk van Anthony Trollope, Charles Dickens en Simon Vestdijk behoort tot zijn favorieten. Af en toe speelt hij een stukje orgel of piano, of zingt hij een cantate van Bach. Hij sport niet en elke avond ligt hij voor negen uur in bed. Op reis gaat hij niet want alleen in zijn eigen bed kan hij slapen. Aan clubs, verenigingen, popmuziek, voetbal en gezelligheid heeft hij een hekel. Hij is het liefst alleen, en enkel een periodieke, allesoverheersende verliefdheid zorgt ervoor dat hij zijn eenzaamheid af en toe opgeeft. Zou u zo’n man willen ontmoeten? Waarschijnlijk niet.
Maarten ’t Hart is echter wel degelijk een bekend schrijver. Sinds zijn succesroman Een vlucht regenwulpen uit 1978 is hij één van de meest succesvolle Nederlandse auteurs gebleken. Zijn romans, verhalen, columns en interviews bevatten zoveel autobiografische elementen dat we al gauw het idee hebben dat we de auteur kennen. Het lijkt erop dat hij door veel van zijn lezers eerder excentriek dan eigenaardig gevonden wordt. Er zijn behoorlijk wat mensen die de bekende schrijver eens willen ontmoeten. Een aantal van hen belt gewoon bij zijn huis in Warmond aan en weet zelfs binnen te komen. Sommigen komen ongevraagd door de open achterdeur naar binnen. Anderen doen alsof ze journalist zijn en brengen zo een dag met de bekende schrijver door. Die moet hier niets van hebben. Het liefst wil hij met rust gelaten worden. Zo komt hij niet aan schrijven toe.
Over Maarten ’t Hart is nauwelijks nog iets nieuws te vertellen zou je denken. In 1984 verscheen zijn eerste autobiografie Het roer kan nog zesmaal om in de reeks Privédomein. Vlak voor de boekenweek, dat als thema de autobiografie heeft, verscheen Dienstreizen van een thuisblijver. Opnieuw in de reeks Privé Domein. Het moet even gezegd: samen met de gebonden boeken van Van Oorschot behoort deze reeks tot de mooist uitgegeven boeken in Nederland. Het blijft een feest deze boeken in handen te houden en ze vormen een belangrijk argument tegen de e-reader.
De vraag is of ’t Harts nieuwste autobiografische boek iets bevat wat we nog niet wisten over de schrijver. Die vraag is makkelijk te beantwoorden: nee. Echt iets nieuws komen we niet te weten, maar wat we te lezen krijgen is wel erg amusant. Dat doet de paradoxale titel Dienstreizen van een thuisblijver ook al vermoeden. Dat ’t Hart helemaal niet van reizen houdt, komt voor zijn lezers niet echt als een verrassing. Hij wil het liefst thuis blijven, maar hij moet soms het huis uit. De verplichtingen van het schrijverschap brengen dat nu eenmaal met zich mee. Als er uit dit boek iets blijkt dat we nog niet wisten, dan is het dat ’t Hart zo slecht ‘Nee’ kan zeggen. Als hij het zegt, klinkt het waarschijnlijk zacht en onzeker want telkens geeft hij toe waar hij eigenlijk voet bij stuk wil houden. Wie iets van hem wil, belt hem op, en zet door totdat de schrijver bezwijkt en toegeeft.
De tol van de roem is een zwaar leven. Word geen schrijver! jammert ’t Hart dan ook als iemand weer iets van hem wil. Het liefst schreef hij eenzaam, in een achterkamertje het ene meesterwerk na het andere, maar het lijkt erop dat hij voortdurend wordt lastig gevallen door signeersessies, journalisten, fotografen, uitgevers, vertalers, jury’s, hobbyschrijvers en vrouwelijke bewonderaars met aantrekkelijk lange nagels. Dat leidt tot een aantal heel leuke avonturen van de verstokte thuisblijver die er niet onderuit kan af en toe de buitenwereld in te gaan.
Heel erg geloofwaardig is die wens om vooral thuis te blijven en aan alle aandacht te ontsnappen overigens niet. Soms krijg ik het gevoel dat ’t Hart al die aandacht maar wat leuk vindt. Dat idee werd bevestigd door zijn recente optredens op radio en TV. Hij maakt geen indruk onder zware druk interviews af te leggen. Bij het radioprogramma de Tros Nieuwsshow, waar hij te gast was, vroegen ze hem of hij er toe gedwongen was om in de uitzending te verschijnen. Nee, hij zat er vrijwillig; ‘omdat ik Mieke [de presentatrice MJ] zo leuk vind.’
