• Eigen tekortkomingen actief in jezelf bestrijden

    Eigen tekortkomingen actief in jezelf bestrijden

    ‘Ik heb mijn volwassen jaren besteed aan het verzamelen van verschillende modussen van Zwarte feministische woede’, schrijft Margo Jefferson in haar memoir Het bouwen van een zenuwstelsel. Ze voegt daar nog aan toe: ‘Ik koesterde ook de kleine, geconcentreerde dosis ongenoegen of woede: de zin die, als een injectiespuit, richtte, doorboorde, zijn gif inspoot en zich bruusk terugtrok.’ Jefferson zet zich aldus neer als iemand met een kartelige persoonlijkheid. Waarbij de vraag opkomt of (gerechtvaardigd) activisme een mens gelukkiger maakt, vriendelijk zullen sommige mensen je in ieder geval niet per se vinden. Er zijn twee belangrijke redenen om Jeffersons tekst te lezen, om haar stijl en haar stellingname. Criticus en professor aan de universiteit van Colombia Margot Jefferson (1947), ontving voor haar literaire kritieken en culturele analyses de Pulitzer prijs en de National Book Critics Circle Award.

    Haar stijl is uitstekend, ook in de vertaling van Jenny Mijnhijmer. Zo typeert Jefferson een periode uit haar jeugd, ‘Middelbare school: de jaren zestig beginnen. Hakken, geen instappers, Tampax, geen Kotex, rechte rokken die benadrukken wat plooirokken dempen: je kont en je dijen.’  Een beeldende beschrijving die de leefwereld van een opgroeiend meisje in de jaren zestig goed weergeeft. Over het zwarte lichaam van danseres Josephine Baker schrijft ze, ‘Het zal een mobiel leger van metaforen worden dat Afrika, de Caraïben, Amerika en Europa oproept; stoeiend met de grenzen tussen modernisme en primitivisme, tussen hoge en lage kunst, beschaving en wreedheid. Het zal een waardevol, uniek symbool worden van de wereldwijde kunsthandel in Zwarte lichamen en zielen.’ Stijl en stellingname mengen zich hier, dat is duidelijk. En juist die felheid maakt de tekst stilistisch de moeite waard, al vliegt Jefferson echter wel eens uit de bocht. Zo typeert ze een personage uit een roman van Willa Cather als volgt: ‘Dr. Archie is een goede man en een soort eunuch.’ In een dergelijke cynische opmerking zit een agressie die dichtbij misandrie (mannenhaat) komt.

    Onconventionele aanpak

    De aanpak van haar memoir is onconventioneel. Wie iets over haar leven te weten wil komen, komt bedrogen uit. Het gaat voornamelijk over racisme en de vormen die dat kan aannemen, over de cultus van (als esthetisch voorgesteld) witheid ook, die Jefferson, met misschien iets te goed ontwikkelde voelsprieten op het gebied van racisme, ontwaart in het werk van de genoemde Willa Cather.

    Jefferson, die eerder opzien baarde met haar memoir Negroland, laat indringend zien hoe zwarten achtergesteld werden en nog steeds worden. Ze zouden hun plaats moeten kennen in de door witten gedomineerde Amerikaanse cultuur. Ze dwingt de lezer met haar tekst tot zelfonderzoek en zelfkritiek. Het is natuurlijk zo dat ieder mens enige intolerantie in zich heeft (Jefferson inbegrepen). De recente wens van Nederlanders om witte vluchtelingen uit Oekraïne op te vangen, maar geen niet-witte (wat door sommige psychologen op niet overtuigende wijze werd vergoelijkt in de media) zou mensen hun eigen vooroordelen moeten doen bevragen.

    De thematiek op scherp

    Je niet defaitistisch neerleggen bij eigen tekortkomingen, maar deze actief bestrijden. In die zin moet een leven lang de strijd aangegaan worden. Dat is een les die uit een tekst over ‘het witte verrukkingsmotief’ als die van Jefferson getrokken kan worden. Een dergelijke les zijn weinig (witte) politici en opiniemakers geneigd ter harte te nemen, men doet iets wat veel gemakkelijker is: onderbuikgevoelens activeren. ‘Want dat zijn ook gevoelens,’ alsof dat een argument is. Als opinie-onderzoek uitwijst dat xenofobie wijd verspreid is dan kun je als politicus ervoor kiezen die xenofobie aan te zwengelen of te bestrijden. De keuze die daarin gemaakt wordt, zegt veel over de visie van de mens. 

    Jefferson gaat ook in op wat ‘zwart denken’ wordt genoemd. Ze weet niet wat dat precies zou moeten betekenen, ‘behalve dat het een bedreiging lijkt te vormen voor mensen die, neem ik aan, “wit” denken.’ Ze verzucht, ‘O , de opportunistische onschuld van witheid! Het kan één ding, uitsluiting, met zoveel andere namen benoemen. Deugdzame namen als “traditie” en “esthetiek.”’ Met dergelijke formuleringen zet Jefferson de thematiek op scherp. Het bouwen van bruggen lijkt haar niet te passen. Misschien is het dergelijke polariserende meningsvorming wat nu nodig is. Hopelijk in de toekomst niet meer, zodat er meer sprake kan zijn van toenadering.

     

     

  • Toegang tot het levende verleden

    Toegang tot het levende verleden

    De Amerikaanse journalist Virginia Cowles schreef in 1941 Looking for trouble, waarin ze haar avonturen als verslaggever van oorlogshandelingen vastlegde, van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 tot aan de Battle of Britain in 1940. Het boek verscheen onlangs voor het eerst in een prachtige vertaling getiteld Op oorlogspad van Auke Leistra op de Nederlandse markt.

    Virginia Cowless maakte van 1936 tot 1940 een tocht ‘achter de vlammen aan’ langs alle gewapende conflicten in Europa. Van Spanje, via Tsjechoslowakije, Polen, Finland naar Engeland. Spanje is volgens haar het begin van alle ellende geweest, omdat de overwinnaars van 1918 zich er niet mee bemoeiden en de vrije hand gaven aan Hitler en Mussolini enerzijds en Stalin anderzijds. In Spanje brengt ze beide zijden in de Burgeroorlog van nabij in beeld, zonder te oordelen: ‘Ik schreef over de dingen die ik gezien en gehoord had, maar probeerde ze niet te interpreteren.’ Beide zijden in het Spaanse conflict probeerden haar in hun kamp te trekken en de minder leuke zijden te verbloemen. De Francogezinde persofficier Rosalles, die haar in zijn fraaie bolide langs het front rijdt, zegt telkens: ‘Daar kun je maar beter niet over schrijven’. Bijvoorbeeld over de stad Guernica. Volgens de persofficier werd de stad in de fik gestoken door de Republikeinen; in werkelijkheid, en als zodanig ook door Cowles benoemd, werd de stad door een Duits bombardement vernietigd.

    Dagelijks brood

    Cowles neemt je mee naar het front aan beide kanten en is voor de duvel niet bang: ze wil weten hoe de mensen hier overleven. Of dat nu het front in het warme Spanje is, of in het ijskoude Finland, de gevechten in de loopgraven in Spanje of in de lucht om Groot-Brittannië. Ze neemt je ook mee als ze zelf moet vluchten voor het oorlogsgevaar, in juni 1940 bijvoorbeeld, uit een door de Duitsers bijna veroverd Parijs, dat tot haar stomme verbazing door de autoriteiten zonder slag of stoot aan de invallers wordt prijsgegeven. Haar vlucht is een hartverscheurende tocht, waarbij ze de spanning niet kunstmatig opwekt door een detectivetoontje, maar door gewoon te beschrijven wat ze ziet.

    De schrijfster treft je met scherpe observaties en trefzekere bewoordingen. Ze kan heel subtiel aangeven hoe de mensen met de oorlog omgaan. Bij een bombardement schrijft ze: ‘De enigen die het vertikten om van hun plek te komen waren de vrouwen die in de rij stonden voor een bakkerij. Ik neem aan dat een snelle dood te verkiezen is boven de hongerdood.’ Van deze relativerende en tegelijkertijd ijzingwekkende observaties staan er meer in dit boek. Ze was vooral geïnteresseerd in de menselijke kant van het conflict: ‘De krachten die mensen aanspoorden zulke beproevingen te ondergaan, en de paradoxale mix van heftige en zachte eigenschappen die door het leed werden getriggerd.’

