• Een mooi gestructureerde puzzel

    Een mooi gestructureerde puzzel

    Als zijn vriendin Sara het uitmaakt, trekt Boris bij zijn vader Nico in. Deze probeert hem op te beuren en stelt voor om samen naar Praag te gaan. Tijdens de reis blijkt dat de introverte mannen een geheim delen dat hun leven beheerst.

    Boris Sonette is een man van weinig woorden. Hij klopt aan bij zijn vader Nico, zegt dat hij een tas bij zich heeft en dat is dat. Ook zijn vader blijkt een man van weinig woorden. Hij laat zijn zoon binnen, zonder verder iets te vragen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat de dertigjarige Boris weer thuis komt wonen. Is de band tussen vader en zoon zo sterk dat er verder geen uitleg nodig is?

    In De eerste maandag van de maand gaat het niet om woorden, maar om gedachten en acties. Of beter gezegd, non-acties. In die allereerste scène waarin Boris thuiskomt, lijkt er niets te gebeuren. Twee mannen die in een kamer zitten en niets te zeggen hebben. Maar, juist de beschrijving van de eerste scène zit vol kleine aanwijzingen over het geheim dat zowel vader als zoon hun hele leven meedragen. Die aanwijzingen zijn her en der onopvallend, in deze mooi gestructureerde puzzel van schrijver Peter Zantingh geplaatst.

    In afwisselende hoofdstukken word je meegenomen in de gedachten van zoon en vader. Boris denkt terug aan zijn relatie met Sara en vertelt over zijn werk bij de autoverzekeringsmaatschappij. Op de voorgrond van al zijn gedachten, is de gedachte aan zijn dwangneurose:

    Als je bent zoals ik, is vrijwel elk wakker moment een moment van stress. Er is altijd de gedachte dat je niet aan iets mag denken, waardoor je vanzelfsprekend alleen maar daaraan kunt denken. Er is altijd een olifant in de kamer. En iedereen om je heen doet of ze hem niet zien, omdat ze hem niet zien, en dat is dan weer omdat ze niet gek zijn, zoals jij. 

    Boris schaamt zich voor zijn neuroses en vertelt niemand er over. Sara maakte het uit, juist omdat hij niet sprak over wat hem dwarszat.

    Al denkt Boris dat niemand weet van zijn dwangen, zijn vader weet meer dan hij laat blijken. Nico’s gedachten gaan terug naar de dag dat hij Boris’ moeder leerde kennen. Hij vertelt over haar kraamdood en zijn behoefte om Boris koste wat het kost te beschermen. Maar al snel ziet hij hoe het kind zich concentreert op bepaalde handelingen, dingen lijkt te moeten afwerken in een bepaalde volgorde en hij maakt zich zorgen. Het blijken tekenen van herkenning.

    Nu de relatie met Sara uit is, stelt Nico Boris voor naar Praag te gaan zodat Boris zijn zinnen kan verzetten. De mannen zijn zuinig met woorden, beiden onbereikbaar en altijd in gedachten, zich afvragend waar de ander aan denkt.  Als Nico’s portemonnee wordt gestolen, raakt deze in paniek: hij heeft zijn pillen nodig. Nico blijkt, net als Boris, te lijden aan dwangneuroses en slikt hier medicijnen voor. Vanaf dat moment wil Boris niets anders dan controle krijgen over zijn gedachten, maar gaat tot het uiterste om dit te bereiken.

    Door de structuur van De eerste maandag van de maand van Peter Zantingh krijgen de thema’s orde en controle een mooie nadruk. Het idee dat mannen nooit praten over hun gevoelens en gedachten, wordt gebruikt om de lezer op kunstige manier te misleiden. Vader en zoon tonen hun liefde niet en spreken zich al helemaal niet uit, maar de band tussen hen is sterk en liefdevol door hun gedachten en daden. Toch blijkt, zoals Zantingh in deze roman toont, dat er ook in een warme relatie als deze, soms meer uitleg nodig is.

     

  • Wij gaan allemaal naar de maan, de lege maan

    Wij gaan allemaal naar de maan, de lege maan

    Na onze dood gaan we naar de maan. ‘De maan is het vagevuur waarvan sprake is in oude religies, zo genoemd omdat de maan een zwak schijnsel van de hemel is, een vaag vuurtje. In dat vage vuur worden onze zielen gelouterd: ontdaan van de laatste illusies van individualiteit. Dat kan wel even duren.’

    Inmiddels op aarde (2014) is het verhaal van elf getalenteerde jongens die in april 1958 op het Gymnasium van Dürer in Antwerpen eindexamen doen. ‘April 1958 is een lentegevoel, een wij-gevoel. We zitten met elf jongens in de eindexamenklas. Elf jongens van zeventien jaar, bijna los, bijna vrij. Vol verwachting tussen ooit en nooit. We noemen onszelf de elf zonen van Kafka’.

    De gymnasiasten doen eindexamen en gaan vervolgens naar de universiteit. Zes van de elf worden hoogleraar. Van de klas van 1958 bestaat een klassenfoto. Deze foto bevat een ‘hogere zijnsorde, die niemand kon vermoeden, de foto gaf de volgorde aan waarin we zouden sterven. De volgorde van de zelfmoorden.’  Johan zit helemaal vooraan op de foto, op de achterste rij de verteller, ‘als elfde, ik Frederik.’

    Johan overlijdt in 1964, hij is de eerste dode en hij mijmert op de maan over de elf zonen van Kafka. Hij wacht rustig op de anderen, zijn klasgenoten uit april 1958. Geduld is niet moeilijk, want de tijdrekening op de maan is niet zoals op de aarde, een eeuwigheid kan een uur duren, of omgekeerd. Op aarde intussen nog tien overlevers. ‘Toen waren er nog maar tien. Jawel, het aftelrijmpje, bijna een vaste uitdrukking, een voorzet voor open doel. Misschien dachten we het allemaal, maar we zeiden het niet. De grap was te evident, te spreekwoordelijk.’

    De elf zullen niet als individuen op de maan overleven, maar als een groepsziel. Later, veel later, gaan de maanzielen naar de zon. De ik-verteller vertelt dat hij daar later op terugkomt, omdat dat een veel moeilijkere materie is. Hij legt dat uit aan de hand van een cryptische zin: ‘Wat er daar gebeurt, valt niet zomaar te begrijpen. En zoals de schrijver die een boek begint de leerling is van wie het boek beëindigt, zo ook is de lezer aan het begin van het boek de leerling van wie het boek uitleest.’
    Johan zit dus op de maan te wachten totdat de anderen komen. Iedere klasgenoot krijgt een eigen hoofdstuk waarin zijn levensgeschiedenis wordt verteld: de jaren van trouwen, kinderen, promotie maken, werken en verhuizen, de jaren van hebzuchtig vergaren, scheiden en overlijden.

    De opzet is steeds hetzelfde. Hoofdstukken met als titel: ‘Inmiddels op aarde’, met daaronder het sterfjaar en de naam van de overledene. Tussendoor telkens een hoofdstuk ‘Maan’ en een hoofdstuk ‘April 1958’.
    In de hoofdstukken over het gymnasium krijgt de lezer een beeld van hoe het er op de school in 1958 aan toegaat. Strenge leraren die worden gehaat door de leerlingen en surveillanten die meedogenloos helpen handhaven. Een totalitaire school die doet denken aan de school uit Bint van Bordewijk, o.a. door de namen en bijnamen van de docenten. Bij Bint legendarische namen zoals Klotterbooke, Van der Karbargenbok, Whimpysinger;  bij Inmiddels op aarde o.a. Denboeft, Ganzerik, Snodgrass (Drekzak), Bundelspreeuw. Vooruit, nog een paar omdat de namen zo mooi zijn: Rupsentros, Strobbelaere en Gerdenbreekers.

    Er is een hoofdstuk met een overzicht van alle docenten en hun vakken in onder- en bovenbouw. Elke docent wordt beschreven met zijn vak en zijn eigenaardigheden. Wie herinnert zich nog de docent Frans (Compiet) die zijn leerlingen lijsten laat maken van de ‘temps primitifs’, de hoofdtijden van de Franse onregelmatige werkwoorden? Veel aandacht uiteraard voor Latijn en Grieks met de enige docent voor wie de elf sympathie hebben, Delaroche.

    De klas maakt twee maal een schoolreisje naar de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel met een (nog steeds actueel) thema: discriminatie. ‘Elf zeventienjarigen op de Expo… het zijn herinneringen die we liever niet hebben…’ Het betreft de herinneringen aan de koloniale tijd van België – op de Expo was een Kongolees dorp waar Kongolezen in etnische klederdracht konden worden ‘bekeken’, een menselijke dierentuin achter hekjes, Afrikanen in rokjes van stro  ‘vernederd als museale objecten.’ De elf verrichten daar een heldendaad die nooit de pers haalt, maar ‘dat vonden we juist bij een echte heldendaad horen.’

