• Recensie door: Ina Bieze

    Recensie door: Ina Bieze

    Welke vorm van liefde is echter en kwetsbaarder, die tussen geliefden of die tussen ouders en kinderen? Is liefde altijd onvoorwaardelijk en gelijkwaardig? Pulkkinen zet haar lezers aan het denken als ze het familiegeheim onthult van een ogenschijnlijk heel normaal gezin.

    In haar roman Echt waar is de lezer getuige van een korte, heftige rimpeling in het huwelijk van twee gerespecteerde mensen: Elsa, een gerenommeerd  psychologe, en Martti, een beroemd schilder. Ze hebben een dochter, Eleonoora en twee kleindochters, Maria en Anna. Wanneer Elsa hoort dat ze ongeneeslijk ziek is en niet meer heel lang te leven heeft, menen beide echtlieden dat het tijd is om over hun geheim te vertellen. De lang verzwegen affaire van Martti zet daarna de verhoudingen binnen de familieleden op scherp. Het geheim blijkt pijnlijk en onverwerkt en te groot om niet verteld te worden.

    De toevallige vondst van een jurk in haar kledingkast, biedt Elsa de gelegenheid om haar kleindochter Anna te vertellen over de verzwegen liefdesaffaire van Martti met Eeva, de nanny van het gezin. Het is voor Anna het begin van de zoektocht naar deze geheimzinnige liefde van haar opa.

    Eeva is in 1964 studente in Helsinki. Ze  groeit op in een gezin van eenvoudige, hardwerkende boeren op het platteland van Kuhmo. Het zijn de jaren van de pil, de vrouwenemancipatie, de studentenopstanden en de groeiende kloof tussen ouders en hun kinderen. Als Eeva is aangenomen als oppas in het gezin van Elsa en Martti, moet ze in eerste instantie helemaal niets hebben van de hoogdravendheid en arrogantie van de kunstenaar. Juist die afwijzende  houding zorgt ervoor dat Martti verliefd wordt op de nuchtere, naïeve studente. Het is de vraag hoe oprecht zijn liefde is. Eeva’s liefde is echter onvoorwaardelijk en voor altijd. Juist die ‘bovenmatige liefde’ zal haar noodlottig worden.

    Hun relatie duur tot 1968, daarna pakt het echtpaar de draad van hun huwelijk weer op. Over Eeva wordt verder gezwegen, ook tegenover de  achtjarige  Eleonoora, die opeens haar vertrouwde ‘extra’ moeder moet missen. Pas op het moment dat Anna, vele jaren later, de jurk uit de kast van Elsa kiest, pakt Elsa haar kans om te praten.

    Martti verbreekt zijn stilzwijgen ook, maar dan tegenover een anonieme vrouw, een patiënte, net als Elsa ongeneeslijk ziek, die tegelijkertijd met hem in de wachtkamer van een ziekenhuis zit.

    ‘”En,” vroeg de vrouw, “wat was het moeilijkste?”………. 

     Hij hoorde het zichzelf zeggen. Om de een of andere reden was het helemaal geen probleem om het te zeggen: “Het moeilijkste was om van iemand anders te houden.”‘

    Riikka Pulkkinen heeft haar familiegeschiedenis op een mooie, goed doordachte manier gestructureerd. De onderlinge relaties en het leven van Eeva worden heel gedoseerd, maar scherp blootgelegd. De lezer krijgt regelmatig een inkijkje in de gedachten van de verschillende personages en weet daardoor – soms beter dan de personages zelf – hoe er over elkaar wordt gedacht en waarom bepaalde beslissingen worden genomen.

    In de genummerde hoofdstukken volgen we de verschillende hoofdpersonen, Elsa, Martti, Eleonora, Anna en Maria, en worden de onderlinge relaties en karakters geschetst. Deze verhaallijn wordt doorbroken door gedateerde hoofdstukken waarin Eeva zelf vertelt over haar studententijd in Helsinki, haar tijd bij het gezin Ahlqvist en de tijd na de affaire. Natuurlijk ontbreken de maatschappelijke ontwikkelingen van de roerige jaren zestig niet en is er aandacht voor de vrouwenemancipatie, de pil en het protest van de studenten. Dat Eeva nog een tijd in Parijs doorbrengt, is in dat opzicht heel passend.

    Deze structuur zorgt voor een aangename spanning, het maakt je nieuwsgierig naar wat er zich in de jaren zestig heeft afgespeeld en welke gevolgen dat nog steeds heeft voor de betrokkenen. De afwisseling van het perspectief, van alwetende verteller naar een vertellend ik-perspectief, maakt het verhaal levendig. De personages die Pulkkinnen schetst en hun gevoelens ten opzichte van elkaar, zijn geloofwaardig. Onzekerheid, schuldgevoel, woede, verdriet en heimwee: deze emoties zijn van alle tijden, net als de angst bij het vooruitzicht je ouders te moeten missen en de pijn bij het verlies van een kind. Ondanks hun onzekerheden en hun schuldgevoelens, zijn vooral de vrouwen de sterke karakters in deze roman. Ze zijn goed opgeleid, maken hun eigen keuzes en vertegenwoordigen het hedendaagse beeld van een geëmancipeerde vrouw. Pulkkinen maakt echter wel duidelijk dat echte liefde ook sterke, geëmancipeerde vrouwen kwetsbaar maakt.

    Het verhaal krijgt een extra dimensie als duidelijk wordt dat de geschiedenis zich lijkt te herhalen.

    ‘Een mens kan weglopen uit zijn eigen leven zonder afscheid te nemen, zonder uit te leggen waarom. Hij kan over de drempel stappen terwijl de ander achterblijft, huilend, schreeuwend, dagenlang op de grond in de gang liggend. Het is mogelijk “Tot morgen” te zeggen, ook al weet je dat je elkaar nooit meer zult zien.’ ( blz. 32)

    Echt waar is het tweede boek van de Finse auteur Riikka Pulkkinen. Ze debuteert  in 2006 met de roman De grens, waarvoor ze de prijs voor het populairste debuut van Finland krijgt en waarmee ze internationaal doorbreekt. Ook Echt waar krijgt lovende kritieken. In De Volkskrant van 3 september 2011 verschijnt een groot interview met haar door Arjan Peters, onder de titel ‘Ik ben een Augenblick-girl’. Het blijkt dat een aantal critici reeds spreekt van de ‘typische Pulkkinen-stijl’.

     

    Echt waar

    Auteur:  Riikka Pulkkinen
    Vertaald door: Annemarie Raas
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen (2010)
    Aantal pagina’s: 334
    Prijs: € 19,95, (e-boek: € 15,95)

     

     

  • Recensie door: Rosalien Koster

    Recensie door: Rosalien Koster

    De omslag en ook de titel voorspellen weinig goeds. Wie niet beter weet zou denken dat Van alles het beste een dertien in een dozijn chicklitromannetje is. De hele waarheid is dit alleen niet. Rona Jaffe schreef dit boek, over het wel en wee van vijf jonge ambitieuze vrouwen in New York, namelijk al in 1958.

    Jaffe, destijds eind twintig, baseerde Van alles het beste op haar leven en dat van haar vriendinnen. Haar bedoeling was, volgens eigen zeggen, om de harde werkelijkheid van het leven in een grote stad als New York, waar alles draait om succes en uiterlijkheden, voor het voetlicht te brengen. Alle drama’s in het boek ten spijt, werd de waarschuwing nauwelijks opgepikt. En masse reisden meisjes af naar New York om net als hun heldin Caroline een baan te zoeken bij een uitgeverij.

    Het is begin jaren vijftig. Caroline, een meisje van net twintig en recentelijk aan de kant gezet door haar verloofde, neemt een simpel baantje aan op de typekamer van een uitgeverij. Zo heeft ze in elk geval iets om handen. Bij dezelfde uitgeverij werken ook Gregg, een actrice in de dop, Mary Agness en Barbara die van haar schamele loon zowel haar moeder als haar kind moet onderhouden. Ook April gaat bij Derby Books als typiste aan de slag ondertussen dromend van een grootse carrière als actrice.

    Al snel ziet April in dat duizenden meisje dezelfde droom najagen en ze geen schijn van kans heeft. Gregg heeft net iets meer succes. Maar ook zij heeft de grootste moeite om een rol te bemachtigen. Tot diep in de nacht hangt ze rond op feestjes van the rich and famous in de hoop opgemerkt te worden door iemand die haar carrière een zetje kan geven. Als een beroemde toneelschrijver interesse in haar toont, stort ze zich dan ook vol overgave op hem.

    De vrijgevochtenheid waar Gregg prat op lijkt te gaan, blijkt een dun laagje vernis. Diep in haar hart wil ze uiteindelijk niets liever dan trouwen. Ook de rest van de meisjes in de typekamer dromen dat ze ooit net als Mary Agness, die druk bezig is voorbereidingen te treffen voor  haar aanstaande huwelijk, hun leven te kunnen wijden aan de man van hun dromen.

    De roeping van de vrouw is en blijft natuurlijk de zorg voor man en kind. En wie scheidt en met een kind achterblijft, zoals de door haar man in de steek gelaten Barbara, wordt met de nek aangekeken. ‘Als je trouwt, weet je niet zeker of je gelukkig wordt, maar als je trouwt en dan je huwelijk de rug toekeert, kun je niet gelukkig worden. Dan moet je ermee leven dat je wegloopt voor je verantwoordelijkheid.’

    Dat de mannen niet direct te porren zijn voor een huwelijk, merken alle meiden aan den lijve. Tot vermoeienis toe wordt de lezer in razend tempo op de hoogte gehouden van alle grote en kleine dieptepunten in de zoektocht naar de ‘ware’. Bladzijde na bladzijde volgt de ene mislukte relatie de andere op. Geluk lijkt voor niemand weggelegd. Jaffe doet er alles aan om alle romantische clichés in stand te houden. In dweperige bewoordingen ratelt ze maar door.

    Uiteindelijk is Jaffe natuurlijk niet anders dan een kind van haar tijd. Toch toont ze ook lef. Zonder veel omhaal van woorden, en zonder met een beschuldigend vingertje te wijzen, stelt ze taboes als abortus aan de kaak. Ook laat ze zien dat vrouwen wel degelijk hun mannetje kunnen staan. Zelfs in de door de mannen gedomineerde cultuur als de uitgeefwereld lukt het Caroline om op eigen kracht op te klimmen tot redactrice.