    Persoonlijke observatie en contact

    Cowles is ook een begenadigd biograaf van allerlei toonaangevende figuren in deze vooroorlogse tijd. Zij vertelt geen verhalen uit de tweede hand, maar put uit eigen ervaringen met Chamberlain, Churchill en Mussolini. Ze bezocht bijeenkomsten waar Hitler sprak. Ze ontmoette in Spanje onder meer de journalist Ernest Hemingway en ook Martha Gellhorn, die onterecht veel bekender dan zij is geworden. Zij was in staat om mensen te doorgronden en inzicht te geven in hun beweegredenen, alsof ze hen dagelijks observeerde en bestudeerde. Ze kwam ook tot verrassende opvattingen. De regering Chamberlain sloot volgens haar geen compromis uit angst, maar uit een oprecht geloof in de bereidheid van Duitsland zich een goede buur te betonen. Ze beweert dat Hitler uitgegroeid zou zijn tot een van de machtigste mensen van Europa, als hij gestopt was na de inname van het Sudetengebied in Tsjechoslowakije. Hitler was populair en genoot groot aanzien, al vindt ze dat moeilijk voorstelbaar, gezien de geringe indruk die hij op haar maakte. Ook Mussolini maakte op haar weinig indruk. Ze noemt hem ‘parmantig, een kleine, gedrongen man … hij liep met het hoofd in de nek en de borst naar voren – alsof de helft van zijn lichaam te groot was voor de rest.’

    Het boek is ook interessant door haar observaties van de cultuur van een land, of het nu om Engeland, Frankrijk of om Rusland gaat. Ze introduceert de Sovjet-Unie bijvoorbeeld door middel van de paradox dat er in dit land wel zilvervossenbontjassen voor de rijken te koop zijn, maar dat de gewone man alleen lege schappen aantreft, waar wollen kousen behoren te liggen. Ze ergert zich aan de onzekere, puberale manier waarop de communistische regering zich presenteert als het land dat geen fouten maakt.

    Paustovskij

    Dat brengt ons bij nog een reden waarom dit boek zo de moeite waard is. Lezing nodigt uit tot het maken van een switch naar het heden. Finland als het hedendaagse Oekraïne. Tsjechoslowakije als voorbeeld voor de NAVO om Rusland geen duimbreed te geven. Ze spiegelt ons als het ware voor dat al te grote clementie met de krachten van de duisternis uiteindelijk als een boemerangbom op onze cultuur zal neerdalen. Ook toen was het al lastig om de slagkracht van het Rode Leger in te schatten. In de strijd tegen de Finnen leek dat dit enorme leger qua manschappen materieel weinig voorstelde. Als Frankrijk en Engeland de Finnen niet in de steek hadden gelaten zou het land uiteindelijk niet bezweken zijn.

    Virginia Cowles beschrijft de conflicten van haar tijd als een strijd ‘om genade en gerechtigheid voor de wereld te behouden, en de waardigheid van de mens te behoeden.’ Ze laat zien dat onbuigzaamheid tegenover het kwaad een goede eigenschap is en zweert in dit verband bij Engeland, dat uiteindelijk niet boog, al leek het er in 1938 wel op.

    Haar manier van schrijven lijkt op die van de Russische schrijver Paustovskij. Ze was op het juiste moment op de juiste plaats en geeft de lezer van nu daarmee rechtstreeks toegang tot het levende verleden.

  • Wat lezers ervan maken

    Wat lezers ervan maken

    Sinds het zomer is, word ik elke ochtend om vijf uur wakker. Het eerste daglicht schemert door het slaapkamerraam naar binnen. Aan de muur worden de contouren van een omlijste tekening zichtbaar, het tafeltje daaronder. De boomtoppen waar ik vanuit mijn bed zicht op heb, vangen de eerste zonnestralen. Naast het bed ligt een klein essay in boeken. Ik lees in Claudia Roth Pierponts biografie van Philip Roth, Een schrijver en zijn boeken aan de hand van de boeken die hij publiceerde en de schrijvers die hij bewonderde. Een biografie lees je bij uitstek in bed, als het huis nog stil is. De schrijvers die in deze biografie voorkomen en die ik in huis heb, verzamelde ik naast mijn bed. Sommige daarvan, zoals Hemingway, Henry James en Isaak Bashevis Singer, nog uit de boekenkast van mijn vader.

    Ik lees over Roth’s huwelijk met Maggie Williams, die hem bedroog met een zwangerschap, en met de abortus van die niet bestaande zwangerschap. Williams stond model voor Lucy Nelson in Een braaf meisje, dat Roth schreef om zijn naargeestige huwelijk met haar te verwerken. Hij werkte er vijf jaar aan. Soms kreeg hij maanden niets op papier. Het is het boek dat hem het meest heeft gekost, het minst opleverde. In Roth’s biografie door Blake Bailey wordt weinig aandacht aan dit boek besteed. Critici vonden dat hij zichzelf als schrijver met dit boek had overschat. Later werd het personage Lucy gezien als een goed neergezette, maar mislukte feministe. 

    Wat lezers maken van wat een schrijver schrijft of zegt moet geheel ten  laste worden gelegd van de lezer. Mijn vorige column ging over Astrid H. Roemers laatste roman Dealers dochter. Ik schreef dat Roemer in de jaren zeventig de boeken van Brouwers, Wolkers en Nooteboom verslond. De schrijfster reageerde op mijn interpretatie van haar roman:‘Goed begrepen, houden zo, I Like it’. Maar liet ook weten dat ze geen boeken verslindt, ‘Ik lees traag en geconcentreerd.’ Waarop ik mijn column aanpaste. 

    Philip Roth had er na zijn schrijversleven een dagtaak aan om de dingen die recensenten, interviewers en allerhande duiders over zijn teksten en hemzelf beweerden, recht te zetten. ‘er is zoveel over hem geschreven en zo vaak zijn het verkeerde dingen, maar beweringen beginnen desondanks wortel te schieten in de geschiedenis. Wat hij nu opschrijft is om dat allemaal recht te zetten, voor de toekomst.‘, schrijft Claudia Roth Pierpont. Nadat hij in 2012  had laten weten te stoppen met schrijven, bleef hij losse aantekeningen maken over wat er in hem opkwam, schreef stukken waarvan er een als ‘Open letter’ in The New Yorker werd gepubliceerd. Over de misvatting dat zijn personage Coleman Silk in De menselijk smet, was gebaseerd op The New York Times recensent Anatole Broyard. Roth verklaarde: ‘Neither Broyard nor anyone associated with Broyard had anything to do with my imagining anything in The Human Stain.’

    Zo lees ik me van het een naar het ander, heb ik In de greep van Henry James onder handen, De duizendkunstenaar van Lublin van Bashevis Singer, herinner me dat ik alle boeken die Roth op weg hebben geholpen nog moet lezen. Alsof ik daarmee de schrijver nader kom, de illusie koester een compleet beeld van alles te krijgen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft lezend.

     

     

  • Traumaverwerking in naoorlogs Duitsland

    Traumaverwerking in naoorlogs Duitsland

    In Duitsland worstelen nog steeds heel wat mensen met het traumatische verleden dat hen is opgezadeld door de Tweede Wereldoorlog. De foute keuzes of al dan niet opgelegde rollen van verre en dichte familieleden zorgen nog steeds voor gevoelens van schaamte en verwarring. Op zijn 73ste schreef Edgar Selge de frustraties hierover van zich af in de semi-autobiografische roman Eindelijk heb je ons gevonden. Het werd onmiddellijk bestempeld als een van de belangrijkste boeken over de verwerking van trauma’s en het opgroeien in het na-oorlogse Duitsland. Belangrijk ook, omdat de auteur niet zomaar de eerste de beste is. Edgar Selge is in Duitsland een gevierd acteur. Vooral zijn rol als commissaris Tauber in Polizieruf-110 staat op het netvlies gebrand van elke Duitse Krimi-liefhebber. Daarnaast speelde hij in tientallen andere reeksen en films. Eindelijk heb je ons gevonden is zijn debuutroman.

