• Oogst week 26 – 2020

    Onderwaterverhalen

    Onderwaterverhalen was volgens schrijver en dichter Ineke Riem niet wat ze aanvankelijk wilde schrijven: ze begon aan een roman, en eindigde met een heel nieuw manuscript, dat van een verhalenbundel. Ze werd onder andere geïnspireerd door een reis naar de Azoren en door het idee van een zogenoemde ‘eenheidservaring’ of verbintenis van afzonderlijke verhalen. Mensen die niet helemaal passen in de tijd waarin ze leven lijken een thema in haar werk: in haar nieuwste bundel hebben alle personages een ‘oude ziel’. Haar boek Rauw hart (2017) handelt over een man die geen binding voelt met het moderne tijdperk. Ook de sprookjesachtige sfeer en onderwatersymboliek keren in verschillende boeken van Riems hand terug: niet alleen in Onderwaterverhalen, maar ook in haar debuutroman Zeven pogingen om een geliefde te wekken (2013) en poëziedebuut Alle zeeën zijn geduldig (2015) – what’s in a name. Riem ontving voor Zeven pogingen om een geliefde te wekken de Bronzen Uil en de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Daarnaast werd haar debuut genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs.

    Onderwaterverhalen
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het boek der tranen

    Heather Christle schreef met The Crying Book, door Koen Boelens en Helen Zwaan vertaald als Het boek der tranen, een boek over de rol van tranen in onze hedendaagse samenleving. Ze schuwt haar eigen kwetsbaarheid daarbij niet: zelf verloor ze haar beste vriend en maakte ze een emotionele zwangerschap door. Haar ervaringen en beelden vervlecht ze met haar cultuuranalyse. Ze snijdt overkoepelende thema’s en vragen aan die te maken hebben met het fenomeen huilen: scheikunde, poëzie, geschiedenis, feminisme – hoe komt het toch dat huilen als iets typisch vrouwelijks – en (onterecht) zwaks – wordt gezien? –; semantiek – to cry is “luider” dan “to weep, schreien”, dat is het “natst”; esthetiek – Christle constateert wat er mooi en lelijk is aan huilen, en is nu eens droog en humoristisch, dan weer ernstig.

    Het boek der tranen
    Auteur: Heather Christle
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ness

    Ness van Robert Macfarlane is lastig eenduidig te omschrijven: het verhaal doet zowel denken aan toneel als aan poëzie en is een moderne mythe, een met trekjes van een dystopische novelle. De Ness waarnaar met de titel wordt verwezen is de natuur van een landtong voor de oostkust van Engeland. Vroeger was er een militaire basis gehuisvest waar nucleaire experimenten werden uitgevoerd. Nu is de bunker vervallen en overwoekerd en strijden natuur en De Wapenmeester, een geheimzinnige kracht, om de heerschappij. De intrigerende zwart-witbeelden komen uit de pen van illustrator Stanley Donwood (pseudoniem van Dan Rickwood), die sinds jaar en dag het artwork van de band Radiohead verzorgt.

    Ness
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 11 – 2020

    De vlakte

    De 81-jarige auteur van De vlakte, Gerald Murnane, is op zijn zachtst gezegd een enigmatische figuur. Zo zou hij nooit een computer hebben aangeraakt – dat wil zeggen: hij zou er in ieder geval nooit een manuscript op hebben getypt –, en zou hij nog nooit een voet in een vliegtuig hebben gezet. Hoewel hij oorspronkelijk van katholiek-Ierse afkomst is, woont en verblijft hij al zijn hele leven in Australië. Zijn fictie staat haaks op die persoonlijke werkelijkheid. In zijn romans overstijgt hij juist gebieds- en landsgrenzen. Ondanks of dankzij Murnanes zonderlinge levenshouding werd hij eens ‘de grootste auteur in het Engelse taalgebied (waar de meeste mensen nog nooit van hebben gehoord)’ genoemd (in The New York Times). De vlakte is een heruitgave, oorspronkelijk in het Engels verschenen in 1982, en bereikt nu voor het eerst een Nederlands lezerspubliek.

    In De vlakte strijkt een jonge filmmaker neer in Australië, waarmee een wisselwerking tussen werkelijkheid en fictie in gang wordt gezet. De beginzinnen zijn veelzeggend:

    ‘Twintig jaar geleden, toen ik voor het eerst op de vlakte aankwam, hield ik mijn ogen open. Ik zocht naar iets in het landschap wat leek te wijzen op een diepere betekenis onder het oppervlak.’

    De vlakte
    Auteur: Gerald Murnane
    Uitgeverij: Signatuur

    Hier zijn we

    Hier zijn we van de Britse schrijver Graham Swift gaat over drie jongeren die in een theater aan de pier van Brighton werken: Evie, Jack en Ronnie. Tegen de achtergrond van een voorspoedig, bruisend zomerseizoen komt de verhouding tussen de drie op scherp te staan. Die relatie tussen het algemene en het persoonlijke komt vaker terug in Swifts werk. Eerder schreef hij de historische novelle Moeders Zondag (Mothering Sunday), die in Nederland lovend werd ontvangen. Daarin speelt de nasleep van de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië een bepalende rol, maar wordt juist ook het particuliere perspectief van hoofdpersonage Jane Fairchild uitgediept in het tijdsbestek van één beslissende dag.

    Graham Swift schreef negen romans en schreef daarnaast korte verhalen, gedichten en essays. Hij won de Booker Prize met Last Orders (vertaald als Laatste ronde).

    Hier zijn we
    Auteur: Graham Swift
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Parelduiker, Louis Paul Boon

    In het nieuwste nummer van De Parelduiker staat Louis Paul Boon (1912-1979), ook wel de ‘Vlaamse Multatuli’ genoemd, centraal. Hij is wijd en zijd bekend dankzij zijn magnum opus De Kapellekensbaan (1953), waarop in 1956 het vervolg Zomer te Ter-Muren verscheen. Boon werd lange tijd getipt als belangrijke kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur. Hij was niet alleen schrijver, ook zijn productie beeldende kunst valt ontzagwekkend te noemen.

    Geheel in lijn met het thema van de Boekenweek 2020, ‘Rebellen en dwarsdenkers’, wordt in De Parelduiker Boons rebelse imago binnenstebuiten gekeerd en aan een kritische herziening onderworpen, onder anderen door Boon-kenner Jos Muijres. Hoe kijken we met de kennis van nu naar Louis Paul Boon – wás hij inderdaad een rebel of dwarsdenker, of is dat vooral een rol die hem in retrospectief is toegekend?

    De Parelduiker, Louis Paul Boon
    Auteur: Eindredactie Hein Aalders
    Uitgeverij: Uitgeverij Vantilt
  • Oogst week 39 – 2019

    Alle verhalen

    Clarice Lispector (1920-1977) was een Braziliaans auteur die internationale faam verwierf met haar romans en korte verhalen. In Alle verhalen zijn zesentachtig korte verhalen opgenomen die Lispector schreef, sommige als jongvolwassene, andere als ervaren auteur. Hierdoor vormt haar ontwikkeling als schrijver een rode draad binnen het boek. Benjamin Moser, die eerder een biografie over Lispector publiceerde, stelde Alle verhalen samen en ook de inleiding is van zijn hand.

    De korte verhalen bevatten, net als Lispectors romans, zowel humor als een filosofische ondertoon. In sommige verhalen is de thematiek uit latere romans al aanwezig, terwijl andere op zichzelf staan en haar vakmanschap illustreren.

    Alle verhalen
    Auteur: Clarice Lispector
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Hier is alles nog mogelijk

    Een vrouw werkt als nachtwaakster bij een verpakkingsfabriek die binnenkort zal sluiten. Iedere avond is voor haar hetzelfde, tot ze hoort dat er een wolf op het terrein is gesignaleerd. Dat blijkt niet de eerste vreemde gebeurtenis: niet ver van de fabriek valt een man uit het vliegtuig en er wordt een bank overvallen door iemand die wel heel sterk op de vrouw lijkt.

    Hier is alles nog mogelijk is het debuut van de Zwitserse auteur Gianna Molinari (1988). Het is een verrassend verhaal over het verkennen van de grenzen. In Zürich richtte Molinari een actiegroep op om vluchtelingen te helpen, een thema dat ook doorklinkt in Hier is alles nog mogelijk. Het boek won meerdere prijzen en stond op de longlist van de Deutscher Buchpreis.