    Al moet ze hierbij wel de grijpgrage handjes en de denigrerende opmerkingen van de baas voor lief nemen. ‘Een vrouw moet niet proberen om zo te denken als een man, want dat kan ze niet, hoe hard ze ook haar best doet.’

    Dat het de normaalste zaak van de wereld is dat mannen kunnen doen en laten wat ze willen, ondervindt ook Barbara. Op een personeelsfeestje wordt ze rücksichtsloos ontslagen door de baas als zij weigert in te gaan op zijn seksuele avances. Ervan opkijken doet niemand. Tenslotte, boys will be boys.

    Een sociaal document noemt Jaffe haar eigen boek in het voorwoord dat ze schreef voor de Engelse heruitgave in 2005. Ze had geen betere typering kunnen bedenken. Hoewel het geen slecht boek is, en Jaffe in het bezit is van een prettige schrijfstijl, is het niet het verhaal zelf dat nog enige indruk maakt. Dat zijn wel de onuitgesproken zaken zoals de man-vrouwverhouding, verstopt tussen de regels, die onbedoeld een beeld laten zien van hoe het er werkelijk aan toe ging in de jaren vijftig. Al heeft Jaffe hier uiteraard zelf weinig voor hoeven te doen.

     

    Van alles het beste

    Auteur: Rona Jaffe
    Vertaald door: Petra C. van der Eerden
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 512
    Prijs: € 19,95,  E-book: € 15,95

  • Het maken van morele keuzes

    Het maken van morele keuzes

    ‘Had hij maar in slaap kunnen vallen en dan wakker worden in het besef dat het gewoon een droom was geweest, een boze droom die je het best zo snel mogelijk kon vergeten. Maar hij viel niet in slaap, al begroef hij zijn gezicht nog zo diep in het kussen.’
    De dertienjarige Michiel is de hoofdpersoon in Verraad me niet, de elfde roman van Tessa de Loo. Ongewild is Michiel getuige van een gewelddadig misdrijf. Hij vlucht weg, diep geschokt over het buitensporige geweld en vol ongeloof dat zijn broer erbij betrokken is. Die avond komt zijn achttienjarige broer Wolf aan de rand van zijn bed zitten. Met dreigementen en een beroep op broederliefde dwingt hij Michiel te zwijgen over wat hij gezien heeft. Op Michiels vraag of Wolf spijt heeft van zijn gruwelijke daad kijkt deze hem verbaasd aan. ‘Spijt? Dat is weer echt iets voor jou, om aan zoiets te denken…’

    Vanaf dat moment verandert Michiels leven in een nachtmerrie. ‘Door het geheim waarmee hij ongevraagd was opgezadeld, was hij verbannen naar een ijsvlakte op een onbekende planeet, waar geen menselijk leven was.’ De lezer zit diep in het hoofd van Michiel en bij vlagen leest het boek als een lange interne monoloog. Er gaat veel om in de puber: zijn gedachten buitelen bijna over elkaar heen. Hij analyseert de veranderingen in het karakter van zijn broer, hij probeert zijn gedachten en gevoelens over zijn onmenselijke dilemma (praten of zwijgen) op een rijtje te zetten en daarnaast dringen zich filosofische vraagstukken aan hem op. Vraagstukken die eigenlijk te groot zijn voor een jongen van dertien. ‘Was het beter een waarheid te kennen die je ongelukkig maakte, dan tevreden te leven in bedrieglijke onwetendheid?’ peinst Michiel. Maar ook de vraag of een toevallige bloedverwantschap een blinde solidariteit veronderstelt, is een vraag die hem intens bezig houdt.

    Blijkbaar is Michiel de enige in het gezin die het afglijden van Wolf ziet en erkent. ‘Het laatste jaar was het eigenlijk geweest alsof hij geleidelijk een broer aan het verliezen was, besefte Michiel.’ En met het getuige zijn van zijn broers daad van geweld is dit verlies definitief. De rol van de ouders is dubieus. Wolf komt en gaat wanneer het hem goeddunkt. Controle en werkelijke interesse ontbreken. Zijn ouders hebben geen idee waar hij uithangt, wat hij uitspookt of wat hem bezig houdt. Zijn ze tolerant of onverschillig? Ik neig naar het laatste. Vader maakt zijn optreden aan het eind van het boek deels goed, maar de houding van de moeder is onbegrijpelijk, zeker jegens haar jongste zoon. ‘Van buitenaf was niet te zien dat er een landmijn lag onder het gelukkige gezin. Die mijn was door de oudste zoon gemaakt, maar de ontsteking was in handen van de jongste.’ En Michiel is zich daar pijnlijk van bewust.

    Het maken van morele keuzes is een terugkerend thema in het werk van Tessa de Loo. Er moet een moeilijk, bijna onmogelijk besluit genomen worden. En welke beslissing haar hoofdpersoon ook neemt, zijn of haar leven zal hierdoor voorgoed veranderen. Ook het moeten aanvaarden van de consequenties van daden komt vaak terug bij De Loo. In Verraad me niet neemt Wolf geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn acties. Hij noemt het in elkaar slaan van een man ‘een geintje’, terwijl Michiel zó onder zijn dilemma lijdt dat de wereld om hem heen geleidelijk zijn kleur verliest. In zijn denkproces over Wolf, leert de jonge Michiel zichzelf kennen. Hij realiseert zich dat hij ‘een grijze muis van dertien is, die het toeliet dat zijn grote broer hem de mond snoerde.’ Zijn gedachten blijven maar rondjes draaien, maar na het lezen van een tekst in zijn biologieboek over chimpansees ontdekt Michiel het bestaan van het geweten. Hij denkt na over het hebben van een besef van goed en kwaad. En hij vraagt zich af waarom dit besef bij Wolf kennelijk niet of nauwelijks is ontwikkeld. Langzaam vallen de puzzelstukjes op hun plaats en Michiel realiseert zich dat hij een beslissing moet nemen. ‘Hoe zou hij zijn broer kunnen verraden zonder hem te verraden?’ En dan komt Michiel eindelijk in actie. Hij zet met een aantal weloverwogen handelingen een reeks gebeurtenissen in gang en kan daarna alleen hopen op een goed einde. Al weet hij dat, wat de uitkomst ook wordt, het einde nooit goed kan zijn. Zijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn.

    Verraad me niet is een prachtig boek. Het trekt je mee in de gevoelswereld en verwarrende gedachtestromen van een jongen van dertien. Tessa de Loo schrijft overtuigend, met originele beelden en treffende vergelijkingen die passen bij de belevingswereld van een puber. Er marcheert een colonne ijslolly’s over zijn ruggengraat als hij naar zijn broer kijkt en de wervelende gedachten in zijn hoofd lijken op kwetterende parkietjes. Voor de lezer is Michiel een persoon van vlees en bloed. Je leeft met hem mee, wilt hem helpen bij de moeilijke keuzes die hij moet maken, hem troosten, voor hem doen wat zijn ouders nalaten. De verhaallijn is sterk en de maatschappelijke problemen die aan de orde gesteld worden zijn actueel. En dat maakt deze nieuwe roman van Tessa de Loo herkenbaar voor een breed en zeker ook jeugdig publiek.

     

     

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Er zijn momenteel zeven miljard mensen op de wereld. Het cliché dat ieder mens uniek is, heeft als het om dergelijke aantallen gaat, bijna net zoveel betekenis als de uitspraak dat er miljarden kleuren grijs bestaan. De massa is een grote, eenvormige vlek en wie kleuren wil onderscheiden, moet zich beperken tot een klein, select gezelschap. Meestal hebben we belangstelling voor mensen die we ontmoeten, ons interesseren of waar om één of andere reden onze belangstelling naar uit gaat. Maar een groot deel van de massa zal altijd onbekend blijven. Hoe zou je daar iets aan kunnen doen? Een manier is om een willekeurige steekproef te nemen en een aantal willekeurig uitgekozen personen hun verhaal te laten vertellen.

    Het lijkt erop dat de mensen die in het woord komen in Familiealbum van Sandra Heerma van Voss, willekeurig gekozen zijn. Het boek bestaat uit vijftig foto’s van gezinnen waarbij één van de geportretteerden uit elk gezin herinneringen ophaalt. De gezinnen zelf zijn niet uitzonderlijk. Ze hebben voor een camera geposeerd zoals zoveel anderen. Nu staan ze in zwart-wit of kleur afgebeeld, met witte cijfertjes in rode bolletjes bij hun hoofd, zodat je hun namen, geboortedatum en beroep kunt nakijken. Ze staan op de foto en ze kijken je uit een grijs of minder grijs verleden aan.

    De foto’s zijn niet opmerkelijk. ‘Zou ik ze op een rommelmarkt zien liggen, ik zou ze niet oppakken,’ schrijft fotograaf Hans Aarsman in het voorwoord. Het zijn foto’s uit de anonieme massa van gezinnen. Er zijn er zoveel van. Het zijn kiekjes. Links boven staat het jaartal waarin de foto genomen is met eronder een klein portretfotootje van de geïnterviewde.

    De foto’s beginnen pas tot leven te komen bij het lezen van de verhalen. Zijn die dan opmerkelijk, bijzonder of op één of andere manier de moeite waard? Het antwoordt luidt soms ja, soms nee en soms iets wat tussen die uitersten in ligt. Sommige mensen hebben nu eenmaal een verleden dat zich makkelijker laat vertellen dan dat van anderen.

    De Amsterdamse vrouw die haar alcoholische vader nooit iets kwalijk heeft genomen, ondanks de kinderhuizen die ze heeft gezien, maakt vrijwel meteen indruk. De foto waar ze over vertelt is die van een trouwfoto uit 1944, gemaakt op de trouwdag van haar zus. En in tegenstelling tot wat je misschien verwacht: ondanks de bezetting en schaarste, was de trouwerij een mooi feest.