    Pijnlijk verleden

    Premisse van de roman is de relatie tussen ouders en hun kinderen in het naoorlogse Duitsland. Edgar is de vierde van vijf zoons in een familie die een prominente rol heeft in de maatschappij. Vader is directeur van een jeugdgevangenis en probeert zijn rol in de gemeenschap weer in te nemen na de Tweede Wereldoorlog. Vader is streng en tiranniek voor zijn kinderen, maar heeft ook een zachter kantje. Zijn grote passie is muziek. Zelf is hij een niet zo begenadigd pianospeler, maar af en toe geeft hij samen met andere muzikanten huisconcerten waarop ook de jeugddelinquenten worden uitgenodigd. Het gezin is getekend door twee gebeurtenissen uit het verleden, die maar met mondjesmaat doorheen het verhaal naar boven komen. Enerzijds is er de rol van de vader in de Tweede Wereldoorlog. Die was niet zo koosjer. Ook na de oorlog onderhield hij als gevangenisdirecteur nog vriendschappelijke betrekkingen met foute en veroordeelde nazi-officieren. Toen dat aan het licht kwam, werd hij overgeplaatst naar de huidige instelling. De aanwezigheid van vooroordelen van rechtsnationalisten, het onderliggende antisemitisme zit kort na de oorlog nog steeds ingebakken bij heel wat Duitsers en vormt de ondertoon bij veel uitspraken en acties van de oudere personages in het boek. Anderzijds gaat het gezin ook gebukt onder een grote rouw, maar vooral het verdringen van het verdriet over de dood van een van de kinderen. Die sloeg met een croquethamer op een handgranaat en overleefde het ongeval niet. Impliciet wordt hier vaak naar verwezen, maar vader snoert iedereen de mond die erover begint.

    Gedeeld trauma

    Eindelijk heb je ons gevonden kan de lezer pas volledig doorgronden wanneer alle puzzelstukjes in elkaar vallen. De worsteling met het verleden leidt tot een generatieconflict in het gezin Selge. Muziek is het enige dat hen verbindt. Zonder muziek is er geen gezin, want vaders houding zorgt voor een definitieve verwijdering van al zijn zonen. Die komen elk op hun manier in verzet tegen hun vader en hebben elk hun eigen manier om aan hem te ontsnappen. Als de jonge Edgar kenbaar maakt aan zijn broers dat hij niet alleen lichamelijk mishandeld wordt door vader, maar dat er ook sprake is van seksuele opdringerigheid, antwoorden de broers met een lakonieke ‘been there, done that.’ Het verzet van de jonge Edgar die zich stort in film en kunst en steelt om zijn escapades te kunnen betalen, wordt steevast ‘beloond’ met de harde riem van vader, terwijl moeder ook maar lijdzaam toeziet.

    Haat en liefde

    Selge bouwt zijn verhaal op aan de hand van kleine voorvallen en anekdotes uit zijn jeugd. Het lijkt op een verwerking van niet alleen de trauma’s uit zijn jeugd, maar ook de rouwverwerking van de dood van zijn broers. Bovendien probeert hij de moeizame relatie met zijn vader te duiden: een verhaal van liefde en opgekropte woede, van aantrekken en afstoten, want ondanks de foute keuzes en de mishandeling door zijn vader, herkent hij heel wat daarvan in zichzelf. In een aangrijpend laatste hoofdstuk over de korte ziekte en dood van zijn broer Andreas legt Slege zijn hele ziel bloot. Hij spreekt zijn broer toe en probeert de daden van zowel zijn ouders als zichzelf te verklaren. In de dromen die hij heeft over vader en moeder komen de trauma’s weer boven, maar zit altijd ook een verbondenheid vervat. Het resultaat is een melancholisch verhaal van aantrekken en afstoten, van geweld, verdriet, maar ook liefde. De personages zijn echt en hoewel niet alles autobiografisch is, is het wel een krachttoer om de sfeer en de verwerking van het opgroeien in het naoorlogse Duitsland perfect weergegeven, gekaderd, in kleine, maar betekenisvolle anekdotes. Bovendien doet Selge dat in de juiste stijl die eveneens aantrekt en afstoot. Prachtig geformuleerde zinnen met humoristische toetsen en gruwelijke gebeurtenissen. Qua traumaverwerking van een generatie kan dit zeker tellen.

     

  • Klassiek in kleur

    Klassiek in kleur

    De kleuren spatten van de pagina’s. Koos striptekenaar Dick Matena voor sober zwartwit bij Gerard Reves De Avonden en Willem Elsschots Kaas, Multatuli’s Saïdjah en Adinda verbeeldt hij in een explosie van groen, bruin en blauw. En het werkt!

    Dick Matena (1943) is een grote naam als het om Nederlandse striptekenaars gaat. Wie de stripbladen Pep en Eppo uit de jaren zeventig en tachtig las, kent hem van verschillende stripseries, zoals De Argonauten en Dandy. Daarnaast schreef hij scenario’s voor Storm en De Partners. In 1986 won hij al de prestigieuze Stripschapsprijs. Toen moest het leeuwendeel van zijn werk nog komen, de verstripping van klassieke kinderboeken, romans en verhalen. Een stroom van titels volgde: Chris van Abcoudes Pietje Bell en Kruimeltje, Nienke van Hitchums Afke’s tiental, Jan Wolkers’ Kort Amerikaans, Kees de jongen van Theo Thijssen. Ook Roald Dahl en Charles Dickens heeft hij eens onder zijn hoede genomen. En dan nu uit de Max Havelaar, Saïdjah en Adinda, de geschiedenis van een tragische liefde tussen twee jonge mensen in de dessa, tegen het decor van kolonialisme en machtsmisbruik.

    De tekst van deze stripeditie is nagenoeg integraal overgenomen van de Max Havelaar-editie uit 1979, zo staat in de verantwoording. Slechts kleine gedeelten van de tekst zijn weggelaten, coupures die de lezer niet opvallen. De spelling is stilzwijgend aangepast, geen ‘den ketapan’, zoals in de editie van 1979, maar ‘de ketapan’. Ook enkele stripplaten hebben het boek niet gehaald, maar zijn wel op een website terug te vinden. Achter in het boek staat een verklarende woordenlijst met Indonesische en Nederlandse woorden: melati is jasmijnbloem, klappa is kokos, ketapan is een boomsoort etc.

    Close-up

    In Saïdjah en Adinda laat Matena Multatuli (Eduard Douwes Dekker) zelf het verhaal vertellen. Al op de eerste pagina portretteert Matena hem, terwijl hij één van de beroemdste regels uit de Max Havelaar voorleest: ‘Saïdjahs vader had een buffel, waarmede hij zijn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het districtshoofd van Parang-Koedjang, was hij zeer bedroefd, en sprak geen woord vele dagen lang.’

    Enkele bladzijdes later blijkt dat Multatuli zijn verhaal voorleest op wat een soiree lijkt van witte, welgestelde dames en heren. De gezichten van die bezoekers zijn interessant. Ze lijken onaangeroerd, zelfs een tikje verveeld in het begin, maar tegen het einde, als het drama heeft plaatsgevonden, draait Matena zijn camera (die vooral close-ups gaf van Multatuli’s gezicht), naar de zaal en zie je hoezeer het publiek geraakt is. Het is een handige zet van de tekenaar om Multatuli sprekend op te voeren en hem in beeld te brengen. Zo zit je als de lezer Multatuli dicht op de huid en probeer je emotie in zijn ogen te ontdekken – wat overigens niet zo gemakkelijk is, ook van Multatuli’s gezicht is moeilijk iets op te maken. Maar juist de pagina’s waarop deze close-ups ontbreken, zijn aansprekender. Je wordt als lezer niet afgeleid en je blijft meer in het verhaal van Saïdjah en Adinda. Natuurlijk is die geschiedenis overbekend. Saïdjah en Adinda past in de traditie van tragische liefdesgeschiedenissen als Tristan en Isolde en Romeo en Julia. Politiek blijkt telkens fnuikend voor de liefde.

    Eenzaamste plaat

    Saïdjah vertrekt naar Batavia om voldoende geld te verdienen voor twee buffels. Hij belooft Adinda met haar te trouwen wanneer hij terugkomt. Dan komt de korte dialoog tussen Saïdjah en Adinda die de schaduw van de tragiek vooruitwerpt.

    ‘Als ik terugkom zal ik roepen in de verte…’
    ‘Wie zal dat horen, als we rijst stampen in ’t dorp?’
    ‘Dat is waar. Maar Adinda… O ja, dit is beter. Wacht me bij het Djatibos onder de ketapan, waar je mij de melati hebt gegeven.’
    ‘Maar Saïdjah, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te [op te] wachten bij de ketapan?
    Saïdjah bedacht zich een ogenblik en zei: Tel de manen. Ik zal uitblijven driemaal twaalf manen…’

    De terugkeer van Saïdjah bij de ketapan levert de mooiste strippagina’s op. Zijn geduld wordt op de proef gesteld. Hij observeert tijdens zijn ‘afmattend wachten’ het op en neer klauteren van een eekhoorn, ziet de komst van een vlinder. In de decors wordt wit steeds prominenter. Als Saïdjah naar
    Badoer rent en het huis van Adinda niet meer kan vinden, staat hij uiteindelijk in een groot wit vlak, met om zich heen – op afstand – de vrouwen van Badoer met in hun rug het groen van het oerwoud. Het is de eenzaamste plaat van het boek, die je meteen raakt.