En hoe geloofwaardig kan de man nog zijn die eerst een venijnig boekje schrijft met de titel De vrouw bestaat niet, om er later voor uit te komen dat hij af en toe als vrouw door het leven gaat? Van zo’n man ga je gemakkelijk denken dat hij het tegendeel zegt van wat hij echt wil – ook al is dat in het algemeen een gevaarlijke gedachte.Het leuke van Dienstreizen van een thuisblijver is dat het een kijkje geeft achter de schermen van het bedrijf van de literatuur. De bekende schrijver moet op reis, bezoekt beurzen, is jurylid en signeert. Hij is nooit te beroerd ongezoute meningen te geven over collega’s, prijswinnaars en christenen. Maarten ’t Hart (25 november 1944) wordt er met de jaren gelukkig niet milder op. Veel van die opmerkingen zijn leuk, al moet je sommigen niet al te vaak horen. Zo had ik de grappen over Connie Palmen tijdens een dienstreis met collega’s naar Göteborg al op de radio gehoord, waardoor de lach tijdens het lezen uitbleef. Het verslag van die reis, waaraan veel bekende Nederlandse schrijvers deelnamen, wordt overigens vooral benut om een samenvatting te geven van het leven van de Tsjechische componist Smetana (1824-1884), die een tijdje in Göteborg gewoond heeft. ’t Hart vraagt zich bijna verontwaardigd af waarom niemand in het reisgezelschap zijn fascinatie met de Tsjech deelt, terwijl iedere lezer nu juist de nabijheid van die auteurs veel spannender vindt dan al die feitjes over een onbekende componist. Dat gegeven weet ’t Hart hilarisch uit te werken en hij duwt ons het leven van Smetana gewoon door de strot.
Leuk, leerzaam en lachwekkend zijn ook de ervaringen met literaire jury’s. Juryleden leiden aan ‘fictie frictie’; een overdosis aan fictie, teveel boeken die men verplicht is te lezen. Zelfs de veellezer Maarten ’t Hart kan zich voorstellen dat je als jurylid de stapel AKO-nominaties achter de toiletpot smijt. Deze juryleden hoeven overigens niet alles te lezen. De longlist wordt verdeeld en na twee slechte beoordelingen ligt een boek eruit. Het teveel van hetzelfde (fictie) en de mogelijkheden van netwerken doen ’t Hart verzuchten de prijs de komende jaren standaard aan Arnon Grunberg te geven. Want wie ooit een prijs wint, wint er meer. Het geestige betoog vormt meteen een verklaring waarom ’t Hart geen prijzen meer wint: hij netwerkt niet.
Het hoogtepunt van het boek ligt zoals veel goede dingen in het midden. Daarna dalen we van Nederlandse hoogten af tot zeeniveau waar we twee hoofdstukken tegenkomen die helemaal niet over dienstreizen gaan. In het eerste breekt onze held zijn been, en ligt enkele nachten gedwongen in het Leids Universitair Medisch Centrum. Het verslag, hoe aardig en vlot geschreven het ook is, is helaas geen dienstreis. Het thema van de literaire dienstreis, dat de vorige hoofdstukken bij elkaar hield, wordt hier jammer genoeg niet voortgezet.
Het hoofdstuk dat er op volgt gaat over ’t Harts bemoeienis met de zaak Lucia de B. Het is een feitelijk, nuchter verslag, nuttig voor wie het weten wil, maar nieuw is het niet en met dienstreizen van een thuisblijver heeft het niet veel te maken. In interviews heeft ’t Hart al uitgebreid verteld over zijn bijdrage aan het herstel van deze gerechtelijke dwaling. Wie dat gemist heeft kan dit hoofdstuk er nog eens op nalezen.Leuker zijn de eerdere hoofdstukken over bewonderaarsters bij signeersessies, rondleidingen door Maassluis en een herinnering aan gewelddadige zevendedagsadventisten. Het is de excentrieke, zonderlinge schrijver en veellezer waar we om kunnen lachen en die, in elk geval in boekvorm, erg leuk gezelschap is.