    Zo zijn er wel meer verhalen die weten te boeien, zoals het verhaal over een gezin waarin vader moeder en de twee kinderen doof zijn, het relaas van een blinde vader die bewonderenswaardig door het leven gaat en het verslag van een benauwde gereformeerde opvoeding naar aanleiding van een foto met veel blij lachende gezichten. En er zijn af en toe kleine anekdotes waarachter drama schuil gaat:

    ‘Op de begane grond woonde Wimpie met zijn ouders. Wimpies vader was er nooit, ze zeiden dat hij in het ziekenhuis lag. Wimpie had hele mooie dinky toys dus ik wilde graag bij hem spelen, maar van mijn moeder mocht dat absoluut niet. Op een dag ging ik toch. Mijn moeder kreeg het in de gaten en kwam me halen, compleet hysterisch. Wimpies vader bleek in de gevangenis te zitten; hij was NSB’er. Wimpies moeder was actief geweest in de jeugdstorm. ‘

    Niet alle levens bevatten indrukwekkende gebeurtenissen. Sommige zijn te gewoon om te kunnen boeien en nauwelijks het navertellen waard. Maar Familiealbum wil iets meer zijn dan een verzameling familieverhalen. Het bevat een chronologische ordening en het lezen van kaft tot kaft van dit boek doet je op een manier door de tijd reizen die af en toe op een merkwaardige manier weemoedig maakt. Met elk volgend gezin kom je dichter bij het heden, kom je dichter bij de dagen die je zelf beleefd heb. Op die manier begint al het grijs, dat van het verleden en dat van de anonieme gezinnen, langzaam kleur te krijgen.

    Sandra Heerma van Voss publiceerde de gezinsfoto’s met bijbehorende verhalen eerder in de weekendbijlage van NRC Handelsblad. Zo bij elkaar en opgenomen in een boek dat de vormgeving van een ouderwets familiealbum heeft gekregen, doen ze het nog iets beter dan in de krant. Wie de reeks verhalen in volgorde leest, ziet de tijd verglijden en de grote geschiedenis op een fragmentarische manier zichtbaar worden.

    Maar wie goed leest ziet, kan echter ook de bewuste poging om de geschiedenis te vangen in de verhalen zien doorschemeren. Lijkt de keuze van de gezinsfoto’s op eerste gezicht nog willekeurig, al lezende blijkt dat de gezinnen een representatief beeld van Nederland moeten geven. Van willekeur blijkt helemaal geen sprake. Vooral tegen het eind van het boek gaat dat lichtjes irriteren. De opgevoerde personen lijken dan eerder types die een tijdsbeeld moeten representeren in plaats van levende individuen. Zo maken we kennis met o.a. een kind van hippies, de dochter van een BOM-moeder, de HIV-patient, de transseksueel, de politieke vluchteling, de gastarbeider, de Surinamer en ten slotte de hoog opgeleide Nederlandse Marokkaan die terug gaat naar zijn geboorteland. De crisisjaren, de bezetting en de wederopbouw zijn dan al in typerende gezinsverhalen langsgekomen.

    Familiealbum zou je een voorbeeld kunnen noemen van wat microgeschiedenis is gaan heten: persoonlijke verhalen van mensen, die bij elkaar genomen een beeld geven van het verleden. Maar de verhalen zijn voor een systematisch, historisch overzicht wel erg kort en er is geen thema dat hen onderling verbindt. Er zijn alleen de gezinsfoto’s die de verhalen structuur en richting geven. Bovendien is het voor een geschiedkundig verslag wel merkwaardig dat een aantal gezinnen is gekozen omdat hun verhalen een goed beeld van de geschiedenis zouden geven. Je zou willen dat het andersom was, namelijk dat uit willekeurige gezinsverhalen een beeld van de tijd naar boven komt, ook als dat beeld niet overeenkomt met wat je voor ogen hebt.

    Heerma van Voss heeft de gezinsherinneringen terug gebracht tot een monoloog waarin korte zinnen benadrukken dat dit verhaal mondeling verteld wordt. Het kan haast niet anders of ze heeft daarbij veel meer gedaan dan het nauwgezet weergeven van de uitspraken van de geïnterviewden. Wie de verhalen achter elkaar leest, merkt op dat de wijze van vertellen van persoon tot persoon nauwelijks verschilt. Ook vallen andere stilistische overeenkomsten op. Een aantal personen praat over hun ouders door ze bij de voornaam te noemen, alsof het personages zijn, en gebruikt daarbij de verleden tijd. Zo vertelt bijvoorbeeld Michael in het laatste verhaal hoe zijn ouders elkaar hebben leren kennen:

    ‘Elyane was rond de dertig en vrijgezel toen een vriend haar een keer meevroeg op een avondje uit.’

    Kortom, de hand van Heerma van Voss is een aantal keren goed zichtbaar, waar ze dat juist niet zou moeten zijn. Ten eerste in de wel heel gerichte selectie van de gezinnen en ten tweede in de stilistische aanpassing van de interviews. Dat laatste heeft overigens ook voordelen. Elk verhaal is een duidelijk leesbare eenheid die past binnen het formaat van de krantenrubriek. Ook die eenvormigheid, opgeteld bij de chronologische herhaling heeft een effect op de lezer.

    Kijk bijvoorbeeld eens naar het werk I got up van de Japanse, conceptuele kunstenaar On Kawara. Tussen 1968 en 1979 stuurde hij aan vrienden en collega’s elke dag een ansichtkaartje, met daarop de tijd waarop hij opgestaan was en het adres waar hij die dag verbleef. Op zichzelf zijn de ansichtkaarten niet erg interessant, maar samen vormen ze een spoor in de tijd dat op een merkwaardige manier weet te boeien.

    Familiealbum heeft meer inhoud dan Oh Kawara’s ansichtkaarten. Maar uiteindelijk is de boodschap niet erg veel anders. De tijd stroomt voorbij en wat blijft is een oceaan aan herinneringen.

     

    Familiealbum
    Een geschiedenis in 50 familiefoto’s.

    Auteur: Sandra Heerma van Voss
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
    Pagina’s: 128
    Prijs: 24,95

  • Recensie door:  Jaap M. Jansen

    Recensie door:  Jaap M. Jansen

    ‘Een man zei:
    het is onmogelijk om volmaakt gelukkig te zijn,
    hoe kortstondig ook

    en een engel sloeg hem neer’

    Met deze woorden begint een gedichtje in de bijzondere bundel Stof dat als een meisje (2009) van Toon Tellegen. Het is me toch een stel mooie woorden. Daar is Tellegen heel goed in, van gewone woordjes iets moois maken. Waar wij wellicht zouden beginnen met een uiting als ‘In het licht van de zilverende maan verzuchtte een droef man’, schrijft Tellegen ‘Een man zei’ op. Als je dat overtuigend kan, ben je een dichter.

    ‘Hmpf’, zult u nu uitbrengen, ‘hmpf, wat doet dat ertoe?’ ‘Misschien niet zoveel’, zeg ik dan. Maar misschien doet ‘het’ er ook wél een beetje toe. Dat valt te onderzoeken.

    De roman Een uur en achttien minuten, het literaire debuut van de NRC-redacteur Peter Zantingh, leest niet als een debuut. Het werk handelt over een groep West-Friese voetbalvrienden, van wie er één, Joey, geheel onverwacht zelfmoord heeft gepleegd. De ik-verteller is Johan, een in Utrecht studerend lid van deze vriendengroep. Na Joey’s dood keert Johan tijdelijk naar het ouderlijk huis terug om de rest van de vriendengroep bij te staan, en mee te helpen aan de voorbereiding van de begrafenis. Het boek bestaat uit zes delen, gelijk de zes dagen waarin de plot zich afspeelt. De hoofdstukjes – steeds een paar per dag – zijn kort; verleden en heden worden, zonder veel verwarring, afgewisseld.

    Het gedicht van Tellegen gaat verder:

    ‘de man richtte zich op
    en fluisterde: of zou…’

    Ingehouden, klein, maar niet aanstellerig. Bij Tellegen geen sensatie, geen diepe psychologische observaties. Bij Zantingh evenmin: alles wat in dit boek gebeurt, is levensecht. Hij heeft geen ‘romanverhaal’ geconstrueerd, geen filmscènes erin aangebracht. Elk personage is volledig geloofwaardig, elke herinnering, ja zelfs elke mijmering van de ik-figuur. Had in de flaptekst gestaan: ‘Gebaseerd op ware gebeurtenissen’, dan had niemand daaraan getwijfeld. Dit is realisme pur sang. Vanaf de eerste bladzijden leef je mee met de personages: geen romantypes als Henri Osewoudt, Charles Bovary of Onno Quist, maar gewóne jongens, jongens die elke zaterdag een thuis- of uitwedstrijd hebben, jongens met bijbaantjes, vriendinnetjes, uitgaansfeesten en katers. En dat maakt dit werk beangstigend intens: alles is zo verdraaid écht.

    ‘bedacht één mogelijkheid,’

    Het bevreemdende aan de gedichten van Tellegen is, dat je als lezer bij elke versregel denkt: och, dat had ik zelf ook wel kunnen schrijven. En toch komt iedereen hierin bedrogen uit, want niemand kan zo schrijven. Je moet je eigen vocabulaire zó goed kennen, dat je telkens precies dat ene woordje kiest dat mensen kan raken. En dat kan niemand. Ook Zantingh niet – doch hij komt, op zijn eigen manier, wel heel erg in de buurt.

    U moet het u als volgt voorstellen: normaliter gooit een schrijver een immense bak aan woorden op zijn papier, om vervolgens alle overtollige woorden weer te verwijderen; Tellegen en Zantingh echter zetten de ‘woordenbak’ naast zich op de grond, leggen hun papier (of, prozaïscher, laptop) netjes voor zich neer en pakken uit de bak telkens een enkel woordje. Het draait bij hen om de losse, naakte woorden, en om de meest voor de hand liggende betekenis van deze woorden. Dus geen – waar de huidige postmodernisten zich zó in uitleven – associatiechaos, geen ‘zoektocht naar de zin van een zoektocht naar de zin van het bestaan’, nee: gewone woorden, niet moeilijk doen.

    ‘één kleine, ingewikkelde, telkens verspringende en van aard verwisselende, uiterst kortstondige mogelijkheid,
    wiste het bloed van zijn gezicht,’

    In weerwil van al dit realisme en simplisme, haast ik me om te zeggen dat u nu niet moet denken dat Zantinghs debuutmeesterwerkje de diepgang van Jip en Janneke heeft. Integendeel, het heeft een complexe structuur waarbij een realist als Dickens zijn vingers zou aflikken. Hiermee doel ik niet louter op de vele flashbacks (die, om in voetbaltermen te spreken, bijzonder doeltreffend blijken), maar ook op Zantinghs prijzenswaardige vermogen om de kern van zijn verhaal niet onomwonden mede te delen, maar om deze te laten reflecteren in schijnbaar triviale herinneringen. En wat te denken van de ingenieuse uitwerking van het grondmotief van de roman, en de betekenis van de titel – is dit een roman in het genre ‘coming of age’, is het noodkreet om aandacht voor het hoge zelfmoordpercentage onder West-Friese jongeren, of is het iets anders?