    De maanhoofdstukken beginnen steevast met zinnen als ‘Inmiddels op de maan wachten de anderen’. De zielen van de doden zijn gegroepeerd in roedels, gebaseerd op de inspirerende emotionele verwantschappen die mensen tijdens het leven ervaren hebben, ‘in ons geval zijn de sterkste verwantschappen die van de elf klasgenoten van het eindexamenjaar uit 1958’. Ze zitten in een zielswolk, een web van saamhorigheid. Soms is er contact met andere zielswolken, bijvoorbeeld die van de middeleeuwer Guingamor die samen is met Harry Mulisch en Pat Boone.
    Het muziekhoofdstuk op de maan geeft een mooi overzicht van de muziek eind jaren vijftig. ‘Er was nog iets magisch aan de elf /…/ De Muziek. /…/ De grondstof van hun groepsziel.’  Muziek als verbindend element – het ontstaan van de rock-’n roll in 1955, Bill Haley, Elvis Presley, Jerry Lee Lewis. De rock-’n roll duurde tot 3 februari 1959, the day the music died, toen Buddy Holly verongelukte, met een uitloop naar 1962, de doorbraak van de Stones en de Beatles. Ook de (cool)jazz heeft hun gemeenschappelijke interesse.

    Het boek zit tot de nok toe vol met literaire citaten en verwijzingen, soms staat de herkomst erbij, soms ook niet. ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’, zei Nescio. En: ‘Ik hou van jou helemaal tot aan de maan’ (uit: Raad eens hoeveel ik van je hou van Sam McBratney). De docenten worden getypeerd als ‘ongewervelde lesboeren uit de woestijn van de geest, die niet eens het verschil kenden tussen hun kont en een gat in de grond, verdwaalde minkukels die door een kwalijke vergissing van de natuur – of door politiek gesjoemel – voor een klas terecht waren gekomen.’ Randy Newman en Marten Toonder in één zin.
    Uiteraard bevat ‘Inmiddels op aarde’ veel verwijzingen naar De goddelijke komedie van Dante (Purgatorio, het vagevuur) en naar bekende en minder bekende zon- en maanliteratuur uit de mythologie, over de maangodin Selene en de herder Endymion.

    Uiteindelijk zitten er tien gymnasiasten op de maan te wachten op nummer elf, de jongen die achteraan staat op de klassenfoto uit 1958. Ze dringen aan op zijn komst, zoals blijkt uit een van de hoofdstuktitels:  ‘Maan – Kom nou’.  De elf  ‘op weg naar iets anders’ – Foetussen waren we – maar aardige foetussen.’

    Door de klassenfoto en de opbouw van het boek weet de lezer dat de ik-verteller, ‘Frederik-ik’ het laatst aan de beurt is om te sterven. Hoe moet dat gaan? Zonder verteller immers geen verhaal. Op een slimme manier wordt dit opgelost. De structuur en de opzet van het boek, – de beschrijving van het gymnasium en de docenten uit 1958, vervolgens de beschrijving op de maan en tot slot die van de levensgeschiedenissen van de elf klasgenoten, – maakt dat er een zekere voorspelbaarheid inzit. Maar uiteindelijk blijkt Inmiddels op aarde een mooi leesavontuur, een fantasierijk boek vol literaire en andere verwijzingen. Lucas van Hapert verdient een compliment voor de mooi gestileerde omslag: twee halve cirkels verbonden door een potlood met elf dwarsbalkjes.

    Paul Verhuyck,  Antwerpen 1940, studeerde Romaanse Filologie in Gent. Hij promoveerde in Leiden. Van 1972-1999 was hij als universitair hoofddocent oudere Franse en Occitaanse literatuur aan de Rijksuniversiteit verbonden. Inmiddels op aarde is zijn zesde roman. Eerdere romans verschenen bij de Arbeiderspers: De doodbieren (1991), Moord door geboorte (1993), De binnendienst (1995), Hout en koper (1999), De elektrische man (2003). In samenwerking met echtgenote Corine Kisling publiceert hij romans onder de auteursnaam Kisling & Verhuyck. Inmiddels op aarde is opgedragen aan Corine.

     

  • Een fotograaf op zoek naar waarheid en schoonheid

    Een fotograaf op zoek naar waarheid en schoonheid

    Taboe (2014) van de in 1964 in München geboren Ferdinand von Schirach heeft een motto ontleend aan de kleurenleer van Herman von Helmholtz  (1824-1894). Als het licht van de kleuren groen, rood en blauw zich mengen, dan lijkt dat voor ons wit.

    Kleuren en fotografie zijn belangrijke thema’s in dit boek. Op de eerste bladzijden wordt geschreven over het onstaan van fotografie. Rond 1838 ontstaat een nieuwe werkelijkheid. Louis Daguerre maakt in Parijs zijn eerste daguerreotypie op de Boulevard du Temple. Maar met een belichtingstijd van ruim tien minuten worden bewegingen niet vastgelegd. Alleen gebouwen en huizen staan op de gevoelige plaat. Maar ook twee mensen die nauwelijks bewegen: een man en een schoenpoetser. Alleen zijn hoofd is wazig.

    Na deze inleiding maakt de lezer kennis met hoofdpersoon: ‘Sebastian von Eschburg had vaak aan de bewegingsloze man en zijn vervagende hoofd gedacht. Maar pas nu, pas nadat alles was gebeurd en niemand meer iets kon terugdraaien, begreep hij het: die man was hij zelf.’

    Het boek heeft vier delen met genummerde hoofdstukken, met als titels de kleuren Groen, Rood, Blauw en Wit.

    In Groen maken we nader kennis met de jonge Sebastian die opgroeit in het Zuidduitse stadje Eschburg. Hij neemt kleuren waar op een bijzondere manier. Hij ziet wat andere mensen zien, maar zijn hersenen zetten de kleuren om in kleurnuances en twintig verschillende wittinten. In hem zijn de kleuren anders, maar hij praat er niet over.

    Op zijn tiende wordt hij naar een internaat gestuurd. In de grote vakanties keert hij terug naar het landgoed van zijn ouders. Hij gaat met zijn vader mee op jacht. Zijn vader schiet een hert en Sebastian is er getuige van hoe zijn vader het hert opensnijdt om de ingewanden en de weke delen te verwijderen. Dit maakt een diepe indruk op de jongen. Het verlamt hem, hij kan zich niet meer bewegen. Sebastian voelt zich net als toen hij aan de rand van een ravijn stond en hij er zich er niet van had kunnen losmaken.

    Na de jacht speelt hij onder het oog van zijn drinkende vader een partijtje biljart.  Kort daarop pleegt zijn vader zelfmoord. Met 12 loden kogels schiet hij zijn hoofd eraf. Het huis wordt ontmanteld, zijn moeder vindt een andere partner en Sebastian moet terug naar het internaat. Daar brengt hij veel tijd door in de bibliotheek. De paters vinden hem maar een vreemde jongen als ze hem in zichzelf zien praten met de hoofdpersonen uit de boeken die hij leest.
    Volgens de paters van het internaat lijdt hij aan ‘visuele hallucinaties’. Sebastian denkt in beelden en kleuren, niet in woorden. Tot zijn achttiende zit hij op het internaat.

    De jaren verstrijken. Sebastian gaat in de leer bij een fotograaf en hij vestigt zich later als zelfstandig fotograaf in Berlijn. Hij maakt naam met portretten en naaktfotografie. Hij experimenteert met zijn afdrukken net zo lang totdat zijn foto’s de warme toon krijgen die alle andere kleuren in zijn hoofd tot rust brengen. Zijn foto’s zijn veelal in sepia, felle kleuren kan hij als synestheet niet verdragen. Met zijn vriendin Sofia richt hij de expositie ‘Maja’s mannen’ in. De foto’s zijn geïnspireerd door pornofilms zoals ‘Venus in het spermabad’ in combinatie met twee beroemde schilderijen van Francisco Goya van Maja, de naakte (La maja desnuda) en de aangeklede versie (La maja vestida).

    Sebastian heeft met zijn internationale exposities van foto- en videoinstallaties veel succes. Hij denkt dat hij de schoonheid heeft gevonden in symmetrie. Maar in het laatste hoofdstuk van deel Blauw komt hij tot het inzicht dat hij zich heeft vergist, dat schoonheid geen waarheid is, dat de waarheid lelijk is. ‘Ze is het opengesneden lichaam, het weggeschoten hoofd van mijn vader’. Zoals zijn vader de buik van het hert opensnijdt, zo snijdt Sebastian diep in de rug van zijn hand.