Dienstreizen van een thuisblijverAuteur: Maarten ’t Hart
Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers, serie Privé Domein
Prijs: € 19,95 -
De zomer beschrijf je het best op een winterdag – Henrik Ibsen
Brieven van de grootste toneelschrijver van de 19e eeuw
Op 22 februari 2011 verschijnt er een nieuw deel in de reeks Privédomein, De zomer beschrijf je het best op een winterdag . Het zijn brieven van Henrik Ibsen, geselecteerd, vertaald, ingeleid en van commentaar voorzien door Suze van der Poll en Rob van der Zalm in samenwerking met Jeanne Dullaert-van Tol en Sjoukje Marsman.
‘De Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen (Skien 1828-Kristiana/Oslo 1906) was de invloedrijkste toneelschrijver van de negentiende eeuw, en misschien ook wel de beste. Niet voor niets werd hij ‘de Shakespeare van de moderne tijd’ genoemd. In 1867 vestigde hij in eigen land zijn reputatie met Peer Gynt, een dramatisch gedicht waarin hij Noorse volksvertellingen verwerkte. Zijn internationale roem heeft hij vooral te danken aan de stukken waarin hij genadeloos de burgerlijke samenleving van zijn tijd portretteerde: Een poppenhuis, Spoken en Hedda Gabler bijvoorbeeld.
Aanvankelijk riep zijn werk overal veel weerstand op. Pas later werd duidelijk hoe diep Ibsen gepeild had. Zijn stukken zijn tijdloze klassiekers geworden, ook in Nederland en België. De vele heropvoeringen van zijn stukken getuigen hiervan.
Deze eerste Nederlandstalige uitgave van Ibsens brieven geeft een rijkgeschakeerd beeld van de persoon en de toneelschrijver Ibsen. In deze bloemlezing komen naast het negentiende-eeuwse theaterleven ook zijn familie en vrienden, zijn vrouw en zijn vriendinnen en de brandende kwesties van zijn tijd aan bod.’
De zomer beschrijf je het best op een winterdag
Auteur: Henrik Ibsen
Vertaald door: Suze van der Poll, Rob van der Zalm
Verschijnt bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (febr. 2011, Privé Domein)
Prijs: € 25,- -
De Derde Jongen
In Bozen, Zuid-Tirol, wordt op een nacht een man, Franz, door een groep mannen uit het doorgangskamp gehaald en met een boot naar een onbekende bestemming gebracht. Ontvoerd, zou je kunnen zeggen. Hij wordt naar een vrouw, Clara, gebracht, die de eerste dagen, weken voor hem zorgt. Het is 1945, de oorlog is nog niet afgelopen, dit weet Franz niet, maar Clara wel en om veiligheidsredenen brengt zij hem naar een oude dame, waar hij nog een aantal weken onder de vloer moet leven. Wanneer de oorlog voorbij is, kan hij terug naar Clara. Hij heeft een portefeuille met enkele papieren, onder andere een Hongaars paspoort, met zijn naam Franz Laschke. Clara zegt, dat zij hem nog kent, uit een tijd in Berlijn. Maar hij herkent haar in eerste instantie niet. Pas later, wanneer ze verhalen gaat vertellen, komen de herinneringen terug. Zijn tijd in Berlijn, waar hij met zijn eerste vrouw en zijn zoontje woonde. Zijn tijd in Boedapest, waar hij een cursus handelscorrespondentie volgde en daar Sophie leert kennen, zij wordt zijn derde vrouw. In die tijd kreeg hij een reispas met een valse naam. Laschke. In Berlijn was hij echter bekend onder de naam Franz Müll. Hij was actief in communistische kringen, sprak op bijeenkomsten, schreef boeken en toneelstukken. Maar hij vluchtte voor het opkomende nazisme. Zo komt hij in de jaren ’30 in Boedapest, vanwaar hij in 1943 met zijn valse pas, enkele reis Boedapest ? Wenen, moet vluchten. Onderweg wordt hij opgepakt en in een doorgangskamp ondergebracht.
‘Zwart op zwart voer de boot door de nacht’. Dit is de beginzin van de roman van Arjen Mulder. En als beginzinnen inderdaad veelzeggend zijn, dan deze ook: zwart op zwart ? er is weinig te zien. Zo kwam het boek ook bij mij binnen: er is weinig te begrijpen: wie is Franz Laschke nu eigenlijk, waarom wil hij niet onder zijn echte naam Franz Müll herkend worden, voor wie is hij ? nog steeds ? op de vlucht? Misschien wel voor zijn eigen geschiedenis? Wie was Clara ? was ze nu wel of niet de in Berlijn bekende danseres Fanny Schickele-, en hoe komt zij aan de schilderijen van Matisse, Macke en Georg Grosz op zolder? Is het toeval, dat hij een van zijn eigen boeken in haar huis vindt? Hij weet nog, dat hij dit boek rond 1919 heeft geschreven, hij was op weg naar Londen, zou in Breda of Rotterdam kameraad Gorter ontmoeten… Wiens kind was Arnoud, waarom zorgt Clara voor hem?