    Saídjah sluit zich aan bij de opstandelingen tegen het Nederlands gezag: ‘niet om te strijden zozeer, als om Adinda te zoeken. Want hij was zacht van aard, en meer ontvankelijk voor droefenis dan voor bitterheid’. De kleuren zijn donkerder geworden, zeker bij de vondst van het dode lichaam van Adinda. Saïdjah, overmand door verdriet, werpt zich in de bajonetten van de Nederlandse soldaten.

    Tekenstijl

    Wat opvalt is dat Dick Matena in zijn tekenstijl meer inzoomt dan uitzoomt. Kenmerkend zijn de portretten, of uitsneden van gezichten, met name die van Multatuli of van Saïdjah, en heel verschillend zijn die gezichtsuitdrukkingen nu ook niet. Net iets te vaak zet Matena zijn camera op de lip van de personages. Het zijn de grote tekeningen die Saïdjah en Adinda bijzonder maken: de buffels op het land, de aanval van een tijger op een liggende Saïdjah, de jongen die uit de klappaboom valt, of de aankomst van Saïdjah in Serang, tekeningen die de lezer bijblijven, tekeningen – en kleuren! –  die de lezer brengen in het Nederlands-Indië van de negentiende eeuw. Dan zie je Matena’s meesterschap.

     

  • Ik wil begrijpen wat er staat en waarom het er staat


    Met De wedergekeerden van Georges Perec (1936-1982) leverde Guido van de Wiel op de palindroomdatum 22.02.2022 zijn tweede vertaling af van deze auteur. Zijn eerste was ’t Manco in 2009. De romans zijn lipogrammen, teksten waarin bepaalde letters niet voorkomen: in La Disparition uit 1969 gebruikte Perec de letter E niet en in Les Revenentes uit 1972 is de E juist de enige klinker die gebruikt wordt. De omzetting naar het Nederlands kostte Van de Wiel in beide gevallen jaren werk. Bij een kop koffie in een café in Driebergen vertelt hij er vol enthousiasme over.

    We hebben vóór onze afspraak al aardig wat mails gewisseld omdat we beiden groot liefhebber zijn van de belangrijkste vertegenwoordiger van OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle), de Franse schrijversgroep die zich bij het schrijven vooraf beperkende regels of dwingende afspraken (contraintes) oplegt in de overtuiging dat je daarmee nieuwe creativiteit aanspreekt. OuLiPo is nog springlevend en staat weer volop in de belangstelling door de roman Anomalie (2020) van Hervé Le Tellier, die de huidige voorzitter is van OuLiPo. Die werd in Frankrijk bekroond met de Prix Goncourt en genomineerd voor de Europese Literatuurprijs van 2022.

    Vertalen is voor Guido van de Wiel (1972) een bijbaan. Van beroep is hij organisatiepsycholoog. Toch ligt daar voor hem de link naar de literatuur: ‘Van jongs af wilde ik al schrijver worden en voor mijn studie twijfelde ik tussen Nederlands en psychologie. Ik koos voor psychologie omdat die studie me zou helpen personages te ontwerpen met hun drijfveren en motieven. Toen ik daarin afgestudeerd was rolde de bal de kant op van managementtrainingen en organisatieadviezen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de schrijfdrang kreeg vorm in managementboeken die ik nu vooral als ghostwriter voor anderen schrijf’.

     

    Toen kwam het literaire werk op je pad en ben je gaan vertalen. Hoe gebeurde dat?

    ‘Dat kan ik me nog vrij precies herinneren. Dat was rond 2000. Toen las ik Code van Simon Singh, een prachtig boek over geheimschriften en ontcijferingen in de geschiedenis. In dat boek neemt Singh een pagina uit de Engelse vertaling van La Disparition op. Dit doet hij om te laten zien hoe letterfrequenties werken en hoe die bij sommige teksten vervormd kunnen raken: dat is van belang bij het kraken van sommige geheimschriften. De meest voorkomende letters in het Frans zijn achtereenvolgens E, S, A, R, T, I, N, U, L, O en C.

     

    Perec maakte zelfs een gedichtenbundel waarin hij alleen die elf gebruikte plus steeds een letter die hij als joker kon inzetten.

    Ja, dat is het werk La Clôture [afsluiting]. Een ander werk, Ulcérations [verzweringen] bestaat uit gedichten die achtereenvolgens steeds alleen maar uit deze elf meest voorkomende letters uit het Frans bestaan.
    De E komt dus het meest voor en Perec koos ervoor juist die letter niet te gebruiken in La Disparition. Ik was vrijwel meteen bezig met de vraag of die tekst ook in het Nederlands om te zetten zou zijn. Dat werd uiteindelijk ’t Manco’.

    De aantrekkingskracht van Perec was voor Van de Wiel echter niet louter het spelen met woorden en letters, maar de combinatie van het tragische en het speelse in zijn werk. Dat spelen is het OuLiPo-element en het tragische heeft te maken met het verlies van zijn ouders en van zijn Joodse afkomst. Wat Perec met die woordspelletjes doet staat in dienst van zijn vaak autobiografische verhaal.

     

    De prominentste vertegenwoordigers van OuLiPo zijn naast Perec volgens mij Raymond Queneau, Italo Calvino en recent ook Le Tellier. Allemaal schrijvers die binnen hun contraintes óók serieuze maatschappelijke thema’s aan de orde stellen. Dat die het meest gelezen worden en vertaald zijn zal geen toeval zijn.

    ‘Jazeker. Wat mij bij Perec in ieder geval opvalt, is dat hij zichzelf tot inzet heeft gemaakt van de literatuur die hij schreef. Dat merk je. Door die inzet van zichzelf overstijgt hij het niveau van een taalspel. Anders zou het een zoekplaatje of een puzzel blijven en dan blijft het een dun geheel. In ’t Manco bijvoorbeeld hebben meerdere verdoemde personages een tatoeage in de vorm van een E (de verboden letter) op hun arm staan. Dat is een duidelijke verwijzing naar het nummer dat je in Auschwitz op je arm getatoeëerd kreeg. Laten we niet vergeten dat Perecs moeder naar datzelfde Auschwitz gedeporteerd werd’.

     

    In de pdf-bestanden die lezers van ’t Manco en De wedergekeerden van internet kunnen downloaden besteed je erg veel aandacht aan de autobiografische betekenis van namen en woorden die Perec in die romans gebruikt.

    ‘Dat is een beetje het gevaar van het vrijgeven van die pdf’s. Die zijn eigenlijk ontstaan als verantwoordingswerken voor mezelf. Ik heb ze toch beschikbaar gesteld zodat lezers die dat willen kunnen nazoeken hoe ik te werk ben gegaan. Juist omdat het mijn eigen notities zijn staan er nog veel hypotheses in, beginnende gedachten over mogelijke betekenislagen. Soms heb ik die zelf ook weer verworpen of is er geen sluitend bewijs voor. Daarom vind je vaak de vermelding ‘discutabel’. Als ik die bestanden als boek uit zou laten geven zouden waarschijnlijk veel van die discutabele veronderstellingen er uit gaan. Ze zijn te vergelijken met de directors cut, de versie van een film waarin je kunt zien wat de regisseur uiteindelijk heeft weggelaten’.

    Van de Wiel voelt zich als vertaler verplicht om zo goed mogelijk te begrijpen wat er staat en waarom het er staat. Als leuk voorbeeld noemt hij het bergdorpje Besse-en-Chandesse dat in De wedergekeerden Besse-en-Chendesse is geworden: ‘Je zou kunnen denken dat het een willekeurige naam is die Perec bruikbaar vond vanwege de vele e’s. Maar hij deed bijna niets willekeurig, dus ga je zoeken. En dan blijkt het een klein plaatsje van nog geen 1.500 inwoners te zijn waar de groep ‘Nicolas Bourbaki’ werd opgericht. Dat was een soort wiskundige tegenhanger van OuLiPo. Het is natuurlijk leuk zo’n duiding met de lezer te kunnen delen’.