    Hier is alles nog mogelijk
    Auteur: Gianna Molinari
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De grom uit de hond halen

    Iduna Paalman (1991) publiceerde in diverse literaire tijdschriften en stond op podia als De Nacht van de Poëzie en het Geen Daden Maar Woorden Festival. Daarnaast won ze de Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2012 verscheen Hee maisje!, een bundeling van blogs. De grom uit de hond halen is haar poëziedebuut.

    Een centraal thema in deze bundel is gevaar. Paalman schrijft over wantrouwen, sprookjes en (ongeschikte) schuilplaatsen. Uit de flaptekst van De grom uit de hond halen: ‘In haar zinnen spreekt het gevaar je geruststellend toe, maar wat moet je geloven? Kun je de rekenfout uit een staalconstructie halen, liefde vasttimmeren in een nieuw huis, onbezorgd blijven als je naast een sluipschutter zwemt?’

    De grom uit de hond halen
    Auteur: Iduna Paalman
    Uitgeverij: Querido
  • Alles in sobere stijl met grote zeggingskracht

    Alles in sobere stijl met grote zeggingskracht

    De tweede roman van Lieke Kézér speelt in de jaren negentig van de vorige eeuw, afwisselend in ‘De bergen’ en aan ‘De zee’, zoals de hoofdstukken ook getiteld zijn. In de bergen (Spaanse Pyreneeën) wordt vakantie gehouden. Aan zee (Nederland), wordt de vakantie voorbereid. Vader Thomas, vanuit wiens perspectief alles wordt verteld, is met zijn camper, drie kinderen en hond Zeus op weg. Zijn vrouw, hun moeder en dichteres Kira, is overleden. Zij was, net als Katryn Chetkovitch, de vrouw van Jonathan Franzen, min of meer door haar echtgenoot in haar werk weggedrukt.

    De vier elementen

    In de bergen huist volgens een van de kinderen gevaar (een bruine beer). De zee daarentegen is vlak als de steen op het graf van de moeder, maar kan schepen doen vergaan. Binnen die uitersten, de bergen en de zee, spelen de vier elementen aarde, lucht, water, vuur en vuur een grote rol. De aarde in onder meer de teraardebestelling van Kira. Het water, in dat van de zee maar ook in het vele zwemmen en douchen van de kinderen als willen ze alle ellende van zich afspoelen. Er is vuur (een geblakerd autowrak, vuur maken op de camping) en lucht, gesymboliseerd in de lucht in de bergen die de kinderen diep inademen terwijl ze, eenmaal weer thuis, zo benauwd zijn als Zeus soms ook is.

    De kinderen reageren alle drie anders op de dood van hun moeder en de affaire van hun vader, al kort daarna. De oudste, Cleo ‘het boze kind’, is op z’n zachtst gezegd zwijgzaam te noemen, de middelste, Matilde, leest, tekent en schrijft. De jongste, Tommie, droomt. Vader is auteur maar kan geen pen meer op papier krijgen. ‘Hij had het verhaal verlaten, of het verhaal had hem verlaten, het was hem hoe dan ook ontglipt.’ Zijn verhaal ‘over een Hongaars jongetje dat na de Eerste Wereldoorlog door zijn ouders op de trein naar Nederland wordt gezet (…), Karoly Kézér’, de grootvader van Lieke Kézér waarover ze in dagblad Trouw vertelde in een artikel over de Hongaarse schrijver Sándor Márai.

    Rouw

    De karakters zijn raak en geloofwaardig neergezet, je kunt je in alle personages inleven. Voor degenen die dingen ooit zelf een rouwperiode hebben ondergaan, zal veel herkennen. Over het landschap dat sinds de dood van een geliefde een radicale verandering ondergaat. Over, zoals Kézér in haar debuutroman De afwezigen al schreef, dagen die langer duren;  ‘rouw laat zich niet haasten’. Iets wat in het versnellen of afremmen van het verhaal tot uitdrukking wordt gebracht. Alles in een mooie, rustige en sobere stijl vol zeggingskracht.
    Net als haar debuut, is ook Kézérs tweede roman een gezinsdrama dat in dit geval anders afloopt dan de lezer denkt en dat, ondanks een enkele vooruitwijzing zoals een uitspraak van Cleo aan haar vader dat ‘iedereen weet wat jij gedaan hebt’, een andere wending neemt. In De afwezigen draaide het ook om verlies en rouw. In dit geval van de eenenzeventigjarige Frank Johnson die zijn vrouw Gloria verloor en spoorslags met haar as in een urn en zijn dertienjarige buurjongen Joshua James, die na de dood van zijn moeder bij Frank was ingetrokken, naar New York vertrekt.

    Herinneringen

    De taal en de wereld van Kézérs tweede roman is meer uitgebeend; een zin als ‘Er schoten splinters bot van zijn ruggenwervels’ om te beschrijven hoe het voelde toen Frank de koffers op het bagagekarretje tilde, kom je in De verloren berg niet tegen. Die uitgebeende stijl maakt nóg meer indruk. Er zijn uiteraard meer verschillen: Frank vlucht niet, zoals de ik-figuur in De verloren berg, voor zijn herinneringen, maar zoekt ze juist op; het cafeetje waar hij ooit met Gloria een martini-cocktail dronk en de jazzclub waar ze samen kwamen, hoewel Frank en Joshua in een hotel sliepen waar hij geen herinnering aan had. Alles bij elkaar levert dat twee boeken op met een totaal andere sfeer. Dat is mooi en verraadt een rijk schrijverschap.
    Voor haar eerste roman kreeg Kézér de ANV Debutantenprijs en de Bronzen Uil. Haar tweede roman verdient zeker, en op zijn minst, één prijs.

     

  • De ondergang van Europa

    De ondergang van Europa

    Na La Superba heeft Ilja Leonard Pfeijffer met Grand-Hotel Europa weer een schitterend boek geschreven. Het is een scherpe, soms satirische analyse van de tijdgeest, van de liefde, van relaties, van het massatoerisme, van de wereld van de kunsten en van Italië. Maar het is ook een somber boek over de toekomst van Europa: Pfeijffer ziet voor het oude continent alleen nog een rol weggelegd als exploitant van een rijk verleden waar massa’s toeristen op afkomen. Europa is in veel opzichten niet meer wat het ooit is geweest. Hij staaft die stelling met veel feiten en weet de boodschap overtuigend te brengen. Hij lardeert zijn opvatting met hilarische scènes over de groteske uitingsvormen van het massatoerisme. Overigens is ‘de massatoerist’ bij hem een beklagenswaardig mensensoort.

    Het boek is deels autobiografisch, deels fictie; veel gegevens over Pfeijffers leven kloppen, getuige zijn Brieven uit Genua. Je zou deze roman dan ook kunnen opvatten als een egodocument: het hoofdpersonage heeft immers ook dezelfde naam als de schrijver. Hoewel de schrijver zichzelf niet spaart, is hij wel erg overtuigd van zichzelf, met name op seksueel gebied. Je krijgt door de expliciete seksscènes de indruk dat Pfeifer een van de weinigen op deze wereld is die weet hoe een vrouw te beminnen. Tegelijk besef je dat delen van het verhaal gefictionaliseerd zijn; zo staat er in Napels een hotel met de naam Grand- Hotel Europa, maar in het boek wordt de locatie van het hotel niet gemeld. Pfeijffer mag graag spelen met werkelijkheid en fictie, maakt er een spel van door zó te schakelen tussen beiden dat niet duidelijk is wat wat is.

    Het verhaal in het kort

    De schrijver neemt zijn intrek in het in verval geraakte Grand-Hotel Europa (what’s in a name) om zijn mislukte relatie met Clio te reconstrueren en er een boek over te schrijven. Met haar verhuist hij van Genua naar Venetië, omdat zij daar – eindelijk – een baan heeft kunnen vinden als kunsthistorica, gespecialiseerd in Caravaggio. Hij onderneemt met haar een Dan-Brown-achtige zoektocht naar het laatste en verdwenen schilderij van Caravaggio. Samen reizen ze door naar het prachtige Italië: naar Cinque Terre, naar Palmaria, naar Portovenere. Daar komt hij in aanraking met het massatoerisme dat hij zo verafschuwt. Gaandeweg komt de relatie tussen de schrijver en Clio onder druk te staan en vindt die zijn apotheose wanneer Clio een baan aangeboden krijgt in het Louvre Abu Dhabi.

    Ook Ilja’s verblijf in het Grand-Hotel Europa is fascinerend om te lezen, enerzijds wegens enkele memorabele vaste gasten met wie de schrijver relaties probeert aan te gaan zoals de Franse dichteres Albane, de maitre d’hotel Mr. Montobello en Abdul, de piccolo; anderzijds omdat het vervallen hotel opgekocht wordt door Chinezen die het gaan ‘moderniseren’.