Er zijn mooie scènes in dit boek. De nacht waarin Franz bij Clara gebracht wordt en de manier waarop zij voor hem zorgt. De momenten, dat Franz Arnoud ontdekt, het voor hem opneemt en alles in het werk stelt om goed voor hem te zorgen. Arnoud kan niet leven zonder de zorg van een volwassene en op een bepaald moment beslist Franz, dat hij voor dit kind zal zorgen. Wanneer Clara overlijdt wordt dit alleen maar duidelijker. Boeiend is het idee van de ijstent op het strand, de saamhorigheid en vriendschap met buren en bekenden uit de omgeving. Die scènes zijn plezierig om te lezen. En toch, en toch, ervaar je het boek niet als een spannend, doorleesverhaal. Ik moest mezelf regelmatig dwingen om door te lezen, of om terug te bladeren: hoe zat het nu eigenlijk?
Van alle personages zijn er maar weinig in mijn hoofd blijven hangen, alleen de hoofdfiguren Franz, Clara, Arnoud. De anderen, vrienden, buren, politieke lotgenoten komen nauwelijks uit de verf. De onbekende familie Weingold, welke rol speelden zij in het dorp of de man in het linnen kostuum, die Franz herkent als Franz Müll.
Het meest troostend in deze roman is de onvoorwaardelijke liefde, die Franz opvat voor de gehandicapte jongen Arnoud. Dit lijkt ingegeven door de eerdere ervaringen in zijn leven, waar hij door omstandigheden, eigen fouten en verkeerde keuzes zich niet kon inzetten voor zijn eigen kinderen. Met deze jongen wil hij ogenschijnlijk alles goedmaken en daarin is hij trouw en consequent. Wanneer zij samen aan het eind van de roman naar Amerika gaan en eigenlijk alles open ligt, vraag je je als lezer af: hoe zou het hen daar vergaan? Het lijkt erop of Franz Müll, weliswaar deze keer samen met zijn beschermeling, wederom een nieuw leven wil beginnen. Niet de eerste keer in zijn bestaan.
In de verantwoording achter in het boek vertelt de schrijver, dat deze roman is gebaseerd op het levensverhaal van Franz Jung, ex-revolutionair, ex-dadaïst, ex-antifascist, ex-spion en ex-schrijver. Deze man heeft zoveel verschillende wegen bewandeld in zijn leven, dat het voor een biograaf moeilijk was om een samenhangend verhaal te schrijven. Net zoals Franz Jung, probeert de hoofdpersoon in deze roman, Franz Müll, alias Laschke, zijn sporen uit te wissen. Dat maakt de roman raadselachtig. En ook intrigerend.
-
BUtterfield 8
In de zomer van 1931 houdt een gruwelijk drama de stad New York wekenlang in zijn greep. Op het chique strand van Long Beach spoelt het zwaar beschadigde lichaam van een jonge vrouw aan. Haar naam is Starr Faithfull. In de weken die volgen, duiken van haar hand twee dagboeken en een vermeende zelfmoordbrief op en de kranten spinnen het verhaal breed uit: hoogopgeleid meisje uit gegoede kringen houdt zich op in de wereld van seks, drugs en rock en roll en heeft affaires met meerdere prominente figuren, waaronder een bekend politicus. Starr sterft wanneer ze, onder invloed van drugs, over de reling van een schip valt. Haar dood wordt nooit opgehelderd.
Het is dit drama waarop BUtterfield 8, het tweede boek van de Amerikaanse schrijver John O‘Hara (1905-1970), losjes is gebaseerd. In de roman, daterend uit 1935, wordt de rol van Starr vertolkt door Gloria Wandrous, een glamourgirl in de jaren dertig wiens karakter en levenswijze zijn gemodelleerd naar die van haar onfortuinlijke voorbeeld. Tussen de ochtend waarop Gloria op pagina 1 ontwaakt in het appartement van een onbekende man ? ‘Veel te vroeg voor de nacht die achter haar lag, ontwaakte op deze zondagmorgen in mei dit meisje dat later in New York een sensatie zou veroorzaken’ ? en het moment dat zij over de reling van een oude raderboot haar dood tegemoet valt, laat O‘Hara ons zien dat mensen bovenal slachtoffer van zichzelf zijn: zij dragen allen een lot in zich dat zich hoe dan ook zal realiseren.