    In de volgende delen komt  het verhaal in een stroomversnelling met een moord, een aanklacht, een rechtszaak en een uitspraak. Dat gebeurt in delen met een wisselend perspectief. In Rood openbaar aanklager Monika Landau, in Blauw de eigenzinnige advocaat Konrad Biegler. En in het slotdeel Wit komt alles samen:  de kleuren rood,  groen en blauw zijn gemengd.

    Het belangrijkste thema draait om waarheid en werkelijkheid, niet alleen in de kunst maar ook in het dagelijks leven. In de rechtspraak zijn werkelijkheid en waarheid verschillende dingen. Dé waarheid bestaat niet, er zijn meerdere waarheden.

    In het boek worden diverse taboes doorbroken. Over de zelfmoord van de vader spreekt de familie na de begrafenis niet meer. Een ander taboe is pornografie in de kunst. De naakte Maja van Goya is het eerste naakt waarop schaamhaar te zien is. Sebastian ziet voor het eerst porno als hij de nieuwe vriend van zijn moeder met een videocamera in de slaapkamer in de weer ziet.

    Het boek bevat  kritiek op de wijze waarop soms bewijs wordt verkregen in verhoren. Mag een agent een verdachte onder druk zetten door te dreigen met marteling, door ‘verscherpte verhoormethoden’ toe te passen? Is het gerechtvaardigd te ‘folteren’ als daarmee een mens of meerdere mensen gered kunnen worden? Valt een ontvoerder of een terrorist te allen tijde onder de grondwet? Hoe lang wordt de menselijke waardigheid gerespecteerd en gewaarborgd?

    Het verhaal laat zich lezen als een ‘Krimi’, maar het is meer een boek over literatuur, kunst, fotografie, werkelijkheid en illusie. Als kind leest Sebastian vertaalde gedichten van Dylan Thomas, Windabgeworfenes Licht. Als fotograaf gebruikt hij in een videoinstallatie een regel uit het gedicht Fernhill: ‘op de stromen van het door de wind afgeworpen licht’. In de oorspronkelijke tekst: ‘Down the rivers of the windfall light’.  Voor Sebastians fotowerk zijn de Maja schilderijen en de zwarte schilderijen die Goya in zijn laatste levensjaren maakte een belangrijke inspiratiebron. Net als in de foto’s van Sebastian is het kleurgebruik beperkt tot zwart, grijs en bruin.

    Op een knappe manier komt het verdwenen hoofd van Daguerre op meerdere plaatsen terug in het boek, bij de zelfmoord van de vader en in de videoinstallaties van Sebastian. Dit alles is verweven met beelden ontleend aan kunst en fotografie.

    Taboe is een rijk boek met een heldere structuur. De kleuren rood, groen, blauw en wit komen terug in de delen van het boek en in laatste zin wanneer een visser zijn hengel uitgooit in de rivier:  ‘Heel even lag de vlieg op het water, ze glansde groen en rood en blauw in de zon. Toen trok de rivier hem met zich mee.’

    Ferdinand von Schirach (1964) is schrijver en straf-advocaat in Berlijn. Voor Taboe laat hij zich volgens een recent interview inspireren door de zaak Gäfgen.  In 2002 ontvoert en vermoordt Magnus Gäfgen Jakob von Metzler, het elfjarige zoontje van een bankier. Twee politiemannen dreigen Gäfgen te zullen martelen als hij niet vertelt waar hij de jongen vasthoudt. Gafgën geeft na de dreigementen toe waar hij het kind heeft verborgen. Maar hij heeft de jongen daarvoor al gedood. In 2011 klaagt Gäfgen de Duitse deelstaat Hessen aan voor bedreigingen tijdens zijn verhoor. Het gerechtshof in Frankfurt bepaalt in 2012 dat Gäfgen recht heeft op 3000 euro schadevergoeding voor ‘zware schending van de menselijke waardigheid’. Het Europees Hof voor de Mensenrechten stelde al in 2010 vast dat dreigementen van marteling een onmenselijke behandeling is en zonder uitzondering verboden.

    Von Schirachs eerste verhalenbundel Misdaden verscheen in 2009, Schuld in 2010 en De zaak Collini in 2012.

    Hans Driessen en Marion Hardoar maakten wederom voor de Arbeiderspers de vertaling. Ze kregen hiervoor een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

     

  • Veelbelovende ingrediënten, maar toch..

    Veelbelovende ingrediënten, maar toch..

    Het mysterieus aandoende omslag van dit boek, dat erg veel weg heeft van dat van De schaduw van de wind, wekt de suggestie dat we te maken hebben met een spannend boek vol mysterieuze wendingen. Niets is minder waar, de vreemde kronkels in het brein van de geleerden die dit boek bevolken, daargelaten. Zij die met plezier Carlos Ruiz Zafon gelezen hebben, moeten zich niet op grond van de omslag laten verleiden om dit dikke boek te gaan lezen. Zij zullen bedrogen uitkomen.

    De ingrediënten voor deze roman zijn, stuk voor stuk bekeken, veelbelovend: genieën op het gebied van de wiskunde en natuurkunde, zoals Gödel, Turing, Einstein, Oppenheimer en anderen; belangrijke filosofen; een nachtclubdanseres, een feeks van een schoonmoeder; het opkomende nazisme in Europa en later in de VS de koude oorlog en het communisme. Maar op de een of andere manier laten deze ingrediënten zich niet goed mengen tot een heerlijk beslag.

    Aan het begin van het boek is een van de hoofdpersonen, Kurt Gödel, reeds overleden: hij heeft zichzelf doodgehongerd. Met de weduwe gaat het heel slecht, zij zal haar man niet lang overleven.
    Een ander personage is Anna Roth, die tot vervelens toe wordt aangeduid als ‘de jonge vrouw’. Anna is documentaliste – over haar dagelijkse werkzaamheden lezen we geen woord- ; zij moet proberen toegang te krijgen tot het archief van de beroemde wiskundige Gödel in de hoop hier documenten te vinden over een belangwekkend theorema. Waakhond van dit archief is de oude, fragiele en bovenal chagrijnige weduwe Adèle Gödel, die niet van plan lijkt mee te werken.

    Steeds wordt een stukje heden gevolgd door een stuk verleden. Het heden bestaat uit simpele gesprekken die Anna en Adèle met elkaar voeren. Plaatst Adèle (in hun tweede gesprek) een al te scherpe opmerking (‘onneukbare maagd’), dan leidt dit ertoe dat de toch al labiele Anna zich ziek van ellende voelt, huilbuien krijgt en nog meer van dat dramatische gedoe. Verder blijkt Anna ‘iets’ te hebben gehad met (de wiskundige) Leo, de zoon van haar werkgever. ‘Ze hebben elkaar nooit gezoend. Gewoon om elkaar uit te dagen, om te zien wie van de twee als eerste door de knieën zou gaan. Ze vraagt zich af of ze dit (neuken in de bibliotheek) echt wil. Want ze zullen het zo dadelijk doen, datgene wat hun herinneringen zal partitioneren.’ Dat laatste woord staat er echt! Het op zich al merkwaardige ‘nooit zoenen om elkaar uit te dagen’ wordt dan ook nog eens gevolgd door ‘partitioneren’! Het personage Anna vertoont geen ontwikkeling: zij is en blijft een door haar jeugd getraumatiseerd iemand, kind van twee briljante ouders die hun dochter wel aandacht, maar geen liefde geven.

    De flashbacks van Adèle Gödel zijn alleen daar aardig waar aan historische feiten gerefereerd wordt, bijvoorbeeld hoe langzaamaan in de jaren voorafgaand aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de sfeer in Wenen verziekt raakt. Dit wordt verteld vanuit het perspectief van Adèle die vóór haar huwelijk met Gödel een eenvoudig barmeisje én danseresje in een nachtclub was; tijdens hun jarenlang geheim gehouden relatie – moeder Gödel zag niets in een huwelijk van haar geniale zoon met dit domme en dan ook nog gescheiden vrouwtje – zien Adèle en Kurt de ene geleerde na de andere vertrekken naar het buitenland; de universiteit wordt overgenomen door ‘brutale mannen in uniform’. Pas wanneer moeder Gödel haar zoon veilig naar de VS wil laten vluchten, dringt zij aan op een huwelijk tussen Adèle en Kurt om haar zoon op deze manier een ‘verpleegster’ mee te geven.