     

    Je vertelt in de pdf’s hoe je te werk bent gegaan. Gedurende het vertalen van De wedergekeerden begon je lijsten van Nederlandse woorden aan te leggen die alleen een E als klinker hebben. Hoe werkte je met die lijsten?

    ‘Het aanleggen van die lijsten zorgde ervoor dat ik de vertaling kon verrijken met al het E-idioom dat het Nederlands kent. Neem een ietwat aangepaste uitdrukking als “Ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” [net als Perec past Van de Wiel soms klinkerelisie toe zoals hier in het voorzetsel “in”]. In de eerste vertalingen van mijn tekst kwam een paar keer de zinsnede “ze verdween” voor. Dan is het verrijkend om op één plaats dit alternatief “ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” te gebruiken. Dat is wat ik het satureren van de tekst ben gaan noemen. De lijsten vormden zo een extra bron: naast de tekst van Perec en de letterlijke vertaling ook het E-Nederlands op zichzelf. Die extra bron kon ik integreren, maar wel alleen als dat bleef passen bij de brontekst zelf’.

     

    In ’t Manco staan ook E-loze ‘vertalingen’ van beroemde gedichten. Daarmee had je zelfs nóg een bron, namelijk de oorspronkelijke versie van die poëzie. Ik kan me voorstellen dat dat tegelijk weer een moeilijkheidsfactor is omdat je ook trouw moet blijven aan de oerversie van zo’n gedicht.

    ‘Ik heb inderdaad ook de oorspronkelijke gedichten bestudeerd, om te zien op welke plekken Perec daarvan afweek: waren dat thematische keuzes of keuzes ingegeven door de contrainte, bijvoorbeeld? Verder heb ik bij die gedichten – overigens net als de Duitse en de Engelse vertaler – nog een rigoureuzere keuze gemaakt. Ik heb enkele van de Franse gedichten die Perec gebruikt vervangen door Nederlandse gedichten die juist in óns collectieve bewustzijn zitten. Zoals alle Fransen regels kennen van Rimbaud of Baudelaire, zo kennen alle Nederlanders wel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min of Het uur U van Nijhoff of Denkend aan Holland van Marsman. Zo heb ik die dan ook lipogrammatisch geïntegreerd in ’t Manco. Ik vind dat ik daarmee trouw blijf aan Perec die zijn schrijven zag als een spel met de lezer. Ik maak als vertaler dat spel geschikt voor het Nederlandse publiek. Bovendien gaan die Nederlandse gedichten over vormen van gemis en dat past weer binnen de thematiek ’t Manco’.

     

    Ik las dat je mogelijke volgende projecten een vertaling van Cent mille milliards de poèmes van Queneau en Alphabetical Africa van Walter Abish betreffen. Dat lijken me teksten waarin het meer gaat om de contrainte dan om de inhoud. Wat zijn het voor teksten?

    ‘Ik ben over mijn vertaling van de gedichten van Queneau nog lang niet tevreden. Het oorspronkelijke werk is een bundel van tien sonnetten waarvan je in plaats van een pagina elke regel afzonderlijk kunt omslaan zodat weer een nieuw gedicht ontstaat waarin één regel is veranderd en de andere dertien regels gelijk zijn gebleven.
    Met Alphabetical Africa ben ik een stuk verder. Ook daar vormt de contrainte de motor van een bizar verhaal, waar gek genoeg ook plaats is voor een juwelenroof, net als in De wedergekeerden. Abish schreef een tekst waarvan alle woorden in het eerste hoofdstuk beginnen met de letter A, in het tweede met een A of B, in het derde met A, B of C enzovoort. Op de helft van het boek heb je even alle letters van het alfabet tot je beschikking; daarna ga je in omgekeerde richting zodat het laatste hoofdstuk weer alleen woorden kent die met een A beginnen. Door deze vormbeperking begint het verhaal achtereenvolgens in Angola en Burundi. Halverwege het boek komen Zambia en Zanzibar pas aan bod’.

     

    Die vertaling kent weer zijn eigen uitdagingen?

    ‘Zeker, want als Abish het in het derde hoofdstuk over “Chad” heeft, de Engelse benaming voor Tsjaad, dan kan ik dat land, vanwege de veranderende beginletter, nog niet noemen. Daar moet ik dan bijvoorbeeld grijpen naar “Centraal-Afrika”.

    Ik heb nu de eerste acht en de laatste vijf hoofdstukken van Abish af omdat die me het moeilijkste leken vanwege de beperkte woordenschat met de voorgeschreven beginletters. Hoe verder ik in het midden zit, hoe groter het vocabulaire is waaruit ik kan putten. Toch is het niet helemaal zo dat ik het vertalen van dat middenstuk als gemakkelijker ervaar. Als de teksten meer mogelijkheden krijgen gaan mijn verdiensten als gewoon vertaler een rol spelen. Ik ben bedreven geworden in het vinden van oplossingen voor allerlei gemankeerde teksten; ik voel me juist senang als er zeer beperkte mogelijkheden zijn. Als ik ineens alle taal ter beschikking heb put ik uit een reservoir waaruit alle vertalers, ook degenen die daar veel beter in zijn dan ik, putten. Voor mij is dat daarom een moeilijkere uitdaging. Ik ben daarom geneigd voor het vertalen van dergelijke teksten de samenwerking te zoeken’.

    Van de Wiel komt met een primeur. Hij heeft inmiddels de vertaling van de twee korte monovocalistische teksten van Perec ook af: What a Man! waarin de enige klinker de A is, en Morton’s Ob, met alleen de O. Beide stukken schreef Perec in het Engels. Ze zijn te kort voor een afzonderlijke boekuitgave, dus gaat de vertaler nog met de uitgever in conclaaf over andere publicatiemogelijkheden. Het zou een onderdeel kunnen worden van een verzameld werk of anders moet je misschien denken aan een bibliofiele uitgave.

     

    Van de Wiel wil graag nog iets kwijt over het bijzondere van het werken met lipogrammen: ‘Perec doet met de lipogrammen iets extra-ordinairs, iets buitengewoons, terwijl hij juist meester is van het infra-ordinaire: hij wilde zich juist van het alledaagse bewust zijn waar we normaal aan voorbij lopen. Het kostte even voordat ik doorhad, dat hij juist met het extraordinaire van een lipogram ook het infra-ordinaire van taal bloot weet te leggen. Doordat je bepaalde letters uitsluit valt er ineens een ander licht op alle woorden die je wel gebruikt. Als ik zeg: “Het speelde hem parten”, dan zal niemand lang stilstaan bij die uitdrukking. Maar op het moment dat ik in De wedergekeerden schrijf: “Het speelde hem delen”, dan weet iedereen dat ik een synoniem voor parten gebruik. Tegelijkertijd zet die herschrijving je aan het denken over wat dat “parten” in de oorspronkelijke uitdrukking eigenlijk betekent. Door de lipogrammatische taal ga je nadenken over je gewone taalgebruik; je wordt je bewuster van allerlei betekenislagen. Waarom kun je wel zeggen dat iemand “voor spek en bonen” meedoet, maar niet dat iemand meedoet “voor bonen en spek”?
    Voordat hij zich aan La Disparition zette had Perec last van een writer’s bloc. De contraintes die hij zich oplegde voelde hij juist als een bevrijding’.

     

    La Disparition is vertaald in minstens tien talen, maar Les Revenentes pas in drie. Is de reden daarvoor de moeilijkheidsgraad of misschien dat La Disparition inhoudelijk een betekenisvoller verhaal heeft?

    ‘Ik denk dat je op beide veronderstellingen een antwoord kunt geven. Ik vermoedde zelf dat de vertaling van Les Revenentes  een moeilijk leesbaar eindresultaat zou opleveren. In het boek komt een  menukaart voor; in het begin leek het me goed genoeg om een geheel andere menukaart samen te stellen, als deze maar Nederlandse e-woorden van gerechten bevatte, zoals lekkerbekjes en zee-egel. Pas later lukt het me om de Franse menukaart ook gewoon letterlijk te vertalen. Ik moest eerst zelf blijkbaar het E-Nederlands beter onder de knie krijgen. Misschien weerhoudt het idee dat je maar één klinker tot je beschikking hebt vertalers in andere landen.
    Maar het inhoudelijke verschil is er ook. La Disparition is literair gezien een veel rijker verhaal dan Les Revenentes. Zo bevat ’t Manco complete hervertellingen van werken van Thomas Mann, Herman Melville en Edgar Allan Poe. Toch staan deze beide lipogrammatische romans – naast uiteraard Perecs magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing – op de lijst van 1000 novels everyone must read die The Guardian in 2009 publiceerde. Perec heeft Les Revenentes zelf trouwens wel eens afgedaan als een niemendalletje. Dat ben ik absoluut niet met hem eens als je ziet welke niveaus er allemaal in zitten. Het was voor hemzelf misschien een tussendoortje, maar je herkent er duidelijk de hand van de meester in’.