Toch zijn het niet de lotgevallen van Gloria die de aandacht van de lezer opeisen. Plot en personages lijken slechts bijzaak ? de zangeressen in het achtergrondkoortje. Hoofdrolspeelster is zonder twijfel de stad New York, gehuld in een frivool jaren dertig-jurkje, wankelend op halfhoge hakken, met een smeulende sigaret tussen haar gestifte lippen. De personages dansen hun choreografie tussen de verwoestende gevolgen van de beurskrach op Wall Street van 1929, de ijzeren greep van de Drooglegging (1920-1933) en een rijkgeschakeerd decor van contemporaine figuren en gebeurtenissen. Van woordgrapjes over burgemeester Walker tot gedetailleerde aandacht voor de omgangsvormen in het maatschappelijk leven: O‘Hara heeft het New York van begin jaren dertig van de vorige eeuw onder een glazen stolp geplaatst en levensecht geconserveerd.
Precies die zaken die BUtterfield 8 destijds tot een populaire roman maakten bij het grote publiek ? het spel met de actualiteit, met als resultaat een gevoel van ‘erbij horen’ ? maken het boek moeilijk toegankelijk voor de lezer anno nu. Het verhaal leest vaak moeizaam, niet alleen doordat actuele situaties van toen voor lezers van nu veelal onbekend zijn, maar ook door de overvloedige beschrijvingen, de rijkheid aan details en de wijze waarop de dialogen van de hak op de tak springen. Hierdoor verlies je als moderne lezer de plot en de thematiek ? menselijke vrijheid is een illusie ? makkelijk uit het oog.
BUtterfield 8 verwijst naar de nieuwe codering van de New Yorkse telefooncentrales in 1930: alle centrales kregen een code die bestond uit een naam en een cijfer. BUtterfield werd zo BUtterfield 8. Het boek wemelt van dit soort grappige weetjes, maar die zijn voor de lezer van nu jammer genoeg niet altijd even duidelijk herkenbaar en daardoor mis je veel. Als levendig portret van een stad en een tijd is BUtterfield 8 wel zeker de moeite waard. Wil je echt in het verhaal doordringen, dan moet je het boek echter meerdere keren en met toelichtend materiaal lezen. Geen tijd of geen zin? Dan is er altijd nog de verfilming uit 1960, met Elisabeth Taylor in de hoofdrol. Ook zeker de moeite waard.
-
Het monotheïstisch dilemma
Het vervelende aan veel discussies is dat de deelnemers zich nog al eens moeten verdedigen tegen zaken die ze helemaal niet beweerd hebben. Jezelf verdedigen tegen iets wat je niet gezegd of in elk geval niet bedoeld hebt, is veel lastiger dan op basis van argumenten discussiëren. Vaak moet er eerst gebakkeleid worden over wat iedereen nou precies bedoelt voordat de inhoudelijke discussie kan beginnen. Wie niet verkeerd begrepen wil worden, kan proberen om bij het uitleggen van het eigen standpunt ook meteen uit te leggen wat men niet bedoelt. Maar hoe genuanceerder het debat hoe moeilijker het is om verkeerde interpretaties op die manier af te vangen. Hoe meer nuances, hoe groter de kans niet begrepen te worden.
Paul Cliteur probeert in zijn nieuwe boek Het monotheïstisch dilemma herhaaldelijk duidelijk te maken wat hij niet bedoelt. In het Engels verscheen onlangs van Cliteur ook The Secular Outlook en beide boeken hebben inmiddels aanleiding gegeven tot een polemiek in de Volkskrant. Meindert Fennema beroept zich op Cliteur in een stuk van 26 december 2010, getiteld Monotheïstische religies bedreigen de rechtsstaat. Nu beweert Cliteur in Het monotheïtsich dilemma helemaal niet dat monotheïstische religies de rechtsstaat bedreigen. Hij is veel genuanceerder. Onvolledig samengevat komt Cliteurs stelling er op neer dat de theologie van monotheïstische godsdiensten (Islam, Jodendom. Christendom) aanleiding kan geven tot spanningen met de beginselen van de rechtsstaat. Maar een dergelijke zin vormt natuurlijk een minder aantrekkelijke kop voor een krantenartikel.