    In Amerika raakt het echtpaar Gödel bevriend met grote geleerden als Einstein, Oppenheimer en anderen, waarbij Albert Einstein nog wel eens de moeite neemt Adèle iets op het gebied van wis- en natuurkunde uit te leggen. Haar eigen man vindt dat niet nodig: zij is te dom. Dank zij Adèle weten we wat tijdens de spaarzame bezoekjes van de geleerden aan elkaar zoal onderwerpen van gesprek waren: kwantummechanica, unificatietheorie, relativiteitstheorie en nog meer van dergelijke theorieën. Voor wie daarin geïnteresseerd is wordt hierover wellicht te weinig diepgaand uitgeweid; tenslotte is Adèle degene die de gesprekken weergeeft. Maar dergelijke uitweidingen zijn saai voor wie meer wil weten over de personen achter deze theorieën. Daar staat tegenover dat van Einstein een boeiend beeld geschetst wordt.

    Ook het personage Adèle blijft dezelfde die zij was: eeuwig klagend over de verschrikkelijke hel waarin zij geleefd heeft met deze krankzinnige man die haar kookkunsten geen eer aandeed, die zich uithongerde, die tenslotte geen woord meer met haar sprak. Je verbaast je erover waarom de toch al eerder gescheiden vrouw niet een tweede scheiding overwoog.

    Aan de stijl van deze roman valt al even weinig plezier te beleven. Vreemd aandoende zinnen (‘Naar het voorbeeld van zijn dierbare recursiviteit legde hij alleen aan zichzelf rekenschap af.’) worden afgewisseld met zinnen waar geen enkel logisch verband zichtbaar is: ‘Ik had zijn zwijgzaamheid ten onrechte voor ingehouden jaloezie aangezien; hij vond het niet prettig als ik me om anderen bekommerde.’

    ‘Een aantrekkelijke vrouw’ + ‘een uitzonderlijk begaafde wiskundige’ levert volgens het tijdschrift Elle ‘een hels huwelijk en een magistraal romanonderwerp’ op.
    Akkoord. Maar ‘een magistraal romanonderwerp’ is niet gelijk aan ‘een magistrale roman’!

     

  • Een prachtig debuut

    Een prachtig debuut

    Door Niels Nijborg

    In het debuut van Naomi Rebekka Boekwijt, de verhalenbundel Pels, spelen in meerdere verhalen vrouwen en boerderijen een belangrijke rol. Verklaarbaar als je weet dat de auteur nu, na een studie filosofie, op een boerderij in Zwitserland woont en werkt. In alle verhalen in de bundel verkeren jonge mensen in een situatie waarin zij iets willen van anderen, of anderen iets willen van hen. Maar nooit gaat het zoals zij het willen of verwachten. Een bundel met prachtige zinnen en beelden. Bijzonder als je bedenkt dat de schrijfster nog zeer jong is, Naomi Rebekka Boekweit is geboren in 1990.

    Vanwege de boerderijen en soms stugge zwijgzame karakters ligt het voor de hand om bij het lezen te denken aan Gerbrand Bakkers Boven is het stil. Ook de beschrijvingen van de natuur doen er aan denken. Boekwijt formuleert echter preciezer. Er staat geen woord teveel in haar verhalen. Bovendien is ze poëtischer: ‘De dagen worden ingevroren. Het ochtendwerk trekt sporen over die van de vorige dag.’ Of: ‘Woorden zijn muizen in het veld.’ Ook eigen aan Boekweit is dat in een aantal verhalen de sekse van de verteller in het midden wordt gelaten. Voor zover van belang spelen liefde en seks zich af tussen personen van hetzelfde geslacht. Sekse lijkt voor de schrijfster niet van belang. De karakters zijn het enige dat telt. De ontwikkeling van de karakters hoeft niet per se te leiden tot een slotakkoord. De beschrijving van een scène, een gebeurtenis waarin de karakters fungeren is voldoende. De plot is bijzaak. En daarin heeft Boekweit gelijk, omdat ze het zeer secuur en prachtig gedoseerd doet.

    Het laatste verhaal, Bruska – Ter mythevorming, heeft een geheel andere stijl dan de rest van de bundel. De hoofdpersoon is wel nogal op zichzelf, maar de natuur ontbreekt en het verhaal heeft, in tegenstelling tot de andere verhalen, onmiskenbaar Reviaanse elementen. In Bruska wordt verteld over de teloorgang van een filosofiefaculteit en het laatste kliekje studenten die de filosofieprofessor Bruska uit de titel aanbidden. Het verhaal staat vol donkere humor en misantropie en is, naarmate het einde van de faculteit nadert, als een storm die in sterkte toeneemt. Een citaat uit dit verhaal, omdat het zo mooi en typerend is:

    ‘Vader rookte de kamer blauw en bladerde door reisgidsen, moeder las de krant. Mijn zus zat aan het ventje gekleefd, wachtend op het avondeten. Ze zouden nooit eens muziek opzetten. Ik hoorde het geadem en gerochel van die vier mensen. Ze merkten niet dat ze er waren, dat ze ademden, dat ademen geluid maakt. De woonkamer was een decor van drie wanden en ik was de vierde wand.’

    Dit is mooi gedaan. Hopelijk schrijft Boekwijt haar eerste roman in de Reviaanse stijl van het laatste verhaal en volgen er nog vele prachtige verhalen in de verstilde Bakkeriaanse stijl.

    Pels

    Auteur: Naomi Rebekka Boekwijt
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 124
    Prijs: € 17,95

  • Recensie door Huub Bartman

    Recensie door Huub Bartman

    De Gordiaanse knoop

    ‘En wie zich dit alles niet kan voorstellen, die moet zich tenminste proberen voor te stellen wat Auschwitz betekent. En wat dit tot nu toe en voor eeuwig voor ons betekent. En waarom iedere voorzitter van de Europese Commissie sinds de oprichting van de Commissie zijn ambtsaanvaarding begint met een reis naar Auschwitz.’ (blz. 115)

    De bekende Oostenrijkse schrijver Robert Menasse vatte enige tijd geleden het plan op een roman te schrijven die zich in Brussel zou moeten afspelen met als hoofdpersoon een ambtenaar van de Europese Commissie. Het zou een zogenaamde ‘vooravond-roman’ moeten worden in de zin van Thomas Manns De Toverberg of Robert Musils Man zonder eigenschappen. In Menasses ogen staan wij aan de vooravond van de ondergang van de natiestaat en de grafdelver zal de Europese Unie zijn; óf de Europese Unie slaagt erin de overwinning op de natiestaat te boeken, óf de natiestaat zorgt voor een herhaling van de rokende puinhopen van weleer, escalerend in een nieuw armageddon, een nieuw Auschwitz, waarna we opnieuw stamelen: ‘Dit mag nooit meer gebeuren!’

    De roman is er nog niet gekomen, maar wel een erudiet en vlammend essay; erudiet omdat hij een haarscherpe analyse geeft van de problemen waarvoor wij in Europa staan en vlammend omdat hij zijn analyse baseert op een maatschappijvisie. En juist dat laatste ontbreekt, aldus Menasse, bij de huidige generatie politici. Dat is heel erg omdat het Europese project zoals wij dat nu kennen in de vorm van de Europese Unie in den beginne gebaseerd is op een maatschappijvisie als reactie op de verschrikkingen van vooral de Tweede Wereldoorlog: ‘Dat nooit meer!’ De na-oorlogse Europese elite zag in dat de oorzaak van alle ellende gezocht moest worden in de natiestaten. Deze moesten dus door een vervlechting van hun economieën stap voor stap gedwongen worden hun soevereiniteit prijs te geven tot ze uiteindelijk zouden afsterven en opgaan in een Europa zonder grenzen. Deze supranationale opvatting van Europa werd toen door de elite gedeeld, niet door het gewone volk. Nu echter vindt deze opvatting ook bij de elite niet langer gehoor, terwijl het volk nog altijd niet gewonnen is voor de Europese idee. Het beperkte supranationale karakter van sommige Europese instellingen is in de loop der tijd systematisch uitgehold met als droevig dieptepunt de bepalingen van het Verdrag van Lissabon, waar de bevoegdheden van de Europese Commissie aan banden werden gelegd, die van het Europees Parlement onvoldoende werden versterkt en die van de Europese Raad werden uitgebreid. Deze Europese Raad is in de ogen van Menasse een arena waarin de natiestaten elkaar de tent uitvechten om vermeende eigenbelangen te behartigen. Grote landen als het Duitsland van Angela Merkel en Frankrijk maken er de dienst uit en de regeringshoofden, ook Rutte, komen trots thuis vertellen wat ze nu weer voor hun eigen land hebben binnengehaald ten koste van die gargantueske moloch, EU geheten, wel inziend dat hun nationale belangen eigenlijk veel meer gediend zouden zijn bij meer Europa, maar om electorale redenen zich aansluitend bij de nationale waan van de dag. Deze politici immers zijn thuis afhankelijk van hun kiezers, die anti-Europa zijn of op zijn best sceptisch staan tegenover de EU, daartoe opgehitst door de nationale media. En juist daarin schuilt, aldus Menasse, de tragiek ‘….dat uitgerekend de schuldigen zich opwerpen als redders, die de gevolgen van hun beslissingen tot oorzaak van hun eerstvolgende beslissingen verklaren. De Raad is de vernietigende verlosser: waar over de redding onderhandeld wordt, groeit het gevaar!’(blz. 103).