    De laatste regel van Tellegens gedicht mag u zelf opzoeken.

    Debuutromans bepalen vaak het literaire aangezicht van een auteur. Is het een dromer, een provocateur, een filosoof, een activist, een verteller? Literatuurcritici grijpen zo’n debuut aan om voorspellingen te doen: dit wordt de thriller-Reve, de Voskuil van de 21ste-eeuw, dé geglobaliseerde opvolger van Vestdijk, etc. Overigens is dit nimmer waar gebleken, maar ach, een recensent wil ook wel eens gewichtig doen, en ik hoop dat u begrijpt dat ik hierin niet kan achterblijven.
    Humhum. (Ondergetekende schraapt zijn keel.)

    Peter Zantingh wordt (of is) de prozaïsche tegenhanger van Toon Tellegen. Dat stel ik, bij dezen. November 2011. Over een halve eeuw, nadat deze getalenteerde NRC-fellow voor zijn grootse poëtisch-prozaïsche oeuvre de Constantijn Huygensprijs in ontvangst heeft mogen nemen, praten we verder.

     

    Een uur en achttien minuten

    Auteur: Peter Zantingh
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 195
    Prijs: € 18,50

  • Recensie door: Joost van der Vleuten

    Recensie door: Joost van der Vleuten

    In Krombeke retour / Deerlijk retour bundelde Gruwez oude en nieuwe stukken – brieven, een dagboek, beschouwingen, verhalen, herinneringen – over zijn voorouders. Het boek is bileesbaar. Wie het openslaat aan de Krombeke-kant krijgt het verhaal van vaderszijde. Wie het omdraait en opnieuw opent belandt acht kilometer verderop in Deerlijk, aan moederszijde. In het eerste deel wordt herinnerd en herdacht, in het tweede vooral geleden en gestorven.

    Het Krombeke deel is lichter verteerbaar dan dat van Deerlijk. Gruwez puzzelt in ‘Fantoomzaad’ het verleden van zijn betovergrootmoeder Regina bijeen en gebruikt zijn fantasie om de aanzienlijke gaten in het archiefmateriaal op te vullen: een analfabete maar zinnelijke dame, die ongehuwd een kind kreeg en stug verzweeg wie de vader was. Het kind kreeg haar eigen achternaam: Gruwez. Zes jaar later trouwt ze alsnog met ene Cornelis Theeten, naar wie haar volgende zes kinderen worden vernoemd. Haar ‘eigen’ kleinzoon wordt de grootvader van de schrijver, en die legt ‘de maand dat mijn grootvader zal sterven’ vast in Het bal van opa Bing’. De oude man vocht in de Eerste Wereldoorlog, is vlashandelaar in ruste en probeert zijn overleden broers en zussen in kleurrijke verhalen in leven te houden. Gruwez onthoudt voornamelijk hun einde. De zus die zo mooi zong dat ze voor de Brusselse opera werd gevraagd krijgt kanker. Een leuke oom die zo lollig uit de hoek kon komen zit met vrouwlief in de achtertuin als een bom op zijn hoofd valt, een andere kwijnt weg nadat zijn vrouw met de noorderzon is vertrokken en een derde keert als berooide malariapatiënt terug uit Amerika, waar hij het helemaal gemaakt had – zei hij.

    Historisch materialistische troost
    Ook aan zijn eigen onsterfelijkheid timmert opa Bing. Hij zegt tegen zijn kleinzoon: ‘Later moet jij over mij schrijven’ en doet hem Het juiste woord van dr. L. Brouwers cadeau. Het is de eerste steen van Gruwez’ schrijverschap. Het verhaal over de laatste dagen van opa Bing heeft ook hilarische kanten. Gruwez, die studeert in Leuven, zoekt troost bij ene schele Annie. Op haar studentenkamer stort hij eerst zijn hart uit over opa, waarna hij historisch-materialistisch verantwoord de liefde met haar mag bedrijven – want de tijden zijn vervuld van Marx en studenten zijn nog warrige idealisten die mensheid willen redden. Het levert een raak tijdsbeeld op. Als opa de dood in de ogen kijkt, gaat Gruwez nog één keer naar Annie, bezorgt haar d’r eerste orgasme en neemt schielijk de benen. In een korter stuk wordt Oma Margriet herdacht; een vrouw op de achtergrond, die altijd maar schoonmaakte en verder zo min mogelijk wilde bestaan. Het is ‘het verhaal van wie nooit een verhaal heeft gehad. Of een dat nooit meer volledig te achterhalen is. Het verhaal van een leven dat net zo goed dat van een dag zou kunnen zijn. Zo monotoon, zo schimmig, zo doezelig.’

    Vreemde wezens in de lamp
    In het ‘Deerlijk’-deel wordt de sfeer grimmiger. Alleen het begin al. Na zijn geboorte wordt de kleine Luuk ondergebracht bij zijn grootouders, omdat zijn moeder geelzucht heeft gekregen. Het jongetje weet daar een schuldcomplex van te brouwen waarin geboorte en dood elkaar de hand reiken: ‘Louter en alleen door geboren te worden was ik de moordenaar van het meisje in haar en vervolgens had ik dat postume meisje in geel geverfd, waarna ik haar geleidelijk aan had opgeblazen tot een weldoorvoede matrone.’ Dat komt nooit meer goed, denk je dan, dat wordt vast een schrijver. En inderdaad; als in 1983 zijn moeder in coma raakt en sterft, besluit Gruwez iedere twee weken een weekend door te brengen bij de grootouders waar hij in zijn jeugd gelukkig was. Tien jaar later – beide zijn nog in leven – begint hij een dagboek bij te houden. De textielfabriek is verkocht, de stoffen liggen te vergaan in een magazijn, en de oudjes hebben zich teruggetrokken op de benedenverdieping van hun versleten huis. ’s Avonds trekt Gruwez zich terug in de badkamer op de eerste verdieping, waar hij op de wc rokend en schrijvend vastlegt wat zich beneden heeft afgespeeld. Daar is het een en al verkalking en aftakeling. Ooit was grootmoeder Liesje een droom van een oma, zeer geliefd bij het personeel van de textielfabriek – in tegenstelling tot haar man de directeur. Nu heeft ze Alzheimer, is steeds minder aanspreekbaar, herkent steeds minder mensen, ziet vreemde wezens door de lamp kruipen, en uiteindelijk ziet ze en begrijpt ze vrijwel niets meer. Verschrompeld en verwezen bladert ze door oude tijdschriften, waarin ze de prinsen en filmsterren nog wél herkent. Ook grootvader Lucien – een brompot die ‘Knor’ wordt gedoopt – sukkelt achteruit. Hij sleept zich van attack naar valpartij naar maagbloeding, is schaamteloos incontinent en kan geen wind binnenhouden – en drinkt gestaag door. De oudjes leven langs elkaar heen in schimmelende en stinkende kamers, waar opa’s pyjamabroeken nat gezeken over de verwarming hangen. ’s Avonds gaan de rolluiken vroeg naar beneden en moet de tuindeur gebarricadeerd met een stofzuiger, als om de dood buiten te houden. De jaren verstrijken en er wordt nauwelijks meer geleefd, maar ook niet gestorven.

    Klootzakken van ogen
    De zwarte strontsporen door het huis na een maagbloeding van Knor, de doorligplekken en verdorde borsten van Liesje, geen detail wordt overgeslagen. Gruwez schrijft dat hij zelf op het preutse af gesteld is op zijn privacy, maar een groot liefhebber is van intimiteit: ‘Intimiteit heeft grote ogen nodig. Pas wanneer die dichtgaan en niemand nog naar Liesje kijkt, houdt zij werkelijk op.’ Het klinkt goed, maar verklaart niet alles, niet de obsessieve aandacht voor ziekte, dood en waanzin. De beklemming die de lezer bekruipt wordt af en toe opgeschort door een scheldkanonnade van Knor, een moment van helderheid van Liesje, of het verslag van een bezoek aan een schizofrene tante. Maar ook daarin klinkt de grondtoon van het boek door. Lezend in een weekblad stuit Gruwez op een citaat van Roland Topor: ‘De natuur is tegen mij, want ze leidt tot de dood. De natuur heeft geen humor.’ Desondanks zijn er de schaarse heldere en ontroerende momenten van oma, een bespiegeling over een literair optreden van de schrijver in eigen dorp, en er is goddank het schilderachtige gevloek waarmee grootvader Knor de wereld te lijf gaat. Als hij de ondertiteling op tv niet meer kan lezen scheldt hij: ‘Gij stomme klootzakken van ogen.’ Aan weermannen heeft hij een hekel: ‘Die denken allemaal dat ze madame Soleil zijn. Maar die heeft tenminste nog een glazen bol. Zij hebben alleen maar lucht.’ In 1997 stopt Gruwez met zijn dagboek en een jaar later overlijdt Liesje. Knor verzucht: ‘Ze is verdwenen zoals een wolkske soms verdwijnt.’ In 1999 sterft ook hij.

    Het boek eindigt hoe dan ook met het verhaal Zilverbrokaat, over de moeder van Gruwez. Het staat tweemaal middenin het boek, spiegelbeeldig tegenover elkaar. Ooit liep het hele dorp uit, toen Gruwez’ moeder – de mooiste vrouw van het dorp – trouwde, in een jurk van zilverbrokaat. Uit die jurk wordt een doopkleed gemaakt voor Luuk.  En weer veel later, als zijn moeder is overleden en zijn grootmoeder op de drempel van de dementie staat, doet die hem het ding cadeau. ‘En ik wist wat zij bedoelde. Haar eigen einde, het einde van haar dochter, mijn begin – alles ineen.’ Geboorte en dood grijpen in elkaar en de cirkel is rond. Hoe autobiografisch en fragmentarisch Krombeke retour… ook is, op de binnenpagina wordt het boek ‘een roman’ genoemd. Dat is het niet. Maar wat wel? Gedenkschrift of dagboek? Levensberichten of doodstijdingen? Van alles een beetje, bijeengehouden door de blik en de stijl van de auteur, en de kringloopachtige structuur. Gruwez richt al fijnschrijvend een monumentje op voor het bijna niet-meer-bestaan van zijn voorouders. De lezer blijft geraakt achter, maar ook wat ontredderd. In Krombeke en Deerlijk is leven nauwelijks nog te onderscheiden van sterven.