     

    Hoe is het volgens jou gesteld met de bekendheid van Perec voor het brede publiek in Nederland? Vormen zijn lezers niet een betrekkelijk kleine wereld van liefhebbers?

    ‘Dat vind ik lastig te zeggen. De Arbeiderspers heeft Perec al decennialang echt omarmd en doet veel moeite om zoveel mogelijk van hem in vertaling uit te brengen. Daardoor neemt de bekendheid van zijn werk wel toe, net als het aantal lezers’.
    ‘Ik denk dat er in groter verband wel iets aan de hand is met zogenaamde klassieke literatuur. Daar zakt misschien de aandacht wat voor weg. Maar ik hoop dat het net zo gaat als je in de muziek wel ziet. De aandacht voor Jimmy Hendrix herleefde weer – grotendeels bij een nieuwe fanschare – toen recensenten Prince met Hendrix gingen vergelijken. Zo zou de aandacht voor OuLiPo best eens kunnen groeien door het grote aantal lezers van Anomalie van Le Tellier. Daardoor zou zo maar een nieuwe groep Perec kunnen gaan (her)ontdekken. Ook mijn vertaling van Les Revenentes kan hier een steentje aan bijdragen. De wedergekeerden is, ondanks zijn experimentele opzet, in korte tijd toch ook al op weg naar een tweede druk. Lipogrammatische teksten blijven tot de verbeelding spreken: ik heb gemerkt dat het boek mensen prikkelt om teksten te schrijven zonder E, met alleen maar de E, of om op andere manieren met contraintes aan de slag te gaan’.

     

     



     

    Foto: Tijmen Ballieux

  • Oogst week 2 – 2022

    Sloop

    Anna Enquist (1945) is het pseudoniem van Christa Widlund-Broer. In 1991 debuteerde ze met de dichtbundel Soldatenliederen, waarmee ze de C. Buddingh’-prijs won, en inmiddels heeft ze een veelomvattend oeuvre met romans, novelles, korte verhalen, monologen en poëzie op haar naam staan. In 2014 en 2015 was ze stadsdichter van Amsterdam. Enquist volgde een conservatoriumopleiding. Muzikaliteit komt terug in een groot deel van haar werk, zo ook in haar nieuwste roman Sloop. Hoofdpersoon Alice is een componist met een grote toekomst die de belangrijke opdracht krijgt een jubileumstuk te componeren voor het Koninklijk Symfonie Orkest. Ondertussen houdt ze geheim dat ze om geld te verdienen onder een schuilnaam geluiden voor reclames schrijft. Verder wil ze, ondanks haar eigen moeilijke jeugd, niets liever dan een kind. Deze roman gaat over maken, scheppen, creëren, en vooral over het leven zelf.

    Sloop
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Wij kunnen dit

    Nelleke Noordervliet (1945) heeft niet alleen hetzelfde geboortejaar als Anna Enquist, maar al net zo’n uitgebreid oeuvre. Ze debuteerde in 1987 met Tine of de dalen waar het leven woont, een historische roman over Tine van Wijnbergen, de vrouw van auteur Multatuli. Hierna volgenden verhalenbundels, toneelteksten, poëzie, columns en romans. In 1994 won ze de Multatuliprijs voor een andere roman, De naam van de vader. In 2018 kreeg ze de prestigieuze Constantijn Huygens-prijs voor haar gehele oeuvre. Noordervliets nieuwste roman, Wij kunnen dit, gaat over de liefde tijdens het coronatijdperk. Helen en Leo zijn allebei de veertig gepasseerd. Zij is een boekhandelaar die probeert het hoofd boven water te houden, hij een succesvolle ondernemer die een doel in zijn leven zoekt. Behalve Noordervliets liefde voor details bevat dit verhaal ook veel humor.

    Wij kunnen dit
    Auteur: Nelleke Noordervliet
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ik zing in een andere taal

    Jila Mossaed (1948) is een auteur uit Iran die sinds 1986 in Zweden woont en ook pas vanaf dat moment Zweeds leerde, een taal die ze ‘de taal van ijs’ noemt. Ze bekleedt een positie als een van de achttien leden van de Zweedse Academie, een eeuwenoud instituut dat de kwaliteit van de Zweedse taal bevordert.  De Academie heeft ook de verantwoordelijkheid om de winnaar van de Nobelprijs van de Literatuur te benoemen. Soms schrijft Mossaed ook in het Perzisch. Ik zing in een andere taal is een poëziebundel met gedichten die geschreven zijn tussen 1997 en 2018 én de eerste vertaling van Mossaeds werk naar het Nederlands. Sjoerd-Jeroen Moenandar vertaalde deze poëzie niet alleen, maar schreef ook een nawoord.  In deze gedichten roept Mossaed beelden op die vertellen hoe het is om onderdrukt te worden, te vluchten en een nieuw thuis in een ander land te vinden.

    Ik zing in een andere taal
    Auteur: Jila Mossaed
    Uitgeverij: Wilde Aardbeien
  • Oogst week 26 – 2021

    Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen

    ‘De essentie van reizen is dat je je overgeeft aan wat je overkomt,’ schrijft Cees Nooteboom in zijn onlangs bij Koppernik verschenen Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen, bestaande uit een in 2020 geschreven essay en een gedicht. Nooteboom weet dat als geen ander: hij onderzoekt in zijn internationaal geprezen reisverhalen steeds het onbekende door zich onder te dompelen in de natuur en cultuur van de werelddelen en landen die hij aandoet. Met zijn partner, fotograaf Simone Sassen, bezocht hij in december van 2005 Kozan-ji, een kleine tempel in het noorden van Kyoto, in 1133 gesticht door de monnik Myoe. Nooteboom beschrijft de sprookjesachtige, verstilde omgeving; het verstrijken en concreet worden van de tijd in de rituelen en kunst in de tempel.

    Het boek, dat een in 2020 geschreven essay en een gedicht bevat, is verfraaid met kleurenfoto’s van Sassens hand en het eerste deel van de Choji-jinbutsu-giga-rol met inkttekeningen van antropomorfe dierenfiguren, waarvan de originele onderdelen zich tegenwoordig in het Nationaal Museum van Kyoto en het Nationaal Museum van Tokyo bevinden.

    Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen
    Auteur: Cees Nooteboom
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Mijn nachten met Spinoza

    ‘Sinds H. en ik uit elkaar zijn, komt alles me belachelijk voor. Ik ben woedend dat ik moet blijven eten, drinken, slapen, dat wat mensen leven noemen. Wat er daadwerkelijk belachelijk geworden is, dat ben ik zelf. Maar het zijn de spelregels, zeg ik tegen mezelf, het is precies de reden waarom ik het allemaal op moet schrijven. Ik ben het aan mezelf verplicht.’ Met die confessie kondigt Els Moors in Mijn nachten met Spinoza haar literaire zelfonderzoek aan. Aan de hand van de 48 affecten, of ‘impulsen tot handelen’, die de zeventiende-eeuwse filosoof Benedictus de Spinoza (1632-1677) definieerde, beschrijft Moors zo eerlijk mogelijk haar leven en het liefdesverdriet waarmee ze worstelt. 48 affecten, in 48 dagen: die indeling kenmerkt haar filosofische autofictie-relaas.

    Els Moors is dichteres en prozaïst. Ze was in 2018 en 2019 Dichter des Vaderlands van België. Haar poëziedebuut Er hangt een hoge lucht boven ons (Nieuw Amsterdam, 2006) werd bekroond met de Herman de Coninckprijs.

    Mijn nachten met Spinoza
    Auteur: Els Moors
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het heldenpad

    Nog een reisverhaal in deze Oogst, zij het dat dit boek meer weg heeft van een biografie: de Britse auteur Tim Parks trok in 2019 met zijn partner Eleonora de Apennijnen in, in navolging van de negentiende-eeuwse generaal Garibaldi. Parks tekende hun reis op in Het heldenpad. Te voet met Garibaldi van Rome naar Ravenna, dat eerder deze maand bij De Arbeiderspers verscheen in vertaling van Corine Kisling.