Op Fennema’s stuk werd in de Volkskrant twee dagen later gereageerd door Frans Hoppenbrouwers. De titel van zijn stuk is ‘Niet iedere gelovige is een extremist’. Cliteur beweert helemaal niet dat iedere gelovige een extremist is, en ik meen dat ook Fennema dat niet doet. Cliteur geeft in zijn boek zelfs herhaaldelijk aan dat hij dat niet bedoelt. Wat Cliteur wel beweert is dat de monotheïstische godsdiensten aanknopingspunten bieden tot interpretaties die kunnen leiden tot onverdraagzaamheid en terrorisme. De nuance hier ligt in de woorden ‘aanknopingspunten’ en ‘kunnen leiden tot’. In zijn boek bespreekt Cliteur uitvoerig hoe hij tot deze stelling komt.
Hoppenbrouwer karakteriseert in zijn Volkskrantstuk de benadering van Cliteur als volgt:
‘Fennema- en trouwens ook Cliteur – gaat als volgt te werk: eerst wordt religie in een democratie bedreigend ideaaltype gegoten en daarna, om dit ideaaltype kloppend te maken, worden gelovigen die zich wel met democratie identificeren of niet gewelddadig zijn uit het theoretische model weggeschreven. Een democratisch gezinde gelovige of religieuze extremist, het zijn kleine, niet-relevante verschillen.’Feitelijk is dat een onjuiste constatering. Wie Het monotheïstisch dilemma leest, moet toegeven dat dit niet de manier is waarop Cliteur te werk gaat. De democratische, vredelievende, tolerante gelovige krijgt bij Cliteur alle ruimte. Hij richt zijn pijlen op de theologie van monotheïsme, niet zozeer op de gelovigen. De theologie beweert dat er één god is en dat gelovigen zich te houden hebben aan goddelijke geopenbaarde wetten. De spanning tussen monotheïsme en een rechtsstaat bestaat er, volgens Cliteur, uit dat van een gelovige verwacht wordt dat hij goddelijke gerechtigheid verkiest boven door mensen vastgestelde wetten en regels.
Cliteur beseft heel goed dat er veel verschillende interpretaties mogelijk zijn van religieuze teksten en dat niet elke gelovige een extremist is. Wat hij wel benadrukt is dat de religieuze motivering waar religieuze terroristen zich op beroepen een aanknopingspunt heeft in hun religie. Hij verzet zich tegen de opvatting dat religieus terrorisme niets met religie te maken zou hebben, of dat religieuze extremisten zich baseren op warrige of domweg foute interpretaties van religieuze bronnen. Nee, kennis van het monotheïsme leidt tot een beter begrip van wat religieuze terroristen drijft, aldus Cliteur.Het is geen makkelijk betoog dat ons wordt voorgehouden in Het monotheïstisch dilemma. Gelukkig is Cliteurs schrijfstijl helder en zeer goed leesbaar. Alle begrippen die hij gebruikt worden goed en duidelijk uitgelegd en Cliteur is niet te beroerd om de belangrijkste gedachten later nog eens samen te vatten of nogmaals uit te leggen.
Cliteur begint Het monotheïstisch dilemma met het bespreken van religieus terrorisme. Hij doet dat aan de hand van drie voorbeelden, voor elke van de drie grote monotheïstische godsdiensten één: de islamitische Abdulmutallab die in 2009 een vliegtuig probeerde op te blazen, de joodse Amir die de Israelische premier Rabin in 1995 vermoordde en de christelijke Roeder die in 2009 een abortusarts ombracht. Cliteur definieert, na het beschrijven van deze voorbeelden, religieus terrorisme en benoemt een aantal eigenschappen in het profiel van de religieuze terrorist. Deze zet persoonlijke morele opvattingen aan de kant voor principes van een hogere, religieuze orde. Verder is de religieuze terrorist tegen het modernisme in de samenleving en bereid een martelaar te worden voor zijn ideaal. Ten slotte, hij is een duaal burger, waarmee Cliteur bedoelt dat de terrorist zowel onderdeel is van een nationale staat maar ook gehoorzaam moet zijn aan geestelijke, door de religie geopenbaarde wetten. Deze eigenschappen spelen een grote rol in Cliteurs betoog. Hij wil laten zien dat deze eigenschappen terug te vinden zijn in de kern van monotheïstische godsdiensten.