    Krombeke retour / Deerlijk retour

    Auteur: Luuk Gruwez
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2011)
    Aantal pagina’s:  166 + 80
    Prijs:  € 19,95, e-book € 15,95.

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Misschien zijn Amerikanen wel het best in staat het moderne levensgevoel uit te beelden. Vooral aan de westkust heeft de middenklasse ruimschoots de gelegenheid gehad om zonder oorlog en niet belast door een zwaar drukkend verleden de eigen genoegens uit te leven. Waar zoiets toe leidt wordt duidelijk in de boeken van Bret Easton Ellis, maar ook Jennifer Egan schrijft met verve over ontworteling en het verglijden van de tijd. Dat laatste komt ook tot uiting in de titel. De roman is meteen opgemerkt door de critici. En terecht. Het boek is als een narcoticum, dat een verslavend en duizelingwekkend gevoel teweegbrengt.

    Met een ongelooflijke dynamiek scheurt Egan door het moderne leven. Dat begint met Sasha, een kleptomane die tijdens het bemachtigen van een nieuwe buit, een damesportemonnee in het toilet, in gedachten een gesprek voert met haar therapeut Coz. De verteller schiet moeiteloos heen en weer tussen de twee verschillende werelden waardoor het verhaal een enorme vaart krijgt. Het moderne levensgevoel komt onder andere tot uiting in de leeftijd van Sasha die in werkelijkheid vijfendertig jaar oud is.

    ‘Ook nu nog kende zelfs Coz haar echte leeftijd niet. Eenendertig was de schatting die het dichtst bij haar werkelijke leeftijd was gekomen, maar de meesten meenden dat ze in de twintig was. Ze deed iedere dag aan fitness en bleef zo veel mogelijk uit de zon. Volgens al haar online-profielen was ze achtentwintig.’

    Als Sasha een monteur met een gereedschapsriem met daarin een glimmende schroevendraaier ziet, is ze verloren. ‘Er zat een prachtige schroevendraaier in waarvan het doorzichtige oranje handvat in de versleten leren lus glom als een lolly. De zilverkleurige, gebeeldhouwde schacht fonkelde.’

    Dit soort beeldende taal gaat het hele boek door, waardoor het leven in geur en kleur tot uitdrukking wordt gebracht. Hoofdpersoon Sasha is in het begin de assistente van Bennie, die een belangrijke rol in het boek speelt, waarin muziek een belangrijk thema is. Bennie is een latino uit de Bay Area en is, na zijn tijd als bassist in een band een belangrijk persoon in de muziekbusiness. Met zijn zoon Chris van negen, brengt hij na de scheiding met Stephanie bezoeken aan dokter Beet om opvoedkundig op het juiste spoor te blijven, hetgeen een duidelijk kenmerk van de moderne tijd is.

    Het is teveel om een samenvatting te geven van het verhaal, dat ook nog eens heen en weer schiet in de tijd. Verrassend is dat de verteller soms vooruitspringt en vertelt hoe het met bepaalde mensen verder gaat. Ook merkt de verteller eens op dat we afdwalen, hetgeen met zo’n grote cast bijna onvermijdelijk is. Wellicht kan men het beste de verschillende hoofdstukken als losse verhalen lezen, die dan op een of andere manier verband met elkaar houden door de erin optredende personen, die vaak niet eens geïntroduceerd worden. De verschillende verhaallijnen hebben niet eens zoveel plot, zoals in een hoofdstuk waarin Bennie vreemdgaat met een vriendin van Stephanie. Dit wordt door de laatste opgemerkt, omdat ze een haarspeld van haar vriendin in de broekzak van Bennie vindt. De lezer moet zelf aan het einde van het boek een en ander aan elkaar breien.

    Minder sterk is de powerpointpresentatie door Alison, de dochter van Sasha aan het eind van het boek, maar alles bij elkaar is Het bezoek van de knokploeg een overrompelende ervaring, die de lezer vol in het gemoed treft.

    Bezoek van de knokploeg

    Auteur: Jennifer Egan
    Vertaald door: Ton Heuvelmans
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 336
    Prijs: € 19,95

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Ongeveer een jaar geleden debuteerde de Duitse schrijver Frederich von Schirach in Nederland met zijn verhalenbundel Misdaden. In Duitsland was het eerder al een ongekend succes geweest en werd het snel gevolgd door een tweede verhalenbundel, Schuld, die nu in Nederlandse vertaling is verschenen.

    In Duitsland is Von Schirach inmiddels een beroemdheid. Zijn verhalen worden verwerkt tot televisieseries, hij heeft een column in Der Spiegel en er is zelfs sprake van een talkshow. Dat succes is wel enigszins te verklaren want zowel het grote publiek als de literaire kritiek vinden in Von Schirachs werk iets om enthousiast over te worden. De verhalen bevinden zich in het grensgebied tussen het misdaadgenre en het literaire, korte verhaal. Het zijn kleine literaire thrillers, een genre dat het bij het grote publiek toch al goed doet. Daarbij komt nog dat het literaire gehalte van de verhalen toegankelijkheid niet in de weg staat. Integendeel, Von Schirachs zinnen zijn zo eenvoudig, zo leesbaar en zo effectief dat lezen geen enkele moeite kost.

    Zoals zo velen was ik destijds dan ook behoorlijk enthousiast over Misdaden, over de sobere taal en de misdaadverhalen, geïnspireerd door zaken uit Von Schirachs praktijk als strafadvocaat, die nu eens niet draaien om de vraag wie nu precies iets vreselijks gedaan heeft. Ben ik ook zo enthousiast na het lezen van Schuld? Ja en nee.

    Ja, omdat de korte verhalen niet of nauwelijks verschillen van die in Misdaden.

    Nee, omdat de korte verhalen niet of nauwelijks verschillen van die in Misdaden.

    Eén van de beste verhalen in Schuld gaat over een echtpaar dat besluit anderen te betrekken in hun seksuele relatie. De man kijkt graag toe hoe anderen seks hebben met zijn vrouw. Beiden lijken er van te genieten maar Von Schirach weet zonder te oordelen meteen duidelijk te maken dat hier iets wringt, dat hier iets onderhuids op een ongezonde manier tot ontwikkeling komt. Als lezer kijk je naar een man die zijn vrouw bekijkt maar zichzelf niet ziet. Hij is zichzelf verloren, waarschijnlijk tijdens het kijken naar anderen die het met zijn echtgenote doen. Pas als een oude bekende, een vroegere schoolvriend zich meldt voor de gratis seks, gaat er iets mis. Of beter, er gebeurt iets dat laat zien dat er al die tijd al iets is misgegaan. De man slaat zijn oude schoolkameraad in een vlaag van opgekropte frustratie net niet dood, maar het scheelt niet veel.

    Von Schirach is op zijn best in het beschrijven van de aanloop naar de onvermijdelijke misdaad, niet zozeer in het beschrijven van de misdaad zelf, of de juridische afhandeling. Het is hem om de motieven te doen, de persoonlijke geschiedenis van een dader. De misdaad is in de beste verhalen een bijna noodlottig gevolg van eerdere gebeurtenissen.

    In het verhaal Vereffening mishandelt een man zijn vrouw. Ze heeft niet de kracht bij hem weg te gaan. Ze hebben samen een dochtertje en dat lijkt de belangrijkste reden te zijn om het geweld te blijven ondergaan. Het wordt steeds erger en de noodzakelijke vereffening komt steeds dichterbij. Op een gegeven moment wordt de man in zijn bed doodgeslagen. De misdaad ligt zo onontkoombaar in de lijn van het verhaal dat het er nauwelijks nog toe doet wie het precies gedaan heeft.

    Als Von Schirach op zijn best is, is misdaad noodlottig en onafwendbaar. Schuldig zijn is dan niet veel meer dan een etiket dat juristen en buitenstaanders hanteren. Het boek heeft dan ook een motto van Aristoteles meegekregen: ‘De dingen zijn zoals ze zijn.’

    Maar Von Schirach is niet altijd een meesterlijk schrijver en soms zit de misdaad hem in de weg. Dat wil zeggen, een enkele keer leidt de beschrijving van allerlei verwikkelingen tot een modaal misdaadverhaal. In De sleutel bijvoorbeeld, wordt gevochten, in drugs gehandeld, een auto gestolen, door een hond een belangrijk sleuteltje opgegeten, een man ontvoerd en net niet gemarteld, een ander hardhandig gearresteerd en wordt er langdurig een pistool in een mond geduwd. Het is allemaal spannend, bij vlagen ook nog hilarisch, maar we kennen zulke verhalen al zo goed. We hebben iets dergelijks al zo vaak langs zien komen op TV of film.

    Iets anders wat mij niet beviel bij het lezen van Schuld is dat ik de opbouw van Von Schirachs verhalen soms moeiteloos kon voorspellen. Zo maakt hij vaak gebruik van een enkele zin die de spanning opvoert door alvast een voorschot te nemen op de misdaad waarvan we weten dat die komen gaat. Bijvoorbeeld in het openingsverhaal Volksfeest komt de volgende zin voor: ‘Het waren hele gewone mannen, en niemand had verwacht dat zoiets zou gebeuren.’

    Op het moment dat we dit lezen hebben we nog geen idee wat met ‘zoiets’ bedoeld kan worden. Met een dergelijke zin is op zich niets mis, maar wel erg veel van Von Schirachs verhalen bevatten zo’n spanningsopbouwende zin, die zinspeelt op het naderende noodlot. In het verhaal De Ander bijvoorbeeld staat de zin ‘Maar toen was die kwestie in de hotelsauna voorgevallen en die had alles veranderd,’ waarbij de lezer nog geen idee heeft wat er in welke sauna is gebeurd. Ook de zin ‘Vlak na de kerstvakantie betrapten ze hem’ uit het verhaal De illuminaten is er zo één. Waarop de hoofdpersoon betrapt wordt is op het moment dat we de zin tegenkomen nog totaal onduidelijk. Kortom, de structuur van de verhalen wordt af en toe wat voorspelbaar en zo is de herhalende kracht van de verhalen tegelijkertijd hun zwakte.