    Actualiteit

    Een van de bijzonderheden aan deze roman is dat actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen een plek krijgen. De discussie over de effecten van massatoerisme op de leefbaarheid van steden zoals Venetië krijgt prominent aandacht en verbindt de schrijver met de toekomst van Europa. De discussie in de kunstwereld over de positie van de moderne kunst zoals geëxposeerd op de Biënnale Venetië 2018 en de gelijktijdige tentoonstelling van Damien Hirsts Treasures from the Wreck of the Unbelievable komt uitvoerig aan de orde. Naar aanleiding van de opening van het Louvre Abu Dhabi vraagt de schrijver zich af wat het nut is van kunst in de woestijn. Deze gebeurtenissen brengen de schrijver tot de overtuiging dat de kunst in de greep van het grootkapitaal verkeert.
    Het opkopen van het vervallen Grand-Hotel Europa door Chinezen brengt hem tot gedachten over globalisering en de ondergang van Europa. Azië en Amerika worden grootmachten, Europa heeft niet meer te bieden dan enkel haar rijke verleden.

    Omdat het boek gesitueerd is in Italië, is het als inwoner van dat land een extra genot om te lezen. De vele mooie maar ook niet-mooie elementen van het leven in Italië die de revue passeren zijn heel herkenbaar. Zo staat in het begin van het boek een lange tirade van Clio over wat er allemaal niet goed is/gaat in Italië en die slaat de spijker op zijn kop: wat mij betreft een messcherpe analyse van de politieke en maatschappelijke crises waarin het land verkeert. Tegelijk is het qua cultureel erfgoed het mooiste land van Europa. Die paradox zet Pfeijffer ook buitengewoon scherp neer. Maar bovenal sleept hij de lezer mee door zijn barokke en rijke stijl en zijn hilarische beschrijvingen van voorvallen. Wie een taalkunstenaar aan het werk wil zien, lees dit boek.

     

  • ‘Doorkijkblouse’ te alledaags voor een literaire schepping

    ‘Doorkijkblouse’ te alledaags voor een literaire schepping

    In 2012 werd Havik van Marco Kamphuis ‘Boek van de Maand’ in DWDD. Het was zijn doorbraak bij het grote publiek. Dat publiek maakte daarmee meteen kennis met de schrijver zelf die flink wat autobiografisch materiaal in de roman stopte. We konden daarin de twaalfjarige scholier uit Driekerken, duidelijk herkenbaar als Kamphuis’ geboortedorp Uden, volgen. Diens wederwaardigheden rond zijn achttiende zijn het onderwerp van de nieuwe roman Schipbreuk. Zelfs de jaren lopen parallel: Schipbreuk speelt zich af in 1984, achttien jaar na 1966, het geboortejaar van Kamphuis.

    Net als in Havik blijft de naam van de ik-figuur in de jaren 80-roman Schipbreuk verborgen, soms op een nadrukkelijke manier: ‘Ik gaf naar waarheid mijn naam op, en vervolgens mijn geboortedatum en adres. Altijd een valse naam opgeven, tenzij je in handen van de politie bent, had Austin gezegd’. Met zijn vaste vriendenkring doorloopt ‘ik’ het examenjaar op het gymnasium in zijn dorp. Ze ontwikkelen anti-autoritaire en anti-kapitalistische ideeën, die ze neerpennen in de schoolkrant. Die gaat na een kort bestaan ten gronde als ze in het blaadje verslag doen van een door hen gepleegde inbraak in de kamer van de rector; een daad die ze zien als een ‘aanslag op de structuur van het kapitalisme, op het politiek-economisch-ideologische personeel dat er de uitdrukking van is.’
    Na de eindexamens valt de vriendengroep snel uit elkaar. Vier leden van de groep gaan in Nijmegen studeren. Onder hen zijn de ‘ik’ (Nederlands) en Philip (medicijnen). Die twee zullen elkaar blijven ontmoeten.

    Oleander
    De ‘ik’ worstelt met een grote verlegenheid. Hij is angstig in contacten en naïef in opvattingen. De verlegenheid uit zich vooral in zijn obsessieve oog voor vrouwen. Elk meisje dat in zijn blikveld opduikt wordt door hem eerst beoordeeld op haar vormen. Hij zou graag een echte vriendin en zijn eerste seksuele ervaring willen hebben, maar schrikt er steeds voor terug om initiatief te nemen. De frustraties die hij daarbij oploopt vergoelijkt hij met drogredenen die zijn gemoed moeten sussen. Daarnaast heeft hij de ambitie een groot schrijver te worden en ook daarover heeft hij opvattingen die tot komische conclusies leiden. Als hij bijvoorbeeld in Elle een foto ziet van de mooie Julia, voor wie hij zich zorgzaam uitslooft, ontdekt hij dat ze model is. Ze poseert op de foto in een tuin voor een welig bloeiende oleander. Dat inspireert hem tot een sonnet over die roze struik. Dan lezen we: ‘Ik had ooit gelezen over een boeddhistische monnik die verlicht werd door het louter aanschouwen van bloeiende bloesem. Dat gegeven was de kern van mijn gedicht. Ik kon de dingen toch moeilijk opschrijven zoals ze me echt voor ogen stonden. “Doorkijkblouse” was te alledaags voor het wezen van de literaire schepping, dat immers universeel en eeuwig was (zoals ik ook woorden als “auto” en “televisie” in mijn korte verhalen vermeed).’

    Orwell
    Ook de redenering die hij volgt als hij, om zijn angst te overwinnen, besluit te ‘durven stelen’, werkt op de lachspieren. Je kunt dan maar beter beginnen met iets kleins, bedenkt hij, en zijn keuze valt op de Penguinpocket 1984 van George Orwell. Hij komt erop omdat het 1984 is maar ook overweegt hij: ‘Of de te benadelen boekhandel werkelijk tot de verfoeide wereld van het grote geld behoorde wist ik niet zeker, maar Dekker & Van de Vegt had drie vestigingen en dat was voor mij kapitalistisch genoeg. Tegenover Orwells erfgenamen, die fortuin hadden gemaakt met een boek dat niet hun eigen verdienste was, voelde ik me niet bezwaard, en Orwell zelf bewees ik de ultieme erkenning dat ik uit duizenden te stelen boeken het zijne had gekozen.’
    Van dit soort humor en ironie is Schipbreuk doortrokken. Er is veel meer in deze trant over de jaren 80 geschreven en het is dan ook bijna onvermijdelijk dat er wel eens een situatie tussen zit die je al eens ergens anders hebt gelezen of gezien. Zo is de scène die zich afspeelt bij de kassa, als de ‘ik’ met trillende benen zijn eerste Playboy koopt, ook al eens vergelijkbaar op toneel gezet door Herman Finkers. Toen betrof het condooms.

    Verslaafd
    Heel anders vergaat het ‘ik’s vriend Philip. Hij raakt in de studentenstad verslaafd aan de cocaïne. Hoe hij daartoe komt wordt in de roman niet uitgewerkt. Het lijkt of deze gebeurtenis louter in dienst staat van de biografie van de ik-figuur. Meer dan een feitelijk gegeven over Philip is het niet. En daarmee zijn we precies bij waar het in Schipbreuk eigenlijk aan ontbreekt. We kunnen uitvoerig meeleven met de hoofdpersoon, maar Philip, die staat voor een ontwikkeling in de groei van puber in een plattelandsdorp naar twintiger in een studentenstad in een heel andere richting, blijft erg wazig. Natuurlijk benadrukt dat juist de naïviteit van ‘ik’, maar je had Philip toch graag wat meer gevolgd: nu gooien de twee slotpagina’s van de roman toch wat plompverloren en overgedramatiseerd de deur dicht.

    Havik en Schipbreuk zijn de eerste twee delen van een beoogde trilogie. We kunnen dus waarschijnlijk nog een kijk in het literaire (en huwelijks?)leven van ‘ik’ verwachten.