De kern van zijn betoog ligt in de bespreking van een aantal verhalen uit het Oude Testament. Met name het vrij onbekende verhaal van Pinechas illustreert een aantal van de argumenten die Cliteur bespreekt. Het verhaal uit Numeri vertelt hoe het volk van Israel ‘ontucht en afgoderij’ pleegt in Sittim, waar het onder leiding van Mozes na de uittocht in Eqypte is aangekomen. ‘Het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten,’ en Mozes krijgt het goddelijk bevel de mannen die zich daar schuldig aan maken te doden. Pinechas heeft geen verdere aanmoediging nodig en doodt op eigen initiatief met zijn speer een man en een vrouw. Om deze daad wordt hij door God geprezen.
Zoals gezegd, Cliteur beaamt dat dergelijke verhalen verschillend worden geïnterpreteerd en dat veel gelovigen ze in elk geval niet letterlijk nemen. Hij betoogt dat religieuzen die zich wel beroepen op dergelijke verhalen dat niet ten onrechte doen. Er staat immers wat er staat.
Het is af en toe koorddansen wat Cliteur doet. De relatie die hij legt tussen terrorisme en monotheïsme is geen dwingende. Cliteur beweert niet dat alle terroristen monotheïsten zijn en ook niet dat alle monotheïsten terroristen zijn. Monotheïsme biedt aanknopingspunten voor een religieus terrorist, beweert Cliteur. Maar wat is nu precies de aard van de relatie tussen de twee? Is monotheïsme een noodzakelijke voorwaarde voor religieus terrorisme? Ik geloof niet dat Cliteur dat wil beweren, al kan ik me niet herinneren het tegendeel gelezen te hebben.Om te kunnen begrijpen wat iemand tot religieus terrorist maakt spelen ook niet religieuze factoren een rol. Bovendien zijn er ook terroristen die niet religieus gemotiveerd zijn. Het is niet dat Cliteur niet religieus terrorisme minder erg zou vinden maar zijn betoog richt zich bewust op het monotheïstische aspect zonder aan eventuele andere factoren iets te willen afdoen. Het duurde bij mij even voordat ik dat echt begreep. Cliteur heeft zich bewust beperkt tot het religieuze, monotheïstische aspect, waarvan hij vindt dat het onderbelicht is. Maar die beperking maakt zijn betoog moeilijker te doorgronden. Het bovengenoemde citaat van Frans Hoppenbrouwer is tekenend voor de misverstanden die kunnen optreden. Wie niet goed leest kan denken dat Cliteur religie te beperkt weergeeft.
Naar mijn idee had Cliteur in de eerste hoofdstukken zijn aandacht beter kunnen richten op religieuze onverdraagzaamheid, in plaats van religieus terrorisme. Terrorisme zou je dan kunnen opvatten als een radicale, gewelddadige vorm van onverdraagzaamheid, gericht tegen een samenleving. De relatie tussen monotheïsme en religieuze onverdraagzaamheid weet Cliteur goed te beargumenteren en het is jammer dat hij zijn boek er niet mee begint. Het betoog zou in dat geval makkelijker te volgen zijn geweest, en minder aanleiding geven tot misverstanden. Terrorisme had hij vervolgens kunnen behandelen als een extreme vorm van onverdraagzaamheid. Nu verloopt Cliteurs betoog precies in omgekeerde volgorde.
Vanaf hoofdstuk 5, zo rond de helft van het boek, houdt Cliteur zich pas bezig met onverdraagzaamheid in monotheïsme. In dat hoofdstuk maakt hij onderscheid tussen cultureel en theologisch monotheïsme. Een theologisch monotheïst is iedereen die in één god gelooft. Culturele monotheïsten zijn zij die geloven dat monotheïstische godsdiensten waardevol zijn voor de samenleving. Om het kort te zeggen: wie gelooft dat geloven goed is, is een cultureel monotheïst. Een voorbeeld van cultureel monotheïsme komt ook in de Volkskrant polemiek voor. Het stuk Religie moet ons fundament zijn is er een goed voorbeeld van.