    De verhalen in Schuld zijn iets harder, iets gewelddadiger dan die in Von Schirachs debuut. Maar Schuld is in alle opzichten een voortzetting van Misdaden, waarbij het gevaar van teveel van hetzelfde soms waarheid wordt. Wat echter steeds de moeite waard blijft, is om te zien hoe Von Schirach met kleine, eenvoudige zinnen grote effecten kan bewerkstelligen.

    Tijdens het lezen van Schuld had ik dezelfde gedachte als tijdens het lezen van Misdaden, alleen was de gedachte nu wat dwingender: ik zou Von Schirach zich wel eens willen zien wagen aan iets anders dan het korte misdaadverhaal. Aan iets dat niet gebaseerd is op de zaken uit zijn juridische praktijk, iets van meer omvang. Misschien een roman, misschien iets over zijn grootvader.

    Baldur von Schirach, de grootvader van de schrijver van Schuld en Misdaden, was jarenlang hoofd van de Hitlerjugend. Een dergelijke familierelatie kan een schrijver in zijn werk nauwelijks negeren, zou je denken. En inderdaad, op het moment dat Schuld in Nederland verschijnt, is in Duitsland Der Fall Collini uitgekomen, over de moord op een Italiaanse officier tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een roman waar in ook de grootvader een kleine rol schijnt te spelen. Zo kan voorspelbaarheid ook iets zijn om naar uit te kijken.

     

    Schuld

    Auteur: Frederich von Schirach
    Vertaald door: Hans Driessen en Marion Hardoar
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 148
    Prijs:  € 16,95

     

     

  • Recensie door: Joost van der Vleuten

    Recensie door: Joost van der Vleuten

    Een hand om het geleefde van tafel te vegen

    Fleur Bourgonje (1946) werd vooral bekend als de schrijfster die in reisboeken, romans en rapporten verslag deed van de Zuid-Amerikaanse dictaturen waar ze in de jaren zeventig leefde: het Chili van Salvador Allende, het Argentinië van de staatsgreep en Venezuela, waar tegenwoordig Chaves de populist uithangt. Die achtergrond kwam tot leven in het doorbraakboek Spoorloos uit 1985. Haar maatschappelijke bewogenheid blijkt niet alleen uit haar romans en reisboeken, maar ook uit een studie over het verband tussen armoede en prostitutie in Nederland, een libretto over de Frans/Peruaanse strijdster voor vrouwenrechten Flora Tristan en een hoorspel over de 17e eeuwse Mexicaanse dichteres Sor Juana Inez de la Cruz (1651 – 1695). Inmiddels woont Bourgonje al weer jaren in Nederland, maar dat heeft haar reis- en schrijflust niet geblust, ook al bleef ze dichter bij huis in haar laatste boeken: de romans Stromboli en Verdwijnpunt en de dichtbundel Hartenbeest (2009).

    In juni verscheen haar dichtbundel Lichtstraat. Het barre buitenland heeft daarin plaatsgemaakt voor het gedachtenleven van een vrouw die ouder wordt en zich machteloos verzet tegen het grote opruimen van de tijd. Centraal in de bundel staat de cyclus ‘Lichtstraat’, gewijd aan het reilen en zeilen in de grote open ruimte op de begane grond van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwen Gasthuis. Daar zijn ziekte en verlies, ontheemding en eenzaamheid aan de orde van de dag.

    Er worden gedichten gewijd aan medische onderzoeken, patiënten die de weg kwijt zijn, de kapsalon, de rokersplek in de binnentuin, de kapel en een ontheemde allochtoon (‘Morgen rond deze tijd komt hij / bij en zal dan stamelen in zijn moederstaal’). De ik-figuur deelt haar observaties en overpeinzingen met de lezer op een nuchtere parlando-toon: goed gezien en opgeschreven, zonder opsmuk of beeldpraal. Het maakt de gedichten toegankelijk, maar soms ook wat vlak. Meer gedachte dan gedicht, en dat leidt tot verkapt proza. En soms komt ze niet verder dan een wrange cabarettekst, over een bon voor ‘elfde keer gratis knippen’ bij de ziekenhuiskapper. Daaraan ontstijgt de auteur als ze tot emotionerende inzichten komt, of als die juist aan haar formuleervermogen dreigen te ontsnappen. Dan zet ze rijmende regels in, die vaak ook een dwingender cadans krijgen. Of ze laat de taal hakkelen, waardoor de lezer directer kan meevoelen met haar ontreddering. Soms raken haar gedichten dan aan die van Kopland, soms aan die van Hagar Peeters.

    De bundel heeft veel te bieden, veel meer dan de centrale reeks. In de openingscyclus van 6 gedichten wordt de tijd uitgedaagd: ‘Kom naar me toe jij, kom binnen […] / doe of je voeten hebt, een hand / waarmee je groet, een andere / om het geleefde / van tafel te vegen.’ Vervolgens wordt de tijd aangespoord haar terug te sleuren naar haar vroegste kindertijd ‘Ik word gewiegd op de maat / van wie me draagt en aldoor / op de plaats houdt, middenin’ en krijgt hij het bevel: ‘Zet alle uurwerken gelijk / en stil, ik kan als ik dat wil / de adem inhouden […].’ Dan volgt de uitnodiging: ‘Toe slaap met mij. Omhels het niet / en nergens zijn, het dode punt, / oog van de wind noch uitgespeelde vrouw / maar harde kern ertussenin.’ De onverbiddelijke tijd proberen terug te draaien, de dood zien te bedriegen – daarin falen, en daar dan over schrijven. Bourgonje is beslist niet de eerste die dat doet. Zie Gerrit Achterberg of Slauerhoff, in een aantal gedichten uit Saturnus en zijn verhaal ‘Het lied zonder einde’. Ook Bourgonje dwaalt tussen onsterfelijkheid en vergetelheid. Herkenbaar, maar het wordt soms voorspelbaar. Moeder roept kind terug in haar schoot, maar dat  loopt van haar weg, haar eigen leven en moederschap tegemoet. Een dode is woordeloos als een zuigeling, en wieg en graf kunnen samenvallen. Een bezoek aan de Niagara watervallen roept het overlijden van haar moeder op, met sterke regels als ‘Een foto is bij lange na de dode niet’, maar ook een wat pathetische uitsmijter: ‘Verdraag dat je mijn moeder was / en ik je hier pas vond.’

    Andere reeksen zijn meer bedacht – zoals de driedelige reeks ‘Het spel’ met de titels ‘Schaakspel’, ‘Naspel’ en ‘Overspel’, of dichterlijk commentaar bij nieuwsfeiten als een aardbeving en de Chileense mijnramp (en ja, ook de mijn kan zowel een graf als een baarmoeder zijn). Steeds weer doet de dichter een poging de levensbaan tot een cirkel te buigen en zo de tijd te verslaan. En onherroepelijk brengt de harde werkelijkheid die illusie om zeep. Wie wil stilstaan bij alles wat de tijd teweeg brengt en teniet doet, kan aan De lichtstraat zijn hart ophalen. De bundel is aansprekend en bij vlagen indringend. Soms is de toon te praterig, de vorm te vrijblijvend en zijn de beelden te evident. Maar toch: de algemeen menselijke thematiek maakt de bundel beslist de moeite waard. Het beste gedicht vind ik ‘Joert’, uit een reeks bij oude foto’s uit verre landen. Daar krijgt een kernachtig beeld een rake vorm, zonder gemijmer, maar met een inzicht als een paukenslag:

     

    De wereld is een vilten Joert, af te breken
    in een uur, opvouwbaar latwerk
    tussen touw, te dragen
    door een mager dier.

    Heelal rondom.
    Daarachter niets.

     

    Daar wil ik er meer van lezen.

     

    De lichtstraat.
    Gedichten

    Auteur: Fleur Bourgonje
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2011)
    Aantal pagina’s: 106
    Prijs: € 18,95

  • Superieur gemopper van een nietig mens

    Superieur gemopper van een nietig mens

    In het tweede deel van De kaart en het gebied wandelt Michel Houellebecq zijn eigen roman binnen. De manier waarop hij zichzelf introduceert, is een knipoog naar glossy interviews waarin ‘de mens achter de beroemdheid’ gretig wordt uitvergroot:

    ‘Hij belde aan, wachtte een halve minuut en de auteur van Elementaire deeltjes kwam opendoen, op pantoffels, gekleed in een ribfluwelen broek en een comfortable kamerjasje van ongebleekte wol. Hij nam Jed lang en nadenkend op en richtte zijn blik toen op het gazon met een mijmerende, droefgeestige uitdrukking die hem leek aan te kleven.’

    Houellebecq beschrijft zijn romanversie als een schurftige, eenzame man met een drankprobleem. Die introductie van zichzelf binnen het kader van een roman roept associaties op met Summertime, de quasi-biografie van Coetzee waarin hij een kritisch beeld van zijn overleden zelf laat schetsen. Maar waar Coetzee’s zelfportret adembenemend menselijk is, lijkt Houellebecq in eerste instantie vooral een lange neus naar de wereld – de Franse media in het bijzonder- te maken.

    ‘De wereld heeft genoeg van mij. En ik al evenzeer van haar’. Dit citaat van de dichter Charles d’Orléans koos Houellebecq als motto voor zijn boek. Het laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.

    In De kaart en het gebied  heeft de kunstenaar Jed Martin bekendheid verworven met een fotoserie van Michelinkaarten. ‘De kaart is interessanter dan het gebied’, was de titel van de bijbehorende tentoonstelling. Inmiddels werkt hij al geruime tijd aan een serie geschilderde beroepsportretten. In deze fase van zijn leven waarin hij worstelt met zijn laatste werk, (Damien Hirst en Jeff Koons verdelen onderling de kunstmarkt), zijn combiketel en zijn herinneringen, vraagt Martin de schrijver Michel Houellebecq een inleiding bij zijn catalogus te schrijven.