    Tijdens zijn middelbareschooltijd kwam Parks achter het bestaan van de illustere Giuseppe Garibaldi (1807-1882). Deze guerrillastrijder fascineerde Parks zodanig dat hij een reis én een boek aan hem wijdde. Garibaldi spreekt dan ook tot de verbeelding: hij ontkwam na een terdoodveroordeling aan de executie door naar Zuid-Amerika te vluchten, hij vocht in de Uruguayaanse Burgeroorlog, overleefde volgens de overlevering zo’n twaalf kogelwonden en wist uiteindelijk inderdaad een cruciale bijdrage te leveren aan wat bekendstaat als de Risorgimento, de Italiaanse eenwording, waarbij Italië het politieke juk van onder andere Oostenrijk afwierp.

    Het heldenpad
    Auteur: Tim Parks
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 16 – 2021

    De stilte van de ander

    Abdelkader Benali schreef De stilte van de ander ter gelegenheid van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei. Aanvankelijk koos het het Nationaal Comité 4 en 5 mei hem ook als spreker voor de 4 mei-lezing, een besluit dat begin dit jaar werd gemaakt om de dialoog tussen bevolkingsgroepen te versterken. Eind januari legde Abdelkader de mogelijkheid toch naast zich neer: online gingen stemmen van tegenstanders op nadat er een uitspraak van hem, over het aantal joden in Amsterdam-Zuid uit 2006, weer was komen bovendrijven.

    Die kwam hem online op grote tegenstand, beschuldigingen van antisemitisme en haatberichten te staan. Deze lezing, bestemd voor de 4 mei-herdenking werd, met een speciaal toegevoegde apologie, uitgebracht door De Arbeiderspers,.

    De stilte van de ander
    Auteur: Abdelkader Benali
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaal paard, vale ruiter

    Katherine Anne Porters (1890-1980) Pale Horse, Pale Rider werd in 1939 voor het eerst gepubliceerd bij Harcourt, Brace and Company. Deze maand verscheen het in vertaling van Molly van Gelder bij Atlas Contact als Vaal paard, vale ruiter. Het boek is een bundeling van drie van Porters korte verhalen, waarvan het titelverhaal is gebaseerd op autobiografische ervaringen: de hoofdpersoon, Miranda, wordt besmet met het Spaanse griepvirus. Ze wordt ernstig ziek en ziet in haar angstige koortsdromen haar geliefde die naar het front wordt gestuurd, de loopgraven van Europa tijdens WO I.

    Porter zelf kreeg in 1915 tuberculose en verbleef in een sanatorium, waarna ze de pen opnam. Toen ze als journalist in Denver werkte, raakte ze bovendien besmet met het Spaanse griepvirus. Op het eerste oog leek die griep nog een onschuldige verkoudheid. In maart van 1918 meldt de eerste zieke zich in de VS – er is nog geen reden tot paniek, tot in augustus van datzelfde jaar de epidemie een levensbedreigend karakter krijgt – iets wat voor de hedendaagse lezer van Vaal paard, vale ruiter vast angstaanjagend herkenbaar is.

    Vaal paard, vale ruiter
    Auteur: Katherine Anne Porter
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De echo van mijn voetstappen

    Een ander boek waarin de lezer weleens akelige (symbolische) parallellen met ons heden zou kunnen ontdekken: De echo van mijn voetstappen van Daniël Dee, uitgegeven door Passage. In De echo van mijn voetstappen komt een ‘eenling’ er op een ochtend achter dat alle andere levende wezens van de aardbodem zijn verdwenen. Een overstroming zorgt er een paar dagen later voor dat hij letterlijk geen kant meer op kan, en zijn eenzaamheid zelf te lijf moet gaan. Daardoor komen existentiële vragen op, maar lijkt ook de waanzin steeds dicht(er)bij.

    Dit boek is het eerste deel van een zogenoemd Rotterdams tweeluik (Dee is oud-stadsdichter van Rotterdam), waarvan het tweede deel in het najaar van 2021 verschijnt.

    De echo van mijn voetstappen
    Auteur: Daniël Dee
    Uitgeverij: Passage, Uitgeverij
  • Oogst week 5 – 2021

    600 gedichten over leven, liefde en dood

    Een mooie aankondiging op de laatste dag van de Poeziëweek is zonder meer de nieuwe en herziene uitgave van het Nieuw Groot Verzenboek, een bloemlezing uit het Nederlandstalig gebied ‘over leven, liefde en dood’. De redactie voor deze imposante dichtbijbel is zoals alle voorgaande uitgaven in handen van dichter, prozaïst en bloemlezer Jozef Deleu. De eerste editie van het Nieuw Groot Verzenboek verscheen in 1976 met 500 gedichten. In 2009 kwam de veertiende editie – een drastisch herziene uitgave met 555 gedichten – waarin recente poëzie van toen werd opgenomen. In de 18de editie uit 2015 werden 600 gedichten opgenomen met nog meer gedichten van nieuwe en jonge dichters.

    Deze 19de editie is opnieuw geactualiseerd met werk van de jongste generatie dichters, maar zoals in alle voorgaande edities blijft er ruimschoots  plaats voor het werk van oudere dichters. Sinds het verschijnen van de eerste editie in 1976 is de maatschappij sterk veranderd, ontwikkelingen en veranderingen die hun weerslag hebben op het sociale leven en de poëzie. ‘Hoop en onzekerheid, liefde en vertedering, vereenzaming en wanhoop vormen ook voor de jongere dichters de grondstof voor hun poëzie.’

    Niet zonder trots mag vermeld worden dat deze nieuwe uitgave gesierd wordt met een citaat uit een recensie van de voorgaande editie Nieuw Groot Verzenboek (2015) die op Literair Nederland verscheen en ook nu als aanbeveling geldt voor deze 19e editie:

    ‘Deze bloemlezing vormt ongemerkt een brug tussen de tijd dat poëzie serieuzer en zwaarder van aard werd geacht, en deze tijd waarin poëzie vooral via podium/theater festivals wordt beleefd. Voor Jozef Deleu maakt dit niet uit. Van hem kun je verwachten dat hij al die 600 gedichten kent en ze met gevoel voor tijd en persoon gekozen heeft in de stilte van zijn werkkamer.’

     

    600 gedichten over leven, liefde en dood
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Lannoo | Meulenhoff

    Dit Amerika

    De Amerikaanse historica Jill Lepole (1966) schreef zo’n tiental boeken over Amerikaanse geschiedenis, politiek en cultuur. Ze wordt gezien als de enige hedendaagse historicus die een geschiedenis van Amerika durfde te schrijven. In haar voorgaande, zeer lijvige boek, Deze waarheden, schreef ze over de geschiedenis van de Amerikaanse politiek, hoe die al bijna tweeënhalve eeuw worstelt met de waarheid en met gelijke rechten. In haar essay In Amerika pleit Lepore voor de waarden waarop Amerika gebouwd is. Daarbij verwerpt ze het nationalisme, dat gevaarlijke vormen aanneemt, door zijn lange geschiedenis uit te leggen, en de geschiedenis van het idee van ‘de natie’ zelf. Ze roept op tot een ‘nieuw Amerikanisme’, tot een genereus patriottisme dat om een eerlijke afrekening met het verleden van de Verenigde Staten vraagt.

    In de pers wordt Lepores lezing van de Amerikaanse geschiedenis als verhelderend gezien en haar pleidooi voor liberaal nationalisme ‘eloquent en overtuigend’.

    Dit Amerika
    Auteur: Jill Lepore
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Mooie vrienden

    Interviewer en tv redacteur (Man bijt hond, Pauw, Op1) Martijn Jas (1966) studeerde aan de School voor Journalistiek in Utrecht en debuteert binnenkort met de roman Mooie vrienden bij uitgeverij Kapstok, een nieuwe uitgeverij waar hij vooralsnog de enige schrijver in stock is.

    Mooie vrienden opent met een soort proloog waarin de aankondiging van het overlijden van de 28-jarige Wolf, vriend van de ik-verteller Tobias Buut. Wolf heeft zich verhangen. ‘Het had me tijd en kracht gekost om met de perforator een extra gaatje te krijgen in de zwarte spijkerriem van Wolf. Vijf kilo was hij afgevallen nadat hij gestopt was met het eten van vlaaien en andere zoetigheid.’ Aldus opent het boek; het is dezelfde riem waarmee Wolf vier maanden later een einde aan zijn leven maakt.