    Menasse gaat ervan uit dat er eigenlijk helemaal geen sprake is van een financiële crisis, maar van een politieke crisis. ‘Politiek engagement, democratische strijd en natuurlijk de woede van de burgers moeten zich nu richten op de afschaffing van de Raad. De Raad moet weg! Radicaal!’

     

    De Europese koerier
    De woede van de burger en de vrede van Europa

    Auteur:  Robert Menasse
    Vertaald door: Paul Beers
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 128
    Prijs: € 16,95

  • Het Droste-effect verhaald

    Het Droste-effect verhaald

    Soms heb je een boek waar je niet doorheen lijkt te komen en waarbij de eerste helft van het boek je eerder aanzet tot stoppen dan tot verder lezen. Maar als dat boek Post mortem heet, geschreven is door Peter Terrin en de AKO Literatuurprijs 2012 heeft gewonnen, dan wil je toch verder lezen om te ontdekken waarom dit boek bekroond is. En wie doorleest wordt beloond: Post mortem is een schitterende postmodernistische roman. De auteur speelt met literaire kunstgrepen en probeert daarbij de problematische relatie tussen realiteit en fictie bloot te leggen. Niet het verhaal staat centraal in Post mortem, maar het vertellen zelf.

    Het boek bestaat uit drie delen. Het eerste, meest trage, deel beschrijft het dagelijks leven van schrijver Emiel Steegman. Steegman, huispapa van dochtertje Renée, loopt de hele dag te broeden op een goed onderwerp voor een nieuw boek. Hij beschrijft zijn leven alsof hij zelf het personage is van zijn eigen boek. Zijn buren zijn allemaal karakters en figuranten van het verhaal. Tot het moment dat hem een nieuw idee te binnen schiet; een idee voor een nieuwe roman: ‘Daar huisde het voornemen een roman te schrijven over een schrijver.’ Om zijn personage, de schrijver T, zo levendig en realistisch mogelijk te kunnen beschrijven, identificeert en transformeert Steegman zichzelf tot T. Maar ‘Anders dan Steegman heeft T succes.’ T is de succesvolle vereenzelviging van Steegman en in T kan Steegman al zijn dromen en verlangens kwijt. Met T hoopt hij een verhaal in handen te hebben waarmee hij zelf kan doorbreken, waarna een biograaf zal willen achterhalen wie Steegman nou eigenlijk was. Zijn honger naar het schrijverssucces hangt samen met het idee te blijven voortleven na zijn dood via zijn boeken.

    Het onheil slaat echter toe op het moment dat Steegmans laatst verschenen boek De moordenaar een prijs gewonnen blijkt te hebben. Op exact hetzelfde moment overkomt zijn dochtertje iets vreselijks. Ze valt in slaap en wordt niet meer wakker. In het ziekenhuis wordt Steegman telefonisch gefeliciteerd en uitgenodigd in de studio voor interviews, waarbij hem door zijn uitgever op het hart gedrukt wordt dat hij nu zijn kans moet grijpen om ervoor te zorgen dat hij een gevierd schrijver wordt en hij niet snel weer in de vergetelheid raakt.

    Hier begint het tweede deel van het boek. Niet alleen verandert de schrijfstijl, ook is gekozen voor een ander lettertype. Het lettertype van een typemachine. En dat is wat Steegman doet: hij typt naast het bed van Renée in het ziekenhuis uit innerlijke drang om te typen. Voor hem werkt het therapeutisch en artsen hebben het idee dat het geluid van een tikkende typemachine een positieve uitwerking heeft op het slapende meisje. Steegman beschrijft de slopende tijd waarin iedere seconde in het teken staat van de vraag of Renée ooit nog wakker wordt en zo ja, in welke toestand ze dan zal ontwaken. Zeker is dat Renée nooit meer de oude zal zijn doordat bepaalde hersendelen voorgoed uitgevallen zijn. In dit tweede deel voeren Steegmans liefde voor zijn dochter en zijn vaderrol de boventoon. De schrijfstijl is prachtig en treffend. De vluchtige associaties en gedachtensprongen zijn zeer realistisch beschreven, als las je een echt dagboek van een vader die doodsangsten uitstaat en gelijktijdig kampt met een schuldgevoel en een gevoel van falen als ouder: wat als hij eerder een ambulance had gebeld? Het tweede deel eindigt als cliffhanger: het blijft onduidelijk of het goed komt met Renée.

    Het derde, meest geniale deel wordt opgepakt vanuit een ik-figuur; de biograaf van Steegman. Hier worden losse eindjes aan elkaar geknoopt en vallen de drie delen van het boek samen. De biograaf probeert Steegmans leven te reconstrueren en ontvangt videotapes met opnames van het revalidatieproces van Renée. Steegman is de cameraman en ieder triomf van zijn dochter legt hij vast op film. Er wordt gespeeld met perspectief en met de vraag wat fictie is en wat non-fictie. Een schrijver schrijft over een schrijver die schrijft over een schrijver. En om het nog ingewikkelder te maken: ook dat verhaal wordt geschreven door een schrijver die (toevallig?) een achternaam heeft die begint met de letter T. En er zijn meer overeenkomsten tussen Terrin en zijn personages, zoals het winnen van een grote literaire prijs en het schrijven van een succesroman; De moordenaar van Steegman en De bewaker van Terrin (toevallige antitheses?). En als kers op de taart blijkt dat Steegman is aangeklaagd voor een moord op basis van een vergelijkbare moord in een episode uit zijn roman T. Waar ligt de grens tussen waarheid en onwaarheid?

    Post mortem is niet alleen een reflectie van een schrijver op zijn leven en op zijn leven na zijn dood, maar is ook een metareflectie op het verbinden van literatuur met de werkelijkheid. Hoe ver kan je gaan in het genereren van betekenis? Mag je de auteur verbinden aan de tekst die hij of zij geschreven heeft? Of is het zoals W.F. Hermans schreef in Herinneringen van een engelbewaarder: ‘We zijn niet wie we zijn, we zijn wat de wereld van ons weet…’? Een zin die niet toevallig gekozen is als opening van het boek. Lees Post mortem als een tekst met het Droste-effect. Het boek houdt je bezig: als je het boek uit hebt, weet je niet meer waar je bent begonnen of waar je bent geëindigd.

     

  • Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Treinreizen door het leven van de Italiaan

    Wie in de jaren ’60 van de vorige eeuw per trein door Nederland reisde kent ze nog wel: de metalen plaatjes onder de ruit met in drie talen de waarschuwing om niet uit het raam te hangen. Daaronder ook het Italiaanse ‘e pericoloso sporgersi’. Het gaf je, sporend door Nederland, het gevoel dat je voor hetzelfde geld door Italië had kunnen reizen.
    Wie heden ten dage meemoppert over treinvervoer in ons eigen land, zal daar echter na lezing van Italië op het spoor van Tim Parks anders over denken.

    Parks schreef zijn boek vanuit de gedachte dat het spoor, de aanleg ervan en het reizen erover, een spiegel is van het land waardoor dat spoor loopt. Anders gezegd: wie door Italië treint en om zich heen kijkt, leert de Italiaanse denkwijze en cultuur kennen. Schrijven over ervaringen op het spoor in de laars van Europa kun je aan Parks wel overlaten. Hij woont al ruim dertig jaar in het land, is getrouwd met een Italiaanse, doceert vertaalkunde aan de universiteit van Milaan en reist veel per trein. Hij schreef zowel romans als non-fictie over Italië. Veel daarvan is ook in het Nederlands vertaald.