    Hun eerste ontmoeting vindt plaats in Ierland waar de schrijver op dat moment woont.  Na een avond in zijn gezelschap te hebben doorgebracht, besluit Martin een portret van Houellebecq te schilderen. Wanneer hij de schrijver een paar maanden later opzoekt met een fles dure wijn, treft hij ‘de auteur van Weerbaarheid’ in een zekere staat van verwaarlozing aan:

    ‘”Eén fles maar?” vroeg de auteur van Het streven naar geluk, terwijl hij zijn nek strekte naar het etiket. Hij stonk een beetje, maar minder dan een lijk; het had al met al slechter kunnen gaan.’

    Na de tentoonstelling die hem puissant rijk heeft gemaakt, gaat Martin nog één keer bij de schrijver langs, dit keer om hem zijn portret te overhandigen. Houellebecq is inmiddels teruggekeerd naar Frankrijk en heeft zijn intrek genomen in het huis op het Franse platteland waar hij zijn kinderjaren heeft doorgebracht.

    Zoals Martin al voorvoelt, is het hun laatste ontmoeting. Niet lang daarna zal de schrijver bruut aan zijn einde komen en samen met zijn hond Plato gefileerd tot kleine stukjes vlees als Action Painting op de vloer van zijn huiskamer door de plaatselijke gendarmerie worden aangetroffen. Jed Martin stopt met schilderen en richt zich in de laatste jaren van zijn leven op het filmen van afgedankte computermoederborden.

    Deze schrale plot lijkt niet meer dan een alibi voor de schrijver om uitgebreid te fulmineren en te filosoferen. Die schraalheid betreft ook de geschakeerdheid van de (mannelijke) personages die de roman bevolken. Zonder uitzondering zijn het opzichtige pendanten van de schrijver: bordkartonnen Houellebecqjes die zich mensen- en relatiemoe uit de wereld hebben teruggetrokken.

    Maar steeds als de eenkleurigheid van zijn personages gaat tegenstaan, volgt er weer een onverwachte geestigheid die veel goedmaakt. ‘Ik ben teruggevallen… Ik ben qua charcuterie helemaal teruggevallen.’ laat hij Houellebecq ergens sip constateren.

    Wat mij wel voor de mannen van Houellebecq inneemt, is hun eeuwige geaarzel dat zelden gaat over hoe zij zouden moeten handelen, maar altijd over wat zij zouden mogen verwachten van het leven. Toch mept Houellebecq ons keer op keer weg bij zijn personages. Steeds wanneer een karakter al te menselijke trekken vertoont, volgt er weer een ironisch, afstand scheppend intermezzo. Iemand ziet de siliconenborsten van zijn vrouw als haar grootste kwaliteit. Er wordt superieur gejammerd over een lievelingsparka die niet meer in productie is. De arts van de euthanasiekliniek die Houellebecqs vader heeft geholpen, krijgt een muilpeer en de commissaris die belast is met het onderzoek naar de moord op de schrijver, betreedt de plaats delict uiteraard op Maigreteske wijze:

    ‘Zodra hij het portier van de Safrane opendeed begreep Jasselin dat hij voor een van de ergste momenten van zijn loopbaan stond. Op een paar passen van het hek zat luitenant Ferber lethargisch met zijn hoofd tussen zijn handen in het gras, volmaakt onbeweeglijk.’

    (…)

    ‘Langzaam, als een jongen die straf krijgt, keek Ferber op en wierp hem een klaaglijke, verbitterde blik toe.

    “Is het zo erg?” vroeg Jasselin zacht.

    “Nog erger. Erger kun je je niet voorstellen. Degene die dit heeft gedaan…zou niet mogen bestaan. Hij zou van de aardbodem moeten worden weggevaagd.”

    “We krijgen hem wel, Christian. We krijgen ze altijd.”‘

    Op de grafsteen van de vermoorde schrijver staat de afbeelding van een möbiusband. Het is alsof de auteur van Platform wil benadrukken dat we in ons leven ogenschijnlijk ergens naar toe gaan, maar dat aan het eind van onze rit de weg die we bewandelen gewoon de andere zijde blijkt te zijn van het pad waar we ooit begonnen.

    Dit duizeligmakende principe vlecht Houellebecq met steeds weer andere ballorige vondsten door zijn verhaal. Zo laat hij de schrijver aan het eind van zijn leven weer slapen in zijn oude kinderbed, en blijkt zijn doodskist een kinderkist van slechts 1.20m lang. Door zijn gefileerde toestand is hij ‘niet meer dan een klein, compact hoopje van veel geringere omvang dan een normaal menselijk lijk.’

    De kaart is interessanter dan het gebied. Kunst is belangwekkender dan de mens. Houellebecq kan er met zijn bladzijdenlange uitweidingen over kunst en zijn gemopper op de nietigheid van de mens geen genoeg van krijgen om dit te benadrukken. Tegelijkertijd ondermijnt hij met zijn geschmier, zijn treiterige cursiveringen en wikipedia-feitjes voortdurend het gewicht van zijn werk.

    ‘Ik denk dat ik het wel zo’n beetje gehad heb met de wereld als verhaal- de wereld van romans en films, de wereld van muziek ook. Ik interesseer me alleen nog maar voor de wereld als nevenschikking – de wereld van de poezie, van de schilderkunst’, verzucht de schrijver vlak voor zijn dood. Misschien is De kaart en het gebied niets anders dan de bewuste onttakeling van een roman.

     

     

  • Recensie door: Maria Noordman

    Recensie door: Maria Noordman

     

    Deze novelle heeft alles van een thriller: spannend geschreven, veel ‘halve verwijzingen’ naar gebeurtenissen waarop later zal worden teruggekomen, verwachtingen van spectaculaire onthullingen en een ontknoping.

    Het verhaal speelt zich af in de huidige tijd (rond het jaar 2000), voornamelijk in Brest. Plaats van handeling: een gezin (vader, moeder en twee zoons, waarvan er één de verteller is) waarin kennelijk iets heeft plaatsgevonden dat het daglicht niet kon velen, en waardoor er schande over de familie is gekomen. Daarnaast is er een grootmoeder, die stinkend rijk is geworden door de erfenis van de man met wie ze op hoge leeftijd is getrouwd. Het gezin is harteloos, de moeder is vooral bezig met het hooghouden van de goede naam, het beschermen van haar zoons tegen slechte vrienden, en, als dat niet lukt, het manipuleren van de omgeving zodat  anderen de schuld krijgen van de misstappen van haar gezinsleden. Een van die anderen is een vriend van de verteller, die tevens de zoon is van de huishoudster van de rijke grootmoeder, een jongen die al gauw als dief wordt neergezet.

    Dit zijn zo de ingrediënten van een verhaal, dat je geboeid tot het einde toe leest. Punt is alleen dat je na lezing enigszins ontgoocheld achterblijft: van een echte ontknoping of van onthullingen is nauwelijks sprake. Het lijkt of het de schrijver meer te doen is geweest om een spannende verteltrant te presenteren, wat zeker goed gelukt is, dan om een spannend verhaal neer te zetten. Bij mij maakte dat de indruk van ‘veel geschreeuw maar weinig wol’.

    Als je het bekijkt vanuit het perspectief hoe je een kil bourgeois-gezin kunt portretteren, dan moet ik zeggen dat de opzet zeker geslaagd is: een vader die in het gezin zelf nauwelijks een rol speelt, maar door zijn corrupte praktijken zijn gezin wel degelijk in de ellende stort; een grootmoeder die misschien wel, misschien niet van de oude marine-officier heeft gehouden, maar er in ieder geval lekker rijk van is geworden; een moeder die alle touwtjes strak in handen houdt, die meteen klaarstaat om anderen in diskrediet te brengen,  en krampachtig probeert  haar zoons onder haar vleugels te houden. Een zoon (de verteller) die zich gemakkelijk laat beïnvloeden, maar die er op zijn achttiende toch voor kiest om Bretagne te verlaten en zich in Parijs te vestigen. Als hij na drie jaar weer een weekje bij zijn ouders logeert, is dat meer om op een indirecte manier wraak te nemen, dan voor de gezelligheid.

    Alles bij elkaar een knap geschreven novelle, veel spanning en een raak getroffen gezinsportret, maar een verhaal dat mij wat tegenviel.

    Paris-Brest 

    Auteur:  Tanguy Viel
    Vertaald door: Katrien Vandenberghe
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2011)
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 17,50

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Waar houdt de werkelijkheid op en begint fictie? Wie kan ‘ik’ allemaal zijn? Waarmee voeden wij onze verbeelding ? Hoe horig is het ‘lyrisch ik’ aan zijn schepper? Dit soort vragen lagen ten grondslag aan een viertal lezingen die dichteres Esther Jansma (1958) heeft gehouden in Berkeley en als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze lezingen zijn onlangs tot vier publicabele essays bewerkt en gebundeld in Mag ik Orpheus zijn?

    Het eerste stuk J is voor Janus, v is voor vis is exact wat de ondertitel ervan beweert: ‘een alfabet van invloeden’ in de wijdste zin. Zo lezen we bijvoorbeeld bij de letter H: ‘H is ook voor heel, zoals in heel, heel, heel, heel, veel. Als dichter vind ik: schrap dat heel, heel, heel en je hebt het begin van iets, een stemming, een ritme, iets was uiteindelijk een regel poëzie kan worden. Als mens zeg ik: Heel, heel, heel veel is niet genoeg. Mag ik meer, alsjeblieft?’

    We lezen ook dat Italo Calvino Esther Jansma tot het inzicht bracht ‘dat lichtheid niet een teken is van oppervlakkigheid, maar dat het een essentie is van het bestaan’. De toon van Jansma in deze bundel is ook licht, al voel je de zwaarte eronder soms gloeien. Jansma legt ook uit waarom ze schrijft: ‘Ik schrijf omdat de werkelijkheid onverschillig is en ik niet graag in een onverschillige werkelijkheid leef. Ik wil me met de wereld verbonden voelen. Dus ik beschrijf hem, bij wijze van remedie. En steeds is de wereld persoonlijker en zinvoller, treuriger, gelukkiger, grappiger, bozer, muzikaler dan hij vóór mijn beschrijving was.’
    De Z staat, zeer geruststellend, ‘voor slapen, voor een pauze inlassen, op je rug liggen en zinken in het niets, dingen niet weten en dat eindelijk ook mogen van jezelf. [cursivering AH]’ Een bladzijde daarvoor heeft ze al gezegd: ‘Als ik aan vissen denk, denk ik aan ruimtevaart. Aan het feit dat ik de wereld niet begrijp. Niet begrijpen is de brandstof voor het schrijven van poëzie’. Het heeft er de schijn van dat Jansma iets in zichzelf heeft te overwinnen om in een voor poëzie bevattelijke staat te geraken. De drang om te willen weten moet een halt worden toegeroepen. Beredeneerd schrijven over hoe poëzie tot stand komt, heeft daarom meestal iets onbevredigends. Het bijt zich al gauw in de eigen staart.