Het is een aardig onderscheid en het biedt Cliteur de kans om de vraag te stellen of monotheïsme de samenleving nu iets goeds te bieden heeft of niet. Het antwoord is negatief. Het monotheïstisch geloof is geen fundament voor onze huidige samenleving. Het verdeelt de samenleving tegenwoordig meer dan dat het een bindend element vormt. Cliteurs sympathie ligt eerder bij cultureel polytheïsme. Polytheïstische godsdiensten, denk bijvoorbeeld aan de oude Grieken en Romeinen, hebben een samenleving meer te bieden. Omdat zij meer dan één god erkenden zijn deze godsdiensten toleranter tegenover andere religies. Er is immers niet één god die alle macht opeist, zo is de redenering. De filosoof David Hume wordt genoemd als mogelijke kandidaat voor de titel van groot voorvechter van deze beweging. Dit betoog vormt naar mijn idee het aardigste deel van het boek. Het is filosofisch van opzet, minder politiek gekleurd, origineel en fraai uitgelegd.In de voorafgaande hoofdstukken bepreekt Cliteur religieus terrorisme en gaat hij uitgebreid in op de Deense en Zweedse cartooncrisis. Deze hoofdstukken zijn minder verrassend en bovendien laat Cliteur zijn verontwaardiging nog wel eens de vrije loop. Hij heeft een uitgesproken hekel aan politieke correctheid en hekelt diegenen die gesuggereerd hebben dat de cartoonisten provocateurs zijn, of op één of andere manier de ellende over zichzelf hebben afgeroepen. Hij gaat hier tamelijk ver in: ‘… hoewel de tegenstanders van het experiment [het publiceren van de cartoons ? MJ] in de veronderstelling zijn dat zij de belangen behartigen van kwetsbare religieuze en etnische minderheden, zijn zij de facto de belangenbehartigers geworden van terroristen.’
Even daarvoor heeft hij zijn ergernis uitgesproken over de vermeende politieke correctheid van westerse intellectuelen die zich bezig houden met religieus terrorisme. Hij merkt op dat ‘verkeerde diagnoses’ van westerse intellectuelen wind in de zeilen blaast van het religieus terrorisme. Dat is nogal een beschuldiging. Opvallend is ook dat het juist de ‘verkeerde’ diagnoses zijn die in het voordeel werken van terroristen. Zou het ook kunnen dat een juiste diagnose terroristen in de kaart speelt?
Je zou uit een dergelijke opmerking af kunnen leiden dat, met het oog op de nationale veiligheid, men niet alles zo maar mag beweren. Je kunt dan iemand de mond snoeren door te zeggen: als je dat beweert help je de terroristen. Dat zou een vorm van politieke correctheid zijn en daar heeft Cliteur nu juist grote bezwaren tegen.Cliteur is een man van de rede. Zijn betoog is rationeel opgebouwd en daardoor vallen ongenuanceerde speldeprikjes extra goed op. Hij maakt de opmerking dat terrorisme ook echt resultaten oplevert en noemt de terugtrekking van Spaanse troepen uit Irak als voorbeeld. Bin Laden roemde de actie van de piepjonge Spaanse regering die kort na de aanslagen in Madrid in 2004 gekozen was. Om nu de relatie tussen de aanslagen en Bin Ladens woorden samen te vatten met de woorden terrorisme werkt, is wel erg kort door de bocht. Het zou betekenen dat de Spaanse regering na de aanslagen moreel verplicht zou zijn om in Irak te blijven. Zo’n standpunt doet sterk denken aan de uitspraak van Bush ‘Je bent voor of anders tegen ons’, wat overigens een variatie is op Mattheus 12:30. Het is een uitspraak die aan alle nuance een einde maakt.
Ook opmerkelijk vond ik dat Cliteur de PVV noemt als voorbeeld van een partij die het vrije woord verdedigt. Dat is op zijn minst onvolledig als je bedenkt dat het de PVV is die heeft gepleit voor een verbod op de Koran en de vrijheid van religie niet van toepassing acht op de islam.
De verontwaardiging die Cliteur ervaart bij de politieke correctheid van journalisten en politici verstoren de rationele opbouw van het betoog. Medestanders zullen weliswaar tevreden knikken en tegenstanders zullen wel geërgerd hun hoofd schudden, maar de serieuze lezer houdt zich liever aan het credo dat ook Cliteur ons als ideaal voorhoudt: het gaat er niet om dat zaken wenselijk zijn of niet , het gaat erom of ze waar zijn of niet.Het monotheïstisch dilemma is echter in hoofdzaak een goed leesbaar, rationeel betoog. Wie zich wil mengen in een polemiek, zoals die momenteel plaats vindt in de Volkskrant, doet er goed aan het boek te lezen. Er mee oneens zijn kan dan altijd nog.