    Voor wat Parks met zijn boek wil is Italië op het spoor een fraaie vertaling van de dubbelzinnige Engelse titel Italian Ways. Het boek is een verslag van een aantal treinreizen én een bespiegeling waarin hij de Italiaanse manier van leven op het spoor wil komen. Parks is iemand die tongue in cheek schrijft. Hij vindt treinen door Italië de mooiste vorm van reizen (en de vanuit milieubewustzijn gezien meest verantwoorde), maar hij stelt deze vorm van verplaatsing tegelijk voor als een ware verschrikking. Stations zijn dikwijls prachtige bouwwerken, maar doolhoven voor reizigers. Het warrige stelsel van nationale en regionale en snelle en stoptreinen, de elkaar beconcurrerende maatschappijen, de lijdensweg die je af moet leggen om dienstregelingen te achterhalen of aan het juiste treinkaartje te komen: wat een hel! Het is een wonder als iemand op tijd op de gewenste bestemming komt zonder onderweg beboet te worden. Het lijkt in Italië een sport om alles optimaal te regelen en vervolgens iedereen gewoon zijn gang te laten gaan. Regels zijn er om naar believen toe te passen of aan je laars te lappen, afhankelijk van het voordeel dat die keus je oplevert. Of zoals Parks opmerkt: ‘Een van de voornaamste kenmerken die je moet zien te doorgronden in alle aspecten van het Italiaanse leven, is dat deze natie geen problemen heeft met de afstand tussen ideaal en realiteit. Ze zijn de hypocrisie voorbij. Ze registreren gewoon geen tegenstelling tussen retoriek en gedrag. Het is een benijdenswaardige instelling.’

    In het eerste deel van zijn boek beschrijft Parks de geschiedenis van de Italiaanse spoorwegen. Die is heel anders dan die van Engeland, waar ze ontstonden uit de behoefte om industriesteden onderling en met havens te verbinden. Italië kende veeleer een politiek dan een economisch motief. In de tijd van het Risorgimento (het streven om de talloze staatjes op het schiereiland te verenigen tot één Italië) was het van belang snel militairen te kunnen verhuizen en een betere communicatie mogelijk te maken tussen afzonderlijke delen van de toekomstige eenheidsstaat.
    Ook in een andere zin werd het spoor een politiek instrument. Het wordt traditiegetrouw gebruikt ‘om overtollige arbeidskrachten te absorberen en de werkloosheid laag te houden. (..) Tienduizend van de negenennegentigduizend spoorwerkers worden als overbodig beschouwd’. Een baan bij de spoorwegen geldt voor een Italiaan als ‘fatsoenlijk betaald en zo zeker als een plekje in de hemel’.

    De spoorwegen in Italië zijn niet alleen door die hoge personeelskosten flink verliesgevend. Er is geweldig in geïnvesteerd en ondanks dat zijn de kaartjes goedkoop. ‘Italianen [hebben] helemaal geen zin om te veranderen. Ze houden van een gemakkelijk leven. Ze beschouwen zichzelf superieur aan die primitieve en tobberige naties die punctualiteit boven stijl en comfortabele consumptie stellen. Er wordt een compromis gevonden in het imago. Ze zullen doen alsof Italië snel en modern is’. Maar zelfs bij die gunstige prijzen kiezen de Italianen voor vrijheid: de eigen auto. Daar helpt geen moedertjelief aan: ‘In april 1961 promootte het autotijdschrift Quattroruote (Vier wielen) een race van Milaan naar Rome tussen de nieuwe, snelle elektrische trein, de Settebello, en een Alfa Romeo Giulietta. De trein deed er zes uur en zevenendertig minuten over. De Alfa deed het in vijf uur en negenenvijftig minuten. Het spel was uit.’

    In het laatste deel reist Parks naar het zuiden, naar Sicilië en de hak van Italië. Die tocht laat een groot verschil zien tussen het rijkere noorden en het armere zuiden. Het is daar vooral het onderhoud aan het spoor en de stations dat te wensen overlaat. Er gebeurt vaak pas wat als er geld voor komt uit de Europese regiopot. Maar ook dat levert dan weer absurditeiten op. Zo treft Parks in de buurt van Otranto langs het spoor een bord aan, waarop het land Europa dank zegt voor de € 3.614.750,57 die het ontving om het spoor vier jaar lang onkruidvrij te houden:

    Drie miljoen zeshonderdveertienduizend zevenhonderdvijftig euro en zevenenvijftig cent. Voor onkruidbestrijding over een periode van vier jaar. Ik vind dat elke vorm van retoriek en elk detail uiteindelijk zijn functie en logica moet hebben. Hier kan ik alleen maar veronderstellen dat de vijfenzeventig cent worden vernoemd om een indruk van eerlijkheid en fatsoen te geven die de strengste pignolo [iemand die de regeltjes precies toepast] waardig is. Het is algemeen bekend dat Apulië, samen met Sicilië, een van de twee meest verkwistende Europese regio’s is als het om het uitgeven van subsidies van de Gemeenschap gaat.

    Een mooie observatie noteert Parks als hij in zijn eentje in de kathedraal van Lecce afkoeling zit te zoeken en er de rozenkrans hoort bidden. Hij wordt er stil van, tot hij ontdekt dat het stemgeluid niet van een lijfelijk aanwezige priester komt maar van een casettebandje. Dan noteert hij:

    En zodra ik besefte dat het een bandje was, kon ik niet eens meer doen alsof ik me eraan onderwierp. In plaats daarvan zat ik een vergelijking te trekken met de elektronische meldingen in de stations waar de capostazioni al lang met pensioen zijn gestuurd tezamen met al hun ondergeschikten. De zich eindeloos herhalende stem komt van ver weg, of van jaren geleden, en is alleen nog aanwezig door bedrading en microchips. Het heeft iets arrogants en neerbuigends: de organisatie die voor het transport zorgt, of dat nu gebeden of treinen zijn, is zo machtig en gevoelloos geworden dat ze het niet meer nodig vindt dat iemand van vlees en bloed de passagiers en gelovigen leidt. Het is dus zo afstandelijk en absurd geworden, dat mensen het helemaal normaal vinden om vals te spelen; om te denken dat ze absolutie kunnen krijgen na een vluchtige biecht, om in de eerste klas te zitten zonder geldig reisdocument, en ook op andere gebieden van het leven: het ontduiken van belasting, het negeren van bouwvoorschriften.

    Parks neemt in het boek nogal wat ruimte om zijn ervaringen in de trein zelf te beschrijven: volle coupé’s, zeurende en stinkende medereizigers, idiote gesprekken en telefoontjes, weigerende airco’s en lamlendige en op hun strepen staande conducteurs. Het levert soms hilarische beschrijvingen op, die hij echter hier en daar wat te lang volhoudt.
    Dat is trouwens niet de enige kritiek die je kunt hebben. Parks’ boek heeft ook iets willekeurigs doordat hij maar een deel van Italië bereist. Bovendien weet hij de lezer niet volledig te overtuigen dat de handel en wandel op en rond het spoor inderdaad een volkomen afspiegeling is van de manier waarop Italianen in het leven staan.

    Maar met dat korreltje zout binnen handbereik is Italië op het spoor beslist een vermakelijk boek.

     

    Italië op het spoor.
    In en uit de trein van Milaan naar Palermo

    Auteur: Tim Parks
    Oorspronkelijke titel: Italian Ways
    Vertaald door: Corine Kisling
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2013)
    Prijs: € 19,95

  • Ik wil nooit vergeven worden – Ted Hughes

    Gesignaleerd

    Bij de Arbeiderspers is onlangs een nieuw deel in de serie Privé Domein verschenen. Het betreft Ik wil nooit vergeven worden van Ted Hughes.

    De uitgeverij meldt over dit boek: ‘Ted Hughes is een van de grootste Britse dichters van na de oorlog. Zijn veelzijdige productie en gloedvolle voordracht stimuleerden generaties lezers. Daarnaast zou Hughes vooral bekend worden als ‘de man van’ de legendarische dichteres Sylvia Plath. Haar zelfmoord, kort nadat hij haar verlaten had, wierp een schaduw over zijn leven.

    Hughes zag het schrijven van brieven als een ‘uitmuntende training voor een gesprek met de wereld’. Deze bloemlezing biedt een selectie uit de duizenden brieven die hij schreef in een periode van vijftig jaar. Ze tonen Ted Hughes in al zijn hoedanigheden: als dichter, minnaar, echtgenoot en vader, als goede vriend en vertrouweling, als nuchtere Engelsman met een fascinatie voor mythologie en het bovennatuurlijke, als liefhebber van de jacht, de visserij en het buitenleven, en als een man voor wie de literatuur een magisch middel was om de werkelijkheid zo intens mogelijk te ervaren.

    De vele brieven aan Sylvia Plath bieden een unieke blik op Hughes’ relatie met haar. Ook zijn er brieven aan Assia Wevill, de moeder van zijn derde kind, die zich net als Plath van het leven zou beroven. Dit boek schetst een gedetailleerd zelfportret van een complexe, zoekende, gepassioneerde en buitengewoon creatieve persoonlijkheid, die de uitdagingen van zijn veelbewogen leven steeds met open vizier is aangegaan.’