     

  • Etalage en aan de haak geslagen mannen

    Etalage en aan de haak geslagen mannen

    Powerfeministen. Zo noemen ze zichzelf, de hoofdpersoon (met dezelfde naam als de auteur) en haar vriendinnen. Boeken van de feministen uit de jaren zeventig sterken hen ‘in hun drang naar onafhankelijkheid’ en ook zij willen ‘hoeders’ zijn ‘van hun eigen vrijheid en genot’. Bovendien zijn mannen er om ‘met hun pikken het vrouwelijk brein te stimuleren’. De toon is gezet en die zal niet meer veranderen. ‘Wij wilden onze onderdrukker sufneuken, hulpeloos maken, zijn gezonde verstand ontnemen’ schrijft Samson en daar wordt in het boek op weinig subtiele wijze gehoor aan gegeven, al is van onderdrukkers geen sprake.

    Het intellect Anne-Marieke Samson, de ik-verteller, studeert af als taalwetenschapper en krijgt onmiddellijk een goede baan bij een ministerie. (Auteur Samson zelf werkt ook bij een ministerie.) Ondertussen heeft ze haar ‘grote liefde’ Iwan ontmoet, lid van een groep kunstenaars die zich de ‘Klootzakjes’ noemt. Dat Iwan haar grote liefde is moeten we op haar woord geloven, want het blijkt nergens uit. Voor bewijzen is het boek te oppervlakkig. Iwan noemt haar liefkozend ‘snolletje’, ‘snollekopje’ en meer variaties daarop en Anne-Marieke laat zich dat tevreden aanleunen. De relatie loopt spaak, Iwan vertrekt op laffe wijze en Samson treurt. In haar meegaande houding wat betreft Iwans mannelijk egocentrisme ziet ze geen reden om haar feministische ideeëngoed eens kritisch onder de loep te nemen.

    Seksuele impertinentie
    Behalve van onderdrukkers is er ook van onafhankelijkheid weinig te bespeuren, want uiteindelijk is het doel dat de vrouwen een man ‘aan de haak slaan’ – een term die voortdurend terugkomt – of ‘in haar webje vangen’, en een degelijke relatie krijgen. Alleen-zijn is beangstigend. Trouwen gaat de hoofdpersoon dan weer te ver, maar samenwonen is een hoog goed en geen relatie hebben iets waarvoor zowel vrouw als man zich eigenlijk moet schamen. Kortom, uitgaan, drank en seksuele ongegeneerdheid bepalen de dagen van de personages en zolang daar geen relatie uit voortkomt is het slechts tijdvulling. Om autonomie en feminisme, wat dat vandaag de dag ook mag betekenen, lijkt het in Klootzakjes juist niet echt te gaan.

    Die is echt leuk
    Tussentijds heeft de hoofdpersoon Iwans beste vriend Alex leren kennen en geregeld ontmoet. Alex is degene die van haar zei, toen Iwan en hij haar voor het eerst tegenkwamen in een kroeg: ‘Die is leuk, die is echt leuk.’ Dat soort complimenten, hoe slim, mooi, elegant, goedgekleed, begripvol, wijs en geweldig Anne-Marieke is, maken het hele boek door duidelijk dat Samson niet van de straat is, ondanks haar zelfbenoemde verlegenheid en schaamtegevoel. Wat overigens niets met de seks te maken heeft, daarvoor gelden andere maatstaven. Alex is in het begin nogal zwijgzaam, voor Samson reden om overmatig met de term autistisme te strooien. In het verdere verloop valt er bij Alex geen autisme meer te ontdekken.

    Ze brengen niets anders te berde
    Auteur Samson ontkomt niet aan tegenstrijdigheid. Ze beschrijft hoe het in de maatschappij nog altijd lijkt te gaan om de mooie, seksueel begeerlijke vrouw van wie volgzaamheid wordt verwacht en het hersenwerk er minder toe doet. Die kritiek snijdt zeker hout. Tegelijkertijd laat zij haar vrouwelijke personages, allemaal voorzien van prestigieuze, goed betaalde banen, vooral bezig zijn met zoals gezegd ‘een man aan de haak slaan’, liefst een knappe, terwijl ze zich daarbij zelf gedragen als seksobject. Over werk, maatschappij of politiek praten de vriendinnen niet, alleen over mannen en seks. Werk hoeft niet overgewaardeerd te worden en Samson spreekt wel over haar werk met Iwan – die het maar een suffe baan vindt op dat ministerie, al zegt hij trots te zijn op zijn ‘geleerd snolletje’ – maar dat de vrouwen niets anders te berde brengen dan het onderwerp mannen laat de vraag open of er überhaupt wel enige belangstelling is voor de rest van de wereld.

    Levendig
    Hoofdpersoon Samson schrijft ook een boek, waarin en waarbij vrienden, collega’s en bekenden worden betrokken. Zolang er – zoals bij Klootzakjesroman op een omslag staat is het zinloos je af te vragen wat autobiografisch is en wat niet maar in ieder geval wekt Samson sterk de indruk onbelemmerd te putten uit omstandigheden en mensen om zich heen. Levendig is het boek daardoor wel, met veel verschillende situaties, locaties en gebeurtenissen, en af en toe is het komisch. Op haar best is Samson als ze serieus over taalwetenschap schrijft – bij elkaar een paar pagina’s – en de beschrijvingen over kunst en tentoonstellingen of performances van de kunstenaars zijn haast satirisch.

    Tekortkomingen
    Aan de stijl kan nog veel verbeterd worden en slordigheden, waarvan er in Klootzakjes veel voorkomen, zou een serieus auteur zichzelf niet moeten toestaan. Oma ligt in het ziekenhuis en Anne-Marieke mag van haar moeder niet alleen bij oma waken, daar is ze te jong voor. Nog op dezelfde pagina wordt ze door haar moeder bij het waken afgelost. In acht opeenvolgende regels komt zes keer het woord ‘was’ voor. Ontelbare keren ‘iets dat, het enige dat, alles dat’ in plaats van ‘wat’. Storende ongerechtigheden zijn ook ‘Ik bedacht me’ en niet ‘Ik realiseerde me’ of ‘Ik dacht’ of ‘Ik meende’ (zich bedenken is iets heel anders), herhalingen van dezelfde formuleringen binnen enkele zinnen, tijdsverloop dat niet klopt, verschillende woorden waar op verwarrende wijze hetzelfde object wordt bedoeld (huis, appartement, flat, woning) enzovoort. Overigens zou ook een uitgever/redacteur zich dit soort tekortkomingen moeten aantrekken. Er zijn altijd nog handboeken, schrijf- en redactiewijzers en taaladviezen voorhanden.

    Koketterie
    Het is jammer dat Samson zichzelf niet wat meer in toom houdt. Het hele boek door stuiten we op een etalage met een door iedereen bewonderde en geliefde hoofdpersoon erin. De glorieuze apotheose daarvan vindt plaats als Samson op een podium een lied zingt, begeleid door een achtergrondkoor van mannen. Alleen mannen, inclusief ex-geliefden.
    Andere koketterie is dat Samson het vreselijk vindt om vijfentwintig te worden. Hoezo vreselijk? Wie de grofheden, het effectbejag, de slordigheden en de niet erg aantrekkelijke titel voor lief neemt, heeft aan Klootzakjes een verstrooiende chicklit die vlot wegleest.

     

  • Treurigheid troef

    Treurigheid troef

    Op een zondagochtend speelt zich af in Hongarije en dan voornamelijk in Boedapest. De roman begint in de jaren zeventig van de vorige eeuw en beschrijft een aantal jaren uit het leven van Imre, die opgroeit in een arbeidersgezin in een klein huisje, ingeklemd tussen spoorbanen.
    Parallel met de geschiedenis van Imre krijgt de lezer informatie over de recente geschiedenis van Hongarije: van de opstand in 1956, het communisme en de ontwikkeling naar vrijheid en democratie en later naar de anarchie.

    Imre maakt de gebruikelijke jongensdingen mee: vriendschappen, school, een haat-liefdeverhouding met zijn zus, seks, opa die bij het gezin inwoont en nogal wat invloed heeft op zijn opvoeding. Het lijkt of je een indruk krijgt van het dagelijks leven in een arbeidersgezin in Boedapest. Dat weet je niet zeker, omdat er verder geen referenties zijn hoe het in de rest van de stad gaat.

    Hij maakt heel veel mee, maar blijft zelf een kleurloos figuur, zeker niet een round character: wat beweegt hem, hoe denkt hij over wat hem overkomt, waarom is hij zo inert? Zelfs als hij een zelfmoordpoging doet, komt je niets te weten over zijn gevoel daarbij.
    Hooguit is de sombere, mistroostige en armoedige omgeving waarin Imre opgroeit een factor. Hij wordt daar namelijk zelf ook soms somber van. Op een gegeven moment wil hij zijn verjaardag niet meer vieren: er zijn al genoeg deprimerende data. “Was het mogelijk dat het leven niet meer voorstelde dan dat, dan die eeuwige afwisseling tussen hoop en neerslachtigheid, die elkaar steeds verdrongen, ondanks de jaren en het kleien beetje wijzer dat je ervan werd? Was het mogelijk dat dit alles was?