    Het tweede essay Dagboek of kunstwerk; het van taal gemaakte ik, wil een pleidooi zijn voor de creativiteit van de verbeelding die dwarsverbanden legt tussen allerlei lagen van tijd, gebeurtenissen en personages. De beste tekst van de bundel, opgeluisterd met mooie, beeldende passages: ‘zoals hij vertelde over oude mensen die hun leven lang sparen voor doodsgewaden van kant en met parels alsof ze de dood zullen trouwen zodat ze tenminste één keer in hun leven zo mooi en rijk zullen zijn als hun dromen waarin alles weer goed komt.’ Proza waarin de verbeelding aan zet is. ‘Ik lag op de zaal waar oude dames stierven. Terwijl ze dat deden, leerden ze mij dat ik paars en rood nooit naast elkaar mocht borduren. ‘Die kleuren vloeken’, zeiden ze. En ik maar luisteren naar mijn handwerk.’ Jansma op haar best.

    Hier en daar stuit je op poëticale passages. De treffendste vond ik deze, die volgt op de stelling dat fictie en werkelijkheid inwisselbaar zijn voor wat betreft hun waarheidsgehalte: ‘Ik klei met de aanslibsels van mijn eigen bestaan. Zo gebruik ik de taal waarin ik heb leren denken: een prachtige taal uit een klein taalgebied. Zo gebruik ik mijn jeugd, dat miasma waaruit ik maar geen wijs kan worden, waarin ik maar hoef te hengelen en ik vis iets op wat voor mij fictie is. Zo gebruik ik gaten waarin ik later ben gevallen en waarover ik hier verder zwijg omdat ze niets meer zijn dan bijvoorbeeld een kindje dragen door een vreemde gang, de blik die het wierp, die laatste gang en dat was het.’ Maar het mooiste vond ik in een schitterend terzijde, waartoe Jansma zich laat verleiden terwijl ze een over de telefoon babbelende stem aanhoort die het erover heeft ‘dat de mens de dood met de tijd een plekje geeft’: ‘Bij zo’n ‘plekje’ zie ik een damesblad voor me met daarin knusse tekeningen van koolmeesjes en koorden met pinda’s. De eigenaresse van het blad komt uit de tuin gelopen, trekt bij de keukendeur haar door het tuinieren modderig geworden laarzen uit, kijkt tevreden over haar schouder naar het ‘plekje’, in dit geval een herfststuk van met ijzerdraad bij elkaar gehouden takken, paddenstoelen en noten, hieraan kunnen de buren zien dat zij met liefdevolle vrouwenhand de omgeving verzorgt en ook goed is voor de dieren, en gaat naar binnen. Ze zet thee en begint de voorbereidingen voor een dure, zeer langdurige bouillon.’ Vooral die laatste zin deed het ’m. Als Jansma even niet haar punt hoeft te scoren of de behoefte voelt een terugkoppeling te maken naar hoe het met haar gedichten zit, is ze mij het liefst. Haar beeldende schrijfstijl is al voldoende bewijs, legt al genoeg van het wezen der verbeelding bloot. Maar wanneer er dan de explicatie volgt: ‘En juist daar zit een kern van mijn dichterschap. Ik cirkel om onderwerpen die in essentie psychologisch zijn’ is het alsof een komiek uitlegt waarom hij zo grappig is. Show, don’t tell! Daarbij komt dat ik diep in mijn hart van mening ben dat een dichter, kunstenaar of wat dan ook beter niet over eigen werk kan uitweiden. Die heerlijk relativerende houding van Gerard Reve, al dan niet gemeend, dat ‘het allemaal kunst en dus flauwekul’ is, komt mij dan opeens zoveel voornamer voor.

    Het derde opstel Lenen en stelen; de gouden greep uit andermans gedichten behandelt het ‘eten’ van andermans gedichten en de spijsvertering ervan. De dichter waarvan zij veel gesnoept heeft, is de Amerikaanse dichter Mark Strand, uit wiens gedichten Esther Jansma en Wiljan van den Akker de vertaalde bloemlezing Gedichten eten samenstelden. In dit stuk legt ze uit hoe het leentjebuur spelen bij collega-dichters in zijn werk gaat. Het is aan de zich toeëigende dichter om andermans vruchten aan te lengen met eigen gedachten, ‘full-colour dromen’ om ze vervolgens in te passen in het eigen werk. Waar de grens tussen fictie en werkelijkheid, tussen gelezen passages en beleefde ervaringen in wezen niet getrokken kan worden, kan Jansma dit stuk met recht besluiten met de stelling: ‘De werkelijkheid is een bomvolle ruif’.

    In dit boekje bepleit Jansma dat ze in werkelijkheid iedereen had kunnen zijn, en daarom in fictie iedereen mag zijn. Maar de literaire critici zouden haar het liefst willen vastpinnen op dat ene ik, waarvan bekend is dat die archeologe is en een moeder die ook nog eens twee kinderen verloor, om daarmee doof te blijven voor al die andere ‘ikken’ die Jansma graag het woord wil lenen. Het laatste essay, dat de titel van de bundel draagt, en ‘over de grenzen en de douaniers van de taal’ gaat, stelt deze problematiek centraal. De felle toon, hier en daar gekruid met onvervalst sarcasme, laat zien dat deze kwestie Jansma hoog zit. Het deed mij echter minder dan de andere drie stukken. Het is ook niet geheel vrij van academische haarkloverij. Voor de studenten, voor wie het in eerste instantie geschreven is, biedt het natuurlijk aardige aanknopingspunten om verschillende stijlen van tekstinterpretatie aan de orde te stellen.

    Jansma claimt het recht dat recensenten haar werk dienen te beoordelen naar wat de tekst ervan zelf prijsgeeft, zonder er buitentekstuele feitjes bij te slepen om hun interpretatie kloppend te maken met hun vooroordelen. Een puur formalistische benadering van de tekst als autonoom en esthetisch product (zo eentje die in de jaren ’60 door het tijdschrift Merlijn van Oversteegen en Fens werd voorgestaan en die op de Nederlandse universiteiten de term ‘close reading’ tot een begrip maakte) , zouden haar gedichten meer recht doen dan de biografische behandeling waaraan ze dikwijls in recensies worden bloot gesteld. Zinnetjes als ‘ik ben wat ik opschrijf. En nee, ik ben het niet en nooit geweest.’ en ‘Ik schrijf als ik daar zin in heb over mij vreemde emoties’ zijn te lezen als waarschuwingen aan de beroepslezers om de ‘ik’ in de gedichten in Jansma’s gedichten nu eens niet gelijk te stellen met een vrouwelijk ik, dat ook nog eens moeder, archeologe enz. is. Want vaak genoeg is Jansma gewoon eventjes de ‘buurman met zijn bloemkooloor’ geworden. Een naam die in dit kader opvallend genoeg niet valt, is die van T.S. Eliot. Als geen ander bepleitte deze Amerikaanse dichter een vlucht uit de persoonlijkheid. Hij gaf zich er reeds in 1919 in Tradition and the Individual Talent rekenschap van dat de dichter de ‘emoties die hij nooit heeft ondergaan evenzeer zal gebruiken als de emoties waarmee hij vertrouwd is’.

    Hoe het ook zij, de zuiver tekstgerichte literatuurkritiek mag binnen de muren van de academische wereld haar zegenrijke werking hebben gedaan, daarbuiten gaat men zich tot op de dag van vandaag zonder gêne te buiten aan allerlei vormen van biografisme. Zo kan er tegenwoordig geen schrijversbiografie verschijnen of deze wordt beoordeeld naar de mate waarin de biograaf erin geslaagd is nieuw licht te laten schijnen op de relatie leven/werk van de betreffende schrijver. Hartstikke zondig natuurlijk, maar ja, wat doe je eraan? Het beste weerwoord tegen stompzinnige kritiek is en blijft een gedicht waarin je de beroepslezers te kijk zet. Dat deed Jansma dan ook met haar gedicht De omwentelaar. Punt voor Jansma, zou je denken. Maar zo makkelijk gunt Jansma zich de overwinning niet. Zij spiegelt haar succes vervolgens weer aan het commentaar op dat gedicht van de heren critici, die zich natuurlijk opnieuw bezondigen aan de identificatie van het ‘lyrisch ik’ met de persoon Esther Jansma. En daarmee mag het literaire steekspel zich weer herhalen. Ook als bewonderaars haar prijzen als ‘de vrouw die haar leven zo prachtig poëtisch verwerkt’ schiet dat compliment bij Jansma in het verkeerde keelgat. Want het is ‘haar leven’ helemaal niet! Menig dichter in Nederland zou wensen dat hij Jansma’s problemen had. Misschien is Jansma bij de letter P in het alfabet van invloeden ‘perfectionisme’ vergeten te noemen?
    Aan het eind gekomen stelt Jansma zich de vraag of het ‘lyrisch ik’ dat zij opvoert Orpheus mag zijn? Nee, dat is haar niet toegestaan, stelt ze resoluut. Maar daarmee gaat Jansma natuurlijk niet akkoord. ‘Want ik mag iedereen zijn. Niet de grensbewakers van de taal bepalen wat ik schrijf, maar dit veelstemmige ik van mijn eigen mij, dat zelf de pen vasthoudt en aanstuurt.’ De zaak voorleggen aan de Rijmende Rechter? Niet echt nodig. Jansma heeft natuurlijk wel gelijk, maar wanneer men bedenkt dat diezelfde Eliot kon menen dat ‘poetry can communicate before it is understood’ is mijn advies: laat je niet teveel aan slordige interpretaties gelegen liggen. Het enige dat er toe doet is de kracht van eigen scheppend werk. Zolang men Jansma het dichten niet verbiedt kan zij haar gelijk botvieren. Maar dan het liefst wel een in gedichten gegoten gelijk.

    Mag ik Orpheus zijn?
    Essays

    Auteur: Esther Jansma
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    90 pagina’s
    Prijs: € 17,95