     

    Ik wil nooit vergeven worden

    Auteur: Ted Hughes
    Vertaald door: Nelleke van Maaren
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 504
    Prijs: € 45,-

  • Absoluut geen tussendoortje

    Absoluut geen tussendoortje

    Recensie door Obe Alkema

    Debuteren op jonge leeftijd is gewaagd, maar op latere leeftijd is dat niet minder zo. Kan een geflopt debuut van een kwieke twintiger nog weggemoffeld worden onder de noemer ‘te jong, te snel gedebuteerd’; die vlieger lijkt voor een oudere dichter niet op te gaan. Zo’n persoon zou toch de tijd gehad hebben om zijn bundel te perfectioneren? Henk Ester (1952) is zo’n late debutant. Hoe gewaagd is Bijgeluiden?

    Esters bundel is grofweg op te delen in twee delen. In het eerste deel laat Ester heel secuur zien dat hij continu observeert. Het gedicht A2 illustreert dit:

    A2

    ’s avonds, hoog, aan de rand van de stad
    is alles goed te zien
    de weg, het water en het licht
    maar onzichtbaar is het geluid
    het deinen van motoren
    hier ver van zee
    op een balkon

     

    In kraakheldere taal weet Ester een herkenbare setting (iemand die over een stad uitkijkt vanaf een balkon) te schetsen zonder al te veel poespas te geven. Typerend voor al zijn gedichten is de ogenschijnlijke bijkomstigheid van het geluid. Geluiden komen echter niet toevallig aan bod in zijn gedichten. Ze zijn het leidmotief in deze bundel. Het gaat continu over geluid.

    Dat kan in de vorm van stadsrumoer, zoals in A2 of in de eerste strofe van Concertzaal: ‘In de binnenstad dirigeert een man stemmen, / trage stappen en bloemen in stilstaand water.’ Daarnaast kan het ook in de vorm van kunstrumoer: het noemen van muzikanten en andere kunstenaars. Hiermee laat Ester zien dat hij verstand heeft van onder andere literatuur en klassieke muziek. Kijk naar een gedeelte uit Middagduivel: ‘Wie leest / over vijfhonderd jaar Lamento van Campert, / totaal witte kamer van Kouwenaar, / Yann Andréa Steiner van Marguerite Duras? / Wie kent dan nog Sonate nr. 5 van Ustvolskaya, / Book of Angels van Zorn, Canto Ostinato van Ten Holt?’
    Geluid is voor Ester het ideale voorbeeld om zijn gedachten te ordenen en weer te geven. Ester is namelijk een denker. De opsomming hierboven vervolgt met de zin ‘Tijdgeesten luisteren slecht.’ Ester denkt veel na en in het eerste deel van Bijgeluiden noteert hij het meer informatief dan poëtisch, wat ervoor zorgt dat de lezer ook moet nadenken. Nog zo’n statement (weer in Middagduivel): ‘Een dichter hangt geen formules aan. Elke formule / is achterhaald, elke pretentie misplaatst.’

    Het tweede deel van de bundel is echter meer poëtisch dan informatief te noemen. In tegenstelling tot het essayistische eerste deel, is dit meer een stream of consciousness te noemen. Hij gaat hierbij heel associatief en suggestief te werk en richt zich meer op de poésie pure dan op het informatieve karakter van zijn poëzie. Kijk eens naar het gedicht Verborgen ritueel:

    een hele molen licht
    het wezen van de wind

    hel hellen luiden luid

    een helle molen luidt
    het winnen van de wind

    hel hellen luiden luid

    een helle molen heelt
    lasluister heigelui

    hel helen lieden ludd
    hel helen lieden ludd

     

    Dit gedicht is verreweg het meest extreme voorbeeld van de klankherhalingen in Bijgeluiden. Het vormt een grote discontinuïteit met de andere gedichten. Tussentijd [1] is ook zo’n gedicht waarin de gedachten minder strak geordend zijn en waarbij de stream of consciousness goed naar voren komt:

    Maersk … Hanjin … Cosco … Geest …
    … Wan Hai … Evergreen … Delmas …
    Yang Ming … Nedlloyd … Hapag …

    … Matson … Hyundai … Kien Hung …
    “K” Line … Star Shipping … Heung-A …
    … CNC Line … Hansa Mare … APL …

    er is wereld
    het wemelt ervan

    en in de tussentijd
    zwermen getuigen uit

    nemen de meesten aan zee
    een omweg naar het water

    vliegt het schuim
    in dodelijke drift
    de wering in

    en loop ik
    van tweehoog achter
    naar beneden

     

    De achterflap verklapt dat Ester vaak te vinden is op de Maasvlakte. Dit gedicht zou ontstaan kunnen zijn na een wandeling aldaar. Hij ziet de containers opgestapeld liggen en zijn gedachten dwalen af. Zijn gedachten zijn niet zo goed gestructureerd als in het eerste deel. Hij laat ze meer los. In dit gedeelte worden ook minder vaak muzikanten of kunstenaars genoemd. Het geluid is wel aanwezig, alleen meer onder de oppervlakte; het wordt niet zo benadrukt. De openingszinnen van Harmonium laat Ester ook de vrije loop nemen:

    vingeroefening bij opkomend tij

    nietsvermoedend, onwetend, vol overgave
    zingt in klankgerochel van de zuigwind
    het harmonium een loflied op de solipsist

    een lyrisch dwalen in voortalige
    eentonigheid

     

    Prachtige openingsregels van dit gedicht. Harmonium is inderdaad een vingeroefening en het gedicht ontwikkelt zich als opkomend tij.

    De samenhang tussen de gedichten, tussen de negentien secties waarin de bundel verdeeld is en de twee gedeelten is duidelijk aan te wijzen. Het uit zich in een consistente thematiek (geluid, leven, natuur) en een voortdurend gebruik van motieven (kunstenaars, geluiden en de zee). Ook herhaling van woorden draagt bij aan de coherentie. De opdrukken van de containers in Tussentijd [1] worden bijvoorbeeld ook herhaald in Retor in chemie. Een ander voorbeeld: het woord ‘steen’ komt continu terug in Bijgeluiden XIV, het veertiende deel van de bundel.

    De continuïteit binnen Bijgeluiden zorgt er niet voor dat de bundel gemakkelijk te lezen is. Vanwege Esters bespiegelingen op de realiteit en zijn gebruik van grote namen binnen de muziek en literatuur wordt de belezenheid van de lezer danig op de proef gesteld. Esters gedichten zijn absoluut geen tussendoortjes: hij zorgt er continu voor dat er opgelet moet worden.
    Het is echter wel zo dat de aandacht snel kan verslappen, omdat de gedichten vanwege de continuïteit op elkaar lijken. Daardoor worden ze minder spannend. Verwacht bij Ester geen opwinding over bepaalde onderwerpen. Hij blijft even kalm en beheerst in het noteren van zijn beschouwingen. Zijn stroom gedachten in het tweede deel zijn tevens niet extreem lyrisch te noemen, hier blijft hij ook nuchter noteren wat hij denkt.

    Gewaagd is Bijgeluiden niet te noemen vanwege het ontbreken van spannende procedés. Daar zit de kracht van deze debuutbundel ook helemaal niet in: het zit hem in de secure overpeinzingen van een dichter die hij degelijk noteert en aanvult met geluiden. Hij verwoordt het zelf treffend in Kiezelwieren zweven: ‘- geen lyrisch of pijnlijk dichterlijk zwijgen -’ Het zit hem daarnaast in de knappe coherentie tussen elk gedicht, elke sectie en elk van de twee gedeelten. De scharnierverhouding tussen die laatste twee is wonderlijk, omdat ze elkaars tegenpolen zijn.
    Dat maakt Bijgeluiden tot een goede debuutbundel die tot in de puntjes is uitgewerkt. Ester is met dit boek genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2013 en die nominatie heeft hij ruimschoots verdiend.

     

    Bijgeluiden

    Auteur: Henk Ester
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 108
    Prijs: € 19,95

  • Tempelschender door het leven gestraft

    Tempelschender door het leven gestraft

    Recensie door Rein Swart

    Het is een genot om in een historische roman een boeiend verhaal voorgeschoteld te krijgen over een andere wereld, in dit geval de Ottomaanse cultuur, die zich uitstrekte tot ver in Azië. De Schotse graaf Thomas Elgin reist met zijn vrouw en enkele medewerkers naar Constantinopel om daar een buitenlandse post te bekleden. Historische en persoonlijke gebeurtenissen wisselen elkaar af. Het is de tijd van Napoleon, die tijdens een zeeslag een nederlaag wordt toegebracht door Nelson, die in het boek als een oude kreupele circusbeer wordt voorgesteld.