    De enige wat meer kleurrijke figuur in het boek is zijn jeugdvriend Zsolt, die al anders was toen ze nog jong waren en later een beroemde dichter blijkt te zijn geworden. Dat had hij al aangekondigd, omdat dichter zijn het beroep was dat het verst verwijderd leek van dat van zijn vader.
    Zsolt is ook degene die kritiek levert op het communisme. Hij zegt op een gegeven moment tegen Imre: ‘Je bent een perfecte communist: je kunt niet nadenken.’

    Later ontmoet Imre een Duitse studente, Kerstin, die naar Hongarije is gekomen om het communisme van binnenuit te leren kennen. Hij gaat met haar samenwonen en krijgt met haar een kind. Kerstin raakt echter teleurgesteld in het communisme en in Imre en gaat terug naar Duitsland.
    Ook later lukt het Imre niet gelukkiger te worden, en als ook zijn ouderlijk huis nog afbrandt, voelt hij zich ontheemd: ‘ze waren hun wortels kwijt’.

    Deze roman is geschreven door een nieuwe ster aan het Franse literatuurfirmament. Zeniter wordt vooral geprezen om haar stijl. Dat zal dan wel de Franse stijl zijn: voor de Nederlandse lezer is die nogal kleurloos. En bovendien is het allemaal moeizaam verteld, en wordt deze roman nooit een geheel, het is een verzameling willekeurige en volkomen inwisselbare anekdotes. Als portret van een Hongaars arbeidersmilieu is het mislukt, als portret van Hongarije ook, omdat Zeniter in beide gevallen van een enkele situatie uitgaat en niet het grotere geheel erin betrekt. De beschreven gebeurtenissen spelen zich in één enkel gezin af en hadden zich bovendien in willekeurig welk land kunnen afspelen.

    Je kunt je op grond van deze roman afvragen waarom Zeniter zo de hemel in wordt geprezen. De pers in Frankrijk noemt het boek sfeervol en melancholisch: het is saai en langdradig.
    De laatste tijd wordt er veel geschreven en gesproken over urgentie. Een overigens vaag begrip, maar als het betekent dat een boek er toe moet doen, is Op een zondagochtend een boek dat er niet toe doet.

  • Met afgewend gezicht

    Met afgewend gezicht

    Op het strand van Blackpool verliest Thomas zijn massief gouden trouwring. Voordat hij ging zwemmen had hij hem afgedaan, als hij uit zee komt, is het ding spoorloos verdwenen. Ik heb hem aan jou gegeven, zegt hij tegen Mary, zijn echtgenote. Maar zij denkt dat hij hem in zijn broekzak heeft gestopt. Zij vergat geen dingen, zo zat ze niet in elkaar. Hij was de vergeetachtige, de verstrooide. Op de allereerste pagina van Thomas and Mary, de nieuwe roman van Tim Parks–zojuist in een Nederlandse vertaling uitgebracht– staan de lijnen uitgestippeld. Het verlies van de ring is een voorbode: het huwelijk van de protagonisten loopt op de klippen. Onafwendbaar.

    Blik op een huwelijk
    Ze leven in afzonderlijke werelden, de enige gemeenschappelijke ‘vriend’ die ze hebben is hond Ricky, een cockerspaniël, zorgvuldig uitgekozen door Mary. Ze wilde een hond omdat ze er nooit een had gehad. Om de mening van Thomas werd niet gevraagd. Hij schikte zich, de hond stelde hem in staat nog meer tijd te besteden aan zijn eigen activiteiten: tennis, voetbal op tv, amoureuze avontuurtjes. Maar inwendig was hij woedend, hij wilde die hond helemaal niet. Mary trakteert Thomas op verhalen over de andere hondenbezitters die ze leert kennen tijdens haar wandelingen met het beestje. Ze zegt: Mensen met honden zijn humaner dan mensen zonder. Thomas beseft dat hij bij de tweede soort is ingedeeld.

    Parks beschrijft de scènes uit het huwelijk met soms pijnlijke precisie. In het begin van de roman krijgen we een weekoverzicht. Maandag: om middernacht gaat Thomas naar boven, Mary ligt te slapen met haar gezicht naar de muur. Dinsdag: Mary laat de hond uit, Thomas heeft geen zin om op haar te wachten. Als ze thuiskomt ligt hij in diepe slaap, met het gezicht naar de muur. Woensdag: Thomas komt laat thuis van een avondje biljarten. Als hij in bed stapt, ligt ze te slapen met het gezicht naar de muur. Donderdag: Thomas gaat bijtijds naar bed, maar als Mary een uurtje laten ook naar bed gaat, doet hij alsof hij slaapt. Met het gezicht naar de muur. Vrijdag: Thomas gaat vroeg naar bed, Mary is naar het café. Hij wil de voorstelling van de vorige avond niet herhalen. Het maakt Mary niets uit: ze heeft niets te zeggen tegen een man die ze ervan verdenkt een verhouding te hebben. 

    Thomas werkt in de reclame, Mary doet klusjes voor tijdschriften en uitgeverijen. Ze hebben twee kinderen, de oudste een dochter, de jongste een zoon. Ze hebben elkaar voor het eerst ontmoet tijdens hun studie aan Durham University. Als Thomas een baan krijgt in Manchester gaat ze met hem mee, op voorwaarde dat ze trouwen. We krijgen alle details te horen, zij het niet in chronologische volgorde; het verhaal springt door de tijd heen en weer. Thomas and Mary is opgebouwd uit fragmenten–meest korte hoofdstukken–die schijnbaar willekeurig zijn gemonteerd. We horen niet alleen de stem van Thomas, maar ook die van zijn boezemvriend Alan, zijn moeder, Mary, zoon Mark, zijn overleden vader. Een procedé dat blijkbaar bedoeld is om het huwelijk letterlijk en figuurlijk van alle kanten te bekijken.

    Zo’n opzet werkt uiteraard alleen als het verhaal de aandacht vast kan houden, maar Thomas en Mary komen niet uit de verf en hun huwelijk is een en al cliché. In Engeland eindigt meer dan de helft van alle huwelijken in echtscheiding, in andere landen ligt dit getal nog hoger. We kennen de verhalen zo langzamerhand. Thomas gaat vreemd aan de lopende band, bij voorkeur met dames die half zo oud zijn als hijzelf. Mary lijkt al na haar tweede kind iedere illusie over hun verbintenis te hebben verloren. Je raakt hooguit geïntrigeerd door de vraag waarom ze de zaak nog zo lang rekken. De kinderen? Wie weet. Na een partijtje tennis spreken Thomas en Alan over de algehele situatie. Thomas heeft een bepaalde opvatting over het vrouwelijke orgasme en probeert die theorie aan Alan te slijten als verklaring voor zowel zijn gehechtheid aan Mary als zijn onblusbare drang om steeds nieuwe vriendinnen te veroveren. Een warrig betoog over het najagen van seks dat eigenlijk geen seks is maar iets anders. We luisteren ernaar vanuit het perspectief van de vriend: … ik begon er genoeg van te krijgen. Alan vraagt: ‘Iets wat je niet kunt omschrijven?’ ‘Precies’. ‘Achter seks’. ‘Ja’. ‘Onnoembaar en onuitsprekelijk?’ ‘Correct’. ‘Mijn god’. Tenslotte zegt Thomas:‘Ik heb besloten weg te gaan thuis’. ‘Dat werd tijd’, verzucht Alan.

    Literaire goden
    Aan het eind van de roman, als hij met zijn nieuwe liefde Elsa een nieuw leven begint, kijkt Thomas terug op het huwelijk met Mary. Hoewel we eerder hebben vernomen dat hij slechts kranten en tijdschriften leest en piekert over de economische crisis, de immigratiecijfers en de voetbalclub waar hij zijn hart aan verpand heeft, blijkt hij plotseling een gretig boekenlezer die op zoek gaat naar zijn eigen verhaal in de levens van de literaire personages uit de klassieke romanliteratuur. Thomas Hardy passeert de revue, D.H. Lawrence, Charles Dickens, Charlotte Brontë, Hilary Mantel, T.S Eliot, maar ook William Faulkner, Philip Roth, Gustave Flaubert en Henry James. Toe maar! Luisteren we nog naar Thomas, of heeft de literaire recensent Tim Parks het heft in handen genomen? Hoe meer Thomas op zoek ging naar vergelijkingen, hoe meer hij bedacht dat zijn huwelijk geen literair patroon had gevolgd. Het was echt hun verhaal, en het was echt gebeurd. De schrijver plaatst zichzelf met zijn boek pardoes middenin de wereld van de literaire goden. Mocht Thomas and Mary nog een zweem van betovering hebben gehad, dan is de lezer door deze zelfingenomenheid weer keihard met beide benen op de koude grond geland.