    Na deze aankondiging volgt er een terugblik op de jaren waarin Tobias Buut journalistiek studeert, vrienden maakt. We leren hem kennen als een jongeman die niet uit de kast wil komen, moeite met de homoscene heeft, een hekel aan de Gay Parades en darkrooms haat. In de volgende hoofdstukken ontvouwt zich een zoektocht naar zichzelf, betekenis van vrienden en waarin hij de liefde wanneer die zich voordoet, niet herkent.

     

    Mooie vrienden
    Auteur: Martijn Jas
    Uitgeverij: Uitgeverij Kapstok (verschijnt 9 februari)
  • Oogst week 49 – 2020

    Zonder papieren

    ‘In een democratie heeft eenieder / het onvervreemdbare recht / om een idioot te zijn’. Een regel die de gedachten van lezers in deze roerige tijden misschien meteen laat richten op zekere presidenten en partijvoorzitters. In het gedicht waaruit deze regels komen worden ze gevolgd door ‘U ook. Moet toch wel gezegd worden […]’

    Het gedicht staat in de bundel Wirrwarr van Hans Magnus Enzensberger die begin dit jaar uitkwam bij Suhrkamp Verlag en is nu in Nederlandse vertaling opgenomen in Zonder papieren. Die bundel is samengesteld door literair vertaler René Smeets, die twee maanden geleden ook al Straks gaat het jenever sneeuwen, een bloemlezing van gedichten over jenever, uitbracht. Zonder papieren is een keuze van de gedichten die Enzensberger (in november 91 jaar geworden) tussen 1950 en 2020 schreef.

    Zonder papieren
    Auteur: Hans Magnus Enzensberger
    Uitgeverij: Poeziecentrum vzw

    De andere kant – Pohemen

    Wie Gellu Naum (1915 – 2001) niet kent – en dat zijn waarschijnlijk heel wat literatuurvolgers – zou bij het woord Pohemen gemakkelijk aan een landstreek kunnen denken zoals Bohemen. Maar in de woordenwereld van de Roemeense surrealist staat ‘pohemen’ voor poëzie die hij afwijst. Daaronder begrepen zijn eigen gedichten.

    Uitgeverij Vleugels is sterk in het onder de aandacht brengen van literatuur die buiten de mainstream blijft, maar verrassende wijzen van naar de wereld kijken vertegenwoordigt. Zo ook De andere kant – Pohemen, na Zenobia de tweede bundel van Naum die in het Nederlands vertaald is. Beide door Jan H.Mysjkin, vertaler van en naar het Frans en Roemeens.

    De andere kant – Pohemen
    Auteur: Gellu Naum
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Tegenwind

    In Tegenwind zijn 34 stukken gebundeld die Anna Enquist schreef voor kranten en tijdschriften, als inleiding bij werk van anderen of als lezingen en toespraken. Ze zijn gerangschikt in zes delen die overeenkomen met de van haar bekende interessegebieden kunst, psychotherapie, schrijven, muziek, sport en filosofie.

    De stukken zijn persoonlijk van toon en wisselend van lengte. Zeer persoonlijk is bijvoorbeeld haar studeergeschiedenis van Schumanns Toccata, opus 7 met afbeeldingen met afbeeldingen van acht pagina’s uit de partituur.

    Tegenwind
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Het verloren paradijs van een romanticus

    Het verloren paradijs van een romanticus

    In Vlaanderen komt elke jongere voor het eerst in contact met Luuk Gruwez aan het eind van het middelbaar onderwijs, waar zijn (vroege) gedichten gelezen worden als de voorbeelden bij uitstek van de neo-romantiek. Ondertussen is de Vlaamse schrijver, dichter en essayist geëvolueerd, maar is zijn werk nog steeds doordrenkt van de geest van de romantiek. In 1998 verscheen in de reeks Privé-domein zijn Het land van de wangen, een ode aan Limburg, de nieuwe heimat waar West-Vlaming Gruwez zich sinds 1976 had gevestigd en enigszins een afrekening met zijn geboortestreek. Het werk kreeg die titel verwijzend naar het feit dat de mensen in Gruwez’ ogen daar onophoudelijk glimlachen. Ruim twintig jaar later brengt hij nu de pendant daarvan uit, Het land van de handen, een citaat uit zijn vorige boek waarin hij stelt: ‘West-Vlaanderen is het land van de handen. Daarmee kan men wurgen, daarmee kan men strelen, daarmee kan men zijn centen tellen.’ Hij verwees daarmee naar het mercantiele karakter van zijn streek en het feit dat mensen daar  in de eerste plaats alleen aan geld denken.

     Vervat tussen het Introïtus en de Benedictio, verwijzend naar het begin en einde van een katholieke eredienst, zitten in Het land van de handen meer dan vijfhonderd bladzijden brieven, dagboekfragmenten en mijmeringen uit het leven van Gruwez tussen 28 september 2016 en 28 januari 2019. Hij brengt een ontroerend relaas over die periode in zijn leven, een periode waarin hij voelt dat het einde dichterbij is dan het begin. In zijn eigen poëtische en dagdromende stijl wijst hij bevriende auteurs als Hester Kribbe en Miriam Vanhee op zijn dagelijkse beslommeringen en deelt hij filosofische gedachten. Het werk is geschreven op verschillende plaatsen die een belangrijke rol spelen in zijn leven: zijn woning Huize Sehnsucht in Hasselt, maar evenzeer ook zijn vakantieplaatsen in Griekenland en Zuid-Frankrijk, en verschillende plaatsen in West-Vlaanderen waar hij nog steeds naartoe trekt.

    Heimwee en dood

    Rode draad door Het land van de handen is een zekere nostalgie en heimwee. De openingsscènes spelen zich af in Het Lijsternest in Ingooigem, voormalige woning van een van Vlaanderens grootste literatoren, Stijn Streuvels, en op amper een boogscheut van Gruwez’ geboortedorp Deerlijk. Met weemoed denkt hij terug aan oude tantes en nonkels, en bezoekt hij hun graven. Zijn vader, die in het eerste deel van de autobiografie nog een veeg uit de pan kreeg als weinig betrokken, lijkt hij nu in een heel ander daglicht te plaatsen nadat hij na diens dood knipselboeken met krantenartikelen over zijn zoon vond.

    De dood is trouwens alom aanwezig in het werk, wellicht ook omdat hij zelf het einde voelt naderen, maar het lijkt alsof hij ook een soort van pact met de dood wil sluiten. Hij heeft het katholieke geloof afgezworen, maar tegelijk heeft hij het als agnost of atheïst (hij is er nog niet uit) opvallend vaak over het leven na de dood. Bijzonder aangrijpend is zijn brief aan Benno Barnard na het bericht dat diens dochter is omgekomen in een auto-ongeval. Ook vriend Rob ontvalt hem ondertussen. Hij wordt met de dood van de hond Malu en de Vlaamse Reus Oblokov de Derde geconfronteerd en laat niet na daarover bedenkingen neer te pennen in zijn werk. Opvallend is de (voor)laatste brief aan zijn voormalige vriend en schrijver Eriek Verpale. Ze raakten in onmin en toen stierf Verpale. In een postume brief probeert Gruwez de plooien nog glad te strijken.

    Poëtische mijmeringen 

    Gruwez lijkt een eeuwige twijfelaar en verlangt naar bevestiging. Hij geeft dat ook grif toe. Hij zwijgt niet over zijn depressie en gaat graag in debat met zijn oude klasgenoot, broeder Godfried, abt van de abdij van West-Vleteren waar hij het slotwoord van zijn werk schrijft. Leven en dood, en gerede twijfel, maar ondertussen ook wegdromen… het lijken wel de typische elementen van de romanticus en hij refereert ook zelf graag aan Miltons Paradise Lost en Waughs Brideshead Revisited. De stijl is soms aandoenlijk, vrij poëtisch, maar Gruwez blijft zichzelf en schuwt ook geen harde woorden, op het arrogante af, als hij het niet eens is met bepaalde uitspraken of schrijfsels van collega-auteurs waarvan hij geen hoge pet op heeft. 

    Groots en monumentaal is het einde van het boek, gesitueerd in de abdij van West-Vleteren. Gruwez heeft net voor het slapengaan het kerkhofje nog eens bezocht en kan de slaap niet vatten. Hij schrijft zijn vrouw een brief die eigenlijk het hele boek samenvat: een mijmering over de angst voor de dood, de lof van het leven, de heimwee naar zijn bakermat en het verlies van zovele vrienden, en waarin hij zich afvraagt hoe het hen nog verder zal vergaan. ‘Want er is geen ander paradijs dan Paradise Lost’ eindigt hij opnieuw met een diep-romantische gedachte.