    Het verhaal begint met een proloog: in 1771 verliest Elgin in korte tijd zowel zijn vader als zijn broer, beiden aan een andere ziekte. Zijn oom zegt dat Elgin nu graaf is en dat het lot van de familie in zijn handen ligt.

    Op een bal in Weymouth vraagt Koning George de Derde Elgin in 1798 om een buitenlandse post in Constantinopel, het latere Istanbul, op zich te nemen, maar vindt dat hij daar wel als getrouwde man naar toe moet gaan. Elgin laat een oogje vallen op de twaalf jaar jongere Mary Nisbet, die een rijke vader heeft. Hij weet haar te verleiden met hem te trouwen en mee te gaan naar Constantinopel. Op zee is Mary misselijk en zwanger. Elgin heeft zijn pruik afgezet omdat die vies ging ruiken. Omdat Elgin een verzoek heeft gekregen van de bouwmeester van zijn landhuis om wat oude Griekse beelden te kopiëren, chartert hij tijdens een tussenstop in Palermo een geschikte kunstkenner, Lusieri, die belast wordt met kopieerwerkzaamheden op de Akropolis.

    Op weg naar hun standplaats stelen ze marmeren stoelen bij Troje. Volgens Elgin zijn die beter op hun plaats in Engeland dan wanneer ze door de locale bevolking gebruikt worden als heiligdommen. Op bezoek bij de sultan in het Topkapi-paleis vraagt hij om een vergunning voor opgravingen op de Akropolis. Hij krijgt meer dan waarom hij gevraagd heeft en zijn medewerkers gaan druk aan het graven en hakken. Langzaamaan schuift de grens van wat toelaatbaar is op. Als de ouders van de zwangere Mary op bezoek komen, vraagt zijn schoonvader hem om in plaats van kopieën enkele originelen mee naar Engeland te nemen.

    Gemakkelijk is het leven van Elgin niet. Zijn vrouw Mary raakt verzwakt door veel moeilijke bevallingen en wil terug naar Schotland. Zijn neuspunt wordt weggehaald vanwege een infectie, waarna hij een masker moet dragen. Een schip met marmer vergaat bij Kythera. Op de terugweg over land naar Engeland komen Elgin en zijn vrouw vast te zitten in Pau vanwege de oorlog tussen Frankrijk en Engeland. Tot overmaat van ramp wordt De Britse Elgin ook nog eens vastgezet in Lourdes. Elgin gaat niet in op het voorstel van de Fransen hem vrij te laten in ruil voor de kunstschatten die per schip naar Londen gaan. Mary verkast naar Parijs en krijgt daar een relatie met Ferguson, een andere Engelsman. Als Elgin vrij komt is hun verhouding verslechterd. Mary geeft aan dat ze zich bij Elgin net een broedkip voelde. Elgin dreigt met een scheiding in de hoop dat hij dan ook de erfenis van Mary krijgt, maar zover komt het niet.

    Het boek eindigt wat vaag met een wandeling van Elgin vanuit zijn landhuis in Schotland naar het water. Het is onduidelijk of hij zich het leven beneemt, maar in ieder geval heeft hij weinig plezier aan het roven van de kunstschatten beleefd.

    Anker schrijft het allemaal heel degelijk, zonder veel opsmuk op, in korte hoofdstukken met de titel van de plaats en het jaar waar we ons bevinden. Op de omslag is een marmeren paardenhoofd te zien. Aan het eind wordt gesproken over het paard van de maangodin Selene dat geroofd is en in een binnenplaats in Londen staat te vergaan. ‘Het hoofd toonde uitputting. Een hemellichaam door de hemel trekken was heel vermoeiend. Het paard was een vreemd dier. Het had een hoofd, maar geen gezicht. Een gebekt hoofd.’

    Dat had Jan-Willem Anker nog wel wat beter kunnen uitleggen. Het  blijft een losstaand gegeven dat verder niet in het verhaal verweven wordt, maar verder is en blijft het een fantastisch verhaal.

     

    Een beschaafde man

    Auteur: Jan Willem Anker
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 364
    Prijs: € 21,95

  • Een schuldbelijdenis

    Een schuldbelijdenis

    Het leven van Jonah Jacobson is verborgen achter sluiers. Als er een tipje van de eerste sluier wordt opgelicht vertoont zich weer een nieuwe. Achter de laatste worden de koortsdromen en hallucinaties van Jonah zichtbaar, hij zegt zijn gebed Sjema Israel en er komt daarna niemand Kaddish zeggen.

    Jonah vlucht in de Tweede Wereldoorlog voor het oprukkende kwaad van het Nationaal Socialisme. De bedoeling is om via Frankrijk en Portugal uit te wijken naar Engeland, echter door een speling van het lot komt hij terecht in Brazilië. Vijfenzestig jaar later onderneemt Jonah een reis naar Amsterdam, de stad waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hij herinnert zich zijn vader, een sjacheraar, een handelaar in van alles en nog wat. Een lieve zorgzame moeder met wie hij vaak een bioscoop bezocht. Een armoedige bedoening in de Weesperstraat die door zijn moeder werd opgefleurd met ingelijste plaatjes uit tijdschriften. De geur van schimmel en de tocht die door het huis trok en de sjabbat kaarsen deed flakkeren.

    Jonah wordt diamantslijper en hij is in zijn vrije tijd een niet onverdienstelijk bokser hetgeen hem van pas komt wanneer hij samen met zijn vrienden op het Waterlooplein een paar NSB-ers te lijf gaat.  Na het overlijden van Jonah’s vader hertrouwt zijn moeder met Landau, die hem vertrouwd maakt met de Thora. In mei 1942 komt er een oproep van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung waarop Landau en Jonah’s moeder zich moeten melden op het Centraal Station, om van daaruit te worden vervoerd naar een herstellingsoord. Bij de oproep zijn twee gratis kaartjes gevoegd voor de tram. Een afscheid voor altijd. Het bestaan in Amsterdam wordt steeds moeilijker en een voormalig lid van de boksclub brengt hem in contact met Bobby die voor valse persoonsbewijzen zal zorgen. Er is een groep die joodse mensen naar veilige adressen in de provincie brengt. Bij de brug over de Amstel wacht Linda op Jonah om hem op weg te helpen. Onder andere omstandigheden was er beslist iets moois ontstaan tussen Linda en Jonah. Hij zal haar later ruimschoots belonen voor de door haar bewezen diensten en wanneer hij na al die jaren terugkeert naar Amsterdam, is hij eigenlijk alleen op zoek naar haar.

    In Brazilië bouwt hij een nieuw bestaan op. Met een oude motorfiets met zijspan rijdt hij meer dan vijfhonderd kilometer door het land alvorens hij Nana ontmoet, zij wordt de vrouw van zijn leven. Jonah wordt door zijn vrienden Azulão, blauwe vogel, genoemd en hij heeft zich voorgenomen om naar diamanten te gaan zoeken. Het geluk lacht hem toe en op een dag vindt hij een bijzonder waardevolle diamant. Door een voormalig collega uit Amsterdam wordt de kostbare steen verkocht en de opbrengst wordt overgemaakt aan Catherina Hovenier die Jonah eerder had leren kennen als Linda en aan wie hij  zijn vrijheid te danken heeft. Er is overeen gekomen dat de ontvangster niet te horen zal krijgen wie haar weldoener is. Jaren later bereikt hem een ansichtkaart van Hotel Linda waarin de begunstigde haar pecunia heeft belegd. Na Nana’s dood wordt Jonah verzorgd door Vicky, een meisje dat in ruil voor de huishoudelijke hulp bij hem in komt wonen. Hij vertelt haar verhalen over dat platte landje aan de overkant van de oceaan en zij dringt er op aan dat hij nog een keer zijn vaderland zal bezoeken. Gedurende de lange vliegreis worden de herinneringen uit de put van zijn geheugen omhoog gehesen. Hij ziet de Amstel weer aan zich voorbij stromen en hoort de marktlui op de Albert Cuyp hun waren aanprijzen. In het bijzijn van Sonja, een kleindochter van Linda, spreekt Jonah in het ziekenhuis zijn schuldbelijdenis, Widoei, uit en gaat voor altijd slapen.

    Arjan Visser slaagt er in om levendige beelden op te roepen van zowel het vooroorlogse Amsterdam als van het leven op het platteland in Brazilië. De chronologie is in zijn roman vaak ver te zoeken maar dat is nu juist één van de charmes van het verhaal, het is zonder meer meeslepend. Het is daarnaast ook een aangrijpend boek dat echter nooit sentimenteel wordt.

     

    Hotel Linda

    Auteur: Arjan Visser
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s 232
    Prijs: € 19,95