     

     

  • Avonturen in bos en veld – van onze kleine held

    Avonturen in bos en veld – van onze kleine held

    Schrijvers die bekendheid genieten via de televisie moeten uitkijken als ze in de ik-vorm schrijven. Want elke lezer ziet hen voor zich en kan sommige activiteiten wel en andere juist niet met deze auteur verbinden.
    Zo kan het ene medium het andere dwars zitten.

    Bij Maarten ’t Harts nieuwe verhalenbundel De moeder van Ikabod is dat niet het geval, want de ik-persoon in de gebeurtenissen is geheel en al de Maarten ’t Hart zoals we die kennen van zijn televisie-optredens.
    De laatste tijd vinden die vooral in zijn moestuin plaats, waar hij het materiaal doet groeien dat bruikbaar is voor het bereiden van het soort maaltijd dat hij aanbeveelt. Maarten ’t Hart houdt van logica en de beste manier om mager te blijven is de regel ‘Overal mag ik in bijten, mits ik daar flink van ga schijten. Niet ontberen, maar laxeren.’
    Bij het serveren van dit soort onontkoombare maar onaangename conclusies krijgt de Maarten ’t Hart die we van de televisie kennen een klein, bijna onmerkbaar, glimlachje om de mond. En pretoogjes.
    En dat geldt ook voor de Maarten in alle 18 verhalen die opgenomen zijn in De moeder van Ikabod.
    Hij beschrijft er gebeurtenissen uit zijn bestaan in en maakt waar nodig grif gebruik van zijn publieke bekendheid (ook als hij voor Maarten Biesheuvel wordt gehouden).

    De vertelstijl is soms wat omslachtig en maakt veel gebruik van aan de bijbel ontleende citaten en het spuien van muziekkennis. Maar is daardoor vintage Maarten ’t Hart.
    Veel goede vertellers kent de Nederlandse literatuur niet, want bij ons geldt het adagium dat je van een tekst IETS MOET MEENEMEN. Literatuur moet diepgang hebben en als je een boek na lezing dicht slaat moet er iets in de lezer veranderd zijn. Zijn wereldbeeld een stukje verschoven, zijn houding tegenover de medemens minimaal een fractie gewijzigd. Gebeurt dat niet, dan hoort het boek naar het oordeel van menig literatuurkenner tot de ontspanningslectuur, aangenaam of roerend maar betekenisloos proza. Daarmee wordt het eerstgenoemde deel van de schrijvers overschat want voor nieuwe inzichten kan je eigenlijk beter terecht bij de wetenschap dan bij auteurs die meestal van toeten noch blazen weten, en – blijkens hun biografieën – vaak sukkelig door het leven gaan. En het is een grove onderschatting van de schone kunst van het vertellen, waarbij het doel is dat de lezer zo geboeid wordt door het verhaal dat hij niet meer merkt woorden te lezen.

    Godswonder
    In dat licht bezien is het niet minder dan een godswonder dat Maarten ’t Hart, afkomstig uit het meest serieuze deel van ons volk, de gereformeerden, zich uit dit  keurslijf van de Nederlandse literatuur heeft kunnen bevrijden en ongegeneerd vertellers-verhalen is gaan schrijven. En in De moeder van Ikabod is deze verteller op zijn best.
    Een prachtig verhaal over de jonge Maarten die tijdens een vakantie de – uiteraard gereformeerde – broodbakker Schelvischvanger helpt met een nieuwerwetsigheid: het machinaal snijden van brood. Hij doet dat samen met een stiefdochter van de bakker en diens neef. Als de neef samen met Maarten de dochter ‘een flinke beurt’ wil geven redt Maarten haar eer, maar wordt er later toch van beschuldigd haar bepoteld te hebben. Dat eigen kleine wereldje vol wetten en zekerheden – eigenlijk nog maar zo kort geleden – waarin Gereformeerden, Hervormden, Katholieken en andere sekten apart van elkaar opgroeiden en leefden is één van ’t Harts terugkerende thema’s en hij is een meester in het beschrijven ervan.
    ‘En stipt om één minuut over half drie reed onze bakker Stoof Schelvisvanger, psalmzingend de straat in. Hij was van onze kerk. Bij alle gereformeerden bezorgde hij aan huis brood en banket. In onze straat bediende hij nog één ander gereformeerd gezin. Bij ons belde hij het eerst aan en slofte dan neuriënd terug naar zijn kar en haalde daar een melkwit en een vloerbruin. Wij kregen dat aangereikt (‘zaterdag betalen’) en vervolgens reed hij door naar de familie Marchand. Daar leverde hij acht regeringswit af.’

    Verkikkerd
    Een ander bekend thema in zijn verhalen is dat van de bleue Maarten-ik die in vuur en vlam raakt bij het aanschouwen van vrouwelijk schoon. Maar geen flauw idee heeft wat hij daarmee aan moet en dan bij voorkeur maar niets doet.
    In het titelverhaal ‘De moeder van Ikabod vindt dat plaats als hij gevraagd wordt orgel te spelen bij een kerkdienst. Alhoewel Maarten elk geloof in God verloren heeft is hij niet te beroerd te helpen als er in de zomer (‘vanwege de bouwvak’) schaarste aan organisten is. En trouwens, wie zou de kans aan zich voorbij laten gaan om Bach te spelen op het fraaie Lohman-orgel in Warmond? De predikant-van-dienst blijkt een vrouw, met de naam Ilonka de Priester.
    ’t Hart laat de kans voorbij gaan om zich af te vragen hoe ooit iemand die zich als ‘de Priester’ in de burgerlijke stand heeft laten inschrijven de durf heeft gehad – gezien het celibaat –  zijn nageslacht te erkennen en diezelfde naam mee te geven. Maar goed, Ilonka blijkt een mooie vrouw al doet zij haar best om dat tegen te gaan: ‘Ze zag eruit alsof ze voor de spiegel was gaan staan en toen tegen zichzelf had gezegd: wat kan ik doen om mijn sexappeal zo veel mogelijk in te dammen. In ieder geval zo weinig mogelijk make-up. En mijn haar in een barse knot. En een strenge bril op. ‘
    De kerk blijft die dag leeg (‘vanwege de bouwvak’), maar Ilonka houdt toch haar preek en Maarten wordt uitgenodigd na afloop een kopje koffie te drinken in de consistorie.

    ‘Ik was daar nog net op tijd voor iets wat ik niet graag gemist zou hebben. Op het moment namelijk dat ik de deur opende, greep de transpirerende dominee met beide handen vlak achter haar schouders haar toga op twee plaatsen vast en trok hem toen met één vloeiende beweging over haar hoofd. Ze had het vaker gedaan, dat was duidelijk, want het ging zo snel, zo behendig, ik keek mijn ogen uit. (…) . En toen stond ze daar, die Ilonka de Priester, in een lichtblauw mouwloos hemdje en een zwart kokerrokje, waaronder lange gebruinde, van zweet vochtig glinsterende benen afdaalden naar sandaaltjes die voornamelijk uit dunne riempjes waren opgetrokken.’

    Staat hier iets te gebeuren dat zijn oude Arbeiderspers-redacteur Martin Ros ‘het hele erge’ placht te noemen?
    Kenners van Maarten ’t Hart weten wel beter. Toch slaagt hij erin Ilonka tweemaal te laten schaterlachen en bij het afscheid zegt ze ‘ Daar houd ik je aan’ als hij belooft aanwezig te zullen zijn bij haar volgende kerkdienst in Warmond. Wordt vervolgd!

    Kale kikker
    Zijn zuinige aard komt in ’t Harts verhalen geregeld naar voren en leidt tot een buitengewoon hilarisch verhaal over de keer dat hij – ’s ochtends heel vroeg op weg naar het zwembad – beroofd werd door 4 jongens maar slechts een oeroude portemonnee bij zich had met het vijftig-centstuk dat nodig zou zijn om een kledingkluisje te huren. Er volgt een tocht door Leiden waarbij het viertal Maarten meevoert om – als betrouwbaar ogende burger – voor hen bij een slagerij aan te kloppen en zo de deur te openen voor een roofpartij.  Als hij een politiewagen ziet aankomen en zich losrukt uit het viertal (dat snel verdwijnt) probeert hij vergeefs de agenten zover te krijgen dat ze hem naar een veilige plek vervoeren. Maar hij wordt herkend door de agente: ‘Het is Van ’t Hart,’ zei de agente koppig, ‘die heeft nogal een dikke duim. Vier kerels, ga toch weg, we hebben niks niemendal gezien, we hebben alleen maar een idioot de straat op zien sprinten die met zijn armen begon te zwaaien alsof hij Sinterklaas zag aankomen op een dwergezeltje.’

    Dat Maarten ’t Hart een dikke duim heeft zal ongetwijfeld waar zijn. Schrijvers kunnen niet zonder. Het heeft in elk geval met De moeder van Ikabod een mooie verhalenbundel opgeleverd, die gelukkig je wereldbeeld geen millimeter laat verschuiven. En wie ter stichting toch wil weten wie Ikabod was en wie zijn moeder, kan dat vinden op pagina 138.
    Mocht de schrijver of zijn uitgever dit stuk onder ogen krijgen: ‘Ze droegen allebei een identiek grijs jasje’ (pagina 171) is één woord teveel. Zonde van de inkt.

     

     

  • Knorrige betweter

    Knorrige betweter

    Als Heere Heeresma het Nederlandse recensentenvolkje eind jaren zeventig een gebrek aan geestelijke breeding en integriteit verwijt, kaatst criticus Aad Nuis de bal onmiddellijk terug: Ja, als er in de Verzamelde Brieven van Heeresma een greintje inzicht te bespeuren viel, een spoortje, hoe klein ook, van een oorspronkelijke gedachte (…). Maar deze koude kliek van alles wat kwaaie schrijvers door de eeuwen heen over critici hebben bedacht? Nee, hoor. De schrijver ontploft en geeft zijn uitgever opdracht nooit meer een recensie-exemplaar te versturen.

    Hoe het met de integriteit van Aad Nuis gesteld was valt moeilijk meer te achterhalen, maar enige geestelijke breeding kan hem niet worden ontzegd. Zijn oordeel over de correspondentie van Heeresma (1932-2011) lijkt niet overdreven–ook in Bleib gesund!, de zojuist verschenen selectie uit de correspondentie van Heeresma, valt het niet mee originele denkbeelden te vinden, ook al presenteert de auteur zich menigmaal als autoriteit op het gebied van Bijbelexegese en Jodendom. Zo tikt hij Renate Rubinstein op de vingers die het eerste gebod volgens hem ten onrechte omschrijft als Gij zult niet doden. Dat zou moorden moeten zijn–maar wat de hiervan de precieze consequentie is, blijft wat in het vage. Een paar dagen eerder heeft hij Marten Toonder trouwens hetzelfde geschreven naar aanleiding van een kranteninterview: Het door u aangehaalde woord spreekt niet over ‘doden’ maar over ‘moorden’ en dát is wat anders. Uw redenering zakt daarbij en passant door z’n  eigen bodem. Geen toelichting.

    Succesvol auteur
    Maar het merendeel van de brieven, die de periode van 1952 tot 2010 beslaan, betreft huis-tuin-en-keuken aangelegenheden over familie en vriendschap, schrijvers, uitgevers en recensenten. En vooral over zijn eigen schrijverschap. Wat je ook verder over de aard en kwaliteit daarvan zou mogen denken: hij was een buitengewoon succesvol auteur, zeker voor Nederlandse begrippen. Een dagje naar het strand; Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp; Geef die mok eens door, Jet!; Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming–het waren allemaal bestsellers die steeds maar weer herdrukt werden en voor een deel zijn verfilmd door vooraanstaande regisseurs. Een jongen uit plan Zuid (2005), gebaseerd op zijn (oorlogs-)jeugd in Amsterdam Zuid, behoort tot het mooiste wat er in het Nederlandse taalgebied verschenen is.

    Als schrijver stond Heeresma op eenzame hoogte, dat vond hij tenminste zelf. Vanaf het midden van de jaren zeventig kon hij van zijn pen leven en hij heeft er sindsdien een eer in geschept zich verre te houden van het ‘literaire wereldje’: hij vroeg geen subsidies of beurzen aan en accepteerde geen literaire prijzen–en had minachting voor collega-schrijvers die daar wél aan meededen. De Vereniging van Letterkundigen bestond volgens hem uit een verzameling koekebakkers, non-valeurs en staatsruifpikkers, zoals hij schreef aan de secretaris. Niet alleen schrijvers komen er slecht af in Heeresma’s brieven–er zijn maar enkele uitzonderingen, zoals Jan Arends en Laurie Langenbach–ook uitgevers, boekverkopers en, vooral, recensenten, de beoefenaren van de vaderlandse boekenschouwkunst. Met journalist Rudie Kagie maakt hij zich vrolijk over Kees Fens, die niet eens zijn eigen werk kan inschatten (…) En dat wordt losgelaten op het werk van anderen. Het lezend publiek wordt substantiële informatie onthouden omdat critici niet kunnen denken en niet kunnen schrijven. Er wordt zoveel oeverloos gewauwel over boeken losgelaten, dat het lezend publiek vermoeidheidsverschijnselen gaat vertonen wat zonder meer gevolgen heeft voor de verkopen in de boekhandel. Heeresma merkt desondanks op, de brief dateert uit 1986, dat hij een zware koffer vol knipsels heeft bewaard met recensies van zijn eigen werk: 1200 artikelen, waarvan 20 positief en 40 welwillend, de rest afwijzend op een vaak agressieve manier. Dit alles terwijl mijn oeuvre in de loop der decennia behoort tot het meest herdrukte in de geschiedenis der letteren.

    Boos
    De boosheid van de correspondentie is misschien te begrijpen, al wordt de voortdurende herhaling, in alle toonaarden, op den duur knap vermoeiend. Af en toe straalt er iets van humor door in de rancune. In 1975 wendt hij zich tot Pierre H. Dubois die Geef me die mok eens door, Jet! heeft besproken voor Het Vaderland. Dubois heeft blijkbaar laten doorschemeren dat hij de roman geen meesterwerk vindt. Dat valt verkeerd: de tijd zal wel uitmaken of iets een meesterwerk is en niet ene Pierre H. Dubois, zegt Heeresma in een brief aan de recensent. De neerbuigende toon van de criticus is niets meer of minder dan een brutaliteit, schrijft de auteur en hij vervolgt: Wie of wat bent u zelf eigenlijk? Een Haagse grootheid die met al zijn aktiviteiten nog niet bij de lezers heeft kunnen losslaan wat alleen hier genoemd boek al deed. Het wordt tijd dat mensen zoals u zich eens wat bescheidener, en vooral dienender gaan opstellen. De ijdele parmantigheid die uit uw bewering sprak is vandaag de dag niet goed mogelijk meer. 

    Heeresma heeft een ongelofelijke hoeveelheid brieven geschreven, hij liet in zijn boeken een postbusadres afdrukken en probeerde alle post te beantwoorden. Samensteller Hein Aalders heeft uit tienduizenden brieven, kisten en nog eens kisten vol, moeten selecteren. De vraag is: heeft al die moeite geloond? Het epistolaire personage van Heeresma is een wat knorrige betweter. Dat is soms amusant, maar de literaire of poëtische kwaliteiten van de schrijver blijven teveel verscholen achter polemiek en zelfbeklag. Ernstiger is het gebrek aan context: Heeresma windt zich over van alles en nog wat op, maar je weet niets van de omstandigheden: Bleib gesund!  bevat alléén de brieven van Heeresma, geen enkele reactie. Omstreeks pagina 100 staan achter elkaar brieven afgedrukt aan Thomas Rap, de moeder van de schrijver, uitgeverij Contact, Ab Visser, Propria Cures, Martin Ros, Bert Bakker, Willem Frederik Hermans, Geert Lubberhuizen, maar je komt niet te weten of de aangesneden kwesties verder worden besproken, opgelost of met een sisser eindigen.

    Ook tussen de brieven onderling bestaat geen enkel aantoonbaar verband. Naar de achtergrond van de keuze moet je raden, noch samensteller Aalders, noch inleider Anton de Goede maken er een woord aan vuil. Ruim 400 pagina’s schijnbaar willekeurige brieven–je moet wel een taaie bewonderaar zijn, wil je je daar doorheen lezen.

  • Jakob, Disi en Jimi

    Jakob, Disi en Jimi

    Jakob Duikelman werkt als buitengewoon opsporingsambtenaar, afdeling Oorlogsmisdaden bij het OM. Op kantoor voert hij niets uit. Onder werktijd plaatst hij reacties op medische fora en op Facebook. Hij zoekt de scheidslijn tussen een reactie die mag blijven staan en een reactie die wordt verwijderd. Bij een pedofielenvereniging schrijft hij dat ze van hem allemaal de kogel kunnen krijgen.
    Bij lezingen vertelt hij over het verhoren van oorlogsmisdadigers en hij sluit vaak af met een opmerking over nazi’s. ‘Jakob weet dat vergelijkingen met nazi’s het altijd goed doen’.

    We leren Jakob kennen als hij als op de trein staat te wachten, op weg naar het ziekenhuis. Hij luistert naar ‘Hey Joe’ van Jimi Hendrix. ‘Wie hem daar ziet staan zou misschien niet denken dat er in Jakob weinig anders omgaat dan paniek. Want aan Jakobs uiterlijk valt meestal weinig af te lezen.’

    ‘Ik ben Jakob, ik hou van bier en vrouwen,’ zegt hij ’s ochtends tegen zijn spiegelbeeld. ‘Ik heb geen hobby’s en geen principes. Ik heb een mooie vrouw, beter kan ik niet krijgen. /…/ Ik heb een fijne baan met een keurig salaris, waarvoor ik maar weinig hoef te doen. Ik heb een mooie, slimme dochter, die het goed kan vinden met mijn nieuwe vrouw.’ Wat kan een mens zich nog wensen?

    Maar Jakob tobt al jaren met zijn gezondheid. Hij vertelt zijn vrouw dat hij met zijn vriend Sander een weekendje weg wil. In werkelijkheid moet de wildgroei in zijn darmen weggesneden worden. De bestralingen krijgt hij na werktijd. Het gaat alras slechter met hem – uitzaaiingen, stadium 4, geen behandelmogelijkheden.

    Uit zijn eerste huwelijk met een Nigeriaanse heeft Jakob een dochter, Disi. Hij heeft haar toen ze acht was achtergelaten bij zijn gestoorde boze ex-vrouw. Daarover heeft hij ‘een gevoel van schuld, dat rondzoemde als een hongerige mug in zijn gedachten’. Als Disi twaalf is, belt zijn ex op: ‘Ik hoef haar niet meer’. Disi: ‘Papa, ik kom bij jou wonen’. Jakob koopt een nieuw huis aan de Boterbloemkreek, met een kamer op zolder voor zijn verloren en teruggekeerde dochter.

    Disi Dunkelman houdt van de muziek van Kurt Cobain en Jimi Hendrix, muzikanten die stierven op hun zevenentwintigste. Van Cobain is bekend dat zijn ouders uit elkaar gingen toen hij een jaar of negen was, ongeveer net zo oud als Disi toen Jakob bij zijn eerste gezin vertrok. Disi zet op haar blog een quote van hem ‘I hate myself and want to die’. Jakob leest deze tekst in de blog van zijn dochter en interpreteert dat als zwartgallige humor. ‘Ze is een kind van haar vader’, denkt hij trots.
    Net als haar vader luistert Disi vooral naar de muziek van Jimi Hendrix. Jakob heeft al zijn platen en Disi vindt ‘Castles made of sand‘ zijn mooiste nummer. Ze zet zijn muziek hard aan als ze zich rot voelt (‘best wel vaak de laatste tijd’) en dan schrijft ze in haar dagboek over de dingen die haar dwarszitten.

    Op haar zestiende wordt ze obsessief verliefd op de Nigeriaanse asielzoeker ‘Be Free’, de schoonmaker op haar school. Ze denkt dat zij alles is voor hem, maar hij blijkt getrouwd. Disi zoekt zijn vrouw op en er volgt een heftige confrontatie. Op haar vlucht naar Oma treft ze haar vader, maar ze vertelt niet wat zij heeft gedaan. Samen reizen ze naar Barneveld. ‘Woont Oma hier echt?’ vraagt Disi. Het huis ligt grijzig voor hen, enigszins dreigend. ‘Ga niet, zwiepen de kale takken in de bomen. Ga weg, ruisen de bladeren van de hulststruik.’

    Beroepshalve krijgt Jakob te maken met Be Free: hij verhoort hem over zijn rol als ronselaar van kindsoldaten. Jakob laat zich provoceren en slaat de asielzoeker het ziekenhuis in. Hij wordt gearresteerd en krijgt huisarrest in afwachting van zijn ‘zaak’. Bij  het OM kan hij niet blijven werken. In het hoofdstuk ‘Handdruk’ wordt zijn afscheidsreceptie op een vrijdagmiddag beschreven, de standaardspeech, de schalen bittergarnituur. ‘Afscheidsreceptie 2, concludeert Jakob. Want met bittergarnituur én kaasblokjes. De luxe variant.’ Mooi ook is het gebruik van de typische kantoortaal. Jakobs afscheid valt onder ‘de plaatsmakingsregeling in het kader van het ‘overheid verjongt, Justitie 2017’ verandermanagementprogramma’.

    Er is veel media-aandacht voor de zaak Duikelman, de ambtenaar die een ‘onschuldige’ asielzoeker in elkaar heeft geslagen. De extreme reacties komen overeen met wat Jakob zelf ook altijd op fora plaatst. Hij kan ‘de kogel krijgen’. De pers noemt hem ‘Jakob D., de Boterbloemnazi‘. Veel ongenuanceerde reacties van ‘reaguurders’ die met haat en agressie reageren.

    Het boek heeft een motto van Epicurus, ‘De dood is niet voor ons’. Jakob denkt er na de diagnose zo over: ‘De dood, het is niets voor hem’. Hij wil nog een paar mooie jaren hebben, hij vreest de dood niet. Volgens Epicurus is het onzinnig de dood te vrezen – ‘zolang wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood gekomen is, zijn wij er niet meer’. Jimi Hendrix zou zingen ‘And so castles made of sand, fall in the sea, eventually’.

    Anne-Marieke Samson speelt met haar romanpersonages volgens het procedé dat W.F Hermans beschrijft in zijn essay Antipathieke romanpersonages. Ieder mens interpreteert de waargenomen werkelijkheid op zijn eigen wijze en legt eigen verbanden. Dit geldt ook voor de personages in dit boek. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van o.a. Jakob, Mai en Disi. Elk personage heeft een eigen kijk op de gebeurtenissen. Door het meervoudig perspectief weet de lezer meer dan de afzonderlijke figuren in het boek. Maar het zorgt ook voor afstand tot de personages. De lezer heeft weinig mededogen met Jakob. Ook omdat hij wordt neergezet als een bevooroordeelde, egoïstische man.

    ‘Duikelman’ doet qua naamgeving denken aan ‘Somberman’ van Remco Campert. Net als Somberman voert Duikelman de hele dag niks uit. De vergelijking met De val van Marga Minco dringt zich op. Niet alleen door de titel, maar ook door het gebruik van het meervoudig perspectief en de manier waarop de hoofdpersonen aan hun einde komen.

    Samson heeft oog voor detail en mooie beelden. Zo beschrijft ze het huis van Jakobs moeder: ‘De ramen op de begane grond zijn groot en donker, als de zwarte plekken in een gehavend gebit’. De huiskamer ligt vol met stapels kranten en dozen met bedorven spullen. Van buiten ziet het huis er ‘grijzig’ uit. Binnen is het ook grijs – op de vensterbank staan ‘bestofte vetplanten’ en in de hoeken liggen ‘stofwolken als kleine dode dieren’.
    Knap verwerkt in het boek zijn de directe en indirecte verwijzingen naar de songteksten van Jimi Hendrix.  ‘Hey Joe’, ‘Castles made of sand’, ‘Voodoo Child’.
    Samson beschrijft de soms karikaturale kanten van het werken op een kantoor en hoe extreem reacties in de (sociale) media kunnen zijn. Niet diepgravend allemaal, eerder vermakelijk en onderhoudend. Het boek heeft een lichte toon, met kenmerken van een sprookje. De gemene, boze ex-vrouw, de manier waarop het huis van Oma is beschreven.

    Een mooi debuut.

    Anne-Marieke Samson (1981) werkt als adviseur voor het ministerie van Veiligheid en Justitie.  Ze schrijft blogs voor Tirade.nu (met o.a. inkijkjes in de totstandkoming van het boek).